Provinciaal blad van Fryslân
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2023, 214 | andere beschikking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2023, 214 | andere beschikking |
Besluit ambtshalve wijziging energievoorschriften Van der Wiel Infra en Milieu B.V., Tolhekbuurt 1 te Nij Beets
Op 24 mei 2006 is met kenmerk 640547 een revisievergunning verleend aan Van der Wiel Infra en Milieu B.V. voor de locatie Tolhekbuurt 1 te Nij Beets. De vergunning betreft een zandwinput en composteerinrichting.
Nadien zijn er nog diverse vergunningen verleend.
Reden voor de wijziging is dat de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, aanleiding geven om voorschriften voor energiebesparing aan de vergunning toe te voegen. De inrichting is energierelevant en is een grootverbruiker. Van der Wiel Infra en Milieu B.V. is als onderdeel van Van der Wiel Holding B.V. deelnemer aan meerdere kwaliteit- en milieutrajecten, waaronder de CO2-prestatieladder op niveau 5 (hierna CO2-PL), het kwaliteitsmanagementsysteem ISO 9001:2015 en het milieumanagementsysteem ISO 14001:2015. Met deze ambtshalve wijziging voegen wij energievoorschriften toe aan de vergunning van 24 mei 2006, die zijn afgestemd op de genoemde trajecten en initiatieven.
Wij besluiten, gelet op artikel 2.31, lid 1, onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo):
Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,
Hoofd afdeling Vergunningverlening en Specialistisch advies
Een kopie van deze beschikking is naar de volgende instanties gestuurd:
College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Opsterland
De nummering van onderstaande voorschriften sluit aan op de nummering van de voorschriften in de vergunning van 24 mei 2006 met kenmerk 640547.
Vergunninghouder dient uiterlijk 1 juni 2022 en vervolgens elke vier jaar vóór 1 juni de rapportage van een energieonderzoek ter goedkeuring in bij het bevoegd gezag. Het energieonderzoek heeft tot doel om de rendabele en technisch haalbare energie-efficiënte maatregelen te identificeren. De rapportage van het onderzoek moet de volgende gegevens bevatten:
voor de hierboven onder b. bedoelde individuele installaties en (deel)processen, de relevante uitgaande energiestromen en de intern hergebruikte energiestromen: een overzicht van alle maatregelen (technieken en voorzieningen) die in de branche als beste beschikbare techniek kunnen worden beschouwd en mogelijk rendabel zijn. Als er dergelijke maatregelen zijn die niet zijn onderzocht, dan wordt de reden daarvan in de rapportage gemotiveerd.
Per maatregel wordt een berekening van de terugverdientijd opgesteld volgens de methodiek zoals beschreven in bijlage 10a van de Activiteitenregeling milieubeheer, tenzij vergunninghouder onderbouwt waarom het niet noodzakelijk is om voor deze maatregel een terugverdientijd te bepalen. Op basis van deze berekening wordt per maatregel de conclusie getrokken dat de maatregel rendabel of niet rendabel is;
de verrichte en voorgenomen inspanningen wat betreft verduurzaming van het energieverbruik van de inrichting en de barrières die daarbij geslecht moeten worden. Deze inspanningen zijn erop gericht uiterlijk in 2050 het energieverbruik volledig te hebben verduurzaamd.
Toelichting bij het energieonderzoek:
Voor de rapportage van dit onderzoek kan waar mogelijk gebruik worden gemaakt van actuele informatie en gegevens uit de rapportage in het kader van de CO2-PL en/of andere energie-rapportages. Met uw deelname of betrokkenheid bij dergelijke initiatieven op het gebied van energie en duurzaamheid, kan uw bedrijf mogelijk deels invulling geven aan het gevraagde energieonderzoek.
De inrichtinghouder kan een gemotiveerd verzoek tot het afwijken van de in voorschrift 5.1.1 genoemde vierjaarlijkse datum bij het bevoegde gezag indienen.
Om voor de vierjaarlijkse rapportage uit voorschrift 5.1.1 waar mogelijk gebruik te kunnen maken van actuele informatie en gegevens uit de rapportage in het kader van de CO2-PL en/of andere energie-rapportages kan de inrichtinghouder verzoeken om de vierjaarlijkse rapportagedatum aan te laten sluiten bij andere rapportageverplichtingen.
Vergunninghouder mag een maatregel uit het energie-uitvoeringsplan vervangen door een gelijkwaardig alternatief, op voorwaarde dat de gelijkwaardigheid in het energiedeel van het milieujaarverslag of anderszins richting het bevoegd gezag wordt gemotiveerd. Onder gelijkwaardig wordt verstaan dat de alternatieve maatregel minstens evenveel bijdraagt aan de verbetering van de energie-efficiëntie en geen stijging geeft van de milieubelasting ten opzichte van de te vervangen maatregel.
Bij het nemen van energierelevante investeringsbeslissingen moet vergunninghouder energiezuinigere alternatieven onderzoeken, tenzij deze beslissing betrekking heeft op maatregelen die al in het energieonderzoek zijn opgenomen. Indien een energiezuiniger alternatief in vijf jaar of korter terug te verdienen is, moet voor dat alternatief gekozen worden.
De gemaakte keuzes moeten worden gemeld en onderbouwd in de jaarlijkse rapportage, zoals beschreven in voorschrift 5.1.9.
Het project is als volgt te omschrijven.
De inrichting aan Tolhekbuurt 1 te Nij Beets is energierelevant en is een grootverbruiker. Van der Wiel Infra en Milieu B.V. is als onderdeel van Van der Wiel Holding B.V. deelnemer aan meerdere kwaliteit- en milieutrajecten, waaronder de CO2-PL op niveau 5, het kwaliteitsmanagementsysteem ISO 9001:2015 en het milieumanagementsysteem ISO 14001:2015.
In de vigerende vergunningen is hier geen rekening mee gehouden en zijn over energie-efficiëntie alleen in beperkte mate voorschriften opgenomen. Deze voorschriften geven bovendien onvoldoende concreet aan wat het bedrijf moet doen ter verbetering van de energie-efficiëntie.
Daarom voegen wij dergelijke voorschriften aan de vergunning van 24 mei 2006 toe. De nieuwe voorschriften betreffen onder meer het periodiek uitvoeren van een energieonderzoek en het opstellen van een energie-uitvoeringsplan, die uiterlijk op 1 juni 2022 voor het eerst bij ons ingediend moeten worden.
2.2 Huidige vergunningsituatie
Voor de inrichting zijn de onderstaande vergunningen verleend:
De hierboven genoemde vergunningen waar een # bij staat, zijn volgens de Invoeringswet Wabo gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd.
2.3 Vergunningplicht en bevoegd gezag
De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C, categorie 11.1, onder h, 11.4, onder k, 20.1, onder a, sub 4, 28.4, onder c, sub 1 en 28.10, van het Bor.
Op grond van categorie 28.10 en 11.4 is sprake van een vergunningplichtige activiteit.
Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort, omdat de activiteiten genoemd zijn in Bijlage I, categorie 5.3, onder b, lid i van de Richtlijn industriële emissies. Op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor is ook om die reden sprake van een vergunningplichtige inrichting.
Gedeputeerde Staten zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4, tweede lid van de Wabo, juncto artikel 3.3, eerste lid van het Bor.
De op 24 mei 2006 met kenmerk 640547 verleende omgevingsvergunning is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet op artikel 3.15, lid 3 van de Wabo dient de ambtshalve wijziging eveneens te worden voorbereid met deze uitgebreide voorbereidingsprocedure.
In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 van de Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Besluit omgevingsrecht (Bor), hebben wij de ambtshalve wijziging ter advisering aan het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Opsterland gezonden. De gemeente heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om advies uit te brengen.
2.6 Zienswijzen op de ontwerpbeschikking
Van het ontwerp van de beschikking hebben wij kennisgegeven in de Leeuwarder Courant, het Friesch dagblad en op www.mijnoverheid.nl.
Van 15 november t/m 27 december 2021 heeft het ontwerp ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
2.7 Wijzigingen ten opzichte van de ontwerpvergunning
Ten opzichte van de ontwerpvergunning is de volgende wijziging aangebracht:
De datum voor het jaarlijkse verslag in voorschrift 5.1.9. is gewijzigd van 1 april naar 1 juni zodat deze datum aansluit bij de datum van het vierjaarlijkse onderzoek in voorschrift 5.1.1.
3 INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN MILIEU
3.1 Toetsingskader bij ambtshalve wijziging
Artikel 2.30, lid 1 van de Wabo verplicht het bevoegd gezag regelmatig te bezien of voorschriften die aan een omgevingsvergunning zijn verbonden, nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van technische mogelijkheden tot de bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
Op basis van artikel 2.31, lid 1, onder b van de Wabo, wijzigt het bevoegd gezag aan een omgevingsvergunning verbonden voorschriften indien blijkt dat de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu, verder kunnen, of, gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, verder moeten worden beperkt.
Voor deze actualisatie hebben wij de eerder verleende omgevingsvergunningen getoetst.
In de vergunning van 24 mei 2006 is in de voorschriften 5.1.1 tot en met 5.1.3 voorgeschreven dat:
Wij zijn van mening dat deze voorschriften onvoldoende concreet aangeven wat de inrichtinghouder moet doen ter verbetering van de energie-efficiëntie.
Er zijn aan de omgevingsvergunningen verder geen voorschriften verbonden voor onder meer:
In het landelijke beleid zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer worden inrichtingen aan de hand van het jaarlijkse energieverbruik als volgt ingedeeld:
Voor andere energiebronnen dan elektriciteit en aardgas wordt het verbruik uitgedrukt in aardgasequivalenten door de omrekenfactoren te hanteren zoals opgenomen in artikel 2.16d van de Activiteitenregeling.
Uit een opgave van uw bedrijf per e-mail van 18 oktober 2021 blijkt het volgende energiejaarverbruik van de inrichting:
De aanwezige zonnepanelen hebben een jaaropbrengst van 12.800,00 kWh (12,80 MWh).
Hieruit blijkt dat sprake is van een energierelevante inrichting en van een energiegrootverbruiker.
Voorschriften voor vergunningplichtige bedrijven
Voor vergunningplichtige bedrijven geldt dat de energievoorschriften uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling niet rechtstreeks werkend zijn. Regels voor energiebesparing worden dan ook via voorschriften in de vergunning geregeld op basis van artikel 5.7 van het Bor. Dat artikel verplicht het bevoegd gezag voorschriften aan de vergunning te verbinden met betrekking tot een doelmatig gebruik van energie en grondstoffen. Dit betekent dat moet worden getoetst of de inrichting de beste beschikbare technieken (BBT) toepast om tot een zuinig energieverbruik te komen.
Een energiebesparende maatregel moet genomen worden als de terugverdientijd vijf jaar of korter is. Welke maatregelen dit zijn, moet blijken uit een vierjaarlijks energieonderzoek. Verder moeten grootverbruikers een uitvoeringsplan voor de maatregelen opstellen en moeten ze jaarlijks rapporteren over het energieverbruik van de inrichting en welke energiebesparende maatregelen zijn getroffen.
Daarnaast moet bij het nemen van energierelevante investeringsbeslissingen die niet zijn opgenomen in het meest recente energieonderzoek, voorafgaand aan het investeringsbesluit worden nagegaan of er energiezuinigere alternatieven zijn. Als dat het geval is en een alternatief binnen vijf jaar terug te verdienen is, moet voor dat alternatief gekozen worden. Investeringen die energierelevant zijn, zijn bijvoorbeeld aanschaf, renoveren of grootschalig onderhouden van verwarmingstoestellen, machines en apparaten, maar ook het vervangen van verlichting.
In het licht van de verdragen, afspraken en doelstellingen die op alle niveaus, van internationaal tot lokaal, bestaan, is het noodzakelijk om de energievoorziening en het energieverbruik verder te verduurzamen. Daartoe moet in een vierjaarlijks onderzoek worden gekeken naar de maatregelen die noodzakelijk zijn om de energievoorziening van de inrichting volledig te verduurzamen, met als streefjaar 2050. Door een vierjaarlijkse onderzoeksverplichting wordt BBT voor het onderdeel energie periodiek in kaart gebracht. De inrichting neemt geen deel aan het Europese Emissiehandelssysteem (ETS). Aan de omgevingsvergunning kunnen daarom voorschriften worden verbonden met betrekking tot energiebesparing.
Richtlijn energie-efficiëntie (EED)
De Europese richtlijn Energy Efficiency Directive (ook wel EED genoemd) is in Nederland omgezet in artikel 18 en artikel 18a van de Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie. De belangrijkste verplichting uit de Europese richtlijn energie-efficiëntie is het uitvoeren van een energie-audit. In het Besluit energie-audit zijn de eisen die worden gesteld aan energie-audits en de verslaglegging hiervan nader gegeven. De auditplicht geldt voor ondernemingen met meer dan 250 medewerkers (fte) of een jaaromzet groter dan € 50 miljoen en een jaarlijks balanstotaal groter dan € 43 miljoen.
In de e-mail van 18 oktober 2021 geeft u niet aan dat de status ‘’niet EED-auditplichtig bedrijf’’, zoals eerder door u aangegeven, is gewijzigd. Wij gaan er daarom van uit dat uw bedrijf niet EED-auditplichtig is.
Initiatieven energie en duurzaamheid
Uw bedrijf is als onderdeel van Van der Wiel Holding B.V. deelnemer aan de CO2-PL op niveau 5 en in het bezit van certificaten voor ISO 9001:2015 en ISO 14001:2015. Daarnaast beschikt uw bedrijf over een energie-actieplan conform NEN 50001.
De CO2-PL is een instrument dat bedrijven helpt bij het reduceren van hun CO2-uitstoot. Deelnemende bedrijven worden gestimuleerd de uitstoot van CO2 te reduceren, doordat een hogere trede op de ladder een fictieve korting (gunningvoordeel) oplevert in het aanbestedingsproces van opdrachtgevers. Er bestaat echter onzekerheid of met de CO2-PL alle maatregelen met een terugverdientijd van 5 jaar of korter worden geïmplementeerd. Dat komt omdat de belangrijkste drijfveer voor het treffen van maatregelen bij de CO2-PL de impact op de CO2-reductie is.
De keurmerken ISO 9001:2015, ISO 14001:2015 zijn primair gericht op respectievelijk kwaliteitsmanagement en milieumanagement en kunnen elementen over energie-efficiëntie bevatten.
Samenhang energieonderzoek met initiatieven energie en duurzaamheid
Er bestaat naar verwachting inhoudelijke overlap tussen het energieonderzoek dat in deze ambtshalve wijziging wordt geëist en de bovengenoemde initiatieven op het gebied van energie en duurzaamheid. Het is dan ook raadzaam om deze informatie te betrekken bij het gevraagde energieonderzoek in voorschrift 5.1.1.
Deze overlap is (mogelijk) niet volledig. Zo worden er in deze ambtshalve wijziging eisen gesteld die bijvoorbeeld niet in de CO2-PL staan. Het gaat dan onder andere om de verplichting om de rendabele energiemaatregelen te identificeren en in een energie-uitvoeringsplan te zetten, met vermelding van de fasering in de uitvoering van deze maatregelen. Het gevraagde energieonderzoek zal dus aan alle gestelde eisen in voorschrift 5.1.1 moeten voldoen.
Voor de goede orde wordt opgemerkt dat ook een energie-actieplan conform NEN 50001 en het managementsysteem ISO 9001:2015 en ISO 14001:2015 elementen kunnen bevattenen die (mogelijk geheel of deels) invulling geven aan het gevraagde energieonderzoek. Hetzelfde geldt ook voor eventuele andere (beleids-)plannen en maatregelen met betrekking tot energie-efficiency binnen uw inrichting.
Om de vierjaarlijkse rapportage uit voorschrift 5.1.1 te kunnen combineren met eventuele andere duurzaamheids- of energiebesparingsrapportages (bijvoorbeeld CO2-PL) kan de inrichtinghouder verzoeken om de vierjaarlijkse rapportage-datum aan te laten sluiten bij andere rapportage-verplichtingen. Dit is vastgelegd in voorschrift 5.1.2.
Uit recent door uw bedrijf verstrekte informatie over het energieverbruik binnen de onderhavige inrichting, is gebleken dat sprake is van een energierelevante inrichting en van een energiegrootverbruiker. De aan de vigerende vergunningen verbonden energievoorschriften zijn niet volledig. Ook is in die vergunningen nog geen rekening gehouden met de deelname van uw bedrijf aan de CO2-PL en andere initiatieven op het gebied van energie en duurzaamheid. Wij trekken daarom de bestaande voorschriften 5.1.1, 5.1.2 en 5.1.3 in en verbinden nieuwe voorschriften met betrekking tot energie-efficiëntie, zoals opgenomen in deze ambtshalve wijziging, aan de vergunning van 24 mei 2006 met kenmerk 640547, die zijn afgestemd op deze initiatieven. Het is raadzaam om informatie uit dergelijke initiatieven te betrekken bij het gevraagde energieonderzoek in voorschrift 5.1.1. Verder is een meldingsplicht opgenomen in geval de deelname aan de CO2-PL niet langer aan de orde zou zijn voor uw bedrijf.
Gezien het vorenstaande hebben wij besloten om ambtshalve de bestaande voorschriften 5.1.1, 5.1.2 en 5.1.3 van de vergunning van 24 mei 2006 met kenmerk 640547 in te trekken en nieuwe voorschriften met betrekking tot energie-efficiëntie, zoals opgenomen in deze ambtshalve wijziging, aan de vergunning van 24 mei 2006 met kenmerk 640547 te verbinden.
BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN (BBT):
Voor het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu meest doeltreffende technieken om de emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu, die een inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken, die - kosten en baten in aanmerking genomen - economisch en technisch haalbaar in de bedrijfstak waartoe de inrichting behoort, kunnen worden toegepast, en die voor degene die de inrichting drijft, redelijkerwijs in Nederland of daarbuiten te verkrijgen zijn; daarbij wordt onder technieken mede begrepen het ontwerp van de inrichting, de wijze waarop zij wordt gebouwd en onderhouden, alsmede de wijze van bedrijfsvoering en de wijze waarop de inrichting buiten gebruik wordt gesteld.
De CO2-Prestatieladder is een instrument dat bedrijven helpt bij het permanent reduceren van CO2-uitstoot. De CO2-Prestatieladder is voor alle niveaus geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie.
Het keurmerk wordt beheerd en doorontwikkeld door SKAO, Stichting Klimaatvriendelijk Aanbesteden en Ondernemen.
EED: De Europese richtlijn Energy Efficiency Directive (ook wel EED genoemd) is in Nederland omgezet in artikel 18 en artikel 18a van de Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie. De belangrijkste verplichting uit de Europese richtlijn energie-efficiëntie is het uitvoeren van een energie-audit. In het Besluit energie-audit zijn de eisen die worden gesteld aan energie-audits en de verslaglegging hiervan nader gegeven.
Het plan van aanpak waarin de drijver van de inrichting de termijn aangeeft waarin zij de rendabele maatregelen toe zal passen binnen de inrichting, waarbij:
Rendabele maatregelen: Maatregelen die een terugverdientijd hebben van vijf jaar of korter.
De verhouding tussen het investeringsbedrag voor de maatregel en de jaarlijkse opbrengsten door besparingen, die met de maatregel samenhangen. Een en ander berekend volgens de methodiek beschreven in bijlage 10a van de Activiteitenregeling milieubeheer.
De energiebalans is een overzicht (inclusief de grootte) van alle energiestromen die het bedrijf in en uit gaan. Het geeft per combinatie van de energiedrager en energiefunctie inzicht in het energieverbruik van de achterliggende installaties, technieken en technologieën. Dit gebeurt aan de hand van de eerder verkregen verbruiksgegevens van de apparatuur of metingen van het verbruik, bedrijfsuren, temperatuurmetingen en energienota's.
Begrip Energiedrager: bijvoorbeeld elektriciteit, gas, olie, hout, biomassa of warmte.
Begrip Energiefunctie: de toepassing of activiteit die energie verbruikt. Bijvoorbeeld verwarmen, ventileren, koelen, verlichten, etc.
ENERGIERELEVANTE INVESTERINGSBESLISSING:
Elke investeringsbeslissing binnen de inrichting die een relevant effect heeft op het energieverbruik. Hieronder vallen onder meer aanschaf, renoveren of grootschalig onderhouden van verwarmingstoestellen, machines en apparaten, maar bijvoorbeeld ook het vervangen van verlichting.
IPPC: Integrated Pollution Prevention and Control.
RENDABELE MAATREGELEN: Maatregelen die een terugverdientijd hebben van vijf jaar of korter
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2023-214.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.