Goedkeuring faunabeheerplan 2024-2029

GEDEPUTEERDE STATEN VAN DE PROVINCIE GRONINGEN

Gelet op artikel 8.1, tweede lid, van de Omgevingswet en hoofdstuk 7, afdeling 7.1 en 7.2 van de Omgevingsverordening provincie Groningen;

Gelezen

het verzoek van 18 juli 2024 van de Stichting Faunabeheereenheid Groningen (hierna Fbe-Groningen) tot goedkeuring van de faunabeheerplan 2024-2029, de aanvulling per mail van 23 augustus 2024 en de brief van 2 oktober 2024 waarmee het goedkeuringsverzoek voor het deelplan Landelijk Vrijgestelde Soorten door de Fbe-Groningen is ingetrokken;

Gehoord

de mening van Provinciale Staten; zoals kenbaar gemaakt tijdens de Statenvergadering d.d. 13 november 2024;

Overwegende

dat wij de Fbe-Groningen erkennen als samenwerkingsverband van jachthouders en maatschappelijke organisaties ten behoeve van duurzaam beheer van populaties van in het wildlevende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht;

dat de verschillende onderdelen van het faunabeheerplan voldoen aan de eisen die de Omgevingswet en onze provinciale omgevingsverordening stellen aan een faunabeheerplan;

het faunabeheerplan past binnen het gestelde beleid van de provincie Groningen zoals vastgesteld in de Beleidsnotitie fauna en flora 2018;

Besluiten

  • 1.

    Het faunabeheerplan 2024-2029 van de Stichting Faunabeheereenheid Groningen, goed te keuren op grond van de in de toelichting "Overwegingen bij Besluit" vermelde motivering, bestaande uit het algemene deel en de volgende deelplannen:

  • a.

    Ganzen;

  • b.

    Wildsoorten;

  • c.

    Knobbelzwaan en smient;

  • d.

    Predatiebeheer.

  • 2.

    Dit besluit in werking te laten treden vanaf 1 december 2024.

  • 3.

    Dit besluit te laten gelden vanaf de inwerkingtreding tot 1 december 2029.

Groningen, 26 november 2024

Gedeputeerde Staten van Groningen:

René Paas

Hans Schrikkema

Toelichting

Wij verwijzen u naar de bijlage 'Overwegingen bij Besluit' voor een nadere motivering.

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking vanaf 1 december 2024. Het besluit wordt bekend gemaakt door publicatie op www.officielebekendmakingen.nl.

Bezwaar

Als u het niet eens bent met dit besluit, kunt u binnen 6 weken na publicatie van dit besluit een bezwaarschrift indienen. Meer informatie daarover vindt u op onze website provinciegroningen.nl/bezwaarmaken.

Uw bezwaar kan zich slechts richten op de delen van dit besluit die een rechtstreeks rechtsgevolg hebben (het deelplan wildsoorten). Voor de overige delen van het faunabeheerplan geldt dat dit goedkeuringsbesluit een voorbereidend besluit is zonder zelfstandig rechtsgevolg. Gelet op artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht staat er daarom geen bezwaar of beroep tegen die delen van het besluit open. Tegen omgevingsvergunningen die voor de overige delen van dit faunabeheerplan worden verleend, waarmee het beheer van beschermde soorten mogelijk gemaakt wordt, staat wel bezwaar en beroep open. Een dergelijk besluit zal te zijner tijd separaat gepubliceerd worden, onder vermelding van de mogelijkheden hier bezwaar en/of beroep tegen in te stellen.

Meer informatie

Wij vertrouwen er op dat voldoende duidelijk is welke voorwaarden aan dit besluit verbonden zijn. Heeft u nog vragen, dan kunt u contact opnemen met het algemeen nummer van de provincie Groningen via het telefoonnummer 050 - 316 4911. U wordt dan doorverbonden met een medewerker die uw vragen zal beantwoorden. Wij verzoeken u het dossiernummer te vermelden.

Overwegingen bij Besluit

  • 1.

    Algemeen

De Stichting Faunabeheereenheid Groningen (hierna Fbe-Groningen) heeft op 18 juli 2024 het faunabeheerplan 2024-2029 ter goedkeuring aan Gedeputeerde Staten aangeboden. Op 23 augustus heeft de Fbe-Groningen een aanvulling op het plan per mail toegestuurd. Op 2 oktober 2024 heeft de Fbe-Groningen middels een brief het goedkeuringsverzoek voor het deelplan Landelijk Vrijgestelde Soorten ingetrokken. Het plan dat ter goedkeuring voorligt, bestaat daarmee uit de deelplannen voor ganzen, wildsoorten, knobbelzwaan en smient en predatiebeheer.

De Omgevingswet maakt onderscheid tussen populatiebeheer, schadebestrijding en jacht. Jacht zoals gedefinieerd in de Omgevingswet gaat over het bemachtigen, opzettelijk doden of met het oog daarop opsporen van dieren van soorten die op de wildlijst zijn vermeld. Bij populatiebeheer gaat het om het beperken van een populatieomvang om te voorkomen dat dieren ernstige of omvangrijke schade veroorzaken of een publiek belang bedreigen. Schadebestrijding gaat om maatregelen die een grondgebruiker mag nemen tegen dieren die schade aan zijn eigendommen veroorzaken. De grondgebruiker is degene die gerechtigd is krachtens een zakelijk of persoonlijk recht om de grond te gebruiken.

De faunabeheereenheid is krachtens de wet aangewezen voor het opstellen van een faunabeheerplan. In de provinciale omgevingsverordening zijn eisen gesteld aan de samenstelling van het bestuur van de faunabeheereenheid. Door deze eisen vormt het bestuur van de faunabeheereenheid een afspiegeling van verschillende maatschappelijke invalshoeken bij faunabeheer. Door de brede maatschappelijke samenstelling kan door de faunabeheereenheid een goede afweging gemaakt worden over het nut en de noodzaak van faunabeheer. Het voorliggende faunabeheerplan beschrijft de maatregelen die het bestuur van de Fbe-Groningen passend en doeltreffend acht om te komen tot een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, de uitvoering van schadebestrijding door grondgebruikers en uitoefening van de jacht door grondgebruikers.

Sinds 1 januari 2024 geldt de Omgevingswet. Op grond van artikel 11.63 van het Besluit activiteiten leefomgeving vinden populatiebeheer, schadebestrijding en de jacht in beginsel plaats volgens het faunabeheerplan dat door de faunabeheereenheid is vastgesteld. Faunabeheerplannen dragen bij aan een duurzame en planmatige aanpak van het faunabeheer. Gedeputeerde Staten zijn bij artikel 8.1, tweede lid van de Omgevingswet, aangewezen om faunabeheereenheden goed te keuren.

  • 2.

    Mening Provinciale Staten

Provinciale Staten hebben in 2016 een motie aangenomen waarin Gedeputeerde Staten wordt gevraagd om Provinciale Staten te raadplegen alvorens een faunabeheerplan goed te keuren en bij de overwegingen over goedkeuring rekening te houden met de mening van Provinciale Staten. In de Statenvergadering d.d. 13 november 2024 hebben

Provinciale Staten gelegenheid gehad hun mening over het plan naar voren te brengen.

Wij hebben kennisgenomen van de mening van Provinciale Staten. Meerdere partijen hebben hun waardering uitgesproken voor de zorgvuldige afweging die de Fbe-Groningen heeft gemaakt in het voorliggende faunabeheerplan. Daarbij wezen de partijen op de verschillende belangen en invalshoeken die in het bestuur van de Fbe-Groningen zijn vertegenwoordigd. Wij sluiten ons aan bij deze overweging. In de beraadslaging hebben wij benadrukt veel waarde te hechten aan de wijze waarop de Fbe-Groningen tot de voorgestelde beheermaatregelen is gekomen. Daarbij hebben wij benadrukt dat dieren niet onnodig gedood moeten worden, dat schade zoveel mogelijk middels preventieve maatregelen moet worden voorkomen en dat afschot van dieren de laatste optie is om schade te beperken, waarbij de staat van instandhouding van de betreffende soort altijd gewaarborgd moet blijven.

De partijen gaven aan dat er gezocht moet worden naar balans tussen de verschillende belangen en dat de plannen handhaafbaar en uitvoerbaar moeten zijn. Niet alle partijen kijken op dezelfde manier naar de inzet van preventieve maatregelen om schade te voorkomen. Een aantal partijen vraagt daar meer aandacht voor te hebben en niet of minder met het geweer in te grijpen. Met betrekking tot deze opmerking overwegen wij dat de beleidsregels van de provincie voor een tegemoetkoming in faunaschade eisen stellen aan de redelijke inzet van preventieve maatregelen en dat bij vergunningverlening ook wordt beoordeeld of er andere bevredigende oplossingen zijn. Ook zijn door BIJ12 recent de Faunaschade-preventiekits geactualiseerd waarin de laatste inzichten naar effectieve schadebestrijdingsmethoden zijn verwerkt. Hoewel er dus al aandacht is voor de inzet van preventieve maatregelen, zullen wij hier in de toekomst bij het faunabeheer aandacht voor houden. Overigens zijn er ook partijen die juist oproepen ruimer beheer mogelijk te bewaken. Dit zien wij als een teken dat de Fbe-Groningen tot een goede balans tussen beschermen en schade bestrijden is gekomen in het faunabeheerplan.

Daarnaast is in de beraadslaging kort stilgestaan bij de gegevens waarop het faunabeheerplan is gebaseerd. Er is bij faunabeheer de laatste jaren veel meer aandacht ontstaan voor tellingen en gegevens en de kwaliteit van data. We zien dat de Fbe-Groningen hierin stappen zet om tot een zo goed mogelijk onderbouwd plan te komen. Daarbij maakt de Fbe-Groningen gebruik van de best beschikbare gegevens. We overwegen op dit punt dat het gezien de schaal van het faunabeheer en de dynamische buitenwereld waarin het faunabeheer plaatsvindt, erg lastig kan zijn om bijvoorbeeld causale verbanden te leggen bij het faunabeheer.

Bij de beraadslaging is een aantal moties in stemming gebracht, waarin onder andere werd opgeroepen om de doelmatigheid van het faunabeheer secuur te beoordelen; een nadere inventarisatie naar werings- en verjaagmethoden uit te voeren en het deelplan voor ganzen aan te houden vanwege de methode ganzenvergassing die daarin is opgenomen. Geen van de in stemming gebrachte moties heeft een meerderheid gehaald. Doelmatigheid en de beschikbaarheid van andere methoden om schade te beperken maken niettemin onderdeel uit van het beoordelingskader voor faunabeheer. Met betrekking tot de inzet van ruivangsten en vergassing bij het bestrijden van ganzen merken we op dat er op dit moment nog geen vergunning voor is aangevraagd. De inzet van deze methode is dus nog niet zeker en zullen we te zijner tijd zorgvuldig beoordelen.

  • 3.

    Beoordelingskader

Het faunabeheerplan heeft betrekking op de uitvoering van de jacht, het beheer van diverse soorten ganzen ter voorkoming van schade aan landbouwgewassen, het beheer van predatoren ter bescherming van grondbroeders en de verjaging van knobbelzwaan en smient ter voorkoming van schade aan landbouwgewassen. Gelet op artikel 8.1, tweede lid van de Omgevingswet behoeft een faunabeheerplan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten.

Op grond van artikel 8.1, derde lid, van de Omgevingswet kunnen bij algemene maatregel van bestuur en bij omgevingsverordening nadere regels gesteld worden over faunabeheerplannen. Deze regels zijn te vinden in respectievelijk hoofdstuk 6 van het Omgevingsbesluit en hoofdstuk 7, afdeling 7.1 en 7.2 van de Omgevingsverordening provincie Groningen.

Jacht

De jacht is vrijwel geheel in landelijke regelgeving opgenomen. Zo regelt artikel 8.3 van de Omgevingswet wie gerechtigd is tot uitoefening van de jacht en op welke soorten er gejaagd mag worden. In paragraaf 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn rijksregels voor de jacht, die onder andere inhouden dat er geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig is voor uitoefening van de jacht. De bevoegdheid van de provincie ten aanzien van de jacht beperkt zich tot de mogelijkheid om middels een maatwerkregel de jacht op wildsoorten te sluiten zolang bijzondere weersomstandigheden dat noodzakelijk maken. Wel staat in artikel 11.63 van het Besluit activiteiten leefomgeving dat de uitoefening van de jacht wordt uitgevoerd volgens het faunabeheerplan dat door de faunabeheereenheid is vastgesteld.

Verbod op het doden van vogels en het vernielen van nesten

Op grond van artikel 11.37 van het Besluit activiteiten leefomgeving is het verboden om zonder omgevingsvergunning opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn te doden. Ook het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten of eieren van deze vogels is verboden.

Verbod op het doden van andere soorten

Op grond van artikel 11.54 in het Besluit activiteiten leefomgeving is het verboden om zonder omgevingsvergunning in het wild levend zoogdieren genoemd in de bijlage IX bij het besluit, te doden. Vos en steenmarter zijn in de betreffende bijlage vermeld. Ook het opzettelijk vernielen van vaste voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van deze soorten is verboden.

Regels gesteld aan gebruik van het geweer en vangmiddelen

In paragraaf 11.2.8 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn nadere regels gesteld aan het gebruik van het geweer en vangmiddelen. Deze regels stellen bijvoorbeeld dat het geweer niet voor zonsopgang en na zonsondergang wordt gebruikt. Middels een maatwerkvoorschrift mag afgeweken worden van deze regels.

Beoordelingsregels omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit

Voor de uitvoering van dit faunabeheerplan is in de meeste gevallen een omgevingsvergunning nodig, in aanvulling op dit goedkeuringsbesluit. Alleen voor uitvoering van de jacht hoeft geen aanvullende omgevingsvergunning te worden verleend. De beoordelingsregels voor een omgevingsvergunning zijn opgenomen in paragraaf 8.6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Een omgevingsvergunning kan onder andere verleend worden voor het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren en ter bescherming van flora en fauna. Deze belangen zijn ook genoemd in artikel 7.9 van de Omgevingsverordening.

Inhoud faunabeheerplan

De inhoudelijke eisen aan een faunabeheerplan zijn opgenomen in artikel 6.2 van het Omgevingsbesluit en artikel 7.8 van de Omgevingsverordening. Op grond van deze regels moet een faunabeheerplan onder meer passende en doeltreffende maatregelen bevatten voor het voorkomen en bestrijden van schade aangericht door in het wild levende dieren en worden onderbouwd met trendtellingen. Ook moet onderbouwd welke noodzaak er voor beheer is, welke handelingen in de voorbije jaren zijn verricht om schade te voorkomen en welke maatregelen noodzakelijk worden geacht om schade in de komende planperiode te voorkomen. Ook dient aangegeven te worden welke effectiviteit wordt verwacht van het beheer en hoe de effectiviteit wordt bepaald.

  • 4.

    Faunabeheerplan

De Fbe-Groningen heeft haar faunabeheerplan 2024-2029 op 18 juli 2024 ter goedkeuring aangeboden. Het faunabeheerplan bestaat uit verschillende deelplannen. Op 2 oktober 2024 heeft de Fbe-Groningen het goedkeuringsverzoek voor het deelplan Landelijk Vrijgestelde Soorten ingetrokken. Daarmee bestaat het aangeboden faunabeheerplan uit de deelplannen ganzen, wildsoorten, smient en knobbelzwaan en predatiebeheer.

Het faunabeheerplan beschrijft de maatregelen die de Fbe-Groningen passend en doeltreffend acht om te komen tot een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, uitvoering van schadebestrijding door grondgebruikers en uitoefening van de jacht door jachthouders en voldoet daarmee aan de doelstelling voor een faunabeheerplan zoals vermeld in artikel 7.5 van de Omgevingsverordening.

De uitvoering van het faunabeheerplan vindt plaats door de wildbeheereenheden. Wildbeheereenheden zijn verenigingen van jachthouders in een bepaald gebied. Ook grondgebruikers en terreinbeheerders kunnen lid worden van een wildbeheereenheid.

  • 5.

    Omvang en begrenzing werkgebied

Het werkgebied van dit faunabeheerplan bestaat uit het totale werkgebied van de faunabeheereenheid, zijnde het gehele grondgebied van de provincie Groningen. Binnen de verschillende deelplannen is gespecificeerd waar de beheermaatregelen plaatsvinden. Het plan voldoet aan de eis zoals gesteld in artikel 7.6 van de Omgevingsverordening voor de reikwijdte van een faunabeheerplan.

  • 6.

    Deelplan ganzen

Ganzenakkoord

Het deelplan ganzen gaat over de schade die worden veroorzaakt door grauwe gans, brandgans en kolgans. In de provincie Groningen is een akkoord gesloten over hoe we omgaan met de schade door ganzen. Dit Groninger Ganzenakkoord is een belangrijk uitgangspunt geweest voor het deelplan Ganzen dat door de Fbe-Groningen is opgesteld.

Voorkoming van belangrijke schade aan gewassen

In het deelplan ganzen is toegelicht dat kolgans, brandgans en grauwe gans enorme schade aan landbouwgewassen veroorzaken. Inmiddels gaat het om meer dan 1 miljoen euro schade per jaar. De grootste schades treden op in het midden van de provincie, in de omgeving van het Schildmeer. Echter ook in andere delen van de provincie komen ganzen voor en treden schades aan grasland en akkerbouw op.

In het faunabeheerplan wordt gewezen op de doelen die zijn afgesproken in het kader van het Groninger ganzenakkoord. Deze doelen zijn gekoppeld aan een hoeveelheid schade, uitgedrukt in kilogram droge stof. Op deze manier zijn de doelstellingen voor de schade losgekoppeld van de ontwikkeling van de grasprijs.

Noodzakelijkheid, doelmatigheid en wijze van beheer

Uit de grote gewasschade door de genoemde ganzensoorten, blijkt de noodzaak voor beheer van de ganzenpopulaties. In het deelplan ganzen staat toegelicht dat er vergunningvrije maatregelen zoals visuele en akoestische afschrikmiddelen worden ingezet om schade tegen te gaan. Deze middelen zijn echter niet voldoende om de schade beheersbaar te houden. Daarom zijn volgens de Fbe-Groningen ook aanvullende maatregelen nodig.

In het deelplan ganzen wordt - overeenkomstig het Ganzenakkoord - onderscheid gemaakt in de beheermaatregelen voor trekganzen en standganzen. Standganzen zijn de ganzen die jaarrond in Nederland blijven. Het voorgestelde beheer van de trekganzen bestaat uit afschot ondersteunend aan de verjaging. Het beheer van de standganzen gaat verder en richt zich op populatiebeheer - het terugbrengen van de populatie van grauwe ganzen. De Fbe-Groningen beschrijft verschillende methoden die daarbij ingezet zouden kunnen worden: afschot, nestbehandeling en ruivangsten in combinatie met vergassing. Dit onderscheid tussen de bestrijding van schade door trekganzen en door standganzen komt ook voort uit de afspraken in het Ganzenakkoord.

Staat van instandhouding

De Fbe-Groningen beoordeelt de staat van instandhouding voor alle drie de ganzensoorten als gunstig. Ganzen hebben enorm geprofiteerd van het voedselaanbod in Nederland en het gebrek aan natuurlijke vijanden. Ook de aanleg van natte natuur heeft gunstig uitgepakt voor ganzen in Nederland.

Nieuw in dit faunabeheerplan is de implementatie van afspraken die zijn gemaakt in het kader van AEWA. AEWA is een internationaal trekvogelverdrag. In het kader van dat verdrag zijn afspraken gemaakt over het beschermen van grauwe gans en brandgans, die ervoor moeten zorgen dat deze soorten voldoende beschermd blijven, ook als er (internationaal) schadebestrijding en/of jacht plaatsvindt. Een belangrijk element hierin is de zogenaamde Gunstige Referentie Populatie (GRP). Dit zijn ondergrenzen voor de populatieomvang van brandgans en grauwe gans. De provincies hebben afgesproken dat deze grenswaarden bewaakt moeten worden via de vergunningverlening voor deze soorten. Het deelplan ganzen beschrijft hoe deze nieuwe methodiek zal worden toegepast.

Beoordeling deelplan ganzen

Het deelplan voor ganzen bevat de vereiste gegevens die op basis van de wet en de omgevingsverordening worden gevraagd.

  • 7.

    Deelplan wildsoorten

Redelijke wildstand

Het deelplan wildsoorten gaat over de soorten op de wildlijst: houtduif, wilde eend, fazant, konijn en haas. De staat van instandhouding van deze soorten wordt door de Fbe-Groningen beoordeeld als matig ongunstig tot zeer ongunstig. Echter, de Fbe-Groningen concludeert ook dat de jacht geen invloed heeft gehad op de staat van instandhouding van de wildsoorten.

Het is aannemelijk dat veranderingen in het leefgebied van deze soorten de grootste impact hebben gehad. Daarnaast hebben ook dierziekten zoals myxomatose en VHS bij het konijn een grote impact gehad. De beoordeling ten aanzien van staat van instandhouding ligt in het geval van de jacht ook vooral bij de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. De Minister besluit namelijk over het openen en sluiten van de jacht. Zoals in de toelichting bij het Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet is uitgelegd, zal de jacht niet geopend worden door de Minister op soorten waarvan de staat van instandhouding in het geding is. De verboden op het doden van dieren gelden volgens artikel 11.64 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet voor de uitoefening van de jacht. Mede hierdoor hebben wij een zeer beperkte rol in de beoordeling van dit aspect. De Minister heeft de afgelopen jaren de jacht op hazen en konijnen in Groningen niet geopend. Ook voor het sluiten van de jacht op konijn, vond er niet of nauwelijks afschot van deze soort plaats.

In de omgevingsverordening wordt wel gevraagd een omschrijving van de redelijke wildstand te geven in het faunabeheerplan. Zoals ook in artikel 11.65 van het Besluit activiteiten leefomgeving is uitgelegd, is de redelijke wildstand de stand waarbij schade door wild wordt voorkomen. De Fbe-Groningen legt in hoofdstuk 7 van het algemene deel van het faunabeheerplan en in het deelplan Wildsoorten per soort duidelijk uit wat er onder de redelijke wildstand wordt verstaan en hoe de jacht wordt uitgevoerd.

Voorkoming van belangrijke schade

In het deelplan wildsoorten is per diersoort toegelicht welke schades per diersoort kunnen ontstaan. Voor alle wildsoorten geldt dat er schade aan landbouwgewassen kan ontstaan. Konijnen kunnen daarnaast door graafgedrag schade toebrengen, bijvoorbeeld aan infrastructuur of begraafplaatsen. Mede doordat er geen tegemoetkoming mogelijk is voor faunaschade door wildsoorten, zijn er maar beperkt kwantitatieve gegevens beschikbaar over schade door wildsoorten. Waarbij tevens opgemerkt dat jacht juist mede als doel heeft om dergelijke schades te voorkomen.

Sinds kort wordt via BIJ12 ook de mogelijkheid geboden om voor wildsoorten taxaties zonder tegemoetkoming te laten uitvoeren. Door deze mogelijkheid te bieden, verwachten we in de komende planperiode meer kwantitatieve gegevens te verzamelen over schade door wildsoorten. Deze gegevens vergroten het inzicht in de schade door wildsoorten en de effectiviteit van jacht om deze schades te voorkomen.

Beoordeling deelplan wildsoorten

Het deelplan voor wildsoorten bevat de vereiste gegevens die op basis van de wet en de omgevingsverordening worden gevraagd.

  • 8.

    Deelplan knobbelzwaan en smient

Voorkoming van belangrijke schade aan gewassen

In het deelplan staat beschreven dat knobbelzwanen en smienten schade kunnen veroorzaken aan landbouwgewassen. In een groot aantal WBE's is de voorbije jaren schade opgetreden. Echter, de getaxeerde schade ligt onder de beleidsmatige grens van € 25.000,- die is opgenomen in de Beleidsnotitie Fauna en Flora 2018. Vanaf dat bedrag beoogt de provincie ruimere mogelijkheden te bieden voor schadebestrijding.

Noodzakelijkheid, doelmatigheid en wijze van beheer

In het deelplan voor knobbelzwaan en smient is toegelicht dat de afgelopen jaren geen beheermaatregelen met het geweer zijn uitgevoerd. Wel zijn er verjagers actief geweest via de wildbeheereenheden om knobbelzwanen te verjagen met het vogelafweerpistool. Schade door smienten is beperkt door inzet van preventieve en werende middelen en verjaging door menselijke aanwezigheid.

Op dit moment ziet de Fbe-Groningen geen noodzaak om andere beheerinspanningen te plegen dan de voorbije jaren het geval is geweest. Dit komt overeen met de insteek van het provinciaal beleid. Mocht de schade in de toekomst toenemen, dan komt de Fbe-Groningen met een aanvulling op dit deelplan.

Staat van instandhouding

De staat van instandhouding van knobbelzwaan is door de Fbe-Groningen als gunstig beoordeeld en de staat van instandhouding van smient als matig ongunstig. De smient komt als overwinterende vogel in Groningen voor. Er is geen reden om aan te nemen dat de verjaging van knobbelzwanen en smienten een effect heeft op de staat van instandhouding van deze soorten. De populatie van knobbelzwanen is de voorbij jaren toegenomen in de provincie Groningen, ondanks de incidentele verjaging van de soort om schade te voorkomen.

Beoordeling deelplan knobbelzwaan en smient

Het deelplan voor knobbelzwaan en smient bevat de vereiste gegevens die op basis van de wet en de omgevingsverordening worden gevraagd. Hierbij merken we op dat een deel van de gevraagde gegevens in dit geval niet van toepassing of relevant zijn, nu er de voorbije jaren geen afschot is gepleegd en dat ook voor de komende planperiode niet voorgesteld wordt. Hierdoor is het bijvoorbeeld niet relevant om een overzicht van gerealiseerde afschotcijfers op te stellen.

  • 9.

    Deelplan predatiebeheer

Bescherming van wilde flora en fauna en instandhouding natuurlijke habitats

Het deelplan predatiebeheer gaat over het beheer van de populaties van vossen, steenmarters en zwarte kraai, ter bescherming van grondbroedende vogels, waarbij onderscheid is gemaakt tussen de weidevogels en de akkervogels. Het deelplan sluit aan bij het provinciaal beleid zoals vastgesteld in de Beleidsnotitie Fauna en Flora 2018. Daarin is vermeld dat predatiebeheer mogelijk is voor vossen, steenmarter en zwarte kraai.

De populaties van weide- en akkervogels in Groningen staan sterk onder druk. Voor beide groepen is een Actieplan opgesteld waarin tal van maatregelen staan om deze populaties te ondersteunen. Met name voor predatie op weidevogels zijn ook binnen de provincie Groningen veel onderzoeken gedaan waaruit blijkt dat vos, steenmarter en zwarte kraai veel impact kunnen hebben. In het deelplan is uitgebreid toegelicht welke onderzoeken er zijn uitgevoerd, ook internationaal, naar predatie bij grondbroedende vogels.

In het deelplan is tevens toegelicht dat predatoren een vergelijkbare invloed hebben op kustvogels. De komende jaren wordt een pilot-studie opgezet in het programma "Wij en Wadvogels" om de effecten van beheermaatregelen tegen predatie te onderzoeken.

Noodzakelijkheid, doelmatigheid en wijze van beheer

In het deelplan predatiebeheer is de noodzaak voor planmatige bestrijding van predatoren ter bescherming van grondbroedende vogels gemotiveerd. In het plan zijn diverse maatregelen genoemd om predatie tegen te gaan, zoals het plaatsen van rasters en het aanpassen van de gebiedsinrichting. Deze maatregelen zijn echter niet afdoende om de populaties van grondbroedende vogels te beschermen. De Fbe-Groningen acht daarom ook het actief bestrijden van predatoren noodzakelijk. Hierbij sluit de Fbe-Groningen aan op de kerngebieden voor akkervogels en weidevogels die zijn opgenomen in het provinciaal natuurbeheerplan.

Voorheen was de bestrijding van vossen en zwarte kraaien ook mogelijk via de regeling voor vergunningvrije/vrijgestelde soorten. Het ging daarbij om bestrijding overdag, o.a. met het geweer. De Fbe-Groningen heeft echter vanwege juridische ontwikkelingen dit deelplan ingetrokken voor goedkeuring, waardoor per 1 december 2024 geen gebruik meer gemaakt kan worden van deze regeling. Het beheer van predatoren zal daarom geheel via een omgevingsvergunning geregeld moeten worden.

In het deelplan predatiebeheer is toegelicht dat de Fbe-Groningen voor de komende planperiode streeft naar het optimaliseren en voortzetten van de planmatige en gebiedsgerichte bestrijding van vossen, zowel overdag, als in de nachtperiode. Voorts acht de Fbe-Groningen planmatige bestrijding van steenmarters noodzakelijk, op de wijze zoals dat de laatste jaren is uitgevoerd in de pilot-studie steenmarterbeheer. Tevens wordt de planmatige bestrijding van zwarte kraai, inclusief het gebruik van kraaienvangkooien, noodzakelijk geacht. Ter ondersteuning aan de planmatige bestrijding worden uitvoeringsplannen opgesteld om per weide- of akkervogelcluster tot een gebiedsgerichte aanpak te komen.

Staat van instandhouding

Vossen, kraaien en steenmarters komen algemeen voor in de provincie Groningen, ondanks dat deze soorten ook de afgelopen planperiode al bestreden zijn. De Fbe-Groningen beoordeelt de staat van instandhouding van deze soorten als gunstig. Tevens concludeert de Fbe-Groningen dat er onder de voorwaarden van het plan geen afbreuk gedaan zal worden om de betreffende soorten in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Dit zal ook op het moment van vergunningverlening nog uitgebreid getoetst worden.

Beoordeling deelplan predatiebeheer

Het deelplan voor predatiebeheer bevat de vereiste gegevens die op basis van de wet en de omgevingsverordening worden gevraagd.

  • 10.

    Afweging

Conclusie

Na toetsing van het faunabeheerplan aan de eisen in de wet en de Omgevings-verordening en na weging van alle belangen, is de conclusie dat het faunabeheerplan 2024-2029 voor goedkeuring in aanmerking komt.

Inwerkingtreding en geldigheidsduur

Artikel 7.7 van de provinciale omgevingsverordening regelt dat een faunabeheerplan maximaal vijf jaar geldig is. We besluiten dit faunabeheerplan goed te keuren voor de periode van 1 december 2024 en te laten gelden tot 1 december 2029.

Naar boven