Subsidieregeling mkb innovatiestimulering R&D samenwerking Noord-Nederland 2023

 

Gedeputeerde Staten van Drenthe;

 

gelet op;

  • -

    artikel 25 van de Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU, L187), gewijzigd bij verordeningen van de commissie van 14 juni 2017 (EG) 2017/1084 en 2 juli 2020 (EG) nr. 2020/972);

  • -

    artikel 5, tweed lid, van de gemeenschappelijke regeling SNN; en

  • -

    de Algemene subsidieregeling SNN 2019;

 

BESLUITEN:

 

vast te stellen de Subsidieregeling Mkb innovatiestimulering R&D samenwerking Noord-Nederland 2023

 

Gedeputeerde Staten voornoemd,

 

mevrouw drs. J. Klijnsma, voorzitter

W.F. Brenkman MSc, secretaris

 

Assen, 21 februari 2023

Kenmerk 4.2/2023000243

 

Uitgegeven: 29 maart 2023

 

Artikel 1 Begripsbepalingen

 

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    AGVV: Algemene groepsvrijstellingsverordening, Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU, L187), gewijzigd bij verordeningen van de commissie van 14 juni 2017 (EG) 2017/1084 en 2 juli 2020 (EG) nr. 2020/972);

  • b.

    ASR SNN 2019: Algemene subsidieregeling SNN 2019;

  • c.

    Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen;

  • d.

    KIA: Kennis- en Innovatieagenda;

  • e.

    Missies en Sleuteltechnologieën: document beschreven in bijlage I van deze regeling;

  • f.

    mkb-onderneming: micro-, kleine of middelgrote onderneming in de zin van bijlage I van de AGVV;

  • g.

    Noord-Nederlandse economie: de economie in de regio Groningen, Fryslân en Drenthe;

  • h.

    Penvoerder: een samenwerkingspartner in een R&D-samenwerkingsverband, die zorgdraagt en verantwoordelijk is voor de projectadministratie, aanvragen en verzoeken;

  • i.

    R&D-samenwerkingsproject: project, bestaande uit industrieel onderzoek, zoals bedoeld in artikel 2, lid 85, van de AGVV of experimentele ontwikkeling, zoals bedoeld in artikel 2, lid 86, van de AGVV of een combinatie hiervan, in daadwerkelijke samenwerking en voor gezamenlijke rekening en risico uitgevoerd door een R&D-samenwerkingsverband;

  • j.

    R&D-samenwerkingsverband: verband dat geen rechtspersoonlijkheid bezit, bestaande uit twee of meer niet in een groep verbonden mkb-ondernemers, welk verband is opgericht ten behoeve van de uitvoering van een MIT-R&D-samenwerkingsproject;

  • k.

    SNN: Samenwerkingsverband Noord-Nederland.

Artikel 2 Doel van de regeling

 

De subsidieregeling heeft als doel innovatie bij het midden- en kleinbedrijf in de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen te stimuleren.

Artikel 3 Doelgroep

 

Subsidie wordt verstrekt aan de samenwerkingspartners in een R&D-samenwerkingsverband die in Nederland zijn gevestigd en daar ondernemingsactiviteiten uitvoeren.

Artikel 4 Penvoerder

 

  • 1.

    Binnen het R&D-samenwerkingsverband wordt een penvoerder aangewezen.

  • 2.

    De penvoerder dient een mkb-onderneming te zijn met een vestiging in de provincies Groningen, Fryslân of Drenthe en daar ondernemingsactiviteiten uit te voeren.

  • 3.

    Alle aanvragen in een project dienen door de penvoerder gedaan te worden, tenzij de penvoerder failliet is verklaard.

  • 4.

    Het SNN verricht betalingen enkel aan de penvoerder, tenzij de penvoerder failliet is verklaard, in surséance van betaling verkeert dan wel indien op hem de Wet schuldsanering natuurlijke personen van toepassing is verklaard.

Artikel 5 Subsidiabele activiteiten

 

Subsidie kan worden verstrekt voor een R&D-samenwerkingsproject ten behoeve van een mkb-onderneming dat past binnen een van de KIA’s zoals die zijn beschreven in het document Missies en Sleuteltechnologieën.

Artikel 6 Subsidiabele kosten

 

  • 1.

    Voor subsidie komen in aanmerking de kosten bedoeld in artikel 25, derde lid, van de AGVV. De volgende kosten zijn subsidiabel:

    • a.

      personeelskosten van onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden;

    • b.

      kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd;

    • c.

      kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat gronden betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking;

    • d.

      kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt;

    • e.

      bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

  • 2.

    Voor de personeelskosten genoemd in het vorige lid wordt een vast uurtarief van € 60,00 gehanteerd.

Artikel 7 Staatssteun

 

De bepalingen uit de hoofdstukken I en II en artikel 25 van de AGVV zijn van toepassing.

Artikel 8 Weigeringsgronden

 

Onverminderd het bepaalde in artikel 2.3 van de ASR SNN 2019 wordt de subsidie in ieder geval geweigerd indien:

  • a.

    het project niet minimaal 50 punten scoort;

  • b.

    het project 0 punten scoort op het criterium technologische vernieuwing of wezenlijk nieuwe toepassingen, zoals beschreven in artikel 13, lid 1, onder I;

  • c.

    het project 0 punten scoort op het criterium economische waarde, zoals beschreven in artikel 13, lid 1, onder II;

  • d.

    het project 0 punten scoort op het criterium kwaliteit van de R&D-samenwerking, zoals beschreven in artikel 13, lid 1, onder III;

  • e.

    het project 0 punten scoort op het criterium: De mate waarin het project impact heeft op een of meer KIA’s, zoals beschreven in artikel 13, lid 1, onder IV;

  • f.

    de kwaliteit van het projectplan onvoldoende is;

  • g.

    een deelnemer aan het R&D-samenwerkingsverband meer dan 70% van de voor subsidie in aanmerking komende kosten van het R&D-samenwerkingsproject voor zijn rekening neemt;

  • h.

    een deel van de subsidie dat aan een samenwerkingspartner van het samenwerkingsverband toekomt minder dan € 25.000,00 bedraagt;

  • i.

    niet minimaal 50% van de subsidiabele kosten van het project worden gedragen door samenwerkingspartners die zijn gevestigd in de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen en die in deze provincies ondernemingsactiviteiten uitvoeren;

  • j.

    werkzaamheden die onderdeel zijn van het project, zijn aangevangen vóór de ontvangst van de aanvraag;

  • k.

    het project niet voldoet aan het bepaalde in deze regeling;

  • l.

    het project niet in overeenstemming is met het doel van deze regeling;

  • m.

    tegen het project anderszins overwegende bezwaren bestaan;

  • n.

    de aanvrager een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel c, van de AGVV;

  • o.

    de onderneming de subsidie wil aanwenden voor een project waarvoor ook door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is of wordt verstrekt of dat deel uitmaakt van een dergelijk project.

Artikel 9 Subsidieplafond

 

  • 1.

    Gedeputeerde Staten stellen een gezamenlijk subsidieplafond vast op € 2.000.000,00.

  • 2.

    Maximaal 50% van het subsidieplafond zoals genoemd in lid 1 is beschikbaar voor aanvragen van meer dan € 200.000,00 subsidie.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur van het SNN verdeelt het in het eerste lid bedoelde bedrag op volgorde van rangschikking conform artikel 13, lid 4. Indien het subsidieplafond zou worden overschreden bij subsidieverlening aan meerdere aanvragen die gelijk zijn gerangschikt, wordt de onderlinge rangschikking van die aanvragen vastgesteld door middel van loting.

Artikel 10 Aanvraagperiode

 

Gedeputeerde Staten stellen gezamenlijk de aanvraagperiode vast op 6 juni 2023 9:00 uur tot 12 september 2023 17:00 uur.

Artikel 11 Subsidieaanvraag

 

  • 1.

    Een aanvraag kan worden ingediend bij het SNN via een daarvoor ontwikkeld webportal dat bereikbaar is via www.snn.nl.

  • 2.

    De subsidieaanvraag wordt ingediend met alle verplichte bijlagen, volgens voorgeschreven formats. De formats worden beschikbaar gesteld door het SNN.

Artikel 12 Subsidiehoogte

 

  • 1.

    De subsidie bedraagt maximaal 35% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 350.000,00 per R&D-samenwerkingsproject.

  • 2.

    Een deel van de subsidie dat aan een samenwerkingspartner in het samenwerkingsverband toekomt bedraagt:

    • a.

      niet meer dan € 100.000,00 indien het subsidiebedrag maximaal € 200.000,00 is;

    • b.

      niet meer dan € 175.000,00 indien het subsidiebedrag hoger dan € 200.000,00 is.

Artikel 13 Rangschikking

 

  • 1.

    De activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd worden beoordeeld op basis van de volgende vier beoordelingscriteria:

    • I.

      Technologische vernieuwing of wezenlijk nieuwe toepassingen

      Hierbij wordt met name gelet op de elementen:

      • a.

        de mate waarin het te ontwikkelen product, proces, dienst of de toepassing hiervan nieuw is;

      • b.

        de mate waarin gebruik wordt gemaakt van bestaande technieken, ontwerpen, processen, en diensten die worden toegepast;

      • c.

        de haalbaarheid van de innovatie;

      • d.

        de technologische risico’s die er in het project zijn;

      • e.

        hoe technische ontwikkelrisico’s worden beperkt;

      • f.

        de ontwikkelingen die op de markt gaande zijn in relatie tot het ingediende project, zowel nationaal als internationaal;

      • g.

        de aanwezigheid van nationale of internationale concurrentie en de wijze waarop het ingediende project zich onderscheidt van de activiteiten van de concurrentie.

    • II.

      Economische waarde

      Hierbij wordt met name gelet op de elementen:

      • a.

        hoe het project aansluit bij de strategische doelstellingen van de onderneming(en) van de samenwerkingspartner(s);

      • b.

        de effecten van het project en de mate waarin deze ten goede komen aan de Noord-Nederlandse en de Nederlandse economie;

      • c.

        gevolgen voor de concurrentiepositie van de samenwerkingspartners bij slagen van het project;

      • d.

        bedreigingen, economische, commerciële risico’s of andere externe factoren die van invloed zijn op het project;

      • e.

        de wijze waarop risico’s worden beperkt;

      • f.

        de wijze waarop iedere samenwerkingspartner zijn aandeel in de projectkosten financiert;

      • g.

        bereidheid van de samenwerkingspartners om een eigen bijdrage aan de financiering van het project te leveren;

      • h.

        de mate waarin reguliere bedrijfsactiviteiten van de samenwerkingspartners doorgang kunnen vinden;

      • i.

        stappen die na afloop van het project moeten worden gezet tot de marktintroductie.

    • III.

      Kwaliteit van de MIT-R&D samenwerking

      Hierbij wordt met name gelet op de elementen:

      • a.

        kennis en ervaring van de samenwerkingspartners en de mate waarin de samenwerkingspartners elkaar aanvullen;

      • b.

        resources van de samenwerkingspartners;

      • c.

        inzet van derden en de expertise die deze met zich mee brengen;

      • d.

        de projectorganisatie;

      • e.

        de verdeling van de resultaten van het project over de samenwerkingspartners;

      • f.

        of en hoe er afspraken zijn gemaakt over intellectueel eigendom die uit het project voortkomen.

    • IV.

      De mate waarin het project impact heeft op een KIA zoals beschreven in het document Missies en Sleuteltechnologieën

      Hierbij wordt met name gelet op de elementen:

      • a.

        de impact van het project op de Kennis- en Innovatie agenda en bijbehorende missie;

      • b.

        raakvlakken met één andere KIA;

      • c.

        tot welke maatschappelijke impact het project in de markt gaat leiden.

  • 2.

    De aanvragen worden door het dagelijks bestuur SNN in eerste instantie kwalitatief beoordeeld waarbij de volgende scores mogelijk zijn: “ruim voldoende”, “voldoende”, “matig” of “onvoldoende”. Deze beoordeling wordt omgezet in een puntenbeoordeling zoals genoemd in lid 3.

  • 3.

    Voor de criteria I, II, III en IV kunnen per criterium maximaal 25 punten worden behaald met de volgende verdeling:

    ruim voldoende = 25 punten

    voldoende = 15 punten

    matig = 5 punten

    onvoldoende = 0 punten

  • 4.

    Het dagelijks bestuur van het SNN rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger, naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

Artikel 14 Beslistermijn

 

  • 1.

    De termijn voor het nemen van een besluit op een subsidieaanvraag wordt gesteld op 13 weken na het sluiten van de aanvraagperiode als bedoeld in artikel 10.

  • 2.

    De termijn voor het nemen van een besluit op een verzoek tot subsidievaststelling wordt gesteld op 13 weken na de datum van ontvangst van het verzoek.

Artikel 15 Subsidieverplichtingen

 

  • 1.

    Met de uitvoering van het R&D-Samenwerkingsproject wordt gestart binnen 6 maanden na bekendmaking van het besluit tot subsidieverlening.

  • 2.

    Het project wordt gerealiseerd binnen 24 maanden na de start van het project.

  • 3.

    Verlenging van de realisatietermijn kan in uitzonderlijke gevallen worden toegestaan. Hiertoe kan een gemotiveerd verzoek worden ingediend via het webportal dat bereikbaar is via www.snn.nl.

  • 4.

    De kosten van de uitvoering van het project worden op eenduidige wijze in de administratie van de subsidieontvanger weergegeven.

Artikel 16 Voorschotten

 

  • 1.

    Binnen drie weken na bekendmaking van het besluit tot subsidieverlening wordt ambtshalve een voorschot verstrekt van 40% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2.

    Een tweede voorschot kan op aanvraag worden verleend naar evenredigheid van de gemaakte en betaalde subsidiabele projectkosten. Dit tweede voorschot bedraagt ten hoogste 40% van het verleende subsidiebedrag.

Artikel 17 Vaststelling

 

  • 1.

    Uiterlijk 13 weken na realisatie van het project wordt een verzoek tot subsidievaststelling ingediend. Het verzoek kan worden ingediend via het webportal dat bereikbaar is via www.snn.nl.

  • 2.

    Het verzoek tot subsidievaststelling gaat vergezeld van in ieder geval:

    • a.

      een eindverslag omtrent de uitvoering en de resultaten van de activiteiten;

    • b.

      een mededeling van andere inkomsten, waaronder subsidies, waarmee de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft, is gefinancierd; en

    • c.

      indien het subsidiebedrag € 125.000,00 of meer bedraagt, een controleverklaring van een accountant of accountants-administratieconsulent als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, waaruit blijkt dat met de aanvraag wordt voldaan aan de voorschriften bedoeld in artikel 4:45 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 18 Bekendmaking en inwerkingtreding

 

  • 1.

    Deze regeling wordt bekendgemaakt in het Provinciaal Blad en treedt in werking met ingang van 6 juni 2023 9:00 uur.

  • 2.

    Deze regeling vervalt van rechtswege op 12 september 2023 17:00 uur.

Artikel 19 Citeertitel

 

Deze regeling wordt aangehaald als: MIT R&D samenwerking Noord-Nederland 2023.

Bijlage II Toelichting

 

Inleiding

De MIT R&D samenwerking Noord-Nederland 2023 sluit aan op de bestuurlijke keuze om het innovatiebeleid te richten op een viertal thematische missies, op ondersteunende sleuteltechnologieën en op maatschappelijk verdienvermogen. Deze aanpak is vastgesteld door het kabinet en is in grote lijnen overgenomen door alle provincies in hun economisch beleid en/of de Research and Innovation Strategies for Smart Specialisation (Regionale innovatiestrategieën; RIS3). Op nationaal niveau zijn de missies en de aanpak voor Sleuteltechnologieën door de topsectoren uitgewerkt in een zestal Kennis- en Innovatie-Agenda’s (KIA’s). In november 2019 zijn deze agenda’s geconcretiseerd in het Kennis- en Innovatieconvenant (KIC), dat ook is ondertekend door de provincies:

https://www.topsectoren.nl/binaries/topsectoren/documenten/kamerstukken/2019/november/12-11-19/kic-2020-2023/Kennis--en-Innovatieconvenant-2020-2023.pdf

 

Missies & sleuteltechnologieën in de verschillende instrumenten binnen de MIT

Voor de R&D-samenwerkingsprojecten geeft u aan op welke KIA u zich richt. Het is mogelijk dat uw project zich op meerdere KIA’s richt. In dat geval geeft u eerst aan op welke KIA uw project zich hoofdzakelijk richt. Vervolgens kunt u een tweede KIA aangeven.

Voor de R&D-projecten is een vergaande en uitgebreide toelichting nodig. Als handvat daarvoor zijn KIA’s en KIC hieronder vertaald naar zo concreet mogelijk doelen, die volgen uit de missies, de sleuteltechnologieënagenda en het beoogde verdienvermogen. Beoordeling van de projecten vindt plaats op de aspecten economie, innovatie en samenwerking en op de verwachte maatschappelijke baten. Om de projecten uit de verschillende KIA’s/missies zo goed mogelijk te kunnen beoordelen, en die baten met punten te waarderen, wordt indieners gevraagd de verwachte baten van de innovatie zoveel mogelijk te kwantificeren (in aantallen en/of getallen uit te drukken). Ook de waarschijnlijkheid dat die baten kunnen worden bereikt, dient in het projectplan te worden onderbouwd.

 

Relevantie voor MKB en MKB-innovaties

Missies omvatten een breed scala aan veranderingen en aanpassingen in ons dagelijks leven en ons patroon van produceren en consumeren. Zoals ook in de voorwaarden is aangegeven is de MIT-regeling gericht op het stimuleren van technologische innovaties. Onderstaande opsommingen bevatten deels concrete vraagstukken binnen elk van de missies waarvoor technologische innovaties evident een bijdrage kunnen leveren. Andere vraagstukken beschrijven de noodzaak tot systeemveranderingen, een andersoortige aanpak of ander gedrag. Technologische innovaties zullen daar veelal een deeloplossing brengen of de veranderingen ondersteunen. Duidelijk moge zijn dat alleen subsidie wordt verstrekt voor het ontwikkelen van een innovatie, met het bijbehorende innovatierisico, en niet voor het toepassen van een innovatieve werkwijze of een innovatief product in bijvoorbeeld het agrarisch bedrijf, in het stedelijk gebied, rivieren en zeeën of in de zorg.

 

Aansluiting op bestaande kennis en op onderzoeksagenda’s

Waar een innovatie is gericht op de missiethema’s zijn er geen verplichtingen ten aanzien van het gebruik van (sleutel)technologieën; de innovativiteit en de economische potentie zijn in dat opzicht doorslaggevend. Om vernieuwend en competitief te zijn is het in het algemeen relevant hoogwaardige actuele kennis en kunde in uw innovatie te benutten en/of te combineren. Om competitief te blijven is het een voordeel om aansluiting te (kunnen) vinden op verdere ontwikkeling van die kennis en kunde in eigen land of regio. Om die reden is het advies om goed kennis te nemen van recent binnen de topsectoren en KIA’s ontwikkelde kennis respectievelijk van lopende onderzoeksprogramma’s en -projecten.

 

Waar uw innovatie is gericht op doorontwikkeling of ondersteuning van de implementatie van een sleuteltechnologie, wordt verwezen naar de opsomming van sleuteltechnologieën in KIA 5 en de nadere informatie daar.

 

ASR 2019

Op aanvragen is de Algemene subsidieregeling SNN 2019 (ASR SNN 2019) van toepassing. Daarin zijn onder andere weigeringsgronden opgenomen.

 

De subsidieontvanger heeft een meldings- en mededelingsplicht. In artikel 2.5 van de ASR SNN 2019 is opgenomen wanneer de subsidieontvanger een schriftelijke melding dient te doen aan het dagelijks bestuur SNN.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 1 , onder j

 

De definitie van ‘in een groep verbonden’ ondernemingen is bepaald in bijlage 1 van de AGVV (artikel 3, derde lid).

 

Dit betekent dat twee of meer mkb’ers een R&D-samenwerkingsproject kunnen uitvoeren als zij niet met elkaar verbonden zijn. Als er sprake is van twee mkb’ers die partnerondernemingen zijn van elkaar, dan kunnen die ook een samenwerkingsverband vormen.

 

Artikel 3 Doelgroep

 

Aan natuurlijke personen kan geen subsidie worden verleend.

 

Ondernemingen die in Nederland zijn gevestigd dienen te worden ingeschreven in het handelsregister (artikel 5 Handelsregisterwet). De toetsingscriteria van de Kamers van Koophandel staan vermeld in de Beleidsregel ondernemingsbegrip handelsregister (Staatscourant 2008, 123, laatst gewijzigd bij Staatscourant 2011, 8401).

 

Een in het buitenland gevestigde onderneming kan wel een samenwerkingspartner zijn in het R&D-samenwerkingsverband maar heeft geen recht op subsidie zolang deze geen vaste inrichting of dochteronderneming in Nederland heeft. Een buitenlandse samenwerkingspartner die wel subsidie wil ontvangen dient er zorg voor te dragen dat deze onderneming voor de eerste voorschotbetaling een vaste inrichting of dochteronderneming in Nederland heeft.

 

Artikel 4 Penvoerder

 

Het verdient aanbeveling om een samenwerkingsovereenkomst op te stellen met alle samenwerkingspartners en daarin ook afspraken vast te leggen omtrent betalingen. Dit is echter geen verplichting.

 

Artikel 6 Subsidiabele kosten

 

Binnen een R&D-samenwerkingsproject zijn de kosten die direct betrekking hebben op het project subsidiabel.

 

Personeelskosten worden berekend via het forfaitair uurtarief van € 60,00. Het forfaitair vastgestelde uurtarief wordt gehanteerd voor alle direct bij de subsidiabele activiteit betrokken personen die in loondienst zijn bij de aanvragende organisatie en omvat zowel directe arbeids- en loonkosten als de daaraan toegerekende indirecte kosten. Dit tarief kan ook toegepast worden indien personen van een verbonden onderneming (inclusief holding B.V. en management B.V.) betrokken zijn in de projectuitvoering. Ook eigenaren van ondernemingen die niet worden verloond op basis van een dienstverband kunnen gebruik maken van het forfaitair uurtarief van € 60,00.

 

Kosten derden omvat alle kosten, gemaakt en betaald binnen de projectperiode, waar een factuur en betaalbewijs tegenover staat. Van belang is dat deze kosten op factuurbasis direct betrekking hebben op het project.

 

Onder afschrijvingskosten wordt verstaan de kosten van gebouwen, grond, apparatuur en uitrusting voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wanneer de kosten van gebouwen, grond, apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komend kosten beschouwd.

 

Forfaitair uurtarief en indirecte kosten

Het forfaitaire uurtarief van € 60,00 bestaat uit een basis uurtarief van € 40,00 met een opslag van 50% voor de indirecte kosten. Dit betekent dat de indirecte kosten die verdisconteerd zijn in het forfaitaire tarief niet afzonderlijk gedeclareerd kunnen worden, omdat deze kosten dan tweemaal gesubsidieerd zouden worden.

 

De kosten van administratief personeel dat wordt ingezet voor het project mogen niet worden opgevoerd als loonkosten met een forfaitair uurtarief voor € 60,00. Omdat deze kosten niet rechtstreeks uit het project voortvloeien zijn dergelijke kosten verdisconteerd in de toeslag op het forfaitair uurtarief.

 

Inhoudelijk projectmanagement door eigen personeel valt onder de loonkosten. Kosten van een directeur die incidenteel projectmanagement doet dat niet inhoudelijk van aard is valt hier niet onder. Dergelijke kosten vallen onder de opslag voor de overheadkosten die zijn verdisconteerd in de toeslag op het forfaitair uurtarief.

 

Huurkosten voor gebouwen en apparatuur die voor de reguliere activiteiten wordt gebruikt is niet subsidiabel. Deze kosten vloeien niet rechtstreeks voort uit het project. Dergelijke indirecte bedrijfskosten zijn verwerkt in de 50% opslag van het forfaitaire uurtarief van € 60,00.

 

Reis- en verblijfkosten van het personeel zijn verwerkt in de 50% opslag voor de indirecte kosten van het forfaitaire uurtarief van € 60,00.

 

Kosten die rechtstreeks uit het project voortvloeien

Huurkosten van bedrijfsruimte en apparatuur die specifiek voor de uitvoering van het project worden gehuurd, worden aangemerkt als kosten die rechtstreeks voortvloeien uit het project.

 

Onder kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gemaakt vallen niet accountantskosten. Ook kosten voor het inschakelen van derden die advies geven om te voldoen aan wet- en regelgeving om producten en diensten op de markt te brengen vallen hier niet onder.

 

Niet subsidiabele kosten

In artikel 2.4 van de ASR SNN 2019 is opgenomen welke kosten niet subsidiabel zijn. Hieronder een aantal voorbeelden van kosten die in geen enkel geval subsidiabel zijn:

  • a.

    administratieve en financiële sancties en boetes

  • b.

    winstopslagen binnen een groep of samenwerkingsverband

  • c.

    fooien en geschenken

  • d.

    representatiekosten- en vergoedingen

  • e.

    kosten van personeelsactiviteiten

  • f.

    gratificaties en bonussen

  • g.

    kosten van een outplacementtraject

  • h.

    kosten voor vrijwilligers

  • i.

    stagevergoeding

  • j.

    kosten voor marketing, promotie en publiciteit voor marktintroductie

  • k.

    buitenlandse reis- en verblijfkosten en overheadkosten

 

Deze opsomming is niet limitatief.

 

Artikel 8 Weigeringsgronden

 

Artikel 8 , sub a

 

Indien niet minimaal 50 van de 100 punten worden gehaald, waarbij de verdeling van de punten is opgenomen in artikel 13, draagt het project in ieder geval niet voldoende bij aan de specifieke doelstelling binnen het programma zoals opgenomen in deze subsidieregeling.

 

Artikel 8 , sub f

 

Op dit criterium kunnen geen punten worden gescoord. Het is echter van belang dat in het projectplan alle elementen helder en eenduidig zijn omschreven en onderbouwd met argumenten. Als dit onvoldoende is zal de subsidie worden geweigerd.

 

Artikel 8 , sub i

 

Wanneer de activiteiten in Noord-Nederland worden uitgevoerd, en het project daar plaatsvindt, dan wordt geacht aan deze voorwaarde te zijn voldaan. Bij projecten waar niet alle, geen of nauwelijks activiteiten in Noord-Nederland worden uitgevoerd is van belang waar de resultaten van het project terecht komen: dit dient aantoonbaar in Noord-Nederland te zijn. Dit kunnen bijvoorbeeld de eigendomsrechten zijn, maar ook de productie van een bepaald product. Dit dient door de aanvrager in de aanvraag te worden uitgelegd en onderbouwd. Alleen R&D activiteiten uitvoeren in een kantoor in Noord-Nederland is niet voldoende.

 

Artikel 8 , sub j

 

Hierbij geldt dat een verplichting pas mag zijn aangegaan na indiening van het project bij SNN. Na indiening van de aanvraag mag voor eigen risico worden begonnen met het project.

 

Artikel 8 , sub m

 

Er is in ieder geval sprake van overwegende bezwaren indien er een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de aanvrager doelstellingen nastreeft of activiteiten ontplooit die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang, de goede zeden of de openbare orde.

 

Artikel 11 Subsidieaanvraag

 

Een projectplan is een verplichte bijlage. Hiervoor dient gebruik gemaakt te worden van het format dat door SNN ter beschikking wordt gesteld. Het projectplan mag maximaal 20 pagina's zijn. Het is mogelijk om een bijlage toe te voegen aan het projectplan met afbeeldingen die de inhoud van het project verduidelijken. De inhoud van deze bijlage wordt niet meegenomen bij de beoordeling op de rangschikking.

 

Artikel 13 Rangschikking

 

Er zijn vier categorieën waarop een project gewogen wordt. Het is van groot belang dat de aanvrager zorgdraagt voor een goede kwantitatieve en kwalitatieve onderbouwing van de in de aanvraag gepresenteerde zaken. Een complete en gedegen onderbouwing borgt dat het SNN een goed oordeel kan vormen over een project en de mate waarin het project scoort op de beoordelingscriteria.

 

Artikel 13 , lid 1 Beoordelingscriterium III onder lid b

 

Onder resources worden de middelen verstaan die nodig zijn om te zorgen dat een businessmodel werkt. Hier worden onder andere verstaan:

  • a.

    fysieke middelen waaronder: gebouwen, machines, voertuigen, systemen, netwerken

  • b.

    intellectuele middelen, waaronder: gedeponeerde kennis, auteursrechten, klanten databases, merken

  • c.

    menselijke middelen, waaronder: ervaren wetenschappers, ingenieurs, vakkundige verkoop

 

Artikel 13 , lid 1 Beoordelingscriterium IV

 

Het is mogelijk om hier een 2e KIA te beschrijven waarop uw voorstel een substantieel maatschappelijk voordeel op kan gaan leveren. Aanhaken bij nog meer KIA’s wordt niet gewaardeerd met meer punten.

 

Artikel 15 Subsidieverplichtingen

 

Kosten moeten zijn gemaakt op uiterlijk de einddatum van het project (dit is binnen 24 maanden na de start van het project). Kosten moeten zijn betaald vóór indiening van het verzoek tot definitieve vaststelling.

 

Naar boven