Provinciaal blad van Fryslân
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2023, 216 | andere beschikking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2023, 216 | andere beschikking |
Omgevingsvergunning SFP voor het oprichten van Bio LNG-installatie aan de Lange Lijnbaan ong. in Harlingen
Wij hebben besloten om de omgevingsvergunning eerste fase voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting (milieu) te verlenen. U treft de omgevingsvergunning hierbij aan. Wij raden u aan om de omgevingsvergunning met de bijlagen goed te lezen. Aan de omgevingsvergunning zijn voorschriften verbonden, waaraan u zich dient te houden zodra de omgevingsvergunning in werking treedt.
Met ingang van 14 maart 2022 leggen wij uw aanvraag en de omgevingsvergunning met bij behorende stukken zes weken ter inzage. Binnen 6 weken na bekendmaking van de vergunning kunnen zowel u als belanghebbenden een beroepschrift indienen. In de vergunning onder 'Rechtsbeschermingsmiddelen' kunt u lezen hoe en waar u een beroepschrift kunt indienen.
Wij publiceren de omgevingsvergunning in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân (via https://www.officielebekendmakingen.nl).
Wanneer kunt u gebruik maken van de vergunning
U kunt pas gebruik maken van de omgevingsvergunning voor de eerste fase als ook de overige toestemmingen in de tweede fase zijn verleend en in werking zijn getreden.
De aanvraag omgevingsvergunning heeft betrekking op een eerste fase voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting (artikel 2.1, lid 1, onder e van de Wabo). Voordat met het oprichten van de inrichting wordt begonnen, dient tevens een omgevingsvergunning te zijn verleend voor de volgende activiteiten:
Voor meer informatie over deze brief kunt u contact opnemen met de heer K. Wijnja van de FUMO, bereikbaar op telefoonnummer 0566 750 300 of per e-mail via k.wijnja@fumo.nl.
Hoogachtend, Namens Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân
S.G.C. Boender Afdelingshoofd Vergunningverlening en Specialistisch Advies
Op 3 november 2020 is een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen van Sustainable Fuel Production B.V. Het betreft het een omgevingsvergunning eerste fase voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het fermenteren van restproducten uit de voedingsmiddelenindustrie en het opwaarderen van groengas tot Bio-LNG. De aanvraag heeft betrekking op de Lange Lijnbaan ong, kadastraal bekend gemeente Harlingen, sectie F, nummer 1847. De aanvraag is geregistreerd onder Olo-nummer 5561163 en zaaknummer 2020-FUMO-0046537.
De omgevingsvergunning wordt in twee fasen aangevraagd. In dit besluit is besloten over fase 1. Deze fase betreft:
Wij besluiten, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de daarop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten en -regelingen:
aan Sustainable Fuel Production B.V. een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e. (1° oprichten van een inrichting en 3° het in werking hebben van een inrichting) te verlenen voor het fermenteren van restproducten uit de voedingsmiddelenindustrie, het leveren van groengas aan het aardgasnetwerk en het opwaarderen van groengas tot Bio-LNG. De vergunning heeft betrekking op de Lange Lijnbaan ong, kadastraal bekend gemeente Harlingen, sectie F, nummer 1847;
Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân
S.G.C. Boender Hoofd afdeling Vergunningverlening en Specialistisch Advies
Gemeente Harlingen, Postbus 10.000, 8860 HA Harlingen;
Wetterskip Fryslân, Postbus 36, 8900 AA Leeuwarden;
Brandweer Fryslân, Postbus 612, 8901 BK Leeuwarden;
Rijkswaterstaat, afdeling vergunningverlening, Postbus 2232, 3500 GE Utrecht;
De bekendmaking van deze beschikking gebeurt door publicatie inde Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via https://www.officielebekendmakingen.nl . Ook moet de beschikking ter inzage worden gelegd. Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start de beroepstermijn van zes weken. In die periode kunnen zowel u als belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Ook niet-belanghebbenden kunnen beroep aantekenen indien zij een zienswijze hebben ingediend.
Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij Rechtbank Noord-Nederland, Postbus 781, 9700 AT Groningen. De beschikking met betrekking tot de eerste fase treedt tegelijk met de beschikking met betrekking tot de tweede fase in werking.
Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht. Dit verzoek kan worden gedaan bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord Nederland, Postbus 781 9700 AT Groningen. De beschikking treedt in dat geval niet in werking voordat over dit verzoek is beslist.
Voorschriften omgevingsvergunning activiteit milieu
1.1 Terrein van de inrichting en toegankelijkheid
Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die welke voor het proces nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen.
Het aantrekken van insecten, knaagdieren en ander ongedierte moet worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven moet een doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden. Hiertoe moet een ongediertebestrijdingsplan binnen de inrichting aanwezig zijn.
Bij ingebruikname van de vergistingsinstallatie dient binnen de inrichting een milieubeheerssystemen te zijn opgesteld. In het milieubeheerssysteem zijn de volgende elementen opgenomen:
planning en vaststelling van de noodzakelijke procedures (procedures voor het doorvoeren van wijzigingen in processen, procedures voor het evalueren van het managementsysteem, procedures voor het monitoren van kritische procesindicatoren, procedures voor het wijzigen van installaties, doelstellingen en streefcijfers, samen met de financiële planning en investeringen;
interne audits om vast te stellen of het milieubeheerssysteem voldoet aan de voorgenomen regelingen en of het op de juiste wijze wordt uitgevoerd en gehandhaafd. Dit betreft in ieder geval de evaluatie van de kwaliteit van procedures, de werkinstructies en de gebruikte kritische prestatie indicatoren (KPI’s).
1.4 Melding contactpersoon en wijziging vergunninghouder
De vergunninghouder moet direct nadat de vergunning in werking is getreden schriftelijk naam en telefoonnummer opgeven aan het bevoegd gezag van degene (en van diens plaatsvervanger) met wie in spoedeisende gevallen, ook buiten normale werktijden, contact kan worden opgenomen. Als deze gegevens wijzigen moet dit vooraf onder vermelding van de wijzigingsdatum schriftelijk worden gemeld aan het bevoegd gezag.
Onderhoudswerkzaamheden waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit, moeten ten minste vijf werkdagen voor de aanvang van de uitvoering aan het bevoegd gezag worden gemeld.
Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten binnen de inrichting moeten alle aanwezige stoffen en materialen, die uitsluitend aanwezig zijn vanwege de – te beëindigen- activiteiten, door of namens vergunninghouder op milieuhygiënisch verantwoorde wijze in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd.
Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van (een van de) activiteiten moet het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden.
2.1 Opslag van afvalstoffen ontstaan binnen de inrichting
De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging buiten de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen.
De termijn van opslag van afvalstoffen die binnen de inrichtng zijn ontstaan, mag maximaal één jaar bedragen. In afwijking hiervan mag de termijn van opslag van afvalstoffen maximaal drie jaar bedragen indien de vergunninghouder aan het bevoegd gezag heeft aangetoond dat de opslag van afvalstoffen gevolgd wordt door nuttige toepassing van afvalstoffen.
2.2 Acceptatie van afvalstoffen afkomstig van buiten de inrichting
De termijn van opslag van afvalstoffen die afkomstig zijn van buiten de inrichting mag maximaal één jaar bedragen. In afwijking hiervan mag de termijn van opslag van afvalstoffen maximaal drie jaar bedragen, indien de vergunninghouder aan het bevoegd gezag heeft aangetoond dat de opslag van afvalstoffen gevolgd wordt door nuttige toepassing van afvalstoffen.
Stoffen die zijn genoemd in Bijlage Aa, onderdeel IV, categorie G1 moeten voldoen aan de in bijlage II, onder tabel 1, bij het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet opgenomen maximale waarden voor zware metalen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel en de in bijlage II, onder tabel 4, bij het besluit opgenomen maximale waarden voor organische microverontreinigingen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel.
Indien de afzet van de opgeslagen afvalstoffen stagneert, geeft de vergunninghouder dit onverwijld schriftelijk te kennen aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat ten minste gegevens over de oorzaak van de stagnatie en de verwachte tijdsduur, alsmede de maatregelen die worden genomen om de stagnatie op te heffen, respectievelijk in de toekomst te voorkomen.
Wijzigingen van de procedure voor acceptatie, be- en verwerking, registratie of controle moeten, ter bepaling van de procedure die in relatie tot de aard van de wijziging is vereist, schriftelijk aan het bevoegd gezag worden voorgelegd. In het voornemen tot wijziging moet het volgende aangegeven worden:
Ten behoeve van de registratie als bedoeld in dit hoofdstuk moet een registratiepost aanwezig zijn. De hoeveelheden die op grond van dit hoofdstuk moeten worden geregistreerd, moeten worden bepaald door middel van een in de inrichting aanwezige weegvoorziening. De weegvoorziening(en) waarvan gebruik wordt gemaakt moet(en) overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften van het Nederlands Meetinstituut zijn geijkt. Op aanvraag moeten geldige certificaten van weegvoorziening(en) aan het bevoegd gezag ter inzage worden gegeven.
De ingevolge deze vergunning via de gemeentelijke riolering en de rioolwaterzuiveringsinstallatie te Harlingen te lozen afvalwaterstroom mag uitsluitend bestaan uit het effluent zuivering, afkomstig van Sustainable Fuel Production Friesland BV aan de Lange Lijnbaan ongenummerd in Harlingen en aangegeven op de bij de aanvraag gevoegde tekening.
* als gemiddelde van 7 aaneengesloten debietproportionele etmaalmonsters
** gemeten in een willekeuring steekmonster
3.4 Meet- en rapportageverplichting
3.5 Algemene Beoordelingsmethodiek (ABM)
Indien de vergunninghouder voornemens is om stoffen en mengsels te gaan gebruiken die niet in de aanvraag zijn vermeld en die mogelijkerwijs in het afvalwater kunnen geraken, dan toetst de vergunninghouder deze stoffen volgens de algemene beoordelingsmethodiek (ABM) zoals bedoeld in de overwegingen.
Indien als gevolg van een calamiteit of andere uitzonderlijke omstandigheid niet aan de gestelde voorschriften wordt voldaan of kan worden voldaan, dient de vergunninghouder onmiddellijk maatregelen te treffen. De maatregelen dienen de nadelige invloed van de lozing op de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater en/of doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te beperken of ongedaan te maken.
Vergunninghouder mag - mits hiervoor vooraf schriftelijk goedkeuring is verleend door het bevoegd gezag en bij wijze van proef - andere dan in deze vergunning opgenomen technische installaties en/of alternatieve grond- en hulpstoffen toepassen om een stabiele lozing op de RWZI te realiseren. Goedkeuring wordt slechts verleend indien de proefneming noodzakelijk is om informatie te vergaren over de technische haalbaarheid van de andere toepassing en deze informatie niet op een andere wijze kan worden verkregen.
Het bevoegd gezag kan naar aanleiding van een onderzoeksopzet goedkeuring onthouden dan wel nadere eisen stellen aan de proefneming. Deze nadere eisen kunnen een beperking van duur of een beperking van de bij de proefnemingen te verwerken hoeveelheid materiaal betekenen. Tevens kunnen nadere eisen gesteld worden aan de milieu hygiënische randvoorwaarden van de proefnemingen.
4.1 Energievoorschriften (grootverbruiker)
In het kader van de investeringsbeslissing van de toe te passen installaties dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de energie-efficiëntie van de elektromotoren en de hiermee aangedreven systemen. Uitgangspunt daarbij moet zijn dat de elektromotoren voldoen aan IE-Klasse 4. Indien wordt gemotiveerd dat dat niet mogelijk is, mogen elektromotoren die voldoen aan IE-klasse 3 worden toegepast. Maatregelen die een terugverdientijd hebben van vijf jaar of korter, dienen te worden toegepast.
De resultaten van het onderzoek moet voor 1 juli 2022 aan het bevoegd gezag worden toegezonden.
Vergunninghouder dient uiterlijk 1 april 2026 en vervolgens elke vier jaar vóór 1 juli de rapportage van een energieonderzoek ter goedkeuring in bij het bevoegd gezag. Het energieonderzoek heeft tot doel om de rendabele en technisch haalbare energie-efficiënte maatregelen te identificeren. De rapportage van het onderzoek moet de volgende gegevens bevatten:
voor de hierboven onder b. bedoelde individuele installaties en (deel)processen, de relevante uitgaande energiestromen en de intern hergebruikte energiestromen: een overzicht van alle maatregelen (technieken en voorzieningen) die in de branche als beste beschikbare techniek kunnen worden beschouwd en mogelijk rendabel zijn. Als er dergelijke maatregelen zijn, die niet zijn onderzocht, dan wordt de reden daarvan in de rapportage gemotiveerd.
Per maatregel wordt een berekening van de terugverdientijd opgesteld volgens de methodiek zoals beschreven in bijlage 10a van de Activiteitenregeling milieubeheer, tenzij vergunninghouder onderbouwt waarom het niet noodzakelijk is om voor deze maatregel een terugverdientijd te bepalen. Op basis van deze berekening wordt per maatregel de conclusie getrokken dat de maatregel rendabel of niet rendabel is;
Vergunninghouder verbetert de energie-efficiëntie van de inrichting door alle rendabele maatregelen en mogelijke organisatorische en good housekeeping maatregelen die leiden tot energiebesparing uit het energie-uitvoeringsplan uit te voeren, binnen de termijn die per maatregel in het plan is aangegeven.
Vergunninghouder mag een maatregel uit het energie-uitvoeringsplan vervangen door een gelijkwaardig alternatief, op voorwaarde dat de gelijkwaardigheid in het energiedeel van het milieujaarverslag of anderszins richting het bevoegd gezag wordt gemotiveerd. Onder gelijkwaardig wordt verstaan dat de alternatieve maatregel minstens evenveel bijdraagt aan de verbetering van de energie-efficiëntie en geen stijging geeft van de milieubelasting ten opzichte van de te vervangen maatregel.
Bij het nemen van energierelevante investeringsbeslissingen moet vergunninghouder energiezuinigere alternatieven onderzoeken, tenzij deze beslissing betrekking heeft op maatregelen die al in het energieonderzoek zijn opgenomen. Indien een energiezuiniger alternatief in vijf jaar of korter terug te verdienen is, moet voor dat alternatief gekozen worden. De gemaakte keuzes moeten worden gemeld en onderbouwd in de jaarlijkse rapportage, zoals beschreven in voorschrift 4.1.9.
De binnen de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen bij toepassing van de sommatieregels (zoals genoemd in aantekening 4, behorende bij I van de richtlijn 2012/18/EU van 4 juli 2012) mogen niet resulteren in een uitkomst die ten opzichte van de lage drempel van de Seveso III richtlijn groter is dan of gelijk is aan 1.
** Als bedoeld in richtlijn 2012/18/EU van 4 juli 2012
De operation windows (kader werkproces/procesparameters) voor normaal gebruik zijn vastgelegd in protocollen en bekend bij de medewerkers die de taak en bevoegdheid hebben om de processen aan te sturen en te bewaken. Dit zijn procescondities die gestuurd worden op de parameters druk, temperatuur en doorstroming. Het betreft ten minste de operationele procescondities die voor milieu en veiligheid relevant zijn.
Er is apparatuur aanwezig die de normale bedrijfsvoering monitort en de operator alarmeert wanneer deze buiten zijn operation windows treedt. Operationele bijsturing is daarop mogelijk. De instelwaarden van deze operationele parameters zijn vastgelegd in protocollen en in registratiesystemen en zijn bij de operationele medewerkers bekend.
Veiligheidsrelevante procesparameters sturen automatisch beveiligingen aan, zodat de installatie in fail safe-modus terecht komt, wanneer de situatie daar om vraagt.
Hiervan mag worden afgeweken in het geval daartoe goede redenen zijn. Deze afwijking moet zijn voorzien van een onderbouwing en heeft goedkeuring nodig van het bevoegd gezag. Binnen een half jaar na inwerkingtreding van de vergunning moet de onderbouwing worden aangeleverd.
Procesleidingen, tanks, vast opgestelde procesapparatuur, los- en laadpunten, emballage en dergelijke moeten voor zover deze betrekking hebben op stoffen waarop het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen van toepassing is, zijn voorzien van een codering, waaruit blijkt welke (soort) stof daarin aanwezig is.
5.3 Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen
5.4 Opslag van gasflessen (ADR-klasse 2)
5.5 Cryogene gasopslag (kooldioxide en stikstof) in een bovengrondse tank
5.6 Opslag chemicaliën (natronloog, zwavelzuur en ijzerchloride) in bovengrondse tanks
In de LNG-laadleiding en op aansluitingen van de LNG-opslagtank (met uitzondering van de drukontlastingsapparatuur en niveaumetingen) zitten op zo kort mogelijke afstand van de LNG-opslagtank met de hand bedienbare afsluiters om onderhoud te kunnen plegen aan de op afstand gestuurde afsluiters of ESD-afsluiters.
Afsluiters aan de LNG-opslagtank zijn gelast tot en met de eerste ESD-afsluiter. Er zijn inblokafsluiters om onderhoud veilig uit te kunnen voeren. Alle veiligheidsafsluiters hebben een open/dicht-standaanwijzer. De veiligheidsafsluiters sluiten binnen 5 seconden na het wegvallen van de bekrachtigingspanning (activering ESD).
De Bio-LNG-tanks moeten zijn uitgevoerd met een hoogniveau-alarminstallatie die een akoestisch signaal geeft in de controlekamer. Daarnaast moet de tank zijn voorzien van een hoogniveau beveiligingsinstallatie die onafhankelijk van de hiervoor genoemde alarminstallatie alarmeert en de toevoer naar de tank automatisch stopt.
De laadslang wordt maandelijks visueel geïnspecteerd en indien nodig vervangen. De laadslang wordt uiterlijk na drie jaar en vervolgens jaarlijks op deugdelijkheid gecontroleerd en hydraulisch beproefd volgens de methode in NEN EN-ISO 21012. Als bij deze beproeving gebreken optreden, wordt alsnog voor vernieuwing van de slang gezorgd.
Met Bio-LNG geladen tankauto’s worden niet op het terrein van de inrichting geparkeerd. Dit verbod geldt niet voor de periode die nodig is voor het verrichten van de verplichtingen die gelden volgens het ADR voor onder andere het aanbrengen van de juiste etikettering en kenmerking op de tankauto, alsmede voor het verstrekken dn ontvangen van de documenten die bestemd zijn voor het vervoer.
5.9 Veiligheidsvoorzieningen en maatregelen
Het gasdetectiesysteem voldoet aan NEN-EN-IEC 60079-29-2 en NEN-EN 50402 en wordt geïnspecteerd, onderhouden en getest volgens de voorschriften van de fabrikant, met inachtneming van de aanwijzingen in de toepasselijke onderhoudsnormen (indien beschikbaar). Een controle wordt uitgevoerd door een onafhankelijke deskundige op het gebied van gasdetectiesystemen.
Het temperatuurdetectiesysteem wordt geïnspecteerd, onderhouden en getest volgens de voorschriften van de fabrikant, met inachtneming van de aanwijzingen in de toepasselijke onderhoudsnormen (indien beschikbaar). Een controle wordt uitgevoerd door een deskundige op het gebied van temperatuurdetectiesystemen.
Het vlamdetectiesysteem voldoet aan NEN-EN 54-10 en NEN ISO 7240-10 en wordt geïnspecteerd, onderhouden en getest volgens de voorschriften van de fabrikant, met inachtneming van de aanwijzingen in de toepasselijke onderhoudsnormen (indien beschikbaar). Een controle wordt uitgevoerd door een onafhankelijke deskundige op het gebied van vlamdetectiesystemen.
Een werkvergunning is vereist voor alle werkzaamheden waaraan risico’s zijn verbonden maar die onder gecontroleerde omstandigheden en onder bepaalde voorwaarden veilig kunnen worden uitgevoerd. Een schriftelijke werkvergunning is in elk geval vereist in gevallen waar personen in contact kunnen komen met LNG of wanneer LNG anderszins ongecontroleerd kan vrijkomen.
De temperatuur in de opgeslagen vaste biomassa moet dagelijks worden gecontroleerd. Daartoe dient binne nde inrichtng een geschikte temperatuurmeter voor onmiddellijk gebruik gereed aanwezig te zijn. De temperatuur in de vaste biomassa moet lager dan 80 graden Celsius zijn. Wanneer de temperatuur boven 65 graden Celsius komt moeten direct maatregelen worden getroffen.
In de inrichting mag, behoudens in de daarvoor ingerichte installaties of in de daarvoor ingerichte ruimten, geen open vuur aanwezig zijn en mag niet worden gerookt. Deze bepaling voor wat betreft open vuur is niet van toepassing indien werkzaamheden moeten worden verricht waarbij open vuur noodzakelijk is. Vergunninghouder moet zich er van hebben overtuigd dat deze werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder gevaar. Op een centrale plaats voor de uitgave van (werk-)vergunningen en ter plaatse moet een schriftelijk bewijs aanwezig zijn dat bedoelde werkzaamheden zijn toegestaan.
Het rook- en vuurverbod moet op duidelijke wijze kenbaar zijn gemaakt door middel van opschriften in de Nederlandse en Engelse taal of door middel van een symbool overeenkomstig de NEN 3011. Deze opschriften of symbolen moeten nabij de toegang(en) van het terrein van de inrichting zijn aangebracht. Zij moeten goed leesbaar c.q. zichtbaar zijn.
Een brandblusser is geschikt voor de brandklassen B en C volgens NEN-EN 2 en voldoet aan de eisen van de NEN EN 3-reeks. De eigenschappen, prestatie-eisen en beproevingsmethoden van een brandblusser zijn gebaseerd op NEN-EN 3-7, waaruit blijkt dat deze geschikt is voor bestrijding van brandklassen B en C. Brandblussers hebben een blusvermogen van ten minste 43A/233B volgens NEN-EN 3-7.
5.12 Noodplan, incidenten en calamiteiten
Ongewone voorvallen die na toepassing van het meldschema worden geclassificeerd als ongewoon voorval mét significante gevolgen voor het milieu moeten zo spoedig mogelijk worden gemeld bij het bevoegd gezag via het milieualarmnummer 058-2122422. In aanvulling op het bepaalde in artikel 17.2 Wet milieubeheer dient de vergunninghouder deze mededeling onverwijld te bevestigen via toezichtenhandhaving@fumo.nl of schriftelijk aan: FUMO AfdelingToezicht en Handhaving Postbus 3347, 8901 DH Leeuwarden
6.2 Representatieve bedrijfssituatie
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:
De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven in bijlage 1. De beoordelingshoogte voor de dag-, avond- en nachtperiode is 5 meter.
Het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:
De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven in bijlage 1. De beoordelingshoogte voor de dag-, avond- en nachtperiode is 5 meter.
Binnen drie maanden nadat de vergistingsinstallatie in gebruik is genomen, moet de vergunninghouder, door middel van een akoestisch onderzoek (controlerapportage), aan het bevoegd gezag aantonen dat aan de geluidsvoorschriften zoals opgenomen in voorschrift 6.2.1 en voorschrift 6.2.2 van deze vergunning wordt voldaan. De resultaten van dit akoestisch onderzoek moeten binnen deze termijn schriftelijk aan het bevoegd gezag worden gerapporteerd.
Het bevoegd gezag moet vooraf worden geïnformeerd over de opzet van het onderzoek en over de datum en het tijdstip waarop de geluidmetingen voor het in voorschrift 6.3.1 bedoelde onderzoek gaat plaatsvinden. Uitsluitend na goedkeuring van het bevoegd gezag kan worden overgegaan tot het uitvoeren van het onderzoek. Aan de opzet van het onderzoek kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen in verband met mogelijke specifieke omstandigheden.
7.2 Geurreducerende voorzieningen
De gebouwen (nummer 4, 5 en 6 op de tekening) zijn voorzien van een luchtafzuigsysteem waarmee deze gebouwen op onderdruk worden gehouden. In deze gebouwen moet een zodanige onderdruk worden gewaarborgd dat ook bij geopende deuren en andere openingen geen met geur bezwangerde lucht aan de ruimten kan ontsnappen, anders dan via de geur reducerende voorziening.
7.3 Onderhoud en inspectie geurreducerende voorzieningen
Geurreducerende voorzieningen moeten voor de goede werking, onder optimale condities in bedrijf worden gehouden en moeten zo vaak als voor een goede werking noodzakelijk is worden vervangen en gereinigd, doch ten minste één keer per maand, overeenkomstig de eisen van de leverancier worden onderhouden en geïnspecteerd.
Binnen 6 maanden na ingebruikname van de vergistingsinstallatie (gebouw 4 en 5) moet vergunninghouder, door middel van geuremissiemetingen, onderzoeken of de in dit hoofdstuk opgenomen normen niet overschrijden. De resultaten van deze meting moeten binnen 2 maanden na uitvoering van metingen aan het bevoegd gezag worden toegezonden.
Het bevoegd gezag moet vooraf worden geïnformeerd over de opzet van het onderzoek als bedoeld in voorschrift 7.4.1 Het meetplan moet vooraf ter goedkeuring worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet ten minste 5 dagen van te voren worden geïnformeerd over de datum en het tijdstip waarop de meting(en) voor bovengenoemde rapportage plaatsvind(en).
Het onderzoek moet onder representatieve bedrijfsomstandigheden door een geaccrediteerde meetinstantie (monstername, analyse en debietmetingen) uitgevoerd worden. De resultaten van uitgevoerde onderzoeken moeten uiterlijk 2 maanden na uitvoering van het onderzoek aan het bevoegd gezag zijn gezonden.
7.5 Controle- en beheersplan Geur
In aanvulling op voorschrift 7.5.1 van deze vergunning dient binnen 12 maanden na in werking treden van onderhavige omgevingsvergunning een protocol te worden opgesteld waarin duidelijk wordt gemaakt hoe wordt omgegaan met geurklachten en met welke acties adequaat kan worden gereageerd op geconstateerde geurhinder. Het protocol dient minimaal te bevatten:
De maatregelen uit het protocol zoals bedoeld in voorschrift 7.5.2 moeten worden uitgevoerd. Het protocol wordt ieder jaar door de vergunninghouder geëvalueerd en indien noodzakelijk geactualiseerd. Het geurbeheersplan, protocol, en iedere geactualiseerde versie daarvan wordt ter goedkeuring toegezonden aan het bevoegd gezag.
Van de metingen als bedoeld in voorschrift 8.4.2 moet een registratie worden bijgehouden. Deze registratie moet direct (elektronisch) oproepbaar en overdraagbaar zijn op een daartoe strekkend verzoek van een toezichthoudend ambtenaar. De gegevens worden bewaard overeenkomstig voorschrift 1.5.1. Deze gegevens dienen minimaal over een periode van 1 week te worden bewaard.
De concentratie aan CH4, C02, 02 en H2S moet door geijkte meettoestellen (gaskwaliteitsmeters) continu worden bepaald zowel voor als na de gasopwerking. Op alle waarden zijn alarmmeldingen ingesteld op te lage respectievelijk te hoge waarden. Deze waarden moeten worden geregistreerd in het milieulogboek. De gaskwaliteitsmeters zijn uitgerust met een automatische kalibratie en moetenten minste één keer per jaar worden gecontroleerd op veilig en juist functioneren door een daarvoor geschikte en deskundige instantie.
Leidingen voor het transport van biogas, inclusief koppelingen en appendages, zijn gasdicht uitgevoerd. Eens in de 4 jaar dient dit te worden gecontroleerd, bijvoorbeeld met een biogascamera, biogasdetectiemeter of drukproef. Waargenomen gaslekkages moeten direct worden hersteld. De datum van de controle, het resultaat van de controle en de eventueel getroffen maatregelen worden geregistreerd.
8.8 Operationeel toezicht en inspectie
8.9 Buiten gebruik stellen vergistingsinstallatie
8.10 Fakkelinstallatie biovergisting
9 Afleveren van vloeibare brandstof voor eigen machines die niet voor het wegverkeer zijn bestemd
Op 3 november 2020 is een aanvraag om een eerste-fasebeschikking als bedoeld in artikel 2.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen. Het betreft een verzoek van Sustainable Fuel Production B.V. voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor een Bio-LNG-installatie aan de Lange Lijnbaan (ongenummerd) in Harlingen, kadastraal bekend gemeente Harlingen sectie F, nummer 1847.
Het project waarvoor vergunning wordt aangevraagd is als volgt te omschrijven: omgevingsvergunning voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het fermenteren van restproducten uit de voedingsmiddelenindustrie en het opwaarderen van groengas tot Bio-LNG.
De te realiseren installatie zal bestaan uit een zestal tanks, een verwerkingshal, een kantoor en een bijgebouw ten behoeve van het verwerken en upgraden van het biogas naar Bio-LNG en een verwerkingshal voor het digestaat op te waarderen.
De verwerkingshal, waarin de werkzaamheden voor het produceren van biogas plaatsvinden, bestaat uit drie compartimenten. Zowel de vloeibare als vaste biomassa worden intern gelost, opgeslagen en verwerkt tot een vloeibaar homogeen product. Tevens worden de pompen en de besturingssystemen hierin ondergebracht. Alles gebeurt in een afgesloten ruimte. Aan de voorkant van het perceel komt een kantoorruimte met daarachter de werkplaats en een ruimte voor het behandelen van het biogas en opwaarderen tot vloeibare Bio-LNG.
De installatie wordt uitgerust met een capaciteit 300.000 ton biomassa per jaar en produceert naar verwachting 45 miljoen m3 biogas, goed voor 18.000 ton Bio-LNG per jaar. Er zal uitsluitend plantaardige biomassa gebruikt/toegepast worden.
Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag om vergunning.
De aanvrager heeft ervoor gekozen om gebruik te maken van de faseringsregeling van de Wabo. Gelet op het verzoek gaat de eerste-fasebeschikking slechts in op de volgende in de Wabo omschreven activiteit:
In de tweede-fasebeschikking zullen de overige activiteiten op vergunbaarheid worden beoordeeld:
Als één of meer van bovengenoemde activiteiten plaatsvinden, moet daarnaast beoordeeld worden of een aantal toestemmingsstelsels kan worden aangehaakt. Of daadwerkelijk moet worden aangehaakt, volgt niet uit de Wabo, maar uit de desbetreffende wet.
De aanvraag bestaat uit de volgende delen:
1.3. Huidige vergunningsituatie
Voor de inrichting zijn niet eerder vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer ingediend.
De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I onderdeel C van het Bor. De volgende categorieën zijn onder andere van toepassing:
|
Inrichting waar een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een vermogen of een gezamenlijk vermogen groter dan 1,5 kW, met dien verstande, dat bij de berekening van het gezamenlijk vermogen een elektromotor met een vermogen van 0,25 kW of minder buiten beschouwing blijft; inrichtingen waar een of meer verbrandingsmotoren aanwezig zijn met een vermogen of een gezamenlijk vermogen groter dan 1,5 kW, met dien verstande, dat bij de berekening van het gezamenlijk vermogen een verbrandingsmotor met een vermogen van 0,25 kW of minder buiten beschouwing blijft; |
|
|
inrichting voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van gassen of gasmengsels, al of niet in samengeperste tot vloeistof verdichte of onder druk in vloeistof opgeloste toestand; |
|
|
Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van de volgende stoffen, preparaten of producten:
|
|
|
Inrichtingen voor het opslaan van bedrijfsafvalstoffen, die ten aanzien daarvan en capaciteit hebben van 5 m3 of meer en het verwerken van afvalstoffen |
Op grond van Bijlage I, onderdeel C, categorie 2.7, onder i en categorie 28.10 is sprake van een vergunningplichtige activiteit. Het betreft tevens een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort genoemd in Bijlage I, categorie 5.3b onder i van de Richtlijn industriële emissies (Rie). Het gaat hier om nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen door middel van biologische behandeling met een capaciteit van 100 ton per dag. Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor sprake van een vergunningplichtige inrichting.
Wij zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4, tweede lid van de Wabo juncto artikel 3.3 eerste lid van het Bor, op grond van de activiteiten van de inrichting, genoemd in Bijlage I onderdeel C, categorieën 28.4 en 28.10 van het Bor.
1.6. Coördinatie met de Waterwet
De aangevraagde activiteit heeft betrekking op een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort, waarbij geen sprake is van een handeling waarvoor een watervergunning voor het lozen van stoffen als bedoeld in artikel 6.27, eerste lid van de Waterwet vereist is.
Omdat (delen van) de inrichting binnen de kernzone, buitenbeschermingszone en ruimtelijke reserveringszone is gelegen is voor het uitvoeren van werkzaamheden een watervergunning nodig. Deze watervergunning wordt gelijktijdig met de tweede-fasevergunning aangevraagd.
In de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen dat deze wet aanhaakt bij de Wabo wanneer:
De gevraagde veranderingen zijn geen project waarvoor op grond van de Wnb een vergunningplicht bestaat. Een omgevingsvergunning natuur voor Natura 2000-activiteiten is daarom niet van toepassing.
1.8. Beoordeling van de aanvraag
Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid. In verband met het ontbreken van een aantal gegevens hebben wij de aanvrager op 23 februari 2021 in de gelegenheid gesteld om tot acht weken na de hiervoor genoemde datum de aanvraag aan te vullen. Op 12 april 2021, 12 mei 2021 en 10 juni 2021 is door de aanvrager (tijdig) verzocht om de termijn voor het aanleveren van de gevraagde gegevens te verlengen. Wij hebben ingestemd om de termijn voor het aanleveren van de gevraagde gegevens tot en met 16 juli 2021 te verlengen. Wij hebben op 28 juni en 16 juli 2021 aanvullende gegevens ontvangen. Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag opnieuw getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag met de aanvullende gegevens voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving.
Daarnaast hebben wij op 26 oktober 2021 nog een gewijzigde bijlage 2 (Water- en milieuaspecten) en gewijzigde bijlage 1 (milieutekening) ontvangen en op 9 december 2021 een gewijzigde risicoanalyse en A&V-beleid en AO/IC.
De aanvraag (eerste fase) heeft betrekking op de volgende activiteit:
Deze beschikking is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop zijn wij niet verplicht om van de aanvraag kennis te geven in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze, tenzij bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Nu deze uitzonderingsgrond zich niet voordoet, hebben wij geen kennisgegeven van de aanvraag in de Leeuwarder Courant en Friesch Dagblad.
Een of meer van de activiteiten waarop het project als geheel betrekking heeft, worden in de Wabo aangemerkt als activiteiten waarop de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Dit betekent dat beide benodigde fasebeschikkingen met die procedure worden voorbereid.
1.10. Zienswijzen op de ontwerpvergunning
Van het ontwerp van de vergunning hebben wij kennisgegeven in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via https://officielelebekendmakingen.nl. Van 20 december 2021 tot en met 31 januari 2022 heeft een ontwerp van de vergunning ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt.
Op 12 januari 2022 hebben wij namens Sustainable Fuel Production B.V. een zienswijze ontvangen van Derks Advies te Beugen. Op 31 januari 2022 hebben wij een gezamenlijke zienswijze ontvangen van drie inwoners van Harlingen.
Samengevat betreft de zienswijze van Sustainable Fuel Production het volgende:
Zowel in de QRA als in de considerans en voorschriften wordt uitgegaan van een productie van 18.000 ton biogas per jaar. Afhankelijk van de omvang van de vrachtwagen wordt deze in wagens met 47,8 m3, 28,5 m3 of 19,7 m3 opgehaald. De meest voorkomende is de grootste wagen en in de QRA is van deze wagen als grootste risico uitgegaan met een gewicht van maximaal 23,3 ton per vrachtwagen. Dat is geheel correct en ook zo opgenomen in de considerans. In de vergunningvoorschriften is echter in 5.8.1 uitgegaan van 100 vrachten per jaar in tegenstelling tot de 1.800 vrachten uit de QRA. Mogelijk is dit misverstand ontstaan bij de Bleve factor in de QRA die aangeeft dat per 100 vrachten 50 uur verlaadtijd van toepassing is. In het QRA wordt vervolgens 900 uur aangehouden, dus daarmee maximaal 1.800 vrachten per jaar. Ik verzoek u namens cliënte deze verschrijving aan te passen, of nog beter niet de vrachten maar de tonnage in jaarproductie op te nemen, omdat dit ook eenvoudiger controleerbaar is;
Samengevat betreffen de zienswijzen van de drie inwoners van Harlingen het volgende:
De begrippen transparantie en democratische inspraak zijn en worden geweld aangedaan omdat:
overwegingen bij het ontwerp onder 1.9: "Deze beschikking is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop zijn wij niet verplicht om van de aanvraag kennis te geven in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze, tenzij bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Nu deze uitzonderingsgrond zich niet voordoet, hebben wij geen kennisgegeven van de aanvraag in de Leeuwarder Courant en Friesch Dagblad.");
Over deze zienswijzen merken wij het volgende op:
In de zienswijze wordt terecht aangegeven dat in voorschrift 5.8.1 abusievelijk is opgenomen dat er maximaal 100 verladingen van Bio-LNG per jaar mogen plaatsvinden. Daar had inderdaad de maximale hoeveelheid LNG die jaarlijks wordt verladen, moeten zijn vermeld. Wij hebben voorschrift 5.8.1 dan ook overeenkomstig de zienswijze aangepast en aangevuld met een registratieverplichting van het aantal verladingen en de bijbehorende hoeveelheid Bio-LNG.
Wij verklaren deze zienswijze gegrond.
Wij hebben de aanvraag getoetst aan de aspecten zoals genoemd in artikel 2.14, eerste lid, onder a, b en c van de Wabo. Dit is het toetsingskader voor een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu. De wijze waarop wij de aanvraag hebben getoetst, hebben wij gemotiveerd in onze overwegingen. Daarbij zijn wij tot de conclusie gekomen dat het belang van de bescherming van het milieu zich er niet tegen verzet om de vergunning te verlenen. De argumenten genoemd in de zienswijzen onder B.1 t/m B.4, B.7 en B.8 hebben geen betrekking op het genoemde toetsingskader of het belang van de bescherming van het milieu.
Wij verklaren deze zienswijzen ongegrond.
In de aanvraag is aangegeven dat binnen de inrichting plantaardige stoffen (geen dierlijke mest) worden vergist. Deze plantaardige stoffen staan genoemd in bijlage Aa, onderdeel IV, categorie A tot en met G1 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Wij moeten beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Daarbij mogen wij niet de haalbaarheid van de aangevraagde activiteiten toetsen. Of het aanbod van een bepaalde afvalstroom mogelijk beperkt is of wordt, kunnen wij daarom niet meenemen in onze overwegingen.
Wij verklaren deze zienswijze ongegrond.
In de zienswijze wordt niet aangegeven welk rapport over gebruiksmogelijkheden van digestaat zou ontbreken. Wij hebben geconstateerd dat de aanvraag alle benodigde rapporten en onderzoeken bevat om te kunnen beslissen op de aanvraag.
Het vrijkomende digestaat wordt bewerkt tot overige organische meststoffen (recycling van het digestaat), die op grond van de meststoffenwet- en -regelgeving mogen worden toegepast.
Wij verklaren deze zienswijze ongegrond.
In Hoofdstuk 13 van deze vergunning is aangegeven dat wij eigen onderzoek op grond van de Wet Bibob hebben verricht naar de inrichting op basis van de op dat moment beschikbare gegevens. Niet alle gegevens waren al bekend ten tijde van dit onderzoek. Zodra ze bekend worden, zullen wij deze gegevens alsnog onderzoeken. Aan de hand van de uitkomsten daarvan zal bepaald worden of verdere stappen nodig zijn.
Voor iedere vergunningaanvrager geldt dat het starten met activiteiten voordat een omgevingsvergunning in werking is getreden, voor diens eigen risico komt.
Wij verklaren deze zienswijzen ongegrond.
Ons is niet duidelijk waarom er onvoldoende aandacht zou zijn besteed aan de handhaafbaarheid van de algemene voorwaarden.
Ook is ons niet duidelijk wat bedoeld wordt met termijnen in het belang van bewijsvoering en eventueel opsporingsonderzoek.
Wij zijn van mening dat de opgenomen voorschriften voldoende duidelijk zijn om daarop te kunnen handhaven. Bewijsvoering en opsporingsonderzoek vallen buiten het toetsingskader van deze vergunning.
Wij verklaren deze zienswijzen ongegrond.
In deze vergunning zijn diverse monitorings- en registratievoorschriften opgenomen of is voorgeschreven dat er een registratiesysteem aanwezig moet zijn. Hiermee wordt voldaan aan Hoofdstuk 5 van het Besluit omgevingsrecht.
Het is de verantwoordelijkheid van de vergunninghouder zelf om te bepalen hoe deze monitoring en registratie dan wel registratiesystemen binnen de inrichting gerealiseerd worden. Dit kunnen wij niet voorschrijven.
Wij verklaren deze zienswijzen ongegrond.
In de aanvraag is aangegeven dat er hoofdzakelijk plantaardige restproducten uit de voedingsmiddelenindustrie worden vergist. Dat hebben wij in voorschrift 2.2.2 vastgelegd. Voor de duidelijkheid hebben wij in de voorschriften 2.2.4 en 8.1.2 opgenomen dat er geen mest mag worden geaccepteerd cq dat er geen mest mag worden vergist. De termen “geaccepteerd” en “vergist” die in deze voorschriften worden gebruikt, zijn specifiek en afkomstig uit de toepasselijke wet- en regelgeving voor afvalstoffen. Wij zijn van mening dat het hiermee voldoende duidelijk is dat binnen de inrichting geen dierlijke mest aanwezig mag zijn.
Naar aanleiding van deze zienswijze is ons gebleken dat in onderdeel e van voorschrift 8.3.7 (eisen aan kwaliteitsverklaring) abusievelijk wordt gesproken over de minimale en maximale verwerkingscapaciteit van o.a. dierlijke meststoffen. Zoals wij zojuist al aangaven, is in de vergunning juist bepaald dat de inrichting geen dierlijke mest mag accepteren of vergisten. Daarom is onderdeel e van voorschrift 8.3.7 aangepast.
Wij verklaren deze zienswijze deels gegrond.
Brandveiligheid is bij de aangevraagde inrichting inderdaad van groot belang. Er worden immers brandbare gevaarlijke stoffen op- en overgeslagen. Om een inrichting als deze te kunnen exploiteren is de aanwezigheid van rijdend materieel noodzakelijk voor het aanleveren van grond- en hulpstoffen, het verplaatsen van materieel en producten en de afvoer van producten die zijn geproduceerd.
Voor de installaties die risicovol zijn en waarin gevaarlijke stoffen zijn opgeslagen, zijn voorschriften in de vergunning opgenomen die gebaseerd zijn op richtlijnen van de Publicatiereeks gevaarlijke stoffen (PGS). Als er een kans aanwezig is op aanrijdingsgevaar van een installatie waarin een gevaarlijke stof aanwezig is, moet deze installatie tegen aanrijden worden beschermd.
Verder bevinden de parkeerplaatsen voor personeel en bezoekers zich nabij het kantoor, waardoor onnodig rijverkeer op het drijfsterrein zo veel mogelijk wordt beperkt en er alleen vervoer op het terrein hoeft plaats te vinden dat voorde bedrijfsvoering noodzakelijk is.
Wij verklaren deze zienswijze ongegrond.
In voorschrift 5.12.9is een noodplan verplicht gesteld. In voorschrift 5.12.10 is gesteld dat personen die ter plaatse van de biovergistingsinstallatie en de LNG-installatie werkzaam zijn, op de hoogte zijn van de inhoud van het noodplan en de noodprocedures.
In voorschrift 5.12.12 hebben wij opgenomen dat het noodplan in ieder geval om de drie jaar moet worden beoordeeld en beproefd.
Bij nader inzien vinden wij dat het noodplan jaarlijks moet worden beoordeeld en getest. Wij hebben voorschrift 5.12.12 daarop aangepast.
Wij verklaren deze zienswijze gegrond.
De laadslang van de Bio-LNG tankwagen dient maandelijks visueel te worden geïnspecteerd. Deze inspectie houdt niet meer in dan een controle op aanwezige beschadigingen en eventuele scheurvorming van de laadslang. Een dergelijke visuele inspectie kan binnen de eigen bedrijfsvoering plaatsvinden en is niet persé voorbehouden aan een derde, onafhankelijke partij.
De laadslang dient, naast deze interne controle, uiterlijk na drie jaar en daarna jaarlijks op deugdelijkheid te worden gecontroleerd en hydraulisch te worden beproefd volgens de methode in NEN EN-ISO 21012.
Wij hebben voorschrift 5.8.12 aangepast in die zin dat de controle van de laadslang volgens de methode in NEN EN-ISO 21012 door een onafhankelijke deskundige moet worden uitgevoerd.
Ook voorschrift 5.9.3 met betrekking tot de inspectie van de gasdetectiesystemen en voorschrift 5.9.10 met betrekking tot inspectie van vlamdetectiesystemen hebben wij aangepast in die zin dat de inspectie door een onafhankelijke deskundige moet worden uitgevoerd.
Wij verklaren deze zienswijze deels gegrond.
De FUMO voert namens ons periodieke inspecties en controles uit op de naleving van de voorschriften van de omgevingsvergunning, waaronder de veiligheidsvoorschriften.
Toezicht op de naleving op de regelgeving op drukapparatuur wordt door de Nederlandse Arbeidsinspectie uitgevoerd (onderdeel van het Ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid). Bezuinigingen bij Inspecties of ministeries en mogelijke effecten daarvan vallen buiten het toetsingskader voor deze vergunning.
Wij verklaren deze zienswijze ongegrond.
Voor de voorbereiding van deze omgevingsvergunning hebben wij de wettelijk voorgeschreven procedure gevolgd. Dit is de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure zoals beschreven in § 3.3 van de Wabo. Dat betekent onder andere dat van het ontwerp van de vergunning kennis is gegeven in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en het Provinciaal blad van Fryslân (via https://www.officielebekendmakingen.nl).
De ontwerpvergunning heeft, tezamen met de aanvraag en alle overige bijbehorende stukken, ter inzage gelegen in het provinsjehûs, bij de FUMO en het gemeentehuis van Harlingen. Hierbij is iedereen in de gelegenheid gesteld om kennis te nemen van de ontwerpvergunning en zienswijzen daarop in te dienen
De gemeente Harlingen is om advies gevraagd. Dit advies wordt behandeld in paragraaf 1.12 van deze vergunning. Van de gemeente Harlingen hebben wij advies ontvangen om extra aandacht te besteden aan de planologische inpasbaarheid van het bedrijf. In dat kader hebben wij SFP om een nadere onderbouwing gevraagd. Op 14 december 2021 hebben wij daarop een reactie van de gemeente Harlingen ontvangen waarin wordt aangegeven dat de activiteiten van SFP (gebruik) passen binnen het geldende bestemmingsplan.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat in het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen (onderdeel tweede fase) nog wel sprake is van een afwijking van het bestemmingsplan met betrekking tot de afstand tussen een gebouw en de perceelsgrens en de bouwhoogte. Deze afwijkingen van het bestemmingsplan worden in het kader van de tweede fase omgevingsvergunning beoordeeld.
Het handelen van de gemeenteraad en/of de wethouders van de gemeente Harlingen in relatie tot de komst van de aangevraagde inrichting valt buiten deze vergunningprocedure.
Ook de definitieve vergunning is bekend gemaakt en ter inzage gelegd e.d. op de manier die de wet voorschrijft.
Wij verklaren deze zienswijzen ongegrond.
1.11. Wijzigingen ten opzichte van de ontwerpvergunning
Ten opzichte van de ontwerpvergunning zijn de volgende wijzigingen aangebracht:
Voorschrift 5.8.1 is aangepast, omdat er maximaal 100 verladingen van Bio-LNG per jaar werden vermeld in plaats van de maximale hoeveelheid LNG die jaarlijks wordt verladen. Ook is het voorschrift aangevuld met een registratieverplichting
Voorschrift 8.3.7 is gewijzigd omdat onder e stond dat de minimale en maximale verwerkingscapaciteit van dierlijke meststoffen in de kwaliteitsverklaring moesten zijn opgenomen, terwijl er geen dierlijke meststoffen binnen de inrichting mogen worden geaccepteerd of vergist.
Voorschriften 5.8.12, 5.9.3 en 5.9.10 zijn aangepast met de aanvulling dat de beproeving van de laadslang, het inspecteren, onderhouden en testen van het gasdetectiesysteem en van het vlamdetectiesysteem door een onafhankelijke deskundige moeten worden uitgevoerd.
Voorschrift 5.8.13 is aangepast met een aanvulling dat de visuele inspectie van de laadslang door of namens de exploitant van de LNG-tankauto of de beheerder van de LNG-installatie kan worden uitgevoerd.
Voorschrift 5.12.12 is aangepast. Er stond aangegeven dat het noodplan in elk geval om de drie jaar moet wordt beoordeeld en beproefd en zo nodig bijgewerkt en wij van mening zijn dat het jaarlijks nodig is om het noodplan te beoordelen, te testen en eventueel aan te passen. Dit in het belang van het beperken en beheersen van calamiteiten en ongevallen en de bescherming van de leefomgeving.
Ook is paragraaf 2.1 Afvalscheiding van de ontwerpvergunning komen te vervallen omdat afvalscheiding reeds is geregeld in artikel 2.12 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit artikel is ook van toepassing op een inrichting type C (vergunningplichtige inrichting). Omdat afvalscheiding in het Activiteitenbesluit is geregeld, mogen wij daarover geen voorschriften in deze vergunning opnemen.
In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden:
Op 18 december 2020 hebben wij advies van de gemeente Harlingen ontvangen waarin zij vraagt om de aanvrager te laten onderbouwen dat het om een zeehavengebonden bedrijf gaat. Als de aanvrager dit niet voldoende kan onderbouwen, is er sprake van strijdigheid met het bestemmingsplan.
Op 7 oktober 2021 hebben wij een memo ontvangen waarin een onderbouwing van de zeehavengebondenheid wordt gegeven. Deze memo hebben wij aan de gemeente Harlingen gezonden.
Daarnaast wordt gevraagd om goed te kijken of er sprake is van een risicovol of risicodragend bedrijf zoals gedefinieerd in het geldende bestemmingsplan. In overleg met de gemeente Harlingen is RHO Adviseurs om advies gevraagd of er al dan niet sprake is van een risicodragend bedrijf. RHO Adviseurs is tot de conclusie gekomen dat er geen sprake is van een risicodragend bedrijf. Ook is er geen sprake van een risicovol bedrijf.
Op 22 februari 2021 hebben wij advies van Wetterskip Fryslân ontvangen over de volledigheid van de aanvraag, waarin wordt geadviseerd om de aanvraag met de onderstaande gegevens aan te laten vullen:
Dit advies hebben wij overgenomen in ons verzoek om de aanvraag aan te vullen. De aanvraag is met genoemde punten aangevuld.
Vervolgens hebben wij op 25 oktober 2021 advies ontvangen over de op te nemen voorschriften over afvalwaterlozingen op de riolering (indirecte lozing). Dit advies hebben wij in onze vergunning verwerkt.
Vanwege de productie van biogas, het opwerken van biogas tot aardgaskwaliteit en de opslag van LNG, hebben wij tevens de Veiligheidsregio Fryslân om advies gevraagd. Naar aanleiding van de aanvraag en de ingediende aanvullingen, hebben wij op de onderstaande data advies ontvangen:
Geadviseerd (samengevat) wordt om:
Naar aanleiding van dit advies merken wij het volgende op:
De aangevraagde activiteiten passen binnen het geldende bestemmingsplan. Daarnaast vallen de aangevraagde activiteiten niet onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) of Besluit risico zware inrichtingen (BRZO 2015). Binnen deze vergunningprocedure is het daarom niet mogelijk om de risicocontour in het bestemmingsplan op te nemen. Op grond van het Registratiebesluit externe veiligheid moeten de gegevens wel worden vermeld in het Risicoregister (provinciale risicokaart). Daarmee kan iedereen kennisnemen van de aanwezige risico’s van de aangevraagde activiteiten.
Communicatie met de naastgelegen objecten en het meegeven van een handelingsperspectief valt buiten de reikwijdte van deze vergunningprocedure. In het kader van deze vergunningprocedure heeft er wel overleg plaatsgevonden tussen de aanvrager en omliggende bedrijven. Ook wordt van het (ontwerp)besluit kennisgegeven waardoor iedereen kennis kan nemen van de aangevraagde activiteiten en de maatregelen en voorzieningen die moeten worden getroffen om de risico’s zoveel mogelijk te beperken.
Wij hebben Wetterskip Fryslân om advies gevraagd over mogelijke overdrukeffecten op de waterkering. Wetterskip Fryslân heeft aangegeven dat de aangevraagde activiteiten binnen de kernzone, buitenbeschermingszone en ruimtelijke reserveringszone zijn gelegen en dat binnen die zones geen werkzaamheden uitgevoerd mogen worden zonder watervergunning. In het kader van de watervergunning vindt een risicoanalyse in het kader van de dijkveiligheid plaats. Deze watervergunning wordt gelijktijdig aangevraagd met de aanvraag tweede fase omgevingsvergunning.
In de risicoanalyse BioLNG-installatie Harlingen (Adviesgroep AVIV BV, project 214547, versie 1.4, 8 december 2021) is een trefkans berekening uitgevoerd die is gebaseerd op het Handboek risicozonering Windturbines, 3e geactualiseerde versie mei 2013 en herziene versie 3.1 september 2014.
De gegevens die daarvoor zijn gebruikt, zijn gebaseerd op het rapport Trefkansenanalyse windturbines BIO-LNG Port of Harlingen, Pondera consult, rapportnummer 720107, 10 september 2020.
Wij zijn van mening dat de gebruikte gegevens voldoende zijn om een goede risicobeoordeling uit te voeren.
Ten aanzien van de opslag van gevaarlijke stoffen en cryogene stoffen hebben wij voorschriften aan de vergunning verbonden waarin is opgenomen dat moet worden voldaan aan de meest recente PGS-richtlijnen. Daarin zijn o.a. voorwaarden opgenomen over brandoverslag.
Aan de omgevingsvergunning kunnen geen voorschriften worden verbonden die betrekking hebben op de veiligheid van werknemers. Op de veiligheid van werknemers is de Arbowet van toepassing.
In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning tweede fase zal overleg met Brandweer Fryslân en het bedrijf plaatsvinden over de bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid van het bedrijf.
De aanvraag heeft betrekking op het oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e van de Wabo.
2.2. Toetsing oprichten, veranderen en/of revisie
Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij conform artikel 2.14, eerste lid, onder a, b en c van de Wabo:
In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn.
In het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) zijn voor een groot aantal activiteiten, die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen.
De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, is aangemerkt als een inrichting waarvoor vergunningplicht (type C-inrichting) geldt.
Binnen het bedrijf vinden de volgende activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit:
Er moet worden voldaan aan de volgende paragrafen uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling, voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten:
Voor het overige is per hoofdstuk of afdeling aangegeven of deze op een type C inrichting van toepassing is. Dit betekent dat ook hoofdstuk 1, afdeling 2.1 tot en met 2.4, 2.10 en 2.11 van hoofdstuk 2 en de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing kunnen zijn. Van belang voor deze vergunning is, of de inrichting ook voor de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen voldoet aan de best beschikbare technieken. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.
2.3.1. Melding Activiteitenbesluit
Gelet op artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit moet de oprichting van de inrichting worden gemeld. De aanvraag wordt ten aanzien van de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen aangemerkt als melding.
De voorschriften voor het onderdeel milieu die in deze vergunning zijn opgenomen, betreffen aspecten en activiteiten die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling.
3. Beste beschikbare technieken
In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunningvoorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.
Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie. BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 5 en 7 van de Richtlijn industriële emissies (Rie).
Het verschil tussen artikel 13, lid 5 en lid 7 van de Rie is:
BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13, lid 7 is het hoofdstuk Best available techniques (BAT) uit de BREF's. De Europese commissie heeft deze BREF's vastgesteld vóór 6 januari 2011. Dit hoofdstuk geldt als BBT-conclusies totdat de Europese Commissie voor die activiteit nieuwe BBT-conclusies vaststelt.
3.1. Concrete bepaling beste beschikbare technieken
Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage 1 van de Rie uitgevoerd en wel de volgende:
Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies. Op grond van artikel 9.2 van de Mor moet voor het bepalen van BBT binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT.
Uit jurisprudentie met betrekking tot het bepalen van BBT bij het toetsen aan BBT-conclusies bij vergunningverlening, is gebleken dat het bevoegd gezag de actualiteit van BBT-conclusies moet nagaan ten aanzien van de ontwikkelingen van BBT die sinds het vaststellen van de BBT-conclusies hebben plaatsgevonden. Bronnen voor ontwikkelingen ten aanzien van BBT zijn onder andere de concepten van herziene BREF’s.
Bij het bepalen van de BBT hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies:
Bij het bepalen van de BBT hebben wij verder rekening gehouden met de volgende informatiedocumenten over BBT:
Bovenstaande PGS-documenten betreffen zogenaamde PGS Nieuwe Stijl Richtlijnen (PGS-NS Richtlijnen). Deze PGS-NS richtlijnen zijn in de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) nog niet aangewezen als BBT-document. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen de PGS-NS-richtlijnen voor het omgevingsveiligheidsdomein hierin een juridische verankering krijgen.
In de PGS-NS richtlijnen is de actuele stand van de techniek voor (externe) veiligheid opgenomen. De PGS-NS richtlijnen bieden ten aanzien van (externe) veiligheid daarmee minimaal een gelijkwaardig beschermingsniveau als de in de Mor aangewezen PGS-richtlijnen.
Punt van aandacht daarbij is de borging van de “bodem-maatregelen”. In de PGS-NS richtlijnen zijn geen voorschriften meer opgenomen over bodembescherming. Omdat binnen de inrichting een IPPC-installatie aanwezig is, zijn voor bodembescherming de regels uit het Activiteitenbesluit van toepassing (straks Besluit activiteiten leefomgeving). De bescherming van de bodem is daarmee geborgd.
3.2. BBT-conclusies Afvalbehandeling
Op 17 augustus 2018 zijn BBT-conclusies Afvalbehandeling gepubliceerd.
Bij het bepalen van BBT, specifiek voor de acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen, hebben wij rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies voor afvalbehandeling:
Bovenstaande BBT-conclusies hebben wij verwerkt in de voorschriften van deze vergunning.
3.3. BREF op- en overslag bulkgoederen (BREF ESB)
De BREF op- en overslag bulkgoederen (BREF ESB) is van toepassing op de opslag, het transport en de verlading van vloeistoffen, vloeibare gassen en vaste stoffen bij IPPC-installaties, onafhankelijk van de sector of industrie. De BREF gaat in op de emissies naar de lucht, bodem en water, waarbij de meeste aandacht uitgaat naar de emissies naar de lucht. De informatie met betrekking tot emissies van de opslag, handling en transport van vaste stoffen is gericht op stof.
Om de diffuse emissie van stof naar de lucht afkomstig van opslag en verlading van vaste stoffen bij IPPC-installaties te voorkomen, hebben wij voorschriften aan deze vergunning verbonden.
Gezien de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 16 maart 2016 (ECLI:NL:RVS: 2016:722), vindt in de (na)vergistingstanks geen opslag plaats in de zin van het BREF ESB en is de BREF ESB hierop daarom niet van toepassing is. Ook volgt uit die uitspraak dat de eisen uit 5.1.3.3. van deze BREF, eisen zijn voor de opslag van uitsluitend brandbare vloeistoffen of vloeistoffen die een significante verontreiniging van de bodem of een watergang kunnen veroorzaken. Rekening houdend met deze uitspraak, overwegen wij ten aanzien van deze onderdelen het volgende:
Ingevolge de voorschriften bij deze vergunning dient het ontwerp van de opslag(tanks) voor vloeibare biomassa (grondstoffen) en digestaat te voldoen aan BRL2342, dient een regelmatige inspectie plaats te vinden en dient de opslag te zijn afgedekt. Voor zover van toepassing zijn op grond van de norm BRL2342 ook voorzieningen vereist voor corrosiebescherming, lekdetectie en overvulbeveiliging. Deze voorschriften worden beschouwd als de meest recente milieutechnische inzichten. Voor zover leidingen aanleiding geven tot risico’s voor de bodem, zijn daarop de bepalingen van afdeling 2.4 van het Activiteitenbesluit van toepassing.
De opslag en overslag van inerte goederen valt onder de werkingssfeer van paragraaf 3.4.3 van het Activiteitenbesluit. Daarom kunnen hierover geen voorschriften in deze vergunning worden opgenomen.
De BREF Energie-efficiency is van toepassing is op alle RIE-inrichtingen, behalve degene die vallen onder het systeem van Emissiehandel. Deze BREF bevat derhalve richtsnoeren en conclusies inzake technieken voor energie-efficiëntie die voor alle onder de IPPC-richtlijn vallende installaties in het algemeen als BAT-compatibel worden beschouwd. Deze BREF bevat geen specifieke informatie over processen en activiteiten in sectoren die onder andere BREF-documenten vallen en stelt geen sectorspecifieke BBT vast.
Processpecifieke BAT voor energie-efficiëntie en daarmee samenhangende energieverbruiksniveaus worden in de desbetreffende verticale sectorspecifieke BREF-documenten gegeven (bijvoorbeeld BBT-conclusies nr. 11 en 23 Afvalbehandeling). Hieruit volgt dat de in deze vergunning opgenomen voorschriften in overeenstemming zijn met de BREF Energie-efficiëntie.
Het Activiteitenbesluit is gebaseerd op de Wet milieubeheer, waarin BBT als uitgangspunt geldt. De Nederlandse informatiedocumenten over BBT zijn opgenomen in de bijlage van de Regeling omgevingsrecht. Wanneer er een wijziging plaatsvindt van deze bijlage, past de wetgever het Activiteitenbesluit en Activiteitenregeling daarop aan als dat nodig is.
De voorschriften uit het Activiteitenbesluit en Activiteitenregeling voldoen daarmee aan BBT.
Preventie van afval is een van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In deel B2 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP, is het beleid uitgewerkt voor afvalpreventie. In Nederland is een separaat afvalpreventieprogramma vastgesteld. De uitwerking van preventie-activiteiten vindt voornamelijk plaats via het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) en is inmiddels voortgezet in de vorm van het Rijks brede programma Circulaire Economie.
Op grond van artikel 5.4 (vaststelling van de beste beschikbare technieken) en artikel 5.7 van het Bor kan het bevoegd gezag voorschriften in omgevingsvergunningen opnemen om invulling te geven aan dit aspect.
In alle bedrijfsprocessen kunnen mogelijkheden bestaan om het ontstaan van afvalstoffen en het
- directe of indirecte - gebruik van grondstoffen terug te dringen of de bestaande grondstoffen te vervangen door duurzame alternatieven. Zowel het beperken van de hoeveelheid afvalstoffen als het terugdringen van de hoeveelheid grondstoffen levert direct een financiële besparing op.
Uitgangspunt voor alle bedrijven is dat het ontstaan van afval moet worden voorkomen of beperkt.
Binnen de inrichting ontstaan de volgende afvalstoffen:
Gezien de hoeveelheid afvalstoffen die binnen de inrichting ontstaan, concluderen wij dat preventie niet relevant is. Wij hebben daarom in deze vergunning verder geen aandacht besteed aan de preventie van afvalstoffen.
In artikel 2.12 van het Activiteitenbesluit zijn regels opgenomen over het scheiden van afvalstoffen. Daarin is onder andere bepaald dat het mengen van afvalstoffen die binnen de inrichting zijn ontstaan en geen gevaarlijke afvalstoffen zijn, gescheiden moeten worden opgeslagen en afgegeven indien dit op grond van LAP3 kan worden gevergd.
In deel B3 van LAP3 is het beleid uitgewerkt voor afvalscheiding, waarbij paragraaf B.3.4 specifiek ingaat op afvalscheiding door bedrijven. Voor bedrijfsafval is het niet goed mogelijk een limitatieve opsomming te maken van afvalstoffen die door alle bedrijven gescheiden moet worden gehouden. Bedrijven verschillen van aard en omvang veel van elkaar en er bestaat een groot aantal bedrijfsspecifieke afvalstoffen. Uitgangspunt is dat bedrijven verplicht zijn alle afvalstoffen gescheiden te houden en gescheiden af te geven, tenzij dat redelijkerwijs niet van hen kan worden gevergd.
In paragraaf B.3.4.2 van LAP3 is aangegeven welke afvalstoffen altijd gescheiden van elkaar moeten worden opgeslagen en afgevoerd (tabel 7) en in welke situaties het redelijk is om afvalscheiding te verlangen (tabel 8). Bij tabel 8 kunnen uitzonderingen gelden voor kleine hoeveelheden of kleine ruimten.
Daarnaast zijn in deel F bijlage 5 van het LAP3 verschillende categorieën van gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen vastgelegd welke niet met elkaar, met andere afvalstoffen of met niet afvalstoffen mogen worden gemengd. Deze categorieën moeten dus gescheiden gehouden worden. Voor de overwegingen met betrekking tot het gescheiden houden/niet mengen van deze categorieën van afvalstoffen wordt verwezen naar de paragraaf ‘mengen’.
Omdat artikel 2.12 van het Activiteitenbesluit ook van toepassing is op inrichtingen type C hebben wij geen voorschriften over afvalscheiding aan de vergunning verbonden.
4.2. Opslaan van afvalstoffen op de plaats van productie
Als gevolg van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen wordt de opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering gezien als storten, indien de tijdsduur van 1 jaar wordt overschreden. Indien de opslag voorafgaat aan nuttige toepassing van de afvalstoffen is deze termijn 3 jaar. In de vergunning is vastgelegd dat de termijn van opslag voorafgaand aan verwijdering maximaal 1 jaar is en de termijn van opslag voorafgaand aan nuttige toepassing maximaal 3 jaar is.
4.3. Mengen van afvalstoffen ontstaan binnen de inrichting
Voor het mengen van afvalstoffen ontstaan binnen de inrichting zijn de algemene regels uit het Activiteitenbesluit en daarbij behorende regeling van toepassing. Afwijken van de in het Activiteitenbesluit opgenomen mengverboden kan alleen worden toegestaan voor het mengen van niet-gevaarlijke afvalstoffen, indien het gescheiden houden en gescheiden afgeven redelijkerwijs niet gevergd kan worden. Het beleid zoals opgenomen in de delen B3 (afvalscheiding) en B7 (mengen) van LAP is hiervoor als toetsingskader gebruikt.
De aanvraag heeft geen betrekking op het mengen van afvalstoffen die binnen de inrichting zijn ontstaan.
4.4. Acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen
Het beleid met betrekking tot afvalverwerking is gericht op het doelmatig beheer van afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wm. In dat kader houden wij rekening met het geldende afvalbeheerplan (het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP3) waaronder begrepen deel E (minimumstandaard per specifieke afvalstroom). De doelstellingen van het LAP geven invulling aan de prioriteitsvolgorde in de afvalhiërarchie zoals die in artikel 10.4 van de Wm is opgenomen:
Dit beleidskader is voor de verschillende afvalstromen verder uitgewerkt in de sectorplannen (deel E van LAP3). Daarin is voor de verschillende afvalstromen de minimumstandaard voor verwerking van de afvalstroom aangegeven. De minimumstandaard geeft de minimale hoogwaardigheid aan van de verwerking van een bepaalde afvalstof of categorie van afvalstoffen. Deze minimumstandaard is bedoeld te voorkomen dat afvalstoffen laagwaardiger worden verwerkt dan wenselijk is.
Toetsing van de aangevraagde afvalactiviteiten
Het geproduceerde biogas wordt opgewerkt zodat het geschikt is om als brandstof ingevoerd te kunnen worden in het aardgasnet of als brandstof voor bijvoorbeeld vaartuigen en motorvoertuigen te kunnen worden gebruikt.
Binnen de inrichting worden uitsluitend plantaardige grondstoffen (geen mest) vergist die staan genoemd in bijlage Aa, onderdeel IV, categorie A tot en met G1 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Wanneer alleen deze stoffen worden vergist en de stoffen uit categorie G de maximale waarde voor zware metalen en microverontreinigingen niet overschrijden, mag het vrijkomende digestaat als overige meststof worden gebruikt en verhandeld.
Het vrijkomende digestaat wordt afgevoerd als overige meststof of verder bewerkt tot overige organische meststoffen (recycling van het digestaat).
Gelet op het verwerkingsproces en dat het vrijkomende digestaat als overige organische meststof onder de meststoffenwetgeving mag worden toegepast, is geen verdere toetsing aan de minimumstandaard van de sectorplannen van Deel E van LAP 3 nodig.
Aan de doelstelling van LAP3 wordt voldaan.
Om te borgen dat de verwerking van digestaat voldoet aan de meststoffenwetgeving, zijn in deze vergunning daartoe voorschriften opgenomen.
Om de risico’s van het verwerkingsproces te beheersen, moet een bedrijf dat zich met afvalbeheer bezighoudt beschrijven welke afvalstoffen worden geaccepteerd en waar nodig, welke afvalstoffen juist niet worden geaccepteerd (acceptatiebeleid) en welke afvalstoffen op welke manier binnen het bedrijf worden verwerkt (verwerkingsbeleid). Daarnaast moeten door technische, administratieve en organisatorische maatregelen de relevante processen binnen een bedrijf beheerst worden. Op deze wijze worden de milieuhygiënische en informatietechnische risico’s binnen de bedrijfsvoering geminimaliseerd. De omvang en de inhoud van de AO/IC is afhankelijk van de aard van de risico’s van het betreffende bedrijfsproces. De onderdelen die minimaal in het A&V-beleid en AO/IC moeten zijn beschreven, zijn vastgelegd in het LAP.
De minimale elementen voor het A&V-beleid en AO/IC vormen een kader en bevatten criteria op hoofdlijnen, waaraan de aanvraag inhoudelijk wordt getoetst.
Bedrijven moeten in het A&V-beleid ook uitwerken of en zo ja, welke afvalstoffen geaccepteerd worden die zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) kunnen bevatten. In het A&V-beleid moet worden uitgewerkt op welke wijze wordt beoordeeld of ZZS kunnen voorkomen in de afvalstoffen die geaccepteerd worden. Indien ZZS kunnen voorkomen, moet beschreven worden hoe de betreffende afvalstoffen worden verwerkt en hoe gewaarborgd is dat onaanvaardbare risico’s voor blootstelling van mens en milieu veroorzaakt door ZZS, worden voorkomen.
In bijlage 3 van het bij de aanvraag gevoegde A&V-beleid is omschreven hoe door SFP wordt gecontroleerd op de mogelijke aanwezigheid van ZZS en is een inventarisatie opgenomen van de mogelijke aanwezigheid van (potentiële) ZZS in de te accepteren afvalstoffen.
Hiervoor is het in opdracht van Rijkswaterstaat Water, Verkeer en Leefomgeving opgestelde onderzoek “ZZS in afvalstoffen” (versie 18-12-2019) van SGS Intron gebruikt.
In het bij de aanvraag gevoegde A&V-beleid is omschreven op welke wijze wordt gecontroleerd of de stoffen uit categorie G1 van onderdeel IV van Bijlage Aa van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet voldoen aan de maximale waarden voor zware metalen en microverontreinigingen.
De maximale waarden voor deze stoffen zijn opgenomen in bijlage II van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. Wanneer de maximale waarden voor zware metalen en microverontreinigingen worden overschreden, mag het vrijkomende digestaat niet als overige organische meststof worden toegepast. Ook is aangegeven dat de stoffen uit categorie A tot en met G1 worden bemonsterd en geanalyseerd op Droge Stof, Organische Stof, Bemestende Waarde en Zwavel.
Bij de aanvraag is een beschrijving van het A&V-beleid en de AO/IC gevoegd. Daarin is aangegeven op welke wijze acceptatie en verwerking plaats zullen vinden. Hierbij is rekening gehouden met de specifieke bedrijfssituatie. Op basis van het gestelde in de aanvraag kunnen wij met dit A&V-beleid en de AO/IC instemmen behoudens:
Op bovenstaande punten moet het AV-beleid worden aangepast. Daartoe hebben wij aan deze vergunning voorschriften verbonden.
Wijzigingen in het A&V-beleid en/of de AO/IC
Wijzigingen in het A&V-beleid en/of de AO/IC moeten schriftelijk aan ons worden voorgelegd. Als bevoegd gezag zullen wij vervolgens bezien welke procedure in relatie tot de aard van de wijziging is vereist.
De aanvrager verkrijgt met deze vergunning de mogelijkheid om afvalstoffen van buiten de inrichting te ontvangen. Op grond van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen moet de inrichting de ontvangst van afvalstoffen melden. Voor een effectieve handhaving van het afvalbeheer is het van belang om naast de meldingsverplichtingen tevens registratieverplichtingen op te nemen (art. 5.8 van het Bor). In deze vergunning zijn dan ook voorschriften voor de registratie van o.a. de aangevoerde, de afgevoerde en de geweigerde (afval-)stoffen opgenomen.
Gelet op het bovenstaande zijn wij van mening dat de aangevraagde activiteiten in overeenstemming zijn met het geldende afvalbeheerplan en daarmee bijdragen aan een doelmatig beheer van afvalstoffen.
5.1. Afvalwaterstromen en zuiveringstechnische voorzieningen
Sustainable Fuel Production BV is voornemens in de haven van Harlingen een Bio-LNG installatie te bouwen. Dit biogas ontstaat bij het fermenteren van plantaardige biomassa, die hoofdzakelijk bestaat uit restproducten uit de voedingsmiddelenindustrie en die geen gevaarlijke of zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) bevat.
Door het fermenteren van de biomassa ontstaat naast gas ook een digestaat-stroom die door een mechanische scheiding wordt verdeeld in een dikke en een dunne fractie. De dikke fractie wordt vervolgens opgewerkt tot minerale korrels en de dunne fractie wordt behandeld in een afvalwaterzuivering. Deze zuivering bestaat uit een aantal units zoals een flotatie-unit, een membraanbioreactor (MBR) en een microfilter. Het afvalwater (reststaat) van deze zuivering wordt als effluentzuivering via de gemeentelijke riolering op de rwzi geloosd. Het concentraat uit de zuivering kan in principe gebruikt worden als meststof, maar wordt indien nodig ontwaterd waarbij het vrijkomende water aan het effluent zuivering wordt toegevoegd.
Bij de aangevraagde activiteiten ontstaan de volgende afvalwaterstromen die via de gemeentelijke riolering naar de rwzi worden afgevoerd en vervolgens op het Van Harinxmakanaal worden geloosd:
In de zuivering wordt de dunne fractie die afkomstig is van de mechanische scheider, behandeld in een flotatietank en een zeefbocht, waarbij de vaste delen uit het afvalwater worden verwijderd. De gezuiverde dunne fractie bevat na deze stap alleen nog opgeloste mineralen zoals stikstof en kali, die als meststof gaan dienen. Om het volume van de dunne fractie verder te verlagen, wordt deze door een membraanbioreactor (MBR) geleid en door een microfilter. Alternatief is dat het concentraat aan de dikke fractie wordt toegevoegd, om zodoende de mineralenbalans in de korrels te kunnen afstemmen op de behoefte van de klant. Het concentraat uit de microfiltratie is in principe geschikt als overige organische meststof. De stikstof is namelijk geheel opgelost en daardoor net zo snel werkzaam als kunstmeststikstof.
Het na de microfiltratie ontstane permeaat wordt vervolgens na bemonstering en controle geloosd op de gemeentelijke riolering en heeft naar verwachting de volgende samenstelling:
Het verwijderingsrendement van de toegepaste zuivering is minimaal 97%. Het effluent zuivering zal worden geloosd met een debiet van gemiddeld 20 m3 en maximaal 25 m3 per uur.
Het effluent zuivering bevat een relatief hoog CZV-gehalte, hetgeen wordt veroorzaakt door natuurlijke en slecht biologisch afbreekbare humuszuren. In de fermenteringsinstallatie worden namelijk producten gefermenteerd met hoofdzakelijk een hoge CZV-waarde.
Uit studie en ervaring is gebleken dat humuszuren deels bestaan uit stikstof en dat bij de lozing van humuszuren deze stikstof wordt gemeten als Kj-N. Dit deel van het organische stikstof is niet beschikbaar voor afbraak in de biologische waterzuivering. Het aandeel stikstof in humuszuren kan in grote mate gerelateerd worden aan de hoeveelheid CZV die gemeten wordt.
Het verwijderen van fosfaat vindt plaats m.b.v. FeCl3, dat als beste beschikbare techniek wordt gezien. Door de toepassing van een MBR-installatie zullen er geen e-coli’s en enterovirussen en dergelijke aanwezig zijn in het effluent. Ook eventuele bestrijdingsmiddelen worden grotendeels danwel volledig tegengehouden.
SFP heeft verzocht om de vorengenoemde verwachte samenstelling van het effluent zuivering over te nemen in het lozingsvoorschrift van de vergunning.
Om het biogas uit de fermenters te reinigen, wordt een scrubber toegepast met als scrubbervloeistof water. Bij het met water scrubben en koelen van het gas komt condens vrij dat geen verontreinigingen bevat en dat met een debiet van circa 2,5 m3 per dag rechtstreeks op het gemeentelijk riool wordt geloosd.
Het huishoudelijk afvalwater is afkomstig van de sanitaire voorzieningen in het bedrijf. Naar verwachting zal ongeveer 350 m3 op jaarbasis worden geloosd. Het huishoudelijk afvalwater wordt rechtstreeks op de gemeentelijke riolering geloosd.
Het beleid gericht op de bescherming van het water tegen verontreiniging vormt een onderdeel van het totale milieubeleid, zoals geformuleerd in diverse meerjarenprogramma’s milieubeheer en het Nationaal Milieubeleidsplan. Het beleid van de waterbeheerders is geformuleerd in het Nationaal Waterplan. Het nationale beleid is in het Waterbeheerplan 2016-2021 toegespitst op de Friese situatie.
Het algemene beleidskader is van toepassing op alle wateren en bestaat uit twee sporen:
waar nodig en mogelijk verdergaande maatregelen, met het oog op het bereiken van de gewenste waterkwaliteit (emissie-immissietoets). Dit houdt in dat wanneer de restlozing na toepassing van de BBT leidt tot ontoelaatbare effecten voor de lokale waterkwaliteit, het bevoegd gezag beziet of er aanvullende beperkingen of voorschriften aan de vergunning kunnen worden verbonden dan wel de vergunning moet worden geweigerd.
Het aanvullende beleidskader richt zich specifiek op de waterlichamen in de zin van de Kaderrichtlijn Water en beoogt onder meer het waarborgen van “geen achteruitgang” voor de toestand van de waterlichamen. Dit kan zo nodig inhouden dat lozingen worden verplaatst naar minder kwetsbare waterlichamen en dat schadelijke milieuvreemde stoffen worden vervangen door andere stoffen met een vergelijkbare werking en minder schade aan het watermilieu.
Richtlijn Industriële Emissies
De Richtlijn Industriële Emissies is per 1 januari 2013 geïmplementeerd in de Nederlandse wet- en regelgeving. Deze richtlijn omvat een integratie van de IPPC-richtlijn, die van toepassing is op installaties die in hoge mate als milieubelastend worden beschouwd (de gpbv-installaties). Met deze richtlijn wordt een vergunningenregime beoogd voor onder andere emissies naar water uit grote industriële installaties, waarbij rekening wordt gehouden met vermindering van afval en energieverbruik (integrale afweging). Een belangrijk element is dat emissiegrenswaarden gebaseerd dienen te zijn op de in de richtlijn gedefinieerde BBT. De BBT is beschreven in referentiedocumenten oftewel BREF’s. In de ministeriële regeling (de Mor) is aangegeven met welke BBT-conclusies en informatiedocumenten over BBT bij de besluitvorming rekening moet worden gehouden.
Doelmatige werking rioolwaterzuiveringsinstallaties
Ter bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen (waterkwaliteit) is het van groot belang dat een rioolwaterzuiveringsinstallatie doelmatig werkt. Om deze doelmatige werking te beschermen, heeft Wetterskip Fryslân de beleidsnotitie “Doelmatige werking van zuiveringstechnische werken en grote lozers” opgesteld. Deze notitie geeft inzicht in de uitgangspunten die Wetterskip Fryslân hanteert bij het beoordelen van afvalwaterlozingen en het opstellen van vergunningen. Deze uitgangspunten hebben vooral betrekking op de verhoudingen BZV/N, P/v.e. en v.e./m3.
In het Activiteitenbesluit zijn voor verschillende activiteiten die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden algemene voorschriften opgenomen. Met het Activiteitenbesluit wordt de vergunningplicht op grond van de Wet milieubeheer voor deze activiteiten opgeheven. Alleen de activiteiten van de aangewezen gpbv-installaties zoals genoemd in het Besluit omgevingsrecht (Bor) blijven vergunningplichtig. De voorschriften die in deze vergunning zijn opgenomen zijn die voorschriften die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de Ministeriële regeling.
Algemene Beoordelingsmethodiek (ABM)
Sinds augustus 2002 geldt voor de beoordeling van stoffen en mengsels de "Algemene Beoordelings Methodiek" (ABM). In maart 2016 is de ABM geactualiseerd waarbij de aanpak van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) is geïntegreerd. De methodiek stelt bedrijven en waterkwaliteitsbeheerders in staat om op een eenduidige wijze de waterbezwaarlijkheid van stoffen en mengsels te benoemen.
Daarnaast volgt uit de methodiek welke saneringsinspanning voorde betreffende stof of het mengsel moet worden getroffen. Daartoe zijn vier saneringsinspanningen te onderscheiden, namelijk:
saneringsinspanning B: saneren door toepassing van de best uitvoerbare technieken. Dit zijn die technieken waarmee, rekening houdend met economische aspecten, d.w.z. uit kostenoogpunt aanvaardbaar te achten voor een normaal renderend bedrijf, de grootste reductie in de verontreiniging wordt verkregen;
saneringsinspanning C: saneren door toepassing van de waterkwaliteitsaanpak. Deze aanpak is van toepassing op relatief onschadelijke verontreinigingen; de maatregelen die in het kader van deze aanpak moeten worden getroffen, zijn primair afhankelijk van de waterkwaliteitsdoelstellingen van het ontvangende oppervlaktewater;
De algemene beoordelingssystematiek is toepasbaar voor alle stoffen en mengsels, ongeacht de bedrijfstak waar zij worden ingezet. Voor deze methodiek geldt dat de verantwoordelijkheid voor het aanleveren van de milieu-informatie van stoffen aan het bevoegd gezag bij de aanvrager/vergunninghouder ligt. Indien de vereiste gegevens ontbreken wordt een worst case- benadering gehanteerd.
Binnen de inrichting is er sprake van een lozing waarvoor de Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer van toepassing is. In het kader van deze regeling moeten voorschriften opgenomen worden die gericht zijn op de bescherming van het openbaar riool, een zuiveringtechnisch werk of de bij een zodanig openbaar riool of zuiveringtechnisch werk behorende apparatuur. Verder moeten voorschriften opgenomen worden, die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de kwaliteit van het rioolslib er niet door wordt aangetast zodat de verwerking van dit slib niet wordt belemmerd. Daarnaast dienen voorschriften te worden opgenomen die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt. De genoemde voorschriften zijn in deze vergunning opgenomen.
Op lozingen vanuit de volgende activiteiten is de “Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer” van toepassing:
Uit de aanvraag blijkt verder dat het effluent zuivering zich kenmerkt als een dunne afvalwaterstroom met een geringe vuillast. Wel bevat het effluent een relatief hoog CZV-gehalte, hetgeen wordt veroorzaakt door natuurlijke en slecht afbreekbare humuszuren. Deze humuszuren zijn tevens verantwoordelijk voor een aanzienlijke emissie van stikstof die in hoge mate uit Kj-N bestaat. Omdat dit deel van de organische stikstof niet beschikbaar is voor afbraak in een biologische waterzuivering, heeft dit een negatief effect op de N-emissie van de rwzi. Gelet echter op het aandeel van de lozing in relatie tot de totale hoeveelheid afvalwater die de rwzi onder normale omstandigheden verwerkt, verwachten wij niet dat dit tot onaanvaardbare problemen zal leiden in de stikstofverwijdering van de communale zuivering.
Omdat de humuszuren natuurlijke stoffen zijn die nauwelijks afbreken en niet schadelijk zijn voor het aquatisch milieu, en omdat het effluent zuivering niet doelmatig op de rwzi kan worden behandeld, is een lozing rechtstreeks op oppervlaktewater een beter alternatief. Om deze reden en omdat er op het moment van indiening van de aanvraag nog een bepaalde mate van onzekerheid bestond over de samenstelling van het te lozen afvalwater na het opstarten van de installatie, heeft SFP besloten een tijdelijke vergunning aan te vragen voor lozing op de rwzi.
Volgens de aanvraag zal de bouwtijd van de waterzuivering ongeveer 3 jaar bedragen. Dit betekent dat de lozing van het effluent zuivering op de gemeentelijke riolering niet eerder zal plaatsvinden dan na 3 jaar van het in werking treden van de onderhavige vergunning. De twee daaropvolgende jaren zullen worden gebruikt voor proefneming en finetuning, teneinde een stabiele afvalwaterlozing te creëren die voldoet aan de criteria voor lozing op oppervlaktewater. De duur waarvoor de vergunning wordt verleend is dus 5 jaar.
Vanwege het dunne karakter en het relatief hoge stikstofgehalte, voldoet het effluent zuivering niet aan de uitgangspunten van de beleidsnotitie “Doelmatige werking van zuiveringstechnische werken en grote lozers”. Uitsluitend de lozing van fosfaat voldoet aan het gestelde uitgangspunt. Dit betekent dat het effluent zuivering niet op een doelmatige wijze behandeld kan worden in de rwzi. Maar gelet op de capaciteit van de rwzi verwachten wij dat het nadelige effect van de lozing op het zuiveringsproces beperkt zal blijven. Wij zijn dan ook van mening dat de aangevraagde lozing voor tijdelijke duur kan worden toegestaan.
b en c. Condenswater en huishoudelijk afvalwater
Deze afvalwaterstromen worden rechtstreeks op de gemeentelijke riolering geloosd en bevatten geen ongewenste verontreinigingen. In het Activiteitenbesluit worden aan deze afvalwaterstromen geen concrete voorschriften gesteld en de lozingen mogen in beginsel zonder beperkingen plaatsvinden. Wel moet op grond van de zorgplichtbepaling, artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit, worden voorkomen dat de doelmatige werking van de rwzi wordt belemmerd of onnodige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater zou veroorzaken.
Richtlijn Industriële Emissies (RIE)
Een belangrijk onderdeel van de RIE is het voldoen aan de Best Beschikbare Technieken (BBT). Uit categorie 5.3b van bijlage 1 van de RIE blijkt dat de activiteiten bij SFP onder de in artikel 10 beschreven activiteiten valt en daarmee van toepassing is op het nuttig toepassen van ongevaarlijke afvalstoffen indien het om fermentering gaat van meer dan 100 ton per dag. De installatie binnen het bedrijf krijgt een capaciteit voor de verwerking van zo’n 825 ton per dag. De IPPC-richtlijn is dus van toepassing.
De BBT voor verschillende activiteiten zijn Europees vastgelegd in BREF documenten. In het kader van dit advies zijn de aangewezen BBT-documenten “water” van belang zoals aangewezen in de ministeriële Regeling aanwijzing BBT-documenten.
Bij het bepalen van BBT hebben wij rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies:
In de aanvraag voor een omgevingsvergunning heeft SFP aangegeven dat het bedrijf volledig BBT wordt uitgevoerd, conform de informatiedocumenten in bijlage 1 van de MOR “Aanwijzing BBT documenten”. Daarmee concluderen we dat de installatie die SFP gaat toepassen voldoet aan de richtlijnen van de RIE.
Algemene Beoordelingsmethodiek (ABM)
De ABM deelt voor alle bedrijfstakken op een transparante en eenduidige wijze de te lozen stoffen en mengsels in op grond van de eigenschappen. Daarbij geeft de methodiek aan in welke mate emissie-beperkende maatregelen bij het gebruik van een bepaalde stof wenselijk is. Uit de ABM volgt een aanduiding van de waterbezwaarlijkheid en een aanbeveling voor de saneringsinspanning.
Binnen de inrichting van SFP worden verschillende hulpstoffen toegepast die in het afvalwater terechtkomen. Op grond van de ABM-toets van deze stoffen is vastgesteld dat het hier uitsluitend om stoffen gaat die in de B- en C-categorie vallen. Er worden geen ZZS of A-stoffen gebruikt. Derhalve zijn wij van oordeel dat het gebruik van deze middelen akkoord is.
In de voorschriften is de verplichting opgenomen om nieuwe stoffen en mengsels te toetsen aan de algemene beoordelingsmethodiek.
Op grond van het voorgaande zijn wij van mening dat de getroffen maatregelen om de lozing te beperken voldoen aan de stand der techniek. De door de lozingen mogelijk te veroorzaken schade aan de doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie en verontreiniging van het oppervlaktewater kunnen in voldoende mate worden tegengegaan en voorkomen door het stellen van de hiernavolgende voorschriften. Vanuit het oogpunt van watersysteembeheer is er geen bezwaar tegen het verlenen van de gevraagde vergunning.
Proefnemingen effluent zuivering
Voor veel inrichtingen is het zoeken naar verbetering(en) van producten en procesvoering een veelvuldig terugkerend aandachtspunt. Vaak wordt ook aan productonderzoek en/of -ontwikkeling gedaan. Dergelijke ontwikkelingen dragen veelal ook bij aan een vermindering van de belasting van het milieu.
Vanuit de geschetste achtergrond kan de behoefte bestaan en is het vaak van essentieel belang om op bepaalde momenten gedurende enige tijd proefnemingen uit te voeren. Op die manier kan informatie worden vergaard over de beoogde verbeteringen en/of aanpassingen in product of proces en om inzicht te krijgen in de daaraan verbonden milieu-hygiënische consequenties.
Proefnemingen worden gekenmerkt door een beperkte duur (wij gaan uit van maximaal zes maanden). Doorlooptijd en/of hoeveelheid moeten echter wel voldoende zijn om de noodzakelijke informatie te kunnen vergaren.
In de aanvraag (bijlage 2 onder 13 Afvalwater) heeft aanvrager aangegeven de mogelijkheid te willen hebben om desgewenst proefnemingen uit te kunnen voeren om een stabiele lozing op de RWZI te realiseren. Wij achten dit acceptabel. Wel zijn wij van oordeel dat daaraan randvoorwaarden moeten worden gesteld en moeten proefnemingen ruim voor aanvang (minimaal zes weken) bij ons voor toestemming worden voorgelegd. Daartoe hebben wij voorschriften opgenomen. Tevens moet over de resultaten van de proef aan ons worden gerapporteerd.
De proefnemingen moeten plaatsvinden binnen de milieu-hygiënische randvoorwaarden van deze vergunning en mogen pas aanvangen na toestemming van ons.
Ten overvloede merken wij nog op dat indien een proef succesvol is verlopen en men wil de resultaten daarvan implementeren, daartoe eerst steeds zal moeten worden bezien in hoeverre daartoe een procedure op grond van de Wabo zal moeten worden doorlopen.
Voor wat betreft het aspect bodembescherming valt het bedrijf volledig onder het Activiteitenbesluit. In het kader van deze vergunning hoeft daarom geen nadere beoordeling plaats te vinden. Op grond van het Activiteitenbesluit moeten alle bedrijfsactiviteiten worden verricht met voorzieningen en maatregelen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico.
7. Energie en vervoermanagement
7.1. Overwegingen Energie-efficiëntie
In het landelijke beleid zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer worden inrichtingen aan de hand van het jaarlijkse energieverbruik als volgt ingedeeld:
Voor andere energiebronnen dan elektriciteit en aardgas wordt het verbruik uitgedrukt in aardgasequivalenten door de omrekenfactoren te hanteren zoals opgenomen in artikel 2.16d van de Activiteitenregeling.
Voorschriften voor vergunningplichtige bedrijven
Voor vergunningplichtige bedrijven geldt dat de energievoorschriften uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling niet rechtstreeks werkend zijn. Regels voor energiebesparing worden dan ook via voorschriften in de vergunning geregeld op basis van artikel 5.7 van het Bor. Dat artikel verplicht het bevoegd gezag voorschriften aan de vergunning te verbinden met betrekking tot een doelmatig gebruik van energie en grondstoffen. Dit betekent dat moet worden getoetst of de inrichting de beste beschikbare technieken (BBT) toepast om tot een zuinig energieverbruik te komen. Een energiebesparende maatregel moet genomen worden als de terugverdientijd vijf jaar of korter is. Welke maatregelen dit zijn, moet blijken uit een energieonderzoek.
Daarnaast moet bij het nemen van energierelevante investeringsbeslissingen voorafgaand aan het investeringsbesluit worden nagegaan of er energiezuinigere alternatieven zijn. Als dat het geval is en een alternatief binnen vijf jaar terug te verdienen is, moet voor dat alternatief gekozen worden. Investeringen die energierelevant zijn, zijn bijvoorbeeld aanschaf machines, apparaten en ook verlichting.
Uit de aanvraag blijkt het volgende (geschatte) energieverbruik van de inrichting:
Hieruit blijkt dat sprake is van een energierelevante inrichting en een grootverbruiker.
Het elektriciteitsverbruik binnen de inrichting komt voor het belangrijkste deel ten laste van het gebruik van elektromotoren en de hiermee aangedreven systemen.
Aandrijfsystemen bestaan uit een elektromotor met onderdelen als een pomp, fan of compressor en een regelaar en overbrenging. Dit zijn zogenoemde “kern”-toepassingen met een aandeel van 70% in het Nederlandse industriële elektriciteitsverbruik. Met de huidige techniek is veel energiebesparing mogelijk. Ook gelden er Europese richtlijnen die eisen stellen aan de minimale energie-efficiency van elektromotoren, pompen, ventilatoren en compressoren (bijvoorbeeld Verordening (EU) 2019/1781 Van De Commissie van 1 oktober 2019).
Om investeringen in energiezuinige aandrijfsystemen te bevorderen komen dergelijke investeringen (wanneer aan de voorwaarden wordt voldaan) in aanmerking voor de Energie-investeringsaftrek en is het Kennisnetwerk Efficiënte Elektrische Aandrijfsystemen (KEEA) opgericht. Hierin werken RVO.nl en brancheorganisaties FEDA, UNETO-VNI en Holland Pomp Groep samen aan projecten.
Een elektromotor is een relatief eenvoudig apparaat en in beginsel ook relatief eenvoudig efficiënter te maken. Deze efficiëntie wordt weergegeven als een IE-klasse. Klasse IE-1 wordt gezien als een elektromotor met een standaard efficiëntie. Klasse IE-5 is zeer efficiënt maar deze is nog beperkt leverbaar.
Omdat de aanvraag betrekking heeft op het oprichten van een nieuw bedrijf en de levensduur van de meeste elektrische motoren 15 tot 20 jaar is, is het van belang dat een juiste energiezuinige keuze van de toe te passen elektromotoren wordt gemaakt. Daarbij bieden motoren met een hoger rendement op de lange termijn vrijwel zeker de laagste Total Cost of Ownership (TCO).
Het is daarom van belang dat in het kader van de investeringsbeslissing van de toe te passen installaties een onderzoek wordt uitgevoerd naar de energie efficiëntie van elektromotoren en de hiermee aangedreven systemen. Uitgangspunt daarbij moet zijn dat er elektromotoren worden toegepast die voldoen aan IE-klasse 4. Indien wordt gemotiveerd dat niet mogelijk is mogen elektromotoren die voldoen aan IE-klasse 3 worden toegepast. De resultaten van het onderzoek moeten aan ons worden toegezonden.
In het licht van de verdragen, afspraken en doelstellingen die op alle niveaus, van internationaal tot lokaal, bestaan, is het noodzakelijk om de energievoorziening en het energieverbruik blijvend verder te verduurzamen. Daartoe moet in een vierjaarlijks onderzoek worden gekeken naar de maatregelen die noodzakelijk zijn om de energievoorziening van de inrichting volledig te verduurzamen, met als streefjaar 2050. Door een vierjaarlijkse onderzoeksverplichting wordt BBT voor het onderdeel energie periodiek in kaart gebracht. De inrichting neemt geen deel aan het Europese Emissiehandelssysteem (ETS). Aan de omgevingsvergunning kunnen daarom voorschriften worden verbonden met betrekking tot energiebesparing.
7.2. Richtlijn energie-efficiëntie (EED)
In juli 2015 is de Tijdelijke regeling implementatie artikelen 8 en 14 Richtlijn energie-efficiëntie (verder: de Tijdelijke regeling) in werking getreden. Deze regeling is gebaseerd op de Europese richtlijn energie-efficiëntie (EED). De Europese richtlijn heeft als doel 20 procent besparing op het energiegebruik in 2020 (ten opzichte van 2010). De belangrijkste verplichting uit de Europese richtlijn energie-efficiënte is het uitvoeren van een vierjaarlijkse energie-audit. De auditplicht geldt voor ondernemingen met meer dan 250 medewerkers (fte) of een jaaromzet groter dan € 50 miljoen en een jaarlijks balanstotaal groter dan € 43 miljoen. SFP Group BV behoort niet tot deze categorie van bedrijven.
Op 17 april 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over het onderwerp Vervoermanagement in de verleende omgevingsvergunning van Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam. De Afdeling bestuursrechtspraak zegt in haar uitspraak: het op deze manier willen reguleren van vervoermanagement past niet binnen de wettelijke kaders van de omgevingsvergunning en óók niet binnen de wettelijke zorgplicht uit de Wet milieubeheer. Vanwege deze uitspraak is het onderwerp Vervoermanagement in afwachting van een nieuwe aanpak voor de overige vergunningplichtige inrichtingen uit deze overwegingen verwijderd.
Bij de inrichting zijn de volgende gevaarlijke stoffen aanwezig:
De processen, de aard en hoeveelheid van de gebruikte gevaarlijke stoffen zoals vermeld in de aanvraag kunnen een risico vormen voor de omgeving.
Het externe veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van activiteiten voor de omgeving (mens en milieu). Het gaat hierbij onder meer om de risico's die verbonden zijn aan de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen.
Zoals in het NMP4 (Vierde Nationaal Milieubeleidsplan) is aangegeven, is de basis van het huidige risicobeleid dat het gevaar van een activiteit acceptabel is wanneer:
Het plaatsgebonden risico (PR) is een maatstaf om te bepalen welke afstand nodig is tussen de risicodragende activiteit en de bebouwde omgeving. Het plaatsgebonden risico is de kans dat zich op een bepaalde plaats over een periode van één jaar een dodelijk ongeval voordoet als direct gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen, indien zich op die plaats 24 uur per dag en onbeschermd een persoon zou bevinden. De gehanteerde norm voor het plaatsgebonden risico in Nederland is in beginsel 10-6 per jaar (d.w.z. een kans van 1 op de miljoen per jaar). Deze norm is opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In het Bevi is aangegeven in welke gevallen hiervan (tijdelijk) kan worden afgeweken.
Het groepsrisico (GR) voegt daar als maatstaf aan toe de verwachte omvang van een ongeval uitgedrukt in het aantal dodelijke slachtoffers, gegeven de kans op dat ongeval. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in een keer een groep personen die zich in de omgeving van de risicosituatie bevindt, overlijdt vanwege een ongeval met gevaarlijke stoffen. Met de grootheid groepsrisico is getracht een maat voor maatschappelijke ontwrichting te creëren. In het Bevi is een niet-normatieve benadering van het groepsrisico neergelegd. Bij de beoordeling van het groepsrisico is de vraag aan de orde welke omvang van een ramp, gegeven de kans daarop, maatschappelijk aanvaardbaar is.
8.2. Beoordeling plaatsgebonden risico en groepsrisico
Onderhavige inrichting waar biogas, Bio-LNG, ammoniak en CO2 als maatgevende gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, valt juridisch niet onder het Bevi. Omdat de gevaarlijke stoffen biogas, Bio-LNG alsmede cryogene CO2 risico’s voor de omgeving kunnen opleveren, wordt voorliggende aanvraag wel als zijn de een inrichting die onder het Bevi valt beoordeeld. De stof ammoniak is verder niet relevant voor externe omdat de hoeveelheid onder de Bevi-grens van 1500 kg ligt.
Plaatsgebonden risico 10-6 per jaar
Omdat het hier om een zogenaamde niet categoriale inrichting gaat, is middels een QRA het PR10-6 berekend. De QRA toont aan dat het PR10-6 gedeeltelijk buiten de grens van de inrichting ligt. Echter liggen binnen de PR-contour geen objecten van derden. De inrichting voldoet hiermee aan de grens- en richtwaarde van het PR10-6 per jaar. De QRA met kenmerk 214547 van 15 december 2021 maakt onderdeel uit van de vergunning.
In de QRA is tevens de hoogte van het groepsrisico berekend. Het maximaal aantal slachtoffers dat is berekend is circa 160. De oriëntatiewaarde wordt niet overschreden. Het hoogste berekende groepsrisico bedraagt circa 16% van de oriëntatiewaarde. Door de aangevraagde situatie is er in dit gebied een toename van het groepsrisico.
Om het groepsrisico zo beperkt mogelijk te houden zijn er voorschriften aan de vergunning verbonden, waarmee de risico’s voor de omgevingen moet worden voorkomen dan wel zo veel mogelijk moeten beperken. Ten aanzien van externe veiligheid zijn het merendeel van de voorschriften gebaseerd op landelijke publicaties die als BBT-documenten in de wetgeving zijn vastgelegd.
De in de QRA berekende contouren zijn gecorrigeerd in verband met de invloed van een aantal windturbines die nabij de inrichting aanwezig zijn. De correctie geldt voor de windturbines, waar installaties met gevaarlijke stoffen binnen de werpafstanden bij overtoeren van de windturbines liggen en de bijdrage meer dan 10% bedraagt.
Conclusie plaatsgebonden risico en groepsrisico
Op basis van de uitgevoerde QRA kan geconcludeerd worden dat de aangevraagde situatie de grens- en richtwaarde PR10-6 niet worden overschreden. De oriëntatiewaarde van het groepsrisico wordt niet overschreden.
8.3. Besluit risico’s zware ongevallen 2015
Met het in werking treden van het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015) is de Europese Seveso III-richtlijn uit 2012 geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. Het Brzo 2015 richt zich op het beheersen van zware ongevallen en heeft tot doel om het risico van (grote) ongevallen bij bedrijven zo klein mogelijk te maken. Dat gebeurt enerzijds door de kans dat dergelijke ongevallen plaatsvinden te verkleinen (proactief, preventie en preparatie) en anderzijds door de gevolgen van een eventueel ongeval voor mens en milieu te beperken (repressie).
Binnen de inrichting zijn een aantal gevaarlijke stoffen aanwezig die in de lijst van gevaarlijke stoffen van Seveso III zijn ondergebracht. Binnen SFP Friesland BV. gaat het om de gevaarlijke stoffen:
De stof ammoniak en vloeibaar aardgas zijn in de Seveso lijst in deel 2 met name genoemde stoffen met beide een drempelwaarde van 50 ton. Onbewerkt biogas valt in deel 1 onder de rubriek fysische gevaren P2 ontvlambare gassen. De drempelwaarde bedraagt hiervan 10 ton.
Binnen de inrichting is maximaal 1000 kg ammoniak in de 4 koelinstallaties aanwezig. De drempelwaarde bedraagt 0,02 voor brandbaar, toxisch en aquatoxiciteit. Ammoniak valt onder de zogenaamde 2% regel. Gevaarlijke stoffen die slechts in hoeveelheden van 2% of minder van de vermelde drempelwaarde aanwezig zijn tellen niet mee in de sommatie.
De hoeveelheid Bio-LNG bedraagt maximaal 43 ton. De drempelwaarde bedraagt 0,86. De hoeveelheid biogas bedraagt 1,1 ton. De drempelwaarde bedraagt 0,11.
De hoeveelheid diesel en tetrahydrothiofeen vallen eveneens onder de 2% regel en dragen daarom niet bij aan de sommatie.
De sommatie van Bio-LNG en biogas bedraagt 0,97. De zogenaamde lage drempelwaarde wordt niet overschreden.
Omdat de lage drempelwaarde wordt benaderd is een realtime registratie voorgeschreven die de maximale hoeveelheden gevaarlijke stoffen registreert die voor de sommatie van belang zijn.
De maximale hoeveelheden van de aanwezige gevaarlijke stoffen die relevant zijn voor het BRZO (opgeslagen hoeveelheden en hoeveelheden aanwezig in andere insluitsystemen als leidingen en installaties (exclusief tankauto LNG)) zijn in de vergunning vastgelegd.
De Bio-LNG tankauto met een inhoud van circa 23 ton Bio-LNG wordt vanuit de LNG-tank geladen en hoeft niet bij de sommatie te worden betrokken. In de vergunning is in een voorschrift vastgelegd dat een geladen Bio-LNG tankauto niet binnen de inrichting mag worden gestald. De sommatie voor fysische gevaren en gezondheidsgevaar zijn beide kleiner dan 1, wat betekent dat het BRZO 2015 niet op de inrichting van toepassing is.
8.4. Op- en overslag van gevaarlijke stoffen (PGS-richtlijnen)
Ten behoeve van de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen Nieuwe Stijl (PGS-NS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Deze PGS-NS richtlijnen beschouwen wij als Nederlandse informatiedocumenten over BBT. Voor de beoordeling van de aanvraag van de inrichting zijn de volgende PGS-NS richtlijnen relevant:
Uit de aanvraag blijkt dat de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen voldoet aan de PGS-NS 15 en daarmee voldoet aan BBT. Het gaat met name om de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen corrosief ADR klasse 8 en brandbaar ADR klasse 3 en om een opslag van een aantal gasflessen ADR klasse 2. Voor de opslag van ADR klasse-8 stoffen zonder bijkomend gevaar gelden geen specifieke brandveiligheidseisen, maar vallen wel onder PGS-NS 15. De relevante onderdelen van deze richtlijn zijn bij voorschrift aan dit besluit verbonden.
De 4 ammoniakkoelinstallaties met ieder 250 kg ammoniak vallen onder de rechtstreekse werking van paragraaf 3.2.6. van het Activiteitenbesluit. In de vergunning mogen hiervoor geen voorschriften worden opgenomen en gelden de voorschriften van PGS 13 voor installaties met meer dan 50 kg maar minder dan 1.500 kg ammoniak, zoals in de Activiteitenregeling is vastgelegd.
De opslag van cryogeen koolstofdioxide (CO2) en stikstof (N2) valt onder de PGS 9-NS. De relevante onderdelen van deze richtlijn zijn bij voorschrift aan dit besluit verbonden.
Met betrekking tot de opslag van ADR klasse 8-producten met verpakkingsgroep II en III zonder bijkomend gevaar, zoals natronloog en zwavelzuur, is in de toelichting van de Activiteitenregeling, aangegeven dat de opslag met bovengrondse leidingen niet relevant is voor externe veiligheid. De Activiteitenregeling is hierop aangepast, waardoor er minder vergaande eisen aan de opslagtanks worden gesteld als opgenomen in de PGS-NS 31 voor deze stoffen. De PGS-NS 31 is in dit besluit toegepast met uitzondering van de onderdelen aangaande keuring en certificatie.
8.5. Registratiebesluit/Regeling provinciale risicokaart
Het Registratiebesluit externe veiligheid geeft aan welke inrichtingen en welke informatie opgenomen moet worden in het Risicoregister. Daarnaast moeten ook inrichtingen die vallen onder de reikwijdte van de Regeling provinciale risicokaart worden opgenomen in het register. De criteria van het Besluit en de Regeling zijn samengevoegd in de drempelwaardentabel die is opgenomen in de Leidraad Risico Inventarisatie.
De inrichting valt in verband met de LNG-opslag en de CO2-opslag onder de criteria van de Regeling. Na afronding van de vergunningprocedure worden de gegevens in het risicoregister (RRGS) vastgelegd. De inrichting is ten tijde van de ontwerpprocedure in het RRGS opgenomen onder id-nummer 26235. Na vaststelling van het Besluit zal de registratie in het RRGS worden geautoriseerd, waarna de inrichting zichtbaar zal zijn op de risicokaart.
8.6. Warenwetbesluit drukapparatuur 2016
Bij de inrichting is apparatuur in gebruik met een maximaal toelaatbare druk van meer dan 0,5 bar. Voor deze installatie gelden de eisen zoals die verwoord zijn in het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016. Dit besluit is van toepassing op het ontwerp, de fabricage, de overeenstemmingsbeoordeling, de ingebruikneming en periodieke keuring van drukapparatuur, samenstellen en druksystemen waarvan de maximaal toelaatbare druk (PS) meer dan 0,5 bar bedraagt. Het besluit is rechtstreeks werkend, zodat in deze vergunning geen nadere eisen gesteld (mogen) worden. De Inspectie SZW is toezichthouder voor het in werking hebben van deze drukapparatuur.
Een gasexplosie kan ontstaan wanneer een ontstekingsbron een explosief mengsel van een brandbaar gas (verdampte vluchtige vloeistof) én zuurstof (lucht) tot ontsteking brengt. Bij de inrichting bestaat de kans dat dit gas tot ontbranding of ontsteking wordt gebracht.
De verplichtingen voor bedrijven ten aanzien van gasexplosiegevaar zijn verankerd in de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit (ATEX). Concreet gaat het voor inrichtingen (bedrijven) dan met name om het explosieveiligheidsdocument, de RI&E voor de onderdelen gasexplosie, en de gevarenzone-indeling. De Inspectie SZW is de toezichthoudende instantie. Om deze reden worden voor gasexplosiegevaar geen voorschriften aan deze vergunning verbonden.
De bedrijfsactiviteiten hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. De belangrijkste geluidsbronnen van het bedrijf zijn transportbewegingen voor het leveren van biomassaproducten, afvoer producten, uitstraling deuren, luchtwasinstallatie en verkeersbewegingen.
De veroorzaakte geluidsbelasting in de omgeving en de perioden waarin deze optreedt, is in kaart gebracht in een akoestisch rapport Akoestisch onderzoek industrielawaai Sustainable Fuel Production BV Lange Lijnbaan ong. te Harlingen, rapportnummer 220-HLL-il-v5 door M&A omgeving BV, datum 8 juli 2021.
Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (de geluidsemissie die de inrichting onder normale omstandigheden veroorzaakt). Beoordeeld worden de geluidsbelasting, de maximale geluidsniveaus en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting.
9.2. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau
De inrichting ligt op het gezoneerde industrieterrein Industriehaven Harlingen in de gemeente Harlingen. Bij de vergunningverlening op de aanvraag nemen wij in ieder geval in acht de geldende grenswaarden voor gezoneerde industrieterreinen zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. Voor gezoneerde industrieterreinen geldt als uitgangspunt dat de etmaalwaarde van het equivalent geluidsniveau vanwege het gehele industrieterrein buiten de zone niet meer mag bedragen dan 50 dB(A).
Voor woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen die zijn gelegen buiten het industrieterrein maar binnen de zone, zijn in hogere waarden vastgesteld. De geluidsbelasting ter plaatse van deze woningen mag niet meer bedragen dan de vastgestelde hogere waarde (artikel 45 van de Wgh).
In de geluidszone zijn geluidsgevoelige bestemmingen gelegen waarvoor een hogere waarde is vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Fryslân bij besluit van 3 oktober 1996. Het gaat hierbij om de adressen:
In het akoestisch rapport dat deel uitmaakt van de vergunningaanvraag is de geluidimmissie, zowel voor de dag-, avond- als nachtperiode, aangegeven ter plaatse van de door de zonebeheerder vastgestelde zonebewakingspunten (op de vastgestelde 50 dB(A)-contour) en bij relevante woningen binnen de zone.
Van de zonebeheerder ontvingen wij op 27 augustus 2021 een schriftelijke rapportage waarbij de situatie vóór en na de aanvraag in beeld is gebracht.
De zonebeheerder heeft verklaard dat de berekende geluidimmissie van de inrichting, gecumuleerd met de geluidimmissie van de overige op het industrieterrein gevestigde inrichtingen, past binnen de beschikbare geluidruimte voor het betreffende industrieterrein.
9.3. Maximaal geluidsniveau (LAmax)
Voor woningen die zijn gelegen buiten het gezoneerde industrieterrein wordt, indien relevant, de standaard systematiek zoals gehanteerd bij de vergunningverlening toegepast. Voor de maximale geluidsniveaus wordt aangesloten bij de beleidslijn dat de geluidsgrenswaarde voor de maximale geluidsniveaus in de regel niet meer dan 10 dB(A) boven het aanwezige langtijdgemiddeld beoordelingsniveau komt te liggen. In de Handreiking wordt aangegeven dat als ondergrens een waarde van 50, 45 en 40 dB(A) kan worden aangehouden voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. In sommige gevallen kan van deze beleidslijn gemotiveerd worden afgeweken. Wanneer niet aan de grenswaarden voldaan kan worden, kunnen op basis van de afwijkingsbevoegdheid wegens bijzondere omstandigheden hogere maximale geluidsniveaus worden vergund. Hierbij wordt aanbevolen om de maximale geluidsniveaus niet hoger te laten zijn dan 70, 65 en 60 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. In het geval er sprake is van een voor de bedrijfsvoering onvermijdbare situatie, waarin technische noch organisatorische maatregelen soelaas bieden om het geluidsniveau te beperken, zou los van de grenswaarde van 70 dB(A) voor de dagperiode, deze met ten hoogste 5 dB(A) mogen worden overschreden voor bepaalde nader omschreven bedrijfssituaties.
Bij een bedrijf dat is gelegen op grote afstand van woningen buiten het gezoneerde industrieterrein wordt een voorschrift voor de maximale geluidsniveaus niet nodig of gewenst geacht.
De grenswaarden voor de maximale geluidsniveaus bedragen 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Aan de grenswaarden wordt ruimschoots voldaan.
De maximale geluidsniveaus ter plaatse van de dichtstbijzijnde woningen hebben wij in een voorschrift vastgelegd.
Ingevolge de jurisprudentie (Raad van State van 17 september 2008, nummer 200800664/1) blijkt dat geen toetsing nodig is voor het verkeer van en naar een inrichting die is gelegen op een gezoneerd industrieterrein. Dit geldt voor de geldende grenswaarden voor de inrichting zelf, de zonegrens en de voorgestelde grenswaarden die volgen uit de “Circulaire inzake geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de Wet milieubeheer”, van 29 februari 1996.
Er is geen sprake van bijzondere situaties.
Ten aanzien van de optredende geluidsniveaus is de aangevraagde situatie milieuhygiënisch aanvaardbaar.
Wij hebben aan de vergunning voorschriften verbonden, waarin voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau grenswaarden zijn gesteld op een aantal referentiepunten in de omgeving van de inrichting. De geluidsbelasting op deze punten is overeenkomstig de bij de aangevraagde activiteiten gewenste geluidsruimte. De geluidbelasting in de voorschriften wijkt af van de in de tabellen die in hoofdstuk 5 van het rapport staan, omdat de beoordelingspunten in de tabellen zijn verwisseld. In de voorschriften staan de juiste waarden bij de juiste beoordelingspunten.
Vanwege de grote afstand van de geluidsgevoelige bestemmingen tot de inrichting en vanwege de invloed van andere geluidsbronnen, kan de geluidsbelasting die de inrichting veroorzaakt niet bij de geluidsgevoelige bestemmingen of op de zonegrens worden gemeten (deze kan wel worden berekend). Daarom zijn, behalve de genoemde grenswaarden, controlewaarden vastgelegd op controlepunten gelegen in de nabijheid van de inrichting. Op deze punten kan in het kader van het door het bevoegd gezag uit te oefenen toezicht op de naleving worden gemeten.
Gezien de aard van de activiteiten en de afstand tot de dichtstbijzijnde trillinggevoelige bestemmingen is trillinghinder niet te verwachten. Een onderzoek naar trillingen achten wij daarom niet nodig. Ook achten wij het daarom niet nodig hierover voorschriften op te nemen.
Het Nederlandse geurbeleid is opgenomen in artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit en in de Handleiding geur: bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van industrie en bedrijven (niet veehouderijen). Als algemene doelstelling geldt het zoveel mogelijk beperken van bestaande hinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Daarbij staat het afwegingsproces voor het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau centraal. Het aanvaardbaar hinderniveau wordt per situatie vastgesteld en op grond van het Activiteitenbesluit als maatwerkvoorschrift aan de vergunning verbonden. Alleen als de emissies van de inrichting in het Activiteitenbesluit uitgezonderd zijn, worden de geuremissies in de vergunning beoordeeld.
Artikel 2.3a Activiteitenbesluit verklaart de afdeling 2.3 Lucht en geur van toepassing op alle bedrijven maar ook de afwijkingen hiervan. Voor geur is de enige afwijking lid 2 en lid 4.
In lid 2 staat dat de afdeling 2.3 Lucht en geur, met uitzondering van artikel 2.4, tweede lid, niet van toepassing is op emissies naar de lucht van een IPPC-installatie indien en voor zover voor de activiteit of het type productieproces BBT-conclusies voor deze emissies zijn vastgesteld op grond van artikel 13, vijfde en zevende lid, van de EU-richtlijn industriële emissies.
De geuremissie vanuit de inrichting is afkomstig van een IPPC-installatie. In de BBT-conclusies Afvalbehandeling, gepubliceerd op 17 augustus 2018, zijn BBT-conclusies opgenomen over de emissie van geur. Dat betekent dat het Activiteitenbesluit hierop niet van toepassing is en er voorschriften in de vergunning moeten worden opgenomen.
Op 21 november 2019 is de Beleidsregel van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân houdende regels omtrent geur bedrijven niet veehouderijen (Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019) in werking getreden.
Deze beleidsregels zijn van toepassing bij besluitvorming op aanvragen om een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu, dan wel bij het wijzigen van voorschriften, verbonden aan een vergunning (artikel 2, lid 1 Beleidsregels geur bedrijven Fryslân 2019).
In artikel 4 van de Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019 is bepaald dat Gedeputeerde staten het aanvaardbaar geurhinderniveau vaststellen en de op de geursituatie betrekking hebbende maatregelen in de vergunning worden opgenomen.
Gedeputeerde Staten stellen het aanvaardbaar geurhinderniveau voor nieuwe bronnen op de streefwaarde vast, of zoveel lager als met toepassing van de beste beschikbare technieken haalbaar is. Daarbij kunnen zij gemotiveerd naar boven afwijken. Dit kan tot ten hoogste de richtwaarde. Gedeputeerde Staten stellen in zulke gevallen het aanvaardbaar geurhinderniveau vast op het met de beste beschikbare technieken maximaal wel haalbare niveau.
Voor de beoordeling van het aanvaardbaar geurhinderniveau wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën van geurgevoelige objecten:
De steef-, richt- en grenswaarden als bedoeld in bovenstaande tabel geven immissie geurconcentraties weer in OUE per m3 en zijn bepaald als 98-percentielwaarden.
Voor geurgevoelige objecten categorie D wordt het aanvaardbaar hinderniveau vastgesteld op het niveau dat bereikt kan worden door het treffen van redelijke maatregelen.
De hedonische waarde van de geurbronnen binnen de inrichting is niet formeel vastgesteld. Op basis van de beleidsregels dient daarom het geurtype “Hinderlijk” te worden gehanteerd.
In geval van kortdurende of sterk fluctuerende bronnen wordt de geurimmissie getoetst aan de waarden zoals genoemd in bovenstaande tabel waarbij de waarden vermenigvuldigd worden met een factor die als volg afhankelijk is van de percentielwaarde:
10.3. Beoordeling geurhindersituatie
Omschrijving aangevraagde situatie
Binnen de inrichting wordt 300.000 ton plantaardige restproducten uit onder andere de voedingsmiddelenindustrie (waaronder afvalstoffen) vergist. Er wordt geen mest verwerkt. Binnen de inrichting worden daarvoor twee loodsen gerealiseerd.
In de loods aan de voorzijde van het terrein vindt het transport, opslag en mengen van de vaste en vloeibare grondstoffen plaats. Deze loods is in 3 delen verdeeld, waarbij de volgende geurbronnen kunnen worden onderscheiden:
Vanuit de menger wordt het mengsel naar de vergistingssilo’s gepompt. De eindfractie uit de vergistingssilo’s wordt vervolgens naar de tweede loods op de achterzijde van het perceel gepompt. Daar kunnen de volgende geurbronnen worden onderscheiden:
Voor een volledige beschrijving van de relevante geuremissie verwijzen wij naar het Geuronderzoek Lange Lijnbaan ong., Harlingen M&A Omgeving B.V., rapportnummer 220-HLL-gh-v4, 16 juli 2021.
Ligging van de inrichting en geurgevoelige objecten in de omgeving
De inrichting is gelegen op het geluidgezoneerde industrieterrein Industriehaven Harlingen. De volgende geurgevoelige bestemmingen bevinden zich in de omgeving:
Verspreid liggende woningen in het buitengebied (categorie A);
Verblijfsobjecten op een industrieterrein (categorie D).
Beoordeling geuremissie in relatie tot het aanvaardbaar hinderniveau
Uit het bij de aanvraag gevoegde geurrapport blijkt dat de geurbelasting ten gevolge van de aangevraagde activiteiten bij de dichtstbijzijnde geurgevoelige objecten de volgende geurconcentraties (in Europese geureenheden, ouE/m3) betreft:
Uit de tabel blijkt dat als gevolg van de geuremissie vanuit de inrichting voor het 98-percentiel, 99,5 percentiel en 99,9-percentiel niet voldoet aan de streefwaarden van de normering uit de Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019. Wel wordt voldaan aan de richtwaarden uit de Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019.
Gedeputeerde staten kunnen gemotiveerd naar boven afwijken tot ten hoogste de richtwaarde. Gedeputeerde Staten stellen in zulke gevallen het aanvaardbaar geurhinderniveau vast op het met de beste beschikbare technieken maximaal wel haalbare niveau.
De geurreducerende maatregelen die binnen de inrichting worden getroffen, worden beschouwd als de beste beschikbare technieken. Het betreft de navolgende maatregelen:
Naast deze technieken worden ook de volgende technieken als beste beschikbaar aangemerkt:
Door het toepassen van deze beste beschikbare technieken wordt aan de richtwaarde uit de Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019 voldaan.
Gezien bovenstaande overwegingen zijn wij van mening dat de geurbelasting ten gevolge van de aangevraagde activiteiten voldoet aan het aanvaardbaar geurhinderniveau.
In deze vergunning hebben wij voorschriften opgenomen over het uitvoeren van geurmetingen, het opstellen van een controle- en beheerplan voor geur, waaronder een protocol over hoe wordt omgegaan met geurklachten. Met deze voorschriften hebben wij invulling gegeven aan BBT-conclusie voor afvalbehandeling, nummers 2,10,12, 33, 34 en 38.
Het algemeen luchtbeleid is gericht op het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van emissies naar de lucht door het toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT) en het voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van bijlage 2 van de Wet milieubeheer.
Luchtemissies voor inrichtingen worden in beginsel gereguleerd door de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Indien en voor zover voor luchtemissies van IPPC-installaties BBT-conclusies zijn vastgesteld, gelden de algemene regels van Afdeling 2.3 echter niet (met uitzondering van de minimalisatieverplichting voor zeer zorgwekkende stoffen).
De emissie naar de lucht is afkomstig van een IPPC-installatie en heeft betrekking op de uitstoot van geur. Voor deze luchtemissies zijn voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden die aansluiten bij de BBT-conclusies.
Voor een nadere motivering daarvan verwijzen wij naar het gestelde in hoofdstuk 12 van onze overwegingen.
Activiteiten binnen de inrichting waarbij diffuse emissies kunnen ontstaan, vinden inpandig plaats. De lucht uit deze loodsen wordt centraal afgezogen en door een luchtbehandelingsinstallatie geleid alvorens die naar de buitenlucht wordt uitgestoten. Ramen en deuren van de loodsen zijn gesloten, behoudens voor onmiddellijke doorgang van transportvoertuigen en personen.
Gelet hierop vinden er geen diffuse emissies plaats.
11.3. Niet-reguliere emissies/storingen
Niet reguliere emissies zijn incidentele emissies veroorzaakt door bijzondere omstandigheden, zoals:
Emissies veroorzaakt door gebruikelijke start- en stopprocedures waarvoor het bedrijf de reguliere emissiebeperkende voorzieningen gebruiken kan, vallen onder de reguliere emissies.
Op basis van artikel 5.7, eerste lid, onder f, van het Bor worden voorschriften opgenomen met betrekking tot het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu, die kunnen worden veroorzaakt door opstarten, lekken, storingen, korte stilleggingen, definitieve bedrijfsbeëindiging of andere bijzondere bedrijfsomstandigheden.
Ten aanzien van het voorkomen van storingen merken wij op dat de vergunninghouder werkt volgens een onderhouds- en inspectiesysteem, wat er op gericht is om preventief onderhoud te plegen. Hiermee worden storingen en lekkages zo veel mogelijk voorkomen. Het onderhouds- en inspectiesysteem maakt evenals het meet- en registratiesysteem deel uit van het milieuzorgsysteem.
Door het opnemen van voorschriften hierover is naar onze mening voldoende invulling gegeven aan de verplichting uit artikel 5.7, eerste lid, onder f van het Bor.
In Titel 5.2 Wet milieubeheer en de bijbehorende bijlage 2 bij de Wet milieubeheer zijn grens- en richtwaarden gesteld aan de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht op leefniveau, die wij als toetsingscriteria moeten hanteren.
De inrichting emitteert een aantal stoffen waarvoor deze grenswaarden gelden, te weten stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10).
De inrichting heeft voor deze stoffen een immissietoets uitgevoerd. Dit is opgenomen in de aanvraag: Luchtkwaliteitsonderzoek Lange Lijnbaan ong., Harlingen, M&A Omgeving B.V, rapportnummer 220-HLL-lk-v3, 3 mei 2021.
De concentraties van fijnstof (PM2,5 en PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn in de Nederlandse situatie het meest kritisch ten opzichte van de grenswaarden.
Op grond van artikel 5.16 lid 1 van de Wet milieubeheer kan de vergunning alleen worden verleend, als aannemelijk gemaakt kan worden dat voldaan wordt aan (minimaal) één van de volgende criteria:
Op basis van verspreidingsberekeningen concluderen wij dat voldaan wordt aan de grenswaarden in Bijlage 2 van de Wet milieubeheer.
Aangezien er binnen de inrichting geen activiteiten worden uitgevoerd als bedoeld in Bijlage I van de EG-Verordening PRTR, hoeft er geen elektronisch PRTR-verslag te worden ingediend en hoeven de emissies (jaarvrachten) niet te worden gerapporteerd.
11.6. Eindconclusie aspect lucht
Wij zijn van oordeel dat uit de aanvraag blijkt dat er voldoende maatregelen worden toegepast c.q. zullen worden toegepast om luchtemissies te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
In artikel 17.2, eerste lid van de Wet milieubeheer is vastgelegd dat ongewone voorvallen waardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan, door het bedrijf zo spoedig mogelijk aan ons moeten worden gemeld. In artikel 17.2, vierde lid is vermeld dat het bevoegd gezag in een omgevingsvergunning voor een inrichting of bij een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 8.42 voor een ongewoon voorval waarvoor de nadelige gevolgen niet significant zijn, kan bepalen dat in afwijking van artikel 17.2, eerste lid het voorval wordt geregistreerd en kan voorschrijven binnen welke termijn en op welke wijze het voorval moet worden gemeld. Deze termijn kan afwijken van de verplichting genoemd in artikel 17.2, eerste lid, om het voorval zo spoedig mogelijk te melden.
De inrichting is te kenmerken als een inrichting waarbij regelmatig ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu plaats kunnen vinden. De ervaring leert dat regelmatig meldingen worden ingediend, terwijl er geen sprake is van enige significante gevolgen voor het milieu. Daarmee vormt het altijd zo spoedig mogelijk moeten melden van ongewone voorvallen zonder significante gevolgen een onnodige administratieve belasting voor het bedrijf.
De inrichting heeft een meldschema ontwikkeld waarmee kan worden vastgesteld welke ongewone voorvallen kunnen worden geclassificeerd als voorval zonder significante gevolgen voor het milieu. Wij zijn van mening dat met dit meldschema voldoende onderscheid wordt gemaakt tussen ongewone voorvallen met en zonder significante gevolgen voor het milieu.
Wij achten het echter van belang om zicht te houden op de aantallen, aard en omvang van de ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu. Deze kunnen een indicatie zijn of de processen (in de ruimste zin) in voldoende mate worden beheerst en de installaties deugdelijk zijn.
Daarom hebben wij, naast het toepassen van het meldschema, ook een aantal voorschriften opgenomen voor het verplicht registreren ervan en de wijze waarop wij periodiek moeten worden geïnformeerd over de ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu die zich hebben voorgedaan.
Naast het inzichtelijk hebben van de ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu stellen wij echter ook eisen aan het afhandelingsproces van ongewone voorvallen binnen het bedrijf. Daarbij gaat het om zaken als signalering van de ongewone voorvallen, communicatie, onderzoek en bevoegdheden van medewerkers. De aanvrager heeft een beschrijving ingediend waarbij op hoofdlijnen inzichtelijk is gemaakt hoe het afhandelingsproces is georganiseerd. Om te borgen dat ook in de toekomst ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu door het bedrijf worden beschouwd, hebben wij voorschriften opgenomen over het in stand houden van dat afhandelingsproces.
Verspreiding verontreinigingen
Voor het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van door de inrichting veroorzaakte grootschalige of grensoverschrijdende verontreinigingen, zijn voorschriften in deze vergunning opgenomen.
Bijzondere bedrijfsomstandigheden
Voor het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu, die kunnen worden veroorzaakt door opstarten, lekken, storingen, korte stilleggingen, definitieve bedrijfsbeëindiging of andere bijzondere bedrijfsomstandigheden zijn voorschriften in deze vergunning opgenomen.
Voor het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van de gevolgen van ongevallen, zijn in deze vergunning veiligheidsvoorschriften opgenomen.
Voor het treffen van maatregelen om bij definitieve bedrijfsbeëindiging de nadelige gevolgen die de inrichting heeft veroorzaakt voor het terrein waarop zij was gevestigd, ongedaan te maken of te beperken voor zover dat nodig is om dat terrein weer geschikt te maken voor een volgende functie, zijn in paragraaf 1.6 en paragraaf 8.8 van deze vergunning voorschriften opgenomen.
13.2. Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob)
In het kader van de wet Bibob hebben wij aan de hand van het ingevulde Bibob-vragenformulier en de daarbij overgelegde documenten een integriteitsonderzoek uitgevoerd (het zogenaamde ‘eigen onderzoek’ als bedoeld in artikel 7a van de Wet Bibob).
Een deel van dit onderzoek hebben wij niet kunnen uitvoeren, omdat niet alle hiertoe benodigde informatie over de financiële structuur en de financiers beschikbaar is. Wij zullen dit deel van het eigen onderzoek (alsnog) uitvoeren zodra de financiers bekend zijn en u de gegevens over deze (rechts)personen aan ons heeft overgelegd.
Tot slot wijzen wij u erop dat ons onderzoek op basis van de aanvullende gegevens en/of een advies van het Landelijk Bureau Bibob alsnog kan leiden tot intrekking van de vergunning. Worden de gevraagde gegevens niet verstrekt, dan zal dit leiden tot intrekking van de vergunning (op grond van artikel 4, eerste lid van de Wet Bibob).
Het starten met werkzaamheden op basis van de vergunning komt hiermee voor uw eigen risico.
13.3. Toekomstige ontwikkelingen
Er worden binnen de inrichting of in de omgeving van de inrichting geen ontwikkelingen verwacht die van belang kunnen zijn voor de bescherming van het milieu.
Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op het oprichten en in werking hebben van een inrichting, kan worden geconcludeerd, dat de omgevingsvergunning kan worden verleend.
In deze vergunning zijn de voor deze activiteit relevante voorschriften opgenomen.
Voor de begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij naar de definities zoals die zijn opgenomen in de geldende wet- en regelgeving (zoals het Activiteitenbesluit, de Activiteitenregeling, het Besluit omgevingsrecht, het Besluit externe veiligheid inrichtingen, de Wet geurhinder en veehouderij etc.)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2023-216.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.