Verkeersbesluit tot vaststelling van de maximum vaarsnelheid op het Merwedekanaal en het Verbindingskanaal

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,

 

overwegende, dat het college op grond van het bepaalde in artikel 2 van de

Scheepvaartverkeerswet bevoegd is tot het nemen van de in die wet bedoelde verkeersbesluiten ter regeling van het scheepvaartverkeer op de provinciale vaarwegen;

 

dat het Merwedekanaal, ten zuiden van de Lek, deels in de provincie Utrecht en deels in de provincie Zuid-Holland gelegen is;

 

dat Gedeputeerde Staten van Utrecht bij besluit van 2 maart 2021 hun bevoegdheden betreffende het beheer (inclusief het nautisch beheer) en onderhoud van het Utrechtse gedeelte van het Merwedekanaal aan Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland hebben gemandateerd (Bevoegdhedenbesluit Beheer en Onderhoud Merwedekanaal 2019-2025);

 

dat het college tevens beheerder is van het Verbindingskanaal, tussen het Merwedekanaal en de Linge;

 

dat het college vanuit zijn taak als beheerder verantwoordelijk is voor de instandhouding en bruikbaarheid van de vaarweg voor de scheepvaart en de waarborging van de vrijheid en de veiligheid van de scheepvaart;

 

dat de scheepvaart vlot en veilig gebruik moet kunnen maken van het Merwedekanaal en het Verbindingskanaal;

 

dat de scheepvaart geen onevenredige hinder of gevaarlijke situaties mag veroorzaken en haar snelheid dient aan te passen aan de feitelijke omstandigheden;

 

dat uit nader onderzoek is gebleken dat op het Merwedekanaal, ter hoogte van Meerkerk (gemeente Vijfheerenlanden) vanaf hectometerpaal 11.5 tot hectometerpunt 12.5, de scheepvaart met een zodanige snelheid passeert dat er overlast ontstaat voor de afgemeerde woonarken en er schade optreedt aan de naastgelegen provinciale afmeervoorzieningen;

 

dat in het kader hiervan de maximale snelheid dient te worden verlaagd van 12 km/u naar 9 km/u voor ongeladen grote schepen en kleine schepen en 6 km/u voor geladen grote schepen;

 

dat het geldende besluit van 3 november 1998, waarmee de maximum vaarsnelheden voor het Merwedekanaal en het Verbindingskanaal zijn vastgesteld, hiervoor dient te worden aangepast;

 

dat Koninklijke Binnenvaart Nederland, de Algemeene Schippers Vereeniging, de provincie Utrecht, de gemeenten Molenlanden, Gorinchem en Vijfheerenlanden zijn geïnformeerd over de voorgenomen wijziging van de vaarsnelheid;

 

gelet op het bepaalde in de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer, het mandaatbesluit van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 2 maart 2021, alsmede het door ons vastgestelde Mandaatbesluit van Gedeputeerde Staten voor de opgavengerichte organisatie van de provincie Zuid-Holland;

 

BESLUITEN:

  • I.

    in te trekken het besluit tot vaststelling van de maximum vaarsnelheden op het Merwedekanaal en het Verbindingskanaal van 3 november 1998, gepubliceerd in het Provinciaal Blad (nr. 60);

  • II.

    de volgende maximale vaarsnelheden vast te stellen voor het Merwedekanaal (bezuiden de Lek) en het Verbindingskanaal (tussen het Merwedekanaal en de Linge):

    • a)

      Merwedekanaal tussen hmp. 11.5 en 12.5:

      • -

        ongeladen grote schepen en kleine schepen - 9 km/u

      • -

        geladen grote schepen - 6 km/u

    • b)

      Overige deel van het Merwedekanaal - 12 km/u

    • c)

      Verbindingskanaal - 9 km/u

  • III.

    de genoemde vaarsnelheden door middel van het plaatsen van gebodstekens B.6, conform in bijlage 7 van het Binnenvaartpolitiereglement, voorzien van de bij II. genoemde snelheidsaanduiding aan de scheepvaart kenbaar te maken aan de scheepvaart;

  • IV.

    de bij III genoemde gebodstekens bij hmp. 11.5 en 12.5 worden voorzien van de volgende aanvullende aanduidingen F.3, conform in bijlage 7 van het Binnenvaartpolitiereglement, met het volgende opschrift:

    • -

      Bij het bord B.6 (6 km/u) ‘geladen grote schepen’

  • V.

    te bepalen dat dit besluit in werking treedt met ingang van de dag na publicatie in het Provinciaal Blad;

  • VI.

    belanghebbenden te wijzen op de mogelijkheid om ingevolge artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht bij hun college een bezwaarschrift in te dienen tegen dit besluit. Dit moet gebeuren binnen zes weken na de dag van verzending van dit besluit en worden toegezonden aan Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, Postbus 90602, 2509 LP Den Haag, onder vermelding van “Awb-bezwaar” in de linkerbovenhoek van de enveloppe en het bezwaarschrift;

  • VII.

    belanghebbenden te wijzen op de mogelijkheid, in samenspraak met de mogelijkheid tot het maken van bezwaar, om ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage, sector Bestuursrecht, Postbus 20302, 2500 EH Den Haag (bezoekadres: Prins Clauslaan 60 te Den Haag) een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in te dienen.

Besluit vastgesteld op 16 mei 2023, kenmerk PZH-2023-832949569.

Hoogachtend,

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,

mede namens Gedeputeerde Staten van Utrecht,

voor dezen,

mr. D.P. Boddé

Hoofd Juridische Expertise en Handhaving

Dienst Beheer Infrastructuur

Naar boven