Omgevingsvergunning SFP voor het oprichten van Bio LNG-installatie aan de Lange Lijnbaan ong. in Harlingen

Wij hebben besloten om de omgevingsvergunning eerste fase voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting (milieu) te verlenen. U treft de omgevingsvergunning hierbij aan. Wij raden u aan om de omgevingsvergunning met de bijlagen goed te lezen. Aan de omgevingsvergunning zijn voorschriften verbonden, waaraan u zich dient te houden zodra de omgevingsvergunning in werking treedt.

Ter inzage

Met ingang van 14 maart 2022 leggen wij uw aanvraag en de omgevingsvergunning met bij behorende stukken zes weken ter inzage. Binnen 6 weken na bekendmaking van de vergunning kunnen zowel u als belanghebbenden een beroepschrift indienen. In de vergunning onder 'Rechtsbeschermingsmiddelen' kunt u lezen hoe en waar u een beroepschrift kunt indienen.

Publicatie

Wij publiceren de omgevingsvergunning in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân (via https://www.officielebekendmakingen.nl).

Wanneer kunt u gebruik maken van de vergunning

U kunt pas gebruik maken van de omgevingsvergunning voor de eerste fase als ook de overige toestemmingen in de tweede fase zijn verleend en in werking zijn getreden.

Overige toestemmingen

De aanvraag omgevingsvergunning heeft betrekking op een eerste fase voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting (artikel 2.1, lid 1, onder e van de Wabo). Voordat met het oprichten van de inrichting wordt begonnen, dient tevens een omgevingsvergunning te zijn verleend voor de volgende activiteiten:

  • een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, lid 1, onder a van de Wabo);

  • een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheden (artikel 2.1, lid 1, onder b van de Wabo);

  • een omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan (artikel 2.1, lid 1, onder c van de Wabo);

  • een omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg (artikel 2.2, lid 1, onder e);

  • een watervergunning voor uitvoeren van werkzaamheden binnen de kernzone, buitenbeschermingszone en ruimtelijke reserveringszone van de primaire kering.

Informatie

Voor meer informatie over deze brief kunt u contact opnemen met de heer K. Wijnja van de FUMO, bereikbaar op telefoonnummer 0566 750 300 of per e-mail via k.wijnja@fumo.nl.

Hoogachtend,  Namens Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân

S.G.C. Boender Afdelingshoofd Vergunningverlening en Specialistisch Advies  

Bijlage: omgevingsvergunning

BESLUIT OMGEVINGSVERGUNNING

Onderwerp

Op 3 november 2020 is een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen van Sustainable Fuel Production B.V. Het betreft het een omgevingsvergunning eerste fase voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het fermenteren van restproducten uit de voedingsmiddelenindustrie en het opwaarderen van groengas tot Bio-LNG. De aanvraag heeft betrekking op de Lange Lijnbaan ong, kadastraal bekend gemeente Harlingen, sectie F, nummer 1847. De aanvraag is geregistreerd onder Olo-nummer 5561163 en zaaknummer 2020-FUMO-0046537.

De omgevingsvergunning wordt in twee fasen aangevraagd. In dit besluit is besloten over fase 1. Deze fase betreft:

  • -

    het oprichten en in werking hebben van een inrichting (artikel 2.1, lid 1, onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht).

Besluit

Wij besluiten, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de daarop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten en -regelingen:

  • I.

    aan Sustainable Fuel Production B.V. een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e. (1° oprichten van een inrichting en 3° het in werking hebben van een inrichting) te verlenen voor het fermenteren van restproducten uit de voedingsmiddelenindustrie, het leveren van groengas aan het aardgasnetwerk en het opwaarderen van groengas tot Bio-LNG. De vergunning heeft betrekking op de Lange Lijnbaan ong, kadastraal bekend gemeente Harlingen, sectie F, nummer 1847;

  • II.

    aan de vergunning voorschriften te verbinden. Deze staan in de bijlage van dit besluit. Voor zover de aan de vergunning verbonden delen van de aanvraag niet in overeenstemming zijn met de gestelde voorschriften, zijn de voorschriften bepalend;

  • III.

    de lozing van de afvalwaterstroom effluentzuivering op de riolering toe te staan tot 5 jaar na het in werking treden van deze vergunning;

  • IV.

    dat de volgende delen van de aanvraag onderdeel uitmaken van deze vergunning:

    • -

      aanvraagformulier met nummer 5561163, ontvangen op 3 november 2020;

    • -

      Tekening Activiteit Milieu, Derks Advies, Tekeningnummer 3411-90-01, 30-10-2020, laatst gewijzigd 21-10-2021;

    • -

      Bijlage 8 Risicoanalyse/ BioLNG-installatie Harlingen, Adviesgroep AVIV BV, project 214547, 15 december 2021;

    • -

      Bijlage 2 Water- en milieuaspecten, SFP Friesland B.V., Lange Lijnbaan ong. Harlingen, Derks Advies, versie 1.4, datum 29 oktober 2020, laatst aangevuld 20 oktober 2021;

    • -

      Bijlage 5 Geuronderzoek Lange Lijnbaan ong., Harlingen, M&A Omgeving BV, rapportnummer 220-HLL-gh-v4, 16 juli 2021;

    • -

      Bijlage 6 Akoestisch onderzoek Industrielawaai Sustainable Fule Production BV Lange Lijnbaan ong. te Harlingen, M&A Omgeving BV, rapportnummer 220-HLL-il-v5, 8 juli 2021;

    • -

      Bijlage 10 IPPC-tool omgevingsvergunning.

Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân

S.G.C. Boender Hoofd afdeling Vergunningverlening en Specialistisch Advies

Afschrift:

Gemeente Harlingen, Postbus 10.000, 8860 HA Harlingen;

Wetterskip Fryslân, Postbus 36, 8900 AA Leeuwarden;

Brandweer Fryslân, Postbus 612, 8901 BK Leeuwarden;

Rijkswaterstaat, afdeling vergunningverlening, Postbus 2232, 3500 GE Utrecht;

Indieners zienswijzen (3x).

Rechtsbeschermingsmiddelen

De bekendmaking van deze beschikking gebeurt door publicatie inde Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via https://www.officielebekendmakingen.nl . Ook moet de beschikking ter inzage worden gelegd. Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start de beroepstermijn van zes weken. In die periode kunnen zowel u als belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Ook niet-belanghebbenden kunnen beroep aantekenen indien zij een zienswijze hebben ingediend.

Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij Rechtbank Noord-Nederland, Postbus 781, 9700 AT Groningen. De beschikking met betrekking tot de eerste fase treedt tegelijk met de beschikking met betrekking tot de tweede fase in werking.

Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht. Dit verzoek kan worden gedaan bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord Nederland, Postbus 781 9700 AT Groningen. De beschikking treedt in dat geval niet in werking voordat over dit verzoek is beslist.

Voorschriften omgevingsvergunning activiteit milieu

1 Algemene voorschriften

1.1 Terrein van de inrichting en toegankelijkheid

  • 1.1.1

    Binnen de inrichting moet een overzichtelijke en actuele plattegrond aanwezig zijn. Op deze plattegrond moeten ten minste de volgende aspecten zijn aangegeven:

    • alle gebouwen en de installaties met hun functies;

    • alle opslagen van stoffen welke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken met vermelding van aard en maximale hoeveelheid.

  • 1.1.2

    Op het terrein van de inrichting moet een zodanige afscheiding aanwezig zijn dat de toegang tot de inrichting voor onbevoegden redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 1.1.3

    De inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren.

  • 1.1.4

    Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die welke voor het proces nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen.

  • 1.1.5

    Het aantrekken van insecten, knaagdieren en ander ongedierte moet worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven moet een doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden. Hiertoe moet een ongediertebestrijdingsplan binnen de inrichting aanwezig zijn.

1.2 Milieubeheersysteem

  • 1.2.1

    Bij ingebruikname van de vergistingsinstallatie dient binnen de inrichting een milieubeheerssystemen te zijn opgesteld. In het milieubeheerssysteem zijn de volgende elementen opgenomen:

    • a.

      betrokkenheid van het management, met inbegrip van het hoger management (milieustrategie);

    • b.

      uitwerking door het management van een milieubeleid dat de continue verbetering van de milieuprestaties van de vergistingsinstallatie omvat;

    • c.

      planning en vaststelling van de noodzakelijke procedures (procedures voor het doorvoeren van wijzigingen in processen, procedures voor het evalueren van het managementsysteem, procedures voor het monitoren van kritische procesindicatoren, procedures voor het wijzigen van installaties, doelstellingen en streefcijfers, samen met de financiële planning en investeringen;

    • d.

      uitvoering van procedures met bijzondere aandacht voor:

      • -

        taken en verantwoordelijkheden;

      • -

        aanwerving, opleiding, bewustmaking en bekwaamheid medewerkers (o.a. werkinstructies);

      • -

        communicatie;

      • -

        betrokkenheid van de werknemers;

      • -

        documentatie;

      • -

        efficiënte procescontrole;

      • -

        onderhoudsprogramma's;

      • -

        noodplan met procedures en voorzieningen voor het beheer van emissies als gevolg van ongevallen en incidenten;

      • -

        waarborgen van de naleving van de milieuwetgeving.

    • e.

      interne audits om vast te stellen of het milieubeheerssysteem voldoet aan de voorgenomen regelingen en of het op de juiste wijze wordt uitgevoerd en gehandhaafd. Dit betreft in ieder geval de evaluatie van de kwaliteit van procedures, de werkinstructies en de gebruikte kritische prestatie indicatoren (KPI’s).

1.3 Instructies

  • 1.3.1

    De vergunninghouder moet de binnen de inrichting (tijdelijk) werkzame personen instrueren over de voor hen van toepassing zijnde voorschriften van deze vergunning en de van toepassing zijnde veiligheidsmaatregelen.

  • 1.3.2

    Tijdens het in bedrijf zijn van installaties die in geval van storingen of onregelmatigheden kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu, moet steeds voldoende, kundig personeel aanwezig zijn om in voorkomende gevallen te kunnen ingrijpen.

  • 1.3.3

    De vergunninghouder moet één of meer ter zake kundige personen aanwijzen die in het bijzonder belast zijn met de zorg voor de naleving van de in deze vergunning opgenomen voorschriften.

1.4 Melding contactpersoon en wijziging vergunninghouder

  • 1.4.1

    De vergunninghouder moet direct nadat de vergunning in werking is getreden schriftelijk naam en telefoonnummer opgeven aan het bevoegd gezag van degene (en van diens plaatsvervanger) met wie in spoedeisende gevallen, ook buiten normale werktijden, contact kan worden opgenomen. Als deze gegevens wijzigen moet dit vooraf onder vermelding van de wijzigingsdatum schriftelijk worden gemeld aan het bevoegd gezag.

  • 1.4.2

    Onderhoudswerkzaamheden waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit, moeten ten minste vijf werkdagen voor de aanvang van de uitvoering aan het bevoegd gezag worden gemeld.

  • 1.4.3

    Indien uit de inhoud van keurings- en inspectierapporten blijkt dat gevaar voor verontreiniging dreigt, moet direct het bevoegd gezag daarvan in kennis worden gesteld.

1.5 Registratie

  • 1.5.1

    Binnen de inrichting is een exemplaar van deze vergunning (inclusief aanvraag) met bijbehorende voorschriften aanwezig. Verder zijn binnen de inrichting de volgende documenten aanwezig:

    • a.

      alle overige voor de inrichting geldende omgevingsvergunningen en meldingen;

    • b.

      de veiligheidsinformatiebladen die behoren bij de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen;

    • c.

      de bewijzen, resultaten en/of bevindingen van de in deze vergunning voorgeschreven inspecties, onderzoeken, keuringen, onderhoud en/of metingen;

    • d.

      de registratie van het jaarlijks diesel-, elektriciteit- en waterverbruik;

    • e.

      het logboek waarin van de ongediertebestrijding per bestrijding de gebruikte middelen en de hoeveelheden zijn bijgehouden. Hierbij moet worden aangegeven of men de ongediertebestrijding zelf heeft uitgevoerd, of dat dit is gedaan door een extern bedrijf.

  • De documenten genoemd onder c, d en onder e moeten ten minste vijf jaar worden bewaard.

  • 1.5.2

    Klachten van derden moeten door de vergunninghouder worden onderzocht om de bron te achterhalen en de klacht, zo mogelijk weg te nemen. Van deze klachten wordt een registratie bijgehouden waarin tenminste de volgende gevens worden vermeld:

    • a.

      datum en tijdstip van de klacht;

    • b.

      aard van de klacht;

    • c.

      weersomstandigheden, waaronder windrichting;

    • d.

      welke bron de oorzaak is van de klacht;

    • e.

      welke actie ondernomen is om de klacht te verhelpen.

1.6 Bedrijfsbeëindiging

  • 1.6.1

    Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten binnen de inrichting moeten alle aanwezige stoffen en materialen, die uitsluitend aanwezig zijn vanwege de – te beëindigen- activiteiten, door of namens vergunninghouder op milieuhygiënisch verantwoorde wijze in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd.

  • 1.6.2

    Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van (een van de) activiteiten moet het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden.

2 Afvalstoffen

2.1 Opslag van afvalstoffen ontstaan binnen de inrichting

  • 2.1.1

    De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging buiten de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen.

  • 2.1.2

    De verpakking van gevaarlijk afval moet zodanig zijn, dat:

    • a.

      niets van de inhoud uit de verpakking kan ontsnappen;

    • b.

      het materiaal van de verpakking niet door gevaarlijke stoffen kan worden aangetast, dan wel met die gevaarlijke stoffen een reactie kan aangaan dan wel een verbinding kan vormen;

    • c.

      deze tegen normale behandeling bestand is;

    • d.

      deze is voorzien van een etiket, waarop de gevaar aspecten van de gevaarlijke stof duidelijk tot uiting komen.

  • 2.1.3

    Afvalstoffen moeten zodanig gescheiden van elkaar worden opgeslagen, dat de verschillende soorten afvalstoffen ten opzichte van elkaar geen reactiviteit kunnen veroorzaken.

  • 2.1.4

    De termijn van opslag van afvalstoffen die binnen de inrichtng zijn ontstaan, mag maximaal één jaar bedragen. In afwijking hiervan mag de termijn van opslag van afvalstoffen maximaal drie jaar bedragen indien de vergunninghouder aan het bevoegd gezag heeft aangetoond dat de opslag van afvalstoffen gevolgd wordt door nuttige toepassing van afvalstoffen.

2.2 Acceptatie van afvalstoffen afkomstig van buiten de inrichting

  • 2.2.1

    De termijn van opslag van afvalstoffen die afkomstig zijn van buiten de inrichting mag maximaal één jaar bedragen. In afwijking hiervan mag de termijn van opslag van afvalstoffen maximaal drie jaar bedragen, indien de vergunninghouder aan het bevoegd gezag heeft aangetoond dat de opslag van afvalstoffen gevolgd wordt door nuttige toepassing van afvalstoffen.

  • 2.2.2

    Binnen de inrichting worden uitsluitend plantaardige stoffen geaccepteerd die staan genoemd in bijlage Aa, onderdeel IV, categorie A tot en met G1 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (geldend van 20-02-2021 of diens rechtsopvolger).

  • 2.2.3

    Stoffen die zijn genoemd in Bijlage Aa, onderdeel IV, categorie G1 moeten voldoen aan de in bijlage II, onder tabel 1, bij het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet opgenomen maximale waarden voor zware metalen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel en de in bijlage II, onder tabel 4, bij het besluit opgenomen maximale waarden voor organische microverontreinigingen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel.

  • 2.2.4

    Binnen de inrichting wordt geen dierlijke mest geaccepteerd.

  • 2.2.5

    Op enig moment mag niet meer dan 12.050 kubieke meter vloeibare afvalstoffen en 17.500 kubieke meter vaste afvalstoffen worden opgeslagen. Per jaar mag in totaal maximaal 300.000 ton afvalstoffen worden geaccepteerd.

  • 2.2.6

    Indien de afzet van de opgeslagen afvalstoffen stagneert, geeft de vergunninghouder dit onverwijld schriftelijk te kennen aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat ten minste gegevens over de oorzaak van de stagnatie en de verwachte tijdsduur, alsmede de maatregelen die worden genomen om de stagnatie op te heffen, respectievelijk in de toekomst te voorkomen.

2.3 A&V-beleid en AO/IC:

  • 2.3.1

    Het bij de aanvraag gevoegde AV-beleid en/of de AO/IC moet met de volgende onderdelen worden aangepast dan wel aangevuld. Deze moeten binnen drie maanden na inwerking treden van deze vergunning ter goedkeuring aan het bevoegd gezag zijn voorgelegd:

    • a.

      AV-beleid:

      • I.

        In het acceptatie schema op pagina 3 moet worden verwezen naar de juiste onderdelen van Bijlage Aa van het Uitvoeringregeling Meststoffenwet;

      • II.

        Omdat binnen de inrichting alleen grondstoffen van plantaardige herkomst mogen worden verwerkt dient de verwijzing de Europese verordening dierlijke bijproducten (pagina 3, 16 en pagina 20) te worden verwijderd;

      • III.

        Het toekennen van een Euralcode aan een afvalstof moet plaatsvinden tijdens de vooracceptatieprocedure en niet bij de acceptatieprocedure;

      • IV.

        Aanvulling dat monstername en analyses van de stoffen genoemd onder categorie G1 van bijlage Aa van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet worden uitgevoerd overeenkomstig het gestelde in het Besluit Meststoffenwet;

      • V.

        Binnen de inrichting mogen geen grondstoffen worden verwerkt die niet vallen onder de bijlage Aa, onderdeel IV, categorie A t/mG1 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Registratie van afvalstoffen die daar niet onder vallen vindt daarom niet plaats. Hoofdstuk 6 moet daarop worden aangepast;

      • VI.

        De in bijlage 3 genoemde afvalstoffen mogen alleen worden geaccepteerd indien deze vallen onder bijlage Aa, onderdeel IV, categorie A t/mG1 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Dit dient in bijlage 3 te worden opgenomen.

  • 2.3.2

    Tenzij de voorschriften in deze vergunning anders bepalen moet de vergunninghouder altijd handelen overeenkomstig het bij de aanvraag gevoegde A&V-beleid en de AO/IC inclusief (voorzover van toepassing) de goedgekeurde aanvullingen en de toegezonden wijzigingen.

  • 2.3.3

    Het A&V-beleid en de AO/IC en de doorgevoerde wijzigingen moeten gedurende de openingstijden van de inrichting voor het bevoegd gezag ter inzage liggen.

  • 2.3.4

    Wijzigingen van de procedure voor acceptatie, be- en verwerking, registratie of controle moeten, ter bepaling van de procedure die in relatie tot de aard van de wijziging is vereist, schriftelijk aan het bevoegd gezag worden voorgelegd. In het voornemen tot wijziging moet het volgende aangegeven worden:

    • a.

      de reden tot wijziging;

    • b.

      de aard van de wijziging;

    • c.

      de gevolgen van de wijziging voor andere onderdelen van het A&V-beleid en de AO/IC;

    • d.

      de datum waarop vergunninghouder de wijziging wil invoeren.

    • e.

       

  • Pas na beoordeling/goedkeuring van bevoegd gezag mag de wijziging doorgevoerd worden.

2.4 Registratie

  • 2.4.1

    In de inrichting moet een registratiesysteem aanwezig zijn, waarin van alle aangevoerde afvalstoffen het volgende moet worden vermeld:

    • a.

      de datum van aanvoer;

    • b.

      de aangevoerde hoeveelheid (kg);

    • c.

      de naam en adres van de locatie van herkomst;

    • d.

      de naam en adres van de ontdoener;

    • e.

      de gebruikelijke benaming van de afvalstoffen;

    • f.

      de euralcode (indien van toepassing);

    • g.

      het afvalstroomnummer (indien van toepassing).

  • 2.4.2

    In de inrichting moet van alle aangevoerde hulpstoffen die bij de verwerking van afvalstoffen worden gebruikt, het volgende worden geregistreerd:

    • a.

      benaming hulpstof;

    • b.

      de datum van aanvoer;

    • c.

      de aangevoerde hoeveelheid;

    • d.

      de naam en adres van de leverancier.

  • 2.4.3

    In de inrichting moet eveneens een registratiesysteem aanwezig zijn, waarin van alle afgevoerde afvalstoffen, (grond)stoffen of producten die bij de verwerking zijn ontstaan het volgende moet worden vermeld:

    • a.

      de datum van afvoer;

    • b.

      de afgevoerde hoeveelheid (kg);

    • c.

      de afvoerbestemming;

    • d.

      de naam en adres van de afnemer;

    • e.

      de gebruikelijke benaming van de (afval)stoffen;

    • f.

      de Euralcode (indien van toepassing);

    • g.

      het afvalstroomnummer (indien van toepassing).

  • 2.4.4

    Van de reeds ingewogen afvalstoffen die op grond van een acceptatievoorschrift van deze vergunning niet mogen worden geaccepteerd, moet een registratie bijgehouden worden waarin staat vermeld:

    • a.

      de datum van aanvoer;

    • b.

      de aangeboden hoeveelheid (kg);

    • c.

      de naam en adres van plaats herkomst

    • d.

      de reden waarom de afvalstoffen niet mogen worden geaccepteerd;

    • e.

      de Euralcode;

    • f.

      het afvalstroomnummer (indien van toepassing);

    • g.

      de datum van afvoer;

    • h.

      de naam en adres van plaats afvoer.

  • 2.4.5

    Ten behoeve van de registratie als bedoeld in dit hoofdstuk moet een registratiepost aanwezig zijn. De hoeveelheden die op grond van dit hoofdstuk moeten worden geregistreerd, moeten worden bepaald door middel van een in de inrichting aanwezige weegvoorziening. De weegvoorziening(en) waarvan gebruik wordt gemaakt moet(en) overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften van het Nederlands Meetinstituut zijn geijkt. Op aanvraag moeten geldige certificaten van weegvoorziening(en) aan het bevoegd gezag ter inzage worden gegeven.

  • 2.4.6

    Er moet een sluitend verband bestaan tussen de (afval)stoffenregistratie als bedoeld in dit hoofdstuk en de financiële administratie.

  • 2.4.7

    Uiterlijk 1 april van elk kalenderjaar moet een sluitende massabalans over het voorgaande jaar aan het bevoegd gezag worden gezonden. In deze balans moet duidelijk onderscheid worden gemaakt naar de aard van de stoffen. De balans moet het volgende bevatten:

    • a.

      de voorraad grondstoffen en afvalstoffen aan het begin en aan het einde van het voorafgaande jaar;

    • b.

      de ontvangen hoeveelheden grondstoffen en afvalstoffen in dat jaar;

    • c.

      de verwerkte hoeveelheden grondstoffen en afvalstoffen in dat jaar;

    • d.

      de afgevoerde hoeveelheden afvalstoffen en deelstromen en eindproducten (inclusief vermelding van bestemming);

    • e.

      een verklaring van de verschillen in de massabalans.

  • 2.4.8

    Alle op grond van dit hoofdstuk te registreren gegevens moeten dagelijks worden bijgehouden en samen met de in het vorige voorschrift genoemde rapportage gedurende ten minste vijf jaar binnen de inrichting worden bewaard en aan de daartoe bevoegde personen op aanvraag ter inzage worden gegeven.

3 Afvalwater 

3.1 Algemeen

  • 3.1.1

    Bedrijfsafvalwater mag uitsluitend in een openbaar vuilwaterriool worden gebracht, als door de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid ervan:

    • a.

      de doelmatige werking niet wordt belemmerd van een openbaar vuilwaterriool of de bij een zodanig openbaar vuilwaterriool of zuivering technisch werk behorende apparatuur;

    • b.

      de verwerking niet wordt belemmerd van slib, verwijderd uit een openbaar vuilwaterriool of een zuivering technisch werk;

    • c.

      de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt.

  • 3.1.2

    Bedrijfsafvalwater dat op het riool wordt geloosd moet aan de volgende eisen voldoen:

    • a.

      de temperatuur in enig steekmonster mag niet hoger zijn dan 30°C, bepaald volgens NEN 6414 (2008);

    • b.

      de zuurgraad, uitgedrukt in pH-eenheden, mag niet lager dan 6,5 en niet hoger zijn dan 10 in een steekmonster, bepaald volgens NEN-ISO 10523 (2012);

    • c.

      het sulfaatgehalte in enig steekmonster mag niet meer dan 300 mg/l bedragen, bepaald volgens NEN 6487 (1997), NEN-ISO 22743:2006 of NEN-ISO 22743:2006/C1:2007.

  • 3.1.3

    Als de vergunninghouder gebruik wil maken van een andere analyse of methode, moet deze geaccrediteerd zijn door de Raad van Accreditatie, of moet door de vergunninghouder worden aangetoond dat verkregen analyseresultaten vergelijkbaar zijn met de analyse volgens de Nen-norm.

  • 3.1.4

    De volgende stoffen mogen niet worden geloosd in het openbaar vuilwaterriool:

    • a.

      stoffen die brand- en explosiegevaar kunnen veroorzaken;

    • b.

      stoffen die stankoverlast buiten de inrichting kunnen veroorzaken;

    • c.

      stoffen die verstopping of beschadiging van een openbaar vuilwaterriool of van de daaraan verbonden installaties kunnen veroorzaken;

    • d.

      grove afvalstoffen bevat of

    • e.

      snel bezinkende afvalstoffen bevat van meer dan 0,75 mm, bepaald met behulp van een testzeef volgens ISO 3310-01.

3.2 Lozing effluent zuivering

  • 3.2.1.

    De ingevolge deze vergunning via de gemeentelijke riolering en de rioolwaterzuiveringsinstallatie te Harlingen te lozen afvalwaterstroom mag uitsluitend bestaan uit het effluent zuivering, afkomstig van Sustainable Fuel Production Friesland BV aan de Lange Lijnbaan ongenummerd in Harlingen en aangegeven op de bij de aanvraag gevoegde tekening.

  • 3.2.2

    De lozing van het effluent zuivering op de riolering is toegestaan tot 5 jaar na het in werking treden van deze vergunning.

  • 3.2.3

    Het te lozen effluent zuivering mag een hoeveelheid van 25 m3/uur en 500 m3/etmaal niet overschrijden.

  • 3.2.4

    In het effluent zuivering mogen ter plaatse van de in voorschrift 3.3.1 bedoelde meetvoorziening, de hierna genoemde parameters de bijbehorende concentratie niet overschrijden:

Parameter

Concentratie in mg/l

CZV

250*

BZV5

10**

N-totaal

60*

NH4-N

15*

P-totaal

5*

pH

6,5<pH<10**

* als gemiddelde van 7 aaneengesloten debietproportionele etmaalmonsters

** gemeten in een willekeuring steekmonster

3.3 Meetvoorziening

  • 3.3.1.

    Het te lozen effluent zuivering dient te allen tijde te kunnen worden onderworpen aan continue debietmeting en debietproportionele bemonstering. Daartoe dient deze afvalwaterstroom via een doelmatig functionerende meetvoorziening te worden geleid die de goedkeuring behoeft van het bevoegd gezag.

  • 3.3.2

    De meetvoorziening dient zodanig te worden geplaatst dat deze voor inspectie goed bereikbaar en toegankelijk is.

  • 3.3.3

    De in voorschrift 3.3.1 bedoelde voorzieningen moeten doelmatig functione­ren, in goede staat van onder­houd verkeren en met deskundig­heid en zorg worden behan­deld. Aanwijzingen hierom­trent door of namens het bevoegde gezag moeten worden opgevolgd.

3.4 Meet- en rapportageverplichting

  • 3.4.1

    Het te lozen effluent zuivering dient ter plaatse van de meetvoorziening zes ­maal per jaar gedurende een periode van zeven aaneengesloten dagen te wor­den gecontro­leerd door of vanwege de vergun­ninghou­der.

  • 3.4.2

    De in voorschrift 3.4.1 genoemde controle betreft de analyse van de volgende parame­ters, bepaald volgens de bijbehorende analysemethode en gemeten in een steekmonster:

Parameter

Analysemethode

chemisch zuurstof verbruik

BZV5

N-totaal

NH4-N

P-totaal

pH

NEN 6633

NEN-EN 1899-1

NEN-ISO 29441

NEN 6645 / NEN 6646

NEN-EN-ISO 15681-2

NEN-EN-ISO 10523

  • 3.4.3

    De meet- en analyseresultaten met betrekking tot het te controleren afvalwater moeten binnen zes weken na afloop van de controle als weekoverzicht worden gerapporteerd aan het bevoegd gezag.

  • 3.4.4

    De rapportage van de meet-, bemonsterings- en analyseresultaten van het afvalwater moet de volgende informatie bevatten:

    • a.

      kenmerk beschikking;

    • b.

      type afvalwater (naam afvalwaterstroom);

    • c.

      bemonsteringssituatie:

    • d.

      monsternametoestel;

    • e.

      monsternameplaats (naam controleput);

    • f.

      bemonsteringsdatum en tijd;

    • g.

      in tabel: de geanalyseerde parameters met gehalte + eenheid, vergunningseis met aanduiding van overschrijding;

    • h.

      bijzonderheden (weersomstandigheden, technische mankementen enz.);

    • i.

      naam metende instantie.

  • 3.4.5

    De monsterneming en conservering dienen te worden uitge­voerd volgens de volgende methoden:

monsterneming

NEN 6600-1 (afvalwater)

conservering

NEN-EN-ISO 5667-3 of het SIKB protocol

  • 3.4.6

    Indien uit de onderzoeksresulta­ten blijkt dat met een lagere onder­zoeksfre­quen­tie of met een geringer aantal parame­ters of ­stoffen kan worden vol­staan, kan het bevoegd gezag op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek besluiten.

3.5 Algemene Beoordelingsmethodiek (ABM)

  • 3.5.1

    Indien de vergunninghouder voornemens is om stoffen en mengsels te gaan gebruiken die niet in de aanvraag zijn vermeld en die mogelijkerwijs in het afvalwater kunnen geraken, dan toetst de vergunninghouder deze stoffen volgens de algemene beoordelingsmethodiek (ABM) zoals bedoeld in de overwegingen.

  • 3.5.2

    De in voorschrift 3.5.1 bedoelde stoffen en mengsels die volgens de ABM zijn toegestaan (inspanningsverplichting C), moeten vóór gebruik gemeld worden aan het bevoegd gezag.

  • 3.5.3

    Wanneer een stof of mengsel niet aan de voorwaarden voldoet (saneringsinspanning Z, A of B), kan worden verzocht om de stof/het preparaat te toetsen. Een verzoek daartoe dient minimaal een maand voorafgaand aan het gebruik van de stof/het preparaat te worden gericht aan het bevoegd gezag.

3.6 Calamiteiten

  • 3.6.1

    Indien als gevolg van een calamiteit of andere uitzonderlijke omstandigheid niet aan de gestelde voorschriften wordt voldaan of kan worden voldaan, dient de vergunninghouder onmiddellijk maatregelen te treffen. De maatregelen dienen de nadelige invloed van de lozing op de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater en/of doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te beperken of ongedaan te maken.

3.7 Proefnemingen

  • 3.7.1

    Vergunninghouder mag - mits hiervoor vooraf schriftelijk goedkeuring is verleend door het bevoegd gezag en bij wijze van proef - andere dan in deze vergunning opgenomen technische installaties en/of alternatieve grond- en hulpstoffen toepassen om een stabiele lozing op de RWZI te realiseren. Goedkeuring wordt slechts verleend indien de proefneming noodzakelijk is om informatie te vergaren over de technische haalbaarheid van de andere toepassing en deze informatie niet op een andere wijze kan worden verkregen.

  • 3.7.2

    Voordat goedkeuring kan worden verleend voor een proef ,moeten minimaal zes weken voor aanvang van de proef de volgende gegevens schriftelijk aan het bevoegd gezag worden verstrekt:

    • a.

      het doel en de noodzaak van de proefneming;

    • b.

      een beschrijving van de alternatieve stof of van de alternatieve techniek of het alternatieve proces, met vermelding van de capaciteit inclusief eventuele wijzigingen in installaties en procesvoeringen;

    • c.

      de te verwachten wijziging in emissies en verbruiken, aangegeven met behulp van massabalansen en de verwachte wijziging in gevolgen voor het milieu;

    • d.

      de wijze waarop tijdens de proefneming processen en emissies, gevolgen voor het milieu en de verbruiken zullen worden beheerd en geregistreerd;

    • e.

      de hoeveelheid in te zetten materiaal;

    • f.

      de duur van de proef.

  • 3.7.3

    Het bevoegd gezag kan naar aanleiding van een onderzoeksopzet goedkeuring onthouden dan wel nadere eisen stellen aan de proefneming. Deze nadere eisen kunnen een beperking van duur of een beperking van de bij de proefnemingen te verwerken hoeveelheid materiaal betekenen. Tevens kunnen nadere eisen gesteld worden aan de milieu hygiënische randvoorwaarden van de proefnemingen.

  • 3.7.4

    De proefneming mag uitsluitend worden uitgevoerd binnen de aan de goedkeuring verbonden voorwaarden. Zodra blijkt dat deze randvoorwaarden niet in acht genomen (kunnen) worden of dat de gevolgen voor het milieu groter zijn dan voorzien, moet de proef onmiddellijk gestopt worden.

  • 3.7.5

    De resultaten van de proefneming moeten uiterlijk drie maanden na beëindiging van de proefneming aan het bevoegd gezag worden overgelegd.

4 ENERGIE

4.1 Energievoorschriften (grootverbruiker)

  • 4.1.1

    In het kader van de investeringsbeslissing van de toe te passen installaties dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de energie-efficiëntie van de elektromotoren en de hiermee aangedreven systemen. Uitgangspunt daarbij moet zijn dat de elektromotoren voldoen aan IE-Klasse 4. Indien wordt gemotiveerd dat dat niet mogelijk is, mogen elektromotoren die voldoen aan IE-klasse 3 worden toegepast. Maatregelen die een terugverdientijd hebben van vijf jaar of korter, dienen te worden toegepast.

    De resultaten van het onderzoek moet voor 1 juli 2022 aan het bevoegd gezag worden toegezonden.

  • 4.1.2

    Vergunninghouder dient uiterlijk 1 april 2026 en vervolgens elke vier jaar vóór 1 juli de rapportage van een energieonderzoek ter goedkeuring in bij het bevoegd gezag. Het energieonderzoek heeft tot doel om de rendabele en technisch haalbare energie-efficiënte maatregelen te identificeren. De rapportage van het onderzoek moet de volgende gegevens bevatten:

    • a.

      een beschrijving van de processen, faciliteiten en gebouwen (per bedrijfsonderdeel);

    • b.

      een beschrijving van de energiehuishouding, dat wil zeggen een overzicht van de energiebalans van de totale inrichting, met daarin:

      • het energieverbruik van de hele inrichting, waarvan ten minste 90% is toebedeeld aan individuele installaties en (deel)processen;

      • de uitgaande energiestromen, waarbij ten minste 90% van de uitgaande hoeveelheid energie wordt benoemd. Per energiestroom wordt het vermogen, temperatuurniveau en het medium aangegeven;

      • een overzicht van intern hergebruikte energiestromen, waarbij ten miste 90% van de hergebruikte energie wordt benoemd;

    • c.

      voor de hierboven onder b. bedoelde individuele installaties en (deel)processen, de relevante uitgaande energiestromen en de intern hergebruikte energiestromen: een overzicht van alle maatregelen (technieken en voorzieningen) die in de branche als beste beschikbare techniek kunnen worden beschouwd en mogelijk rendabel zijn. Als er dergelijke maatregelen zijn, die niet zijn onderzocht, dan wordt de reden daarvan in de rapportage gemotiveerd.

       

      Per maatregel wordt een berekening van de terugverdientijd opgesteld volgens de methodiek zoals beschreven in bijlage 10a van de Activiteitenregeling milieubeheer, tenzij vergunninghouder onderbouwt waarom het niet noodzakelijk is om voor deze maatregel een terugverdientijd te bepalen. Op basis van deze berekening wordt per maatregel de conclusie getrokken dat de maatregel rendabel of niet rendabel is;

    • d.

      een overzicht van mogelijke organisatorische (waaronder bedieningsinstructies) en good housekeeping maatregelen (waaronder onderhoud) die leiden tot energiebesparing;

    • e.

      een energie-uitvoeringsplan waarin het volgende is opgenomen:

      • een omschrijving van de maatregel, waaruit blijkt wat de maatregel inhoudt en in welk deel van de inrichting deze wordt toegepast;

      • voor alle rendabele maatregelen en mogelijke organisatorische (waaronder bedieningsinstructies) en good housekeeping maatregelen (waaronder onderhoud), wanneer die zullen worden getroffen;

      • als er rendabele maatregelen niet worden uitgevoerd, een motivering waarom dit niet gebeurt;

    • f.

      de verrichte en voorgenomen inspanningen wat betreft verduurzaming van het energieverbruik van de inrichting en de barrières die daarbij geslecht moeten worden. Deze inspanningen zijn erop gericht uiterlijk in 2050 het energieverbruik volledig te hebben verduurzaamd.

  • 4.1.3

    Als de installaties niet zijn gewijzigd, kan voor de actualisatie van het energieonderzoek volstaan worden met een actualisatie van de onderdelen c. tot en met f. uit het energieonderzoek als bedoeld in voorschrift 4.1.2.  

  • 4.1.4

    Indien uit het energieonderzoek blijkt dat er geen rendabele maatregelen zijn te treffen, dan vervalt de verplichting voor het aanwezig hebben van een energie-uitvoeringsplan voor de betreffende vierjaarlijkse onderzoeksperiode van het energieonderzoek.

  • 4.1.5

    Vergunninghouder verbetert de energie-efficiëntie van de inrichting door alle rendabele maatregelen en mogelijke organisatorische en good housekeeping maatregelen die leiden tot energiebesparing uit het energie-uitvoeringsplan uit te voeren, binnen de termijn die per maatregel in het plan is aangegeven.

  • 4.1.6

    Vergunninghouder mag een maatregel uit het energie-uitvoeringsplan vervangen door een gelijkwaardig alternatief, op voorwaarde dat de gelijkwaardigheid in het energiedeel van het milieujaarverslag of anderszins richting het bevoegd gezag wordt gemotiveerd. Onder gelijkwaardig wordt verstaan dat de alternatieve maatregel minstens evenveel bijdraagt aan de verbetering van de energie-efficiëntie en geen stijging geeft van de milieubelasting ten opzichte van de te vervangen maatregel.

  • 4.1.7

    Binnen de inrichting moet het energieonderzoek met het energie-uitvoeringsplan aanwezig zijn voor het uitvoeren van de in de bovenstaande voorschriften genoemde energiemaatregelen.

  • 4.1.8

    Vergunninghouder registreert de voortgang van de uitvoering van de maatregelen uit het energie-uitvoeringsplan. Deze registratie is op verzoek beschikbaar voor het bevoegd gezag.

  • 4.1.9

    Vergunninghouder moet vanaf 2027 jaarlijks, voor 1 april, aan het bevoegd gezag rapporteren over ontwikkelingen op energiegebied binnen de inrichting.

    Deze rapportage moet ten minste de volgende onderwerpen omvatten:

    • a.

      een energiebalans van de inrichting van het voorgaande kalenderjaar, met daarin zowel de ingekochte hoeveelheden energie per energiedrager, de hergebruikte hoeveelheden energie als de uitgaande energiestromen, inclusief vermogens en temperatuurniveaus;

    • b.

      energiemaatregelen die in het kader van het energie-uitvoeringsplan zijn genomen;

    • c.

      (indien van toepassing) wijzigingen in de tijdsplanning van de activiteiten uit het energie-uitvoeringsplan, vergezeld van motivering;

    • d.

      (indien van toepassing) vervanging van maatregelen door een gelijkwaardige energiebesparende maatregel, vergezeld van motivering;

    • e.

      (indien van toepassing) de energierelevante investeringsbeslissingen zoals bedoeld in voorschrift 4.1.10, vergezeld van motivering.

  • 4.1.10

    Bij het nemen van energierelevante investeringsbeslissingen moet vergunninghouder energiezuinigere alternatieven onderzoeken, tenzij deze beslissing betrekking heeft op maatregelen die al in het energieonderzoek zijn opgenomen. Indien een energiezuiniger alternatief in vijf jaar of korter terug te verdienen is, moet voor dat alternatief gekozen worden. De gemaakte keuzes moeten worden gemeld en onderbouwd in de jaarlijkse rapportage, zoals beschreven in voorschrift 4.1.9.

5 Externe veiligheid

5.1 Algemeen 

  • 5.1.1

    De binnen de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen mogen de hoeveelheden zoals opgenomen in onderstaande tabellen niet overschrijden.

  • 5.1.2

    De binnen de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen bij toepassing van de sommatieregels (zoals genoemd in aantekening 4, behorende bij I van de richtlijn 2012/18/EU van 4 juli 2012) mogen niet resulteren in een uitkomst die ten opzichte van de lage drempel van de Seveso III richtlijn groter is dan of gelijk is aan 1. 

Categorie**

H-zinnen

Drempelwaarde Seveso

Deel 1: P2, Ontvlambare gassen

H221

0,11

Deel 2: 35, Watervrije ammoniak

H221, H331, H400

2% regel

Deel 2: 34, Diesel

nvt

2% regel

Deel 2: 15, Waterstof (calibratiegas)

H220

2% regel

Deel 2: 18, LNG

H220

0,86

Stof

Wijze van opslag, inclusief bijbehorend leidingwerk

Locatie

ADR-klasse

Verpakkings-groep

H-zinnen

Maximale hoeveelheid (ton)

Biogas

Vergisters/navergisters

40

2.1

N.A.

H221

1,1

Ammoniak

Koelinstallaties 4x

28

2.3+8

N.A.

H331

1

Diesel

Tank

T2

3

3

nvt

1,7

Waterstof

Gascilinder

T5

2.1

N.A.

H220

0,0005

LNG

Tanks 2x

S3

2.1

N.A.

H220

43

** Als bedoeld in richtlijn 2012/18/EU van 4 juli 2012

  • 5.1.3

    Binnen de inrichting dient een realtimeregistratie aanwezig te zijn, waarmee kan worden aangetoond dat aan het in voorschrift 5.1.2 van deze vergunning gestelde wordt voldaan.

5.2 Procesinstallaties

  • 5.2.1

    Uit de ontwerpspecificaties moet blijken dat het ontwerp van installaties, leidingen, equipment en apparatuur, passend is met het gebruik, waarbij rekening is gehouden met het gebruikte medium (resistentie materiaal) en de procescondities.

  • 5.2.2

    De operation windows (kader werkproces/procesparameters) voor normaal gebruik zijn vastgelegd in protocollen en bekend bij de medewerkers die de taak en bevoegdheid hebben om de processen aan te sturen en te bewaken. Dit zijn procescondities die gestuurd worden op de parameters druk, temperatuur en doorstroming. Het betreft ten minste de operationele procescondities die voor milieu en veiligheid relevant zijn.

  • 5.2.3

    Er is apparatuur aanwezig die de normale bedrijfsvoering monitort en de operator alarmeert wanneer deze buiten zijn operation windows treedt. Operationele bijsturing is daarop mogelijk. De instelwaarden van deze operationele parameters zijn vastgelegd in protocollen en in registratiesystemen en zijn bij de operationele medewerkers bekend.

  • 5.2.4

    Veiligheidsrelevante procesparameters sturen automatisch beveiligingen aan, zodat de installatie in fail safe-modus terecht komt, wanneer de situatie daar om vraagt.

    Hiervan mag worden afgeweken in het geval daartoe goede redenen zijn. Deze afwijking moet zijn voorzien van een onderbouwing en heeft goedkeuring nodig van het bevoegd gezag. Binnen een half jaar na inwerkingtreding van de vergunning moet de onderbouwing worden aangeleverd.

  • 5.2.5

    Instrumentele en mechanische beveiligingen zijn geschikt voor hun doel. De juiste dimensionering van de mechanische beveiliging maakt onderdeel uit van de geschiktheid.

  • 5.2.6

    De alarmeringen van de veiligheidsrelevante parameters bestaan uit een duidelijk onderscheidend akoestisch geluid ten opzichte van de operationele alarmering en beschikken over een zwaailicht dat in de controlekamer zichtbaar is.

  • 5.2.7

    Meet- en regelsystemen dienen zo te zijn ontworpen dat inspectie en onderhoud mogelijk zijn. Tijdens deze inspecties en controles dient de veilige bedrijfsvoering te zijn gegarandeerd.

  • 5.2.8

    Het meet- en regelsysteem is dusdanig ontworpen dat bij uitval van één regeling, de controle over de bedrijfsvoering in controle blijft.

  • 5.2.9

    Het activeren en verloop van de veiligheidsrelevante alarmeringen die boven de ontwerpnorm uitkomen, worden automatisch vastgelegd en geregistreerd, zodat evaluatie naderhand mogelijk is.

  • 5.2.10

    Ter voorkoming van ongewenste uitstroming moeten productafsluiters in productieleidingen die naar de lucht afvoeren en die tijdens normaal bedrijf niet worden gebruikt (maar wel ten behoeve van bijvoorbeeld onderhoudswerkzaamheden), zijn voorzien van blindflenzen of afsluitdoppen.

  • 5.2.11

    Procesleidingen, tanks, vast opgestelde procesapparatuur, los- en laadpunten, emballage en dergelijke moeten voor zover deze betrekking hebben op stoffen waarop het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen van toepassing is, zijn voorzien van een codering, waaruit blijkt welke (soort) stof daarin aanwezig is.

  • 5.2.12

    De installaties moeten worden beschermd tegen verlies van stoffen door corrosie en beschadigingen.

5.3 Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen

  • 5.3.1

    De opslag van verpakte gevaarlijke stoffen (< 10.000 kg) moet voldoen aan de volgende voorschriften van PGS 15 (2021 versie 1.0 interim):

    • a.

      voorschriften 3.1.1 tot en met 3.1.5;

    • b.

      voorschriften 3.2.1 tot en met 3.2.12;

    • c.

      voorschriften 3.3.1 tot en met 3.3.3;

    • d.

      voorschriften 3.4.1 tot en met 3.4.11;

    • e.

      voorschriften 3.5.1 tot en met 3.5.3;

    • f.

      voorschriften 3.6.1;

    • g.

      voorschriften 3.7.1 tot en met 3.7.7;

    • h.

      voorschriften 3.10.1;

    • i.

      voorschriften 3.11.1 tot en 3.11.3;

    • j.

      voorschriften 3.12.1;

    • k.

      voorschriften 3.13.1 tot en met 3.13.3;

    • l.

      voorschriften 3.14.1 en 3.14.2;

    • m.

      voorschriften 3.15.1 en 3.15.2;

    • n.

      voorschriften 3.16.1;

    • o.

      voorschriften 3.18.1.

5.4 Opslag van gasflessen (ADR-klasse 2)

  • 5.4.1

    De opslag van gasflessen (ADR-klasse 2) moet in de speciaal daarvoor bestemde ruimte plaats vinden en moet voldoen aan de volgende voorschriften van PGS 15 (2021 versie 1.0 interim):

    • a.

      voorschriften 6.1.1 tot en met 6.1.6;

    • b.

      voorschriften 6.2.1 tot en met 6.2.2;

    • c.

      voorschriften 6.2.4 tot en met 6.2.19;

    • d.

      voorschriften 6.3.1 tot en met 6.3.6.

5.5 Cryogene gasopslag (kooldioxide en stikstof) in een bovengrondse tank

  • 5.5.1

    De cryogene opslag van kooldioxide (CO2) in reservoirs moet voldoen aan de volgende voorschriften van PGS 9 (2021 versie 1.0):

    • a.

      voorschrift M1;

    • b.

      voorschrift M3;

    • c.

      voorschrift M5 t/m M10;

    • d.

      voorschrift M13;

    • e.

      voorschrift M16 t/m M18;

    • f.

      voorschrift M22;

    • g.

      voorschrift M23;

    • h.

      voorschrift M26;

    • i.

      voorschrift M27;

    • j.

      voorschrift M36;

    • k.

      voorschrift M37;

    • l.

      voorschrift M47 t/m M49;

    • m.

      voorschrift M51;

    • n.

      voorschrift M52;

    • o.

      voorschrift M56;

    • p.

      voorschrift M59;

    • q.

      voorschrift M63.

  • Waar in een aantal gevallen in de voorschriften wordt gesproken over: "overslag uit een tankauto of het vullen van een opslagvoorziening" moet dit voor deze vergunning worden gelezen als: "het vullen van de tankauto".

  • 5.5.2

    Bij strijdigheden van het gestelde in het voorgaande voorschrift (PGS 9), zijn de voorschriften van dit besluit bepalend.

5.6 Opslag chemicaliën (natronloog, zwavelzuur en ijzerchloride) in bovengrondse tanks

  • 5.6.1

    De opslag van ADR klasse 8, verpakkingsgroep II en III zonder bijkomend gevaar in een bovengrondse enkelwandige en dubbelwandige opslagtanks, moet voldoen aan de volgende bepalingen van de PGS 31 (2021 versie 1.0 interim):

    • a.

      voorschriften 2.2.1, 2.2.6, 2.2.7, 2.2.8, 2.2.11, 2.2.15, 2.2.16, 2.2.21 t/m 2.2.23, 2.2.28;

    • b.

      voorschriften 3.1.1, 3.1.2, 3.2.1 t/m 3.2.9, 3.2.14 tot en met 3.2.20;

    • c.

      voorschriften 5.7.1 en 5.8.1;

    • d.

      voorschriften 6.2.1, 6.2.3, 6.4.1, 6.4.2, 6.7.1. tot en met 6.7.4, 6.8.1 tot en met 6.8.3.

  • 5.6.2

    Onverminderd het gestelde in voorschrift 5.6.1 van deze vergunning moeten dubbelwandige tanks tevens voldoen aan de volgende bepalingen van de PGS 31 (2021 versie 1.0 interim):

    • a.

      voorschriften 2.2.19, 2.2.20, 2.2.23, 2.2.24, 2.2.27, 2.2.28 en 2.2.29;

    • b.

      voorschrift 5.4.2 tot en met 5.4.4, 5.6.1 t/m 5.6.3.

5.7 Bio-LNG installatie

  • 5.7.1

    De afsluiters van de Bio-LNG installatie bevinden zich in de veilige stand wanneer geen bio-LNG wordt geproduceerd, geen Bio-LNG wordt verladen of als er onderhoud aan de installatie plaatsvindt.

  • 5.7.2

    Tijdens het laden van de tankauto dient de tankauto te zijn geaard. De verladingsinstallatie is voorzien van potentiaalvereffening met veiligheidsaarding van statische elektriciteit volgens NEN 1010 en hoofdstuk 8 van NEN-EN-IEC 60204-1.

  • 5.7.3

    Bij toepassing van niet-elektrisch geleidend materiaal is een verbinding van de elektrisch goed geleidende installatieonderdelen gewaarborgd.

  • 5.7.4

    Solenoïden, actuatoren en andere onderdelen van het ESD-systeem (Emergency Shot Down)zijn beschermd tegen bevriezing. De onderdelen zijn aantoonbaar geschikt voor de omgevingstemperatuur en de luchtvochtigheid ter plaatse.

  • 5.7.5

    In de LNG-laadleiding en op aansluitingen van de LNG-opslagtank (met uitzondering van de drukontlastingsapparatuur en niveaumetingen) zitten op zo kort mogelijke afstand van de LNG-opslagtank met de hand bedienbare afsluiters om onderhoud te kunnen plegen aan de op afstand gestuurde afsluiters of ESD-afsluiters.

  • 5.7.6

    Afsluiters aan de LNG-opslagtank zijn gelast tot en met de eerste ESD-afsluiter. Er zijn inblokafsluiters om onderhoud veilig uit te kunnen voeren. Alle veiligheidsafsluiters hebben een open/dicht-standaanwijzer. De veiligheidsafsluiters sluiten binnen 5 seconden na het wegvallen van de bekrachtigingspanning (activering ESD).

  • 5.7.7

    Een LNG-opslagtank heeft een voorziening waarmee het binnenvat kan worden geleegd en een drukmeter met een meet- en aanwijzingsbereik van ten minste de ontwerpdruk van de LNG-opslagtank.

  • 5.7.8

    De draagconstructie van een LNG-opslagtank behoudt tijdens een normale brand ten minste 60 minuten zijn functie. Deze brandwerendheid wordt bepaald volgens NEN-EN 1363-1.

  • 5.7.9

    De Bio-LNG-tanks moeten zijn uitgevoerd met een hoogniveau-alarminstallatie die een akoestisch signaal geeft in de controlekamer. Daarnaast moet de tank zijn voorzien van een hoogniveau beveiligingsinstallatie die onafhankelijk van de hiervoor genoemde alarminstallatie alarmeert en de toevoer naar de tank automatisch stopt.

  • 5.7.10

    Een goot voor daarin gelegen leidingen is droog, is visueel te inspecteren, is van een draagkrachtige constructie, is zodanig dat gas zich niet kan ophopen en is zodanig dat gas zich niet kan verspreiden naar andere besloten ruimtes.

  • 5.7.11

    Als niet-cryogene leidingen en/of kabels aanwezig zijn in een leidinggoot met cryogene leidingen, dan liggen de niet-cryogene leidingen boven de cryogene leidingen en mogen de leidingen elkaar niet raken.

  • 5.7.12

    Een afblaasvoorziening op de LNG-tank:

    • a.

      blaast af op een veilige plek;

    • b.

      heeft voldoende capaciteit;

    • c.

      kan niet worden afgesloten;

    • d.

      is tegen weersinvloeden en inregenen beschermd;

    • e.

      is van een materiaal dat geschikt is voor de toepassing en condities (druk en temperatuur);

    • f.

      is verankerd en tegen mechanische beschadiging beschermd;

    • g.

      is voorzien van een mogelijkheid om gecondenseerd water te kunnen aftappen;

    • h.

      beschikt over een verticaal uiteinde aan de uitlaatzijde dat lang genoeg is uitgevoerd om eventuele instroming van lucht onmogelijk te maken;

    • i.

      heeft voldoende doorsnede om het vereiste volume bij de maximum ontwerpdruk te kunnen afblazen;

    • j.

      mondt uit op een hoogte die ten minste 1 m hoger is dan het hoogste gebouw binnen een straal van 5 m.

  • 5.7.13

    De hoogte van een afblaasvoorziening is berekend. Met de berekening is aangetoond dat de warmtestraling afkomstig van de fakkel van een afblaasvoorziening lager is dan:

    • a.

      35 kW/m2 op de dubbelwandige en vacuüm geïsoleerde LNG-opslagtank, waarbij de tussenruimte is gevuld met perliet.;

    • b.

      10 kW/m2 op een andere LNG-opslagtank en overige installatieonderdelen en gebouwen binnen de begrenzing van de activiteit;

    • c.

      3 kW/m2 op 1 m boven maaiveld binnen de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht;

    • d.

      1 kW/m2 op 1 meter boven maaiveld buiten de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht.

  • 5.7.14

    Het materiaal van de fakkel is bestand tegen hoge temperaturen bij de uitlaat.

5.8 Verladen Bio-LNG

  • 5.8.1

    De hoeveelheid Bio-LNG dat in tankauto’s wordt verladen bedraagt niet meer dan 18.000 ton Bio-LNG per jaar. De tankauto wordt met maximaal 23,3 ton Bio-LNG geladen. Van de tankautoverladingen met het bijbehorende volume Bio-LNG wordt een registratie bijgehouden.

  • 5.8.2

    De verlading van Bio-LNG is vastgelegd in een procedure. Deze procedure omvat in elk geval:

    • a.

      de te volgen stappen voor het veilig verladen van LNG;

    • b.

      hoe wordt voorkomen dat de LNG-tankauto tijdens het laden kan wegrijden;

    • c.

      het opstellen in de wegrijrichting;

    • d.

      maatregelen bij het aan- en afkoppelen;

    • e.

      het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen;

    • f.

      het afzetten van de locatie.

  • 5.8.3

    De procedure is bekend bij en beschikbaar voor de chauffeur van de LNG-tankauto.

  • 5.8.4

    De chauffeur van de ladende LNG-tankauto zorgt ervoor dat de maximumvullingsgraad in de LNG-tankauto niet wordt overschreden.

  • 5.8.5

    De chauffeur van de LNG-tankauto heeft tijdens de verlading goed zicht op het vullingsniveau en de drukopbouw van de LNG-tankauto.

  • 5.8.6

    Om overschrijding van de maximumvullingsgraad van de tankauto door vloeistofexpansie te voorkomen, moet de maximumvullingsgraad worden bepaald op basis van het ADR.

  • 5.8.7

    Het vullen van de LNG-tankauto start niet voordat de koppeling tussen het ESD-systeem van het verladingspunt en de te beladen LNG-tankauto tot stand is gebracht en is getest.

  • 5.8.8

    De in de laadleiding aanwezige, op afstand bedienbare afsluiter is alleen tijdens het vulproces geopend.

  • 5.8.9

    Het verladen van LNG dient plaats te vinden met een composiet laadslang.

  • 5.8.10

    Voordat de laadslang wordt afgekoppeld, dient de laadslang vloeistofvrij te worden gemaakt.

  • 5.8.11

    De laadslang wordt maandelijks visueel geïnspecteerd en indien nodig vervangen. De laadslang wordt uiterlijk na drie jaar en vervolgens jaarlijks op deugdelijkheid gecontroleerd en hydraulisch beproefd volgens de methode in NEN EN-ISO 21012. Als bij deze beproeving gebreken optreden, wordt alsnog voor vernieuwing van de slang gezorgd.

  • 5.8.12

    De beproeving van de laadslang na drie jaar en daarna jaarlijks, zoals bedoeld in voorschrift 5.8.11 van deze vergunning, dient namens de exploitant van de LNG-tankauto of namens de beheerder van de LNG-installatie door een onafhankelijke deskundige te worden uitgevoerd.

  • 5.8.13

    De visuele inspactie, zoals bedoeld in voorschrift 5.8.11 van deze vergunning, kan door of namens de exploitant van de LNG-tankauto of de beheerder van de LNG-installatie worden uitgevoerd.

  • 5.8.14

    Van de beproeving, zoals bodoeld in voorschrift 5.8.12 van deze vergunning, moet een schriftelijke, gedagtekende verklaring zijn opgemaakt. Deze verklaring moet op verzoek door de chauffeur van de ladende LNG-tankauto kunnen worden getoond.

  • 5.8.15

    Niet voor belading geschikte slangen moeten als zodanig herkenbaar of gemarkeerd zijn.

  • 5.8.16

    De verlading van Bio-LNG vindt niet plaats tijdens onweer.

  • 5.8.17

    Met Bio-LNG geladen tankauto’s worden niet op het terrein van de inrichting geparkeerd. Dit verbod geldt niet voor de periode die nodig is voor het verrichten van de verplichtingen die gelden volgens het ADR voor onder andere het aanbrengen van de juiste etikettering en kenmerking op de tankauto, alsmede voor het verstrekken dn ontvangen van de documenten die bestemd zijn voor het vervoer.

5.9 Veiligheidsvoorzieningen en maatregelen

  • 5.9.1

    Op locaties waar kans is op lekkage van LNG, zijn gasdetectoren aanwezig die continu de LNG-concentratie meten. Gasdetectoren zijn in elk geval aanwezig:

    • a.

      bij het laadpunt van de LNG-tankauto;

    • b.

      op overige locaties waar menselijk handelen met LNG plaatsvindt.

  • 5.9.2

    Bij overschrijding van 10% LEL gaat er een melding naar de beheerder en bij overschrijding van 20% LEL is er ook een akoestisch signaal en een lichtsignaal.

  • 5.9.3

    Het gasdetectiesysteem voldoet aan NEN-EN-IEC 60079-29-2 en NEN-EN 50402 en wordt geïnspecteerd, onderhouden en getest volgens de voorschriften van de fabrikant, met inachtneming van de aanwijzingen in de toepasselijke onderhoudsnormen (indien beschikbaar). Een controle wordt uitgevoerd door een onafhankelijke deskundige op het gebied van gasdetectiesystemen.

  • 5.9.4

    Temperatuurdetectoren zijn in elk geval aanwezig:

    • a.

      nabij het verladingspunt;

    • b.

      nabij de LNG-opslagtank.

  • 5.9.5

    Deze detectoren geven een alarmsignaal bij een temperatuur:

    • a.

      lager dan –30 °C (onderschrijding lage temperatuurgrens);

    • b.

      hoger dan +70 °C (overschrijding hoge temperatuurgrens).

  • 5.9.6

    Bij –30 °C gaat er een melding naar de beheerder en bij +70 °C is er ook een akoestisch signaal en een lichtsignaal.

  • 5.9.7

    Het temperatuurdetectiesysteem wordt geïnspecteerd, onderhouden en getest volgens de voorschriften van de fabrikant, met inachtneming van de aanwijzingen in de toepasselijke onderhoudsnormen (indien beschikbaar). Een controle wordt uitgevoerd door een deskundige op het gebied van temperatuurdetectiesystemen.

  • 5.9.8

    Vlamdetectie is aanwezig. De detector heeft in elk geval overzicht op:

    • a.

      de LNG-opslagtank;

    • b.

      het verladingspunt van de LNG-tankauto;

    • c.

      de pomp of leidingen naar het verladingspunt.

  • 5.9.9

    Bij detectie gaat er een melding naar de beheerder en is er een akoestisch signaal en een lichtsignaal.

  • 5.9.10

    Het vlamdetectiesysteem voldoet aan NEN-EN 54-10 en NEN ISO 7240-10 en wordt geïnspecteerd, onderhouden en getest volgens de voorschriften van de fabrikant, met inachtneming van de aanwijzingen in de toepasselijke onderhoudsnormen (indien beschikbaar). Een controle wordt uitgevoerd door een onafhankelijke deskundige op het gebied van vlamdetectiesystemen.

  • 5.9.11

    In de volgende situaties treedt minimaal het noodstopscenario ESD-1 in werking en vindt doormelding naar de beheerder plaats:

    • a.

      overschrijding van de gasdetectiegrens van 10% LEL bij het verladingspunt;

    • b.

      handmatige activering van een noodstop bij het verladingspunt;

    • c.

      onderschrijding van de lagetemperatuurgrens van de temperatuursensor bij het verladingspunt;

    • d.

      signalering hoog-hoogniveau (overschrijding maximum vullingsgraad) van een bio-LNG tank.

  • 5.9.12

    In de volgende situaties treedt minimaal het noodstopscenario ESD-2 in werking, vindt doormelding naar de beheerder plaats en vindt signalering plaats op locatie met een akoestisch signaal en een lichtsignaal:

    • a.

      overschrijding van de gasdetectiegrens van 20% LEL;

    • b.

      activering van een noodstop;

    • c.

      vloeistofdetectie in de centrale afblaasvoorziening bij een temperatuur van –75 °C;

    • d.

      vlamdetectie;

    • e.

      een extern ESD-signaal;

    • f.

      activering van een noodstop van de ladende LNG-tankauto.

  • 5.9.13

    De LNG-verladingsinstallatie heeft een systeem waarmee verstoringen via een alarmerings- of notificatiesysteem (monitoringsysteem) kenbaar worden gemaakt aan de operator.

  • 5.9.14

    Een werkvergunning is vereist voor alle werkzaamheden waaraan risico’s zijn verbonden maar die onder gecontroleerde omstandigheden en onder bepaalde voorwaarden veilig kunnen worden uitgevoerd. Een schriftelijke werkvergunning is in elk geval vereist in gevallen waar personen in contact kunnen komen met LNG of wanneer LNG anderszins ongecontroleerd kan vrijkomen.

  • 5.9.15

    De schriftelijke werkvergunning wordt afgegeven door de eigenaar van de installatie of de door de eigenaar aangewezen verantwoordelijke.

  • 5.9.16

    Het plaatsen, verplaatsen of verwijderen van een LNG-opslagtank gebeurt uitsluitend in vloeistofloze en gasvrije toestand.

  • 5.9.17

    Het gasvrij maken van een LNG-installatie en het ingassen en vervolgens in werking stellen van een LNG-installatie wordt uitgevoerd volgens een vastgestelde procedure. In deze procedure staat in elk geval:

    • a.

      het drukloos maken van het systeem;

    • b.

      het vloeistofvrij maken van het systeem;

    • c.

      het gasvrij maken van het systeem (inertiseren);

    • d.

      het opwarmen/afkoelen van het systeem volgens de instructies van de fabrikant;

    • e.

      het drogen van het systeem.

  • 5.9.18

    Detectiesystemen worden onderhouden volgens de voorschriften van de fabrikant. De aanwijzingen van beschikbare onderhoudsnormen worden in acht genomen.

  • 5.9.19

    De LNG-installatie is beveiligd tegen bliksem overeenkomstig de beveiligingsklasse die volgt uit een RI&E.

  • 5.9.20

    Op plaatsen waar gevaar van aanrijding bestaat, zijn relevante installatieonderdelen in de aanrijdingsrichting beschermd.

  • 5.9.21

    De terreininrichting, het afschot van de vloeren en de locatie van straatkolken zijn zodanig dat eventueel vrijkomend LNG (spray of lekkage):

    • a.

      niet afloopt naar een straatkolk tenzij kan worden aangetoond dat LNG de straatkolk niet kan bereiken én een voorziening is getroffen om te voorkomen dat gas zich kan ophopen in het rioolsysteem;

    • b.

      niet afloopt naar leidinggoten;

    • c.

      niet afloopt naar een andere installatie met gevaarlijke stoffen;

    • d.

      niet afloopt naar de openbare weg;

    • e.

      zich niet kan ophopen onder het LNG-verladingspunt, de LNG-tankauto;

    • f.

      niet in contact kan komen met gasflessen of andere enkelwandige drukhouders.

  • 5.9.22

    Tussen niet LNG-gebonden activiteiten die een brand kunnen onderhouden en de LNG-installatie, is de afstand zodanig dat de warmtestraling lager is dan:

    • a.

      10 kW/m2 op onbeschermde installatieonderdelen;

    • b.

      35 kW/m2 op een dubbelwandige en vacuümgeïsoleerde LNG-opslagtank, waarbij de tussenruimte is gevuld met perliet.

  • Dit wordt ten minste 3 maanden voor inwerkingstelling van de installatie aangetoond met een berekening.

  • 5.9.23

    De afstand tussen onderdelen van de LNG-installatie en riool- en kelderopeningen is ten minste 5 m. De afstand geldt niet als is aangetoond dat zich geen gas en geen LNG kan ophopen in het rioolsysteem of in kelderopeningen.

5.10 Brandveiligheid 

  • 5.10.1

    Het bedrijfsterrein is overzichtelijk ingericht. Dit is uit het oogpunt van onbelemmerde toegang en uitgang en ook uit het oogpunt van veiligheid. Dit betekent in elk geval:

    • a.

      gescheiden inrit en uitrit;

    • b.

      geschikte opstelplaats voor de lossende LNG-tankwagen;

    • c.

      vrij van obstakels, brandgevaarlijk materiaal en begroeiing;

    • d.

      overzicht door cameratoezicht;

    • e.

      toegankelijkheid voor hulpverleningsdiensten.

  • 5.10.2

    Vergunnnghouder dient de opgeslagen vaste biomassa dagelijks op broei of andere onregelmatigheden te controleren.

  • 5.10.3

    De temperatuur in de opgeslagen vaste biomassa moet dagelijks worden gecontroleerd. Daartoe dient binne nde inrichtng een geschikte temperatuurmeter voor onmiddellijk gebruik gereed aanwezig te zijn. De temperatuur in de vaste biomassa moet lager dan 80 graden Celsius zijn. Wanneer de temperatuur boven 65 graden Celsius komt moeten direct maatregelen worden getroffen.

  • 5.10.4

    Indien broei optreedt dient de vaste biomassa terstond te worden omgezet of te worden geblust, totdat de broeihaarden zijn verdwenen.

  • 5.10.5

    Van de inspecties als bedoeld in voorschrift 5.10.2 en 5.10.3 dient een registratie te worden bijgehouden.

  • 5.10.6

    Bij de toegang tot de locatie is het noodplan beschikbaar.

  • 5.10.7

    Een blusvoertuig kan de verschillende onderdelen van de LNG-installatie tot een afstand van 40 m vrij benaderen. Het terrein is benaderbaar vanuit twee tegenovergestelde richtingen.

  • 5.10.8

    In de inrichting mag, behoudens in de daarvoor ingerichte installaties of in de daarvoor ingerichte ruimten, geen open vuur aanwezig zijn en mag niet worden gerookt. Deze bepaling voor wat betreft open vuur is niet van toepassing indien werkzaamheden moeten worden verricht waarbij open vuur noodzakelijk is. Vergunninghouder moet zich er van hebben overtuigd dat deze werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder gevaar. Op een centrale plaats voor de uitgave van (werk-)vergunningen en ter plaatse moet een schriftelijk bewijs aanwezig zijn dat bedoelde werkzaamheden zijn toegestaan.

  • 5.10.9

    Het rook- en vuurverbod moet op duidelijke wijze kenbaar zijn gemaakt door middel van opschriften in de Nederlandse en Engelse taal of door middel van een symbool overeenkomstig de NEN 3011. Deze opschriften of symbolen moeten nabij de toegang(en) van het terrein van de inrichting zijn aangebracht. Zij moeten goed leesbaar c.q. zichtbaar zijn.

  • 5.10.10

    Er zijn voldoende brandblusmiddelen aanwezig die geschikt zijn voor de bestrijding van een beginnende brand. Brandblusmiddelen zijn voor onmiddellijk gebruik beschikbaar en kunnen onbelemmerd worden bereikt. 

  • 5.10.11

    Binnen 5 m van het LNG-verladingspunt is een poederblusser aanwezig met een inhoud van ten minste 9 kg.

  • 5.10.12

    Een brandblusser is geschikt voor de brandklassen B en C volgens NEN-EN 2 en voldoet aan de eisen van de NEN EN 3-reeks. De eigenschappen, prestatie-eisen en beproevingsmethoden van een brandblusser zijn gebaseerd op NEN-EN 3-7, waaruit blijkt dat deze geschikt is voor bestrijding van brandklassen B en C. Brandblussers hebben een blusvermogen van ten minste 43A/233B volgens NEN-EN 3-7.

  • 5.10.13

    Zorg voor adequaat onderhoud van brandblussers en brandslanghaspels. Het onderhoud omvat in elk geval ook een controle op de goede werking van brandblussers en brandslanghaspels. Voor brandslanghaspels moet onderhoud in elk geval elk jaar plaatsvinden. Voor brandblussers is dit elke twee jaar.

  • 5.10.14

    Brandkranen binnen de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht, zijn zo gelegen dat de blusvoertuigen de brandkranen tot op een afstand van minimaal 15 m goed kunnen benaderen.

  • 5.10.15

    Het terrein en het wegenstelsel op het terrein moeten zodanig zijn ingericht en de toegankelijkheid moet zodanig zijn bewaakt, dat elk deel van de inrichting te allen tijde vanuit ten minste twee richtingen is te bereiken.

  • 5.10.16

    De inrichting moet zodanig toegankelijk zijn en de wegen binnen de inrichting zodanig aangelegd, dat:

    • a.

      ten behoeve van de hulpverlening bij en de bestrijding van brand, ongelukken en andere calamiteiten elk deel van de inrichting te allen tijde bereikbaar is voor voertuigen met brandblus- en/of hulpverleningsmateriaal;

    • b.

      het verkeer op veilige wijze plaatsvindt en aan een weg gelegen (leidingen van) installaties, tanks en andere apparatuur, die bij beschadiging nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, deugdelijk zijn beschermd door een vangrail of een gelijkwaardige constructie;

    • c.

      toegangen naar andere percelen worden vrijgehouden; hiertoe moet binnen de inrichting voldoende parkeerruimte aanwezig zijn en worden gebruikt.

5.11 Monitoring

  • 5.11.1

    De temperatuur van het vergistingsgas in de (na)vergistingtanks mag niet lager zijn dan 120 C.

  • 5.11.2

    De maandgemiddelde methaanconcentratie in het biogas bedraagt minimaal 60 Vol%.

  • 5.11.3

    Vergunninghouder dient minimaal éénmaal per jaar de samenstelling van het aan de bio-LNG opwerkingsinstallatie aangeboden biogas te bepalen, waarbij ten minste het percentage methaan, kooldioxide en zwavelwaterstof wordt bepaald.

  • 5.11.4

    Vergunninghouder moet op verzoek van het bevoegd gezag meetgegevens aangaande de temperatuur, methaan- en kooldioxidegehalte van het ingaande biogas naar de bio-LNG opwerkingsinstallatie overleggen.

5.12 Noodplan, incidenten en calamiteiten

  • 5.12.1

    De volgende acties worden in elk geval uitgevoerd in het geval van een incident of ongewoon voorval:

    • a.

      activeer de noodstopvoorzieningen om verladingen te stoppen en het installatieonderdeel in een veilige toestand te brengen;

    • b.

      zorg voor waarschuwing en ontruiming van de omgeving;

    • c.

      indien nodig, waarschuw de hulpverleningsdiensten.

  • 5.12.2

    Beveiligingen mogen niet overbrugd zijn, tenzij door een procedure dit tijdelijk wordt gedaan en de risico's zijn beoordeeld en aanvaardbaar worden geacht. Hiervoor moet een schriftelijk(e) protocol/procedure voorhanden zijn waarin het volgende geborgd wordt:

    • a.

      de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden ten aanzien van het overbruggen van beveiligingen;

    • b.

      de registratie;

    • c.

      de herkenbaarheid van overbruggingen voor operationele werknemers.

  • 5.12.3

    Na het activeren van de noodstopvoorziening (ESD-1) mag een installatie pas in bedrijf worden gesteld als:

    • a.

      de reden van het bedienen van de noodstop bekend is;

    • b.

      de aanleiding voor het activeren van de noodstopvoorziening is opgeheven.

  • 5.12.4

    De installatie kan en mag alleen terug in werking worden gezet na een volledige controle en diagnose.

    Toelichting: Bij ESD-1 gaat het om het uitschakelen van een deel van de installatie.

  • 5.12.5

    Na het activeren van de noodstopvoorziening (ESD-2) mag een installatie pas in bedrijf worden gesteld als:

    • a.

      de reden van het bedienen van de noodstop bekend is;

    • b.

      de aanleiding voor het activeren van de noodstopvoorziening is opgeheven.

  • 5.12.6

    De installatie kan en mag alleen terug in werking worden gezet na een volledige controle en diagnose.

  • 5.12.7

    De installatie kan en mag alleen terug in werking worden gezet na een volledige controle en diagnose ter plaatse door degene die de activiteit verricht, of iemand anders die daarvoor is aangewezen.

  • 5.12.8

    Toelichting: Bij ESD-2 gaat het om het volledig uitschakelen van de gehele installatie.

  • 5.12.9

    Een actueel noodplan is aanwezig. Het noodplan is gericht op het beperken en beheersen van calamiteiten en ongevallen en bescherming van werknemers en de leefomgeving. In het noodplan staat in elk geval een beschrijving van:

    • a.

      reële scenario’s van ongewone voorvallen, de te nemen maatregelen en de beschikbare hulpmiddelen;

    • b.

      het gebouw, de technische installaties, de locaties van gevaarlijke stoffen en de beschikbare hulpmiddelen;

    • c.

      de manier van melden en doormelden van het ongewoon voorval, zowel binnen als buiten de organisatie;

    • d.

      de interne organisatie en taken en verantwoordelijkheden.

  • 5.1210

    Personen die ter plaatse van de biovergistingsinstallatie en de LNG-installatie werkzaam zijn, zijn op de hoogte van de inhoud van het noodplan en de noodprocedures.

  • 5.12.11

    Het noodplan is direct beschikbaar en onbelemmerd toegankelijk voor het personeel. Het noodplan is afgestemd met het bevoegd gezag en de veiligheidsregio. Afstemming vindt ook plaats bij relevante wijzigingen in het noodplan of de alarmopvolging.

  • 5.1212

    Het noodplan wordt in elk geval jaarlijks beoordeeld en getest en zo nodig aangepast. Als het noodplan wordt aangepast, wordt rekening gehouden met:

    • a.

      de toegepaste werkmethoden en productiemethoden;

    • b.

      de veranderingen van technische en organisatorische aard bij de hulpverleningsdiensten;

    • c.

      de veranderingen in het veiligheidsinzicht die belangrijke gevolgen kunnen hebben voor de risico’s van ongevallen.

5.13 Ongewoon voorval

  • 5.13.1

    Na elk ongewoon voorval moet met behulp van het meldschema worden bepaald of sprake is van een ongewoon voorval met of zonder significante gevolgen voor het milieu.

  • 5.13.2

    Ongewone voorvallen die na toepassing van het meldschema worden geclassificeerd als ongewoon voorval mét significante gevolgen voor het milieu moeten zo spoedig mogelijk worden gemeld bij het bevoegd gezag via het milieualarmnummer 058-2122422. In aanvulling op het bepaalde in artikel 17.2 Wet milieubeheer dient de vergunninghouder deze mededeling onverwijld te bevestigen via toezichtenhandhaving@fumo.nl of schriftelijk aan: FUMO AfdelingToezicht en Handhaving Postbus 3347, 8901 DH Leeuwarden

  • 5.13.3

    Ongewone voorvallen die na toepassing van het meldschema worden geclassificeerd als ongewoon voorval zónder significante gevolgen voor het milieu, moeten binnen 24 uur na het ongewone voorval zijn opgenomen in het registratiesysteem voor ongewone voorvallen.

  • 5.13.4

    In het registratiesysteem voor ongewone voorvallen moeten van de voorvallen zónder significante gevolgen voor het milieu tenminste de volgende zaken te worden vastgelegd:

    • a.

      datum, tijdstip en duur van het ongewoon voorval;

    • b.

      datum en tijdstip van registratie;

    • c.

      de locatie van het ongewoon voorval;

    • d.

      korte omschrijving van het ongewoon voorval;

    • 5.

      de ten gevolge van het voorval vrijgekomen stoffen en een indicatie van de hoeveelheid ervan;

    • f.

      een indicatie van het (mogelijk) belaste milieucompartiment, hinder of veiligheidsaspecten.

  • 5.13.5

    Inhoudelijke wijzigingen in het meldschema moeten instemming hebben van het bevoegd gezag. Implementatie van een wijziging in een meldschema mag pas plaats vinden na instemming door het bevoegd gezag.

  • 5.13.6

    Vergunninghouder moet de bepalingen van voorgaande meldingsvoorschriften verwerken in interne bedrijfsinstructies.

  • 5.13.7

    In de bedrijfsinterne instructies moet ten minste aandacht worden besteed aan:

    • a.

      de wijze waarop ongewone voorvallen worden gesignaleerd;

    • b.

      de wijze waarop zowel intern als extern wordt gecommuniceerd over een ongewoon voorval;

    • c.

      de wijze waarop ongewone voorvallen worden onderzocht;

    • d.

      de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van medewerkers die betrokken zijn bij het afhandelingsproces van ongewone voorvallen.

6 Geluid

6.1 Algemeen

  • 6.1.1

    Het meten en berekenen van de geluidsniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, uitgave 1999.

6.2 Representatieve bedrijfssituatie

  • 6.2.1

    Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:

Beoordelingspunt en omschrijving

Rijksdriehoekcoördinaten

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT in dB(A)

Dag

Avond

Nacht

07.00 -19.00 uur

19.00 -23.00 uur

23.00 -07.00 uur

W1

157926 ; 578622

46

41

38

W2

157854 ; 578816

46

41

38

W3

157946 ; 578977

51

47

44

W4

158088 ; 579034

43

39

36

W5

158097 ; 578809

36

31

29

W6

158009 ; 578679

40

34

32

De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven in bijlage 1. De beoordelingshoogte voor de dag-, avond- en nachtperiode is 5 meter.

  • 6.2.2

    Het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:

Beoordelingspunt en omschrijving

Rijksdriehoekcoördinaten

Maximale geluidsniveau LAmax

in dB(A)

Dag

Avond

Nacht

07.00 -19.00 uur

19.00 -23.00 uur

23.00 -07.00 uur

110 Swingmaleane 3

158137 ; 579088

54

54

54

112 Swingmaleane 1

158001 ; 579167

53

53

53

De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven in bijlage 1. De beoordelingshoogte voor de dag-, avond- en nachtperiode is 5 meter.

6.3 Controlemeting

  • 6.3.1

    Binnen drie maanden nadat de vergistingsinstallatie in gebruik is genomen, moet de vergunninghouder, door middel van een akoestisch onderzoek (controlerapportage), aan het bevoegd gezag aantonen dat aan de geluidsvoorschriften zoals opgenomen in voorschrift 6.2.1 en voorschrift 6.2.2 van deze vergunning wordt voldaan. De resultaten van dit akoestisch onderzoek moeten binnen deze termijn schriftelijk aan het bevoegd gezag worden gerapporteerd.

  • 6.3.2

    Het bevoegd gezag moet vooraf worden geïnformeerd over de opzet van het onderzoek en over de datum en het tijdstip waarop de geluidmetingen voor het in voorschrift 6.3.1 bedoelde onderzoek gaat plaatsvinden. Uitsluitend na goedkeuring van het bevoegd gezag kan worden overgegaan tot het uitvoeren van het onderzoek. Aan de opzet van het onderzoek kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen in verband met mogelijke specifieke omstandigheden. 

7 Geur

7.1 Doelvoorschriften

  • 7.1.1

    De geuremissie naar de buitenlucht van gebouw 4, gebouw 5 en de beluchtingstanks afvalwater mag niet meer bedragen dan:

Emissiepunt

Geuremissie in Europese geureenheden (ouE) per uur

Bijzonderheden

Luchtwasinstallatie gebouw 4

82,3* 106

Reguliere situatie (hal gesloten en geen losactiviteiten)

145,3* 106

(40.361 361 ouE/s)

Momentaan, tijdens lossen van zowel vaste als vloeibare biomassa

Luchtwasinstallatie gebouw 5

50,8 * 106

--

Beluchtingstanks afvalwater gebouw 6

3,13 *106

--

  • 7.1.2

    De geurimmissie als gevolg van de gezamenlijke geurbronnen binnen de inrichting mag ter plaatse van de volgende geurgevoelige objecten in de omgeving niet meer bedragen dan:

Immissiepunt

Geurbelasting op jaarbasis als 98- percentiel [ouE/m3]

Geurbelasting op jaarbasis als 99,5- percentiel [ouE/m3]

Geurbelasting op jaarbasis als 99,9- percentiel [ouE/m3]

Swingmaleane 1

0,3

0,53

0,77

Swingmaleane 2

0,22

0,33

0,48

Swingmaleane 3

0,49

0,72

0,93

Sédyk 4 Wijnaldum

0,33

0,49

0,65

7.2 Geurreducerende voorzieningen 

  • 7.2.1

    Het lossen, opslag en mengen van vaste en vloeibare stoffen voor de vergistingsinstallatie vindt inpandig plaats.

  • 7.2.2

    De verwerking van het vrijgekomen digestaat en gereed product vindt inpandig plaats.

  • 7.2.3

    Het zuiveren van het afvalwater dat vrijkomt bij de verwerking van het digestaat, met uitzondering van de beluchting in de beluchtingstanks, vindt inpandig plaats.

  • 7.2.4

    De gebouwen (nummer 4, 5 en 6 op de tekening) zijn voorzien van een luchtafzuigsysteem waarmee deze gebouwen op onderdruk worden gehouden. In deze gebouwen moet een zodanige onderdruk worden gewaarborgd dat ook bij geopende deuren en andere openingen geen met geur bezwangerde lucht aan de ruimten kan ontsnappen, anders dan via de geur reducerende voorziening.

  • 7.2.5

    De geurreducerende voorzieningen zijn uitgevoerd overeenkomstig de bij de aanvraag gevoegde dimensioneringsplannen (opgenomen in bijlage 2 van de aanvraag) die zijn opgesteld door ABiks B.V en gedateerd 2 juni 2021.

  • 7.2.6

    Het emissiepunt van de geurreducerende voorziening op gebouw nummer 4 bevindt zich op een hoogte van minimaal 30 meter boven maaiveld. Het emissiepunt van de geurreducerende voorziening op gebouw nummer 5 bevindt zich op een hoogte van minimaal 28 meter boven maaiveld.

  • 7.2.7

    Ramen en deuren van de gebouwen nummer, 4, 5 en 6 zijn gesloten. De deuren van deze gebouwen mogen alleen geopend zijn tijdens het onmiddellijk doorlaten van voertuigen en personen.

  • 7.2.8

    Verdringingslucht als gevolg van het vullen en legen van de vergistingssilo’s, navergistingssilo en naopslagsilo’s (nrs. 40 en 41 op de tekening) wordt weer opgevangen in deze silo’s.

7.3 Onderhoud en inspectie geurreducerende voorzieningen

  • 7.3.1

    Geurreducerende voorzieningen moeten voor de goede werking, onder optimale condities in bedrijf worden gehouden en moeten zo vaak als voor een goede werking noodzakelijk is worden vervangen en gereinigd, doch ten minste één keer per maand, overeenkomstig de eisen van de leverancier worden onderhouden en geïnspecteerd.

  • 7.3.2

    Van het onderhoud en de inspectie moet verslag worden gelegd in een logboek, dat ter plaatse altijd voor de toezichthouder ter inzage beschikbaar moet zijn.

7.4 Controlemeting

  • 7.4.1

    Binnen 6 maanden na ingebruikname van de vergistingsinstallatie (gebouw 4 en 5) moet vergunninghouder, door middel van geuremissiemetingen, onderzoeken of de in dit hoofdstuk opgenomen normen niet overschrijden. De resultaten van deze meting moeten binnen 2 maanden na uitvoering van metingen aan het bevoegd gezag worden toegezonden.

  • 7.4.2

    Geuremissiemetingen moeten worden uitgevoerd volgens de NTA 9065 en de geldende norm voor olfactometrie (NEN-EN 13725).

  • 7.4.3

    Meetpunten moeten uitgevoerd zijn overeenkomstig NEN-EN 15259.

  • 7.4.4

    Verspreidingsberekeningen moeten worden uitgevoerd met het Nieuw Nationaal Model (NNM) en overeenkomstig de NTA 9065 en de Handreiking NNM.

  • 7.4.5

    Het bevoegd gezag moet vooraf worden geïnformeerd over de opzet van het onderzoek als bedoeld in voorschrift 7.4.1 Het meetplan moet vooraf ter goedkeuring worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet ten minste 5 dagen van te voren worden geïnformeerd over de datum en het tijdstip waarop de meting(en) voor bovengenoemde rapportage plaatsvind(en).

  • 7.4.6

    Het onderzoek moet onder representatieve bedrijfsomstandigheden door een geaccrediteerde meetinstantie (monstername, analyse en debietmetingen) uitgevoerd worden. De resultaten van uitgevoerde onderzoeken moeten uiterlijk 2 maanden na uitvoering van het onderzoek aan het bevoegd gezag zijn gezonden.

  • 7.4.7

    Na de eerste controlemeting moet vergunninghouder driejaarlijks, door middel van geurmetingen en berekeningen conform de NTA 9065, controleren of wordt voldaan aan de in dit hoofdstuk opgenomen normen. Opzet en uitvoering van het onderzoek zijn overeenkomstig de voorschriften 7.4.2 t/m 7.4.6.

7.5 Controle- en beheersplan Geur 

  • 7.5.1

    Binnen 12 maanden na het in werking treden van onderhavige omgevingsvergunning dient een geurbeheersplan te zijn opgezet. Het geurbeheersplan dient de volgende elementen te bevatten:

    • a.

      een protocol met passende acties en tijdschema’s;

    • b.

      overzicht van de Geur relevante parameters (ERP’s)

    • c.

      een protocol voor de monitoring van geur;

    • d.

      een programma voor de voorkoming en eliminatie van geur om bijvoorbeeld de bronnen op te sporen, de geuremissies te monitoren, de bijdragen van de bronnen te karakteriseren en maatregelen voor de eliminatie en/of vermindering van geuremissies te nemen;

    • e.

      een evaluatie van de geurincidenten en corrigerende maatregelen en de verspreiding van kennis over geurincidenten.

  • 7.5.2

    In aanvulling op voorschrift 7.5.1 van deze vergunning dient binnen 12 maanden na in werking treden van onderhavige omgevingsvergunning een protocol te worden opgesteld waarin duidelijk wordt gemaakt hoe wordt omgegaan met geurklachten en met welke acties adequaat kan worden gereageerd op geconstateerde geurhinder. Het protocol dient minimaal te bevatten:

    • a.

      de manier van registreren;

    • b.

      het controleren van de werking van aangebrachte geurreducerende maatregelen en indien nodig te ondernemen acties bij falende maatregelen;

    • c.

      het contact opnemen met de omgeving;

    • d.

      het tijdelijk staken van bepaalde activiteiten bij warm en windstil weer;

    • e.

      het evalueren van recente veranderingen in het management, zoals co-producten (“menu” vergistingsinstallatie) en indien nodig aanpassen;

    • f.

      het nemen van alle redelijkerwijs mogelijke geurreducerende maatregelen.

  • 7.5.3

    Het geurbeheersplan zoals bedoeld in voorschrift 7.5.1 en het protocol zoals bedoeld in voorschrift 7.5.2 dienen betrekking te hebben op alle (geurrelevante) activiteiten die binnen de inrichting plaatsvinden.

  • 7.5.4

    De maatregelen uit het protocol zoals bedoeld in voorschrift 7.5.2 moeten worden uitgevoerd. Het protocol wordt ieder jaar door de vergunninghouder geëvalueerd en indien noodzakelijk geactualiseerd. Het geurbeheersplan, protocol, en iedere geactualiseerde versie daarvan wordt ter goedkeuring toegezonden aan het bevoegd gezag.

 

8 Vergisting

8.1 Algemeen

  • 8.1.1

    Binnen de inrichting mag op jaarbasis maximaal 300.000 ton plantaardige producten zoals genoemd in Bijlage Aa, onderdeel IV, categorie A tot en met G1 van de Uitvoeringsregeling meststoffenwet (geldend van 20-02-2021 of diens rechtsopvolger) worden vergist.

  • 8.1.2

    Binnen de inrichting mag geen mest of producten van dierlijke herkomst worden vergist.

8.2 Opslagtanks

  • 8.2.1

    De opslagtanks voor vloeibare stoffen (nummer 41 op de milieutekening) zijn gasdicht afgesloten, vloeistofdicht, productbestendig en van voldoende sterkte.

  • 8.2.2

    De na-opslagtanks stoffen (na-opslag 1 en na-opslag 2 milieutekening) zijn gasdicht afgesloten, vloeistofdicht, productbestendig en van voldoende sterkte.

  • 8.2.3

    De grondstofsilo’s (S4 en S5 op de milieutekening) zijn vloeistofdicht, productbestendig en van voldoende sterkte.

8.3 (Na)Vergistingssilo’s

  • 8.3.1

    De (na)vergistingssilo’s (nummer 40 op de milieutekening) zijn gesloten, vloeistofdicht, van voldoende sterkte en zijn bestand tegen inwerking van de te vergisten producten en de daarbij vrijkomende gassen en stoffen.

  • 8.3.2

    De toegepaste betonnen daken op de vergisters en na-vergisters moeten bestand zijn tegen de maximale gasdruk die binnen het systeem kan optreden. Deze druk wordt gemonitord en moet gezien worden als veiligheidsrelevante apparatuur.

  • 8.3.3

    De daken op de (na)vergisters moeten gasdicht zijn en moeten gasdicht aansluiten op de silowand van de (na)vergisters. Aansluitingen van leidingen en appendages moeten eveneens gas- en lekdicht zijn uitgevoerd.

  • 8.3.4

    Een (na)vergistingssilo moet worden aangelegd overeenkomstig paragraaf 5.5 en de hoofdstukken 6 en 7 van BRL 2342 (9 mei 2017).

  • 8.3.5

    De (na)vergistingssilo’s zijn thermisch geïsoleerd.

  • 8.3.6

    Er is een kwaliteitsverklaring van een deskundige waaruit blijkt dat de (na)vergistingssilo’s voldoen aan paragraaf 5.5 en de hoofdstukken 6 en 7 van de BRL 2342. De deskundige kan de leverancier van de vergistingsinstallatie zijn. De kwaliteitsverklaring is binnen de inrichting aanwezig.

  • 8.3.7

    In de kwaliteitsverklaring staan de eisen die nodig zijn voor een veilig en milieuverantwoord gebruik van de vergistingsinstalaltie. De volgende informatie moet in ieder geval in de verklaring staan:

    • a.

      welke materialen zijn toegepast;

    • b.

      hoe de gasdichtheid van de installatie is geborgd en wordt gemonitord;

    • c.

      hoe de explosieveiligheid van de installatie is geborgd en wordt gemonitord;

    • d.

      binnen welke procesparameters (druk, temperatuur) de installatie veilig en zonder afblazen van biogas in werking is;

    • e.

      de minimale en maximale verwerkingscapaciteit van vergistingsmaterialen;

    • f.

      de productiecapaciteit van het biogas;

    • g.

      de buffercapaciteit voor het opslaan van biogas;

    • h.

      hoe de stabiliteit van het digestaat wordt geborgd;

    • i.

      de verwachte samenstelling van het ruwe biogas en het gas na ontzwaveling en hoe het gas in de vergistingstank wordt ontzwaveld;

    • j.

      de ligging van de overdrukbeveiliging(en) en de ingestelde druk;

    • k.

      hoe en hoe vaak onderhoud en controle nodig is en welke deskundigheid hiervoor nodig is;

    • l.

      de referentieperiode.

  • 8.3.8

    De kwaliteitsverklaring heeft een geldigheid van maximaal 20 jaar.

  • 8.3.9

    Ten minste vier weken voor het aflopen van de referentieperiode wordt beoordeeld of de installatie nog steeds voldoet aan de BRL 2342 en wordt een kwaliteitsverklaring afgegeven met referentieperiode.

  • 8.3.10

    Als uit de beoordeling blijkt dat reparaties of wijzigingen noodzakelijk zijn, voert de vergunninghouder deze direct uit. De kwaliteitsverklaring wordt pas afgegeven na uitvoering van reparaties of wijzigingen.

  • 8.3.11

    Als geen nieuwe kwaliteitsverklaring kan worden afgegeven, wordt de vergistingsinstallatie buiten gebruik gesteld.

  • 8.3.12

    De vergisters en na-vergisters moeten zijn uitgerust met een alarmering bij het bereiken van de ontwerpdruk.

  • 8.3.13

    Elke vergister en na-vergister moet zijn uitgerust met over- en onderdrukbeveiligingen die aanspreekt zonder hulpenergie en dient bij bereiken van de instelwaarde zelfstandig weer te sluiten.

  • 8.3.14

    De locatie van het gasinvoerdeel van de overdruk- en onderdrukbeveiligingen moet zodanig worden gekozen dat verstoppingen door bijvoorbeeld schuim of andere verontreiniging wordt voorkomen.

  • 8.3.15

    Vergunninghouder dient minimaal eenmaal per jaar de samenstelling van het aan de biogasopwerkingsinstallatie aangeboden biogas te bepalen, waarbij ten minste het percentage methaan, kooldioxide en zwavelwaterstof wordt bepaald.

  • 8.3.16

    Eens in de drie jaren moet een lekdichtheidsproef worden uitgevoerd van alle biogasvoerende installatiedelen, middels voor methaan geschikte apparatuur.

8.4 Ontzwaveling biogas

  • 8.4.1

    Het biogas moet worden ontzwaveld door biologische binding (toevoeging van lucht) in de (na)vergistingstanks tot een jaargemiddelde concentratie van maximaal 300 ppm zwavelwaterstof, of door toepassing van een ander ontzwavelingsmethode waarmee hetzelfde resultaat wordt bereikt.

  • 8.4.2

    Om te borgen dat de concentratie H2S in het biogas de waarde als bedoeld in voorschrift 8.4.1 niet overschrijdt, dient dagelijks een controlemeting van de concentratie H2S in het biogas plaats te vinden.

  • 8.4.3

    Van de metingen als bedoeld in voorschrift 8.4.2 moet een registratie worden bijgehouden. Deze registratie moet direct (elektronisch) oproepbaar en overdraagbaar zijn op een daartoe strekkend verzoek van een toezichthoudend ambtenaar. De gegevens worden bewaard overeenkomstig voorschrift 1.5.1. Deze gegevens dienen minimaal over een periode van 1 week te worden bewaard.

  • 8.4.4

    Bij storing of stroomuitval moet zijn gewaarborgd dat de techniek voor het ontzwavelen van het biogas in werking blijft.

8.5 Gasconditionering 

  • 8.5.1

    De concentratie aan CH4, C02, 02 en H2S moet door geijkte meettoestellen (gaskwaliteitsmeters) continu worden bepaald zowel voor als na de gasopwerking. Op alle waarden zijn alarmmeldingen ingesteld op te lage respectievelijk te hoge waarden. Deze waarden moeten worden geregistreerd in het milieulogboek. De gaskwaliteitsmeters zijn uitgerust met een automatische kalibratie en moetenten minste één keer per jaar worden gecontroleerd op veilig en juist functioneren door een daarvoor geschikte en deskundige instantie.

  • 8.5.2

    Voor bemonstering door derden is ten minste één apart en separaat monsterpuntaanwezig voor en na de gasopwerking.

8.6 Leidingen

  • 8.6.1

    Leidingen voor het transport van biogas, inclusief koppelingen en appendages, zijn gasdicht uitgevoerd. Eens in de 4 jaar dient dit te worden gecontroleerd, bijvoorbeeld met een biogascamera, biogasdetectiemeter of drukproef. Waargenomen gaslekkages moeten direct worden hersteld. De datum van de controle, het resultaat van de controle en de eventueel getroffen maatregelen worden geregistreerd.

  • 8.6.2

    Leidingen voor transport van biogas zijn van corrosiebestendig materiaal.

  • 8.6.3

    Biogasleidingen zijn herkenbaar en als zodanig gemerkt.

  • 8.6.4

    De installatie die het biogas in de leidingen brengt, is zo afgesteld dat bij een plotselinge drukval in de leidingen de levering van biogas wordt stopgezet. De levering wordt pas hervat als is vastgesteld dat er geen problemen met de leiding zijn of als deze zijn opgelost.

  • 8.6.5

    Bovengrondse biogasleidingen zijn beveiligd tegen aanrijden. Ondergrondse biogasleidingen lopen niet onder gebouwen door.

8.7 Bliksembeveiliging

  • 8.7.1

    De (na)vergistingsinstallatie moet zijn voorzien van bliksembeveiliging van niveau LPL 1 overeenkomstig NEN-EN-IEC 62305. De bliksembeveiliging moet door een gespecialiseerd bliksembeveiligingsbedrijf worden aangebracht, geïnspecteerd en onderhouden conform NEN-EN-IEC 62305.

8.8 Operationeel toezicht en inspectie

  • 8.8.1

    De werking van de (na)vergistingsinstallatie wordt beheerst op systematische wijze met gebruikmaking van:

    • a.

      dagelijkse zichtcontrole op de toestand van de installaties en het bedrijfsterrein op eventueel opgetreden onregelmatigheden (zoals niet eerder gedetecteerde schades of lekkages);

    • b.

      checklists voor de aanvang van reguliere werkzaamheden zoals verpompingen, laden en lossen;

    • c.

      werkvergunningen voor bijzondere niet-alledaagse werkzaamheden;

    • d.

      werkprocedures om geconstateerde onregelmatigheden vast te leggen en te herstellen.

  • 8.8.2

    Naast het toezicht tijdens het uitvoeren van de operationele werkzaamheden moeten de installaties ondergebracht zijn in een onderhoudssysteem waarin elke functie van de installatie met de vastgestelde frequentie wordt geïnspecteerd, onderhouden, gekeurd, en zo nodig hersteld.

8.9 Buiten gebruik stellen vergistingsinstallatie

  • 8.9.1

    Indien een vergistingsinstallatie buiten gebruik wordt gesteld, wordt eerst het restant biogas uit de installatie verwijderd. Het biogas wordt indien mogelijk nuttig toegepast en voor zover dat niet mogelijk is verbrand via de fakkelinstallatie.

  • 8.9.2

    Het overgebleven digestaat wordt gestabiliseerd zodra een vergistingstank of na-opslag buiten bedrijf wordt gesteld en niet meer gasdicht is. Dit digestaat wordt binnen 1 maand na het buitengebruik stellen van deze installaties afgevoerd.

  • 8.9.3

    Het bevoegd gezag wordt ten minste 4 weken voorafgaand aan het buiten gebruik stellen hierover geïnformeerd. Hierbij wordt een plan van aanpak overgelegd.

8.10 Fakkelinstallatie biovergisting

  • 8.10.1

    De (na)vergistingsinstallatie is voorzien van een vaste fakkelinstallatie.

  • 8.10.2

    Affakkelen van biogas mag alleen om veiligheidsredenen of bij niet-routinematige bedrijfsomstandigheden plaatsvinden. Om affakelen te voorkomen dient gebruik te worden gemaakt van:

    • a.

      de aanwezigheid van een biogasverwerkingsssysteem (biogasopwerkinginstallatie);

    • b.

      het gebruik van zeer betrouwbare overdrukkleppen;

    • c.

      goed installatiebeheer door het in evenwicht houden van het gassysteem;

    • d.

      het gebruiken van geavanceerde procescontrole.

  • 8.10.3

    De fakkelinstallatie moet zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd, en zodanig worden geïnspecteerd, getest en onderhouden dat:

    • a.

      te allen tijde ontsteking van de aan de fakkel toegevoerde brandbare dampen en/of gassen is verzekerd;

    • b.

      fakkelbeheer wordt toegepast waarbij een continue monitoring plaatsvindt van de hoeveelheid gas die wordt afgeleid om te worden afgefakkeld, en een registratie van affakkelingen bestaande uit het aantal affakkelingen en de duur ervan, waardoor de emissies kunnen worden gekwantificeerd.

  • 8.10.4

    Bij een defect in het fakkelsysteem moet het fakkelsysteem onmiddellijk en op een veilige wijze buiten bedrijf worden gesteld en gerepareerd. De installaties die op het defecte fakkelsysteem zijn aangesloten, moeten daarbij op een tijdelijk ander fakkelsysteem worden aangesloten.

  • 8.10.5

    Een fakkelinstallatie mag niet binnen een explosieveiligheidszone van een installatie worden opgesteld .

  • 8.10.6

    De fakkelinstallatie moet ten minste een beveiliging bevatten die voorkomt dat vlamterugslag in het leidingsysteem kan optreden, terwijl een vrije doorstroming van de fakkelgassen onder alle omstandigheden blijft gewaarborgd.

  • 8.10.7

    Met betrekking tot het affakkelen moet een logboek worden bijgehouden, waarin ten minste de volgende gegevens worden geregistreerd:

    • a.

      datum, begin- en eindtijd van het affakkelen;

    • b.

      aard en oorzaak van het affakkelen;

    • c.

      gemeten dan wel berekende hoeveelheid afgefakkeld gas.

  • 8.10.8

    De registratie moet binnen de inrichting aanwezig zijn en moet op verzoek aan controlerende ambtenaren van het bevoegd gezag worden getoond.

9 Afleveren van vloeibare brandstof voor eigen machines die niet voor het wegverkeer zijn bestemd

  • 9.1.1

    Het afleveren van dieselolie anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer voldoet aan de voorschriften M32, M34, M35 en M36 van PGS 30 Nieuwe Stijl, versie 1.0 (augustus 2021).

1. Procedurele aspecten

1.1. Gegevens aanvrager

Op 3 november 2020 is een aanvraag om een eerste-fasebeschikking als bedoeld in artikel 2.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen. Het betreft een verzoek van Sustainable Fuel Production B.V. voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor een Bio-LNG-installatie aan de Lange Lijnbaan (ongenummerd) in Harlingen, kadastraal bekend gemeente Harlingen sectie F, nummer 1847.

1.2. Projectbeschrijving

Het project waarvoor vergunning wordt aangevraagd is als volgt te omschrijven: omgevingsvergunning voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het fermenteren van restproducten uit de voedingsmiddelenindustrie en het opwaarderen van groengas tot Bio-LNG.

De te realiseren installatie zal bestaan uit een zestal tanks, een verwerkingshal, een kantoor en een bijgebouw ten behoeve van het verwerken en upgraden van het biogas naar Bio-LNG en een verwerkingshal voor het digestaat op te waarderen.

De verwerkingshal, waarin de werkzaamheden voor het produceren van biogas plaatsvinden, bestaat uit drie compartimenten. Zowel de vloeibare als vaste biomassa worden intern gelost, opgeslagen en verwerkt tot een vloeibaar homogeen product. Tevens worden de pompen en de besturingssystemen hierin ondergebracht. Alles gebeurt in een afgesloten ruimte. Aan de voorkant van het perceel komt een kantoorruimte met daarachter de werkplaats en een ruimte voor het behandelen van het biogas en opwaarderen tot vloeibare Bio-LNG.

De installatie wordt uitgerust met een capaciteit 300.000 ton biomassa per jaar en produceert naar verwachting 45 miljoen m3 biogas, goed voor 18.000 ton Bio-LNG per jaar. Er zal uitsluitend plantaardige biomassa gebruikt/toegepast worden.

Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag om vergunning.

De aanvrager heeft ervoor gekozen om gebruik te maken van de faseringsregeling van de Wabo. Gelet op het verzoek gaat de eerste-fasebeschikking slechts in op de volgende in de Wabo omschreven activiteit:

  • -

    het oprichten en in werking hebben van een inrichting (artikel 2.1, eerste lid, onder e Wabo).

In de tweede-fasebeschikking zullen de overige activiteiten op vergunbaarheid worden beoordeeld:

  • -

    het bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, onder a Wabo);

  • -

    het uitvoeren van een werk (artikel 2,1, eerste lid, onder b Wabo);

  • -

    uitweg (artikel 2,2, eerste lid, onder e Wabo).

Als één of meer van bovengenoemde activiteiten plaatsvinden, moet daarnaast beoordeeld worden of een aantal toestemmingsstelsels kan worden aangehaakt. Of daadwerkelijk moet worden aangehaakt, volgt niet uit de Wabo, maar uit de desbetreffende wet.

Omschrijving van de aanvraag

De aanvraag bestaat uit de volgende delen:

  • -

    Aanvraagformulier met OLO nummer 5561163;

  • -

    Bijlage 1:Tekening Activiteit Milieu, Tekeningnummer 3411-90-01, 30-10-2020, laatst gewijzigd 21-10-2021;

  • -

    Bijlage 2: Water- en milieuaspecten SFP Friesland B.V., Lange Lijnbaan ong. Harlingen, Derks Advies, versie 1.2, datum 29 oktober 2020, laatst gewijzigd 20 oktober 2021;

  • -

    Bijlage 3: Acceptatie- en Verwerkingsbeleid, ontvangen 9 december 2021;

  • -

    Bijlage 4: Besluit m.e.r.-beoordeling 23 juli 2020;

  • -

    Bijlage 5: Geuronderzoek Lange Lijnbaan ong., Harlingen M&A Omgeving B.V., rapportnummer 220-HLL-gh-v4, 16 juli 2021;

  • -

    Bijlage 6: Akoestisch onderzoek industrielawaai Sustainable Fuel Production BV Lange Lijnbaan ong. te Harlingen, M&A Omgeving BV, rapportnummer 220-HLL-il-v5, 8 juli 2021;

  • -

    Bijlage 7: Luchtkwaliteitsonderzoek Lange Lijnbaan ong., Harlingen, M&A Omgeving B.V, rapportnummer 220-HLL-lk-v3, 3 mei 2021;

  • -

    Bijlage 8: Risicoanalyse/BioLNG-installatie Harlingen, AVIV, project 214547, versie 1.4, 15 december 2021;

  • -

    Bijlage Trefkansenanalyse windturbines BIO-LNG Port of Harlingen, Pondera consult, rapportnummer 720107, 10 september 2020;

  • -

    Bijlage 9: Berekening Aerius Calculator, kenmerk S5cECz313UX4 ,01 mei 2021;

  • -

    Bijlage 10: IPPC-tool;

  • -

    Bijlage11: Milieu risico analyse (MRA) SFP Friesland B.V. Lange Lijnbaan ong. Harlingen, Risicobeoordeling conform de standaard Milieu Risico Analyse (MRA), versie 1,0, 16 juli 2021.

1.3. Huidige vergunningsituatie

Voor de inrichting zijn niet eerder vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer ingediend.

1.4. Vergunningplicht

De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I onderdeel C van het Bor. De volgende categorieën zijn onder andere van toepassing:

Categorie

Omschrijving

1.1.a

Inrichting waar een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een vermogen of een gezamenlijk vermogen groter dan 1,5 kW, met dien verstande, dat bij de berekening van het gezamenlijk vermogen een elektromotor met een vermogen van 0,25 kW of minder buiten beschouwing blijft;

inrichtingen waar een of meer verbrandingsmotoren aanwezig zijn met een vermogen of een gezamenlijk vermogen groter dan 1,5 kW, met dien verstande, dat bij de berekening van het gezamenlijk vermogen een verbrandingsmotor met een vermogen van 0,25 kW of minder buiten beschouwing blijft;

2.1.a

inrichting voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van gassen of gasmengsels, al of niet in samengeperste tot vloeistof verdichte of onder druk in vloeistof opgeloste toestand;

4.1

Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van de volgende stoffen, preparaten of producten:

28.1

Inrichtingen voor het opslaan van bedrijfsafvalstoffen, die ten aanzien daarvan en capaciteit hebben van 5 m3 of meer en het verwerken van afvalstoffen

Op grond van Bijlage I, onderdeel C, categorie 2.7, onder i en categorie 28.10 is sprake van een vergunningplichtige activiteit. Het betreft tevens een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort genoemd in Bijlage I, categorie 5.3b onder i van de Richtlijn industriële emissies (Rie). Het gaat hier om nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen door middel van biologische behandeling met een capaciteit van 100 ton per dag. Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor sprake van een vergunningplichtige inrichting.

1.5. Bevoegd gezag

Wij zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4, tweede lid van de Wabo juncto artikel 3.3 eerste lid van het Bor, op grond van de activiteiten van de inrichting, genoemd in Bijlage I onderdeel C, categorieën 28.4 en 28.10 van het Bor.

1.6. Coördinatie met de Waterwet

De aangevraagde activiteit heeft betrekking op een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort, waarbij geen sprake is van een handeling waarvoor een watervergunning voor het lozen van stoffen als bedoeld in artikel 6.27, eerste lid van de Waterwet vereist is.

Omdat (delen van) de inrichting binnen de kernzone, buitenbeschermingszone en ruimtelijke reserveringszone is gelegen is voor het uitvoeren van werkzaamheden een watervergunning nodig. Deze watervergunning wordt gelijktijdig met de tweede-fasevergunning aangevraagd.

1.7. Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen dat deze wet aanhaakt bij de Wabo wanneer:

  • -

    een activiteit plaatsvindt in of om een Natura 2000-gebied en deze activiteit de kwaliteit van de habitats en de habitats van soorten verslechtert (handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden), en/of;

  • -

    een activiteit plaatsvindt waarbij in onvoldoende mate sprake is van het beschermen van inheemse plant- en diersoorten en het bewaken van de biodiversiteit tegen invasieve uitheemse plant- en diersoorten (handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten).

De gevraagde veranderingen zijn geen project waarvoor op grond van de Wnb een vergunningplicht bestaat. Een omgevingsvergunning natuur voor Natura 2000-activiteiten is daarom niet van toepassing.

1.8. Beoordeling van de aanvraag

Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid. In verband met het ontbreken van een aantal gegevens hebben wij de aanvrager op 23 februari 2021 in de gelegenheid gesteld om tot acht weken na de hiervoor genoemde datum de aanvraag aan te vullen. Op 12 april 2021, 12 mei 2021 en 10 juni 2021 is door de aanvrager (tijdig) verzocht om de termijn voor het aanleveren van de gevraagde gegevens te verlengen. Wij hebben ingestemd om de termijn voor het aanleveren van de gevraagde gegevens tot en met 16 juli 2021 te verlengen. Wij hebben op 28 juni en 16 juli 2021 aanvullende gegevens ontvangen. Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag opnieuw getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag met de aanvullende gegevens voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving.

Daarnaast hebben wij op 26 oktober 2021 nog een gewijzigde bijlage 2 (Water- en milieuaspecten) en gewijzigde bijlage 1 (milieutekening) ontvangen en op 9 december 2021 een gewijzigde risicoanalyse en A&V-beleid en AO/IC.

De aanvraag (eerste fase) heeft betrekking op de volgende activiteit:

  • -

    het oprichten en in werking hebben van een inrichting.

1.9. Procedure

Deze beschikking is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop zijn wij niet verplicht om van de aanvraag kennis te geven in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze, tenzij bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Nu deze uitzonderingsgrond zich niet voordoet, hebben wij geen kennisgegeven van de aanvraag in de Leeuwarder Courant en Friesch Dagblad.

Een of meer van de activiteiten waarop het project als geheel betrekking heeft, worden in de Wabo aangemerkt als activiteiten waarop de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Dit betekent dat beide benodigde fasebeschikkingen met die procedure worden voorbereid.

1.10. Zienswijzen op de ontwerpvergunning

Van het ontwerp van de vergunning hebben wij kennisgegeven in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via https://officielelebekendmakingen.nl. Van 20 december 2021 tot en met 31 januari 2022 heeft een ontwerp van de vergunning ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt.

Op 12 januari 2022 hebben wij namens Sustainable Fuel Production B.V. een zienswijze ontvangen van Derks Advies te Beugen. Op 31 januari 2022 hebben wij een gezamenlijke zienswijze ontvangen van drie inwoners van Harlingen.

Samengevat betreft de zienswijze van Sustainable Fuel Production het volgende:

  • A.

    Zowel in de QRA als in de considerans en voorschriften wordt uitgegaan van een productie van 18.000 ton biogas per jaar. Afhankelijk van de omvang van de vrachtwagen wordt deze in wagens met 47,8 m3, 28,5 m3 of 19,7 m3 opgehaald. De meest voorkomende is de grootste wagen en in de QRA is van deze wagen als grootste risico uitgegaan met een gewicht van maximaal 23,3 ton per vrachtwagen. Dat is geheel correct en ook zo opgenomen in de considerans. In de vergunningvoorschriften is echter in 5.8.1 uitgegaan van 100 vrachten per jaar in tegenstelling tot de 1.800 vrachten uit de QRA. Mogelijk is dit misverstand ontstaan bij de Bleve factor in de QRA die aangeeft dat per 100 vrachten 50 uur verlaadtijd van toepassing is. In het QRA wordt vervolgens 900 uur aangehouden, dus daarmee maximaal 1.800 vrachten per jaar. Ik verzoek u namens cliënte deze verschrijving aan te passen, of nog beter niet de vrachten maar de tonnage in jaarproductie op te nemen, omdat dit ook eenvoudiger controleerbaar is;

Samengevat betreffen de zienswijzen van de drie inwoners van Harlingen het volgende:

  • B.

    De ontwerpvergunning heeft te weinig draagvlak en is onvoldoende onderzocht en onderbouwd omdat:

    • 1)

      vanwege internationale en nationale klimaat- en milieuafspraken ernstig en met spoed gezocht moet worden naar vervanging van fossiele brandstoffen;

    • 2)

      ontwikkeling op het gebied van de productie van groengas, Bio-LNG gas en andere bruikbare gassen voor verwarming, voortstuwing en industriële toepassing in een versnelling is geraakt;

    • 3)

      grote internationale bedrijven zoals Shell zich - ten gevolge van de noodzakelijke terugloop van de productie van fossiele brandstoffen - ook op de Nederlandse markt (Amsterdam e.o.) begeven;

    • 4)

      ook bedrijven binnen de Europese Unie (Nieuwe Oogst 24-01-2022.15.30 Denemarken; Nature Energy) zich in Nederland zullen gaan vestigen;

    • 5)

      de hoeveelheden te verwerken afval uit de voedingsmiddelenindustrie beperkt zijn en nog worden beperkt door het streven naar een circulaire maatschappij;

    • 6)

      er een wetenschappelijk rapport ontbreekt dat de gebruiksmogelijkheden van digestaat tot extra onverwerkbaar afval leiden;

    • 7)

      de kennis, kunde en financiële mogelijkheden aanwezig bij multinationals ver uitsteken boven die van de aanvrager van de vergunning;

    • 8)

      de bouw en inbedrijfstelling van de inrichting een tijd van drie jaren vergt;

    • 9)

      het onderzoek in het kader van de Wet Bibob nog niet volledig is uitgevoerd omdat niet alle benodigde informatie over de financiële structuur en financiers beschikbaar is;

      daardoor ontstaat het risico van weigeren of intrekken van de vergunning;

    • 10)

      het starten met werkzaamheden op basis van een onvolledige vergunning voor eigen risico van de aanvrager komt;

    • 11)

      het veelvuldig voorkomen van criminele activiteiten zoals fraude, illegaal lozen en verwerken van afvalstoffen alsmede het witwassen van sommen geld in het afvalverwerkingscircuit nationaal en internationaal, een feit van algemene bekendheid is.

  • C.

    De vergunning moet op de volgende punten dringend worden aangevuld:

    • 12)

      er is onvoldoende aandacht besteed aan de handhaving van de algemene vergunningsvoorwaarden zelf en de mogelijkheden daartoe;

    • 13)

      de termijnen in het belang van de bewijsvoering in een eventueel opsporingsonderzoek zijn te lang;

    • 14)

      registratietechnieken in bepaalde stadia van de procesvoering zijn niet nader omschreven;

    • 15)

      registratie is niet verplicht elektronisch ingericht en beschermd tegen aanvallen van buitenaf;

    • 16)

      er mogen geen dierlijke meststoffen of producten van dierlijke herkomst worden gebezigd, het begrip "voorhanden hebben" kan juridisch beter worden gebezigd;

    • 17)

      brandveiligheid is van groot belang, er is te weinig aandacht besteed aan het aanwezig zijn en hebben van voertuigen op de locatie;

    • 18)

      kennis van het noodplan bij eenieder werkzaam moet op de locatie jaarlijks, of zo vaak als nodig wordt geacht, geoefend en getest worden;

    • 19)

      periodieke inspecties en controles op de veiligheid van de inrichting onder toezicht van de Inspectie SZW moeten aan anderen dan leveranciers worden opgedragen;

    • 20)

      bezuinigingen in de laatste decennia op personeelssterkte van de Inspectie SZW zullen de effectiviteit van het toezicht verlaagd kunnen hebben.

  • De begrippen transparantie en democratische inspraak zijn en worden geweld aangedaan omdat:

    • 21)

      inwoners van Harlingen door de beperkte publiciteit geen/nauwelijks kennis hebben kunnen nemen van de aanvraag en plannen tot oprichting;

    • 22)

      overwegingen bij het ontwerp onder 1.9: "Deze beschikking is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop zijn wij niet verplicht om van de aanvraag kennis te geven in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze, tenzij bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Nu deze uitzonderingsgrond zich niet voordoet, hebben wij geen kennisgegeven van de aanvraag in de Leeuwarder Courant en Friesch Dagblad.");

    • 23)

      vertegenwoordigers van de inwoners van Harlingen, zijnde de gekozen gemeenteraad, zijn slechts via een informatieve raadsvergadering - met de mogelijkheid tot het stellen van één vraag per fractie - en een bezoek aan het bedrijf in Westdorpe geïnformeerd;

    • 24)

      vertegenwoordigers van de inwoners van Harlingen, zijnde de gekozen gemeenteraad, ten gevolge van de verzelfstandiging van het havenschap, in het handelen van de verantwoordelijke wethouder geen enkele rol meer spelen bij de besluitvorming omtrent het gebruik van het havengebied;

    • 25)

      inwoners van Harlingen, al jaren geconfronteerd zijnde met de overlast en problemen rond de afvaloven REC, toch op zijn minst op de normaal rechtstatelijke wijze kennis hadden mogen en moeten en kunnen nemen van de komst en inrichting van een bio- LNG-installatie.

Over deze zienswijzen merken wij het volgende op:

Ad A.

In de zienswijze wordt terecht aangegeven dat in voorschrift 5.8.1 abusievelijk is opgenomen dat er maximaal 100 verladingen van Bio-LNG per jaar mogen plaatsvinden. Daar had inderdaad de maximale hoeveelheid LNG die jaarlijks wordt verladen, moeten zijn vermeld. Wij hebben voorschrift 5.8.1 dan ook overeenkomstig de zienswijze aangepast en aangevuld met een registratieverplichting van het aantal verladingen en de bijbehorende hoeveelheid Bio-LNG.

Wij verklaren deze zienswijze gegrond.

Ad B.

B.1, B.2, B.3, B.4, B.7, B.8

Wij hebben de aanvraag getoetst aan de aspecten zoals genoemd in artikel 2.14, eerste lid, onder a, b en c van de Wabo. Dit is het toetsingskader voor een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu. De wijze waarop wij de aanvraag hebben getoetst, hebben wij gemotiveerd in onze overwegingen. Daarbij zijn wij tot de conclusie gekomen dat het belang van de bescherming van het milieu zich er niet tegen verzet om de vergunning te verlenen. De argumenten genoemd in de zienswijzen onder B.1 t/m B.4, B.7 en B.8 hebben geen betrekking op het genoemde toetsingskader of het belang van de bescherming van het milieu.

Wij verklaren deze zienswijzen ongegrond.

B.5

In de aanvraag is aangegeven dat binnen de inrichting plantaardige stoffen (geen dierlijke mest) worden vergist. Deze plantaardige stoffen staan genoemd in bijlage Aa, onderdeel IV, categorie A tot en met G1 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Wij moeten beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Daarbij mogen wij niet de haalbaarheid van de aangevraagde activiteiten toetsen. Of het aanbod van een bepaalde afvalstroom mogelijk beperkt is of wordt, kunnen wij daarom niet meenemen in onze overwegingen.

Wij verklaren deze zienswijze ongegrond.

B.6

In de zienswijze wordt niet aangegeven welk rapport over gebruiksmogelijkheden van digestaat zou ontbreken. Wij hebben geconstateerd dat de aanvraag alle benodigde rapporten en onderzoeken bevat om te kunnen beslissen op de aanvraag.

Het vrijkomende digestaat wordt bewerkt tot overige organische meststoffen (recycling van het digestaat), die op grond van de meststoffenwet- en -regelgeving mogen worden toegepast.

Wij verklaren deze zienswijze ongegrond.

B.9, B.10, B.11

In Hoofdstuk 13 van deze vergunning is aangegeven dat wij eigen onderzoek op grond van de Wet Bibob hebben verricht naar de inrichting op basis van de op dat moment beschikbare gegevens. Niet alle gegevens waren al bekend ten tijde van dit onderzoek. Zodra ze bekend worden, zullen wij deze gegevens alsnog onderzoeken. Aan de hand van de uitkomsten daarvan zal bepaald worden of verdere stappen nodig zijn.

Voor iedere vergunningaanvrager geldt dat het starten met activiteiten voordat een omgevingsvergunning in werking is getreden, voor diens eigen risico komt.

Wij verklaren deze zienswijzen ongegrond.

B.12, B.13

Ons is niet duidelijk waarom er onvoldoende aandacht zou zijn besteed aan de handhaafbaarheid van de algemene voorwaarden.

Ook is ons niet duidelijk wat bedoeld wordt met termijnen in het belang van bewijsvoering en eventueel opsporingsonderzoek.

Wij zijn van mening dat de opgenomen voorschriften voldoende duidelijk zijn om daarop te kunnen handhaven. Bewijsvoering en opsporingsonderzoek vallen buiten het toetsingskader van deze vergunning.

Wij verklaren deze zienswijzen ongegrond.

B.14, B.15

In deze vergunning zijn diverse monitorings- en registratievoorschriften opgenomen of is voorgeschreven dat er een registratiesysteem aanwezig moet zijn. Hiermee wordt voldaan aan Hoofdstuk 5 van het Besluit omgevingsrecht.

Het is de verantwoordelijkheid van de vergunninghouder zelf om te bepalen hoe deze monitoring en registratie dan wel registratiesystemen binnen de inrichting gerealiseerd worden. Dit kunnen wij niet voorschrijven.

Wij verklaren deze zienswijzen ongegrond.

B.16

In de aanvraag is aangegeven dat er hoofdzakelijk plantaardige restproducten uit de voedingsmiddelenindustrie worden vergist. Dat hebben wij in voorschrift 2.2.2 vastgelegd. Voor de duidelijkheid hebben wij in de voorschriften 2.2.4 en 8.1.2 opgenomen dat er geen mest mag worden geaccepteerd cq dat er geen mest mag worden vergist. De termen “geaccepteerd” en “vergist” die in deze voorschriften worden gebruikt, zijn specifiek en afkomstig uit de toepasselijke wet- en regelgeving voor afvalstoffen. Wij zijn van mening dat het hiermee voldoende duidelijk is dat binnen de inrichting geen dierlijke mest aanwezig mag zijn.

Naar aanleiding van deze zienswijze is ons gebleken dat in onderdeel e van voorschrift 8.3.7 (eisen aan kwaliteitsverklaring) abusievelijk wordt gesproken over de minimale en maximale verwerkingscapaciteit van o.a. dierlijke meststoffen. Zoals wij zojuist al aangaven, is in de vergunning juist bepaald dat de inrichting geen dierlijke mest mag accepteren of vergisten. Daarom is onderdeel e van voorschrift 8.3.7 aangepast.

Wij verklaren deze zienswijze deels gegrond.

B.17

Brandveiligheid is bij de aangevraagde inrichting inderdaad van groot belang. Er worden immers brandbare gevaarlijke stoffen op- en overgeslagen. Om een inrichting als deze te kunnen exploiteren is de aanwezigheid van rijdend materieel noodzakelijk voor het aanleveren van grond- en hulpstoffen, het verplaatsen van materieel en producten en de afvoer van producten die zijn geproduceerd.

Voor de installaties die risicovol zijn en waarin gevaarlijke stoffen zijn opgeslagen, zijn voorschriften in de vergunning opgenomen die gebaseerd zijn op richtlijnen van de Publicatiereeks gevaarlijke stoffen (PGS). Als er een kans aanwezig is op aanrijdingsgevaar van een installatie waarin een gevaarlijke stof aanwezig is, moet deze installatie tegen aanrijden worden beschermd.

Verder bevinden de parkeerplaatsen voor personeel en bezoekers zich nabij het kantoor, waardoor onnodig rijverkeer op het drijfsterrein zo veel mogelijk wordt beperkt en er alleen vervoer op het terrein hoeft plaats te vinden dat voorde bedrijfsvoering noodzakelijk is.

Wij verklaren deze zienswijze ongegrond.

B.18

In voorschrift 5.12.9is een noodplan verplicht gesteld. In voorschrift 5.12.10 is gesteld dat personen die ter plaatse van de biovergistingsinstallatie en de LNG-installatie werkzaam zijn, op de hoogte zijn van de inhoud van het noodplan en de noodprocedures.

In voorschrift 5.12.12 hebben wij opgenomen dat het noodplan in ieder geval om de drie jaar moet worden beoordeeld en beproefd.

Bij nader inzien vinden wij dat het noodplan jaarlijks moet worden beoordeeld en getest. Wij hebben voorschrift 5.12.12 daarop aangepast.

Wij verklaren deze zienswijze gegrond.

B.19

De laadslang van de Bio-LNG tankwagen dient maandelijks visueel te worden geïnspecteerd. Deze inspectie houdt niet meer in dan een controle op aanwezige beschadigingen en eventuele scheurvorming van de laadslang. Een dergelijke visuele inspectie kan binnen de eigen bedrijfsvoering plaatsvinden en is niet persé voorbehouden aan een derde, onafhankelijke partij.

De laadslang dient, naast deze interne controle, uiterlijk na drie jaar en daarna jaarlijks op deugdelijkheid te worden gecontroleerd en hydraulisch te worden beproefd volgens de methode in NEN EN-ISO 21012.

Wij hebben voorschrift 5.8.12 aangepast in die zin dat de controle van de laadslang volgens de methode in NEN EN-ISO 21012 door een onafhankelijke deskundige moet worden uitgevoerd. 

Ook voorschrift 5.9.3 met betrekking tot de inspectie van de gasdetectiesystemen en voorschrift 5.9.10 met betrekking tot inspectie van vlamdetectiesystemen hebben wij aangepast in die zin dat de inspectie door een onafhankelijke deskundige moet worden uitgevoerd.

Wij verklaren deze zienswijze deels gegrond.

B.20

De FUMO voert namens ons periodieke inspecties en controles uit op de naleving van de voorschriften van de omgevingsvergunning, waaronder de veiligheidsvoorschriften.

Toezicht op de naleving op de regelgeving op drukapparatuur wordt door de Nederlandse Arbeidsinspectie uitgevoerd (onderdeel van het Ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid). Bezuinigingen bij Inspecties of ministeries en mogelijke effecten daarvan vallen buiten het toetsingskader voor deze vergunning.

Wij verklaren deze zienswijze ongegrond.

B.21, B.22, B.23, B.24, B.25

Voor de voorbereiding van deze omgevingsvergunning hebben wij de wettelijk voorgeschreven procedure gevolgd. Dit is de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure zoals beschreven in § 3.3 van de Wabo. Dat betekent onder andere dat van het ontwerp van de vergunning kennis is gegeven in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en het Provinciaal blad van Fryslân (via https://www.officielebekendmakingen.nl).

De ontwerpvergunning heeft, tezamen met de aanvraag en alle overige bijbehorende stukken, ter inzage gelegen in het provinsjehûs, bij de FUMO en het gemeentehuis van Harlingen. Hierbij is iedereen in de gelegenheid gesteld om kennis te nemen van de ontwerpvergunning en zienswijzen daarop in te dienen

De gemeente Harlingen is om advies gevraagd. Dit advies wordt behandeld in paragraaf 1.12 van deze vergunning. Van de gemeente Harlingen hebben wij advies ontvangen om extra aandacht te besteden aan de planologische inpasbaarheid van het bedrijf. In dat kader hebben wij SFP om een nadere onderbouwing gevraagd. Op 14 december 2021 hebben wij daarop een reactie van de gemeente Harlingen ontvangen waarin wordt aangegeven dat de activiteiten van SFP (gebruik) passen binnen het geldende bestemmingsplan.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat in het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen (onderdeel tweede fase) nog wel sprake is van een afwijking van het bestemmingsplan met betrekking tot de afstand tussen een gebouw en de perceelsgrens en de bouwhoogte. Deze afwijkingen van het bestemmingsplan worden in het kader van de tweede fase omgevingsvergunning beoordeeld.

Het handelen van de gemeenteraad en/of de wethouders van de gemeente Harlingen in relatie tot de komst van de aangevraagde inrichting valt buiten deze vergunningprocedure.

Ook de definitieve vergunning is bekend gemaakt en ter inzage gelegd e.d. op de manier die de wet voorschrijft.

Wij verklaren deze zienswijzen ongegrond.

1.11. Wijzigingen ten opzichte van de ontwerpvergunning

Ten opzichte van de ontwerpvergunning zijn de volgende wijzigingen aangebracht:

Voorschrift 5.8.1 is aangepast, omdat er maximaal 100 verladingen van Bio-LNG per jaar werden vermeld in plaats van de maximale hoeveelheid LNG die jaarlijks wordt verladen. Ook is het voorschrift aangevuld met een registratieverplichting

Voorschrift 8.3.7 is gewijzigd omdat onder e stond dat de minimale en maximale verwerkingscapaciteit van dierlijke meststoffen in de kwaliteitsverklaring moesten zijn opgenomen, terwijl er geen dierlijke meststoffen binnen de inrichting mogen worden geaccepteerd of vergist.

Voorschriften 5.8.12, 5.9.3 en 5.9.10 zijn aangepast met de aanvulling dat de beproeving van de laadslang, het inspecteren, onderhouden en testen van het gasdetectiesysteem en van het vlamdetectiesysteem door een onafhankelijke deskundige moeten worden uitgevoerd.

Voorschrift 5.8.13 is aangepast met een aanvulling dat de visuele inspectie van de laadslang door of namens de exploitant van de LNG-tankauto of de beheerder van de LNG-installatie kan worden uitgevoerd.

Voorschrift 5.12.12 is aangepast. Er stond aangegeven dat het noodplan in elk geval om de drie jaar moet wordt beoordeeld en beproefd en zo nodig bijgewerkt en wij van mening zijn dat het jaarlijks nodig is om het noodplan te beoordelen, te testen en eventueel aan te passen. Dit in het belang van het beperken en beheersen van calamiteiten en ongevallen en de bescherming van de leefomgeving.

Ook is paragraaf 2.1 Afvalscheiding van de ontwerpvergunning komen te vervallen omdat afvalscheiding reeds is geregeld in artikel 2.12 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit artikel is ook van toepassing op een inrichting type C (vergunningplichtige inrichting). Omdat afvalscheiding in het Activiteitenbesluit is geregeld, mogen wij daarover geen voorschriften in deze vergunning opnemen.

1.12. Advies

In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden:

  • -

    Wetterskip Fryslân;

  • -

    Gemeente Harlingen.

Op 18 december 2020 hebben wij advies van de gemeente Harlingen ontvangen waarin zij vraagt om de aanvrager te laten onderbouwen dat het om een zeehavengebonden bedrijf gaat. Als de aanvrager dit niet voldoende kan onderbouwen, is er sprake van strijdigheid met het bestemmingsplan.

Op 7 oktober 2021 hebben wij een memo ontvangen waarin een onderbouwing van de zeehavengebondenheid wordt gegeven. Deze memo hebben wij aan de gemeente Harlingen gezonden.

Daarnaast wordt gevraagd om goed te kijken of er sprake is van een risicovol of risicodragend bedrijf zoals gedefinieerd in het geldende bestemmingsplan. In overleg met de gemeente Harlingen is RHO Adviseurs om advies gevraagd of er al dan niet sprake is van een risicodragend bedrijf. RHO Adviseurs is tot de conclusie gekomen dat er geen sprake is van een risicodragend bedrijf. Ook is er geen sprake van een risicovol bedrijf.

Op 22 februari 2021 hebben wij advies van Wetterskip Fryslân ontvangen over de volledigheid van de aanvraag, waarin wordt geadviseerd om de aanvraag met de onderstaande gegevens aan te laten vullen:

  • -

    een duidelijke en overzichtelijke rioleringstekening;

  • -

    een beschrijving van de maatregelen of het voorkomen of beperken van lozing van afvalstoffen door het hergebruiken of nuttig toepassen dan wel het geschikt maken voor hergebruik of nuttige toepassing van zodanige afvalstoffen;

  • -

    een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.

Dit advies hebben wij overgenomen in ons verzoek om de aanvraag aan te vullen. De aanvraag is met genoemde punten aangevuld.

Vervolgens hebben wij op 25 oktober 2021 advies ontvangen over de op te nemen voorschriften over afvalwaterlozingen op de riolering (indirecte lozing). Dit advies hebben wij in onze vergunning verwerkt.

Vanwege de productie van biogas, het opwerken van biogas tot aardgaskwaliteit en de opslag van LNG, hebben wij tevens de Veiligheidsregio Fryslân om advies gevraagd. Naar aanleiding van de aanvraag en de ingediende aanvullingen, hebben wij op de onderstaande data advies ontvangen:

  • 8 juni 2021, referentie UIT/21013285/BRW/BR/RB;

  • 6 juli 2021, referentie UIT/21013406/BRW/BR/RB;

  • 3 september 2021, referentie UIT/21013557/BRW/BR/RB.

Geadviseerd (samengevat) wordt om:

  • -

    de plaatsgebonden risicocontour 10-6 op te nemen in de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan, om uit te sluiten dat hier in de toekomst kwetsbare objecten worden gerealiseerd;

  • -

    de risico’s te communiceren met de naastgelegen objecten en het handelingsperspectief mee te geven;

  • -

    om Wetterskip Fryslân te betrekken bij het vergunningsproces voor wat betreft mogelijke effecten op de waterkering;

  • -

    om de gegevens die gebruikt moeten worden voor het berekenen van de trefkansen, op te vragen bij de eigenaar van deze windturbines;

  • -

    om er voor te zorgen dat bij een gebouwbrand, de opslagtanks en tankwagen niet in gevaar komen;

  • -

    om de ruimten waar het vrijkomen van H2S en biogas van toepassing kan zijn, te voorzien van detectie gekoppeld aan het alarmsysteem en te voorzien van voldoende ventilatie;

  • -

    om de genoemde maatregelen in bijlage 2 behorende bij de aanvraag ten aanzien van CO2 te borgen als voorschriften in de omgevingsvergunning;

  • -

    enige vorm van brand/rookdetectie bij de opslagen van biomassa aan te brengen om broei te kunnen detecteren;

  • -

    om met het bedrijf, bevoegd gezag en Brandweer Fryslân invulling te gaan geven aan de bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid van dit bedrijf,

Naar aanleiding van dit advies merken wij het volgende op:

De aangevraagde activiteiten passen binnen het geldende bestemmingsplan. Daarnaast vallen de aangevraagde activiteiten niet onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) of Besluit risico zware inrichtingen (BRZO 2015). Binnen deze vergunningprocedure is het daarom niet mogelijk om de risicocontour in het bestemmingsplan op te nemen. Op grond van het Registratiebesluit externe veiligheid moeten de gegevens wel worden vermeld in het Risicoregister (provinciale risicokaart). Daarmee kan iedereen kennisnemen van de aanwezige risico’s van de aangevraagde activiteiten.

Communicatie met de naastgelegen objecten en het meegeven van een handelingsperspectief valt buiten de reikwijdte van deze vergunningprocedure. In het kader van deze vergunningprocedure heeft er wel overleg plaatsgevonden tussen de aanvrager en omliggende bedrijven. Ook wordt van het (ontwerp)besluit kennisgegeven waardoor iedereen kennis kan nemen van de aangevraagde activiteiten en de maatregelen en voorzieningen die moeten worden getroffen om de risico’s zoveel mogelijk te beperken.

Wij hebben Wetterskip Fryslân om advies gevraagd over mogelijke overdrukeffecten op de waterkering. Wetterskip Fryslân heeft aangegeven dat de aangevraagde activiteiten binnen de kernzone, buitenbeschermingszone en ruimtelijke reserveringszone zijn gelegen en dat binnen die zones geen werkzaamheden uitgevoerd mogen worden zonder watervergunning. In het kader van de watervergunning vindt een risicoanalyse in het kader van de dijkveiligheid plaats. Deze watervergunning wordt gelijktijdig aangevraagd met de aanvraag tweede fase omgevingsvergunning.

In de risicoanalyse BioLNG-installatie Harlingen (Adviesgroep AVIV BV, project 214547, versie 1.4, 8 december 2021) is een trefkans berekening uitgevoerd die is gebaseerd op het Handboek risicozonering Windturbines, 3e geactualiseerde versie mei 2013 en herziene versie 3.1 september 2014.

De gegevens die daarvoor zijn gebruikt, zijn gebaseerd op het rapport Trefkansenanalyse windturbines BIO-LNG Port of Harlingen, Pondera consult, rapportnummer 720107, 10 september 2020.

Wij zijn van mening dat de gebruikte gegevens voldoende zijn om een goede risicobeoordeling uit te voeren.

Ten aanzien van de opslag van gevaarlijke stoffen en cryogene stoffen hebben wij voorschriften aan de vergunning verbonden waarin is opgenomen dat moet worden voldaan aan de meest recente PGS-richtlijnen. Daarin zijn o.a. voorwaarden opgenomen over brandoverslag.

Aan de omgevingsvergunning kunnen geen voorschriften worden verbonden die betrekking hebben op de veiligheid van werknemers. Op de veiligheid van werknemers is de Arbowet van toepassing.

In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning tweede fase zal overleg met Brandweer Fryslân en het bedrijf plaatsvinden over de bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid van het bedrijf.

2. Toetsingskader Milieu

2.1. Inleiding

De aanvraag heeft betrekking op het oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e van de Wabo.

2.2. Toetsing oprichten, veranderen en/of revisie

Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij conform artikel 2.14, eerste lid, onder a, b en c van de Wabo:

  • -

    de bestaande toestand van het milieu betrokken;

  • -

    met het milieubeleidsplan rekening gehouden;

  • -

    de beste beschikbare technieken in acht genomen.

In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn.

2.3. Activiteitenbesluit 

In het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) zijn voor een groot aantal activiteiten, die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen.

De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, is aangemerkt als een inrichting waarvoor vergunningplicht (type C-inrichting) geldt.

Binnen het bedrijf vinden de volgende activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit: 

  • -

    Bodembedreigende activiteiten;

  • -

    Lozen van hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;

  • -

    Ammoniakkoelinstallatie;

  • -

    Opslag dieselolie in een bovengrondse tank;

  • -

    Afspuiten van vrachtwagens (spoelplaats);

  • -

    Tijdelijk gebruik van een diesel gestookte stoomketel.

Er moet worden voldaan aan de volgende paragrafen uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling, voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten:

  • -

    Artikel 2.12 Mengverbod afvalstoffen;

  • -

    Afdeling 2.4 Bodem;

  • -

    Paragraaf 3.1.3 Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;

  • -

    Paragraaf 3.2.1 Het in werking hebben van een middelgrote stookinstallatie, gestookt op standaard brandstof;

  • -

    Paragraaf 3.2.6 In werking hebben van een koelinstallatie;

  • -

    Paragraaf 3.3.2 Het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen of werktuigen of van spoorvoertuigen;

  • -

    Paragraaf 3.4.3 Opslaan en overslaan van goederen;

  • -

    Paragraaf 3.4.9 Opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank.

Voor het overige is per hoofdstuk of afdeling aangegeven of deze op een type C inrichting van toepassing is. Dit betekent dat ook hoofdstuk 1, afdeling 2.1 tot en met 2.4, 2.10 en 2.11 van hoofdstuk 2 en de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing kunnen zijn. Van belang voor deze vergunning is, of de inrichting ook voor de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen voldoet aan de best beschikbare technieken. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.

2.3.1. Melding Activiteitenbesluit

Gelet op artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit moet de oprichting van de inrichting worden gemeld. De aanvraag wordt ten aanzien van de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen aangemerkt als melding.

De voorschriften voor het onderdeel milieu die in deze vergunning zijn opgenomen, betreffen aspecten en activiteiten die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling.

3. Beste beschikbare technieken

In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunningvoorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.

Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie. BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 5 en 7 van de Richtlijn industriële emissies (Rie).

Het verschil tussen artikel 13, lid 5 en lid 7 van de Rie is:

  • -

    BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13, lid 5 heeft de Europese Commissie vastgesteld ná 6 januari 2011. Dit op basis van artikel 75, lid 2 van de Rie.

  • -

    BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13, lid 7 is het hoofdstuk Best available techniques (BAT) uit de BREF's. De Europese commissie heeft deze BREF's vastgesteld vóór 6 januari 2011. Dit hoofdstuk geldt als BBT-conclusies totdat de Europese Commissie voor die activiteit nieuwe BBT-conclusies vaststelt.

3.1. Concrete bepaling beste beschikbare technieken

Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage 1 van de Rie uitgevoerd en wel de volgende:

  • -

    Bijlage I, categorie 5.3b, onder i van de Richtlijn industriële emissies (Rie): nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen door middel van biologische behandeling met een capaciteit van 100 ton per dag.

Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies. Op grond van artikel 9.2 van de Mor moet voor het bepalen van BBT binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT.

Uit jurisprudentie met betrekking tot het bepalen van BBT bij het toetsen aan BBT-conclusies bij vergunningverlening, is gebleken dat het bevoegd gezag de actualiteit van BBT-conclusies moet nagaan ten aanzien van de ontwikkelingen van BBT die sinds het vaststellen van de BBT-conclusies hebben plaatsgevonden. Bronnen voor ontwikkelingen ten aanzien van BBT zijn onder andere de concepten van herziene BREF’s.

Bij het bepalen van de BBT hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies:

  • -

    BBT-conclusies afvalbehandeling, gepubliceerd op 17 augustus 2018;

  • -

    BREF Op- en overslag bulkgoederen (07/2006);

  • -

    BREF Energie-efficiëntie (02/2009).

Bij het bepalen van de BBT hebben wij verder rekening gehouden met de volgende informatiedocumenten over BBT:

  • -

    PGS 15: 2021, Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, versie 1.0 augustus 2021 (interim);

  • -

    PGS 30:2021, Vloeibare brandstoffen in bovengrondse tank- en afleverinstallaties, versie 1.0 augustus 2021 (interim);

  • -

    PGS 31: 2021, Overige gevaarlijke vloeistoffen – Opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties, versie 1.0, augustus 2021 (interim);

  • -

    PGS 9: 2021, Cryogene gassen – opslag van 0,150 m3 – 100 m3, versie 1.0, augustus 2021.

Bovenstaande PGS-documenten betreffen zogenaamde PGS Nieuwe Stijl Richtlijnen (PGS-NS Richtlijnen). Deze PGS-NS richtlijnen zijn in de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) nog niet aangewezen als BBT-document. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen de PGS-NS-richtlijnen voor het omgevingsveiligheidsdomein hierin een juridische verankering krijgen.

In de PGS-NS richtlijnen is de actuele stand van de techniek voor (externe) veiligheid opgenomen. De PGS-NS richtlijnen bieden ten aanzien van (externe) veiligheid daarmee minimaal een gelijkwaardig beschermingsniveau als de in de Mor aangewezen PGS-richtlijnen.

Punt van aandacht daarbij is de borging van de “bodem-maatregelen”. In de PGS-NS richtlijnen zijn geen voorschriften meer opgenomen over bodembescherming. Omdat binnen de inrichting een IPPC-installatie aanwezig is, zijn voor bodembescherming de regels uit het Activiteitenbesluit van toepassing (straks Besluit activiteiten leefomgeving). De bescherming van de bodem is daarmee geborgd.

3.2. BBT-conclusies Afvalbehandeling

Op 17 augustus 2018 zijn BBT-conclusies Afvalbehandeling gepubliceerd.

Bij het bepalen van BBT, specifiek voor de acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen, hebben wij rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies voor afvalbehandeling:

BBT 1

De BBT om de algehele milieuprestaties te verbeteren is de invoering en naleving van een milieubeheersysteem (MBS).

BBT 2

De BBT om algehele milieuprestaties te verbeteren is de invoering van procedures voor de acceptatie van afvalstoffen.

BBT 4

De BBT is om de met de opslag van afval verbonden risico’s te verminderen

BBT 5

De BBT is om de met de behandeling en overbrenging van afval verbonden milieurisico’s te verminderen, is het opstellen en uitvoeren van hanterings- en overbrengingsprocedures.

BBT 6

Voor emissies naar water is de BBT om de belangrijkste procesparameters (bv. Afvalwaterdebiet, pH, temperatuur, geleidbaarheid, BZV, stikstof) te monitoren.

BBT 10

De BBT is om geleide emissie van geur naar de lucht te monitoren.

BBT 11

De BBT is om het jaarlijkse water- en energie- en grondstoffenverbruik en de jaarlijkse productie van residuen en afvalwater te monitoren met een frequentie van tenminste eenmaal per jaar.

BBT 12

De BBT om geuremissies te voorkomen, of indien dat niet haalbaar is te verminderen, is om als onderdeel van het milieubeheersysteem (zie BBT1) een geurbeheerplan op te zetten, in te voeren en regelmatig te evalueren.

BBT 14

De BBT om diffuse emissie naar lucht, in het bijzonder stof, organische verbindingen en geur, te voorkomen of, als dat niet haalbaar is, te verminderen, is de toepassing van een geschikte combinatie van technieken zoals insluiting, verzameling en behandeling van diffuse emissies (14d) en bevochtigen van potentiële bronnen van diffuse stofemissies (14e).

BBT 15

De BBT is om uitsluitend om veiligheidsredenen of bij niet-routinematige bedrijfsomstandigheden affakkelen toe te passen.

BBT 16

De BBT om emissies naar lucht afkomstig van fakkels te verminderen wanneer affakkelen onvermijdelijk is, is de toepassing van een correct ontwerp van affakkelinstallatie en monitoring en registratie als onderdeel van het fakkelbeheer.

BBT 21

De BBT om de gevolgen van ongevallen en incidenten voor het milieu te voorkomen of te beperken, is om beschermingsmaatregelen, beheer van emissies als gevolg van incidenten/ongevallen en systeem voor registratie en beoordeling van incidenten/ongevallen te gebruiken als onderdeel van een ongevallenbeheerplan.

BBT 23

De BBT om efficiënt om te gaan met energie, is om een energie-efficientieplan op te stellen en verslag te doen over de energiebalans.

BBT 33

De BBT om geuremissies te verminderen en de algehele milieuprestaties te verbeteren, is om de afvalinput te selecteren (zie BBT 2).

BBT 34

De BBT om geleide emissies van geurende stoffen, met inbegrip van H2S en NH3, naar lucht te verminderen is, om één of een combinatie van technieken zoals adsorptie, biofilter, doekenfilter, thermische oxidatie en natte gaswassing toe te passen.

BBT 38

De BBT om de emissies naar lucht te verminderen en de algehele milieuprestaties te verbeteren, is om de belangrijkste afval- en procesparameters te monitoren en/of te beheersen.

Bovenstaande BBT-conclusies hebben wij verwerkt in de voorschriften van deze vergunning.

3.3. BREF op- en overslag bulkgoederen (BREF ESB)

De BREF op- en overslag bulkgoederen (BREF ESB) is van toepassing op de opslag, het transport en de verlading van vloeistoffen, vloeibare gassen en vaste stoffen bij IPPC-installaties, onafhankelijk van de sector of industrie. De BREF gaat in op de emissies naar de lucht, bodem en water, waarbij de meeste aandacht uitgaat naar de emissies naar de lucht. De informatie met betrekking tot emissies van de opslag, handling en transport van vaste stoffen is gericht op stof.

Om de diffuse emissie van stof naar de lucht afkomstig van opslag en verlading van vaste stoffen bij IPPC-installaties te voorkomen, hebben wij voorschriften aan deze vergunning verbonden.

Gezien de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 16 maart 2016 (ECLI:NL:RVS: 2016:722), vindt in de (na)vergistingstanks geen opslag plaats in de zin van het BREF ESB en is de BREF ESB hierop daarom niet van toepassing is. Ook volgt uit die uitspraak dat de eisen uit 5.1.3.3. van deze BREF, eisen zijn voor de opslag van uitsluitend brandbare vloeistoffen of vloeistoffen die een significante verontreiniging van de bodem of een watergang kunnen veroorzaken. Rekening houdend met deze uitspraak, overwegen wij ten aanzien van deze onderdelen het volgende:

Ingevolge de voorschriften bij deze vergunning dient het ontwerp van de opslag(tanks) voor vloeibare biomassa (grondstoffen) en digestaat te voldoen aan BRL2342, dient een regelmatige inspectie plaats te vinden en dient de opslag te zijn afgedekt. Voor zover van toepassing zijn op grond van de norm BRL2342 ook voorzieningen vereist voor corrosiebescherming, lekdetectie en overvulbeveiliging. Deze voorschriften worden beschouwd als de meest recente milieutechnische inzichten. Voor zover leidingen aanleiding geven tot risico’s voor de bodem, zijn daarop de bepalingen van afdeling 2.4 van het Activiteitenbesluit van toepassing.

De opslag en overslag van inerte goederen valt onder de werkingssfeer van paragraaf 3.4.3 van het Activiteitenbesluit. Daarom kunnen hierover geen voorschriften in deze vergunning worden opgenomen.

3.4. BREF Energie-efficiëntie

De BREF Energie-efficiency is van toepassing is op alle RIE-inrichtingen, behalve degene die vallen onder het systeem van Emissiehandel. Deze BREF bevat derhalve richtsnoeren en conclusies inzake technieken voor energie-efficiëntie die voor alle onder de IPPC-richtlijn vallende installaties in het algemeen als BAT-compatibel worden beschouwd. Deze BREF bevat geen specifieke informatie over processen en activiteiten in sectoren die onder andere BREF-documenten vallen en stelt geen sectorspecifieke BBT vast.

Processpecifieke BAT voor energie-efficiëntie en daarmee samenhangende energieverbruiksniveaus worden in de desbetreffende verticale sectorspecifieke BREF-documenten gegeven (bijvoorbeeld BBT-conclusies nr. 11 en 23 Afvalbehandeling). Hieruit volgt dat de in deze vergunning opgenomen voorschriften in overeenstemming zijn met de BREF Energie-efficiëntie.

3.5. Activiteitenbesluit

Het Activiteitenbesluit is gebaseerd op de Wet milieubeheer, waarin BBT als uitgangspunt geldt. De Nederlandse informatiedocumenten over BBT zijn opgenomen in de bijlage van de Regeling omgevingsrecht. Wanneer er een wijziging plaatsvindt van deze bijlage, past de wetgever het Activiteitenbesluit en Activiteitenregeling daarop aan als dat nodig is.

De voorschriften uit het Activiteitenbesluit en Activiteitenregeling voldoen daarmee aan BBT.

4. Afvalstoffen

4.1. Afvalstoffen algemeen

4.1.1. Preventie

Preventie van afval is een van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In deel B2 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP, is het beleid uitgewerkt voor afvalpreventie. In Nederland is een separaat afvalpreventieprogramma vastgesteld. De uitwerking van preventie-activiteiten vindt voornamelijk plaats via het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) en is inmiddels voortgezet in de vorm van het Rijks brede programma Circulaire Economie.

Op grond van artikel 5.4 (vaststelling van de beste beschikbare technieken) en artikel 5.7 van het Bor kan het bevoegd gezag voorschriften in omgevingsvergunningen opnemen om invulling te geven aan dit aspect.

In alle bedrijfsprocessen kunnen mogelijkheden bestaan om het ontstaan van afvalstoffen en het

- directe of indirecte - gebruik van grondstoffen terug te dringen of de bestaande grondstoffen te vervangen door duurzame alternatieven. Zowel het beperken van de hoeveelheid afvalstoffen als het terugdringen van de hoeveelheid grondstoffen levert direct een financiële besparing op.

Uitgangspunt voor alle bedrijven is dat het ontstaan van afval moet worden voorkomen of beperkt.

Binnen de inrichting ontstaan de volgende afvalstoffen:

  • -

    huishoudelijk afval (30 m3 jaar);

  • -

    papier (500 kg per jaar);

  • -

    metaal (500 kg per jaar);

  • -

    glas (15 kg per jaar);

  • -

    kunststof verpakking (300 kg per jaar);

  • -

    gevaarlijk afval (kga 15 kg en TL/Led lampen 25 stuks per jaar);

  • -

    spuiwater afkomstig van luchtwassers (550 m3 per jaar).

Gezien de hoeveelheid afvalstoffen die binnen de inrichting ontstaan, concluderen wij dat preventie niet relevant is. Wij hebben daarom in deze vergunning verder geen aandacht besteed aan de preventie van afvalstoffen.

4.1.2. Afvalscheiding

In artikel 2.12 van het Activiteitenbesluit zijn regels opgenomen over het scheiden van afvalstoffen. Daarin is onder andere bepaald dat het mengen van afvalstoffen die binnen de inrichting zijn ontstaan en geen gevaarlijke afvalstoffen zijn, gescheiden moeten worden opgeslagen en afgegeven indien dit op grond van LAP3 kan worden gevergd.

In deel B3 van LAP3 is het beleid uitgewerkt voor afvalscheiding, waarbij paragraaf B.3.4 specifiek ingaat op afvalscheiding door bedrijven. Voor bedrijfsafval is het niet goed mogelijk een limitatieve opsomming te maken van afvalstoffen die door alle bedrijven gescheiden moet worden gehouden. Bedrijven verschillen van aard en omvang veel van elkaar en er bestaat een groot aantal bedrijfsspecifieke afvalstoffen. Uitgangspunt is dat bedrijven verplicht zijn alle afvalstoffen gescheiden te houden en gescheiden af te geven, tenzij dat redelijkerwijs niet van hen kan worden gevergd.

In paragraaf B.3.4.2 van LAP3 is aangegeven welke afvalstoffen altijd gescheiden van elkaar moeten worden opgeslagen en afgevoerd (tabel 7) en in welke situaties het redelijk is om afvalscheiding te verlangen (tabel 8). Bij tabel 8 kunnen uitzonderingen gelden voor kleine hoeveelheden of kleine ruimten.

Daarnaast zijn in deel F bijlage 5 van het LAP3 verschillende categorieën van gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen vastgelegd welke niet met elkaar, met andere afvalstoffen of met niet afvalstoffen mogen worden gemengd. Deze categorieën moeten dus gescheiden gehouden worden. Voor de overwegingen met betrekking tot het gescheiden houden/niet mengen van deze categorieën van afvalstoffen wordt verwezen naar de paragraaf ‘mengen’.

Omdat artikel 2.12 van het Activiteitenbesluit ook van toepassing is op inrichtingen type C hebben wij geen voorschriften over afvalscheiding aan de vergunning verbonden.

4.2. Opslaan van afvalstoffen op de plaats van productie

Als gevolg van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen wordt de opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering gezien als storten, indien de tijdsduur van 1 jaar wordt overschreden. Indien de opslag voorafgaat aan nuttige toepassing van de afvalstoffen is deze termijn 3 jaar. In de vergunning is vastgelegd dat de termijn van opslag voorafgaand aan verwijdering maximaal 1 jaar is en de termijn van opslag voorafgaand aan nuttige toepassing maximaal 3 jaar is.

4.3. Mengen van afvalstoffen ontstaan binnen de inrichting

Voor het mengen van afvalstoffen ontstaan binnen de inrichting zijn de algemene regels uit het Activiteitenbesluit en daarbij behorende regeling van toepassing. Afwijken van de in het Activiteitenbesluit opgenomen mengverboden kan alleen worden toegestaan voor het mengen van niet-gevaarlijke afvalstoffen, indien het gescheiden houden en gescheiden afgeven redelijkerwijs niet gevergd kan worden. Het beleid zoals opgenomen in de delen B3 (afvalscheiding) en B7 (mengen) van LAP is hiervoor als toetsingskader gebruikt.

De aanvraag heeft geen betrekking op het mengen van afvalstoffen die binnen de inrichting zijn ontstaan.

4.4. Acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen 

Het beleid met betrekking tot afvalverwerking is gericht op het doelmatig beheer van afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wm. In dat kader houden wij rekening met het geldende afvalbeheerplan (het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP3) waaronder begrepen deel E (minimumstandaard per specifieke afvalstroom). De doelstellingen van het LAP geven invulling aan de prioriteitsvolgorde in de afvalhiërarchie zoals die in artikel 10.4 van de Wm is opgenomen:

  • a.

    preventie;

  • b.

    voorbereiding voor hergebruik;

  • c.

    recycling;

  • d.

    andere nuttige toepassing, waaronder energieterugwinning;

  • e.

    veilige verwijdering.

Dit beleidskader is voor de verschillende afvalstromen verder uitgewerkt in de sectorplannen (deel E van LAP3). Daarin is voor de verschillende afvalstromen de minimumstandaard voor verwerking van de afvalstroom aangegeven. De minimumstandaard geeft de minimale hoogwaardigheid aan van de verwerking van een bepaalde afvalstof of categorie van afvalstoffen. Deze minimumstandaard is bedoeld te voorkomen dat afvalstoffen laagwaardiger worden verwerkt dan wenselijk is.

Toetsing van de aangevraagde afvalactiviteiten

Het geproduceerde biogas wordt opgewerkt zodat het geschikt is om als brandstof ingevoerd te kunnen worden in het aardgasnet of als brandstof voor bijvoorbeeld vaartuigen en motorvoertuigen te kunnen worden gebruikt.

Binnen de inrichting worden uitsluitend plantaardige grondstoffen (geen mest) vergist die staan genoemd in bijlage Aa, onderdeel IV, categorie A tot en met G1 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Wanneer alleen deze stoffen worden vergist en de stoffen uit categorie G de maximale waarde voor zware metalen en microverontreinigingen niet overschrijden, mag het vrijkomende digestaat als overige meststof worden gebruikt en verhandeld.

Het vrijkomende digestaat wordt afgevoerd als overige meststof of verder bewerkt tot overige organische meststoffen (recycling van het digestaat).

Gelet op het verwerkingsproces en dat het vrijkomende digestaat als overige organische meststof onder de meststoffenwetgeving mag worden toegepast, is geen verdere toetsing aan de minimumstandaard van de sectorplannen van Deel E van LAP 3 nodig.

Aan de doelstelling van LAP3 wordt voldaan.

Om te borgen dat de verwerking van digestaat voldoet aan de meststoffenwetgeving, zijn in deze vergunning daartoe voorschriften opgenomen.

A&V-beleid en AO/IC

Om de risico’s van het verwerkingsproces te beheersen, moet een bedrijf dat zich met afvalbeheer bezighoudt beschrijven welke afvalstoffen worden geaccepteerd en waar nodig, welke afvalstoffen juist niet worden geaccepteerd (acceptatiebeleid) en welke afvalstoffen op welke manier binnen het bedrijf worden verwerkt (verwerkingsbeleid). Daarnaast moeten door technische, administratieve en organisatorische maatregelen de relevante processen binnen een bedrijf beheerst worden. Op deze wijze worden de milieuhygiënische en informatietechnische risico’s binnen de bedrijfsvoering geminimaliseerd. De omvang en de inhoud van de AO/IC is afhankelijk van de aard van de risico’s van het betreffende bedrijfsproces. De onderdelen die minimaal in het A&V-beleid en AO/IC moeten zijn beschreven, zijn vastgelegd in het LAP.

De minimale elementen voor het A&V-beleid en AO/IC vormen een kader en bevatten criteria op hoofdlijnen, waaraan de aanvraag inhoudelijk wordt getoetst.

Bedrijven moeten in het A&V-beleid ook uitwerken of en zo ja, welke afvalstoffen geaccepteerd worden die zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) kunnen bevatten. In het A&V-beleid moet worden uitgewerkt op welke wijze wordt beoordeeld of ZZS kunnen voorkomen in de afvalstoffen die geaccepteerd worden. Indien ZZS kunnen voorkomen, moet beschreven worden hoe de betreffende afvalstoffen worden verwerkt en hoe gewaarborgd is dat onaanvaardbare risico’s voor blootstelling van mens en milieu veroorzaakt door ZZS, worden voorkomen.

In bijlage 3 van het bij de aanvraag gevoegde A&V-beleid is omschreven hoe door SFP wordt gecontroleerd op de mogelijke aanwezigheid van ZZS en is een inventarisatie opgenomen van de mogelijke aanwezigheid van (potentiële) ZZS in de te accepteren afvalstoffen.

Hiervoor is het in opdracht van Rijkswaterstaat Water, Verkeer en Leefomgeving opgestelde onderzoek “ZZS in afvalstoffen” (versie 18-12-2019) van SGS Intron gebruikt.

In het bij de aanvraag gevoegde A&V-beleid is omschreven op welke wijze wordt gecontroleerd of de stoffen uit categorie G1 van onderdeel IV van Bijlage Aa van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet voldoen aan de maximale waarden voor zware metalen en microverontreinigingen.

De maximale waarden voor deze stoffen zijn opgenomen in bijlage II van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. Wanneer de maximale waarden voor zware metalen en microverontreinigingen worden overschreden, mag het vrijkomende digestaat niet als overige organische meststof worden toegepast. Ook is aangegeven dat de stoffen uit categorie A tot en met G1 worden bemonsterd en geanalyseerd op Droge Stof, Organische Stof, Bemestende Waarde en Zwavel.

Bij de aanvraag is een beschrijving van het A&V-beleid en de AO/IC gevoegd. Daarin is aangegeven op welke wijze acceptatie en verwerking plaats zullen vinden. Hierbij is rekening gehouden met de specifieke bedrijfssituatie. Op basis van het gestelde in de aanvraag kunnen wij met dit A&V-beleid en de AO/IC instemmen behoudens:

  • I.

    In het acceptatieschema op pagina 3 moet worden verwezen naar de juiste onderdelen van Bijlage Aa van het Uitvoeringregeling Meststoffenwet ;

  • II.

    Omdat binnen de inrichting alleen grondstoffen van plantaardige herkomst mogen worden verwerkt is de verwijzing de Europese verordening dierlijke bijproducten (pagina 3, 16 en pagina 20) niet van toepassing;

  • III.

    Het toekennen van een Euralcode aan een afvalstof moet plaatsvinden tijdens de vooracceptatieprocedure en niet bij de acceptatieprocedure;

  • IV.

    Aanvulling dat monstername en analyses van de stoffen genoemd onder categorie G1 van bijlage Aa van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet worden uitgevoerd overeenkomstig het gestelde in het Besluit Meststoffenwet;

  • V.

    Binnen de inrichting mogen geen grondstoffen worden verwerkt die niet vallen onder de bijlage Aa, onderdeel IV, categorie A t/mG1 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Registratie van afvalstoffen die daar niet onder vallenvindt daarom niet plaats. Hoofdstuk 6 moet daarop worden aangepast;

  • VI.

    De in bijlage 3 genoemde afvalstoffen mogen alleen worden geaccepteerd indien deze vallen onder bijlage Aa, onderdeel IV, categorie A t/mG1 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Dit dient in bijlage 3 te worden aangegeven.

Op bovenstaande punten moet het AV-beleid worden aangepast. Daartoe hebben wij aan deze vergunning voorschriften verbonden.

Wijzigingen in het A&V-beleid en/of de AO/IC

Wijzigingen in het A&V-beleid en/of de AO/IC moeten schriftelijk aan ons worden voorgelegd. Als bevoegd gezag zullen wij vervolgens bezien welke procedure in relatie tot de aard van de wijziging is vereist.

4.5. Registratie

De aanvrager verkrijgt met deze vergunning de mogelijkheid om afvalstoffen van buiten de inrichting te ontvangen. Op grond van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen moet de inrichting de ontvangst van afvalstoffen melden. Voor een effectieve handhaving van het afvalbeheer is het van belang om naast de meldingsverplichtingen tevens registratieverplichtingen op te nemen (art. 5.8 van het Bor). In deze vergunning zijn dan ook voorschriften voor de registratie van o.a. de aangevoerde, de afgevoerde en de geweigerde (afval-)stoffen opgenomen.

4.6. Conclusie

Gelet op het bovenstaande zijn wij van mening dat de aangevraagde activiteiten in overeenstemming zijn met het geldende afvalbeheerplan en daarmee bijdragen aan een doelmatig beheer van afvalstoffen.

5. Afvalwater

5.1. Afvalwaterstromen en zuiveringstechnische voorzieningen

Sustainable Fuel Production BV is voornemens in de haven van Harlingen een Bio-LNG installatie te bouwen. Dit biogas ontstaat bij het fermenteren van plantaardige biomassa, die hoofdzakelijk bestaat uit restproducten uit de voedingsmiddelenindustrie en die geen gevaarlijke of zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) bevat.

Door het fermenteren van de biomassa ontstaat naast gas ook een digestaat-stroom die door een mechanische scheiding wordt verdeeld in een dikke en een dunne fractie. De dikke fractie wordt vervolgens opgewerkt tot minerale korrels en de dunne fractie wordt behandeld in een afvalwaterzuivering. Deze zuivering bestaat uit een aantal units zoals een flotatie-unit, een membraanbioreactor (MBR) en een microfilter. Het afvalwater (reststaat) van deze zuivering wordt als effluentzuivering via de gemeentelijke riolering op de rwzi geloosd. Het concentraat uit de zuivering kan in principe gebruikt worden als meststof, maar wordt indien nodig ontwaterd waarbij het vrijkomende water aan het effluent zuivering wordt toegevoegd.

Bij de aangevraagde activiteiten ontstaan de volgende afvalwaterstromen die via de gemeentelijke riolering naar de rwzi worden afgevoerd en vervolgens op het Van Harinxmakanaal worden geloosd:

  • a.

    effluent zuivering;

  • b.

    condenswater;

  • d.

    huishoudelijk afvalwater.

a. Effluent zuivering

In de zuivering wordt de dunne fractie die afkomstig is van de mechanische scheider, behandeld in een flotatietank en een zeefbocht, waarbij de vaste delen uit het afvalwater worden verwijderd. De gezuiverde dunne fractie bevat na deze stap alleen nog opgeloste mineralen zoals stikstof en kali, die als meststof gaan dienen. Om het volume van de dunne fractie verder te verlagen, wordt deze door een membraanbioreactor (MBR) geleid en door een microfilter. Alternatief is dat het concentraat aan de dikke fractie wordt toegevoegd, om zodoende de mineralenbalans in de korrels te kunnen afstemmen op de behoefte van de klant. Het concentraat uit de microfiltratie is in principe geschikt als overige organische meststof. De stikstof is namelijk geheel opgelost en daardoor net zo snel werkzaam als kunstmeststikstof.

Het na de microfiltratie ontstane permeaat wordt vervolgens na bemonstering en controle geloosd op de gemeentelijke riolering en heeft naar verwachting de volgende samenstelling:

Parameter

Concentratie in mg/l

CZV

250

BZV5

10

N-totaal

60

NH4-N

15

P-totaal

5

Het verwijderingsrendement van de toegepaste zuivering is minimaal 97%. Het effluent zuivering zal worden geloosd met een debiet van gemiddeld 20 m3 en maximaal 25 m3 per uur.

Het effluent zuivering bevat een relatief hoog CZV-gehalte, hetgeen wordt veroorzaakt door natuurlijke en slecht biologisch afbreekbare humuszuren. In de fermenteringsinstallatie worden namelijk producten gefermenteerd met hoofdzakelijk een hoge CZV-waarde.

Uit studie en ervaring is gebleken dat humuszuren deels bestaan uit stikstof en dat bij de lozing van humuszuren deze stikstof wordt gemeten als Kj-N. Dit deel van het organische stikstof is niet beschikbaar voor afbraak in de biologische waterzuivering. Het aandeel stikstof in humuszuren kan in grote mate gerelateerd worden aan de hoeveelheid CZV die gemeten wordt.

Het verwijderen van fosfaat vindt plaats m.b.v. FeCl3, dat als beste beschikbare techniek wordt gezien. Door de toepassing van een MBR-installatie zullen er geen e-coli’s en enterovirussen en dergelijke aanwezig zijn in het effluent. Ook eventuele bestrijdingsmiddelen worden grotendeels danwel volledig tegengehouden.

SFP heeft verzocht om de vorengenoemde verwachte samenstelling van het effluent zuivering over te nemen in het lozingsvoorschrift van de vergunning.

b. Condenswater

Om het biogas uit de fermenters te reinigen, wordt een scrubber toegepast met als scrubbervloeistof water. Bij het met water scrubben en koelen van het gas komt condens vrij dat geen verontreinigingen bevat en dat met een debiet van circa 2,5 m3 per dag rechtstreeks op het gemeentelijk riool wordt geloosd.

c. Huishoudelijk afvalwater

Het huishoudelijk afvalwater is afkomstig van de sanitaire voorzieningen in het bedrijf. Naar verwachting zal ongeveer 350 m3 op jaarbasis worden geloosd. Het huishoudelijk afvalwater wordt rechtstreeks op de gemeentelijke riolering geloosd.

5.2. Beleid 

Het beleid gericht op de bescherming van het water tegen verontreiniging vormt een onderdeel van het totale milieubeleid, zoals geformuleerd in diverse meerjarenprogramma’s milieubeheer en het Nationaal Milieubeleidsplan. Het beleid van de waterbeheerders is geformuleerd in het Nationaal Waterplan. Het nationale beleid is in het Waterbeheerplan 2016-2021 toegespitst op de Friese situatie.

Het algemene beleidskader is van toepassing op alle wateren en bestaat uit twee sporen:

  • 1.

    het toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT) en;

  • 2.

    waar nodig en mogelijk verdergaande maatregelen, met het oog op het bereiken van de gewenste waterkwaliteit (emissie-immissietoets). Dit houdt in dat wanneer de restlozing na toepassing van de BBT leidt tot ontoelaatbare effecten voor de lokale waterkwaliteit, het bevoegd gezag beziet of er aanvullende beperkingen of voorschriften aan de vergunning kunnen worden verbonden dan wel de vergunning moet worden geweigerd.

Het aanvullende beleidskader richt zich specifiek op de waterlichamen in de zin van de Kaderrichtlijn Water en beoogt onder meer het waarborgen van “geen achteruitgang” voor de toestand van de waterlichamen. Dit kan zo nodig inhouden dat lozingen worden verplaatst naar minder kwetsbare waterlichamen en dat schadelijke milieuvreemde stoffen worden vervangen door andere stoffen met een vergelijkbare werking en minder schade aan het watermilieu.

Richtlijn Industriële Emissies

De Richtlijn Industriële Emissies is per 1 januari 2013 geïmplementeerd in de Nederlandse wet- en regelgeving. Deze richtlijn omvat een integratie van de IPPC-richtlijn, die van toepassing is op installaties die in hoge mate als milieubelastend worden beschouwd (de gpbv-installaties). Met deze richtlijn wordt een vergunningenregime beoogd voor onder andere emissies naar water uit grote industriële installaties, waarbij rekening wordt gehouden met vermindering van afval en energieverbruik (integrale afweging). Een belangrijk element is dat emissiegrenswaarden gebaseerd dienen te zijn op de in de richtlijn gedefinieerde BBT. De BBT is beschreven in referentiedocumenten oftewel BREF’s. In de ministeriële regeling (de Mor) is aangegeven met welke BBT-conclusies en informatiedocumenten over BBT bij de besluitvorming rekening moet worden gehouden.

Doelmatige werking rioolwaterzuiveringsinstallaties

Ter bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen (waterkwaliteit) is het van groot belang dat een rioolwaterzuiveringsinstallatie doelmatig werkt. Om deze doelmatige werking te beschermen, heeft Wetterskip Fryslân de beleidsnotitie “Doelmatige werking van zuiveringstechnische werken en grote lozers” opgesteld. Deze notitie geeft inzicht in de uitgangspunten die Wetterskip Fryslân hanteert bij het beoordelen van afvalwaterlozingen en het opstellen van vergunningen. Deze uitgangspunten hebben vooral betrekking op de verhoudingen BZV/N, P/v.e. en v.e./m3.

Activiteitenbesluit

In het Activiteitenbesluit zijn voor verschillende activiteiten die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden algemene voorschriften opgenomen. Met het Activiteitenbesluit wordt de vergunningplicht op grond van de Wet milieubeheer voor deze activiteiten opgeheven. Alleen de activiteiten van de aangewezen gpbv-installaties zoals genoemd in het Besluit omgevingsrecht (Bor) blijven vergunningplichtig. De voorschriften die in deze vergunning zijn opgenomen zijn die voorschriften die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de Ministeriële regeling.

Algemene Beoordelingsmethodiek (ABM) 

Sinds augustus 2002 geldt voor de beoordeling van stoffen en mengsels de "Algemene Beoordelings Methodiek" (ABM). In maart 2016 is de ABM geactualiseerd waarbij de aanpak van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) is geïntegreerd. De methodiek stelt bedrijven en waterkwaliteitsbeheerders in staat om op een eenduidige wijze de waterbezwaarlijkheid van stoffen en mengsels te benoemen.

Daarnaast volgt uit de methodiek welke saneringsinspanning voorde betreffende stof of het mengsel moet worden getroffen. Daartoe zijn vier saneringsinspanningen te onderscheiden, namelijk:

  • -

    saneringsinspanning A: saneren door toepassing van de best bestaande technieken. Dit zijn die technieken, waarmee tegen hogere kosten dan die welke verbonden zijn aan de best uitvoerbare technieken, een nog grotere reductie wordt verkregen en die in de praktijk kunnen worden toegepast;

  • -

    saneringsinspanning B: saneren door toepassing van de best uitvoerbare technieken. Dit zijn die technieken waarmee, rekening houdend met economische aspecten, d.w.z. uit kostenoogpunt aanvaardbaar te achten voor een normaal renderend bedrijf, de grootste reductie in de verontreiniging wordt verkregen;

  • -

    saneringsinspanning C: saneren door toepassing van de waterkwaliteitsaanpak. Deze aanpak is van toepassing op relatief onschadelijke verontreinigingen; de maatregelen die in het kader van deze aanpak moeten worden getroffen, zijn primair afhankelijk van de waterkwaliteitsdoelstellingen van het ontvangende oppervlaktewater;

  • -

    saneringsinspanning Z: saneren door toepassing van de meest vergaande best bestaande technieken. In beginsel moet gestreefd worden naar een nullozing middels een cyclische aanpak bestaande uit bronaanpak, minimalisatie en continu verbeteren.

De algemene beoordelingssystematiek is toepasbaar voor alle stoffen en mengsels, ongeacht de bedrijfstak waar zij worden ingezet. Voor deze methodiek geldt dat de verantwoordelijkheid voor het aanleveren van de milieu-informatie van stoffen aan het bevoegd gezag bij de aanvrager/vergunninghouder ligt. Indien de vereiste gegevens ontbreken wordt een worst case- benadering gehanteerd.

5.3. Beoordeling aanvraag

a. Effluent zuivering

Binnen de inrichting is er sprake van een lozing waarvoor de Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer van toepassing is. In het kader van deze regeling moeten voorschriften opgenomen worden die gericht zijn op de bescherming van het openbaar riool, een zuiveringtechnisch werk of de bij een zodanig openbaar riool of zuiveringtechnisch werk behorende apparatuur. Verder moeten voorschriften opgenomen worden, die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de kwaliteit van het rioolslib er niet door wordt aangetast zodat de verwerking van dit slib niet wordt belemmerd. Daarnaast dienen voorschriften te worden opgenomen die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt. De genoemde voorschriften zijn in deze vergunning opgenomen.

Op lozingen vanuit de volgende activiteiten is de “Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer” van toepassing:

  • -

    Effluent zuivering.

Uit de aanvraag blijkt verder dat het effluent zuivering zich kenmerkt als een dunne afvalwaterstroom met een geringe vuillast. Wel bevat het effluent een relatief hoog CZV-gehalte, hetgeen wordt veroorzaakt door natuurlijke en slecht afbreekbare humuszuren. Deze humuszuren zijn tevens verantwoordelijk voor een aanzienlijke emissie van stikstof die in hoge mate uit Kj-N bestaat. Omdat dit deel van de organische stikstof niet beschikbaar is voor afbraak in een biologische waterzuivering, heeft dit een negatief effect op de N-emissie van de rwzi. Gelet echter op het aandeel van de lozing in relatie tot de totale hoeveelheid afvalwater die de rwzi onder normale omstandigheden verwerkt, verwachten wij niet dat dit tot onaanvaardbare problemen zal leiden in de stikstofverwijdering van de communale zuivering.

Omdat de humuszuren natuurlijke stoffen zijn die nauwelijks afbreken en niet schadelijk zijn voor het aquatisch milieu, en omdat het effluent zuivering niet doelmatig op de rwzi kan worden behandeld, is een lozing rechtstreeks op oppervlaktewater een beter alternatief. Om deze reden en omdat er op het moment van indiening van de aanvraag nog een bepaalde mate van onzekerheid bestond over de samenstelling van het te lozen afvalwater na het opstarten van de installatie, heeft SFP besloten een tijdelijke vergunning aan te vragen voor lozing op de rwzi.

Volgens de aanvraag zal de bouwtijd van de waterzuivering ongeveer 3 jaar bedragen. Dit betekent dat de lozing van het effluent zuivering op de gemeentelijke riolering niet eerder zal plaatsvinden dan na 3 jaar van het in werking treden van de onderhavige vergunning. De twee daaropvolgende jaren zullen worden gebruikt voor proefneming en finetuning, teneinde een stabiele afvalwaterlozing te creëren die voldoet aan de criteria voor lozing op oppervlaktewater. De duur waarvoor de vergunning wordt verleend is dus 5 jaar.

Vanwege het dunne karakter en het relatief hoge stikstofgehalte, voldoet het effluent zuivering niet aan de uitgangspunten van de beleidsnotitie “Doelmatige werking van zuiveringstechnische werken en grote lozers”. Uitsluitend de lozing van fosfaat voldoet aan het gestelde uitgangspunt. Dit betekent dat het effluent zuivering niet op een doelmatige wijze behandeld kan worden in de rwzi. Maar gelet op de capaciteit van de rwzi verwachten wij dat het nadelige effect van de lozing op het zuiveringsproces beperkt zal blijven. Wij zijn dan ook van mening dat de aangevraagde lozing voor tijdelijke duur kan worden toegestaan.

b en c. Condenswater en huishoudelijk afvalwater

Deze afvalwaterstromen worden rechtstreeks op de gemeentelijke riolering geloosd en bevatten geen ongewenste verontreinigingen. In het Activiteitenbesluit worden aan deze afvalwaterstromen geen concrete voorschriften gesteld en de lozingen mogen in beginsel zonder beperkingen plaatsvinden. Wel moet op grond van de zorgplichtbepaling, artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit, worden voorkomen dat de doelmatige werking van de rwzi wordt belemmerd of onnodige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater zou veroorzaken.

Richtlijn Industriële Emissies (RIE)

Een belangrijk onderdeel van de RIE is het voldoen aan de Best Beschikbare Technieken (BBT). Uit categorie 5.3b van bijlage 1 van de RIE blijkt dat de activiteiten bij SFP onder de in artikel 10 beschreven activiteiten valt en daarmee van toepassing is op het nuttig toepassen van ongevaarlijke afvalstoffen indien het om fermentering gaat van meer dan 100 ton per dag. De installatie binnen het bedrijf krijgt een capaciteit voor de verwerking van zo’n 825 ton per dag. De IPPC-richtlijn is dus van toepassing.

De BBT voor verschillende activiteiten zijn Europees vastgelegd in BREF documenten. In het kader van dit advies zijn de aangewezen BBT-documenten “water” van belang zoals aangewezen in de ministeriële Regeling aanwijzing BBT-documenten.

Bij het bepalen van BBT hebben wij rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies:

  • BREF Afvalbehandeling;

  • BREF Koelsystemen;

  • BREF Opslag bulkgoederen;

  • BREF Energie-efficiëntie.

In de aanvraag voor een omgevingsvergunning heeft SFP aangegeven dat het bedrijf volledig BBT wordt uitgevoerd, conform de informatiedocumenten in bijlage 1 van de MOR “Aanwijzing BBT documenten”. Daarmee concluderen we dat de installatie die SFP gaat toepassen voldoet aan de richtlijnen van de RIE.

Algemene Beoordelingsmethodiek (ABM)

De ABM deelt voor alle bedrijfstakken op een transparante en eenduidige wijze de te lozen stoffen en mengsels in op grond van de eigenschappen. Daarbij geeft de methodiek aan in welke mate emissie-beperkende maatregelen bij het gebruik van een bepaalde stof wenselijk is. Uit de ABM volgt een aanduiding van de waterbezwaarlijkheid en een aanbeveling voor de saneringsinspanning.

Binnen de inrichting van SFP worden verschillende hulpstoffen toegepast die in het afvalwater terechtkomen. Op grond van de ABM-toets van deze stoffen is vastgesteld dat het hier uitsluitend om stoffen gaat die in de B- en C-categorie vallen. Er worden geen ZZS of A-stoffen gebruikt. Derhalve zijn wij van oordeel dat het gebruik van deze middelen akkoord is.

In de voorschriften is de verplichting opgenomen om nieuwe stoffen en mengsels te toetsen aan de algemene beoordelingsmethodiek.

Op grond van het voorgaande zijn wij van mening dat de getroffen maatregelen om de lozing te beperken voldoen aan de stand der techniek. De door de lozingen mogelijk te veroorzaken schade aan de doelmatige werking van de rioolwaterzuive­ringsin­stallatie en verontreiniging van het oppervlaktewater kunnen in voldoende mate worden tegengegaan en voorkomen door het stellen van de hiernavolgen­de voorschriften. Vanuit het oogpunt van watersysteembeheer is er geen bezwaar tegen het verlenen van de gevraagde vergunning.

Proefnemingen effluent zuivering

Voor veel inrichtingen is het zoeken naar verbetering(en) van producten en procesvoering een veelvuldig terugkerend aandachtspunt. Vaak wordt ook aan productonderzoek en/of -ontwikkeling gedaan. Dergelijke ontwikkelingen dragen veelal ook bij aan een vermindering van de belasting van het milieu.

Vanuit de geschetste achtergrond kan de behoefte bestaan en is het vaak van essentieel belang om op bepaalde momenten gedurende enige tijd proefnemingen uit te voeren. Op die manier kan informatie worden vergaard over de beoogde verbeteringen en/of aanpassingen in product of proces en om inzicht te krijgen in de daaraan verbonden milieu-hygiënische consequenties.

Proefnemingen worden gekenmerkt door een beperkte duur (wij gaan uit van maximaal zes maanden). Doorlooptijd en/of hoeveelheid moeten echter wel voldoende zijn om de noodzakelijke informatie te kunnen vergaren.

In de aanvraag (bijlage 2 onder 13 Afvalwater) heeft aanvrager aangegeven de mogelijkheid te willen hebben om desgewenst proefnemingen uit te kunnen voeren om een stabiele lozing op de RWZI te realiseren. Wij achten dit acceptabel. Wel zijn wij van oordeel dat daaraan randvoorwaarden moeten worden gesteld en moeten proefnemingen ruim voor aanvang (minimaal zes weken) bij ons voor toestemming worden voorgelegd. Daartoe hebben wij voorschriften opgenomen. Tevens moet over de resultaten van de proef aan ons worden gerapporteerd.

De proefnemingen moeten plaatsvinden binnen de milieu-hygiënische randvoorwaarden van deze vergunning en mogen pas aanvangen na toestemming van ons.

Ten overvloede merken wij nog op dat indien een proef succesvol is verlopen en men wil de resultaten daarvan implementeren, daartoe eerst steeds zal moeten worden bezien in hoeverre daartoe een procedure op grond van de Wabo zal moeten worden doorlopen.

6. Bodem

6.1. Bodembescherming

Voor wat betreft het aspect bodembescherming valt het bedrijf volledig onder het Activiteitenbesluit. In het kader van deze vergunning hoeft daarom geen nadere beoordeling plaats te vinden. Op grond van het Activiteitenbesluit moeten alle bedrijfsactiviteiten worden verricht met voorzieningen en maatregelen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico.

7. Energie en vervoermanagement

7.1. Overwegingen Energie-efficiëntie

In het landelijke beleid zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer worden inrichtingen aan de hand van het jaarlijkse energieverbruik als volgt ingedeeld:

  • -

    Kleinverbruikers: minder dan 25.000 m³ aan aardgasequivalenten én minder dan 50.000 kWh elektriciteitsverbruik;

  • -

    Middelgrote verbruikers: tussen 25.000 en 75.000 m³ aan aardgasequivalenten en/of tussen 50.000 en 200.000 kWh elektriciteitsverbruik;

  • -

    Grootverbruikers: meer dan 75.000 m³ aan aardgasequivalenten en/of meer dan 200.000 kWh elektriciteitsverbruik.

Voor andere energiebronnen dan elektriciteit en aardgas wordt het verbruik uitgedrukt in aardgasequivalenten door de omrekenfactoren te hanteren zoals opgenomen in artikel 2.16d van de Activiteitenregeling.

Voorschriften voor vergunningplichtige bedrijven

Voor vergunningplichtige bedrijven geldt dat de energievoorschriften uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling niet rechtstreeks werkend zijn. Regels voor energiebesparing worden dan ook via voorschriften in de vergunning geregeld op basis van artikel 5.7 van het Bor. Dat artikel verplicht het bevoegd gezag voorschriften aan de vergunning te verbinden met betrekking tot een doelmatig gebruik van energie en grondstoffen. Dit betekent dat moet worden getoetst of de inrichting de beste beschikbare technieken (BBT) toepast om tot een zuinig energieverbruik te komen. Een energiebesparende maatregel moet genomen worden als de terugverdientijd vijf jaar of korter is. Welke maatregelen dit zijn, moet blijken uit een energieonderzoek.

Daarnaast moet bij het nemen van energierelevante investeringsbeslissingen voorafgaand aan het investeringsbesluit worden nagegaan of er energiezuinigere alternatieven zijn. Als dat het geval is en een alternatief binnen vijf jaar terug te verdienen is, moet voor dat alternatief gekozen worden. Investeringen die energierelevant zijn, zijn bijvoorbeeld aanschaf machines, apparaten en ook verlichting.

Energieverbruik SFP

Uit de aanvraag blijkt het volgende (geschatte) energieverbruik van de inrichting:

  • 0 m³ aardgas;

  • 15.000 MWh elektriciteit (machines, pompen, luchtwasser, compressoren, verlichting, verwarming, etc.);

  • 5.000 liter dieselolie (verbruik interne transportmiddelen en eventueel noodstroomvoorziening).

Hieruit blijkt dat sprake is van een energierelevante inrichting en een grootverbruiker.

Het elektriciteitsverbruik binnen de inrichting komt voor het belangrijkste deel ten laste van het gebruik van elektromotoren en de hiermee aangedreven systemen.

Aandrijfsystemen bestaan uit een elektromotor met onderdelen als een pomp, fan of compressor en een regelaar en overbrenging. Dit zijn zogenoemde “kern”-toepassingen met een aandeel van 70% in het Nederlandse industriële elektriciteitsverbruik. Met de huidige techniek is veel energiebesparing mogelijk. Ook gelden er Europese richtlijnen die eisen stellen aan de minimale energie-efficiency van elektromotoren, pompen, ventilatoren en compressoren (bijvoorbeeld Verordening (EU) 2019/1781 Van De Commissie van 1 oktober 2019).

Om investeringen in energiezuinige aandrijfsystemen te bevorderen komen dergelijke investeringen (wanneer aan de voorwaarden wordt voldaan) in aanmerking voor de Energie-investeringsaftrek en is het Kennisnetwerk Efficiënte Elektrische Aandrijfsystemen (KEEA) opgericht. Hierin werken RVO.nl en brancheorganisaties FEDA, UNETO-VNI en Holland Pomp Groep samen aan projecten.

Een elektromotor is een relatief eenvoudig apparaat en in beginsel ook relatief eenvoudig efficiënter te maken. Deze efficiëntie wordt weergegeven als een IE-klasse. Klasse IE-1 wordt gezien als een elektromotor met een standaard efficiëntie. Klasse IE-5 is zeer efficiënt maar deze is nog beperkt leverbaar.

Omdat de aanvraag betrekking heeft op het oprichten van een nieuw bedrijf en de levensduur van de meeste elektrische motoren 15 tot 20 jaar is, is het van belang dat een juiste energiezuinige keuze van de toe te passen elektromotoren wordt gemaakt. Daarbij bieden motoren met een hoger rendement op de lange termijn vrijwel zeker de laagste Total Cost of Ownership (TCO).

Het is daarom van belang dat in het kader van de investeringsbeslissing van de toe te passen installaties een onderzoek wordt uitgevoerd naar de energie efficiëntie van elektromotoren en de hiermee aangedreven systemen. Uitgangspunt daarbij moet zijn dat er elektromotoren worden toegepast die voldoen aan IE-klasse 4. Indien wordt gemotiveerd dat niet mogelijk is mogen elektromotoren die voldoen aan IE-klasse 3 worden toegepast. De resultaten van het onderzoek moeten aan ons worden toegezonden.

In het licht van de verdragen, afspraken en doelstellingen die op alle niveaus, van internationaal tot lokaal, bestaan, is het noodzakelijk om de energievoorziening en het energieverbruik blijvend verder te verduurzamen. Daartoe moet in een vierjaarlijks onderzoek worden gekeken naar de maatregelen die noodzakelijk zijn om de energievoorziening van de inrichting volledig te verduurzamen, met als streefjaar 2050. Door een vierjaarlijkse onderzoeksverplichting wordt BBT voor het onderdeel energie periodiek in kaart gebracht. De inrichting neemt geen deel aan het Europese Emissiehandelssysteem (ETS). Aan de omgevingsvergunning kunnen daarom voorschriften worden verbonden met betrekking tot energiebesparing.

7.2. Richtlijn energie-efficiëntie (EED) 

In juli 2015 is de Tijdelijke regeling implementatie artikelen 8 en 14 Richtlijn energie-efficiëntie (verder: de Tijdelijke regeling) in werking getreden. Deze regeling is gebaseerd op de Europese richtlijn energie-efficiëntie (EED). De Europese richtlijn heeft als doel 20 procent besparing op het energiegebruik in 2020 (ten opzichte van 2010). De belangrijkste verplichting uit de Europese richtlijn energie-efficiënte is het uitvoeren van een vierjaarlijkse energie-audit. De auditplicht geldt voor ondernemingen met meer dan 250 medewerkers (fte) of een jaaromzet groter dan € 50 miljoen en een jaarlijks balanstotaal groter dan € 43 miljoen. SFP Group BV behoort niet tot deze categorie van bedrijven.

7.3. Vervoermanagement

Op 17 april 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over het onderwerp Vervoermanagement in de verleende omgevingsvergunning van Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam. De Afdeling bestuursrechtspraak zegt in haar uitspraak: het op deze manier willen reguleren van vervoermanagement past niet binnen de wettelijke kaders van de omgevingsvergunning en óók niet binnen de wettelijke zorgplicht uit de Wet milieubeheer. Vanwege deze uitspraak is het onderwerp Vervoermanagement in afwachting van een nieuwe aanpak voor de overige vergunningplichtige inrichtingen uit deze overwegingen verwijderd.

8. Externe veiligheid

8.1. Algemeen

Bij de inrichting zijn de volgende gevaarlijke stoffen aanwezig:

  • Biogas (methaan);

  • Bio-LNG;

  • CO2 cryogeen;

  • Stikstof cryogeen;

  • Ammoniak;

  • Verpakte gevaarlijke stoffen ADR 3, 8 en gasflessen ADR 2;

  • Zwavelzuur;

  • Natronloog;

  • IJzerchloride;

  • Dieselolie.

De processen, de aard en hoeveelheid van de gebruikte gevaarlijke stoffen zoals vermeld in de aanvraag kunnen een risico vormen voor de omgeving.

Het externe veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van activiteiten voor de omgeving (mens en milieu). Het gaat hierbij onder meer om de risico's die verbonden zijn aan de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen.

Zoals in het NMP4 (Vierde Nationaal Milieubeleidsplan) is aangegeven, is de basis van het huidige risicobeleid dat het gevaar van een activiteit acceptabel is wanneer:

  • het plaatsgebonden risico niet hoger is dan is genormeerd;

  • de kans op een groot ongeluk met veel slachtoffers kan worden verantwoord (het groepsrisico).

Het plaatsgebonden risico (PR) is een maatstaf om te bepalen welke afstand nodig is tussen de risicodragende activiteit en de bebouwde omgeving. Het plaatsgebonden risico is de kans dat zich op een bepaalde plaats over een periode van één jaar een dodelijk ongeval voordoet als direct gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen, indien zich op die plaats 24 uur per dag en onbeschermd een persoon zou bevinden. De gehanteerde norm voor het plaatsgebonden risico in Nederland is in beginsel 10-6 per jaar (d.w.z. een kans van 1 op de miljoen per jaar). Deze norm is opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In het Bevi is aangegeven in welke gevallen hiervan (tijdelijk) kan worden afgeweken.

Het groepsrisico (GR) voegt daar als maatstaf aan toe de verwachte omvang van een ongeval uitgedrukt in het aantal dodelijke slachtoffers, gegeven de kans op dat ongeval. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in een keer een groep personen die zich in de omgeving van de risicosituatie bevindt, overlijdt vanwege een ongeval met gevaarlijke stoffen. Met de grootheid groepsrisico is getracht een maat voor maatschappelijke ontwrichting te creëren. In het Bevi is een niet-normatieve benadering van het groepsrisico neergelegd. Bij de beoordeling van het groepsrisico is de vraag aan de orde welke omvang van een ramp, gegeven de kans daarop, maatschappelijk aanvaardbaar is.

8.2. Beoordeling plaatsgebonden risico en groepsrisico

Onderhavige inrichting waar biogas, Bio-LNG, ammoniak en CO2 als maatgevende gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, valt juridisch niet onder het Bevi. Omdat de gevaarlijke stoffen biogas, Bio-LNG alsmede cryogene CO2 risico’s voor de omgeving kunnen opleveren, wordt voorliggende aanvraag wel als zijn de een inrichting die onder het Bevi valt beoordeeld. De stof ammoniak is verder niet relevant voor externe omdat de hoeveelheid onder de Bevi-grens van 1500 kg ligt.

Plaatsgebonden risico 10-6 per jaar

Omdat het hier om een zogenaamde niet categoriale inrichting gaat, is middels een QRA het PR10-6 berekend. De QRA toont aan dat het PR10-6 gedeeltelijk buiten de grens van de inrichting ligt. Echter liggen binnen de PR-contour geen objecten van derden. De inrichting voldoet hiermee aan de grens- en richtwaarde van het PR10-6 per jaar. De QRA met kenmerk 214547 van 15 december 2021 maakt onderdeel uit van de vergunning.

Groepsrisico

In de QRA is tevens de hoogte van het groepsrisico berekend. Het maximaal aantal slachtoffers dat is berekend is circa 160. De oriëntatiewaarde wordt niet overschreden. Het hoogste berekende groepsrisico bedraagt circa 16% van de oriëntatiewaarde. Door de aangevraagde situatie is er in dit gebied een toename van het groepsrisico.

Om het groepsrisico zo beperkt mogelijk te houden zijn er voorschriften aan de vergunning verbonden, waarmee de risico’s voor de omgevingen moet worden voorkomen dan wel zo veel mogelijk moeten beperken. Ten aanzien van externe veiligheid zijn het merendeel van de voorschriften gebaseerd op landelijke publicaties die als BBT-documenten in de wetgeving zijn vastgelegd.

Windturbines

De in de QRA berekende contouren zijn gecorrigeerd in verband met de invloed van een aantal windturbines die nabij de inrichting aanwezig zijn. De correctie geldt voor de windturbines, waar installaties met gevaarlijke stoffen binnen de werpafstanden bij overtoeren van de windturbines liggen en de bijdrage meer dan 10% bedraagt.

Conclusie plaatsgebonden risico en groepsrisico

Op basis van de uitgevoerde QRA kan geconcludeerd worden dat de aangevraagde situatie de grens- en richtwaarde PR10-6 niet worden overschreden. De oriëntatiewaarde van het groepsrisico wordt niet overschreden.

8.3. Besluit risico’s zware ongevallen 2015

Met het in werking treden van het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015) is de Europese Seveso III-richtlijn uit 2012 geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. Het Brzo 2015 richt zich op het beheersen van zware ongevallen en heeft tot doel om het risico van (grote) ongevallen bij bedrijven zo klein mogelijk te maken. Dat gebeurt enerzijds door de kans dat dergelijke ongevallen plaatsvinden te verkleinen (proactief, preventie en preparatie) en anderzijds door de gevolgen van een eventueel ongeval voor mens en milieu te beperken (repressie).

Binnen de inrichting zijn een aantal gevaarlijke stoffen aanwezig die in de lijst van gevaarlijke stoffen van Seveso III zijn ondergebracht. Binnen SFP Friesland BV. gaat het om de gevaarlijke stoffen:

  • -

    ammoniak (Seveso III deel 2);

  • -

    vloeibaar aardgas (met vloeibaar aardgas vergelijkvaar Bio-LNG (Seveso III deel 2);

  • -

    biogas onbewerkt (Seveso III deel 1:

De stof ammoniak en vloeibaar aardgas zijn in de Seveso lijst in deel 2 met name genoemde stoffen met beide een drempelwaarde van 50 ton. Onbewerkt biogas valt in deel 1 onder de rubriek fysische gevaren P2 ontvlambare gassen. De drempelwaarde bedraagt hiervan 10 ton.

Binnen de inrichting is maximaal 1000 kg ammoniak in de 4 koelinstallaties aanwezig. De drempelwaarde bedraagt 0,02 voor brandbaar, toxisch en aquatoxiciteit. Ammoniak valt onder de zogenaamde 2% regel. Gevaarlijke stoffen die slechts in hoeveelheden van 2% of minder van de vermelde drempelwaarde aanwezig zijn tellen niet mee in de sommatie.

De hoeveelheid Bio-LNG bedraagt maximaal 43 ton. De drempelwaarde bedraagt 0,86. De hoeveelheid biogas bedraagt 1,1 ton. De drempelwaarde bedraagt 0,11.

De hoeveelheid diesel en tetrahydrothiofeen vallen eveneens onder de 2% regel en dragen daarom niet bij aan de sommatie.

De sommatie van Bio-LNG en biogas bedraagt 0,97. De zogenaamde lage drempelwaarde wordt niet overschreden.

Omdat de lage drempelwaarde wordt benaderd is een realtime registratie voorgeschreven die de maximale hoeveelheden gevaarlijke stoffen registreert die voor de sommatie van belang zijn.

De maximale hoeveelheden van de aanwezige gevaarlijke stoffen die relevant zijn voor het BRZO (opgeslagen hoeveelheden en hoeveelheden aanwezig in andere insluitsystemen als leidingen en installaties (exclusief tankauto LNG)) zijn in de vergunning vastgelegd.

De Bio-LNG tankauto met een inhoud van circa 23 ton Bio-LNG wordt vanuit de LNG-tank geladen en hoeft niet bij de sommatie te worden betrokken. In de vergunning is in een voorschrift vastgelegd dat een geladen Bio-LNG tankauto niet binnen de inrichting mag worden gestald. De sommatie voor fysische gevaren en gezondheidsgevaar zijn beide kleiner dan 1, wat betekent dat het BRZO 2015 niet op de inrichting van toepassing is.

8.4. Op- en overslag van gevaarlijke stoffen (PGS-richtlijnen)

Ten behoeve van de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen Nieuwe Stijl (PGS-NS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Deze PGS-NS richtlijnen beschouwen wij als Nederlandse informatiedocumenten over BBT. Voor de beoordeling van de aanvraag van de inrichting zijn de volgende PGS-NS richtlijnen relevant:

  • -

    PGS 15: 2021, Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, versie 1.0 augustus 2021 (interim);

  • -

    PGS 31: 2021, Overige gevaarlijke vloeistoffen – Opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties, versie 1.0, augustus 2021 (interim);

  • -

    PGS 9: 2021, Cryogene gassen – opslag van 0,150 m3 – 100 m3, versie 1.0, augustus 2021.

Uit de aanvraag blijkt dat de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen voldoet aan de PGS-NS 15 en daarmee voldoet aan BBT. Het gaat met name om de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen corrosief ADR klasse 8 en brandbaar ADR klasse 3 en om een opslag van een aantal gasflessen ADR klasse 2. Voor de opslag van ADR klasse-8 stoffen zonder bijkomend gevaar gelden geen specifieke brandveiligheidseisen, maar vallen wel onder PGS-NS 15. De relevante onderdelen van deze richtlijn zijn bij voorschrift aan dit besluit verbonden.

De 4 ammoniakkoelinstallaties met ieder 250 kg ammoniak vallen onder de rechtstreekse werking van paragraaf 3.2.6. van het Activiteitenbesluit. In de vergunning mogen hiervoor geen voorschriften worden opgenomen en gelden de voorschriften van PGS 13 voor installaties met meer dan 50 kg maar minder dan 1.500 kg ammoniak, zoals in de Activiteitenregeling is vastgelegd.

De opslag van cryogeen koolstofdioxide (CO2) en stikstof (N2) valt onder de PGS 9-NS. De relevante onderdelen van deze richtlijn zijn bij voorschrift aan dit besluit verbonden.

Met betrekking tot de opslag van ADR klasse 8-producten met verpakkingsgroep II en III zonder bijkomend gevaar, zoals natronloog en zwavelzuur, is in de toelichting van de Activiteitenregeling, aangegeven dat de opslag met bovengrondse leidingen niet relevant is voor externe veiligheid. De Activiteitenregeling is hierop aangepast, waardoor er minder vergaande eisen aan de opslagtanks worden gesteld als opgenomen in de PGS-NS 31 voor deze stoffen. De PGS-NS 31 is in dit besluit toegepast met uitzondering van de onderdelen aangaande keuring en certificatie.

8.5. Registratiebesluit/Regeling provinciale risicokaart

Het Registratiebesluit externe veiligheid geeft aan welke inrichtingen en welke informatie opgenomen moet worden in het Risicoregister. Daarnaast moeten ook inrichtingen die vallen onder de reikwijdte van de Regeling provinciale risicokaart worden opgenomen in het register. De criteria van het Besluit en de Regeling zijn samengevoegd in de drempelwaardentabel die is opgenomen in de Leidraad Risico Inventarisatie.

De inrichting valt in verband met de LNG-opslag en de CO2-opslag onder de criteria van de Regeling. Na afronding van de vergunningprocedure worden de gegevens in het risicoregister (RRGS) vastgelegd. De inrichting is ten tijde van de ontwerpprocedure in het RRGS opgenomen onder id-nummer 26235. Na vaststelling van het Besluit zal de registratie in het RRGS worden geautoriseerd, waarna de inrichting zichtbaar zal zijn op de risicokaart.

8.6. Warenwetbesluit drukapparatuur 2016

Bij de inrichting is apparatuur in gebruik met een maximaal toelaatbare druk van meer dan 0,5 bar. Voor deze installatie gelden de eisen zoals die verwoord zijn in het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016. Dit besluit is van toepassing op het ontwerp, de fabricage, de overeenstemmingsbeoordeling, de ingebruikneming en periodieke keuring van drukapparatuur, samenstellen en druksystemen waarvan de maximaal toelaatbare druk (PS) meer dan 0,5 bar bedraagt. Het besluit is rechtstreeks werkend, zodat in deze vergunning geen nadere eisen gesteld (mogen) worden. De Inspectie SZW is toezichthouder voor het in werking hebben van deze drukapparatuur.

8.7. Relatie met ATEX

Een gasexplosie kan ontstaan wanneer een ontstekingsbron een explosief mengsel van een brandbaar gas (verdampte vluchtige vloeistof) én zuurstof (lucht) tot ontsteking brengt. Bij de inrichting bestaat de kans dat dit gas tot ontbranding of ontsteking wordt gebracht.

De verplichtingen voor bedrijven ten aanzien van gasexplosiegevaar zijn verankerd in de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit (ATEX). Concreet gaat het voor inrichtingen (bedrijven) dan met name om het explosieveiligheidsdocument, de RI&E voor de onderdelen gasexplosie, en de gevarenzone-indeling. De Inspectie SZW is de toezichthoudende instantie. Om deze reden worden voor gasexplosiegevaar geen voorschriften aan deze vergunning verbonden.

9. Geluid

9.1. Algemeen

De bedrijfsactiviteiten hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. De belangrijkste geluidsbronnen van het bedrijf zijn transportbewegingen voor het leveren van biomassaproducten, afvoer producten, uitstraling deuren, luchtwasinstallatie en verkeersbewegingen.

De veroorzaakte geluidsbelasting in de omgeving en de perioden waarin deze optreedt, is in kaart gebracht in een akoestisch rapport Akoestisch onderzoek industrielawaai Sustainable Fuel Production BV Lange Lijnbaan ong. te Harlingen, rapportnummer 220-HLL-il-v5 door M&A omgeving BV, datum 8 juli 2021.

Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (de geluidsemissie die de inrichting onder normale omstandigheden veroorzaakt). Beoordeeld worden de geluidsbelasting, de maximale geluidsniveaus en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting.

9.2. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau 

De inrichting ligt op het gezoneerde industrieterrein Industriehaven Harlingen in de gemeente Harlingen. Bij de vergunningverlening op de aanvraag nemen wij in ieder geval in acht de geldende grenswaarden voor gezoneerde industrieterreinen zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. Voor gezoneerde industrieterreinen geldt als uitgangspunt dat de etmaalwaarde van het equivalent geluidsniveau vanwege het gehele industrieterrein buiten de zone niet meer mag bedragen dan 50 dB(A).

Voor woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen die zijn gelegen buiten het industrieterrein maar binnen de zone, zijn in hogere waarden vastgesteld. De geluidsbelasting ter plaatse van deze woningen mag niet meer bedragen dan de vastgestelde hogere waarde (artikel 45 van de Wgh).

In de geluidszone zijn geluidsgevoelige bestemmingen gelegen waarvoor een hogere waarde is vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Fryslân bij besluit van 3 oktober 1996. Het gaat hierbij om de adressen:

  • Blynsewei 1-3, Midlum 55 dB(A);

  • Haulewei 25, Midlum 56 dB(A);

  • Haulewei 27, Midlum 56 dB(A);

  • Blynsewei 5, Midlum 52 dB(A);

  • Haulewei 23, Wijnaldum 56 dB(A);

  • Haulewei 21, Wijnaldum 56 dB(A);

  • Hualewei 17, Wijnaldum 56 dB(A);

  • Haulewei 15 Wijnaldum 56 dB(A);

  • Haulewei 11, Wijnaldum 55 dB(A);

  • Haulewei 13, Wijnaldum 55 dB(A);

  • Swingmalaene 2, Wijnaldum 57 dB(A);

  • Haulewei 9, Wijnaldum 54 dB(A);

  • Swingmaleane 1, Wijnaldum 60 dB(A);

  • Hoarnestreek 6, Wijnaldum 52 dB(A);

  • Hoarnestreek 2, Wijnaldum 51 dB(A);

  • Haulewei 24a, Wijnaldum 53 dB(A);

  • Haulewei 24, Wijnaldum 51 dB(A);

  • Haulewei 20-22, Wijnaldum 51 dB(A);

  • Haulewei 18, Wijnaldum 51 dB(A).

In het akoestisch rapport dat deel uitmaakt van de vergunningaanvraag is de geluidimmissie, zowel voor de dag-, avond- als nachtperiode, aangegeven ter plaatse van de door de zonebeheerder vastgestelde zonebewakingspunten (op de vastgestelde 50 dB(A)-contour) en bij relevante woningen binnen de zone.

Van de zonebeheerder ontvingen wij op 27 augustus 2021 een schriftelijke rapportage waarbij de situatie vóór en na de aanvraag in beeld is gebracht.

De zonebeheerder heeft verklaard dat de berekende geluidimmissie van de inrichting, gecumuleerd met de geluidimmissie van de overige op het industrieterrein gevestigde inrichtingen, past binnen de beschikbare geluidruimte voor het betreffende industrieterrein.

9.3. Maximaal geluidsniveau (LAmax)

Voor woningen die zijn gelegen buiten het gezoneerde industrieterrein wordt, indien relevant, de standaard systematiek zoals gehanteerd bij de vergunningverlening toegepast. Voor de maximale geluidsniveaus wordt aangesloten bij de beleidslijn dat de geluidsgrenswaarde voor de maximale geluidsniveaus in de regel niet meer dan 10 dB(A) boven het aanwezige langtijdgemiddeld beoordelingsniveau komt te liggen. In de Handreiking wordt aangegeven dat als ondergrens een waarde van 50, 45 en 40 dB(A) kan worden aangehouden voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. In sommige gevallen kan van deze beleidslijn gemotiveerd worden afgeweken. Wanneer niet aan de grenswaarden voldaan kan worden, kunnen op basis van de afwijkingsbevoegdheid wegens bijzondere omstandigheden hogere maximale geluidsniveaus worden vergund. Hierbij wordt aanbevolen om de maximale geluidsniveaus niet hoger te laten zijn dan 70, 65 en 60 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. In het geval er sprake is van een voor de bedrijfsvoering onvermijdbare situatie, waarin technische noch organisatorische maatregelen soelaas bieden om het geluidsniveau te beperken, zou los van de grenswaarde van 70 dB(A) voor de dagperiode, deze met ten hoogste 5 dB(A) mogen worden overschreden voor bepaalde nader omschreven bedrijfssituaties.

Bij een bedrijf dat is gelegen op grote afstand van woningen buiten het gezoneerde industrieterrein wordt een voorschrift voor de maximale geluidsniveaus niet nodig of gewenst geacht.

De grenswaarden voor de maximale geluidsniveaus bedragen 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Aan de grenswaarden wordt ruimschoots voldaan.

De maximale geluidsniveaus ter plaatse van de dichtstbijzijnde woningen hebben wij in een voorschrift vastgelegd.

9.4. Indirecte hinder

Ingevolge de jurisprudentie (Raad van State van 17 september 2008, nummer 200800664/1) blijkt dat geen toetsing nodig is voor het verkeer van en naar een inrichting die is gelegen op een gezoneerd industrieterrein. Dit geldt voor de geldende grenswaarden voor de inrichting zelf, de zonegrens en de voorgestelde grenswaarden die volgen uit de “Circulaire inzake geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de Wet milieubeheer”, van 29 februari 1996.

9.5. Bijzondere situaties

Er is geen sprake van bijzondere situaties.

9.6. Conclusies

Ten aanzien van de optredende geluidsniveaus is de aangevraagde situatie milieuhygiënisch aanvaardbaar.

Wij hebben aan de vergunning voorschriften verbonden, waarin voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau grenswaarden zijn gesteld op een aantal referentiepunten in de omgeving van de inrichting. De geluidsbelasting op deze punten is overeenkomstig de bij de aangevraagde activiteiten gewenste geluidsruimte. De geluidbelasting in de voorschriften wijkt af van de in de tabellen die in hoofdstuk 5 van het rapport staan, omdat de beoordelingspunten in de tabellen zijn verwisseld. In de voorschriften staan de juiste waarden bij de juiste beoordelingspunten.

Vanwege de grote afstand van de geluidsgevoelige bestemmingen tot de inrichting en vanwege de invloed van andere geluidsbronnen, kan de geluidsbelasting die de inrichting veroorzaakt niet bij de geluidsgevoelige bestemmingen of op de zonegrens worden gemeten (deze kan wel worden berekend). Daarom zijn, behalve de genoemde grenswaarden, controlewaarden vastgelegd op controlepunten gelegen in de nabijheid van de inrichting. Op deze punten kan in het kader van het door het bevoegd gezag uit te oefenen toezicht op de naleving worden gemeten.

9.7. Trillingen

Gezien de aard van de activiteiten en de afstand tot de dichtstbijzijnde trillinggevoelige bestemmingen is trillinghinder niet te verwachten. Een onderzoek naar trillingen achten wij daarom niet nodig. Ook achten wij het daarom niet nodig hierover voorschriften op te nemen.

10. Geur

10.1. Landelijk beleid

Het Nederlandse geurbeleid is opgenomen in artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit en in de Handleiding geur: bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van industrie en bedrijven (niet veehouderijen). Als algemene doelstelling geldt het zoveel mogelijk beperken van bestaande hinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Daarbij staat het afwegingsproces voor het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau centraal. Het aanvaardbaar hinderniveau wordt per situatie vastgesteld en op grond van het Activiteitenbesluit als maatwerkvoorschrift aan de vergunning verbonden. Alleen als de emissies van de inrichting in het Activiteitenbesluit uitgezonderd zijn, worden de geuremissies in de vergunning beoordeeld.

Artikel 2.3a Activiteitenbesluit verklaart de afdeling 2.3 Lucht en geur van toepassing op alle bedrijven maar ook de afwijkingen hiervan. Voor geur is de enige afwijking lid 2 en lid 4.

In lid 2 staat dat de afdeling 2.3 Lucht en geur, met uitzondering van artikel 2.4, tweede lid, niet van toepassing is op emissies naar de lucht van een IPPC-installatie indien en voor zover voor de activiteit of het type productieproces BBT-conclusies voor deze emissies zijn vastgesteld op grond van artikel 13, vijfde en zevende lid, van de EU-richtlijn industriële emissies.

De geuremissie vanuit de inrichting is afkomstig van een IPPC-installatie. In de BBT-conclusies Afvalbehandeling, gepubliceerd op 17 augustus 2018, zijn BBT-conclusies opgenomen over de emissie van geur. Dat betekent dat het Activiteitenbesluit hierop niet van toepassing is en er voorschriften in de vergunning moeten worden opgenomen.

10.2. Provinciaal beleid

Op 21 november 2019 is de Beleidsregel van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân houdende regels omtrent geur bedrijven niet veehouderijen (Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019) in werking getreden.

Deze beleidsregels zijn van toepassing bij besluitvorming op aanvragen om een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu, dan wel bij het wijzigen van voorschriften, verbonden aan een vergunning (artikel 2, lid 1 Beleidsregels geur bedrijven Fryslân 2019).

In artikel 4 van de Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019 is bepaald dat Gedeputeerde staten het aanvaardbaar geurhinderniveau vaststellen en de op de geursituatie betrekking hebbende maatregelen in de vergunning worden opgenomen.

Gedeputeerde Staten stellen het aanvaardbaar geurhinderniveau voor nieuwe bronnen op de streefwaarde vast, of zoveel lager als met toepassing van de beste beschikbare technieken haalbaar is. Daarbij kunnen zij gemotiveerd naar boven afwijken. Dit kan tot ten hoogste de richtwaarde. Gedeputeerde Staten stellen in zulke gevallen het aanvaardbaar geurhinderniveau vast op het met de beste beschikbare technieken maximaal wel haalbare niveau.

Voor de beoordeling van het aanvaardbaar geurhinderniveau wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën van geurgevoelige objecten:

  • categorie A: woningen en vergelijkbare objecten gelegen in gebiedscategorie “wonen”;

  • categorie B: woningen en vergelijkbare objecten gelegen in gebiedscategorie “werken”;

  • categorie C: verblijfsobjecten, niet zijnde woningen of vergelijkbare objecten, gelegen in gebiedscategorie wonen of werken;

  • categorie D: verblijfsobjecten gelegen op een industrieterrein op de gronden die zijn bestemd voor bedrijven in categorie 4 of hoger conform de VNG brochure Bedrijven en Milieuzonering.

Categorie A

Categorie B

Categorie C

Type geur

Streef-

waarde

Richt-

waarde

Grens

waarde

Streef-

waarde

Richt-

waarde

Grens-

waarde

Steef-

waarde

Richt-

waarde

Grens-

waarde

Zeer hinderlijk

0,05

0,15

0,5

0,15

0,5

1,5

0,5

1,5

5

Hinderlijk

0,15

0,5

1,5

0,5

1,5

5,

1,5

5

15

Minder hinderlijk

0,5

1,5

5

1,5

5

15

5

15

50

Niet hinderlijk

1,5

5

15

5

15

50

15

50

150

De steef-, richt- en grenswaarden als bedoeld in bovenstaande tabel geven immissie geurconcentraties weer in OUE per m3 en zijn bepaald als 98-percentielwaarden.

Voor geurgevoelige objecten categorie D wordt het aanvaardbaar hinderniveau vastgesteld op het niveau dat bereikt kan worden door het treffen van redelijke maatregelen.

De hedonische waarde van de geurbronnen binnen de inrichting is niet formeel vastgesteld. Op basis van de beleidsregels dient daarom het geurtype “Hinderlijk” te worden gehanteerd.

In geval van kortdurende of sterk fluctuerende bronnen wordt de geurimmissie getoetst aan de waarden zoals genoemd in bovenstaande tabel waarbij de waarden vermenigvuldigd worden met een factor die als volg afhankelijk is van de percentielwaarde:

  • a.

    percentielwaarde 98: factor 1;

  • b.

    percentielwaarde 99,5: factor 2;

  • c.

    percentielwaarde 99,9: factor 4.

10.3. Beoordeling geurhindersituatie 

Omschrijving aangevraagde situatie

Binnen de inrichting wordt 300.000 ton plantaardige restproducten uit onder andere de voedingsmiddelenindustrie (waaronder afvalstoffen) vergist. Er wordt geen mest verwerkt. Binnen de inrichting worden daarvoor twee loodsen gerealiseerd.

In de loods aan de voorzijde van het terrein vindt het transport, opslag en mengen van de vaste en vloeibare grondstoffen plaats. Deze loods is in 3 delen verdeeld, waarbij de volgende geurbronnen kunnen worden onderscheiden:

  • Aanvoer vaste grondstoffen en opslag in sleufsilo’s;

  • Aanvoer van vloeibare grondstoffen en opslag in silo’s;

  • Mengen van vaste en vloeibare grondstoffen in menger.

Vanuit de menger wordt het mengsel naar de vergistingssilo’s gepompt. De eindfractie uit de vergistingssilo’s wordt vervolgens naar de tweede loods op de achterzijde van het perceel gepompt. Daar kunnen de volgende geurbronnen worden onderscheiden:

  • Mechanische scheiding, waarbij de vloeibare fractie naar de afvalwaterzuivering gaat en de dikke fractie naar de opslag;

  • De dikke fractie wordt van hieruit uit de inrichting getransporteerd, dan wel door de droger geleid en verder ingedroogd. De ingedroogde fractie gaat vervolgens naar de pelleteermachine;

  • Het afvalwater gaan naar twee beluchtingstanks en wordt behandeld in een waterzuiveringsinstallatie (o.a. flotatietank en papierbandfilter).

Voor een volledige beschrijving van de relevante geuremissie verwijzen wij naar het Geuronderzoek Lange Lijnbaan ong., Harlingen M&A Omgeving B.V., rapportnummer 220-HLL-gh-v4, 16 juli 2021.

Ligging van de inrichting en geurgevoelige objecten in de omgeving

De inrichting is gelegen op het geluidgezoneerde industrieterrein Industriehaven Harlingen. De volgende geurgevoelige bestemmingen bevinden zich in de omgeving:

Verspreid liggende woningen in het buitengebied (categorie A);

Verblijfsobjecten op een industrieterrein (categorie D).

Beoordeling geuremissie in relatie tot het aanvaardbaar hinderniveau

Uit het bij de aanvraag gevoegde geurrapport blijkt dat de geurbelasting ten gevolge van de aangevraagde activiteiten bij de dichtstbijzijnde geurgevoelige objecten de volgende geurconcentraties (in Europese geureenheden, ouE/m3) betreft:

Geurgevoelig object

98-percentiel (ouE/m3)

99,5- percentiel (ouE/m3)

99,9- percentiel (ouE/m3)

Swingmaleane 1

0,30

0,53

0,77

Swingmaleane 3

0,49

0,72

0,93

Sédyk 4

0,33

0,49

0,65

Normering:

Streefwaarde

Richtwaarde

0,15

0,50

0,30

1,00

0,60

2,00

Uit de tabel blijkt dat als gevolg van de geuremissie vanuit de inrichting voor het 98-percentiel, 99,5 percentiel en 99,9-percentiel niet voldoet aan de streefwaarden van de normering uit de Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019. Wel wordt voldaan aan de richtwaarden uit de Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019.

Gedeputeerde staten kunnen gemotiveerd naar boven afwijken tot ten hoogste de richtwaarde. Gedeputeerde Staten stellen in zulke gevallen het aanvaardbaar geurhinderniveau vast op het met de beste beschikbare technieken maximaal wel haalbare niveau.

Beste beschikbare technieken

De geurreducerende maatregelen die binnen de inrichting worden getroffen, worden beschouwd als de beste beschikbare technieken. Het betreft de navolgende maatregelen:

  • -

    De aanvoer en opslag van vaste en vloeibare grondstoffen vindt inpandig plaats. De lucht in de loods wordt afgezogen en door een luchtwasser (met 80% geurverwijderingsrendement) geleid alvorens die naar de buitenlucht wordt uitgestoten;

  • -

    De verwerking en opslag van het vrijkomende digestaat vindt inpandig plaats. De lucht in de loods wordt afgezogen en door een luchtwasser (met 80% geurverwijderingsrendement) geleid alvorens die naar de buitenlucht wordt uitgestoten;

  • -

    De behandeling van het afvalwater vindt (m.u.v. de beluchtingstanks) inpandig plaats, waarbij de vrijkomende geur wordt afgezogen en door een luchtwasser (met 80% geurverwijderingsrendement) wordt geleid alvorens die naar de buitenlucht wordt uitgestoten;

  • -

    Het vergistingsproces vindt plaats in een gesloten installatie.

Naast deze technieken worden ook de volgende technieken als beste beschikbaar aangemerkt:

  • -

    Er zijn protocollen en werkinstructies voor acceptatie en registratie en first-in-first out van grondstoffen;

  • -

    De opslag van bederfelijke producten wordt tot een minimum beperkt door deze zo snel mogelijk in de vergistingsinstallatie in te brengen.

Door het toepassen van deze beste beschikbare technieken wordt aan de richtwaarde uit de Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019 voldaan.

10.4. Conclusie

Gezien bovenstaande overwegingen zijn wij van mening dat de geurbelasting ten gevolge van de aangevraagde activiteiten voldoet aan het aanvaardbaar geurhinderniveau.

In deze vergunning hebben wij voorschriften opgenomen over het uitvoeren van geurmetingen, het opstellen van een controle- en beheerplan voor geur, waaronder een protocol over hoe wordt omgegaan met geurklachten. Met deze voorschriften hebben wij invulling gegeven aan BBT-conclusie voor afvalbehandeling, nummers 2,10,12, 33, 34 en 38.

11. Lucht

11.1. Toetsingskader

Het algemeen luchtbeleid is gericht op het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van emissies naar de lucht door het toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT) en het voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van bijlage 2 van de Wet milieubeheer.

Luchtemissies voor inrichtingen worden in beginsel gereguleerd door de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Indien en voor zover voor luchtemissies van IPPC-installaties BBT-conclusies zijn vastgesteld, gelden de algemene regels van Afdeling 2.3 echter niet (met uitzondering van de minimalisatieverplichting voor zeer zorgwekkende stoffen).

De emissie naar de lucht is afkomstig van een IPPC-installatie en heeft betrekking op de uitstoot van geur. Voor deze luchtemissies zijn voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden die aansluiten bij de BBT-conclusies.

Voor een nadere motivering daarvan verwijzen wij naar het gestelde in hoofdstuk 12 van onze overwegingen.

11.2. Diffuse emissies

Activiteiten binnen de inrichting waarbij diffuse emissies kunnen ontstaan, vinden inpandig plaats. De lucht uit deze loodsen wordt centraal afgezogen en door een luchtbehandelingsinstallatie geleid alvorens die naar de buitenlucht wordt uitgestoten. Ramen en deuren van de loodsen zijn gesloten, behoudens voor onmiddellijke doorgang van transportvoertuigen en personen.

Gelet hierop vinden er geen diffuse emissies plaats.

11.3. Niet-reguliere emissies/storingen

Niet reguliere emissies zijn incidentele emissies veroorzaakt door bijzondere omstandigheden, zoals:

  • -

    Onderhoud;

  • -

    Schoonmaak;

  • -

    Ongelukken;

  • -

    Start- en stopprocedures die weinig voorkomen (bijvoorbeeld voor continue processen);

  • -

    Storingen.

Emissies veroorzaakt door gebruikelijke start- en stopprocedures waarvoor het bedrijf de reguliere emissiebeperkende voorzieningen gebruiken kan, vallen onder de reguliere emissies.

Op basis van artikel 5.7, eerste lid, onder f, van het Bor worden voorschriften opgenomen met betrekking tot het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu, die kunnen worden veroorzaakt door opstarten, lekken, storingen, korte stilleggingen, definitieve bedrijfsbeëindiging of andere bijzondere bedrijfsomstandigheden.

Ten aanzien van het voorkomen van storingen merken wij op dat de vergunninghouder werkt volgens een onderhouds- en inspectiesysteem, wat er op gericht is om preventief onderhoud te plegen. Hiermee worden storingen en lekkages zo veel mogelijk voorkomen. Het onderhouds- en inspectiesysteem maakt evenals het meet- en registratiesysteem deel uit van het milieuzorgsysteem.

Door het opnemen van voorschriften hierover is naar onze mening voldoende invulling gegeven aan de verplichting uit artikel 5.7, eerste lid, onder f van het Bor.

11.4. Luchtkwaliteit

In Titel 5.2 Wet milieubeheer en de bijbehorende bijlage 2 bij de Wet milieubeheer zijn grens- en richtwaarden gesteld aan de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht op leefniveau, die wij als toetsingscriteria moeten hanteren.

De inrichting emitteert een aantal stoffen waarvoor deze grenswaarden gelden, te weten stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10).

De inrichting heeft voor deze stoffen een immissietoets uitgevoerd. Dit is opgenomen in de aanvraag: Luchtkwaliteitsonderzoek Lange Lijnbaan ong., Harlingen, M&A Omgeving B.V, rapportnummer 220-HLL-lk-v3, 3 mei 2021.

De concentraties van fijnstof (PM2,5 en PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn in de Nederlandse situatie het meest kritisch ten opzichte van de grenswaarden.

Op grond van artikel 5.16 lid 1 van de Wet milieubeheer kan de vergunning alleen worden verleend, als aannemelijk gemaakt kan worden dat voldaan wordt aan (minimaal) één van de volgende criteria:

  • a)

    er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde

  • b)

    er is - al dan niet per saldo - geen verslechtering van de luchtkwaliteit

  • c)

    de bijdrage aan de concentratie van een stof is ‘niet in betekenende mate' (NIBM)

  • d)

    het project is genoemd of past binnen het NSL of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Op basis van verspreidingsberekeningen concluderen wij dat voldaan wordt aan de grenswaarden in Bijlage 2 van de Wet milieubeheer.

11.5. PRTR-verslag

Aangezien er binnen de inrichting geen activiteiten worden uitgevoerd als bedoeld in Bijlage I van de EG-Verordening PRTR, hoeft er geen elektronisch PRTR-verslag te worden ingediend en hoeven de emissies (jaarvrachten) niet te worden gerapporteerd.

11.6. Eindconclusie aspect lucht

Wij zijn van oordeel dat uit de aanvraag blijkt dat er voldoende maatregelen worden toegepast c.q. zullen worden toegepast om luchtemissies te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

12. ONGEWONE VOORVALLEN 

In artikel 17.2, eerste lid van de Wet milieubeheer is vastgelegd dat ongewone voorvallen waardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan, door het bedrijf zo spoedig mogelijk aan ons moeten worden gemeld. In artikel 17.2, vierde lid is vermeld dat het bevoegd gezag in een omgevingsvergunning voor een inrichting of bij een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 8.42 voor een ongewoon voorval waarvoor de nadelige gevolgen niet significant zijn, kan bepalen dat in afwijking van artikel 17.2, eerste lid het voorval wordt geregistreerd en kan voorschrijven binnen welke termijn en op welke wijze het voorval moet worden gemeld. Deze termijn kan afwijken van de verplichting genoemd in artikel 17.2, eerste lid, om het voorval zo spoedig mogelijk te melden.

De inrichting is te kenmerken als een inrichting waarbij regelmatig ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu plaats kunnen vinden. De ervaring leert dat regelmatig meldingen worden ingediend, terwijl er geen sprake is van enige significante gevolgen voor het milieu. Daarmee vormt het altijd zo spoedig mogelijk moeten melden van ongewone voorvallen zonder significante gevolgen een onnodige administratieve belasting voor het bedrijf.

De inrichting heeft een meldschema ontwikkeld waarmee kan worden vastgesteld welke ongewone voorvallen kunnen worden geclassificeerd als voorval zonder significante gevolgen voor het milieu. Wij zijn van mening dat met dit meldschema voldoende onderscheid wordt gemaakt tussen ongewone voorvallen met en zonder significante gevolgen voor het milieu.

Wij achten het echter van belang om zicht te houden op de aantallen, aard en omvang van de ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu. Deze kunnen een indicatie zijn of de processen (in de ruimste zin) in voldoende mate worden beheerst en de installaties deugdelijk zijn.

Daarom hebben wij, naast het toepassen van het meldschema, ook een aantal voorschriften opgenomen voor het verplicht registreren ervan en de wijze waarop wij periodiek moeten worden geïnformeerd over de ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu die zich hebben voorgedaan.

Naast het inzichtelijk hebben van de ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu stellen wij echter ook eisen aan het afhandelingsproces van ongewone voorvallen binnen het bedrijf. Daarbij gaat het om zaken als signalering van de ongewone voorvallen, communicatie, onderzoek en bevoegdheden van medewerkers. De aanvrager heeft een beschrijving ingediend waarbij op hoofdlijnen inzichtelijk is gemaakt hoe het afhandelingsproces is georganiseerd. Om te borgen dat ook in de toekomst ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu door het bedrijf worden beschouwd, hebben wij voorschriften opgenomen over het in stand houden van dat afhandelingsproces. 

13. Overige aspecten

13.1. Overige voorschriften

Verspreiding verontreinigingen

Voor het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van door de inrichting veroorzaakte grootschalige of grensoverschrijdende verontreinigingen, zijn voorschriften in deze vergunning opgenomen.

Bijzondere bedrijfsomstandigheden

Voor het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu, die kunnen worden veroorzaakt door opstarten, lekken, storingen, korte stilleggingen, definitieve bedrijfsbeëindiging of andere bijzondere bedrijfsomstandigheden zijn voorschriften in deze vergunning opgenomen.

Ongevallen

Voor het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van de gevolgen van ongevallen, zijn in deze vergunning veiligheidsvoorschriften opgenomen.

Bedrijfsbeëindiging

Voor het treffen van maatregelen om bij definitieve bedrijfsbeëindiging de nadelige gevolgen die de inrichting heeft veroorzaakt voor het terrein waarop zij was gevestigd, ongedaan te maken of te beperken voor zover dat nodig is om dat terrein weer geschikt te maken voor een volgende functie, zijn in paragraaf 1.6 en paragraaf 8.8 van deze vergunning voorschriften opgenomen.

13.2. Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob)

In het kader van de wet Bibob hebben wij aan de hand van het ingevulde Bibob-vragenformulier en de daarbij overgelegde documenten een integriteitsonderzoek uitgevoerd (het zogenaamde ‘eigen onderzoek’ als bedoeld in artikel 7a van de Wet Bibob).

Een deel van dit onderzoek hebben wij niet kunnen uitvoeren, omdat niet alle hiertoe benodigde informatie over de financiële structuur en de financiers beschikbaar is. Wij zullen dit deel van het eigen onderzoek (alsnog) uitvoeren zodra de financiers bekend zijn en u de gegevens over deze (rechts)personen aan ons heeft overgelegd.

Tot slot wijzen wij u erop dat ons onderzoek op basis van de aanvullende gegevens en/of een advies van het Landelijk Bureau Bibob alsnog kan leiden tot intrekking van de vergunning. Worden de gevraagde gegevens niet verstrekt, dan zal dit leiden tot intrekking van de vergunning (op grond van artikel 4, eerste lid van de Wet Bibob).

Het starten met werkzaamheden op basis van de vergunning komt hiermee voor uw eigen risico.

13.3. Toekomstige ontwikkelingen

Er worden binnen de inrichting of in de omgeving van de inrichting geen ontwikkelingen verwacht die van belang kunnen zijn voor de bescherming van het milieu.

14. CONCLUSIE 

Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op het oprichten en in werking hebben van een inrichting, kan worden geconcludeerd, dat de omgevingsvergunning kan worden verleend.

In deze vergunning zijn de voor deze activiteit relevante voorschriften opgenomen.

 

Bijlage 1

Ligging Beoordelingspunten

Bijlage 2

BEGRIPPENLIJST

Voor de begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij naar de definities zoals die zijn opgenomen in de geldende wet- en regelgeving (zoals het Activiteitenbesluit, de Activiteitenregeling, het Besluit omgevingsrecht, het Besluit externe veiligheid inrichtingen, de Wet geurhinder en veehouderij etc.)

   

Begrip

Definitie

BBT

Beste Beschikbare techniek genoemd in een BBT document.

BREF

BAT Reference document. Een in Europees verband vastgesteld document waarin de BBT worden beschreven die specifiek zijn voor een bepaalde branche of activiteit.

E-PRTR

European Pollutant Release and Transfer Register.

ILT

Inspectie Leefomgeving en Transport

InfoMil

Het informatiecentrum in Nederland over milieuwet- en regelgeving.

IPPC

Integrated Pollution Prevention and Control

MER

Milieueffectrapport

Onderneming

Een bedrijfseconomische definitie van een of meerdere vestigingen behorende tot een en dezelfde onderneming. Hoeft niet plaatsgebonden te zijn bij bijvoorbeeld een concern met een hoofdvestiging en een of meerdere nevenvestigingen.

PRTR

Zie E-PRTR.

REACH-verordening

REACH staat voor: Registratie, Evaluatie, Autorisatie en beperking van Chemische stoffen. REACH stelt beperkingen aan het gebruik van stoffen wanneer negatieve effecten ervan op mens en/of milieu bekend zijn, 18 december 2006.

RVO

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland is een uitvoerende dienst van het Nederlandse ministerie van Economische Zaken.

Afval

Mengen

Het samenvoegen van afvalstoffen die qua aard, samenstelling of concentraties aanwezige componenten niet met elkaar vergelijkbaar zijn. Onder ‘mengen’ wordt in ieder geval gevat:

het samenvoegen van afvalstoffen die vallen binnen verschillende afvalcategorieën van ‘bijlage 5; Lijst met gescheiden te houden afvalstoffen;

het samenvoegen van afvalstoffen met niet-afvalstoffen;

verdunnen van afvalstoffen;

het samenvoegen van afvalstoffen binnen één afvalcategorie.

Minimumstandaard

De minimale hoogwaardigheid van verwerking van afzonderlijke afvalstoffen of categorieën van afvalstoffen. De minimumstandaard vormt een referentie voor de maximale milieudruk die verwerking van (een categorie van) afvalstoffen mag opleveren. De standaard is een invulling van de afvalhiërarchie voor afzonderlijke afvalstoffen en vormt op die manier een referentieniveau bij de vergunningverlening voor afvalbeheer. Ook betreft het een uitwerking van de artikelen 3 en 4 van de kaderrichtlijn afvalstoffen.

Ontdoener

Persoon of bedrijf waar afval ontstaat en die zich van het afval wil ontdoen door het af te geven aan een inzamelaar, vervoerder handelaar, bewerker of verwerker.

Opbulken

Het samenvoegen van afvalstoffen die qua aard, samenstelling en concentraties vergelijkbaar zijn.

Overslaan

Verrichten van alle handelingen op één locatie, waarbij afvalstoffen vanuit of vanaf een opbergmiddel of transportmiddel in of op een ander opbergmiddel of transportmiddel worden overgebracht. Hieronder vallen bijvoorbeeld beladen, lossen, hevelen, enz. met bijvoorbeeld kranen, transportbanden en leidingen, maar het uitvoeren van iedere verwerkingshandeling (sorteren, scheiden, spoelen, mengen, etc. etc.) valt hier niet onder.

Sorteren

Scheiden van een mengsel van materiaalstromen of van samengestelde materialen gescheiden in de oorspronkelijke materiaalstromen.

Uitsorteren

Het handmatig scheiden van incidenteel voorkomende verontreinigingen uit een vrijwel schone materiaalstroom of uit een mengsel van vrijwel schone materiaalstromen

Afvalwater en waterbesparing

Afvalwater

Alle water waarvan de houder zich, met het oog op de verwijdering daarvan, ontdoet, voornemens is zich te ontdoen, of moet ontdoen.

Bedrijfsafvalwater

Afvalwater (inclusief verontreinigd hemelwater), niet zijnde huishoudelijk afvalwater.

Bedrijfsriolering

Een stelsel van buizen, verbindingstukken en elementen zoals straat- en trottoirkolken, gootelementen, verzamelputten en installaties, zoals slibvangputten, olie-waterscheider en controleputten voor de opvang en afvoer van bedrijfsafvalwater.

Hemelwater

Alle neerslag, zoals regen, sneeuw of hagel.

Huishoudelijk afvalwater

Afvalwater dat vergelijkbaar is met afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens.

Openbaar riool

Voorziening voor de inzameling en transport van afvalwater, als bedoeld in artikel 10.30 van de Wet milieubeheer.

Riolering

Bedrijfsriolering of openbare riolering.

Energie en vervoersmanagement

Beste Beschikbare Technieken (BBT)

Voor het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu meest doeltreffende technieken om de emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu, die een inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken, die - kosten en baten in aanmerking genomen - economisch en technisch haalbaar in de bedrijfstak waartoe de inrichting behoort, kunnen worden toegepast, en die voor degene die de inrichting drijft, redelijkerwijs in Nederland of daarbuiten te verkrijgen zijn; daarbij wordt onder technieken mede begrepen het ontwerp van de inrichting, de wijze waarop zij wordt gebouwd en onderhouden, alsmede de wijze van bedrijfsvoering en de wijze waarop de inrichting buiten gebruik wordt gesteld.

Energie-uitvoeringsplan

Het plan van aanpak waarin de drijver van de inrichting de termijn aangeeft waarin zij de rendabele maatregelen toe zal passen binnen de inrichting, waarbij:

Rendabele maatregelen: Maatregelen die een terugverdientijd hebben van vijf jaar of korter.

Terugverdientijd:

De verhouding tussen het investeringsbedrag voor de maatregel en de jaarlijkse opbrengsten door besparingen, die met de maatregel samenhangen. Een en ander berekend volgens de methodiek beschreven in bijlage 10a van de Activiteitenregeling milieubeheer.

EED : (Energy Efficiency Directive)

De Europese richtlijn Energy Efficiency Directive (ook wel EED genoemd) is in Nederland omgezet in artikel 18 en artikel 18a van de Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie. De belangrijkste verplichting uit de Europese richtlijn energie-efficiëntie is het uitvoeren van een energie-audit. In het Besluit energie-audit zijn de eisen die worden gesteld aan energie-audits en de verslaglegging hiervan nader gegeven.

Energiebalans

De energiebalans is een overzicht (inclusief de grootte) van alle energiestromen die het bedrijf in- en uitgaan. Het geeft per combinatie van de energiedrager en energiefunctie inzicht in het energieverbruik van de achterliggende installaties, technieken en technologieën. Dit gebeurt aan de hand van de eerder verkregen verbruiksgegevens van de apparatuur of metingen van het verbruik, bedrijfsuren, temperatuurmetingen en energienota's.

Begrip Energiedrager: bijvoorbeeld elektriciteit, gas, olie, hout, biomassa of warmte.

Begrip Energiefunctie: de toepassing of activiteit die energie verbruikt. Bijvoorbeeld verwarmen, ventileren, koelen, verlichten, etc.

Energierelevante investeringsbeslissing

Elke investeringsbeslissing binnen de inrichting die een effect heeft op het energieverbruik. Hieronder vallen onder meer aanschaf, renoveren of grootschalig onderhouden van verwarmingstoestellen, machines en apparaten, maar bijvoorbeeld ook het vervangen van verlichting.

Energiekosten

Alle kosten zoals vermeld op de eindafrekening van het energiebedrijf die samenhangen met het verkrijgen van aardgas, elektriciteit, warmte (uit een distributienet) en andere brandstoffen (stookolie, gasolie, diesel) voor de gebouwen, faciliteiten en processen in de inrichting, maar exclusief de kosten gemaakt voor brandstoffen voor motorvoertuigen. Voor aardgas moeten met name worden meegenomen basisprijs, brandstofheffing, calorische toeslag, energieheffing (regulerende energiebelasting), vastrecht en btw. Voor elektriciteit moeten met name worden meegenomen de kosten voor normaaluren en laagtariefuren (is afhankelijk van kWh-verbruik), kW-tarief continu en piekuren (is afhankelijk van het opgestelde vermogen), brandstofkosten, transformatorverliezen, energieheffing, vastrecht en BTW.

Energie-uitvoeringsplan

Het plan van aanpak waarin de drijver van de inrichting de termijn aangeeft waarin zij de rendabele maatregelen toe zal passen binnen de inrichting.

Onderneming

Een bedrijfseconomische definitie van een of meerdere vestigingen behorende tot een en dezelfde onderneming. Hoeft niet plaatsgebonden te zijn bij bijvoorbeeld een concern met een hoofdvestiging en een of meerdere nevenvestigingen.

Rendabele maatregelen

Maatregelen die een terugverdientijd hebben van vijf jaar of korter.

Terugverdientijd

De verhouding tussen het investeringsbedrag voor de maatregel en de jaarlijkse opbrengsten door besparingen, die met de maatregel samenhangen. Een en ander berekend volgens de methodiek beschreven in bijlage 10a van de Activiteitenregeling milieubeheer.

Externe Veiligheid

Brandbare (vloei)stof

Een vloeistof die zelf brandbaar is of waaruit onder voorzienbare bedrijfsomstandigheden een brandbaar gas, brandbare damp of brandbare nevel kan ontstaan (EN-IEC 60079-10). Een vaste stof vallend onder klasse 4.1.van het ADR. Een vloeistof die , in verpakte vorm, conform het ADR het etiket model nr. 3 draagt.

Brandbestrijdingssystemen

De repressieve middelen ter bestrijding van brand, zoals brandkranen (blusbootaansluitingen), handblusmiddelen (haspels en poederblussers), sprinklers, deluge, blusgasinstallaties etc.

Brandbeveiligingssystemen

Alle brandveiligheidsvoorzieningen, zoals de brandbestrijdingssystemen en de branddetectie en doormelding.

Brandgevaarlijke stof

Vaste, vloeibare of gasvormige stof die brandbaar of brandbevorderend is, of bij brand gevaar oplevert, in de zin van de ADR-klassen 2 t/m 5.

CLP

De CLP-verordening is de Europese verordening over de indeling (Classification), etikettering (Labelling) en verpakking (Packaging) van chemische stoffen en mengsels.

Cryogene gassen

Tot vloeistof gecondenseerde gassen met zeer lage temperaturen

Cryohouder

Een verplaatsbare drukhouder met warmte-isolerende bescherming voor het vervoer van sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gassen met een inhoud van ten hoogste 1.000 liter.

Drukhouder

Een drukhouder is een verzamelterm die flessen, grote cilinders, drukvaten, gesloten cryohouders en flessenbatterijen omvat.

Emballage

Verpakkingsmateriaal, zoals glazen en kunststof flessen, blikken en kunststof cans, metalen en kunststof vaten of fiberdrums, papieren en kunststof zakken, houten kisten, big-bags en Intermediate Bulk Containers (IBC's).

ESD

Emergency Shut Down.

Fail safe

Het fail safe uitvoeren van installatie onderdelen houdt in dat wanneer het aansturingsysteem wegvalt (perslucht en/of elektriciteit) de kleppen en afsluiters terugvallen in hun veilige stand. Deze veilige stand houdt in dat de installatie zonder of met minimaal gevaar voor de externe veiligheid en een minimale belasting van het milieu uit bedrijf kan worden genomen.

Fakkelsysteem

Een voorziening om (brandbare) gassen veilig en milieuverantwoord af te voeren en te verbranden.

Gas

Een stof die bij 50°C een dampdruk bezit hoger dan 300 kPa (3 bar) of bij 20°C en de standaarddruk van 101,3 kPa volledig gasvormig is.

Giftige stoffen

Giftige stoffen geldt als bedoeld: voor het laden en lossen van tankwagens en ketelwagens het ADR; voor het laden en lossen alsmede de boord-boord verlading van schepen het ADN; voor opslagtanks en procesinstallaties de Wm.

HAZOP

Hazard and Operability Analysis, ook wel storingsanalyse genoemd, is de standaardmethode voor het identificeren en evalueren van procesafwijkingen.

IBC

Intermediate Bulk Container. Een stijve of flexibele verpakking die in paragraaf 6.5 van het ADR is genoemd.

Installaties

Die onderdelen van de inrichting, die als een zelfstandige eenheid kunnen worden beschouwd. Installaties kunnen met elkaar verbonden zijn, bijvoorbeeld via pijpleidingen.

Invloedsgebied (met betrekking tot externe veiligheid)

Gebied waarin bij ministeriële regeling op grond van artikel 15, eerste lid, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen te stellen regels personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.

Kritische alarmeringen

Alarmeringen die direct verband hebben met het optreden van bijzondere situaties voor wat betreft veiligheid en emissies.

LEL

Low Explosion Limit. Laagste concentratie (percentage) van een gas of damp in de lucht die tot een explosie kan leiden in aanwezigheid van een ontstekingsbron (vlam, hitte). Bij niveaus onder de LEL is er onvoldoende gas om een explosie te produceren (het mengsel is te ‘arm’).

Mutageen

Mutagene stoffen veroorzaken een permanente verandering in de hoeveelheid of de structuur van het genetisch materiaal in een cel.

NEN 3011

Veiligheidskleuren en -tekens in de werkomgeving en in de openbare ruimte, maart 2015

NEN-EN 12266-1

Industriële afsluiters - Beproeving van metalen afsluiters - Deel 1: Beproevingen, beproevingsprocedures en acceptatiecriteria - Verplichte eisen, april 2012.

NPR 1014: 2009 nl

Bliksembeveiliging- Leidraad bij de NEN-EN- IEC 62305, november 2009.

NFPA

National Fire Protection Association. Is een Amerikaanse organisatie die het doel heeft om de last van brand en andere gevaren te verminderen door middel van wetenschappelijk onderzoek en educatie.

NFPA 11

Standard for Low-, Medium-, and High-Expansion Foam, 2016.

NFPA 15

Standard for Water Spray Fixed Systems for Fire Protection, 2017.

NFPA 25

Standard for the Inspection, Testing and Maintenance of Water-Based Fire Protection System, 2017.

Ongewoon voorval

Elke gebeurtenis in een inrichting, ongeacht de oorzaak van die gebeurtenis, die afwijkt van de normale bedrijfsactiviteiten - met inbegrip van storingen in het productieproces en storingen in de voorzieningen (mits daaruit nadelige gevolgen voor het milieu voortkomen) van de inrichtingen alsook ongelukken en calamiteiten – en waardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan.

Overvulbeveiliging

Een systeem dat de toevoer automatisch doet stoppen zonder tussenkomst van een operator. Onder fysiek onafhankelijk wordt verstaan: los van niveaumeting en met een apart stuursignaal.

PGS

Publicatiereeks Gevaarijke Stoffen

PGS 15

PGS 15: 2021, Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, versie 1.0 augustus 2021 (interim);

PGS 31

PGS 31: 2021, Overige gevaarlijke vloeistoffen – Opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties, versie 1.0, augustus 2021 (interim);

PGS 9

PGS 9: 2021, Cryogene gassen – opslag van 0,150 m3 – 100 m3, versie 1.0, augustus 2021;

Procesinstallaties

Installaties waarin processen en andere handelingen worden uitgevoerd, inbegrepen de direct hiertoe behorende installaties voor de terugwinning, zuivering en/of vernietiging van producten, afvalstoffen, afvalwater en afvalgassen en voor tussenopslag van deze stoffen of voor de beveiliging

QRA

Quantitative Risk Assessment oftewel kwantitatieve risico-analyse.

Reprotoxisch

Reprotoxische stoffen zijn stoffen met een mogelijk effect op de voortplanting en op de ontwikkeling van een ongeboren vrucht. De effecten kunnen zijn bij mensen, maar ook bij dieren of planten.

Risicobeoordeling

Beoordeling van risico’s voor de gezondheid van de mens of het milieu welke ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen met zich mee kan brengen.

Toxisch

Toxische stoffen zijn in meer of mindere mate schadelijk voor organismen. Effecten kunnen optreden bij inademing, inslikken, contact met de huid, ogen of slijmvliezen. Een ander woord voor toxisch is giftig.

Verontreinigende stoffen

Stoffen die hinder of nadeel voor de gezondheid van de mens kunnen opleveren. Ook vallen hieronder stoffen die schade kunnen toebrengen aan dieren, planten of goederen. Dit kan gaan om op zichzelf staande stoffen, gezamenlijke stoffen of stoffen die in verbinding met elkaar staan.

Vlampunt

De laagste temperatuur waarbij de stof nog genoeg damp afgeeft om tot ontbranding te kunnen komen wanneer deze in contact komt met een ontstekingsbron

Geluid

Geluidsgevoelige bestemmingen

Gebouwen of objecten, aangewezen in het Besluit geluidhinder krachtens de artikelen 49 en 68 van de Wet geluidhinder (Stb. 1982, 465).

Immissierelevante bronsterkte (LWR)

Het geluidsvermogen niveau van een rondom afstralende puntbron die op een plaats van de echte geluidsbron dan wel het broncentrum van een stelsel geluidsbron staat en op het immissiepunt hetzelfde geluidsniveau geeft als deze geluidsbron(nen).

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT)

Het A-gewogen gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse, in de loop van een bepaalde periode optredende geluid en zo nodig gecorrigeerd voor de aanwezigheid van impulsachtig geluid, tonaal geluid of muziekgeluid, vastgesteld en beoordeeld

overeenkomstig de 'Handleiding meten en rekenen industrielawaai', uitgave 1999.

Maximaal geluidsniveau (LAmax)

Het hoogste A-gewogen geluidsniveau, afgelezen in de meterstand 'fast', verminderd met de meteocorrectieterm Cm. De meterstand 'fast' komt overeen met een tijdconstante van 125 ms.

Referentieniveau

De hoogste waarde van de onder 1. en 2. genoemde niveaus, bepaald overeenkomstig het Besluit bepaling referentieniveau-periode (Stcrt. 1982, 162):

het geluidsniveau, uitgedrukt in dB(A), dat gemeten over een bepaalde periode gedurende 95% van de tijd wordt overschreden, exclusief de bijdrage van de inrichting zelf;

het optredende equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door wegverkeerbronnen minus 10 dB(A), met dien verstande dat voor de nachtperiode van 23.00 tot 07.00 uur alleen wegverkeerbronnen in rekening mogen worden gebracht met een intensiteit van meer dan 500 motorvoertuigen gedurende die periode.

Verkeersbeweging

Het aan- of afrijden met een persoon-, bestel- of vrachtwagen.

Geur

Aanvaardbaar hinderniveau

Uitkomst van het afwegingsproces van onder andere de volgende aspecten:

toetsingskader;

geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten;

aard en waardering van de geur (hedonische waarde);

klachtenpatroon; huidige en verwachte hinder;

technische en financiële consequenties van maatregelen en gevolgen daarvan voor andere emissies;

de mate waarin getroffen maatregelen ter beperking van luchtemissies overeenstemmen met BBT uit BREF’s en nationale BBT-documenten;

lokale situatie (onder meer planologische ruimte, sociaal-economische aspecten en andere lokale afwegingen);

historie van het bedrijf in zijn omgeving.

OPMERKING Het aanvaardbaar hinderniveau voor veehouderijen verschilt met het bovenstaande en is geregeld via de Wet geurhinder en veehouderijen / het Activiteitenbesluit.

Europese geureenheid (ouE)

Eén Europese geureenheid is de hoeveelheid geurstoffen die, bij verdamping in één kubieke meter neutraal gas onder standaard condities, een fysiologische respons oproept bij een panel (detectiegrens) gelijk aan de respons die optreedt bij verdamping van 123 μg n-butanol (CAS-Nr. 71-36-3) in één kubieke meter lucht onder standaard condities (concentratie is 0,040 μmol/mol).

Geurbelasting

Geurconcentratie in de omgeving (per tijdseenheid). De geurbelasting wordt uitgedrukt in Europese geureenheden per kubieke meter lucht bij een bepaalde percentielwaarde (ouE/m3 als x-percentiel van de uurgemiddelde concentratie). De x-percentielwaarde vertegenwoordigt de tijdsfractie van een jaar waarvoor geldt dat gedurende deze tijdsfractie de geurconcentratie beneden deze aangegeven concentratie blijft of gelijk is aan deze waarde.

Geurconcentratie

Hoeveelheid Europese geureenheden per kubieke meter lucht (ouE/m3) onder standaardcondities.

Geurdrempel

Geurconcentratie van één stof of van een mix van stoffen van één Europese geureenheid per kubieke meter.

Geuremissie

Hoeveelheid geur die per tijdseenheid wordt geëmitteerd uitgedrukt in Europese geureenheden. De geuremissie is gelijk aan de geurconcentratie in de geëmitteerde luchtstroom vermenigvuldigd met het debiet van de luchtstroom.

Geurimmissie

Geurconcentratie in de omgeving (per tijdseenheid).

NEN-EN 13725

Bepaling van de geurconcentratie door dynamische olfactometrie. (oktober 2006).

NEN-EN 15259

Luchtkwaliteit - Meetmethode emissies van stationaire bronnen - Eisen voor meetvlakken en meetlocaties en voor doelstelling, meetplan en rapportage van de meting (oktober 2007).

Percentielwaarde

Tijdfractie van het jaar dat een bepaalde geurconcentratie niet wordt overschreden.

OPMERKING Een geurbelasting van 1 ouE/m3 als 98-percentiel van de uurgemiddelde concentratie geeft bijvoorbeeld aan dat de geurconcentratie van 1 ouE/m3 gedurende 2 % van de tijd (minder dan 176 h per jaar) wordt overschreden.

Lucht

Afgas

Gasvormige drager van de emissie.

Goederen

Producten als genoemd in bijlage 7 van de NeR. Bijlage 7 van de NeR geeft de klassenindeling van de meest voorkomende stortgoederen. Deze lijst moet overigens niet als limitatief worden gezien, doch kan aanvullingen of wijzigingen ondergaan.

m30

Gashoeveelheid [m3] bij 273,15 K, bij 101,3 kPa, betrokken op droog gas.

NIBM

Niet in betekenende mate

NNM

Nieuw Nationaal Mode

NSL

Nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit

NTA 9065

Nederlandse Technische Afspraak 9065: Geurmeting- en berekening. Uitgegeven door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut, oktober 2012

Oppervlaktebron (lucht)

Een niet gekanaliseerde bron, zonder vast emissiepunt, waaruit over een bepaald oppervlak verontreinigende stoffen in de buitenlucht worden geëmitteerd.

Percentielwaarde

Tijdfractie van het jaar dat een bepaalde geurconcentratie niet wordt overschreden. Een geurbelasting van 1 ouE/m3 als 98-percentiel van de uurgemiddelde concentratie geeft bijvoorbeeld aan dat de geurconcentratie van 1 ouE/m3 gedurende 2 % van de tijd (minder dan 176 h per jaar) wordt overschreden.

ppm

Concentratie-eenheid parts per million

Puntbron

Een gefixeerd punt van gekanaliseerde - en daarmee in principe kwantificeerbare emissies.

RIE

Richtlijn Industriële Emissies

Stortgoed

Onverpakt korrelvormig materiaal.

Stuifklasse

Klasse uit de stuifklasse-indeling van Bijlage 3 van het Activiteitenbesluit: S1 sterk stuifgevoelig, niet bevochtigbaar, S2 sterk stuifgevoelig, wel bevochtigbaar, S3 licht stuifgevoelig, niet bevochtigbaar, S4 licht stuifgevoelig, wel bevochtigbaar, S% nauwelijks of niet stuifgevoelig.

Naar boven