Watervergunning Windpark Eemshaven-West - Ww

GEDEPUTEERDE STATEN VAN DE PROVINCIE GRONINGEN

Op 20 december 2021 heeft het Waterschap Noorderzijlvest van u een aanvraag ontvangen voor een vergunning als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Waterwet voor het verrichten van activiteiten in een watersysteem. De aanvraag betrof het realiseren van 23 windturbines in de polder ten westen van de Eemshaven. Deze windturbines zijn opgenomen in het Inpassingsplan Windpark Eemshaven-west.

Op 7 september 2023 heeft het waterschap Noorderzijlvest een wijziging op de aanvraag van 20 december 2021 ontvangen. De aanvraag inclusief wijzigingen is doorgezonden aan de provincie Groningen. Op 9 oktober 2023 heeft het waterschap opnieuw een wijziging ontvangen, deze wijziging ziet enkel op de het aantal te realiseren windturbines, in plaats van 16 windturbines worden met de laatste wijziging 23 windturbines gerealiseerd. Op 26 augustus 2024 is een verzoek ontvangen de tenaamstelling van de vergunning aan te passen.

De besluiten - waaronder het besluit over de watervergunning - voor Windpark Eemshaven-west vallen onder de coördinatieregeling. Dit is toegelicht onder punt 5 van de vergunning. Vanwege de coördinatie zijn Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen bevoegd toe het afgeven van de watervergunning. Deze vergunning is namens de provincie opgesteld door het waterschap Noorderzijlvest maar is vastgesteld door Gedeputeerde Staten. Het waterschap Noorderzijlvest houdt de verantwoordelijkheid voor de uitvoering en handhaving van deze vergunning.

U ontvangt hierbij het besluit met bijbehorende voorschriften, informatie over de coördinatieregeling en de bijbehorende rechtsbescherming.

Coördinatieregeling

De voorbereiding van de besluiten die nodig zijn voor de uitvoering van het windpark Eemshaven West wordt door de provincie Groningen gecoördineerd. De coördinatie is gericht op een efficiënte besluitvorming door de voorbereiding, vaststelling en bekendmaking van de benodigde besluiten op elkaar af te stemmen en gelijktijdig te laten verlopen.

De besluiten die gecoördineerd worden voorbereid zijn:

  • Provinciaal inpassingsplan

  • Omgevingsvergunning

  • Vergunning Wet natuurbescherming

  • Waterwetvergunning

Het inpassingsplan is op 25 september 2024 vastgesteld door Provinciale Staten en heeft het identificatienummer NL.IMRO.9920.IPWindparkEHW-VA01.

De inzet van de coördinatieregeling bundelt de voorbereiding, bekendmaking en vaststelling van besluiten in één procedure. Bovendien geldt er één beroepsgang.

Kennisgeving en terinzagelegging

Van dit besluit wordt kennisgegeven op www.officielebekendmakingen.nl. Het besluit met de daarbij behorende stukken liggen bij het waterschap Noorderzijlvest, het gemeentehuis van de gemeente Het Hogeland en in het provinciehuis te Groningen gedurende zes weken ter inzage.

Beroep en voorlopige voorziening

Tegen dit besluit kan binnen zes weken vanaf de dag van terinzagelegging beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 2500 EA Den Haag. In het beroepschrift moet duidelijk staan tegen welk besluit beroep wordt ingesteld en waarom. Verder moet het beroepschrift een datum en een ondertekening bevatten.

Op dit besluit is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het beroepschrift moet worden aangeven welke beroepsgronden worden aangevoerd tegen het besluit. Na afloop van de termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd.

Als de zaak spoedeisend is, kan een schorsingsverzoek (een verzoek om voorlopige voorziening) worden ingediend bij de voorzieningenrechter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit verzoek kan tevens digitaal worden ingediend. Meer informatie staat op www.raadvanstate.nl.

Inwerkingtreding

Deze vergunning treedt in werking met ingang van de dag na die waarop de beroepstermijn afloopt. Indien gedurende de beroepstermijn naast een beroepschrift tevens een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingediend, treedt het besluit niet in werking voordat op dat verzoek is beslist.

Vragen?

Heeft u nog vragen over deze brief of over de watervergunning? Neemt u gerust contact op met team Vergunningverlening, te bereiken via telefoonnummer 050-3048911 of e-mailadres info@noorderzijlvest.nl. Wij verzoeken u om hierbij ons zaaknummer te vermelden, welke te vinden is bovenaan deze brief.

WATERVERGUNNING

Zaaknummer Z/21/51508

1. Aanvraag

Het dagelijks bestuur van het waterschap Noorderzijlvest heeft op 20 december 2021 van Pondera Consult B.V., Amsterdamseweg 13-2, 6814 CM te Arnhem namens Vattenfall Windpark Eemshaven West B.V., Hoekenrode 8, 1102 BR te Amsterdam een aanvraag ontvangen voor een vergunning als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Waterwet (Wtw).

Op 7 september 2023 heeft het waterschap Noorderzijlvest een wijziging op de aanvraag van 20 december 2021 ontvangen welke zag op de realisatie van 16 windturbines nabij het havengebied Eemshaven. De aanvraag inclusief wijzigingen is doorgezonden aan de provincie Groningen. Op 9 oktober 2023 is opnieuw een wijziging ontvangen, deze wijziging ziet enkel op de het aantal te realiseren windturbines, in plaats van 16 windturbines worden met de laatste wijziging 23 windturbines gerealiseerd. Deze vormen (samen met een nog apart te vergunnen 24e turbine) het Windpark Eemshaven-west. Op 26 augustus 2024 is een verzoek ontvangen de tenaamstelling van de vergunning aan te passen.

De procedure voor het Windpark Eemshaven-west verloopt via de coördinatieregeling. Dit is toegelicht onder punt 5. Vanwege de coördinatieregeling zijn Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen het bevoegd gezag voor de watervergunning. Deze vergunning is door het waterschap voorbereid maar is vanwege de coördinatie afgegeven door Gedeputeerde Staten.

De aanvraag betreft de realisatie van 23 windturbines in de polder ten westen van het bestaande havengebied Eemshaven en de bestaande windturbinelijnen in de Emmapolder. Vattenfall Windpark Eemshaven West B.V. te Amsterdam is de vergunninghouder en is verantwoordelijk voor het naleven van de vergunningsvoorschriften.

De aanvraag omvat diverse activiteiten zoals de aanleg van tijdelijke en permanente verhardingen, al dan niet leidend tot de versnelde afvoer van hemelwater, de aanleg van de fundering voor windturbines, het aanpassen en vervangen van duikers, het aanbrengen van walbeschoeiing, het dempen en graven van watergangen, de aanleg van parkbekabeling waarbij gestuurde boringen worden toegepast, alsook het op oppervlaktewater lozen van mogelijk verontreinigd hemelwater. Daarnaast wordt in het aanvraagformulier vergunning gevraagd voor bouwputbemaling, inhoudende het onttrekken van grondwater ter plaatse van de turbineposities en voor het terug in de bodem infiltreren van het vrijkomende grondwater en of het lozen ervan op oppervlaktewater.

Figuur 1: Locatie van werkzaamheden.

De vergunningaanvraag is bij waterschap Noorderzijlvest geregistreerd onder het zaaknummer Z/21/051508 en is door initiatiefnemer op 9 oktober 2023 aangevuld. Bij de aanvraag en de aanvullingen is een groot aantal bijlagen gevoegd. Daartoe behoren de volgende voor dit besluit relevante stukken:

Het oprichten van een windpark is vermeld in kolom 1 van onderdeel C 22.2 in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Het Milieueffectrapport (MER: bijlage 7, 7A en 7B) is opgesteld ten behoeve van de vaststelling van het Provinciaal inpassingsplan Windpark Eemshaven West en van de vergunningen, waaronder de onderhavige.

Voor Windpark Eemshaven West is een gecombineerd milieueffectrapport (plan-MER en project-MER) opgesteld op grond van artikel 7.2, lid 1, onder b en lid 2, van de Wet milieubeheer. Het MER Windpark Eemshaven West Vattenfall 715071 | Definitief V4.0 07-09-2023 is opgesteld ten behoeve van het inpassingsplan en de onderhavige vergunningaanvraag (verder: het MER). In het kader van de gecoördineerde besluitvorming zijn de procedures voor de project- en plan-MER gecombineerd en gelijktijdig doorlopen. De m.e.r.-procedure voor Windpark Eemshaven West startte in juli 2020 met de openbare kennisgeving en publicatie van de Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau. Het MER is tegelijk ter inzage gelegd met het ontwerp-Inpassingsplan Windpark Eemshaven West en de ontwerp-beschikkingen op de vergunningaanvragen, waaronder de onderhavige. Op 26 maart 2024 heeft de Commissie m.e.r. advies uitgebracht over het MER bij de ontwerpbesluiten. De strekking van het advies is dat voldoende milieuinformatie beschikbaar is om het besluit te nemen. De Commissie m.e.r. noemt het MER van hoge kwaliteit. De Commissie m.e.r. geeft voor twee onderdelen aan dat de conclusies van het MER en de Passende beoordelingen niet worden gedeeld. Deze onderdelen zijn niet relevant voor deze watervergunning. Het advies van de Commissie m.e.r. is als bijlage opgenomen in de Nota van Zienswijzen (bijlage B).

Van het ontwerp van het besluit is op 20 december 2023 kennisgegeven op www.officielebekendmakingen.nl. Van 21 december 2023 tot en met 31 januari 2024 heeft het ontwerp ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt. De zienswijzen zijn samengevat en van een antwoord voorzien in de Nota van Zienswijzen (bijlage B). De zienswijzen leiden niet tot aanpassingen in de watervergunning.

2. Wetgeving, regelgeving en beleid

De Waterwet omschrijft in artikel 6.21 in samenhang met artikel 2.1 het toetsingskader voor de beslissing op de aanvraag. In artikel 2.1 van de Waterwet zijn de algemene doelstellingen aangegeven die richtinggevend zijn bij de uitvoering van het waterbeheer:

  • 1.

    voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met:

  • 2.

    bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en;

  • 3.

    vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

Deze doelstellingen vormen in onderlinge samenhang het toetsingskader bij vergunningverlening. Een vergunning wordt geweigerd indien de doelstellingen van het waterbeheer zich tegen vergunningverlening verzetten. Bovendien is het dan niet mogelijk om de belangen van goed waterbeheer door middel van het verbinden van voorschriften of beperkingen voldoende te beschermen. De doelstellingen zijn geconcretiseerd via normen en beleid ten aanzien van veiligheid, waterkwantiteit, waterkwaliteit of maatschappelijke functievervulling door watersystemen. De uitwerking hiervan vindt plaats in de Waterwet, in aanvullende regelgeving, in water- en beheerplannen op grond van hoofdstuk 4 van de Waterwet en in beleidsregels.

De vastgestelde normen en het beleid zijn richtinggevend bij de toetsing of een aangevraagde activiteit verenigbaar is met de doelstellingen voor het waterbeheer. Aan de hand van het in dit hoofdstuk beschreven toetsingskader volgt hierna de toetsing van de aanvraag aan de doelstellingen van het waterbeheer.

De volgende wet- en regelgeving en beleidsdocumenten vormen het algemene toetsingskader bij vergunningverlening:

  • Waterwet (Wtw);

  • Waterschapswet (Wsw);

  • Algemene wet bestuursrecht (Awb);

  • Keur waterschap Noorderzijlvest 2009;

  • Leggers waterschap Noorderzijlvest 2010 en 2012;

  • Ontheffingenbeleid waterschap Noorderzijlvest 2005;

  • Beleid Oeververdedigingswerken 2022.

3. Overwegingen en besluit

Gelet op de bepalingen in de in hoofdstuk 2 opgesomde wet- en regelgeving en beleidsdocumenten en overwegende:

  • -

    dat de activiteiten ten doel hebben het realiseren en exploiteren van een Windpark;

  • -

    dat de beoogde werkzaamheden plaatsvinden in de kernzone van secundaire watergangen en in de kern- en beschermingszone van hoofdwatergangen;

  • -

    dat voor het uitvoeren van de activiteiten de vergunningsplicht geldt inzake de Keur van waterschap Noorderzijlvest 2009;

  • -

    dat de werkzaamheden gedeeltelijk tijdelijk van aard zijn en dat de daarmee de beïnvloeding van het watersysteem derhalve ook van tijdelijke aard is;

  • -

    dat in het voortraject gesproken is over de vermindering van waterberging;

  • -

    dat vermindering van waterberging door het aanleggen van duikers niet wordt toegestaan en daarom het 1:1 compensatieprincipe wordt gehanteerd;

  • -

    dat het gedempte wateroppervlak 1:1 binnen hetzelfde peilgebied gecompenseerd dient te worden;

  • -

    dat uit de aanvraag niet blijkt hoe vorm wordt gegeven aan deze compensatie;

  • -

    dat de diameter van een duiker in principe afhankelijk is van de hoeveelheid water die er door aan- of afgevoerd wordt. Doch er minimale afmetingen gelden ter optimalisatie van de waterhuishouding. Omvattend het verbeteren van de water aan- en/of afvoer en het minder vaak verstopt raken van duikers door drijvend vuil;

  • -

    dat hoofdwatergangen een belangrijke rol spelen in het watersysteem en dat het waterschap daarom specifieke eisen stelt aan de lengte, diameter en hoogteligging van te plaatsen duikers in hoofdwatergangen;

  • -

    dat duikers die langer zijn dan 30 meter, in een permanente situatie, voorzien dienen te zijn/worden van een inspectieput ten behoeve van inspectie en reiniging;

  • -

    dat er vergunning aangevraagd wordt voor een indicatief interne parkbekabeling tussen de windturbines en dat de exportkabel tussen het inkoopstation (ook wel aangeduid als transformatorstation) en het aansluitpunt van de netbeheerder geen onderdeel uitmaakt van onderhavige aanvraag;

  • -

    dat het Ontheffingenbeleid van het waterschap de aanleg van kabels en leidingen in een parallelle ligging binnen de beschermingszone van hoofdwatergangen in principe niet toestaat;

  • -

    dat het waterschap inzake de aanleg van kabels en leidingen in een watersysteem specifieke eisen kan stellen aan het tracé, de diepteligging en de manier van kruising van hoofdwatergangen;

  • -

    dat uit de aanvraag blijkt dat voorafgaand het uitvoeren van de werkzaamheden ten aanzien van het kabeltracé een definitief werkplan bij het waterschap wordt ingediend;

  • -

    dat uit de aanvraag blijkt dat er inkoopstations worden geplaatst waarvan het hemelwater dat erop valt via infiltratieboxen afgevoerd wordt, waarbij er afvoeren/overlopen naar naastgelegen watergangen aangelegd worden;

  • -

    dat het lozen van met olie verontreinigd hemelwater alleen gebeurt indien er sprake is van lekkage van de spoelunits en transformatoren;

  • -

    dat vergunninghouder diverse maatregelen neemt om lekkage te voorkomen, vanwege de bedrijfszekerheid van de installatie en ter bescherming van het milieu;

  • -

    dat eventuele lekkages worden gezien als een calamiteit en daarom niet worden vergund, omdat bij calamiteiten of ongewone voorvallen een wettelijk meldplicht geldt;

  • -

    dat de beschermingszone van hoofdwatergangen vijf meter bedraagt vanuit de insteek van de hoofdwatergang;

  • -

    dat verharding wordt aangebracht in de beschermingszone van hoofdwatergangen;

  • -

    dat de beschermingszone van hoofdwatergangen niet gekoppeld is aan de eigendomssituatie en de feitelijke breedte van onderhoudspaden ter plaatse;

  • -

    dat het onderhoud van hoofdwatergangen uitgevoerd wordt door/namens het waterschap via naastgelegen onderhoudspaden;

  • -

    dat onderhoudspaden, al dan niet in eigendom van het waterschap, een rol van betekenis spelen in de waterhuishouding;

  • -

    dat het beheer en onderhoud aan de hoofdwatergangen ook wordt uitgevoerd vanaf de kant waar de verharding zal worden aangebracht in de beschermingszone van de hoofdwatergangen;

  • -

    dat de uitvoering van de werkzaamheden niet mag conflicteren met de uitoefening van de taakstelling van het waterschap, inhoudende dat de werkzaamheden niet mogen leiden tot een belemmering van toegang of het niet of verminderd kunnen uitvoeren van beheer en onderhoudswerkzaamheden ter plaatse van de vergunde werken zoals bijvoorbeeld baggeren, muskus- en beverratbestrijding, beschoeien, klepelen of maaikorven van de watergangen, alsook snoeiwerkzaamheden en het maaien van de onderhoudspaden, al dan niet met behulp van voertuigen en zwaar materieel;

  • -

    dat ondanks de aanleg van verharding de ontvangstplicht voor bagger en maaiafval blijft bestaan en dat hiervoor een ruimte gecreëerd moet worden;

  • -

    dat het waterschap Noorderzijlvest niet aansprakelijk gesteld kan worden voor het eventueel veroorzaken van schade aan verhardingen/funderingen door het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden aan de hoofdwatergang;

  • -

    dat het waterschap geen privaatrechtelijke toestemming kan geven voor het gebruiken van gronden in eigendom van derden of waar het gaat om gronden in eigendom van het waterschap die belast zijn met een zakelijk recht van derden;

  • -

    dat de aanleg of verwijdering van drainage alleen vergunningsplichtig is op grond van de Keur van het waterschap wanneer die uitmondt in een hoofdwatergang;

  • -

    dat de uit de aanvraag en het bemalingsadvies blijkt dat de te verwachten te onttrekken-, lozen- of terug in de bodem te infiltreren hoeveelheden grondwater vallen onder de algemene regels van het waterschap, inhoudende dat hiervoor een meldingsplicht geldt per locatie voor aanvang van de feitelijke werkzaamheden;

  • -

    dat aanvrager voor aanvang van de feitelijke werkzaamheden aangaande het onderdeel meldplicht onttrekken/lozen/infiltreren van grondwater de meldingen toelicht door toezending van een kaart waarin de invloed/contouren van de bemalingen, inclusief het herstel van de grondwaterstand, in beeld wordt gebracht en voorstellen ter voorkoming van eventuele negatieve effecten doet;

  • -

    dat uit bijlage 1 van de aanvraag blijkt dat er voor aanvang van de werkzaamheden aanvullend door aanvrager worden toegestuurd ter goedkeuring; een definitief fundatieontwerp, een werkplan bouw windpark, werkplan bouw inkoopstations, definitief plan watercompensatie;

  • -

    dat uit bijlage 1 van de aanvraag blijkt dat er na afronding van de werkzaamheden as-build tekeningen worden ingeleverd bij het waterschap;

  • -

    dat uit bijlage 1 van de aanvraag blijkt dat er voorafgaand aan de toekomstige ontmanteling/ verwijdering van het windmolenpark een verwijderingsplan wordt ingeleverd bij het waterschap;

  • -

    dat het naleven van de in de vergunning opgenomen voorschriften waarborgt dat de doelstellingen van goed waterbeheer voldoende worden beschermd;

  • -

    dat een vergunning niet wordt verleend indien de doelstellingen, zoals bedoeld in artikel 1 en 56 van de Waterschapswet jo. artikel 2.1 van de Waterwet zich tegen vergunningverlening verzetten en het niet mogelijk is om de belangen van goed waterbeheer, door het verbinden van voorschriften of beperkingen, voldoende te beschermen,

besluit het bevoegd gezag als volgt:

  • I.

    Een watervergunning wordt verleend aan Vattenfall Windpark Eemshaven West B.V., Hoekenrode 8, 1102 BR te Amsterdam voor de aanleg van tijdelijke en permanente verhardingen, de aanleg van de fundering voor windturbines, het aanpassen, aanleggen en vervangen van duikers, het aanbrengen van walbeschoeiing, het dempen en graven van watergangen en de aanleg van parkbekabeling waarbij gestuurde boringen worden toegepast nabij de Eemshaven te Groningen.

  • II.

    De vergunningaanvraag deel uit te laten maken van de vergunning inclusief alle bijlagen, zoals opgenomen in hoofdstuk 1 van deze vergunning.

  • III.

    Aan de vergunning worden de in hoofdstuk 4 opgenomen voorschriften verbonden met het oog op de in artikel 1 en artikel 56 van de Waterschapswet jo. artikel 2.1 van de Waterwet genoemde doelstellingen.

  • IV.

    Uitgezonderd wijzigingen die voortvloeien uit de opgenomen voorschriften dienen de werkzaamheden te worden uitgevoerd conform de in hoofdstuk 1 genoemde stukken.

  • V.

    Het waterschap aan te wijzen als gewoon onderhoudsplichtige voor de duiker(s) in hoofdwatergangen.

  • VI.

    De vergunninghouder aan te wijzen als buitengewoon onderhoudsplichtige voor de duiker(s) in hoofdwatergangen en als onderhoudsplichtige van de overige vergunde werken.

4. Voorschriften

4.1 Algemene Voorschriften

Voorschrift 1, Informatievoorziening

  • 1.

    De vergunninghouder (of degene die de werken namens de vergunninghouder uitvoert) moet ervoor zorgen dat een exemplaar van deze vergunning aanwezig is op de plaats waar de werkzaamheden worden uitgevoerd.

  • 2.

    De vergunninghouder moet toezichthouders van het waterschap altijd vrije toegang verlenen tot alle plaatsen waar de werken of activiteiten aanwezig zijn of plaatsvinden. De vergunninghouder verstrekt daarnaast aan toezichthouders gewenste inlichtingen.

Voorschrift 2, Start en afronding

  • 1.

    De vergunninghouder meldt de startdatum van de werkzaamheden waarvoor vergunning is verleend, ten minste 5 werkdagen van tevoren aan team Vergunningen & Handhaving. De melding kan telefonisch via 050-304 89 11 of middels een e-mail naar vergunningen@noorderzijlvest.nl.

  • 2.

    Alle krachtens deze vergunning te verrichten werkzaamheden moeten, eenmaal begonnen, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, onafgebroken en met spoed worden afgerond.

  • 3.

    Direct nadat de werken voltooid zijn, zorgt de vergunninghouder voor het opruimen en afvoeren van alle daarbij gebruikte werktuigen, materialen en (hulp)werken, en ook de resterende (niet-gebruikte) materialen en het afval.

  • 4.

    De vergunninghouder meldt het wanneer de werkzaamheden zijn afgerond, uiterlijk 5 werkdagen na voltooiing van de vergunde werkzaamheden aan team Vergunningen & Handhaving van het waterschap. De melding kan telefonisch via 050-304 89 11 of middels een e-mail naar vergunningen@noorderzijlvest.nl.

Voorschrift 3, Schade en calamiteiten

  • 1.

    De vergunninghouder meldt schade aan waterstaatswerken als gevolg van zijn handelen onmiddellijk aan het team Vergunningen & Handhaving van het waterschap via telefoonnummer 050-304 89 11.

  • 2.

    De vergunninghouder moet alle redelijkerwijs mogelijke maatregelen treffen, om te voorkomen dat het waterschap, dan wel derden, schade lijden ten gevolge van het gebruikmaken van de vergunning.

  • 3.

    De vergunninghouder is verplicht schade die optreedt, ten gevolge van het gebruikmaken van de vergunning, te herstellen of te vergoeden.

  • 4.

    Als de vergunninghouder door calamiteiten of bijzondere omstandigheden niet aan de vergunningsvoorwaarden kan voldoen, moet hij dit direct melden en schriftelijk bevestigen aan het team Vergunningen & Handhaving van het waterschap. Aanwijzingen van toezichthouders moeten direct worden opgevolgd.

Voorschrift 4, Wijzigingen in het belang van de waterbeheerder

  • Indien dat nodig is vanwege werken die het waterschap zelf uitvoert of vanwege werkzaamheden in het belang van het regionale of nationale watersysteem dient de vergunninghouder de vergunde werken te verwijderen of te wijzigen. De kosten en eventuele schade hiervan zijn voor rekening van de vergunninghouder.

Voorschrift 5, Onderhoud

  • De onderhoudsplichtige moet zelf en op zijn kosten de werken in goede staat houden. Dit kan zo nodig overeenkomstig de voorschriften of aanwijzingen die hij van het dagelijks bestuur krijgt.

Voorschrift 6, Tijdelijke voorzieningen

  • Hulpconstructies en/of hulpwerken mogen alleen toegepast worden na goedkeuring van team Vergunningen & Handhaving.

4.2 Bijzondere voorschriften

Aanleg van dammen met duikers in secundaire watergangen en hoofdwatergangen

  • 1.

    De dammen in secundaire watergangen dienen te worden voorzien van duikers met de volgende afmetingen:

    • a.

      een duiker tot en met 12 meter, een inwendige diameter heeft van tenminste 300 millimeter;

    • b.

      een duiker langer dan 12 meter tot en met 20 meter, een inwendige diameter heeft van tenminste 400 millimeter;

    • c.

      een duiker langer dan 20 meter, een inwendige diameter heeft van tenminste 500 millimeter;

    • d.

      een duiker die een openbare weg of spoorweg kruist, een inwendige diameter heeft van tenminste 600 millimeter.

  • 2.

    Voor de dammen met duikers geldt dat voor de hoogteligging van de duiker deze bij regulier waterpeil zodanig wordt gelegd en hierop wordt gehouden dat deze voor 90% onder de waterlijn ligt of ingeval sprake is van een beperkte waterdiepte, de binnenonderkant van de duiker op de vaste bodemhoogte van het oppervlaktewaterlichaam wordt gelegd en gehouden

  • 3.

    Het leggen van dammen met duikers mag niet eerder aanvangen alvorens de watergangen ter plaatse van de aan te leggen dammen met duikers, en tot 5.00 meter ter weerszijden daarvan, van alle aanwezige modder en begroeiing zijn ontdaan.

  • 4.

    De duikers dienen te zijn gemaakt van:

    • -

      pvc (tenminste kwaliteitsklasse 41);

    • -

      gegolfd plaatstaal (voorzien van coating met 1,2 mm minimale wanddikte) of;

    • -

      beton (bestaande uit betonnen kraagbuizen met 50 mm minimale wanddikte).

  • 5.

    De dammen dienen robuust uitgevoerd te worden, de te gebruiken grond dient in afzonderlijke lagen van maximaal 30 centimeter te worden aangebracht en verdicht, de zijkanten van de dammen moeten vanaf de waterlijn tot aan het maaiveld worden aangevuld met goed doorgroeide grond (spitzoden) of worden ingezaaid met graszaad onder een helling niet steiler dan 1 verticaal op 1 horizontaal.

  • 6.

    De duikers dient zonder knikpunten of bochten te worden aangelegd.

  • 7.

    De duikers die langer zijn dan 30 meter, in een permanente situatie, dienen voorzien te worden van één inspectieput ten behoeve van inspectie en reiniging.

  • 8.

    Waar duikers met elkaar worden verbonden middels een kruising dient deze kruising voorzien te worden van een inspectieput ten behoeve van inspectie en reiniging.

  • 9.

    Bestaande duikers die verlengd worden dienen gemaakt te zijn van dezelfde diameter en materiaalsoort en de verbinding moet zo worden uitgevoerd dat er geen ‘lekkage’ op kan treden waardoor verzakking/uitspoeling kan ontstaan. Als de afmetingen afwijken van artikel 1 van paragraaf 4.2 dient de duiker vervangen te worden, zodat die voldoet aan de gestelde afmetingen voor nieuwe duikers.

  • 10.

    Na afronding van de werkzaamheden dient een overzicht te worden aangeleverd met de exacte locaties van de aangelegde dammen met duikers en daarbij dient een plan te worden aangeleverd hoe de watercompensatie plaats zal gaan vinden.

Aanleg van werken in secundaire watergangen en in de beschermingszone van hoofdwatergangen

  • 11.

    Vergunninghouder dient er zorg voor te dragen dat uitspoeling van het talud door afstroming van regenwater vanaf de verharding wordt voorkomen.

  • 12.

    Uitstroomvoorzieningen vanuit de bij de inkoopstations te plaatsen infiltratieboxen dienen dusdanig aangelegd te worden dat deze duidelijk gemarkeerd zijn en er geen uitspoeling van het talud plaats kan vinden.

  • 13.

    Schade aan onderhoudspaden gelegen in de kern- en beschermingszone van hoofdwatergangen, al dan niet in eigendom van het waterschap, die door het gebruik van deze vergunning ontstaat, dient op eerste aanzegging van het waterschap hersteld te worden door vergunninghouder.

  • 14.

    Ingeval een fundering van een windmolen in de beschermingszone van een hoofdwatergang wordt geplaatst en het onderhoudspad, gemeten vanaf insteek tot de fundering minder bedraagt dan 4 m, dient vergunninghouder een alternatief onderhoudspad te realiseren, teneinde een ongehinderde en obstakelvrije rijroute te borgen. Het ontwerp hiervoor dient de vergunninghouder minimaal 8 weken voor aanvang van de werkzaamheden ter goedkeuring in bij het waterschap. Pas na instemming op het ontwerp wordt gestart met de aanleg van de betreffende fundering.

  • 15.

    Verharding van onderhoudspaden door aanleg van wegen binnen de beschermingszones van hoofdwatergangen mag pas aanvangen na goedkeuring van het waterschap. Hiertoe dient de vergunninghouder minimaal 8 weken voor aanvang van de werkzaamheden een ontwerp ter goedkeuring bij het waterschap in te dienen. Bij beoordeling van het ontwerp toetst het waterschap of de weg bestand is tegen het gebruik van onderhoudsmateriaal, of er een veilige situatie ontstaat, of er voldoende ruimte is om maaisel en ruid te deponeren en er een mogelijkheid is om bagger te deponeren. Pas na instemming op het ontwerp wordt gestart met de aanleg van de betreffende verharding.

Aanleg van het interne kabeltracé en de uitvoering van gestuurde boringen

  • 16.

    Vergunninghouder dient minimaal 8 weken voor aanvang van werkzaamheden een werkplan bij het waterschap, onder vermelding van zaaknummer Z/21/051508, per e-mail aan vergunningen@noorderzijlvest.nl.

  • 17.

    Wanneer het kabeltracé een hoofdwatergang (die geen vaarweg is of waarlangs geen waterkeringen liggen kruist, dient de mantelbuis met kabel minimaal 1,50 meter onder de vaste bodem van de hoofdwatergang te worden gelegd en gehouden, de in- en uittredepunten dienen minimaal 1 meter uit de vaste taluds te liggen.

  • 18.

    Wanneer een kabeltracé een andere watergang dan een hoofdwatergang kruist dient de mantelbuis met kabel minimaal 1 meter onder de vaste bodem van de watergang te worden gelegd en gehouden.

  • 19.

    Kunstwerken (duikers etc.) dienen ten allen tijde voorzien te blijven van een minimale gronddekking van minimaal 0,5 meter, zowel erboven als eronder.

  • 20.

    Alle ontgravingen dienen tot een minimum beperkt te blijven en direct na het gereedkomen van het werk of onderdelen daarvan, worden aangevuld met een daartoe geschikte, in lagen van maximaal 0,30 meter, aan te brengen grond. Elke laag moet afzonderlijk of mechanisch worden verdicht. De uitkomende grond moet in omgekeerde volgorde worden teruggelegd.

  • 21.

    Na voltooiing van het werk moeten de geroerde grondoppervlakken en overige kale plekken worden ingezaaid met graszaad volgens een passend mengsel dan wel worden afgedekt met (de oorspronkelijke) graszoden of bestrating die tijdens de werkzaamheden afzonderlijk dienen te worden opgeslagen.

  • 22.

    Alle nazakkingen of zettingen die door het werk ontstaan, moeten op aanwijzing van het waterschap worden hersteld.

Aanleg van walbeschoeiing

  • 23.

    Het water afvoerend profiel mag door het aanbrengen van de beschoeiing niet worden verkleind.

  • 24.

    De vergunninghouder dient de walbeschoeiing gronddicht en stabiel af te werken zodat deze niet vervormt of door de grond in de richting van het water wordt gedrukt.

  • 25.

    De walbeschoeiing mag slechts worden uitgevoerd in milieuvriendelijke materiaal, het gebruik van schadelijke impregneerstoffen is niet toegestaan.

  • 26.

    De waterafvoer c.q. -toevoer van de watergang moet gewaarborgd blijven.

  • 27.

    Na het plaatsen van de walbeschoeiing, dient de grond aan de landzijde, directe gelijkmatig te worden aangevuld met droge grond of zand tot aan het maaiveld in lagen van max. 0,30 m.

  • 28.

    Het is niet toegestaan dat water tussen de beschoeiing en de landzijde wordt opgesloten.

Onderhoudsvoorschriften walbeschoeiing

  • 29.

    De onderhoudsplichtige moet op zijn kosten de walbeschoeiing in goede staat houden.

  • 30.

    De onderhoudsplichtige houdt de walbeschoeiing dusdanig in stand zodat het de functie van het oppervlaktewaterlichaam ter plaatse niet kan belemmeren of aantasten.

  • 31.

    De onderhoudsplichtige voorkomt dat bij het onderhouden van de walbeschoeiing materialen of afvalstoffen in het oppervlaktewaterlichaam terechtkomen.

  • 32.

    Voor het onderhoud van de walbeschoeiing worden geen voor het oppervlaktewaterlichaam schadelijke uitlogende materialen toegepast.

  • 33.

    De onderhoudsplichtige houdt de walbeschoeiing gronddicht en stabiel zodat deze niet vervormt of door de gronddruk in de richting van het water wordt gedrukt.

  • 34.

    De onderhoudsplichtige houdt de walbeschoeiing in goede staat door tijdig de walbeschoeiing geheel of gedeeltelijk te vervangen als deze verrot, vergaan of beschadigd is.

5. Mededelingen

I. Coördinatie regeling rechtsbescherming

Het Rijk heeft de in de Elektriciteitswet voorgeschreven Rijkscoördinatieregeling (art 3.35 eerste lid Wet ruimtelijke ordening; deze is gezien de omvang van het windpark van toepassing) op grond van art 9b, vierde lid, onder a, Elektriciteitswet voor dit windpark buiten toepassing verklaard, en daardoor is op deze procedure het overige recht en procedures van toepassing. In dit geval is dat voor dit park de door Provinciale Staten van de provincie Groningen (PS) vastgestelde coördinatieregeling uit de Wet ruimtelijke ordening. In het PS besluit tot toepassing coördinatie uit 2014 staat dat PS besluiten: "Ex artikel 3.33, derde lid van de Wet ruimtelijke ordening dat GS met uitsluiting van gemeenten en waterschappen bevoegd zijn de door hen te coördineren besluiten te nemen tenzij het Rijk het daartoe bevoegde gezag is". Dat betekent dat Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen de vergunningen coördineren en ook vaststellen.

De voorbereiding van de besluiten die nodig zijn voor de uitvoering van het windpark Eemshaven West wordt derhalve door de provincie Groningen gecoördineerd. De coördinatie is gericht op een efficiënte besluitvorming door de voorbereiding, vaststelling en bekendmaking van de benodigde besluiten op elkaar af te stemmen en gelijktijdig te laten verlopen.

De besluiten die gecoördineerd worden voorbereid zijn:

  • Provinciaal inpassingsplan

  • Omgevingsvergunning

  • Vergunning Wet natuurbescherming

  • Waterwetvergunning

De inzet van deze regeling bundelt de voorbereiding, bekendmaking en vaststelling van besluiten in één procedure. Bovendien geldt er één beroepsgang.

Kennisgeving en terinzagelegging

Van dit besluit wordt kennisgegeven op www.officielebekendmakingen.nl. Het besluit met de daarbij behorende stukken liggen bij het waterschap Noorderzijlvest, in het gemeentehuis van de gemeente Eemsdelta en in het provinciehuis te Groningen gedurende zes weken ter inzage.

Beroep en voorlopige voorziening

Tegen dit besluit kan binnen zes weken vanaf de dag van terinzagelegging beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 2500 EA Den Haag. In het beroepschrift moet duidelijk staan tegen welk besluit beroep wordt ingesteld en waarom. Verder moet het beroepschrift een datum en een ondertekening bevatten. Op dit besluit is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het beroepschrift moet worden aangeven welke beroepsgronden worden aangevoerd tegen het besluit. Na afloop van de termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd.

Als de zaak spoedeisend is, kan een schorsingsverzoek (een verzoek om voorlopige voorziening) worden ingediend bij de voorzieningenrechter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit verzoek kan tevens digitaal worden ingediend. Meer informatie staat op www.raadvanstate.nl.

Inwerkingtreding

Deze vergunning treedt in werking met ingang van de dag na die waarop de beroepstermijn afloopt. Indien gedurende de beroepstermijn naast een beroepschrift tevens een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingediend, treedt het besluit niet in werking voordat op dat verzoek is beslist.

Een verzoek om nadeelcompensatie indienen

Wanneer u meent dat u nadelige financiële gevolgen ondervindt van dit besluit, dan is er een mogelijkheid om een verzoek tot nadeelcompensatie in te dienen bij het waterschap. Meer informatie over hoe u een dergelijk verzoek bij het waterschap in kunt dienen en aan welke eisen dat verzoek dan moet voldoen, kunt u vinden op de website https://www.noorderzijlvest.nl/nadeelcompensatie-vragen.

II. Overige mededelingen

Geldigheid/Tijdelijkheid van de vergunning

Op grond van art. 6.22, lid 2 Wtw kan de waterbeheerder de vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken als de vergunning gedurende drie achtereenvolgende jaren niet is gebruikt.

Op grond van art. 6.22, lid 3, onderdeel b Wtw kan de waterbeheerder de vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken als zich omstandigheden of feiten voordoen waardoor de handeling of handelingen waarvoor de vergunning is verleend, niet langer toelaatbaar worden geacht met het oog op de in de artikelen 2.1 en 6.11 van de Wtw bedoelde doelstellingen en belangen. Het niet naleven van de voorschriften kan dus leiden tot het intrekken van de vergunning.

Inspanningsverplichting

Het hebben van deze vergunning ontslaat de houder niet van de verplichting om de redelijkerwijs mogelijke maatregelen te treffen teneinde te voorkomen dat derden of het waterschap ten gevolge van het gebruik maken van de vergunning schade lijden.

Rechtsopvolging

Op deze vergunning is het bepaalde in art. 6.24 Wtw van toepassing. Rechtsopvolgers worden als houder van de vergunning aangemerkt. De rechtsopvolger van de vergunninghouder doet binnen vier weken nadat de vergunning voor hem is gaan gelden, daarvan mededeling aan het waterschap.

6. Ondertekening

Groningen, 8 0ktober 2024

Hoogachtend

Gedeputeerde Staten van Groningen:

René Paas, voorzitter

Gea Boerma, loco-secretaris

Naar boven