Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant in de hoedanigheid van Beheerautoriteit voor het programma-EFRO Zuid-Nederland 2021-2027 van (11 april 2023) tot wijziging van de Subsidieregeling OPZuid 2021-2027 (Tweede wijziging Subsidieregeling OPZuid 2021-2027)

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, in de hoedanigheid van beheerautoriteit voor het EFRO-programma Zuid-Nederland 2021-2027;

 

Gelet op artikel 49 van Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (Verordening 2021/1060);

 

Gelet op artikel 4.2.2 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021 juncto artikel 71 van Verordening (EU) 2021/1060:

 

Overwegende dat het wenselijk is de Subsidieregeling OPZuid 2021-2027 te wijzigen in verband met het openstellen van een nieuwe aanvraagperiode;

 

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

Artikel I Wijziging Subsidieregeling OPZuid 2021-2027

 

De Subsidieregeling OPZuid 2021-2027 wordt als volgt gewijzigd:

 

A.

 

Na artikel 1.4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

 

Artikel 1.4.a Opschortende voorwaarde

Indien ten tijde van het indienen van de aanvraag de voor het project benodigde vergunningen nog niet zijn verleend, wordt de subsidie verleend onder de opschortende voorwaarde dat alle benodigde vergunningen zijn verkregen binnen 12 maanden na het indienen van de aanvraag.

 

 

B.

 

Paragraaf 2 komt te luiden:

 

Paragraaf 2 Bijdragen aan innovatieve oplossingen binnen de vijf grote maatschappelijke transities in Zuid-Nederland

 

Paragraaf 2.1 Algemene bepalingen maatschappelijke transities

 

Artikel 2.1.1 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door een penvoerder namens een samenwerkingsverband.

 

Artikel 2.1.2 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten die innovatie bevorderen binnen een van de volgende maatschappelijke transities uit de RIS3 Zuid-Nederland 2021-2027 die in het programma-EFRO Zuid-Nederland 2021-2027 centraal staan:

  • a.

    gezondheid;

  • b.

    landbouw en voeding;

  • c.

    energie;

  • d.

    klimaat;

  • e.

    grondstoffen.

Artikel 2.1.3 Weigeringsgronden

Onverminderd artikel 1.3 wordt een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.1.2, onder b, in ieder geval geweigerd als sprake is van verwaarding van reststromen uit mest.

 

Artikel 2.1.4 Subsidievereisten

  • 1.

    Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband dat bestaat uit ten minste twee partners;

    • b.

      alle partners in het samenwerkingsverband als bedoeld onder a, zijn ingeschreven in het handelsregister;

    • c.

      de samenwerking is vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst die verder bevat:

      • instemming van alle partners over de aanwijzing van de penvoerder om de subsidieaanvraag in te dienen;

      • instemming van alle partners met het project;

      • de verdeling van de verantwoordelijkheden, aansprakelijkheid, bevoegdheden en financiële verplichtingen betreffende de kosten en financiering van de partners;

    • d.

      het project wordt uitgevoerd in Zuid-Nederland of komt ten goede aan Zuid-Nederland;

    • e.

      het project komt ten goede aan het mkb;

    • f.

      het project bestaat uit een of meer van de volgende acties:

      • de ondersteuning van living labs en demonstraties in de reële omgeving, waarin bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijk middenveld samenwerken;

      • de ontwikkeling of doorontwikkeling van innovaties binnen en tussen mkb;

      • de ontwikkeling of doorontwikkeling van vernieuwende interregionale en internationale waardenketens van bedrijven;

    • g.

      onverminderd onderdeel f, kan het project, als het past binnen de energietransitie, bedoeld in artikel 2.1.2, onder c, ook bestaan uit:

      • het ondersteunen van het mkb bij het vermarkten van innovaties die kunnen bijdragen aan hernieuwbare energieproducten en slimme energiesystemen, energienetwerken en energieopslag; of

      • het lokaal in praktijk brengen en doorontwikkelen van innovatievormen van duurzame energieproductie en slimme energiesystemen, energienetwerken en energieopslag;

    • h.

      het project scoort tenminste tien punten tot een maximum van 20 punten voor elk van de volgende criteria en tenminste 70 punten totaal op de volgende criteria:

      • de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen van het programma en de openstelling van het EFRO-programma Zuid-Nederland 2021-2027;

      • de mate waarin het project bijdraagt aan duurzame ontwikkeling en maatschappelijke impact;

      • de mate waarin het project financieel en economisch toekomstperspectief heeft;

      • de mate waarin het project innovatief is; en

      • de mate van kwaliteit van het project.

  • 2.

    Voor het scoren van punten voor een van de genoemde criteria, bedoeld in het eerste lid, onder h, is het van meerwaarde als het project zich richt op een van de volgende innovatieversnellers:

    • a.

      digitalisering;

    • b.

      creatief design;

    • c.

      skillsontwikkeling.

  • 3.

    Onverminderd voorgaande leden wordt, indien sprake is van staatssteun, om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1.2 in aanmerking te komen, voldaan aan het bepaalde in, voor zover van toepassing, een van de artikelen 14, 15, 17, 18, 22, 25, eerste lid, tweede lid, onder c of d, 26, 26a, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 36, 36a, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 45, 46, 47, 48, 49 52, 53, 56, 56ter, 56quater van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 4.

    Onverminderd het eerste en tweede lid, wordt, indien sprake is van staatssteun en het project niet voldoet aan een van de vereisten in het derde lid, slechts subsidie verstrekt indien wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in de de-minimisverordening.

Artikel 2.1.5 Indieningsvereisten

Onverminderd artikel 1.4 worden bij de aanvraag de volgende gegevens verstrekt:

  • a.

    een projectplan waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

  • b.

    een begroting en sluitend financieringsplan van de aanvrager;

  • c.

    een samenwerkingsovereenkomst;

  • d.

    een MKB-verklaring van alle projectpartners die MKB zijn.

Artikel 2.1.6 Subsidiehoogte

  • 1.

    De hoogte van de subsidie bedraagt 35% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 1.000.000.

  • 2.

    Indien de aanvrager minder dan 35% van de subsidiabele kosten, bedoeld in het eerste lid, aanvraagt, wordt slechts het gevraagde percentage aan subsidie verstrekt.

  • 3.

    Het percentage, bedoeld in het eerste lid, wordt gehanteerd onder het voorbehoud dat het totaal van overheidsbijdragen die aangemerkt moeten worden als staatssteun aan de subsidieontvanger niet meer bedraagt dan op grond van een van de artikelen 14, 15, 17, 18, 22, 25, eerste lid, tweede lid, onder c of d, 26, 26a, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 36, 36a, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 45, 46, 47, 48, 49, 52, 53, 56, 56ter, 56quater van de algemene groepsvrijstellingsverordening is toegestaan.

  • 4.

    Onverminderd het eerste tot en met derde lid, wordt niet meer subsidie verstrekt dan op grond van artikel 67, eerste lid, onder a, van verordening 2021/1060 is toegestaan.

Artikel 2.1.7 Verdeelcriteria

  • 1.

    Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vigerende subsidieplafond te boven gaan, worden de aanvragen op basis van een onderlinge vergelijking gerangschikt naar geschiktheid als bedoeld in artikel 4.2.8 van de REES 2021 op grond van punten waarbij de aanvraag met de meeste punten bovenaan eindigt.

  • 2.

    De punten worden bepaald door toepassing van de in artikel 2.1.4, eerste lid, onder h, opgenomen criteria met de daarin gegeven punten.

Artikel 2.1.8 Adviescommissie Stimulus Programmamanagement

  • 1.

    De beheerautoriteit legt aanvragen voor subsidie voor advies over artikel 2.1.4, eerste lid, onder h, voor aan de Adviescommissie Stimulus Programmamanagement.

  • 2.

    Aanvragers van subsidieaanvragen lichten op verzoek van de beheerautoriteit hun subsidieaanvraag mondeling toe bij de Adviescommissie Stimulus Programmamanagement.

Paragraaf 2.2 Openstelling voorjaar 2023

Artikel 2.2.1 Subsidievereisten

  • 1.

    Onverminderd artikel 2.1.4, is om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1.2, onder a, in aanmerking te komen het project gericht op een van de volgende thema’s:

    • a.

      behandelmethoden en technieken voor gepersonaliseerde zorg;

    • b.

      preventie met behulp van ICT, artificial intelligence of life science;

    • c.

      predictie van gezondheidsrisico’s van individuen of bepaalde groepen;

    • d.

      opzetten van samenwerking gericht op een brede uitvoering van het sociale domein ten behoeve van ontwikkelingen die participatie bevorderen.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2.1.4, is om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1.2, onder b, in aanmerking te komen, het project gericht op een van de volgende thema’s:

    • a.

      duurzame verwaarding van reststromen;

    • b.

      technologieontwikkeling en opschaling van voedselverwerkingsindustrie in het kader van de eiwittransitie gericht op:

      • telen van nieuwe, aquatische en plantaardige eiwitbronnen; of

      • verbinden en optimaliseren van samenwerking tussen faciliteiten van proeftuinen, livinglabs, fieldlabs of shared facilities;

    • c.

      smart farming en precisielandbouw gericht op:

      • in balans brengen van de landbouw met de omgeving of kringlooplandbouw;

      • een goede opbrengst en zuinig gebruik van grondstoffen en energie;

      • het beperken van de belasting van klimaat, bodem- en watersysteem, milieu en natuur;

      • het naar beneden brengen van de emissies uit de landbouw- en voedselketen; of

      • het verminderen of voorkomen van waterverontreiniging door voedingsstoffen of nutriënten uit de landbouw;

    • d.

      alternatieve teelten.

  • 3.

    Onverminderd artikel 2.1.4, is om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1.2, onder c, in aanmerking te komen, het project gericht op een van de volgende thema’s:

    • a.

      duurzame energie opwek, met opslag, conversie of slimme uitwisseling met het net;

    • b.

      duurzaam en smart lokaal of regionaal energiesysteem gericht op het op elkaar afstemmen van vraag naar en aanbod van energie.

  • 4.

    Onverminderd artikel 2.1.4, is om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1.2, onder d, in aanmerking te komen, het project gericht op het thema water.

  • 5.

    Onverminderd artikel 2.1.4, is om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1.2, onder e, in aanmerking te komen, het project gericht op een van de volgende thema’s:

    • a.

      circulaire bouw- en infrasector met een focus op materialen of grondstoffen en bouwmethoden om te komen tot een CO2-vrije gebouwde omgeving in 2050;

    • b.

      circulaire maakindustrie en gebruikscyclus met een focus op materialen of grondstoffen en smart industry ten behoeve van grondstoffenreductie.

Artikel 2.2.2 Aanvraagperiode

Aanvragen om subsidie worden ingediend binnen de tenderperiode van 24 april 2023 vanaf 09.00 uur tot en met 26 mei 2023, tot 17.00 uur.

 

Artikel 2.2.3 Subsidieplafond

De beheerautoriteit stelt het subsidieplafond voor de tenderperiode, genoemd in artikel 2.2.2 vast op:

  • a.

    € 3.500.000 voor subsidies als bedoeld in artikel 2.1.2, onder a;

  • b.

    € 4.600.000 voor subsidies als bedoeld in artikel 2.1.2, onder b;

  • c.

    € 3.850.000 voor subsidies als bedoeld in artikel 2.1.2, onder c;

  • d.

    € 4.300.000 voor subsidies als bedoeld in artikel 2.1.2, onder d;

  • e.

    € 5.800.000 voor subsidies als bedoeld in artikel 2.1.2, onder e.

Paragraaf 2.3 Openstelling najaar 2023

 

Artikel 2.3.1 Subsidievereisten

  • 1.

    Onverminderd artikel 2.1.4, is om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1.2, onder a, in aanmerking te komen het project gericht op een van de volgende thema’s:

    • a.

      behandelmethoden en technieken voor gepersonaliseerde zorg;

    • b.

      preventie met behulp van ICT, artificial intelligence of life science;

    • c.

      predictie van gezondheidsrisico’s van individuen of bepaalde groepen;

    • d.

      opzetten van samenwerking gericht op een brede uitvoering van het sociale domein ten behoeve van ontwikkelingen die participatie bevorderen;

    • e.

      ontwikkelen en ondersteunen van behandelingen die zich richten op het zelfherstellend vermogen van het menselijk lichaam.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2.1.4, is om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1.2, onder b, in aanmerking te komen, het project gericht op een van de volgende thema’s:

    • a.

      duurzame verwaarding van reststromen;

    • b.

      technologieontwikkeling en opschaling van voedselverwerkingsindustrie in het kader van de eiwittransitie gericht op:

      • telen van nieuwe, aquatische en plantaardige eiwitbronnen; of

      • verbinden en optimaliseren van samenwerking tussen faciliteiten van proeftuinen, livinglabs, fieldlabs of shared facilities;

    • c.

      smart farming en precisielandbouw gericht op:

      • in balans brengen van de landbouw met de omgeving of kringlooplandbouw;

      • een goede opbrengst en zuinig gebruik van grondstoffen en energie;

      • het beperken van de belasting van klimaat, bodem- en watersysteem, milieu en natuur;

      • het naar beneden brengen van de emissies uit de landbouw- en voedselketen; of

      • het verminderen of voorkomen van waterverontreiniging door voedingsstoffen of nutriënten uit de landbouw;

    • d.

      robuust voedselproductiesysteem gericht op:

      • ontwikkeling van gezondere producten en processen voor een gezond en betaalbaar voedselaanbod;

      • veilige primaire voedselproductie; of

      • lokale of korte ketens voedselproductie;

    • e.

      alternatieve teelten.

  • 3.

    Onverminderd artikel 2.1.4, is om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1.2, onder c, in aanmerking te komen, het project gericht op een van de volgende thema’s:

    • a.

      duurzame energie opwek, met opslag, conversie of slimme uitwisseling met het net;

    • b.

      duurzaam en smart lokaal of regionaal energiesysteem gericht op het op elkaar afstemmen van vraag naar en aanbod van energie.

  • 4.

    Onverminderd artikel 2.1.4, is om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1.2, onder d, in aanmerking te komen, het project gericht op een van de volgende thema’s:

    • a.

      water;

    • b.

      bodemkwaliteit;

    • c.

      luchtkwaliteit.

  • 5.

    Onverminderd artikel 2.1.4, is om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1.2, onder e, in aanmerking te komen, het project gericht op een van de volgende thema’s:

    • a.

      circulaire bouw- en infrasector met een focus op materialen of grondstoffen en bouwmethoden om te komen tot een CO2-vrije gebouwde omgeving in 2050;

    • b.

      circulaire maakindustrie en gebruikscyclus met een focus op materialen of grondstoffen en smart industry ten behoeve van grondstoffenreductie.

Artikel 2.3.2 Aanvraagperiode

Aanvragen om subsidie worden ingediend binnen de tenderperiode van 2 oktober 2023 vanaf 09.00 uur tot en met 17 november 2023, tot 17.00 uur.

 

Artikel 2.3.3 Subsidieplafond

De beheerautoriteit stelt het subsidieplafond voor de tenderperiode, genoemd in artikel 2.3.2, vast op:

  • a.

    € 5.100.000 voor subsidies als bedoeld in artikel 2.1.2, onder a;

  • b.

    € 6.100.000 voor subsidies als bedoeld in artikel 2.1.2, onder b;

  • c.

    € 5.350.000 voor subsidies als bedoeld in artikel 2.1.2, onder c;

  • d.

    € 5.800.000 voor subsidies als bedoeld in artikel 2.1.2, onder d;

  • e.

    € 7.300.000 voor subsidies als bedoeld in artikel 2.1.2, onder e.

Artikel II Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

 

’s-Hertogenbosch, 11 april 2023

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter,

mr. I.R. Adema

de secretaris,

drs. P.J. Buijtels

Toelichting behorende bij de Tweede wijziging subsidieregeling OPZuid 2021-2027

Algemeen

In 2021 is het ‘programma-EFRO Zuid-Nederland 2021-2027” (hierna OPZuid) opgesteld. Het OPZuid is tot stand gekomen in samenwerking met het Rijk, de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg en verschillende andere partijen uit de regio. De Subsidieregeling OPZuid 2021-2027 (hierna: subsidieregeling) is opgesteld ter uitvoering van het OPZuid.

 

De regeling is zo opgebouwd dat in paragraaf 1 algemene vereisten staan die voor alle openstellingen zullen gelden. Paragraaf 2 bevat eveneens een algemeen deel, dat specifiek van toepassing is op de openstellingen die in paragraaf 2 zijn opgenomen.

 

Europese Regelgeving in het kader van staatssteun

Bij subsidieverlening op grond van deze regeling kan sprake zijn van staatssteun, indien de aanvrager een onderneming is in de zin van het Europese recht en voor het overige voldoet aan de criteria van staatssteun. Staatssteun is in beginsel verboden, maar uitzonderingen zijn mogelijk. Afhankelijk van het project wordt in deze regeling gebruik gemaakt van een van de vrijstellingen uit de artikelen 14, 15, 17, 18, 22, 25, eerste lid, tweede lid, onder c of d, 26, 26a, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 36, 36a 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 45, 46, 47, 48, 49, 52, 53, 56, 56ter, 56quater van de algemene groepsvrijstellingsverordening. In deze opsomming is geanticipeerd op de wijziging van de algemene groepsvrijstellingsverordening die in het voorjaar van 2023 door de Europese Commissie is vastgesteld en na vertaling en publicatie in werking zal treden. Vanwege het overgangsrecht, kan al voor inwerkingtreding gebruik gemaakt worden van de wijzigingen.

De beheerautoriteit beoordeelt per project of voldaan wordt aan de wet- en regelgeving omtrent staatssteun. Indien sprake is van staatssteun, geen van de vrijstellingen uit de algemene groepsvrijstellingsverordening van toepassing is en het gevraagde subsidiebedrag onder de de-minimisdrempel blijft, dan wordt gebruik gemaakt van de de-minimisverordening. Indien gebruik wordt gemaakt van de-minimisverordening, is vanuit het Europees recht geen sprake van staatssteun.

Omdat de REES 2021 een minimum van kosten van € 200.000 als ondergrens voor de totale subsidiabele kosten stelt, is de verwachting dat weinig gebruik zal worden gemaakt van de de-minimisverordening.

 

Juridisch kader

Artikel 73 van de Verordening 2021/1060 bepaalt dat de beheerautoriteit voor de selectie van concrete acties criteria en procedures vaststelt en toepast die niet-discriminerend en transparant zijn, toegankelijkheid voor personen met een handicap en gendergelijkheid waarborgen en rekening houden met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het beginsel van duurzame ontwikkeling en het beleid van de Unie op milieugebied. Op Europees niveau is aldus het opstellen van regels om subsidie voor de EFRO-gelden te verstrekken, neergelegd bij de beheerautoriteit. Dit dient te worden ingepast in het nationale recht.

 

Hiertoe is in het nationale recht het volgende af te leiden: Artikel 4:23 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat subsidieverstrekking een wettelijke grondslag dient te hebben, waarin wordt geregeld voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt. In of bij het wettelijk voorschrift dienen de essentialia van subsidieverstrekking te worden geregeld. Dat zijn: een aanduiding van de activiteiten, de aanwijzing van het bevoegde orgaan, het subsidieplafond, de verdelingsmaatstaf, verplichtingen en bevoorschotting.

 

In artikel 6 van de Uitvoeringswet EFRO is vervolgens bepaald dat in een Ministeriële Regeling ter zake van de aldaar genoemde essentialia, regels moeten worden gesteld. In artikel 9 is bepaald dat de beheerautoriteit beleidsregels stelt waarin de uitgangspunten omtrent de bevoegdheidsuitoefening rondom de subsidieverstrekking zijn geregeld.

 

In de Regeling Europese EZK- en LNV subsidies 2021 (in het vervolg: REES 2021), is vervolgens in artikel 4.2.2 bepaald dat de beheerautoriteit een subsidieplafond vaststelt, alsmede de verdeelcriteria. De directe grondslag om deze regeling te maken is daarmee dus te vinden in artikel 4.2.2 van de REES. Een subsidieplafond is volgens heersende jurisprudentie (onder andere een uitspraak van de ABRvS van 24 september 2014, vindplaats: ECLI:NL:RVS:2014:3465 en AB 2015/5) een algemeen verbindend voorschrift vanwege het normstellende karakter. Derhalve is ervoor gekozen om een regeling op te stellen. De overige onderdelen van de regeling delen, voor zover zij zelf geen zelfstandige normstelling inhouden, in het normstellende karakter van het besluit.

De onderwerpen die in de REES 2021 uitputtend zijn geregeld, zijn niet opgenomen in deze subsidieregeling, waaronder bepalingen aangaande subsidiabele kosten.

 

In de Verordening 2021/1060 en de REES 2021 zijn diverse zaken geregeld. Deze worden niet herhaald in deze regeling. Daarnaast zijn er ook vereisten en verplichtingen die op grond van hogere wet- en regelgeving rechtstreeks gelding hebben. Ook deze vereisten en verplichtingen zijn niet expliciet in deze subsidieregeling opgenomen. De subsidieregeling staat dus niet op zichzelf, maar maakt onderdeel uit van een breder kader.

 

Staatssteun

Voor de rechtvaardiging van staatssteun is aangesloten bij de algemene groepsvrijstellingsverordening. Afhankelijk van de te subsidiëren activiteiten is gekozen voor een zo breed mogelijk scala aan artikelen uit de algemene groepsvrijstellingsverordening om hiermee zoveel mogelijk ruimte te bieden voor de diversiteit aan projecten die onder het programma passen.

 

Stimulerend effect staatssteun

In artikel 1.3., tweede lid, van de REES 2021 is bepaald dat vóór indiening van de aanvraag door de subsidieontvanger gemaakte kosten niet voor subsidie in aanmerking komen. Hiermee wordt beoogd te voldoen aan de verplichting van artikel 6 van de algemene groepsvrijstellingsverordening dat staatssteun aan ondernemingen alleen vrijgesteld of anderszins gerechtvaardigd kan worden verstrekt, indien sprake is van een stimulerend effect. Stimulerend effect is aanwezig als door de subsidie het gedrag van de onderneming verandert. Er wordt bijvoorbeeld een project gerealiseerd dat niet van de grond zou komen zonder subsidie. Of de omvang van een project verandert door de subsidie. In artikel 6 van de algemene groepsvrijstellingsverordening is bepaald dat steun wordt geacht een stimulerend effect te hebben wanneer de aanvraag om subsidie is ingediend voordat de activiteit aanvangt. Indien de activiteiten eerder zijn aangevangen, dient het stimulerend effect te worden aangetoond door de aanvrager.

 

Artikelsgewijs

 

A

 

Artikel 1.4.a Opschortende voorwaarde

De opschortende voorwaarde heeft tot gevolg dat een subsidieverlening met terugwerkende kracht niet tot stand is gekomen als blijkt dat de vergunningen niet tijdig zijn verleend. De voor het project benodigde vergunningen ziet op de vergunningen die nodig zijn om de subsidiabele activiteiten te realiseren.

 

B

 

Artikel 2.1.6 Subsidiehoogte

Het OPZuid kent een cofinancieringsinspanning vanuit de provincies en het Rijk. Hiertoe worden aparte cofinancieringsregelingen opgesteld door de provincies.

Naar boven