Provinciaal blad van Zeeland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zeeland | Provinciaal blad 2024, 19066 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zeeland | Provinciaal blad 2024, 19066 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Besluit van Gedeputeerde Staten van Zeeland houdende GLB|NSP Openstelling Niet-productieve investeringen voor niet-landbouwbedrijven 2025 Zeeland - overhevelingsmiddelen
Besluit van Gedeputeerde Staten van Zeeland van 10 december 2024, kenmerk 570343, houdende openstelling van de NSP maatregel Niet-productieve investeringen voor niet-landbouwbedrijven 2025 Zeeland.
Gedeputeerde Staten van Zeeland,
Overwegende dat voor verstrekking van subsidie in het kader van hoofdstuk 2, paragraaf 4 ‘Niet-productieve investeringen op niet-landbouwbedrijven’ van de Verordening Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Zeeland een openstellingsperiode en een subsidieplafond dient te worden vastgesteld en nadere regels kunnen worden gesteld;
Vast te stellen dat aanvragen voor het verstrekken van subsidie in het kader van hoofdstuk 2, paragraaf 4 ‘Niet-productieve investeringen op niet-landbouwbedrijven’ van de Verordening Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Zeeland (hierna: de Verordening) kunnen worden ingediend met ingang van 15 januari 2025 09.00 uur, tot en met 26 februari 2025 17.00 uur;
In aansluiting op artikel 1 van de Verordening wordt in dit openstellingsbesluit verstaan onder:
Natuurvriendelijke oever: De natuurvriendelijke oever is een door de mens ingerichte oever waarbij ontwikkeling van natuur, landschap en ecologie expliciet wordt gestimuleerd. In Zeeland is vastgelegd in het Regionaal Waterprogramma 2022-2027 van de Provincie Zeeland dat natuurvriendelijke oevers een gemiddelde breedte van 10 meter hebben (10 meter breedte per km of 1 ha oeverbreedte per km);
Niet-Productieve Investeringen (NPI): Investeringen die niet mogen leiden tot een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van het landbouwbedrijf of een andere onderneming. Een investering moet om als NPI aangemerkt te kunnen worden dus primair gericht zijn op het behalen van de agro,-milieu,- klimaatdoelstellingen, waarbij eventuele productieve elementen slechts “bijvangst” zijn. Indieners dienen bij indiening expliciet te onderbouwen dat de investeringen bovenwettelijke taken betreffen;
WB21 : Waterbeheer 21ste eeuw. Naar aanleiding van een aantal natte jaren met veel neerslag is ingezet op het terugdringen van regionale wateroverlast in het landelijk en stedelijk gebied. In Zeeland voert het waterschap maatregelen uit en draagt zorg dat uiterlijk in 2027 wordt voldaan aan de in de Omgevingsverordening Zeeland gestelde wateroverlastnormen (WB21 normering). Bij uitvoering van maatregelen door het waterschap geldt de trits vasthouden-bergen-afvoeren als uitgangspunt.
In afwijking van artikel 2.4.2, en op basis van artikel 1.2 derde lid onder c van de Verordening kan subsidie uitsluitend worden verstrekt aan Provincies, waterschappen en gemeenten.
Artikel 5 Niet subsidiabele kosten
De kosten als opgenomen in de artikelen 1.10 en 2.4.4 van de Verordening komen niet voor subsidie in aanmerking.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.5 van de Verordening wordt subsidie geweigerd indien:
Subsidieaanvragen die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, worden overeenkomstig artikel 2.4.6 van de Verordening door een adviescommissie als bedoeld in artikel 1.13 van de Verordening beoordeeld en gerangschikt op basis van de volgende selectiecriteria:
Met dit criterium wordt er gekeken naar de bijdrage die het project, waarvoor subsidie wordt gevraagd, levert aan de NSP doelen van de interventie en de beleidsdoelstelling(en). De NSP-adviescommissie beoordeeld als uitwerking van artikel 2 van dit openstellingsbesluit in welke mate het project bijdraagt aan de volgende doelen:
De bijdrage die inschrijvers moeten indienen wordt als volgt gekwantificeerd:
Met dit criterium wordt naar de haalbaarheid van de investering gekeken. Er wordt in samenhang gekeken naar de volgende aspecten:
Bij dit criterium gaat het om de vraag in hoeverre de opgave(n) die aangepakt worden geïdentificeerd zijn als opgaven die noodzakelijk aangepakt dienen te worden en op welke termijn die aanpak noodzakelijk is.
Bij dit criterium wordt beoordeeld of de input (geld, kennis, kunde en overige middelen) efficiënt wordt ingezet om de gewenste output te realiseren. Daarbij wordt bezien of de opgevoerde kosten passend zijn (worden de resultaten met de juiste middelen gehaald?), wordt gekeken in hoeverre de proceskosten die in het project gemaakt worden in verhouding staan tot de feitelijke projectkosten én wordt bezien of binnen het project op een goede manier gebruik gemaakt wordt van reeds bestaande kennis en kunde.
Artikel 9 Wegingsfactoren en rangschikking
Na sluiting van de openstellingstermijn worden alle aanvragen beoordeeld op basis van de in artikel 8 genoemde selectiecriteria en gerangschikt op volgorde van het aantal toegekende punten, waarbij:
Indien de subsidiabele activiteit wegens onvoorziene omstandigheden niet kan worden afgerond binnen de termijn, genoemd in het eerste lid, en de subsidieontvanger verlenging van die termijn wenselijk acht, kan hij tot uiterlijk de dag voor het verstrijken van die termijn schriftelijk een gemotiveerd verzoek indienen bij gedeputeerde staten tot verlenging van de termijn tot en met uiterlijk 31 december 2028.
Aldus vastgesteld in de vergadering van Gedeputeerde Staten van 10 december 2024.
H.M. de Jonge, voorzitter
Drs. M.C.J. Franken, secretaris
Bijlage 1 Toelichting bij het Openstellingsbesluit “Niet-productieve investeringen niet-landbouwbedrijven 2025 Zeeland”
Voorliggend openstellingsbesluit moet in samenhang gelezen worden met de Verordening Europese landbouwsubsidies 2023-2027 van de provincie Zeeland .
Met dit openstellingsbesluit wordt paragraaf 4 uit hoofdstuk 2 van de Verordening – de interventie Niet-productieve investeringen op niet-landbouwbedrijven – opengesteld. De artikelen 2.4.1 tot en met 2.4.6 van paragraaf 4 uit hoofdstuk 2 van de Verordening moeten tezamen gelezen worden met de artikelen in dit openstellingsbesluit. Daarnaast zijn de algemene bepalingen uit hoofdstuk 1 en slotbepalingen uit hoofdstuk 3 van de Verordening ook van toepassing op een aanvraag.
Met deze interventie wordt ingezet op niet-productieve investeringen in het landelijk gebied met een aantoonbare directe link met de landbouw. Vanuit de Verordening kan subsidie worden verstrekt voor:
Dit openstellingsbesluit richt zich echter uitsluitend op investeringen in het watersysteem ten behoeve van de herinrichting, inrichting, of transformatie van watersystemen.
Het gaat dan bijvoorbeeld over de (her)inrichting/transformatie en het beheer van het landelijk gebied en daarmee bijdragen aan het verhogen van de biodiversiteit (bijv. aanleg landschapselementen), inrichtingsmaatregelen ten behoeve van waterkwaliteits- en -kwantiteitsbeheer en aanpassing aan klimaatverandering.
Bepaalde investeringen kunnen ook worden uitgevoerd op landbouwgrond, het gaat dan bijvoorbeeld om investeringen in het kader van de KRW of klimaat. Voorbeelden van investeringen zijn: de aanleg van natuurvriendelijke oevers of een waterberging door een waterschap, op landbouwgrond.
Een goede kwaliteit en kwantiteit van oppervlakte water en grondwater is voor landbouw, natuur en alle inwoners en toeristen van groot belang. Maatregelen dienen een noodzakelijke bijdrage te leveren aan de realisatie van KRW-doelen (waterkwaliteit in termen van ecologie en chemie) van KRW-waterlichamen en de realisatie van waterkwantiteitsdoelen, zoals vastgesteld in het Regionaal Waterprogramma 2022-2027 van de Provincie Zeeland.
Schoon en ecologisch gezond water ontstaat niet vanzelf. Het water in Zeeland moet uiterlijk in 2027 voldoen aan de doelen van de Europese Kaderrichtlijn Water. De ecologische doelen zijn gericht op het bereiken van een bepaalde samenstelling van (oever)planten en dieren in het water (hierbij valt te denken aan vispassages), de bijbehorende milieukwaliteit en de inrichting en het beheer. De chemische waterkwaliteit is gericht op het behalen van de richtwaarden die leiden tot een goede chemische toestand van oppervlaktewateren. Bijvoorbeeld door emissies van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen te verminderen.
Via de volgende link is een overzicht van de KRW waterlichamen te vinden: https://zldgwb.zeeland.nl/geoloket/?Viewer=Kaderrichtlijn
De beschikbaarheid van voldoende (grond)water in kwantitatieve en kwalitatieve zin, is van groot belang voor een vitaal Zeeland. Zoet water is ook een belangrijke productiefactor voor de bedrijfsvoering en -ontwikkelingsmogelijkheden. De klimaatverandering geeft in toenemende mate een extra dimensie aan het waterbeheer. Met het ontstaan van extremere weerspatronen neemt de behoefte aan bescherming tegen zowel wateroverlast als watertekort toe. De stijgende zeespiegel en wisselende rivierafvoeren vragen om een nieuwe kijk op watervoorzieningen, vooral op langere termijn.
De grondwaterstand en het oppervlaktewaterpeil worden afgestemd op de gebiedsfuncties op de waterfunctiekaart (Kaart 8 van het Omgevingsplan zeeland 2018: Waterfunctiekaart). Het waterschap werkt dit uit in een Gewenst Grond- en Oppervlaktewater Regime (GGOR), als bouwsteen voor een nieuw te effectueren peilbesluit.
Naar aanleiding van een aantal natte jaren met veel neerslag is ingezet op het terugdringen van regionale wateroverlast in het landelijk en stedelijk gebied (Waterbeheer 21ste eeuw). De toename van extreme regenbuien als gevolg van de klimaatverandering wordt daarbij betrokken. Het waterschap voert maatregelen uit en draagt zorg dat uiterlijk in 2027 wordt voldaan aan de in de omgevingsverordening gestelde wateroverlastnormen (WB21 normering). Bij uitvoering van maatregelen door het waterschap geldt de trits vasthouden-bergen-afvoeren als uitgangspunt. Daarnaast stemmen Provincie en waterschap nader af welke prioritering wordt aangehouden bij het op orde brengen van het beheergebied overeenkomstig de normen. Voorbeelden zijn waterbergende maatregelen, maatregelen die het bestaande waterbergend vermogen van gronden en watersystemen vergroten, maatregelen gericht op vasthouden en afvoeren van water.
Aanvraag procedure en benodigde documenten
Om in aanmerking te komen voor subsidie op basis van dit openstellingsbesluit moet er een subsidie aanvraag worden ingediend via het online portal van RVO. De link naar het online aanvraagportal wordt enkele dagen voor de openstelling bekend gemaakt via de website van de provincie Zeeland. Om uw aanvraag te kunnen doen is E-herkenning 3 benodigd.
Bij de aanvraag moeten verschillende verplichte bijlagen worden meegestuurd, waaronder het volledig ingevulde format projectplan, een volledig ingevuld format begroting en een onderbouwing van de kosten. Daarnaast kunnen er ook nog één of meerdere bijlagen verplicht zoals een vergunning, indien deze noodzakelijk is voor het uitvoeren van het project.
Projecten die worden ingediend binnen deze subsidie interventie moeten een bijdrage leveren aan resultaatindicator: R.27 milieu- of klimaatgerelateerde prestaties door investeringen in plattelandsgebieden.
Artikel 2 Subsidiabele activiteiten
Voorbeelden van investeringen die voor steun in aanmerking kunnen komen zijn:
De investeringen kunnen ook (deels) op landbouwgronden worden uitgevoerd. Bijvoorbeeld een investering door een waterschap in retentiegebieden of waterbergingen die (deels) op landbouwgrond zijn gelegen.
De investeringen kunnen leiden tot een verandering op percelen. Deze veranderingen dienen in het perceelsregister verwerkt te worden, vanwege mogelijke gevolgen voor de steun die op grond van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 ontvangen wordt.
Artikel 5 Niet subsidiabele kosten
Investeringen in het watersysteem komen alleen voor subsidie in aanmerking wanneer het effect van de investering groter is dan alleen voor landbouwbedrijven. Een investering zoals een stuw of dam waardoor water alleen wordt vastgehouden voor een bedrijf of een investering in drainagepoelen, komt dus niet voor subsidie in aanmerking. Dit zijn investeringen als bedoeld in paragraaf 2 van de Verordening.
Op grond van de artikelen 1.10 en 2.4.4 van de Verordening komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:
kosten van rente, debetrente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, juridische advisering of bijstand ten behoeve van gerechtelijke procedures, boetes en sancties, fooien en geschenken. Personeelsactiviteiten, overboekingen en annuleringen, gratificaties en bonussen, outplacementtrajecten en representatiekosten en -vergoedingen;
de aankoop van niet-bebouwde en bebouwde grond voor een bedrag van meer dan 10% van de totale subsidiabele uitgaven van de betrokken verrichting, met uitzondering van aankoop van land ten behoeve van milieubehoud en het behoud van koolstofrijke bodems tot een maximum van 30% van de totale subsidiabele uitgaven van de betrokken verrichting
investeringen in grootschalige infrastructuur die geen deel uitmaken van de strategieën voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling beschreven in artikel 32 van verordening 2021/1060, met uitzondering van investeringen in breedbandinfrastructuur en van preventieve acties tegen overstromingen ter bescherming van de kust, die gericht zijn op inperking van de gevolgen van mogelijke natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden of rampzalige gebeurtenissen;
Om projecten van enige omvang te verkrijgen is ten aanzien van het subsidiebedrag een minimumgrens opgenomen € 1.000.000,-. Het subsidieplafond is vastgesteld op € 3.000.000,-.
Subsidies worden afgerekend op basis van arrangement 3. Dit arrangement sluit aan bij de traditionele afrekening van subsidies, namelijk op basis van gerealiseerde kosten. De vaststelling van de subsidie vindt dus plaats op basis van prestaties en financiële verantwoording.
Naast de in artikel 7 benoemde weigeringsgronden, zijn de weigeringsgronden zoals beschreven in artikel 1.5 van de Verordening hier onverkort van toepassing, en onverminderd het bepaalde in artikel 4:25 en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt subsidie geheel of gedeeltelijk geweigerd indien:
de activiteiten een voorziene negatieve uitwerking hebben op het dierenwelzijn van landbouwhuisdieren, te weten dieren die in het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf worden gehouden in verband met de productie van bijvoorbeeld melk, vlees, wol, veren of eieren of in verband met het berijden van dieren;
Conform artikel 1.12 eerste lid, onder b, artikel 1.12 derde lid en artikel 2.4.6 van de Verordening worden de aanvragen beoordeeld aan de hand van een viertal selectiecriteria. De selectie van aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, zal plaatsvinden via een zogenaamde ‘tender-methode’.
Artikel 9 Wegingsfactoren en Rangschikking
Conform artikel 1.12 derde lid van de Verordening heeft Gedeputeerde Staten per selectiecriterium een wegingsfactor van 1, 2, 3, of 4 vastgesteld. In dit artikel van het openstellingsbesluit worden de gewichten aan de verschillende criteria toegekend.
Aan het criterium ‘mate van effectiviteit’ wordt de hoogste wegingsfactor (vier) toegekend. De effectiefste activiteiten dragen het meeste bij aan de beleidsdoelen. Daarna volgt het criterium ‘haalbaarheid’ (wegingsfactor drie) om het belang van de realisatiekans te onderstrepen. Het criterium ‘de mate van efficiëntie’ geeft een wegingsfactor twee. Het belang van dit criterium zit hem in de doelmatige besteding van beschikbaar budget. Het criterium 'de mate van urgentie’ krijgt eveneens de wegingsfactor twee.
Het aantal punten van een aanvraag wordt bepaald door per selectiecriterium de score te vermenigvuldigen met de aangegeven weging van het criterium en alle zo verkregen punten op te tellen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2024-19066.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.