Beschikking aanvraag omgevingsvergunning (Wabo), Jorritsma Biogas B.V.

  • I.

    Onderwerp

Wij hebben op 20 juni 2022 een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het milieuneutraal veranderen van de inrichting ontvangen van Jorritsma Biogas B.V. Het betreft het aanbrengen van een stuwbak ten behoeve van het ventilatiesysteem van vleeskuikenstal 8 ter verbetering van de geluidssituatie. Het betreft de inrichting gelegen aan de Hoarnestreek 10 in Tzummarum. De aanvraag is geregistreerd onder olo-nummer 7064189. Er wordt verzocht om een vergunning ex artikel 2.1, lid 1, onder e (milieu) waarbij artikel 3.10, lid 3 (milieuneutraal veranderen) van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing verklaart.

  • II.

    Besluit

Wij besluiten, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de daarop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten en -regelingen, aan Jorritsma Biogas B.V, Hoarnestreek 10 in Tzummarum, een (omgevings)vergunning:

  • op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 2° (het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting) en artikel 2.14, vijfde lid, juncto artikel 3.10, derde lid (milieuneutrale wijziging) te verlenen voor het bouwen van een stuwbak aan stal 8. Aan de vergunning zijn geen voorschriften verbonden.

Wij besluiten tevens:

dat de volgende delen van de aanvraag onderdeel uit maken van deze vergunning:

  • -

    Aanvraagformulier d.d. 20 juni 2022 met OLO-nummer 7064189;

  • -

    Bjilage: Memo referentie 21810391.MO2 van 6 mei 2022 aanpassing ventilatie stal 8 Jorritsma te Tzummarum;

  • -

    Aerius berekening kenmerk: RZqmRzYZ95NT van 01 juni 2022;

  • -

    V-stacks berekening bestaand zonder stuwbak van 8 april 2022;

  • -

    V-stacks berekening na wijziginig met stuwbak van 11 augustus 2022;

  • -

    Bijlage: Jorritsma Biogas Tzummarum “plaatsen stuwbak stal 8” Toelichting: dimensionering stuwbak;

  • -

    ISL3a berekening Jorritsma fijnstof stal 8 zonder van 10 augustus 2022;

  • -

    ISL3a berekening Jorritsma fijnstof stal 8 met stuwbak van 10 augustus 2022.

  • -

    Tekening plattegrond stal 8, stuwbak tekeningnr.21214 van 2 juni 2022.

  • III.

    Procedure

Deze beschikking is voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.2 van de Wabo.

Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,

Hoogachtend,

S.G.C. Boender

Afdelingshoofd Vergunningverlening en Specialistisch Advies

In afschrift aan:

Veenstra & Riemersma Omgevingsadvies B.V.

Haadwei 51a

9104 BC Damwâld

 

Gemeente Waadhoeke

T.a.v. afdeling Milieu

Postbus 58

8800 AB Franeker

Procedurele overwegingen

Gegevens aanvrager

Op 30 juni 2022 hebben wij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het milieuneutraal veranderen van de inrichting als bedoeld in de Wabo ontvangen. Het betreft een verzoek van: Jorritsma Biogas B.V, Hoarnestreek 10, 8851 RN in Tzummarum.

Projectbeschrijving

Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is als volgt te omschrijven. Het aanbrengen van een stuwbak ten behoeve van het ventilatiesysteem van vleeskuiken stal 8 ter verbetering van de geluidssituatie. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de bijlage: Memo ”Aanpassing ventilatie stal 8 pluimveebedrijf Jorritsma te Tzummarum” welke onderdeel uitmaakt van de aanvraag om vergunning.

Vergunningplicht en bevoegd gezag

De aanvraag heeft op basis van artikel 2.1 van het Besluit omgevingsrecht (Bor), in samenhang met de onderdelen B en C van bijlage I bij het Bor, betrekking op een vergunningplichtige inrichting. Binnen de inrichting:

  • wordt meer dan 600 m3 vaste dierlijke mest opgeslagen (categorie 7.5 onder d);

  • wordt mest vergist, en wordt digestaat verwerkt doormiddel van drogen en indampen (categorie 7.5 onder g en h);

  • is sprake van het opslaan van digestaat in mestbassins met een oppervlakte van groter dan 750 m2of een inhoud van groter dan 2.500 m3 (categorie 7.5 onder j);

  • is sprake van een IPPC-installatie voor het houden van van meer dan 40.000 stuks pluimvee;

  • is sprake van een IPPC-installatie voor het vergisten van meer dan 100ton mest per dag.

Wij zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4 van de Wabo juncto artikel. 3.3 eerste lid onder b van het Bor:

De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I onderdeel C van het Bor:

  • Er is sprake van het bewerken of verwerken van buiten de inrichting afkomstige dierlijke meststoffen met een capaciteit van 25.000 m3 per jaar of meer (cat. 7.4, bijlage I, onderdeel C van het Bor);

  • Er is sprake van "het ontwateren, microbiologisch of anderszins biologisch of chemisch omzetten, agglomereren, deglomereren, mechanisch, fysisch of chemisch scheiden, mengen, verdichten of thermisch behandelen —anders dan verbranden —van, van buiten de inrichting afkomstige huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 15.000.000 kg per jaar of meer" (categorie 28.4 onder c, bijlage 1, onderdeel C van het Bor).

Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort genoemd in Bijlage I van de Richtlijn industriële emissies. Er is sprake is van een installatie met een capaciteit van meer dan 75 ton per dag voor aerobe vergisting en compostering en 100 ton per dag voor anaerobe vergisting (cat. 5.3 onder b, bijlage I, Richtlijn Industriële Emissies (RIE, 2010/75/EU). Er is tevens sprake van een inrichting met meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee (cat. 6.6, bijlage I, Richtlijn Industriële Emissies (RIE, 2010/75/EU).

Huidige Vergunningssituatie

Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd:

SOORT VERGUNNING

DATUM

KENMERK

ONDERWERP

Revisievergunning

6 september 2018

2017-FUM0-0020530

De inrichting betreft een pluimveebedrijf met mestverwerkingsinstallatie (vergisten,

indikken en drogen van mest) en twee windmolens. De veranderingen bestaan onder andere uit het vergroten van de hoeveelheid te vergisten materiaal van 31.000 ton naar 100.000 ton producten per jaar, het wijzigen van de mestverwerkingsinstallatie en het gewijzigd uitvoeren van een aantal pluimveestallen.

Veranderingsvergunning

13 oktober 2021

00970009

De veranderingen bestaan uit het realiseren van

een gasopwerkinstallatie waarbij een van de twee bestaande wkk's wordt ingezet als back upinstallatie

Volledigheid aanvraag en opschorting procedure

Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen. Op 8 augustus 2022 zijn aanvullende gegevens ontvangen met betrekking tot geur en fijnstof.

Procedure (regulier) en zienswijze

Deze beschikking is voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.2 van de Wabo. Gelet hierop hebben wij op 2 juli 2022 conform artikel 3.8 Wabo van de aanvraag kennis gegeven in de Leeuwarder Courant en het Friesch Dagblad.

Adviezen

In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag ter advies aan de volgende instanties / bestuursorganen gezonden:

  • -

    Burgemeester en wethouders van de gemeente Waadhoeke

Burgemeester en wethouders van de gemeente Waadhoeke hebben geen aanleiding gezien om advies uit te brengen.

Samenhang met overige wetgeving

Coördinatie Waterwet

De aangevraagde activiteit heeft betrekking op een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort, waarbij geen sprake is van een handeling waarvoor een watervergunning voor het lozen van stoffen als bedoeld in artikel 6.27, eerste lid van de Waterwet vereist is.

Dit betekent dat er geen samenhang is met een eventuele Watervergunning. De coordinatieregeling is dan ook niet van toepassing in deze procedure.

Wet natuurbescherming

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet.

De aanvraag gaat over het toepassen van een stuwbak op stal 8. Het aantal dieren in de stal blijft gelijk. Door het toepassen van een stuwbak verandert de uitstroming van de geurpluim waardoor de concentratie en de rijkwijdte van de depositie verandert ten opzichte van de vergunde situatie. Daarom is voor het toepassen van een stuwbak een Aeriusberekening gemaakt.

Uit de Aerius berekening, die onderdeel uitmaakt van de aanvraag, blijkt dat de depositie van stikstof niet toeneemt op de stikstof Natura 2000 gebieden.

Activiteitenbesluit milieubeheer

In het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) zijn voor een groot aantal activiteiten die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden rechtstreeks werkende algemene regels opgenomen.

De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, is aangemerkt als een inrichting waarvoor vergunningplicht (type C inrichting) geldt.

Gelet op artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit moet de verandering van de inrichting worden gemeld. De aanvraag beschouwen wij ten aanzien van de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen als melding.

Binnen de verandering van de inrichting vinden de volgende activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit en moet worden voldaan aan de volgende paragrafen uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling (voor zover deze activiteiten betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten):

  • -

    Paragraaf 3.1.3 Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;

Voor het overige is per hoofdstuk dan wel afdeling aangegeven of deze op een type C-inrichting van toepassing is. Dit betekent dat ook hoofdstuk 1, afdeling 2.1 tot en met 2.4, 2.10 en 2.11 van hoofdstuk 2 en de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing kunnen zijn.

Door de rechtstreekse werking van het Activiteitenbesluit kunnen geen vergunningvoorschriften maar uitsluitend aanvullende maatwerkvoorschriften worden vastgesteld ten aanzien van deze activiteiten.

Het bevoegd gezag mag uitsluitend maatwerkvoorschriften vaststellen voor zover dat in het Activiteitenbesluit is aangegeven. Voor inrichtingen waartoe een IPPC-installatie behoort, kan het bevoegd gezag op grond van artikel 2.22, vijfde lid, van de Wabo, afwijken van de voorschriften van het Activiteitenbesluit voor zover met de voorschriften uit het Activiteitenbesluit niet wordt voldaan aan de beste beschikbare technieken. Tot de inrichting behoort een IPPC-installatie. De relevante voorschriften uit het Activiteitenbesluit voldoen aan BBT. Er worden in dit geval geen aanvullende maatwerkvoorschriften vastgesteld voor genoemde activiteiten.

De voorschriften uit het Activiteitenbesluit voldoen voor deze situatie.

Inhoudelijke overwegingen

Milieu

Toetsing voorwaarden Wabo

De aanvraag heeft betrekking op een milieuneutrale verandering van de inrichting of van de werking van de inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, 2° van de Wabo. De Wabo bepaalt in artikel 2.14, vijfde lid dat in afwijking van het eerste tot en met vierde lid de vergunning wordt verleend, wanneer wordt voldaan aan artikel 3.10, derde lid. Dat betekent dat een vergunning wordt verleend met de reguliere procedure, wanneer er sprake is van een verandering van de inrichting of van de werking van de inrichting die niet leidt;

  • 1.

    tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende vergunning is toegestaan;

  • 2.

    tot een verplichting tot het maken van een milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer;

  • 3.

    tot een andere inrichting dan waarvoor eerder een omgevingsvergunning is verleend.

De aanvraag is getoetst aan deze criteria en wij komen tot de volgende afweging.

Toetsing gevolgen milieu

Beste beschikbare technieken (BBT) Algemeen

In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.

Vanaf januari 2013 moet bij het bepalen van BBT rekening worden gehouden met BBT-conclusies en bij ministeriele regeling aangewezen informatiedocumenten over BBT.

BBT-conclusies is een document met de conclusies over BBT, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, vijfde en zevende lid van de Richtlijn industriële emissies (RIE). Het vijfde lid verwijst naar BBT- conclusies vastgesteld na 6 januari 2011 onder het regime van de RIE. Het zevende lid verwijst naar de bestaande BREF's. Het hoofdstuk uit deze BREF's waarin de BBT-maatregelen (BAT hoofdstuk) zijn opgenomen, geldt als BBT-conclusies, totdat nieuwe BBT-conclusies zijn vastgesteld

BBT-conclusies worden door de Europese commissie vastgesteld en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (een uitvoeringsbesluit van de Europese commissie, dat gericht is tot de lidstaten). Zij worden daarom niet meer apart aangewezen in de Regeling omgevingsrecht.

IPPC-installatie

De Europese richtlijn industriële emissies (RIE) geeft milieueisen voor de installaties die genoemd staan in de bij de richtlijn behorende bijlage I. Wanneer een installatie daar genoemd is, spreken we van een IPPC-installatie.

Voor zover hier in deze aanvraag van toepassing vallen de volgende installaties onder de werking van de RIE:

  • meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee (categorie 6.6).

Binnen de inrichting zijn 417.500 dierplaatsen voor vleeskuikens. Hiermee word de genoemde ondergrenswaarde overschreden, waardoor de installatie moet worden aangemerkt als een IPPC-installatie.

De activiteit waarvoor vergunning wordt aangevraagd, heeft betrekking op het plaatsen van een stuwbak op stal 8. Het aantal dieren in stal 8 blijft ongewijzigt ten opzichte van de vergunde situatie.

BBT-conclusies intensieve pluimveehouderij

In dit hoofdstuk is alleen de toetsing van geluid, geur en fijnstof meegenomen omdat het aanbrengen van een stuwbak geen invloed heeft op de overige BBT-conclusies.

  • -

    Geluid (geluidsbeheerplan en geluidemissies)

Het is BBT om een geluidsbeheerplan op te zetten en na te leven en om één of een combinatie van de technieken te gebruiken om geluidsemissies te voorkomen of te beperken. Een geluidsbeheersplan is alleen van toepassing wanneer geluidshinder wordt verwacht of is aangetoond. Dit is geïmplementeerd ten tijde van de revisievergunning van 6 september 2018 door te toetsen aan de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (handreiking). Op basis van deze toetsing wordt geluidshinder zo veel als mogelijk voorkomen. Het maken van een geluidsbeheerplan is daarom niet nodig. Wel hebben wij in de voorschriften van de revisievergunning van 6 september 2018 opgenomen dat er een controlemeting moetst worden uitgevoerd. Deze controle meting heeft mede naar aanleiding van geluidsklachten plaatsgevonden. Uit de metingen is gebleken dat de geluidsnormen worden overschreden. Om te kunnen voldoen aan de geluidsnormen wordt de stuwbak geplaatst. Voor een verdere beschouwing van de geluidsemissies wordt hier volstaan met een verwijzing naar het hoofdstuk `Geluid'.

  • -

    Huisvesting (stofemissies (grof- en fijnstof) voorkomen /geurbeheersplan inclusief bijbehorende monitoring /geuremissies voorkomen / ammoniakemissie)

In de BBT-conclusies zijn, voor wat betreft de diercategorieën waarvoor voldoende bewezen technieken zijn ontwikkeld, huisvestingssystemen beschreven welke voldoen aan het criterium BBT. De passende maatregelen tegen verontreiniging zijn voor de vergunninghouder hierbij niet alleen op het gebruik van de stallen van toepassing, maar ook op de kosten, bouwwijze, ontwerp, onderhoud en ontmanteling ervan. Hierbij spelen de emissies van ammoniak, geur, stof en geluid een rol, maar ook het energieverbruik en het afvalwater zijn afwegingscriteria.

In onderhavige situatie worden geen nieuwe huisvestingsystemen toegepast maar wordt bij stal 8 een stuwbak gerealiseerd ten behoeve van geluidsuitstraling. De emissiefactor van ammoniak en fijn stof van de stal verandert niet ten opzichte van de reeds vergunde situatie. Door het toepassen van de stuwbak wordt de geurpluim minder geconcentreerd waardoor de geurbelasting bij alle geurgevoelige objecten afneemt.

Uit bovenstaande BBT- toets kan worden geconcludeerd dat voor wat betreft de emissies van ammoniak, geur en zwevende deeltjes (fijn stof) wordt voldaan aan BBT.

Agrarische activiteiten

Dieraantallen en (huisvestings)systemen vergund

In onderstaande tabel is het aantal dieren weergegeven dat op basis van de geldende vergunningen per stal aanwezig mag zijn, inclusief het bijbehorende stalsystemen op basis van de Regeling ammoniak en veehouderij.

Stal

diersoort

Rav code.

BWL

Maximaal aantal dieren

1

vleeskuikens

E 5.6

2005.10.V3

24.300

2

Vleeskuikens

E 5.6

2005.10.V3

31.000

3

Vleeskuikens

E 5.6

2005.10.V3

31.000

4

Vleeskuikens

E 5.6

2005.10.V3

29.700

5

Vleeskuikens

E 5.6

2005.10.V3

34.500

6

Vleeskuikens

E 5.6

2005.10.V3

29.700

7

Vleeskuikens

E 5.6

2005.10.V3

29.700

8

Vleeskuikens

E 5.6

2005.10.V3

32.700

9

Vleeskuikens

E 5.6

2005.10.V3

42.900

10

Vleeskuikens

E 5.6

2005.10.V3

42.900

11

Vleeskuikens

E 5.6

2005.10.V3

42.900

* 12

Vleeskuikens

E 5.10 + E 7.4

BWL 2009.14.V5 + BWL 2010.29.V1

46.200

Totaal

417.500

E 5.6 is vleeskuikenstal met mixluchtventilatie.

E 5.10 + E 7.4 is stal met verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren, inclusief additionele techniek droogfilterwand met 40% emissiereductie fijn stof.

* Stal 12 is nog niet gerealiseerd. Dit betekent dat de stal zoals deze in de revisievergunning van 6 septemeber 2018 is aangevraagd bij oprichting niet voldoet aan de maximale emissiewaarde zoals opgenomen in het Besluit huisvesting en aan BBT. Dit betekent dat deze stal niet ingebruik mag worden genomen zoals vergund. Omdat het Besluit huisvesting direct werkend is en omdat stal 12 geen onderdeel is van deze aanvraag nemen wij deze ook niet mee in de toetsing.

Dierenverblijven geur, ammoniak en fijnstof

Toetsingskader

Voor zover het de toepassing van de BBT in de dierenverblijven betreft, is de aanvraag getoetst aan het Besluit emissiearme huisvesting landbouwhuisdieren (Besluit emissiearme huisvesting), de Wet ammoniak en veehouderij (Wav), de Wabo (artikel 2.22, derde lid) en het Bor (artikelen 5.3 en 5.4).

De emissiefactoren voor ammoniak, fijnstof en geur zijn opgenomen in bijlage V (voor stalsystemen) en bijlage VI (voor aanvullende technieken) van de Omgevingsregeling. De emissiefactor in bijlage V geeft de emissie per dierplaats per jaar voor een bepaald huisvestingssysteem bij een diercategorie weer.

Stal 8 zal worden voorzien van een stuwbak. Omdat het stalsysteem niet wijzigt door het plaatsen van een stuwbak en omdat de diersoort en het aantal te houden dieren niet wijzigt, verandert de totale emissie van ammoniak en fijn stof niet ten opzichte van de vergunde situatie.

Wat wel wijzigt als gevolg van het plaatsen van een stuwbak is de wijze van uitstoot en daarmee ook de concentratie van de uitstoot en de plaats waar de emissie neerkomt. Dit zal hieronder worden uitgewerkt onder fijn stof en geur. Voor ammoniak verwijzen wij naar het onderdeel Natuurbeschermingswet.

Fijnstof

Toetsingskader

De grenswaarden voor de luchtkwaliteit uit Bijlage 2 van de Wm, betreffende de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10) lood, koolmonoxide en benzeen in de lucht worden door ons als toetsingscriterium gehanteerd. Tevens is in deze bijlage een richtwaarde voor ozon gedefinieerd en zijn richtwaarden gegeven voor het totale gehalte in de PM10 fractie voor arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen.

De Regeling Beoordeling Luchtkwaliteit 2007 (RBL2007) bevat grenswaarden voor de luchtkwaliteit die door het bevoegd gezag als toetsingscriterium in de vergunningverlening moeten worden gehanteerd. Deze grenswaarden geven een niveau aan van de kwaliteit van de buitenlucht dat niet mag worden overschreden. Het RBL is niet van toepassing op de werkplek. Dit betekent dat toetsing van de normen geschiedt buiten het terrein van de inrichting.

Omdat de aanvraag uitsluitend gaat om het plaatsen van een stuwbak is alleen de toetsing van fijnstof van belang.

Fijnstof In Wm bijlage 2 zijn de volgende grenswaarden voor fijnstof opgenomen:

PM10

  • -

    50 mg/m3 als 24 uurgemiddelde concentratie waarbij geldt dat deze maximaal 35 keer per jaar mag worden overschreden;

  • -

    40 mg/m3 als jaargemiddelde concentratie.

PM2,5

  • -

    25 mg/m3 als jaargemiddelde concentratie.

Uit de berekeningen van fijnstof behorende bij de aanvraag blijkt dat fijnstof na het plaatsen van de stuwbak, ter plaatse van de gevoelige objecten ten opzichte van de vergunde situatie in alle gevallen gelijk blijft dan wel afneemt.

Conclusie

Hieruit kunnen wij concluderen dat de verandering zoals deze is aangevraagd niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor milieu dan volgens de geldende omgevingsvergunningen is toegestaan.

Geur

Toetsingskader

Voor de inrichting van Jorritsma Beheer B.V. zijn ten aanzien van het aspect geur meerdere toetsingskaders beschikbaar. Omdat de aanvraag het aanpassen van pluimveestal 8 betreft beperken wij ons in deze vergunning tot de beoordeling van de geur afkomstig van dierenverblijven.

De inrichting is gelegen in het buitengebied van de gemeente Waadhoeke aan de Hoarnestreek 10-14 te Tzummarum. In de directe omgeving van de inrichting zijn woningen gelegen aan de Hoarnestreek en de Sedyk.

Dierenverblijven

De Wgv vormt het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. In de Wgv is vastgelegd op welke wijze geurhinder afkomstig van veehouderijen moet worden beoordeeld.

De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks Vergunningen. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. De Rgv bevat emissiefactoren, uitgedrukt in Europese odour units (ouE) die nodig zijn om in de vergunde en in de aangevraagde situatie de geuremissie van een veehouderij te kunnen berekenen. Binnen de inrichting van Jorritsma Beheer B.V. worden enkel dieren van diercategorieën gehouden waarvoor geuremissiefactoren gelden.

Op basis van artikel 3 en 5 van de Wgv zijn de volgende normen voor de geurbelasting en afstandseisen van toepassing:

Ligging en aard geurgevoelig object

Afstandseis/norm

Waarde

Geen onderdeel veehouderij

In de bebouwde kom

Norm (98 perc.)

2 OUE/m3

In het buitengebied

Norm (98 perc.)

8 OUE/m3

In de bebouwde kom

afstand gevel

50 meter

In het buitengebied

afstand gevel

25 meter

Onderdeel veehouderij

In de bebouwde kom

afstand emissiepunt

100 meter

In het buitengebied

afstand emissiepunt

50 meter

In de bebouwde kom

afstand gevel

50 meter

In het buitengebied

afstand gevel

25 meter

Op grond van artikel 6 van de Wgv kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat andere normen van toepassing zijn dan de desbetreffende waarden zoals genoemd in artikel 3 van de Wgv. De gemeenteraad van de gemeente Waadhoeke heeft geen geurverordening vastgesteld voor het betreffende gebied.

Uit de V-Stacks berekening behorende bij de aanvraag blijkt dat de geur, na het plaatsen van de stuwbak, ter plaatse van de geurgevoelige objecten ten opzichte van de vergunde situatie in alle gevallen gelijk blijft dan wel afneemt.

Conclusie

Hieruit kunnen wij concluderen dat de verandering zoals deze is aangevraagd, voor het aspect geur, niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor milieu dan volgens de geldende omgevingsvergunningen is toegestaan.

Geluid en trillingen

De bedrijfsactiviteiten hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. De veroorzaakte geluidsbelasting in de omgeving is in kaart gebracht in een akoestisch rapport van Noorman, van 12 april 2017 met kenmerk 21610060.R02d (verder: het akoestisch rapport). Dit akoestisch onderzoek is beoordeeld ten tijde van de revisievergunning van 6 september 2018.

In de voorschriften van de revisievergunning van 6 september 2018 is opgenomen dat er een controlemeting moet worden uitgevoerd. Deze controle meting heeft mede naar aanleiding van geluidsklachten plaatsgevonden. Uit de metingen is gebleken dat de geluidsnormen worden overschreden. Om te kunnen voldoen aan de geluidsnormen wordt een stuwbak geplaatst. De onderbouwing hiervan is opgenomen in de akoestische memo van Noorman van 6 mei 2022. Deze memo maakt onderdeel uit van de aanvraag.

De controlemetingen hebben plaatsgevonden ter hoogte van het vergunningpunt 8. Dit vergunningpunt ligt op een afstand van circa 100 m van de terreingrens van Jorritsma. Het ter plaatse op basis van de vigerende vergunning toelaatbare langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) bedraagt onder representatieve bedrijfsomstandigheden 41 dB(A) in de dag-, 35 dB(A) in de avond- en 33 dB(A) in de nachtperiode.

Op basis van de meetresultaten is geconcludeerd dat in de avond- en nachtperiode de vergunde waarden worden overschreden. De mate van overschrijding bedraagt 4 dB in de avondperiode en 5 dB in de nachtperiode.

De FUMO heeft namens ons de akoestische memo beoordeeld betreffende de aanpassing van de ventilatie van stal 8. Deze beoordeling is door de FUMO gedaan op basis van de door Noorman opgestelde memo: ‘Aanpassing ventilatie stal 8 pluimveebedrijf Jorritsma’ met referentie: 21810391.M02 van 6 mei 2022 (hierna: memo van Noorman).

Door de FUMO is vastgesteld dat de ventilatoren in de noordgevel van stal 8 tijdens de metingen duidelijk waren te onderscheiden en in belangrijke mate maatgevend waren voor de geluidbijdrage op het meetpunt.

Uit de memo van Noorman blijkt dat het geluidvermogenniveau van de betreffende ventilatoren circa LW = 95 dB(A) bedraagt. Dit is aanzienlijk hoger dan de 85 dB(A) waarvan is uitgegaan bij de vergunningaanvraag en verklaart dan ook deels de door de FUMO gemeten overschrijding. Uit de memo van Noorman blijkt dat door het aanbrengen van een ten minste 5 m hoge stuwbak, die rondom geheel gesloten dient te worden uitgevoerd, wel aan de vergunde grenswaarden kan worden voldaan.

In de memo van Noorman wordt geconcludeerd dat met de realisatie van de stuwbak de situatie in overeenstemming wordt gebracht met de oorspronkelijke akoestische uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de vergunde waarden.

Noorman stelt tevens dat aangenomen mag worden dat na realisatie van de stuwbak aan de vergunde waarden kan worden voldaan. In de conclusie, voor wat betreft de stuwbak, kan de FUMO zich vinden. Of hierna werkelijk aan de vergunde grenswaarden wordt voldaan is mede afhankelijk van de overige geluidbronnen binnen de inrichting en of deze conform akoestische uitgangspunten zijn die ten grondslag liggen aan de vergunde waarden. Dit zal blijken uit aanvullende geluidmetingen die, door de FUMO ter plaatse van het vergunningspunt 8, zullen worden uitgevoerd na realisatie van de stuwbak.

Conclusie

Hieruit kunnen wij concluderen dat de verandering zoals deze is aangevraagd, voor het aspect geluid, niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor milieu dan volgens de geldende omgevingsvergunningen is toegestaan.

(Volks)gezondheid

Het aspect bestrijding van besmettelijke ziekten is een aspect dat primair zijn regeling vindt in andere wetgeving. Daarnaast blijft in het kader van verlening van een vergunning krachtens de Wabo ruimte voor een aanvullende toets. Indien door het in werking zijn van de inrichting risico's voor de volksgezondheid kunnen ontstaan, moeten deze risico's als gevolg voor het milieu bij de beoordeling van de aanvraag worden betrokken.

Jorritsma Beheer B.V. vraagt een vergunning aan voor het plaatsen van een stuwbak op stal 8. De verandering van de inrichting hebben wij getoetst aan de geldende wet- en regelgeving inclusief de van toepassing zijnde BBT-conclusies.

Bij de beoordeling van de aanvraag is getoetst op verschillende aspecten die gerelateerd zijn aan gezondheid, zoals lucht, geur, geluid en ammoniak. Voor deze aspecten is in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geborgd dat wordt getoetst aan de daarvoor vastgestelde normen en regels. Uit onze beoordeling volgt dat aan al deze normen en regels wordt voldaan. De gezondheidseffecten samenhangend met de mogelijke uitstoot van ziekteverwekkende micro-organismen is niet in het wettelijke (beleids) kader in de beoordeling van de omgevingsvergunning meegenomen, omdat hiervoor geen norm is vastgesteld waaraan kan worden getoetst of de effecten schadelijk voor de gezondheid zijn.

Op basis van alle tot nu toe bekende rapporten kunnen geen eenduidige conclusies worden getrokken om duidelijke uitspraken te kunnen doen over de onaanvaardbare gezondheidsrisico’s van wonen in de buurt van veehouderijen en daaraan gerelateerde activiteiten. Dit wordt als zodanig ook bevestigd door alle tot nu toe gedane uitspraken door de ABRS en rechtbanken, waaruit blijkt dat er geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten zijn om in verband met de volksgezondheid nadere voorschriften te verbinden of een vergunning te weigeren. Voor het opstellen van één beoordelingskader is onvoldoende wetenschappelijke kennis aanwezig. Ook kan geen relatie worden gelegd tussen de afstand tot veehouderijen en de gezondheidsrisico’s voor omwonenden.

De vergunde systemen die de dierengezondheid bevorderen door het creëren van een optimaal klimaat en een hoge weerstand van de dieren. Hierdoor krijgen ziekteverwekkers minder kans. Op basis van de huidige stand van kennis concluderen wij dat er geen voldoende wetenschappelijk bewijs is, dat de risico’s op blootstelling van omwonenden aan levende pathogenen, endotoxinen of chemische stoffen afkomstig uit de dierenverblijven aanleiding geven om nadere voorschriften aan de vergunning te verbinden of de vergunning te weigeren.

Door het toepassen van een stuwbak op stal 8 wijzigt het stalsysteem niet.

Conclusie

Hieruit kunnen wij concluderen dat de verandering zoals deze is aangevraagd, voor het aspect gezondheid, niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor milieu dan volgens de geldende omgevingsvergunningen is toegestaan.

  • Overige aspecten

Gezien de aard van de wijziging worden er geen grotere gevolgen verwacht voor wat betreft de overige milieuaspecten. De aanvrager heeft voldoende aannemelijk gemaakt, dat er voor de overige milieuaspecten geen toename zal zijn van de milieubelasting.

De verandering leidt niet tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu.

Tevens is er geen reden om voorschriften aan deze milieuneutrale verandering te verbinden, aangezien aan de voorschriften in de onderliggende vergunning en de rechtstreeks werkende regels uit het Activiteitenbesluit moet en kan worden voldaan.

Toetsing geen andere inrichting

Op basis van de in de aanvraag opgenomen beschrijving van de verandering is het aannemelijk dat de verandering niet leidt tot een andere inrichting dan waarvoor eerder een vergunning is verleend.

Toetsing milieueffectrapportage

Er hoeft bij deze aanvraag geen milieueffectrapport (MER) te worden ingediend. De reden hiervoor is dat de in de aanvraag beschreven voorgenomen veranderingen niet zijn vermeld in de eerste kolom van onderdeel C en/of onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (besluit m.e.r.).

Conclusie

Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op het milieuneutraal veranderen van de inrichting zijn er geen redenen om de omgevingsvergunning te weigeren.

Naar boven