Provinciaal blad van Fryslân
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2023, 182 | andere beschikking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2023, 182 | andere beschikking |
Besluit omgevingsvergunning van Donker Groep B.V. aan Harste 5 te Sneek
Op 5 juli 2021 is een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen van Donker Groep B.V. Het betreft een revisievergunning voor de gehele inrichting mede in verband met de wijziging van de innamecapaciteit van groenafval, de composteringswijze, het plaatsen van een kapschuur, keerwanden en een PGS- opslag. De aanvraag heeft betrekking op Donker Groep B.V. aan de Harste 5 in Sneek. De aanvraag is geregistreerd onder zaaknummer 2021-FUMO-0054732 en OLO-nummer 5620663.
Wij besluiten, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de daarop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten en -regelingen, aan Donker Groep B.V. een (omgevings)vergunning:
op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder b. (het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in overeenstemming met bestemmingsplan te verlenen voor het aanleggen van een verharding. Aan de verlening van de vergunning zijn voorschriften verbonden. Deze staan in bijlage 1 van dit besluit;
op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c. (het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan te verlenen voor het buiten het bouwvlak bouwen van de kapschuur en voor het overschrijden van de maximum goothoogte. Aan de verlening van de vergunning zijn geen voorschriften verbonden;
op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e. (2° het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting en 3° het in werking hebben van een inrichting) juncto artikel 2.6 (revisievergunning) te verlenen voor het wijzigen van de inrichting. Aan de verlening van de vergunning zijn voorschriften verbonden. Deze staan in bijlage 1 van dit besluit. Voor zover de aan de vergunning verbonden delen van de aanvraag niet in overeenstemming zijn met de gestelde voorschriften, zijn de voorschriften bepalend.
Tevens besluiten wij dat de volgende delen van de aanvraag onderdeel uitmaken van de vergunning:
Voor zover de aan de vergunning verbonden delen van de aanvraag niet in overeenstemming zijn met de gestelde voorschriften, zijn de voorschriften bepalend.
Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân
Hoofd afdeling Vergunningverlening en Specialistisch Advies
De bekendmaking van deze beschikking gebeurt door publicatie inde Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via https://www.officielebekendmakingen.nl
Ook moet de beschikking ter inzage worden gelegd. Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start de beroepstermijn van zes weken. In die periode kunnen zowel u als belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Ook niet-belanghebbenden kunnen beroep aantekenen indien zij een zienswijze hebben ingediend.
Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij Rechtbank Noord-Nederland, Postbus 781, 9700 AT Groningen. De beschikking met betrekking tot de eerste fase treedt tegelijk met de beschikking met betrekking tot de tweede fase in werking.
Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht. Dit verzoek kan worden gedaan bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord Nederland, Postbus 781 9700 AT Groningen. De beschikking treedt in dat geval niet in werking voordat over dit verzoek is beslist.
Produktieweg 1 6045JC Roermond
Terrein van de inrichting en toegankelijkheid
Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die welke voor het proces nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen.
Het aantrekken van insecten, knaagdieren en ander ongedierte moet worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven moet een doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden. Hiertoe moet een ongediertebestrijdingsplan binnen de inrichting aanwezig zijn.
De vergunninghouder moet de binnen de inrichting (tijdelijk) werkzame personen instrueren over de voor hen van toepassing zijnde voorschriften van deze vergunning en de van toepassing zijnde veiligheidsmaatregelen. Tijdens het in bedrijf zijn van installaties die in geval van storingen of onregelmatigheden kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu, moet steeds voldoende, kundig personeel aanwezig zijn om in voorkomende gevallen te kunnen ingrijpen.
Melding contactpersoon en wijziging vergunninghouder
De vergunninghouder moet direct nadat de vergunning in werking is getreden schriftelijk naam en telefoonnummer opgeven aan het bevoegd gezag van degene (en van diens plaatsvervanger) met wie in spoedeisende gevallen, ook buiten normale werktijden, contact kan worden opgenomen. Als deze gegevens wijzigen moet dit vooraf onder vermelding van de wijzigingsdatum schriftelijk worden gemeld aan het bevoegd gezag.
Onderhoudswerkzaamheden, waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit moeten ten minste vijf werkdagen voor de aanvang van de uitvoering aan het bevoegd gezag worden gemeld.
Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten binnen de inrichting moeten alle aanwezige stoffen en materialen, die uitsluitend aanwezig zijn vanwege de – te beëindigen- activiteiten, door of namens vergunninghouder op milieu hygiënisch verantwoorde wijze in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd.
Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van (een van de) activiteiten moet het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden.
Indien op grond van een vergunningvoorschrift een plan ter goedkeuring aan bevoegd gezag moet worden overlegd, moet dit plan binnen 3 maanden nadat de vergunning in werking is getreden, naar het bevoegd gezag zijn gezonden. Tenzij in een voorschrift een andere termijn is genoemd. In dit geval gaat de termijn in het specifieke voorschrift voor.
Vergunninghouder mag - mits hiervoor vooraf schriftelijk goedkeuring is verleend door het bevoegd gezag en bij wijze van proef - andere dan in deze vergunning opgenomen technische installaties en/of alternatieve grond-, hulp-, of brandstoffen toepassen dan wel andere afvalstoffen verwerken. Goedkeuring wordt slechts verleend indien de proefneming noodzakelijk is om informatie te vergaren over de technische haalbaarheid van de andere toepassing en deze informatie niet op een andere wijze kan worden verkregen.
Het bevoegd gezag kan naar aanleiding van een onderzoeksopzet goedkeuring onthouden dan wel nadere eisen stellen aan de proefneming. Deze nadere eisen kunnen een beperking van duur of een beperking van de bij de proefnemingen te verwerken hoeveelheid materiaal betekenen. Tevens kunnen nadere eisen gesteld worden aan de milieuhygiënische randvoorwaarden van de proefnemingen.
De termijn van opslag van afvalstoffen mag maximaal één jaar bedragen. In afwijking hiervan mag de termijn van opslag van afvalstoffen maximaal drie jaar bedragen indien de vergunninghouder aan het bevoegd gezag heeft aangetoond dat de opslag van afvalstoffen gevolgd wordt door nuttige toepassing van afvalstoffen.
Indien vergunninghouder een afvalstof wil accepteren waarvan de Eural-code niet is opgenomen in bovenstaande tabel, maar waarvan de aard en samenstelling en de minimumstandaard voor verwerking overeenkomt met één van de genoemde afvalstoffen moet, voordat de feitelijke acceptatie plaatsvindt, een verzoek ter goedkeuring aan het bevoegd gezag gezonden worden. In het verzoek moet het volgende vermeld worden:
Wijzigingen van de procedure voor acceptatie, be- en verwerking, registratie of controle moeten, ter bepaling van de procedure die in relatie tot de aard van de wijziging is vereist schriftelijk aan het bevoegd gezag worden voorgelegd In het voornemen tot wijziging moet het volgende aangegeven worden:
|
Houtachtig materiaal afkomstig als restproduct uit ‘’groenafval en organisch bedrijfsafval’’, ‘’houtachtige materialen/biomassa’’ en ‘’grasachtige materialen’’ |
||||
Indien de afzet van de opgeslagen afvalstoffen stagneert, geeft de vergunninghouder dit onverwijld schriftelijk te kennen aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat ten minste gegevens over de oorzaak van de stagnatie en de verwachte tijdsduur, alsmede de maatregelen die worden genomen om de stagnatie op te heffen, respectievelijk in de toekomst te voorkomen.
Ten behoeve van de registratie als bedoeld in dit hoofdstuk moet een registratiepost aanwezig zijn. De hoeveelheden die op grond van dit hoofdstuk moeten worden geregistreerd moeten worden bepaald door middel van een binnen de inrichting aanwezige weegvoorziening. De weegvoorziening(en) waarvan gebruik wordt gemaakt moet(en) overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften van het Nederlands Meetinstituut zijn geijkt. Op aanvraag moeten geldige certificaten van weegvoorziening(en) aan het bevoegd gezag ter inzage worden gegeven.
Binnen één maand na ieder kalenderkwartaal moet ter afsluiting van dit kalenderkwartaal een inventarisatie plaatsvinden van de in de inrichting op de laatste dag van het kwartaal aanwezige voorraad afvalstoffen. Deze gegevens moeten in een rapportage worden vastgelegd. Op verzoek moet deze rapportage aansluitend worden verzonden aan het bevoegd gezag. In de rapportage moet het volgende worden geregistreerd:
Procesvoering van het composteringsproces
Indien binnen de inrichting binnen 3x24 uur na aanvoer van het te composteren groenafval géén of onvoldoende composteercapaciteit binnen de inrichting is, dan wordt groenafval langdurig opgeslagen middels inkuilen, tot het moment dat er weer voldoende composteercapaciteit binnen de inrichting beschikbaar is/komt.
De compostering vindt plaats overeenkomstig de intensieve methode met hoge omzetfrequentie (methode A van de voormalige bijzondere Regeling G2 van de Nederlandse emissierichtlijn lucht). Dat betekent dat in de eerste twee weken intensief wordt omgezet (circa drie maal) en met het vorderen van het composteringsproces naar gemiddeld eenmaal per drie weken. Het composteerproces duurt circa drie maanden waarbinnen minimaal zeven keer wordt omgezet.
Alle metingen, maatregelen e.d. zoals die op grond van de beschrijving bij de aanvraag moeten worden uitgevoerd, moeten overzichtelijk, voorzien van datum en tijd, worden geregistreerd. De registratie moet een duidelijk inzicht verschaffen in het verloop van en de controle op het composteringsproces. Deze gegevens moeten, net als de tijdstippen waarop de composteringshopen zijn omgezet, overzichtelijk en volledig in een (digitaal) logboek worden bijgehouden.
Energievoorschriften (grootverbruiker)
Vergunninghouder dient uiterlijk 1 augustus 2022 en vervolgens elke vier jaar vóór 1 juli de rapportage van een energieonderzoek ter goedkeuring in bij het bevoegd gezag. Het energieonderzoek heeft tot doel om de rendabele en technisch haalbare energie-efficiënte maatregelen te identificeren. De rapportage van het onderzoek moet de volgende gegevens bevatten:
voor de hierboven onder b. bedoelde individuele installaties en (deel)processen, de relevante uitgaande energiestromen en de intern hergebruikte energiestromen: een overzicht van alle maatregelen (technieken en voorzieningen) die in de branche als beste beschikbare techniek kunnen worden beschouwd en mogelijk rendabel zijn. Als er dergelijke maatregelen zijn, die niet zijn onderzocht, dan wordt de reden daarvan in de rapportage gemotiveerd.
Per maatregel wordt een berekening van de terugverdientijd opgesteld volgens de methodiek zoals beschreven in bijlage 10a van de Activiteitenregeling milieubeheer, tenzij vergunninghouder onderbouwt waarom het niet noodzakelijk is om voor deze maatregel een terugverdientijd te bepalen. Op basis van deze berekening wordt per maatregel de conclusie getrokken dat de maatregel rendabel of niet rendabel is;
de verrichte en voorgenomen inspanningen wat betreft verduurzaming van het energieverbruik van de inrichting en de barrières die daarbij geslecht moeten worden.
Deze inspanningen zijn erop gericht uiterlijk in 2050 het energieverbruik volledig te hebben verduurzaamd.
Toelichting bij het energieonderzoek:
Voor de rapportage van dit onderzoek kan waar mogelijk gebruik worden gemaakt van actuele informatie en gegevens uit de rapportage in het kader van de CO2-PL en/of andere energie-rapportages. Met uw deelname of betrokkenheid bij dergelijke initiatieven op het gebied van energie en duurzaamheid, kan uw bedrijf mogelijk deels invulling geven aan het gevraagde energieonderzoek.
De inrichtinghouder kan een gemotiveerd verzoek tot het afwijken van de in voorschrift 4.1.1. genoemde vierjaarlijkse datum bij het bevoegde gezag indienen.
Om voor de vierjaarlijkse rapportage uit voorschrift 4.1.1 waar mogelijk gebruik te kunnen maken van actuele informatie en gegevens uit de rapportage in het kader van de CO2-PL en/of andere energie-rapportages kan inrichtinghouder verzoeken om de vierjaarlijkse rapportagedatum aan te laten sluiten bij andere rapportageverplichtingen.
Vergunninghouder mag een maatregel uit het energie-uitvoeringsplan vervangen door een gelijkwaardig alternatief, op voorwaarde dat de gelijkwaardigheid in het energiedeel van het milieujaarverslag of anderszins richting het bevoegd gezag wordt gemotiveerd. Onder gelijkwaardig wordt verstaan dat de alternatieve maatregel minstens evenveel bijdraagt aan de verbetering van de energie-efficiëntie en geen stijging geeft van de milieubelasting ten opzichte van de te vervangen maatregel.
Bij het nemen van energierelevante investeringsbeslissingen moet vergunninghouder energiezuinigere alternatieven onderzoeken, tenzij deze beslissing betrekking heeft op maatregelen die al in het energieonderzoek zijn opgenomen. Indien een energiezuiniger alternatief in vijf jaar of korter terug te verdienen is, moet voor dat alternatief gekozen worden. De gemaakte keuzes moeten worden gemeld en onderbouwd in de jaarlijkse rapportage, zoals beschreven in voorschrift 4.1.9
Representatieve bedrijfssituatie
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag ter plaatse van de omliggende gevoelige gebouwen niet meer bedragen dan:
Het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag ter plaatse van de omliggende gevoelige gebouwen niet meer bedragen dan:
Binnen 6 maanden na start van de aangevraagde activiteiten moet vergunninghouder, door middel van het uitvoeren van een geuronderzoek bestaande uit geurmetingen en berekeningen conform de NTA 9065, aantonen dat de geuremissie(s) de in dit hoofdstuk opgenomen normen niet overschrijden. Dit geuronderzoek dient conform voorschrift 6.1.8 te worden uitgevoerd.
Wanneer het aantal gegronde klachten daartoe aanleiding geeft, moet vergunninghouder op een gemotiveerd verzoek van het bevoegd gezag een onderzoek verrichten naar de oorzaak van de klachten en de mogelijkheden om geuroverlast te voorkomen. Indien na implementatie van de geurbeperkende mogelijkheden de klachten blijven aanhouden dient op verzoek van het bevoegde gezag een geuronderzoek bestaande uit geurmetingen en berekeningen conform de NTA 9065, aantonen dat de geuremissie(s) de in dit hoofdstuk opgenomen normen niet overschrijden. Dit geuronderzoek dient conform voorschrift 6.1.8 te worden uitgevoerd.
Geuremissiemetingen moeten worden uitgevoerd volgens de NTA 9065 en de geldende norm (NEN-EN 13725). Verspreidingsberekeningen moeten worden uitgevoerd met het Nieuw Nationaal Model (NNM) en overeenkomstig de NTA 9065 en het NNM-handboek zijn. De resultaten van de metingen en berekeningen moeten worden gerapporteerd conform de NTA 9065 in Europese geureenheden (ouE). Het meetplan moet vooraf ter goedkeuring worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet in kennis gesteld worden om bij de geurmetingen aanwezig te kunnen zijn. Het onderzoek moet onder representatieve bedrijfsomstandigheden door een geaccrediteerde meetinstantie (monstername, analyse en debietmetingen) uitgevoerd worden. Resultaten van uitgevoerde onderzoeken moeten uiterlijk 2 maanden na uitvoering van het onderzoek aan het bevoegd gezag zijn gezonden.
Deze paragraaf is van toepassing op diffuse stofemissies van op- overslag, laden -en lossen, transporteren en verwerking van niet-inerte vaste bulkgoederen en op diffuse stofemissies van de verwerking van inerte vaste bulkgoederen anders dan overslag, opslag, laden, lossen, transport, mengen en anders dan het zeven van zand.
Binnen de inrichting moet een goed werkende windsnelheidsmeter aanwezig zijn zodanig dat een representatieve en kwartiergemiddelde windsnelheid kan worden gemeten en afgelezen. De windsnelheid moet continu gemeten en geregistreerd worden. De geregistreerde gegevens moeten ten minste drie achtereenvolgende jaren binnen de inrichting bewaard worden en op verzoek van het bevoegd gezag aan haar worden toegezonden.
Teneinde hinderlijke verspreiding van stof buiten de inrichting te voorkomen als gevolg van de transportactiviteiten. moet onmiddellijk kunnen worden voorzien in en - indien noodzakelijk - gebruik worden gemaakt van een veegmachine en/of sproeiwagen die, zo vaak als nodig is, het gedeelte van de inrichting waarop transportverkeer plaatsvindt. schoon veegt en/of besproeit met water.
Ter voorkoming van verontreiniging van de openbare weg moeten, waar nodig, voertuigen voordat deze de inrichting verlaten worden schoongespoten. Tevens moeten, waar nodig, de banden door een wielwas-/autobandenreinigingsinstallatie (ari) dan wel gelijkwaardig worden schoongemaakt. Deze verplichting geldt niet voor voertuigen die uitsluitend ten behoeve van de kantoren de inrichting bezoeken.
Constructieve veiligheid. Wat moet u 6 tot 3 weken vóór de bouw aanleveren?
De definitieve constructieve berekeningen en tekeningen dienen uiterlijk 3 weken voor aanvang van de bouwwerkzaamheden ter goedkeuring aan de gemeente te worden voorgelegd. In de praktijk blijkt de periode van drie weken te kort. Als de gemeente fouten ziet leidt dit al snel tot vertragingen in de bouw. Wij raden daarom aan om een periode van zes weken aan te houden. Met de werkzaamheden mag pas na goedkeuring worden gestart.
U moet nog een veiligheidsplan indienen. Dit moet u uiterlijk drie weken voor de start van de werkzaamheden doen. Het doel van een veiligheidsplan is het vooraf inzichtelijk maken of een beoogd initiatief veilig en verantwoord in zijn relatie tot de directe omgeving en openbare ruimte gerealiseerd kan worden. In een veiligheidsplan moet u aangeven hoe u de veiligheid van de openbare ruimte, het bouwwerk, de belendende en/of onderliggende percelen tijdens de bouw of sloop zal garanderen en waarborgen.
Het bouwtoezicht dient ten minste drie dagen van tevoren in kennis te worden gesteld van het storten van beton.
De hiervoor bedoelde kennisgevingen moeten schriftelijk worden gericht aan de FUMO, Postbus 3347, 8901 DH LEEUWARDEN of info@fumo.nl.
Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen.
Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden.
De hiervoor bedoelde kennisgevingen moeten schriftelijk worden gericht aan de FUMO, Postbus 3347, 8901 DH LEEUWARDEN of info@fumo.nl.
Op 5 juli 2021 is een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen. Het betreft een verzoek van Donker Groep B.V. aan de Harste 5 in Sneek.
Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is als volgt te omschrijven: De huidige vergunning is op diverse onderdelen verouderd en de feitelijke situatie wijkt af van de vergunde situatie. Ook heeft Donker Groep B.V. het voornemen om een aantal veranderingen met betrekking tot de activiteiten en de bedrijfsvoering door te voeren. Hiervoor is een nieuwe voor de gehele inrichting omvattende revisievergunning ingevolge de Wabo aangevraagd.
Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag om vergunning. Gelet op bovenstaande omschrijving wordt vergunning gevraagd voor de volgende in de Wabo omschreven activiteiten:
Als één of meer van bovengenoemde activiteiten plaatsvinden, moet daarnaast beoordeeld worden of een aantal toestemmingsstelsels kan worden aangehaakt. Of daadwerkelijk moet worden aangehaakt, volgt niet uit de Wabo, maar uit de desbetreffende wet. Er is hierbij ook gekeken naar de Wet natuurbescherming. Op 16 december 2016 is een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming afgegeven aan Donker Groep B.V. aan de Harste 5 in Sneek. De wijzigingen blijven binnen de vergunde ruimte, waardoor er voor de aangevraagde wijzigingen geen vergunning voor de Wet natuurbescherming geldt.
1.3. Omschrijving van de aanvraag
De aanvraag bestaat uit de volgende delen:
1.4. Huidige vergunningsituatie
Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd:
De hierboven genoemde vergunningen waar een # bij staat, zijn volgens de Invoeringswet Wabo gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd.
De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Bor. De volgende categorieën zijn van toepassing:
Op grond van categorie 28.10 is sprake van een vergunningplichtige activiteit.
Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort genoemd in Bijlage I, categorie 5.3b van de Richtlijn industriële emissies (Rie). Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor sprake van een vergunningplichtige inrichting.
Wij zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4, tweede lid van de Wabo juncto artikel 3.3, eerste lid van het Bor, op grond van de activiteiten van de inrichting, genoemd in Bijlage I onderdeel C, categorie 28.4 van het Bor.
1.7 Coördinatie met de Waterwet
De aangevraagde activiteit heeft betrekking op een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort.
De aanvraag is voor advies voorgelegd aan Wetterskip Fryslân. Er is geconcludeerd dat er geen sprake is van een handeling waarvoor watervergunning voor het lozen van stoffen als bedoeld in artikel 6.27, eerste lid van de Waterwet vereist is.
1.8 Beoordeling van de aanvraag
Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid. In verband met het ontbreken van een aantal gegevens hebben wij de aanvrager in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen. Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag opnieuw getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag met de aanvullende gegevens voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen.
Deze beschikking is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop zijn wij niet verplicht om van de aanvraag kennis te geven in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze, tenzij bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Nu deze uitzonderingsgrond zich niet voordoet hebben wij geen kennisgegeven van de aanvraag.
In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden:
Wetterskip Fryslân heeft advies gegeven. Het advies richt zich op het aspect milieu. Het advies is positief en verder verwerkt in hoofdstuk 5 Afvalwater.
De gemeente Súdwest-Fryslân heeft een ruimtelijk advies gegeven. Dit advies is verwerkt in de overwegingen. De gemeente Súdwest-Fryslân heeft het plan ook voorgelegd aan de welstandscommissie Hûs en Hiem, die positief heeft geadviseerd. Dit advies is in zijn geheel overgenomen.
De veiligheidsregio heeft geadviseerd. Het advies van de veiligheidsregio richt zich op veiligheid en het Bouwbesluit. De veiligheidsregio heeft aangegeven dat op de plattegrondtekeningen geen blusmiddelen zijn aangegeven en er geen informatie te vinden is over de brand- en rookklasse van toe te passen constructiematerialen. Deze aanpassingen zijn verwerkt door de aanvrager. Daarmee is het advies opgevolgd.
Tussen 7 maart en 17 april 2022 heeft het ontwerp ter inzage gelegen en is een ieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is op 14 april 2022 door de aanvrager van deze vergunning gebruik gemaakt. Daarnaast kregen wij op 14 april 2022 een advies van Brandweer Fryslân dat wij inhoudelijk behandelen als een zienswijze, omdat de ontwerpvergunning al ter visie gelegen heeft.
Zienswijze Donker Groep BV (hierna Donker):
Zienswijze voorschriften 3.2.1, 3.2.2, 3.3.3 en 3.3.4
“Centraal in deze voorschriften is opgenomen dat bij de handelingen van groenafval zijnde schredderen, mechanische transport en overslag er bevochtigd dient te worden ter voorkoming van stofverspreiding. Het verspreiden van stof kan niet plaatsvinden omdat groenafval niet als stuifgevoelig wordt aangemerkt overeenkomstig bijlage 3 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer. Behoudens het feit dat groenafval niet stuifgevoelig is, bevat groenafval 50% vocht, waardoor er geen stofvorming kan optreden bij voornoemde handelingen. Op grond van het bovenstaande moet worden geconcludeerd dat dit voorschrift overbodig is. Verzocht wordt om de voorschriften onder 3.2.1 t/m 3.2.4 te laten vervallen.”
U bent van mening dat het verspreiden van stof niet kan plaatsvinden, omdat groenafval niet als stuifgevoelig wordt aangemerkt. Wij zijn echter wel van mening dat door het shredderen van groenafval stof kan vrijkomen. Vers gekapt hout kan tot 50% vochtigheid bevatten, maar er wordt niet alleen vers gekapt hout geaccepteerd. Groenafval valt onder stuifklasse S4-S5. Omdat de activiteit van Donker onder categorie 5.3 van de IPPC-richtlijn valt, moet het bedrijf voldoen aan de Beste Beschikbare technieken (BBT). BBT voor houtshredders staat beschreven in 14d en e van de BREF Afvalbehandeling. Hierin staat dat ter voorkoming van diffuse emissies naar de lucht, het afval bevochtigd moet worden. Dit is een minimale BBT-maatregel. De zienswijze leidt niet tot wijziging van de omgevingsvergunning.
Wij verklaren de zienswijze ongegrond.
Zienswijze energievoorschriften 4.1.1, 4.1.2, 4.1.3, 4.1.4, 4.1.5, 4.1.6, 4.1.7, 4.1.8., 4.1.9 en 4.1.10
“De onder hoofdstuk 4 gestelde dat uiterlijk 1 augustus 2022 en vervolgens elke 4 jaar voor een juli een rapportage van een energieonderzoek ter goedkeuring bij het bevoegd gezag moet worden ingediend. Navolgend wordt uiteengezet waaraan deze rapportage moet voldoen. In de navolgende voorschriften wordt verwezen /gerefereerd aan het voornoemde energieonderzoek. Donker neemt deel aan de C02 prestatieladder niveau 5 en is in het bezit van keurcompost certificering. Vanaf niveau 3 geldt sinds 2016 dat deze certificering een erkend alternatief is voor de EED Energie-audit verplichting. Donker heeft haar energiestromen dus kwalitatief in kaart gebracht en beschikt over een lijst potentiële opties voor energiebesparing en duurzame energie. Donker communiceert intern (ISO gelijkwaardige certificering) op ad hoe basis over haar beleid m.b.t. energiebesparing en duurzame energie en is op de hoogte van sector- en keteninitiatieven op het gebied van CO2-reductie. Hiermee wordt voldaan aan BBT, zoals geconcludeerd in de overweging. Op grond van het bovenstaande moet worden geconcludeerd dat de gestelde voorschriften overbodig zijn. Verzocht wordt om de voorschriften onder hoofdstuk 4 te laten vervallen danwel toe te herschrijven zodat deze aansluiten bij de verplichte BBT maatregelen.”
U bent van mening dat de energievoorschriften 4.1.1 tot en met 4.1.10 overbodig zijn. Als onderbouwing daarvoor geeft u aan dat uw bedrijf deelneemt aan CO2-prestatieladder niveau 5 en aan keurcompostcertificering en dat u energiestromen en mogelijke opties voor energiebesparing en duurzame energie in kaart heef gebracht. Verder geeft u aan dat u intern over uw energiebeleid communiceert en dat u CO2-reductie-initiatieven van de sector/keten kent. U stelt dat uw bedrijf daarmee reeds voldoet aan BBT.
Zoals toegelicht in hoofdstuk 7 van deze vergunning, geldt voor vergunningplichtige bedrijven dat de energievoorschriften uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling niet rechtstreeks werkend zijn. Regels voor energiebesparing worden dan ook via voorschriften in de vergunning geregeld op basis van artikel 5.7 van het Bor. Dat artikel verplicht het bevoegd gezag voorschriften aan de vergunning te verbinden met betrekking tot een doelmatig gebruik van energie en grondstoffen. Dit betekent dat moet worden getoetst of de inrichting voldoet aan de BBT om tot een zuinig energieverbruik te komen. Een energiebesparende maatregel moet genomen worden als de terugverdientijd vijf jaar of korter is (rendabele energie-maatregelen).
Om die reden is in de vergunning voorgeschreven dat:
Verder hebben wij overwogen dat CO2-prestatieladder een instrument is dat bedrijven helpt bij het reduceren van hun CO2-uitstoot, waarbij de mate van CO2-reductie leidend is bij het identificeren van mogelijke energiebesparingsmaatregelen. Er is dan ook op voorhand geen zekerheid dat met CO2-prestatieladder voor deze inrichting alle rendabele energiemaatregelen worden geïdentificeerd en uitgevoerd. Dit geldt ook voor andere door u genoemde initiatieven (zoals keurcompostcertificering, kennisontwikkeling, communicatie, branche-initiatieven etc.) die elementen over energie-efficiëntie bevatten.
Overigens geldt uiteraard dat de bepaling dat rendabele maatregelen moeten worden getroffen, alleen dan extra besparingsinspanning vergt wanneer deze maatregelen niet reeds worden getroffen vanuit CO2-reductiedoelstelling of vanuit andere initiatieven. Dat geldt eveneens voor de in deze vergunning voorgeschreven onderzoeks- en rapportage-inspanning. Het is dan ook raadzaam om informatie uit andere (energiebesparings-) initiatieven te betrekken bij de invulling van de voorschriften van deze vergunning. Daarmee kunt u de extra administratieve last die de voorschriften van deze vergunning met zich mee brengen, beperken. Wij zijn van mening dat de voorschriften een bijdrage leveren aan het verminderen van de milieubelasting als gevolg van energiegebruik en niet zorgen voor een onevenredige onderzoeks- en rapportage-inspanning. De zienswijze leidt niet tot wijziging van de omgevingsvergunning.
Wij verklaren de zienswijze ongegrond.
"Onder voorschrift 6.1.6 wordt gesteld dat dierlijke meststoffen inpandig dienen te worden opgeslagen. Er worden geen dierlijke meststoffen binnen de inrichting opgeslagen en dat is ook niet aangevraagd. Op grond van het bovenstaande wordt verzocht voorschrift 6.1.6 te laten vervallen.”
Reactie op zienswijze voorschrift 6.1.6
Er is inderdaad geen opslag van dierlijke meststoffen aangevraagd. De zienswijze is gegrond en het voorschrift is daarom verwijderd.
Wij verklaren deze zienswijze gegrond.
Zienswijzen voorschriften 6.1.7, 6.1.9, 6.1.10, 6.1.11 en 6.1.12 (wordt voorschrift 6.1.6, 6.1.8, 6.1.9, 6.1.10, 6.1.11)
“Voornoemde voorschriften hebben betrekking op het uitvoeren van een geuronderzoek en geurbeheerplan. Het toetsingskader voor geurhinder geldt sinds 1 januari 20168 artikel 2.3a juncto 2.7a van het Activiteitenbesluit (hierna AB). In artikel 2.3a lid 2 van het AB staat:
2. In afwijking van het eerste lid is deze afdeling, met uitzondering van de artikelen 2.4, tweede lid, niet van toepassing op emissies naar de lucht van een IPPC-installaties indien en voor zover voorde activiteit of het type productieproces BBT-conclusies voor deze emissies zijn vastgesteld op grond van artikel 13, vijfde en zevende lid, van de EU-richtlijn industriële emissies. Indien de BBT-conclusie van toepassing is op een groep van stoffen, geldt de eerste volzin voor alle stoffen die tot die groep van stoffen behoren.
De relevante BBT-conclusies voor de IPPC-categorieën onder 5.3b is de BREF Afvalbehandeling vastgesteld in 2018 en BBT-conclusies voor afvalbehandeling. De IPPC activiteiten biologische behandeling (compostering) en voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding (productie van biomassa uit snoeihout) vallen onder de activiteiten R3 uit de bijlage II van de Kaderrichtlijn afvalstoffen. R 3 Recycling/terugwinning van organische stoffen die niet als oplosmiddel worden gebruikt (met inbegrip van compostering en andere biologische omzettingsprocessen). In de BREF -afvalbehandeling zijn geen emissie- of immissienormen voor composteren van groenafval of productie van biomassa opgenomen, wel BBT-maatregelen.
Toetsingskader is dus het vastgesteld geurbeleid. In het geuronderzoek opgesteld conform de NTA 9065 (rapport Don.Sne.20.GO WB-02 van 21 mei 2021) dat onderdeel uitmaakt van het ontwerp besluit is getoetst aan de gestelde normen. Uit het onderzoek blijkt, zoals uw college terecht stelt, dat de aangevraagde situatie voldoet aan de gestelde nomen, waarbij opgemerkt wordt dat de reeds vergunde situatie wordt gerespecteerd, en feitelijk zelfs er een afname is van de geurimmissie ten opzichte van de vergunde situatie. Samen met de getroffen maatregelen wordt dus voldaan aan de BBT conclusie c.q. Eisen uit de BREF afvalbehandeling. Uit het bovenstaande moet worden geconcludeerd dat het uitgevoerde geuronderzoek dat deel uitmaakt van het (ontwerp) besluit afdoende aantoont dat wordt voldaan aan de gestelde geurnormen. Aangezien het onderzoek conform de NTA9065 is opgesteld is het niet legitiem om binnen 6 maanden na start van de aangevraagde activiteiten een onderzoek te verlangen. Tevens ontbreekt een motivering van uw college waarom een geuronderzoek moet worden uitgevoerd, mede gelet op het feit dat de geurhinder afneemt, er geen geurklachten zijn en wordt voldaan aan de beleidsregels van de provincie Fryslân voor het aspect geur is het, wederom, verzoeken van een onderzoek niet legitiem.
Aangezien reeds is voldaan aan dit voorschrift wordt op grond van het bovenstaande verzocht voorschrift 6.1.7 en 6.1.9 te laten vervallen.
In voorschrift 6.1.10 en 6.1.11 wordt gesteld dat een geuronderzoek moet worden uitgevoerd conform een door het bevoegd gezag meetplan. Als onderdeel van de aanvraag is reeds voldaan aan dit voorschrift omdat het betreffende meetplan reeds opgenomen is in het voornoemde geuronderzoek. Aangezien reeds is voldaan aan dit voorschrift wordt op grond van het bovenstaande, in aansluiting van voornoemde zienswijze, verzocht voorschrift 6.1.10 en 6.1.11 te laten vervallen.
In voorschrift 6.1.12 is opgenomen dat meetpunten indien mogelijk moeten worden uitgevoerd overeenkomstig NEN-EN 15259. Deze norm is te herleiden naar BBT 34 uit de BREF afvalbehandeling. BBT 34 is voor Donker geheel niet van toepassing aangezien deze norm van toepassing is voor geleide emissies. Er zijn binnen Donker geen geleide emissies aanwezig waardoor dit voorschrift overbodig is. Verzocht wordt om voorschrift 6.1.12 te laten vervallen.”
Reactie op zienswijze voorschriften 6.1.7, 6.1.9, 6.1.10, 6.1.11 en 6.1.12 (wordt voorschrift 6.1.6, 6.1.8, 6.1.9, 6.1.10, 6.1.11)
Voorschrift 6.1.7 (wordt voorschrift 6.1.6) is een zogenaamd monitoringsvoorschrift. Het geuronderzoek dat is ingediend bij de aanvraag betreft een geuronderzoek op basis van kengetallen. Op basis van dit geuronderzoek zijn geurnormen gesteld in voorschriften 6.1.3 en 6.1.4 van deze vergunning. Daarom moet eenmalig een geuronderzoek worden uitgevoerd naar de werkelijke geuremissies in combinatie met geurverspreidingsberekeningen, om te controleren of de opgelegde geurnormen op basis van het kengetallenonderzoek niet worden overschreden. Het bevoegde gezag is verplicht om een dergelijk voorschrift op te nemen. Dit volgt uit artikel 5.5, lid 4 van het Besluit omgevingsrecht (Bor).
Wij verklaren de zienswijze deels ongegrond en deels gegrond, omdat wij in de zienswijze wel aanleiding hebben gezien om voorschrift 6.1.7 (wordt voorschrift 6.1.6) aan te vullen om de uitvoering te verduidelijken.
Voorschrift 6.1.7 (wordt voorschrift 6.1.6) hebben wij als volgt aangevuld.
Binnen 6 maanden na start van de aangevraagde activiteiten moet vergunninghouder, door middel van het uitvoeren van een geuronderzoek bestaande uit geurmetingen en berekeningen conform de NTA 9065, aantonen dat de geuremissie(s) de in dit hoofdstuk opgenomen normen niet overschrijden. Dit geuronderzoek dient conform voorschrift 6.1.8 te worden uitgevoerd.
Voorschrift 6.1.9 (wordt voorschrift 6.1.8) geeft aan waaraan een geuronderzoek moet voldoen indien dit moet worden uitgevoerd. Op basis van voorschrift 6.1.8 (wordt voorschrift 6.1.7) kunnen wij een geuronderzoek verlangen en voorschrift 6.1.9 (wordt voorschrift 6.1.8) voorziet in de invulling van dit geuronderzoek. Met voorschrift 6.1.9 (wordt voorschrift 6.1.8) wordt tevens voldaan aan de invulling gevraagd vanuit artikel 5.5, lid 4 van het Bor.
Wij verklaren de zienswijze deels ongegrond en deels gegrond, omdat wij in de zienswijze wel aanleiding hebben gezien om voorschrift 6.1.8 (wordt voorschrift 6.1.7) aan te vullen, waardoor de relatie met voorschrift 6.1.9(wordt voorschrift 6.1.8) wordt verduidelijkt.
Voorschrift 6.1.8 (wordt voorschrift 6.1.7) hebben wij als volgt aangevuld.
Wanneer het aantal gegronde klachten daartoe aanleiding geeft, moet vergunninghouder op een gemotiveerd verzoek van het bevoegd gezag een onderzoek verrichten naar de oorzaak van de klachten en de mogelijkheden om geuroverlast te voorkomen. Indien na implementatie van de geurbeperkende mogelijkheden de klachten blijven aanhouden dient op verzoek van het bevoegde gezag een geuronderzoek bestaande uit geurmetingen en berekeningen conform de NTA 9065, aantonen dat de geuremissie(s) de in dit hoofdstuk opgenomen normen niet overschrijden. Dit geuronderzoek dient conform voorschrift 6.1.8 te worden uitgevoerd.
Voorschrift 6.1.10 (wordt voorschrift 6.1.9) gaat in op de inhoud van een meetplan voor een geuronderzoek. Indien een geuronderzoek wordt verlangd door het bevoegde gezag, moet dit onderzoek worden uitgevoerd op basis van een vooraf goedgekeurd meetplan. Op basis van voorschrift 6.1.8 (wordt voorschrift 6.1.7) kunnen wij een geuronderzoek verlangen en daarom is voorschrift 6.1.10 (wordt voorschrift 6.1.9)een aanvullend voorschrift om invulling te geven aan het gevraagde meetplan in voorschrift 6.1.9 (wordt voorschrift 6.1.8).
Wij verklaren de zienswijze ongegrond.
Voorschrift 6.1.11 (wordt voorschrift 6.1.10) betreft het opstellen van een geurbeheerplan. Dit volgt uit de BREF afvalbehandeling. Het opstellen van een geurbeheerplan is BBT 12 in de BREF en is onderdeel van de algemene conclusie BBT 1. Uit de aanvraag blijkt dat zowel de streefwaarde als de richtwaarde uit het provinciaal geurbeleid wordt overschreden. Dit houdt feitelijk in dat er geurhinder kan optreden als gevolg van de activiteiten van Donker. BBT 12 uit de BREF geeft aan dat er een geurbeheerplan dient te worden opgesteld als er geurhinder kan optreden. Daarnaast zijn er in het verleden geurklachten geweest als gevolg van de activiteiten van Donker.
Wij verklaren de zienswijze ongegrond.
Voorschrift 6.1.12 (wordt voorschrift 6.1.11) houdt in dat indien mogelijk meetpunten worden uitgevoerd overeenkomstig de NEN 15259. Binnen de inrichting is een houtkachel aanwezig met geleide emissies naar buiten. Indien er klachten optreden als gevolg van emissie van deze houtkachel en er metingenmoeten worden uitgevoerd, dan moet het meetpunt voldoen aan de NEN 15259.
Wij verklaren de zienswijze ongegrond.
Zienswijzen voorschriften 8.1.3 en 8.1.4
“Voornoemde voorschriften stellen maatregelen bij stoffen van stuifklasse S1/S3. Er worden binnen de inrichting geen stoffen opgeslagen met een stuifklasse SI en/of S2. Op grond van het bovenstaande wordt verzocht voorschrift 8.1.3 en 8.1.4 aan te passen aan de gevraagde situatie.”
Reactie op zienswijzen voorschriften 8.1.3 en 8.1.4
Wij hebben voorschrift 8.1.3 verwijderd en voorschrift 8.1.4 (wordt voorschrift 8.1.3) aangepast, omdat S1 en S2 niet binnen de inrichting voorkomen.
Wij verklaren deze zienswijze gegrond.
Zienswijze voorschriften 8.1.11, 8.1.12, 8.1.13 en 8.1.14
“Voornoemde voorschriften hebben betrekking op het gebruik van transportbanden. Binnen de inrichting worden geen transportbanden gebruikt. Op grond van het bovenstaande wordt verzocht voorschrift 8.1.11, 8.1.12, 8.1.13 en 8.1.14 te laten vervallen.”
Reactie op zienswijze voorschriften 8.1.11, 8.1.12, 8.1.13 en 8.1.14
Deze voorschriften zijn verwijderd. Wij zien ook geen transportbanden vermeld in de IPPC-toetsing of niet technische samenvatting bij de aanvraag.
Wij verklaren deze zienswijze gegrond.
Zienswijzen van de Brandweer Fryslân:
Wij hebben op 14 april 2022 van een advies ontvangen over de ontwerp-beschikking van Brandweer Fryslân.
De brandweer Fryslân adviseert om:
Hierover merken wij het volgende op:
Wij hebben met a. rekening gehouden en deze aanpassingen op de ontbrekende onderdelen zijn verwerkt door de aanvrager. Daarmee is het advies opgevolgd.
De punten b en e zijn rechtstreeks werkend vanuit het Activiteitenbesluit en het Bouwbesluit 2012.
Op type C-inrichtingen, die vergunningplichtig zijn, kunnen bepaalde artikelen uit het Activiteitenbesluit van toepassing zijn. Dit betekent dat bepaalde voorschriften uit het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling een rechtstreekse werking hebben en niet in de vergunning mogen worden opgenomen. De inrichting van Donker waarvoor de revisievergunning is aangevraagd, wordt aangemerkt als een type C-inrichting met een IPPC-installatie. Voor zover de aangevraagde activiteiten vallen onder het Activiteitenbesluit, moet worden voldaan aan de volgende artikelen uit het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling:
Paragraaf 3.3.1: Afleveren van vloeibare brandstof aan motorvoertuigen voor het wegverkeer;
Paragraaf 3.4.9: Opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank.
Voorheen moest de opslag van smeerolie en afgewerkte olie voldoen aan de eisen volgens BRL K903 en PGS 30. Sinds 1 januari 2015 zijn voor afgewerkte-olietanks bodembeschermende voorzieningen voldoende. Eisen volgens de BRL K903 en PGS 30 gelden in de aangevraagde situatie niet.
Wij stellen Donker hiervan schriftelijk in kennis.
Brandweer Fryslân heeft laten weten dat uit onderzoek is gebleken dat toxiciteit van rook van een brand met ‘niet-gevaarlijke stoffen’ dermate hoog is, dat dit een gezondheidsrisico is voor de mens.
Bij Donker wordt met name grond en biomassa opgeslagen en verwerkt. Wij hebben in het kader van bestemmingsplan de gemeente om advies gevraagd. Het advies van de brandweer zal bij de gemeente onder de aandacht gebracht worden, zodat de gemeente kennis neemt van het advies.
Artikel 7.7 Bouwbesluit 2012 (Brandbare niet- gevaarlijke stoffen).
Als er brandbare – niet milieugevaarlijke stoffen worden opgeslagen, is artikel 7.7. van toepassing. Volgens de nota van toelichting op het Bouwbesluit vallen de aangevraagde stoffen niet onder de regelgeving, omdat het brandgevaarlijk zijn op zich niet als een direct milieurisico wordt gezien.
Vanuit het aspect bouwen kunnen wij wel om deze informatie vragen indien er aanleiding toe is. Omdat de activiteit bouwen onderdeel is van deze vergunning, nemen wij artikel 7.7 in de considerans op dat voldaan moet worden aan de artikelen uit het Bouwbesluit ten aanzien van de opslag van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen.
De regels uit het Bouwbesluit zijn rechtstreeks werkend. Donker moet voldoen aan artikel 7.7 van genoemd besluit. Wij hebben de vergunning tekstueel aangepast door een verwijzing op te nemen in Hoofdstuk 13.2. overwegingen.
In de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen dat deze wet aanhaakt bij de Wabo wanneer:
Een omgevingsvergunning natuur is niet van toepassing wanneer al toestemming op basis van de Wnb is verkregen of gevraagd. Verder is een omgevingsvergunning niet van toepassing wanneer voor het voorgenomen project geen vergunning en ontheffing op grond van de Wnb nodig is.
Voor het composteren is op 16 december 2016 een vergunning voor de natuurbeschermingswet 1998 verleend. Andere wijzigingen passen binnen de reeds vergunde rechten.
Dit betekent dat de Wnb niet aanhaakt in deze Wabo-procedure.
De aanvraag heeft betrekking op het veranderen (revisie) van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder e en artikel 2.6 van de Wabo.
2.2. Toetsing oprichten, veranderen en/of revisie
Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij conform artikel 2.14, eerste lid, onder a, b en c van de Wabo:
In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn.
In het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) zijn voor een groot aantal activiteiten die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen.
De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, is aangemerkt als een inrichting waarvoor vergunningplicht (type C-inrichting) geldt.
Binnen het bedrijf vinden de volgende activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit;
Er moet worden voldaan aan de volgende paragrafen uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling, voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten:
Voor het overige is per hoofdstuk of afdeling aangegeven of deze op een type C-inrichting van toepassing is. Dit betekent dat ook hoofdstuk 1, afdeling 2.1 tot en met 2.4, 2.10 en 2.11 van hoofdstuk 2 en de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing kunnen zijn. Van belang voor deze vergunning is, of de inrichting ook voor de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen voldoet aan de best beschikbare technieken. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.
2.3.1. Melding Activiteitenbesluit
Gelet op artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit moet de verandering van de inrichting worden gemeld. De aanvraag wordt ten aanzien van de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen aangemerkt als melding.
De voorschriften voor het onderdeel milieu die in deze vergunning zijn opgenomen, betreffen aspecten en activiteiten die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling.
3. BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunningvoorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.
Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.
BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 5 en 7 van de Richtlijn industriële emissies (Rie).
Het verschil tussen artikel 13, lid 5 en lid 7 van de Rie is:
BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13, lid 7 is het hoofdstuk Best available techniques (BAT) uit de BREF's. De Europese commissie heeft deze BREF's vastgesteld vóór 6 januari 2011. Dit hoofdstuk geldt als BBT-conclusies totdat de Europese Commissie voor die activiteit nieuwe BBT-conclusies vaststelt.
3.2. Concrete bepaling beste beschikbare technieken
Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage 1 van de Rie uitgevoerd en wel de volgende:
Bijlage I, categorie 5.3b, onder i van de Richtlijn industriële emissies (Rie): Nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 t per dag, door middel van een of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van activiteiten die onder Richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater vallen.
Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.
Op grond van artikel 9.2 van de Mor moet voor het bepalen van BBT binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT
Uit jurisprudentie is gebleken dat het bevoegd gezag bij het toetsen aan BBT-conclusies de ontwikkelingen van BBT moet nagaan die sinds het vaststellen van de BBT-conclusies hebben plaatsgevonden. Bronnen voor ontwikkelingen over BBT zijn onder andere de concepten van herziene BREF’s.
Bij het bepalen van de BBT hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies:
Bij het bepalen van de BBT hebben wij rekening gehouden met de volgende informatiedocumenten over BBT, zoals aangewezen in de bijlage van de Mor:
BBT-conclusies Afvalbehandeling
Op 17 augustus 2018 zijn BBT-conclusies Afvalbehandeling gepubliceerd.
In dit kader worden de best beschikbare technieken beoordeeld en getoetst die opgenomen zijn in respectievelijk paragraaf 5.1 (algemene BAT’s) en paragraaf 5.2 (BAT’s voor specifieke afvalverwerkingstechnieken) van de BREF Afvalbehandeling.
Onder paragraaf 4.4 wordt verder ingegaan op de BBT conclusies die van toepassing zijn vanuit de BBT conclusies afvalbehandeling.
Op basis van de bijlage bij de aanvraag ’IPPC en BBT toets’’ kan geconcludeerd worden dat de inrichting Donker Groep B.V. voldoet aan de BAT’s uit de BREF Afvalbehandeling 2018.
Uit de toetsing blijkt dat Donker Groep B.V. maatregelen en voorzieningen treft overeenkomstig de beste beschikbare technieken (BAT) en hiermee voldoet aan de BREF afvalbehandeling 2018.
BREF op- en overslag bulkgoederen (BREF ESB)
De BREF op- en overslag bulkgoederen (BREF ESB) is van toepassing op de opslag, het transport en de verlading van vloeistoffen, vloeibare gassen en vaste stoffen bij IPPC-installaties, onafhankelijk van de sector of industrie. De BREF gaat in op de emissies naar de lucht, bodem, water, waarbij de meeste aandacht uitgaat naar de emissies naar de lucht. De informatie met betrekking tot emissies van de opslag, handling en transport van vaste stoffen is gericht op stof.
Om de diffuse emissie van stof naar de lucht afkomstig van opslag en verlading van vaste stoffen bij IPPC-installaties te voorkomen, hebben wij voorschriften aan deze vergunning verbonden.
De opslag en overslag van inerte goederen valt onder de werkingssfeer van paragraaf 3.4.3 van het Activiteitenbesluit. Daarom kunnen hierover geen voorschriften in deze vergunning worden opgenomen.
De toetsing aan BREF “Op- en overslag bulkgoederen” is opgenomen in bijlage bij de aanvraag ‘’IPPC en BBT toets’’. Uit de toetsing blijkt dat Donker Groep B.V. maatregelen en voorzieningen treft overeenkomstig de vastgestelde BBT-informatiedocumenten . Hiermee voldoet Donker Groep B.V. aan de gestelde BBT-conclusies voor op- en overslag bulkgoederen.
De Bref energie-efficiëntie is tevens van toepassing bij Donker Groep B.V.
Deze BREF bevat derhalve richtsnoeren en conclusies inzake technieken voor energie-efficiëntie die voor alle onder de IPPC-richtlijn vallende installaties in het algemeen als BAT-compatibel worden beschouwd. Deze BREF bevat geen specifieke informatie over processen en activiteiten in sectoren die onder andere BREF-documenten vallen en stelt geen sectorspecifieke BBT vast.
Processpecifieke BAT voor energie-efficiëntie en daarmee samenhangende energieverbruiksniveaus worden in de desbetreffende verticale sectorspecifieke BREF-documenten gegeven (bijvoorbeeld BBT-conclusies nr. 11 en 23 Afvalbehandeling). Hieruit volgt dat de in dit besluit opgenomen voorschriften in overeenstemming zijn met de BREF Energie-efficiëntie.
De toetsing aan de BREF Energie-efficiëntie is opgenomen in de bijlage van de aanvraag ‘’IPPC en BBT toets’’.
Uit toetsing van dit document is gebleken dat Donker Groep B.V. voldoet wordt aan de maatregelen en voorzieningen overeenkomstig de beste beschikbare technieken (BAT) en hiermee voldoet aan de BREF energie-efficiëntie vastgesteld februari 2009.
Het Activiteitenbesluit is gebaseerd op de Wet milieubeheer, waarin BBT als uitgangspunt geldt. De Nederlandse informatiedocumenten over BBT zijn opgenomen in de bijlage van de Regeling omgevingsrecht. Wanneer er een wijziging plaatsvindt van deze bijlage past de wetgever het Activiteitenbesluit en Activiteitenregeling daarop aan als dat nodig is.
De voorschriften uit het Activiteitenbesluit en Activiteitenregeling voldoen daarmee aan BBT.
De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan BBT. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.
Wij zijn van oordeel dat de ingediende gegevens voldoende informatie bevatten voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. Het document ‘’IPPC en BBT toets’’, waarin staat hoe invulling is gegeven aan de BBT, laten wij daarom onderdeel uit maken van deze omgevingsvergunning.
Preventie van afval is een van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In deel B2 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP, is het beleid uitgewerkt voor afvalpreventie. In Nederland is een separaat afvalpreventieprogramma vastgesteld. De uitwerking van preventie-activiteiten vindt voornamelijk plaats via het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) en is inmiddels voortgezet in de vorm van het Rijks brede programma Circulaire Economie.
Op grond van artikel 5.4 (vaststelling van de beste beschikbare technieken) en artikel 5.7 van het Bor kan het bevoegd gezag voorschriften in omgevingsvergunningen opnemen om invulling te geven aan dit aspect.
In alle bedrijfsprocessen kunnen mogelijkheden bestaan om het ontstaan van afvalstoffen en het - directe of indirecte - gebruik van grondstoffen terug te dringen of de bestaande grondstoffen te vervangen door duurzame alternatieven. Zowel het beperken van de hoeveelheid afvalstoffen als het terugdringen van de hoeveelheid grondstoffen levert direct een financiële besparing op.
Uitgangspunt voor alle bedrijven is dat het ontstaan van afval moet worden voorkomen of beperkt.
Binnen de inrichting ontstaan de volgende afvalstoffen:
Gezien de hoeveelheid concluderen wij dat preventie niet relevant is. Wij hebben daarom in deze vergunning verder geen aandacht besteed aan de preventie van afvalstoffen.
In artikel 2.12 van het Activiteitenbesluit zijn regels opgenomen over het scheiden van afvalstoffen. Daarin is onder andere bepaald dat het mengen van afvalstoffen die binnen de inrichting zijn ontstaan en geen gevaarlijke afvalstoffen zijn, gescheiden moeten worden opgeslagen en afgegeven indien dit op grond van LAP3 kan worden gevergd.
In deel B3 van LAP3 is het beleid uitgewerkt voor afvalscheiding, waarbij paragraaf B.3.4 specifiek ingaat op afvalscheiding door bedrijven. Voor bedrijfsafval is het niet goed mogelijk een limitatieve opsomming te maken van afvalstoffen die door alle bedrijven gescheiden moet worden gehouden. Bedrijven verschillen van aard en omvang veel van elkaar en er bestaat een groot aantal bedrijfsspecifieke afvalstoffen. Uitgangspunt is dat bedrijven verplicht zijn alle afvalstoffen gescheiden te houden en gescheiden af te geven, tenzij dat redelijkerwijs niet van hen kan worden gevergd.
In paragraaf B.3.4.2 van LAP3 is aangegeven welke afvalstoffen altijd gescheiden van elkaar moeten worden opgeslagen en afgevoerd (tabel 7) en in welke situaties het redelijk is om afvalscheiding te verlangen (tabel 8). Bij tabel 8 kunnen uitzonderingen gelden voor kleine hoeveelheden of kleine ruimten.
Daarnaast zijn in deel F bijlage 5 van het LAP3 en bijlage 11 van de Activiteitenregeling verschillende categorieën van gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen vastgelegd die niet met elkaar, met andere afvalstoffen of met niet afvalstoffen mogen worden gemengd. Deze categorieën moeten dus gescheiden gehouden worden. Voor de overwegingen met betrekking tot het gescheiden houden/niet mengen van deze categorieën van afvalstoffen wordt verwezen naar de paragraaf ‘mengen’.
4.2. Opslaan van afvalstoffen op de plaats van productie
Als gevolg van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen wordt de opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering gezien als storten indien de tijdsduur van één jaar wordt overschreden. Indien de opslag voorafgaat aan nuttige toepassing van de afvalstoffen is deze termijn drie jaar. In de vergunning is vastgelegd dat de termijn van opslag voorafgaand aan verwijdering maximaal één jaar is en de termijn van opslag voorafgaand aan nuttige toepassing maximaal drie jaar is.
Gelet op het bovenstaande zijn wij van mening dat de aangevraagde activiteiten in overeenstemming zijn met het geldende afvalbeheersplan en daarmee bijdragen aan een doelmatig beheer van afvalstoffen.
4.4. Acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen
4.4.1. BBT-conclusies afvalbehandeling
Op 10 augustus 2018 is het document met BBT-conclusies voor afvalbehandeling vastgesteld. Veel BBT-conclusies voor afvalbehandeling hebben betrekking op emissies naar water en lucht (stof en geur) alsmede op trillingen.
Voor zover een BBT-conclusie betrekking heeft op emissies naar de lucht, de bodem, het water, geluidemissies en/of trillingen, wordt voor de overwegingen verwezen naar de desbetreffende paragraaf,
Bij het bepalen van de BBT, specifiek voor de acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen, hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies voor afvalbehandeling:
Algemene BBT-conclusies: 1, 2, 3, 4, 5, 8, 10, 11, 12, 13, 14, 17, 18, 19, 21, 23, 24.
Tabel 1 Installatiespecifieke BBT-conclusies
De aangevraagde acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen voldoet aan de hierboven genoemde BBT-conclusies.
4.4.2. Doelmatig beheer van afvalstoffen
Het beleid met betrekking tot afvalverwerking is gericht op het doelmatig beheer van afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wm. In dat kader houden wij rekening met het geldende afvalbeheersplan (het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP) waaronder begrepen deel E (minimumstandaard per specifieke afvalstroom). De doelstellingen van het LAP geven invulling aan de prioriteitsvolgorde in de afvalhiërarchie zoals die in artikel 10.4 van de Wm is opgenomen:
De minimumstandaard geeft de minimale hoogwaardigheid aan van de verwerking van een bepaalde afvalstof of categorie van afvalstoffen. Deze minimumstandaard is bedoeld om te voorkomen dat afvalstoffen laagwaardiger worden verwerkt dan wenselijk is. Als de minimumstandaard bestaat uit verschillende verwerkingshandelingen bij diverse inrichtingen, kan voor de afzonderlijke verwerkingsstappen een vergunning worden verleend, mits de totale verwerking voldoet aan de minimumstandaard. In een aantal sectorplannen is vermeld dat het opnemen van sturingsvoorschriften dan noodzakelijk is.
4.5. Toetsing van de aangevraagde afvalactiviteiten
4.5.1. Uitsluitend opslaan van afvalstoffen
In het LAP is aangegeven dat voor het uitsluitend opslaan van afvalstoffen in beginsel een vergunning kan worden verleend. Drie afvalstromen worden hiervan uitgezonderd, te weten:
Als gevolg van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen wordt de opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering gezien als storten indien de tijdsduur van één jaar wordt overschreden. Indien de opslag voorafgaat aan nuttige toepassing van de afvalstoffen is deze termijn drie jaar. Het is niet de bedoeling om voor of na afloop van de genoemde termijnen afvalstoffen weer langdurig in opslag te nemen binnen een andere inrichting. Na benutting van deze termijnen moet het afval worden afgevoerd naar een verwerker.
Uit de aanvraag blijkt dat de volgende afvalstoffen binnen de inrichting worden opgeslagen:
Voor het opslaan van deze afvalstoffen beschikt de aanvrager over de benodigde voorzieningen.
Voor de opslagtermijn van enkele afvalstoffen is een maximum in de aanvraag opgenomen.
In het sectorplan 28 (bouw en sloofpasval) is aangegeven dat in de vergunning een sturingsvoorschrift moet worden opgenomen. Dit is opgenomen in de voorschriften.
Voor het opslaan van de hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend omdat deze afvalstromen niet behoren tot de in het LAP genoemde uitzonderingen. In de vergunning is vastgelegd dat de termijn van opslag voorafgaand aan verwijdering maximaal 1 jaar is en de termijn van opslag voorafgaand aan nuttige toepassing maximaal 3 jaar is.
4.5.2. Mengen niet gevaarlijke afvalstoffen
Afvalstoffen moeten na het ontstaan gescheiden worden gehouden van andere afvalstoffen. Verder is het ongewenst wanneer er in afval gecumuleerde milieugevaarlijke stoffen door wegmengen ongecontroleerd in het milieu verspreid raken. Bovendien is het ook ongewenst als bepaalde, in afval aanwezige zeer zorgwekkende stoffen door mengen in producten terechtkomen waarbij ze op enig moment (in de gebruiksfase of de afvalfase) in het milieu verspreid kunnen worden.
Onder bepaalde condities kunnen verschillende afvalstromen echter net zo goed of soms zelfs beter gezamenlijk worden verwerkt. Het samenvoegen van qua aard, samenstelling en concentraties niet met elkaar vergelijkbare (verschillende) afvalstoffen alsmede het samenvoegen van afvalstoffen en niet-afvalstoffen wordt mengen genoemd.
Mengen is niet toegestaan, tenzij dat expliciet en gespecificeerd is aangevraagd en vastgelegd in de vergunning. Binnen de inrichting vindt geen mengen van afval plaats.
4.5.3. Verwerking: afvalstro(o)m(en) waarvoor in deel E van het LAP een sectorplan is opgenomen
Voor de onderhavige aanvraag zijn de volgende sectorplannen uit deel E van het LAP van toepassing:
In de aanvraag is voor Gescheiden ingezameld groenafval Composteren als verwerkingsmethode beschreven. Het geproduceerde compost wordt ingezet voor grondverbetering.
Het beleid voor Gescheiden ingezameld groenafval is neergelegd in sectorplan 8 en is gericht op recycling. In het sectorplan 8 is daartoe een minimumstandaard opgenomen.
Sectorplan 8: Gescheiden ingezameld groenafval
Gescheiden ingezameld groenafval komt vrij bij de aanleg en onderhoud van openbaar groen, bos- en natuurterreinen. Het betreft tevens afval dat hiermee te vergelijken is, zoals grof tuinafval, berm- en slootmaaisel, afval van hoveniersbedrijven, en afval dat vrijkomt bij aanleg en onderhoud van terreinen van instellingen en bedrijven.
De minimumstandaard voor het be- en verwerken van gescheiden ingezameld groenafval is nuttige toepassing door:
Er wordt bij Donker verschillende stromen groenafval geaccepteerd. Binnen de inrichting van Donker doorloopt Groenafval een bewerkingsroute die beschreven staat in het Acceptatie-& Verwerkingsbeleid en de procesbeschrijving (zie bijlage 4: Procedure acceptatie en verwerking (A&V) en administratieve organisatie en interne controle (AO/IC), rapportnummer Don.Snee.20.A&V-04 van de aanvraag).
Conclusie: de aangevraagde be-/verwerkingsmethode voldoet aan de minimumstandaard van het van toepassing zijnde sectorplan.
Om de risico’s van het verwerkingsproces te beheersen, moet een bedrijf dat zich met afvalbeheer bezighoudt beschrijven welke afvalstoffen worden geaccepteerd en waar nodig, welke afvalstoffen juist niet worden geaccepteerd (acceptatiebeleid) en welke afvalstoffen op welke manier binnen het bedrijf worden verwerkt (verwerkingsbeleid). Daarnaast moeten door technische, administratieve en organisatorische maatregelen de relevante processen binnen een bedrijf beheerst worden. Op deze wijze worden de milieuhygiënische en informatietechnische risico’s binnen de bedrijfsvoering geminimaliseerd. De omvang en de inhoud van de AO/IC is afhankelijk van de aard van de risico’s van het betreffende bedrijfsproces. De onderdelen die minimaal in het A&V-beleid en AO/IC moeten zijn beschreven, zijn vastgelegd in het LAP.
De minimale elementen voor het A&V-beleid en AO/IC vormen een kader en bevatten criteria op hoofdlijnen, waaraan de aanvraag inhoudelijk wordt getoetst.
Bedrijven moeten in het A&V-beleid ook uitwerken of en zo ja, welke afvalstoffen geaccepteerd worden die zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) kunnen bevatten. In het A&V-beleid moet worden uitgewerkt op welke wijze wordt beoordeeld of ZZS kunnen voorkomen in de afvalstoffen die geaccepteerd worden. Indien ZZS kunnen voorkomen, moet beschreven worden hoe de betreffende afvalstoffen worden verwerkt en hoe gewaarborgd is dat onaanvaardbare risico’s voor blootstelling van mens en milieu veroorzaakt door ZZS, worden voorkomen.
Wijzigingen in het A&V-beleid en/of de AO/IC moeten schriftelijk aan ons worden voorgelegd. Als bevoegd gezag zullen wij vervolgens bezien welke procedure in relatie tot de aard van de wijziging is vereist.
De aanvrager verkrijgt met deze vergunning de mogelijkheid om afvalstoffen van buiten de inrichting te ontvangen. Op grond van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen moet de inrichting de ontvangst van afvalstoffen melden. Voor een effectieve handhaving van het afvalbeheer is het van belang om naast de meldingsverplichtingen tevens registratieverplichtingen op te nemen (artikel. 5.8 van het Bor). In deze vergunning zijn dan ook voorschriften voor de registratie van o.a. de aangevoerde, de afgevoerde en de geweigerde (afval-)stoffen opgenomen.
Gelet op het bovenstaande zijn wij van mening dat de aangevraagde activiteiten in overeenstemming zijn met het geldende afvalbeheersplan en daarmee bijdragen aan een doelmatig beheer van afvalstoffen.
5. AFVALWATER EN WATERBESPARING
Donker Groep B.V. exploiteert een groenrecycling bedrijf aan de Harste 5 te Sneek. Binnen de inrichting vinden verschillende activiteiten plaats, zoals het composteren van groenafval, de opslag van compost, zand, teelaarde, betonsteen en houtproducten. Daarnaast is er onder andere een timmerwerkplaats, tank- en wasplaats, weegbrug en een reparatieruimte voor voertuigen en machines aanwezig.
Beschrijving afvalwaterstromen
Binnen de inrichting ontstaan de volgende afvalwaterstromen:
Jaarlijks wordt circa 200 m3 huishoudelijk afvalwater geloosd dat afkomstig is van de sanitaire voorzieningen en de bedrijfskantine binnen de inrichting. Dit afvalwater wordt geloosd via het vuilwaterriool van het gemeentelijk rioolstelsel en de rioolwaterzuiveringsinstallatie te Sneek.
b. Afvalwater afkomstig van tank- en wasplaats
Op het bedrijfsterrein van Donker Groep B.V. is een tank- en wasplaats gesitueerd. De tank- en wasplaats is voorzien van een vloeistofdichte vloer. Het afvalwater komt voornamelijk vrij bij het afspuiten van machines op de wasplaats. Daarnaast kan er afvalwater vrijkomen van de tankplaats. Het afvalwater is mogelijk verontreinigd met minerale olie en onopgeloste stoffen. Jaarlijks zal er circa 120 m3 afvalwater ontstaan, dat via een olie- en benzineafscheider en vervolgens de bedrijfsriolering geloosd wordt op het vuilwaterriool van het gemeentelijke rioolstelsel.
c. Hemelwater afkomstig van de dakvlakken en het verharde terrein
Het hemelwater is afkomstig van de dakvlakken en het verharde terrein (tot aan de keerwanden) dat in gebruik is als toegangsweg, parkeerplaatsen en de opslag van materieel en machines. Het materiaal en materieel bestaat uit onder andere machines, wagens, bouwketen, schaftketen en mobiele tanks. Door Donker Groep B.V. wordt dit terreindeel regelmatig geveegd en schoongehouden, zodat voorkomen wordt dat eventuele (fysische) verontreinigingen meegevoerd kunnen worden en geloosd worden op de watergang. Hemelwater afkomstig van dit deel van het terrein (zijnde een niet bodembeschermende voorziening) is niet verontreinigd. Het hemelwater wordt onder afschot afgevoerd naar een aantal opvangputten en vervolgens via het hemelwaterriool geloosd op de ten westen van de inrichting gelegen watergang.
d. Hemelwater afkomstig van de opslag materieel en eindproduct, weegbrug en kapschuur
Op dit deel van het terrein wordt gereed product (schone grond, compost) opgeslagen en is een weegbrug en kapschuur gerealiseerd. Hemelwater afkomstig van dit deel van het terrein is niet verontreinigd. Het hemelwater wordt onder afschot afgevoerd naar de schoonwaterbuffer (200 m3). Dit water wordt gebruikt voor het besproeien tijdens het composteringsproces. Een eventueel overschot aan water wordt via een overloop geloosd op de aanwezige sloot. De overloop van de buffer bevindt zich aan de bovenzijde, waardoor het te lozen water op de sloot gelijk is aan schoon hemelwater (bevat dus geen onopgeloste stoffen en is visueel schoon).
e. Verontreinigd hemelwater afkomstig van de vloeistofdichte verharding
Het composteerproces binnen de inrichting van Donker Groep B.V. vindt plaats op een vloeistofdichte verharding (bodembeschermende voorziening) en is tevens in gebruik voor de op- en overslag en bewerking van groenafval. Het overtollig hemelwater afkomstig van dit deel van het terrein wordt via een goot en opvangputten naar het bufferbassin (400 m3) afgevoerd. Het water afkomstig van de compostering en de open overslag is potentieel verontreinigd met organische verbindingen en nutriënten (CZV, KJ-N en fosfaat) en onopgeloste bestanddelen. De onopgeloste bestanddelen (zand-/compostdeeltjes) zullen bezinken in de opvanggoten en aanwezige bezinkputten. Het opgevangen afvalwater wordt vervolgens binnen de inrichting hergebruikt als sproeiwater voor het composteringsproces. Een eventueel overschot aan afvalwater c.q. opgevangen neerslag wordt per as afgevoerd naar een daartoe erkende verwerker.
Het groenrecycling bedrijf van Donker Groep B.V. betreft een type C-inrichting met een IPPC-installatie. Dit betekent dat het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling op het bedrijf van toepassing zijn. Daarnaast valt het bedrijf onder de Europese richtlijn industriële emissie (RIE) op basis van de categorie 5.3b, lid i en ii en categorie 5.5.
Het huishoudelijk afvalwater van de sanitaire voorzieningen wordt zonder voorziening geloosd op het vuilwaterriool van het gemeentelijk stelsel. Aan deze lozing worden in het Activiteitenbesluit geen concrete voorschriften gesteld; de lozingen mogen in beginsel zonder beperkingen plaatsvinden. Wel moet op grond van de zorgplichtbepaling, artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit, worden voorkomen dat de doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt belemmerd of onnodige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater zou veroorzaken.
b. Afvalwater afkomstig van tank- en wasplaats
Het afvalwater afkomstig van de tank- en wasplaats wordt via een olie- en benzineafscheider op de terreinriolering en vervolgens op het vuilwaterriool van het gemeentelijk stelsel geloosd. Deze lozing dient te voldoen aan de voorschriften zoals geregeld in het Activiteitenbesluit onder paragraaf 3.3.1 “Afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen of afleveren van vloeibare brandstof aan spoorvoertuigen" en onder paragraaf 3.3.2 "Het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen of werktuigen of van spoorvoertuigen".
c. Hemelwater afkomstig van de dakvlakken en het verharde terrein
Hemelwater afkomstig van dit deel van het terrein wordt onder afschot afgevoerd naar een aantal opvangputten en vervolgens via het hemelwaterriool geloosd op de ten westen van de inrichting gelegen watergang. Deze lozing valt onder de werkingssfeer van paragraaf 3.1.3. "Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening" van het Activiteitenbesluit. Daarnaast valt deze afvalwaterstroom onder het bevoegd gezag van Wetterskip Fryslân.
d. Hemelwater afkomstig van de opslag materieel en eindproduct, weegbrug en kapschuur Hemelwater afkomstig van dit deel van het terrein wordt onder afschot afgevoerd naar de schoonwaterbuffer (200 m3). Dit water wordt gebruikt voor het besproeien tijdens het composteringsproces. Een eventueel overschot aan water wordt via een overloop geloosd op de aanwezige sloot. De lozing van niet verontreinigd hemelwater valt onder de werkingssfeer van paragraaf 3.1.3. "Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening" van het Activiteitenbesluit. Voor het gebruik van water uit de schoonwaterbuffer voor het besproeien van het compost geldt het artikel 3.33 van het Activiteitenbesluit.
e. Verontreinigd hemelwater afkomstig van de vloeistofdichte verharding
Het water afkomstig van de compostering en de op- en overslag en bewerking van groenafval wordt via een goot en opvangputten naar het bufferbassin (400 m3) afgevoerd. Het opgevangen afvalwater wordt vervolgens binnen de inrichting hergebruikt als sproeiwater voor het composteringsproces en stofbestrijdingsdoeleinden. Een eventueel overschot aan afvalwater dan wel opgevangen neerslag wordt per as afgevoerd naar een daartoe erkende verwerker. Naar aanleiding van het voorgaande zal er dan ook geen lozing op de gemeentelijke riolering of rechtstreeks op oppervlaktewater plaatsvinden van verontreinigd hemelwater afkomstig van de vloeistofdichte verharding.
IPPC en Beste Beschikbare Technieken (BBT)
Het groenrecycling bedrijf van Donker Groep B.V. behoort tot de in bijlage 1 van de Richtlijn industriële emissies bedoelde categorieën van industriële activiteiten, te weten categorie 5.3b, lid i en ii en categorie 5.5. Bij het bepalen van de BBT hebben wij rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies:
In de onderhavige aanvraag omgevingsvergunning heeft Donker Groep B.V. in bijlage 9 IPPC & BBT-toets d.d. 26 mei 2021 aangegeven welke maatregelen zullen worden gerealiseerd om de lozing van afvalwater te laten voldoen aan de BBT zoals genoemd in de BBT-conclusies en de BREF's. Wij hebben de aanvraag met bijlage 9 beoordeeld en zijn van mening dat Donker Groep B.V. binnen de inrichting aan de Harste 5 te Sneek de beste beschikbare technieken toepast.
In de onderhavige situatie vallen alle lozingen onder het Activiteitenbesluit en de bijbehorende regeling activiteitenbesluit. De verschillende lozingen worden via het gemeentelijk riool afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie te Sneek en vervolgens geloosd op de Geeuw. Afvalwater dat vrijkomt bij de compostering en de op- en overslag en bewerking van groenafval, wordt niet geloosd maar gebufferd en binnen het composteringsproces gebruikt of bij overschot per as afgevoerd. Wij zijn van mening dat door de lozingen mogelijk te veroorzaken verontreiniging van het oppervlaktewater en schade aan de doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie in voldoende mate kan worden tegengegaan en voorkomen door de algemene regels zoals gesteld in het Activiteitenbesluit. Derhalve hebben wij uit het oogpunt van waterkwaliteitsbeheer geen bezwaar tegen het verlenen van de gevraagde vergunning. Voor het aspect afvalwater achten wij geen vergunningsvoorschriften nodig.
Voor wat betreft het aspect bodembescherming valt het bedrijf volledig onder het Activiteitenbesluit. In het kader van deze vergunning hoeft daarom geen nadere beoordeling plaats te vinden. Op grond van het Activiteitenbesluit moeten alle bedrijfsactiviteiten worden verricht met voorzieningen en maatregelen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico. Daarmee wordt voldaan aan BBT.
6.2. De bodembedreigende activiteiten
Binnen de inrichting vinden bodembedreigende activiteiten plaats. Deze zijn in het bijzonder omschreven in bijlage 8 “NRB bodemrisico analyse” van de aanvraag.
Wij hebben het bij de aanvraag gevoegde bodemrisicodocument beoordeeld en stemmen in met de opzet, de uitgangspunten en de resultaten. Uit het document blijkt dat voor alle bodembedreigende activiteiten het verwaarloosbaar bodemrisico wordt behaald.
De inrichting aan de Harste 5 te Sneek is energierelevant. Uw bedrijf is deelnemer aan de CO2-Prestatieladder op niveau 5 (hierna CO2-PL) en in het bezit van certificaten voor ISO 9001, en een managementsysteem dat door het bedrijf Kader is beoordeeld als gelijkwaardig aan ISO 14001.
Door de deelname aan de CO2-PL op niveau 5 heeft uw bedrijf momenteel een vrijstelling van de verplichtingen in het kader van de Richtlijn energie-efficiëntie (EED).
De op te nemen voorschriften betreffen onder meer het periodiek (deels) uitvoeren van een energieonderzoek en het opstellen van een energie-uitvoeringsplan, die uiterlijk 1 augustus 2022 voor het eerst bij ons ingediend moeten worden.
In het landelijke beleid zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer worden inrichtingen aan de hand van het jaarlijkse energieverbruik als volgt ingedeeld:
Voor andere energiebronnen dan elektriciteit en aardgas wordt het verbruik uitgedrukt in aardgasequivalenten door de omrekenfactoren te hanteren zoals opgenomen in artikel 2.16d van de Activiteitenregeling.
Uit de notitie ‘’Aanvullende gegevens aspect energie revisie vergunning Donkergroep’’ blijkt het volgende energieverbruik over het jaar 2020 van de inrichting:
Hieruit blijkt dat sprake is van een energierelevante inrichting en van een energiegrootverbruiker.
Voorschriften voor vergunningplichtige bedrijven
Voor vergunningplichtige bedrijven geldt dat de energievoorschriften uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling niet rechtstreeks werkend zijn. Regels voor energiebesparing worden dan ook via voorschriften in de vergunning geregeld op basis van artikel 5.7 van het Bor. Dat artikel verplicht het bevoegd gezag voorschriften aan de vergunning te verbinden met betrekking tot een doelmatig gebruik van energie en grondstoffen. Dit betekent dat moet worden getoetst of de inrichting de beste beschikbare technieken (BBT) toepast om tot een zuinig energieverbruik te komen.
Een energiebesparende maatregel moet genomen worden als de terugverdientijd vijf jaar of korter is. Welke maatregelen dit zijn, moet blijken uit een energieonderzoek. Verder moeten grootverbruikers een uitvoeringsplan voor de maatregelen opstellen en moeten ze jaarlijks rapporteren over het energieverbruik van de inrichting en welke energiebesparende maatregelen zijn getroffen
Daarnaast moet bij het nemen van energierelevante investeringsbeslissingen die niet zijn opgenomen in het meest recente energieonderzoek, voorafgaand aan het investeringsbesluit worden nagegaan of er energiezuinigere alternatieven zijn. Als dat het geval is en een alternatief binnen vijf jaar terug te verdienen is, moet voor dat alternatief gekozen worden. Investeringen die energierelevant zijn, zijn bijvoorbeeld aanschaf, renoveren of grootschalig onderhouden van verwarmingstoestellen, machines en apparaten, maar ook het vervangen van verlichting.
De inrichting neemt geen deel aan het Europese Emissiehandelssysteem (ETS). Aan de omgevingsvergunning kunnen daarom voorschriften worden verbonden met betrekking tot het aspect energie.
In het licht van de verdragen, afspraken en doelstellingen die op alle niveaus, van internationaal tot lokaal, bestaan, is het noodzakelijk om de energievoorziening en het energieverbruik verder te verduurzamen. Daartoe moet in een vierjaarlijks onderzoek worden gekeken naar de maatregelen die noodzakelijk zijn om de energievoorziening van de inrichting volledig te verduurzamen, met als streefjaar 2050. Door een vierjaarlijkse onderzoeksverplichting wordt BBT voor het onderdeel energie periodiek in kaart gebracht
Richtlijn energie-efficiëntie (EED)
De Europese richtlijn Energy Efficiency Directive (ook wel EED genoemd) is in Nederland omgezet in artikel 18 en artikel 18a van de Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie. De belangrijkste verplichting uit de Europese richtlijn energie-efficiëntie is het uitvoeren van een energie-audit. In het Besluit energie-audit zijn de eisen die worden gesteld aan energie-audits en de verslaglegging hiervan nader gegeven. De auditplicht geldt voor ondernemingen met meer dan 250 medewerkers (fte) of een jaaromzet groter dan € 50 miljoen en een jaarlijks balanstotaal groter dan € 43 miljoen.
Donker groep B.V. behoort tot deze categorie van bedrijven.
Initiatieven energie en duurzaamheid
Uw bedrijf is deelnemer aan meerdere kwaliteit- en milieutrajecten waaronder de
De keurmerken ISO 9001 en ISO 14001 zijn primair gericht op respectievelijk kwaliteitsmanagement en milieumanagement, maar kunnen elementen over energie-efficiëntie bevatten.
De CO2-Prestatieladder (CO2-PL) is een instrument dat bedrijven helpt bij het reduceren van hun CO2-uitstoot. Deelnemende bedrijven worden gestimuleerd de uitstoot van CO2 te reduceren doordat een hogere trede op de ladder een fictieve korting (gunningvoordeel) oplevert in het aanbestedingsproces van opdrachtgevers. Vanaf niveau 3 kan de CO2-PL worden geaccepteerd als equivalent voor het EED-auditverslag. Door de deelname aan de CO2-PL op niveau 5 heeft uw bedrijf momenteel dan ook een vrijstelling van de EED-auditplicht. Wanneer uw bedrijf de deelname aan CO2-PL beëindigt, vervalt deze vrijstelling.
Er bestaat echter onzekerheid of met de CO2-PL alle maatregelen met een terugverdientijd van 5 jaar of korter worden geïmplementeerd. Dat komt omdat de belangrijkste drijfveer voor het treffen van maatregelen bij de CO2-PL de impact op de CO2-reductie is.
Samenhang energieonderzoek met initiatieven energie en duurzaamheid
Er bestaat naar verwachting inhoudelijke overlap tussen het energieonderzoek dat in deze vergunning wordt geëist en de bovengenoemde initiatieven op het gebied van energie en duurzaamheid. Het is dan ook raadzaam om deze informatie te betrekken bij het gevraagde energieonderzoek in voorschrift 4.1.1.
Deze overlap is niet volledig. Zo worden er in deze vergunning eisen gesteld die bijvoorbeeld niet in de CO2-PL staan. Het gaat dan onder andere om de verplichting om de rendabele energiemaatregelen te identificeren en in een energie-uitvoeringsplan te zetten, met vermelding van de fasering in de uitvoering van deze maatregelen. Het gevraagde energieonderzoek zal dus aan alle gestelde eisen in voorschrift 4.1.1 moeten voldoen.
Voor de goede orde wordt opgemerkt dat ook het aan ISO 14001 vergelijkbare milieumanagementsysteemelementen kan bevatten die (deels) invulling geven aan het gevraagde energieonderzoek. Hetzelfde geldt ook voor eventuele andere (beleids-)plannen en maatregelen met betrekking tot energie-efficiency binnen uw inrichting. Ook in het geval van het vervallen van de vrijstelling voor de EED-auditplicht kan met het opstellen van het EED-energie-auditverslag deels invulling worden geven aan het energieonderzoek dat in deze vergunning wordt geëist.
Het is raadzaam om ook deze informatie te betrekken bij het gevraagde energieonderzoek in voorschrift 4.1.1.
Binnen de inrichting zijn de volgende gevaarlijke stoffen aanwezig:
De processen, de aard en hoeveelheid van de gebruikte gevaarlijke stoffen zoals vermeld in de aanvraag, kunnen effecten veroorzaken naar de omgeving.
Deze risico's worden voldoende afgedekt door het voldoen aan de van toepassing zijnde richtlijnen voor de opslag van gevaarlijke stoffen PGS 15.
In de vergunning is de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen gelimiteerd op 2500 kg ADR-klasse 3. Onder deze hoeveelheid geldt namelijk geen veiligheidsafstand tot kwetsbare objecten. Ook de opslag van gassen van ADR-klasse 2 is gelimiteerd op 1000 liter waterinhoud. Onder deze hoeveelheid geldt namelijk eveneens geen veiligheidsafstand tot kwetsbare objecten.
8.2. Op- en overslag van gevaarlijke stoffen (PGS-richtlijnen)
Ten behoeve van de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Deze PGS-richtlijnen zijn vermeld als Nederlandse informatiedocumenten over BBT in de bijlage van de Mor. Voor de beoordeling van de aanvraag van de inrichting is de PGS 15 relevant. Uit de aanvraag blijkt dat de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en gasflessen voldoet aan de PGS 15.
In deze revisievergunning is voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en gasflessen de interimversie van PGS 15 van augustus 2021, versie 1.0 toegepast. Het gaat hier om een interimversie die nog niet in de Mor als BBT is vastgesteld. De voorschriften van de interimversie wijken echter inhoudelijk niet zodanig af dat hierdoor niet meer aan BBT voldaan zou kunnen worden. Daarom is besloten de relevante voorschriften van de interimversie aan deze vergunning te verbinden en als BBT aan te merken.
De opslag van gewasbeschermingsmiddelen tot 400 kg valt niet onder de PGS 15-opslag. Hiervoor geldt de zorgplichtbepaling van artikel 2a van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Er wordt niet meer dan 400 kg gewasbeschermingsmiddelen aangevraagd.
De conclusie voor externe veiligheid is, dat dit aspect geen belemmering vormt om de revisievergunning te verlenen.
De bedrijfsactiviteiten hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. Deze geluidsemissie wordt vooral veroorzaakt door mobiele bronnen op het terrein van de inrichting. De veroorzaakte geluidsbelasting in de omgeving en de perioden waarin deze optreedt, is in kaart gebracht in het rapport van het akoestisch onderzoek “Akoestisch onderzoek in het kader van een omgevingsvergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor de inrichting van
Donker Groep BV te Sneek” met rapportnummer Don.Sne.20.AO WB-01 van 2 oktober 2020.
Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (de geluidsemissie die de inrichting onder normale omstandigheden veroorzaakt). Beoordeeld worden de geluidsbelasting, de maximale geluidsniveaus en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting.
9.2. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau
In het kader van de beoordeling of de inrichting niet op ontoelaatbare wijze geluidshinder teweegbrengt is gebruikgemaakt van de "Handreiking industrielawaai en vergunningverlening’’, oktober 1998.
De inrichting ligt in de gemeente Súdwest-Fryslân. In de aanvraag zijn activiteiten aangevraagd voor dag- en nachtperiode. De berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus bedragen ten hoogste 50 en 30 dB(A) voor respectievelijk de dag- en nachtperiode bij de omliggende gevoelige gebouwen.
Het betreft hier een bestaande inrichting waar een aantal wijzigingen in de terreinindeling en activiteiten worden doorgevoerd. De inrichting heeft op dit moment ook een milieuvergunning waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen.
De geluidproductie van Donker Groep B.V. wordt in het kader van de revisievergunning opnieuw beoordeeld.
De gemeente Súdwest-Fryslân heeft geen beleid ten aanzien van industrielawaai vastgesteld.
Wij toetsen daarom het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege de inrichting aan de normstelling uit hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. Voor de gebiedstypering wordt aangesloten bij een woonwijk in de stad. Uit het rapport van het akoestisch onderzoek bij de aanvraag blijkt dat de geluidimmissie van de inrichting de richtwaarde voor woonwijk in een stad niet overschrijdt ter plaatse van de omliggende gevoelige gebouwen. Wij achten daarom de aangevraagde activiteiten en de daarbij behorende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus vergunbaar. De richtwaarden voor de dag- en nachtperiode worden in de voorschriften vastgelegd.
De geluidbelasting vanwege de verkeersaantrekkende werking bedraagt ten hoogste 49 dB(A) etmaalwaarde. Daarmee wordt voldaan aan de grenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde. Deze voorkeursgrenswaarde is opgenomen in de circulaire "Beoordeling geluidhinder wegverkeer met betrekking tot vergunningen" d.d. 29 februari 1996. Voor het aspect indirecte hinder wordt geen voorschrift in de vergunning opgenomen.
Het Nederlandse geurbeleid is opgenomen in artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit en in de Handleiding geur: bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van industrie en bedrijven (niet veehouderijen). Als algemene doelstelling geldt het zoveel mogelijk beperken van bestaande hinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Daarbij staat het afwegingsproces voor het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau centraal. Het aanvaardbaar hinderniveau wordt per situatie vastgesteld en zo nodig op grond van het Activiteitenbesluit als maatwerkvoorschrift aan de vergunning verbonden. Alleen als de emissies van de inrichting in het Activiteitenbesluit uitgezonderd zijn, worden de geuremissies in de vergunning beoordeeld.
Het bevoegd gezag bepaalt welke mate van hinder als aanvaardbaar wordt beschouwd. Als leidraad voor het afwegingsproces dat daarbij doorlopen wordt, geldt de hindersystematiek Geur. Deze hindersystematiek, die is vastgelegd in hoofdstuk 3 van de Handleiding geur, benoemt de verschillende aspecten die in het afwegingsproces moeten worden meegenomen om te komen tot een zorgvuldige bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau. De aspecten die bij het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau worden meegewogen zijn eveneens opgenomen in het derde lid van artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit.
Maatregelen ter bestrijding van geurhinder moeten worden bepaald in overeenstemming met het BBT-principe (de Beste Beschikbare Technieken moeten worden toegepast). Voor een aantal activiteiten zijn in het Activiteitenbesluit voorschriften opgenomen.
10.2. Provinciaal of gemeentelijk beleid
Ten behoeve van vergunningverlening bij geur emitterende inrichtingen of activiteiten, heeft de provincie Fryslân beleidsregels opgesteld waarbij het landelijk geurbeleid is vertaald in een werkwijze op basis van een berekende geurbelasting. Deze beleidsregels zijn opgenomen in het document “Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019”. Deze “Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019” zijn door Gedeputeerde Staten van Fryslân vastgesteld en gepubliceerd op 20 november 2019 en daarmee vanaf deze datum van kracht geworden. Bij bepaling van het toetsingskader voor de mogelijke geurhinder in de omgeving ter plaatse van geurgevoelige objecten wordt rekening gehouden met de aard van de geur en de omgevingssituatie. Met deze uitgangspunten kan een specifiek en op de mogelijke geurhinder toegesneden toetsingskader worden afgeleid voor de geurrelevante activiteiten van de inrichting.
10.3. Beoordeling geurhindersituatie
10.3.1. Omschrijving aangevraagde situatie
De geurrelevante activiteiten bij Donker Groep B.V. te Sneek betreffen het op- en overslaan van diverse afvalstoffen zoals groenafval, verkleind hout en slootmaaisel. Tevens wordt er groenafval gecomposteerd.
Binnen de inrichting zijn meerdere geurrelevante activiteiten/bronnen aanwezig. De meest geurrelevante activiteiten van de verschillende bedrijfsonderdelen zijn hieronder beschreven.
De volgende geurreducerende maatregelen worden door de inrichting toegepast:
10.3.2. Ligging van de inrichting en geurgevoelige objecten in de omgeving
De inrichting van Donker Groep B.V. is gelegen op een bedrijventerrein aan de Harste. Op dit bedrijventerrein bevindt zich ook de gemeentelijke milieustraat ten noorden van de Donker Groep B.V.
In het provinciaal geurbeleid worden de volgende categorieën geurgevoelige objecten onderscheiden:
In de directe omgeving bevinden zich een verzorgingstehuis en een tweetal scholen. Tevens bevindt zich aan de Harste 1 een woning met bestemming wonen en werken. De dichtstbijzijnde woning bevindt zich 280 meter ten westen van de inrichting aan de rand van het dorp Ysbrechtum. Ten oosten van de inrichting bevindt zich de dichtstbijzijnde woning op 240 meter. Het verzorgingstehuis, de woning en de scholen zijn te beschouwen als een geurgevoelig object in de categorie A.
De woning aan de Harste 1 heeft de bestemming wonen en werken en is daarom niet aan te wijzen als een categorie A-woning. Deze woning aan de Harste 1 dient daarom te worden beschouwd als een categorie B-object.
10.3.3. Beoordeling geuremissie in relatie tot het aanvaardbaar hinderniveau
Als gevolg van de activiteiten binnen de inrichting wordt er geur geëmitteerd. Door deze geuremissie kan er geurhinder optreden in de omgeving. Om het aanvaardbaar geurhinderniveau bij de geurgevoelige objecten in de omgeving vast te stellen als gevolg van de geurrelevante activiteiten binnen de inrichting van Donker Groep B.V., is een geuronderzoek uitgevoerd door het adviesbureau MTech uit Roermond (kenmerk Don.Sne.20.GO WB-02 van 21 mei 2021). Dit onderzoek is ingediend bij de aanvraag om een omgevingsvergunning. In dit geuronderzoek zijn de geurrelevante activiteiten gekwantificeerd en vastgelegd op basis van emissie en procesuren. Wij hebben bepaald dat dit geuronderzoek deel uitmaakt van de vergunning ten behoeve van de controleerbaarheid van de aangevraagde procesomstandigheden zoals emissie-uren, activiteiten en dergelijke. In dit geuronderzoek is de geurbelasting berekend op de dichtstbijzijnde geurgevoelige bestemmingen in de omgeving en getoetst aan het provinciale geurbeleid. De activiteiten van de inrichting zijn gekwalificeerd als minder hinderlijk. Hieruit volgt een toetsing op basis van het daarbij behorende toetsingskader uit de beleidsregel geur. Dit toetsingskader is weergegeven in de onderstaande tabel.
Tabel 1 Toetsingskader minder hinderlijk voor geurgevoelige objecten in de categorie A en B uit het provinciaal geurbeleid.
Omdat een aantal bronnen slechts gedurende een beperkt aantal uren per jaar in bedrijf is, zal niet alleen worden getoetst aan de 98-percentielwaarden (geschikt voor het toetsen van continue bronnen) maar ook aan hogere percentielwaarden (geschikt voor piekemissies). Deze zijn in bovenstaande tabel weergegeven als 99,5- en 99,9- percentielwaarde.
In het geuronderzoek met kenmerk Don.Sne.20.GO WB-02 van 21 mei 2021 wordt middels immissiecontouren op een topografische achtergrond de geurbelasting in de omgeving gepresenteerd.
In de onderstaande tabellen 2 en 3 zijn de maximale geurbelastingen bij de verschillende percentielwaarden conform het vastgestelde toetsingskader uit het provinciaal geurbeleid op de dichtstbijzijnde geurgevoelige objecten in de categorieën A en B weergegeven als gevolg van de aangevraagde situatie.
Tabel 2 Maximale geurbelasting (ouE/m3) ter plaatse van de objecten in de categorie A in relatie tot de richtwaarde en de grenswaarde.
Tabel 3 Maximale geurbelasting (ouE/m3) ter plaatse van de objecten in de categorie B in relatie tot de streefwaarde en de richtwaarde.
Uit de resultaten van de verspreidingsberekeningen blijkt dat de grenswaarde uit het vastgestelde toetsingskader bij geen enkel geurgevoelig object in de categorie A in de omgeving van de inrichting als gevolg van de aangevraagde situatie wordt overschreden. De berekende geurconcentraties blijven ruimschoots onder de grenswaarden van het provinciale geurbeleid.
Op basis van deze belastingwaarden kan worden geconcludeerd dat er geen sprake zal zijn van een onaanvaardbaar geurhinderniveau conform het gestelde in het provinciale toetsingskader.
Met betrekking tot de woningen die zijn beschouwd in de categorie B blijkt uit de gepresenteerde geurcontouren dat bij deze objecten de streefwaarden niet worden overschreden. De berekende geurconcentraties blijven ruim onder de waarden behorende bij de streefwaarden. Als maximaal geurhinderniveau ter plekke van de verschillende geurgevoelige bestemmingen achten wij de berekende immissieconcentraties ter plaatse van de geurgevoelige objecten aanvaardbaar.
Het Activiteitenbesluit met betrekking tot het aspect geur is niet van toepassing. De beleidsregels ‘geur Bedrijven Fryslân 2019’ zijn daarom gebruikt als toetsingskader voor het bepalen van het aanvaardbaar geurhinderniveau als gevolg van de aangevraagde activiteiten binnen de inrichting. De activiteiten van Donker Groep B.V. te Sneek zijn conform de systematiek uit het provinciaal geurbeleid in de categorie minder hinderlijk ingedeeld. Uit de resultaten van de verspreidingsberekeningen in het geuronderzoek blijkt dat de grenswaarden uit het geurbeleid niet worden overschreden ter plaatse van woningen in de categorie A. Tevens wordt er bij de objecten in de categorie B voldaan aan de streefwaarde. Er worden in ruime mate BBT-maatregelen toegepast om geurhinder tegen te gaan. Wij achten de activiteiten vergunbaar. Wel zijn geurvoorschriften aan de vergunning verbonden.
Het algemeen luchtbeleid is gericht op het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van emissies naar de lucht door het toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT) en het voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van bijlage 2 van de Wet milieubeheer.
Luchtemissies voor inrichtingen worden in beginsel gereguleerd door de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Deze eisen zijn rechtstreeks geldend en daarom niet in deze vergunning opgenomen. Zo bevat Afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit regels voor stoffen met een minimalisatieverplichting, emissiegrenswaarden, geur en monitoring. Voorts bevat het Activiteitenbesluit in afdeling 2.11 en de hoofdstuk 3 (lucht)regels voor specifieke activiteiten, zoals bijvoorbeeld stookinstallaties. In specifieke gevallen kan van de emissiegrenswaarden uit het AB worden afgeweken middels (maatwerk)voorschriften.
Indien en voor zover voor luchtemissies van IPPC-installaties BBT-conclusies zijn vastgesteld, gelden de algemene regels van Afdeling 2.3 echter niet (met uitzondering van de minimalisatieverplichting voor zeer zorgwekkende stoffen). Voor deze luchtemissies worden voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden die aansluiten bij de BBT-conclusies. Tevens wordt er getoetst aan de kwaliteitseisen uit Bijlage 2 van de Wm.
Binnen de inrichting vinden activiteiten plaats die emissies naar de lucht tot gevolg hebben. Deze activiteiten bestaan o.a. uit het composteren van groenafval, verkleinen van groenafval, opslag van groenafval en opslag van compost en het in werking hebben van een stookinstallatie. Binnen de inrichting zijn geen geleide emissies van procesinstallaties in de vorm van puntbronnen aanwezig. Als gevolg van de diverse activiteiten binnen de inrichting kunnen er diffuse stofemissies vrijkomen.
11.2. Emissies van stookinstallaties, niet zijnde een grote stookinstallatie
Volgens de definitie van het Activiteitenbesluit is een stookinstallatie een technische eenheid waarin brandstoffen worden geoxideerd ten einde de aldus opgewekte warmte te gebruiken. Binnen de inrichting is voor de verwarming van kantoren en de werkplaats een houtgestookte verwarmingsinstallatie aanwezig. De emissie-eisen van paragraaf 3.2.1 zijn hierop rechtstreeks van toepassing.
Binnen de inrichting is sprake van diffuse emissies afkomstig van de volgende activiteiten:
Om diffuse stofemissies te voorkomen zijn er voorschriften gesteld in deze vergunning. Deze voorschriften zien toe op de handelingen met stuifgevoelige stoffen en sluiten aan op de BBT-conclusies uit de BREF afvalbehandeling.
In onderstaande tabel hebben wij de activiteit aangegeven waarvan stofhinder te verwachten is. Indien de activiteit een RIE-activiteit is (sprake is van een IPPC-installatie), hebben wij dat ook aangegeven. Tevens hebben wij de gebruikte stoffen inclusief stuifklassen en of deze inert of niet inert zijn (op basis van artikel 3.39 van de Activiteitenregeling en de indicatieve lijst Infomil) vermeld.
Tabel 1 Overzicht stofhinder veroorzakende activiteiten
Handelingen met inerte vaste bulkgoederen vallend onder het Activiteitenbesluit
Op de overslag, opslag, laden, lossen, transport, mengen van de inerte goederen en voor het zeven van zand en grond is paragraaf 3.4.3 van het Activiteitenbesluit van toepassing. Uit de aanvraag blijkt dat aan deze bepalingen wordt voldaan.
11.5. Zeer zorgwekkende stoffen (ZSS)
Afdeling 2.3 uit het Activiteitenbesluit is rechtstreeks van toepassing op het toezicht van de emissies van ZZS. De activiteiten van Donker Groep B.V. betreffen het composteren van groenafval. Daarvoor worden geen ZZS-stoffen gebruikt. Ook de aangeleverde grondstoffen bevatten geen ZZS. Derhalve worden geen emissie-voorschriften gesteld in deze vergunning voor de emissie van ZZS-stoffen naar de lucht.
Toetsen aan luchtkwaliteitseisen
De aangevraagde activiteiten leveren een bijdrage aan concentraties verontreinigende stoffen in de buitenlucht. Om aan te tonen dat wordt voldaan aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen, heeft Donker Groep BV een onderzoek naar het effect op de luchtkwaliteit uit laten voeren. Dit onderzoek is bij de aanvraag gevoegd als notitie met kenmerk Don.Sne.20.LK WB-01, opgesteld door M-Tech Nederland BV, gedateerd 2 oktober 2020.
De Nederlandse wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is opgenomen onder titel 5.2 (“Luchtkwaliteitseisen”) van de Wm. In bijlage 2 bij de Wm zijn grens- en richtwaarden opgenomen voor concentraties van stoffen in de buitenlucht. Grenswaarden zijn opgenomen voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof: PM10, PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. Er is een richtwaarde opgenomen voor ozon en er zijn richtwaarden gedefinieerd voor het totale gehalte van de stoffen benzo(a)pyreen, arseen, cadmium en nikkel in de PM10-fractie.
In de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 zijn regels en voorschriften opgenomen voor het meten en berekenen van concentraties van luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. In de Regeling zijn gestandaardiseerde rekenmethodes opgenomen. De gestandaardiseerde rekenmethodes geven resultaten die rechtsgeldig zijn.
Beschouwde stoffen en grenswaarden
In de Nederlandse situatie zijn de concentraties NO2 en PM10 kritisch ten opzichte van de grenswaarden. In het kader van deze aanvraag zijn de concentraties van die stoffen in detail berekend en getoetst aan de wettelijke grenswaarden, inclusief het effect van de aangevraagde activiteiten. In onderstaande tabel zijn de grenswaarden opgenomen.
Tabel 1. Grenswaarden NO2, PM10 en PM2,5
|
Uurgemiddelde, mag max. 18 keer per kalenderjaar overschreden worden |
||
|
24-uurgemiddelde, mag maximaal 35 keer per kalenderjaar overschreden worden. |
||
Wat betreft de stoffen zwaveldioxide, stikstofoxiden, lood, koolmonoxide, benzeen, benzo(a)pyreen, arseen, cadmium, nikkel en ozon, treden de laatste jaren nergens in Nederland overschrijdingen van grens- of richtwaarden op. De concentraties van deze stoffen vertonen een dalende trend en zijn dermate laag, dat overschrijding van de daarvoor geldende grens- of richtwaarden in Fryslân redelijkerwijs uitgesloten is. De voornoemde stoffen zijn daarom niet nader in detail in beeld gebracht.
Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een grenswaarde van 25 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie. In het NSL zijn maatregelen opgenomen om te voldoen aan de grenswaarde voor PM10. Deze maatregelen zijn er tevens op gericht om te voldoen aan de grenswaarde voor PM2,5.
In het door de aanvrager ingediende onderzoek is beschouwd wat de bijdragen zullen zijn van de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 als gevolg van de aangevraagde activiteiten van Donker Groep B.V. De beschouwde bronbijdragen betreffen onder andere de voorkomende vervoersbewegingen, bewerkingen van materiaal, verlading van materiaal, inzet van (mobiele) werktuigen, opslag van stoffen en de aanwezige stookinstallaties. Bij het verbranden van gas komt er geen stof vrij. Bij houtstook middels de houtkachel komt zowel NOx als stof vrij. Op basis van de bronbijdragen binnen de inrichting zijn de concentraties berekend met het verspreidingsmodel Geomilieu, module STACKS+ versie 2020.1, conform de voorschriften in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. De berekende concentraties zijn gebaseerd op de meest actuele achtergrondconcentraties. In het onderzoek zijn de concentraties berekend in de omgeving van de inrichting van Donker Groep B.V. De berekende totale concentraties (som van de achtergrondconcentratie en de beschouwde bronbijdragen) zijn getoetst aan de jaar- en uurgemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5.
Toetsing concentraties NO2, PM10 en PM2,5
Het luchtkwaliteitsonderzoek toont aan dat met de aangevraagde activiteiten in 2020 m.b.t. NO2 de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie en het aantal toegestane overschrijdingen van de uurgemiddelde grenswaarde niet overschreden worden. Ook de grenswaarde voor de jaargemiddelde PM10 grenswaarde en het aantal toegestane overschrijdingen van de etmaalgemiddelde PM10 grenswaarde worden in 2020 niet overschreden. Voor PM2,5 wordt tevens voldaan aan de grenswaarden. Vanwege afnemende prognoses voor de achtergrondconcentraties, is overschrijding in toekomstige jaren redelijkerwijs uitgesloten.
De aangevraagde activiteiten leiden niet tot overschrijding van grens- en richtwaarden uit bijlage 2 bij de Wm. Daarom kunnen wij, ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit, op grond van art. 5.16, eerste lid, sub a Wm de omgevingsvergunning verlenen.
11.7. Eindconclusie aspect lucht
Wij zijn van oordeel dat uit de aanvraag blijkt dat er voldoende maatregelen worden toegepast c.q. zullen worden toegepast om luchtemissies te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
12.1. Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob)
Wij hebben, in het kader van de Wet Bibob, de aangeleverde stukken met betrekking tot de bedrijfsvoering en de financiering getoetst. Naar aanleiding van deze toets zien wij geen aanleiding tot verdere stappen.
REACH (Registratie Evaluatie en Autorisatie van Chemische stoffen) Verordening (EC) 1907/2006 is een Europese verordening over stoffen. REACH werkt rechtstreeks. Voor een deel van de op grond van REACH geregistreerde stoffen bestaat er een autorisatieplicht. Deze stoffen mogen niet zonder meer worden gebruikt.
Uit de aanvraag blijkt dat er binnen de inrichting stoffen worden gebruikt waarop REACH van toepassing is.
In het kader van deze vergunning is door ons nagegaan of er sprake is van een autorisatieplicht of restricties en of aan bepaalde specifieke stoffen die de inrichting produceert, gebruikt of emitteert, op grond van REACH in de toekomst een autorisatie of restrictie verbonden kan zijn. De inrichting moet voldoen aan de verplichtingen uit REACH.
12.3.1. Proefnemingen met producten en procesvoering
Voor veel inrichtingen is het zoeken naar verbetering(en) van producten en procesvoering een veelvuldig terugkerend aandachtspunt. Vaak wordt ook aan productonderzoek en/of -ontwikkeling gedaan. Dergelijke ontwikkelingen dragen veelal ook bij aan een vermindering van de belasting van het milieu.
Vanuit de geschetste achtergrond kan de behoefte bestaan en is het vaak van essentieel belang om op bepaalde momenten gedurende enige tijd proefnemingen uit te voeren. Op die manier kan informatie worden vergaard over de beoogde verbeteringen en/of aanpassingen in product of proces en om inzicht te krijgen in de daaraan verbonden milieuhygiënische consequenties.
Proefnemingen worden gekenmerkt door een beperkte duur (wij gaan uit van maximaal zes maanden). Doorlooptijd en/of hoeveelheid moeten echter wel voldoende zijn om de noodzakelijke informatie te kunnen vergaren.
In de aanvraag heeft aanvrager aangegeven de mogelijkheid te willen hebben om desgewenst proefnemingen uit te kunnen voeren. Wij achten dit acceptabel. Wel zijn wij van oordeel dat daaraan randvoorwaarden moeten worden gesteld en moeten proefnemingen ruim voor aanvang (minimaal zes weken) bij ons voor toestemming worden voorgelegd. Daartoe hebben wij voorschriften opgenomen. Tevens moet over de resultaten van de proef aan ons worden gerapporteerd.
De proefnemingen moeten plaatsvinden binnen de milieuhygiënische randvoorwaarden van deze vergunning en mogen pas aanvangen na toestemming van ons.
Ten overvloede merken wij nog op dat indien een proef succesvol is verlopen en men wil de resultaten daarvan implementeren, eerst steeds zal moeten worden bezien in hoeverre daartoe een procedure op grond van de Wabo zal moeten worden doorlopen.
12.3.2. Proefnemingen met afvalstoffen
Een van de kernpunten van het afvalstoffenbeleid is dat de be- en/of verwerking van afvalstoffen op een zo hoogwaardig mogelijke wijze moet plaatsvinden. Het beoordelingskader daarvoor is het LAP. Om informatie te vergaren over bijvoorbeeld de technische haalbaarheid van nieuwe hoogwaardige technieken of andere be- of verwerkingsmethoden van afvalstoffen en om inzicht te krijgen in de daaraan verbonden milieuhygiënische consequenties, kan het uitvoeren van proefnemingen van essentieel belang zijn.
Proefnemingen worden gekenmerkt door een beperkte duur (wij gaan uit van maximaal zes maanden) en een beperkte hoeveelheid afvalstoffen. Doorlooptijd en/of hoeveelheid afvalstoffen moeten echter wel voldoende zijn om de noodzakelijke informatie te kunnen vergaren.
In de aanvraag heeft de aanvrager aangegeven de mogelijkheid te willen hebben om desgewenst proefnemingen uit te kunnen voeren. Wij achten dit acceptabel. Wel zijn wij van oordeel dat daaraan randvoorwaarden moeten worden gesteld en dat proefnemingen ruim voor aanvang (ten minste zes weken) bij ons voor toestemming moeten worden voorgelegd. Daartoe hebben wij voorschriften opgenomen. Tevens moet over de resultaten van de proef aan ons worden gerapporteerd.
De proefnemingen moeten plaatsvinden binnen de milieuhygiënische randvoorwaarden van deze vergunning en mogen pas aanvangen na toestemming van ons.
Ten overvloede merken wij nog op dat indien een proef succesvol is verlopen en vergunninghouder de resultaten daarvan wil implementeren, eerst steeds zal moeten worden bezien in hoeverre een procedure op grond van de Wabo zal moeten worden doorlopen.
12.4. Toekomstige ontwikkelingen
Er worden binnen de inrichting of in de omgeving van de inrichting geen ontwikkelingen verwacht die van belang kunnen zijn voor de bescherming van het milieu.
De aanvraag omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een bouwwerk (als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid onderdeel a van de Wabo) kan alleen worden verleend als deze voldoet aan de daarvoor gestelde toetsingscriteria.
Een toetsing aan deze criteria heeft plaatsgevonden.
13.2.1. Toetsing Bouwbesluit 2012
De gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan de relevante voorschriften van het Bouwbesluit 2012. Op grond van de ingediende stukken ten behoeve van deze aanvraag is voldoende aannemelijk gemaakt dat er wordt voldaan aan het Bouwbesluit 2012.
Brandweer Fryslân adviseert ons wel om extra aandacht te geven aan artikel 7.7 van het Bouwbesluit 2012. Met name gaat het om de bedrijfsmatige opslag van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen (bijvoorbeeld hout en kunststoffen).
Het eerste lid geeft een functionele eis voor de bedrijfsmatige opslag van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen.
Bedrijfsmatige opslag van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen is zodanig dat bij brand geen onveilige situatie kan ontstaan voor een op een aangrenzend perceel gelegen of op dat perceel volgens het bestemmingsplan nog te realiseren gebouw dat op grond van hoofdstuk 2 (technische bouwvoorschriften uit het oogpunt van veiligheid) een brandcompartiment of een gedeelte van een brandcompartiment is, of voor een speeltuin, kampeerterrein of opslag van brandgevaarlijke stoffen.
In het tweede lid zijn is aangegeven wanneer bij de opslag van hout buiten een gebouw aan het eerste lid is voldaan.
de bereikbaarheid van de opslag vanaf twee tegenover elkaar liggende zijden is gewaarborgd, waarbij in een derde zijde ook een toegangsmogelijkheid aanwezig is indien die zijde langer is dan 40 m, en bij de opslag een bluswatervoorziening met gedurende ten minste vier uren een toevoercapaciteit van ten minste 90 m³ per uur aanwezig is.
In het derde lid is bepaald hoe de stralingsbelasting van de opslag moet worden gemeten.
De in het tweede lid bedoelde stralingsbelasting wordt gemeten op:
Indien de toezichthouder daarnaar vraagt moet Donker aantonen dat door brand in een buitenopslag er geen onveilige situatie kan ontstaan op een aangrenzend gelegen perceel, zoals bedoeld in artikel 7.7 lid 2a van het Bouwbesluit.
13.2.2. Toetsing gemeentelijke bouwverordening
De gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan de relevante voorschriften van de Bouwverordening van de Gemeente Súdwest-Fryslân. Wij zijn van mening dat de aanvraag voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening van de gemeente Súdwest-Fryslân.
13.2.3. Toetsing bestemmingsplan
De kadastrale percelen Gemeente Sneek, sectie E, nummers 618,619 en 70 plaatselijk bekend Harste 5 te Sneek zijn gelegen in een gebied waarvoor het bestemmingsplan ‘Hemdijk – De Harste‘ is vastgesteld. In dit bestemmingsplan hebben de gronden de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden, met bijbehorende erven -B- ‘ (artikel 7 van de regels).
Op grond van lid B, sub I, onder a geldt dat de gebouwen uitsluitend mogen worden opgericht binnen de op de kaart aangegeven bebouwingsvlakken. Op de plankaart staan binnen de bestemmingsgrenzen 5 bouwvlakken getekend. De kapschuur staat geheel buiten deze bouwvlakken.
Op grond van lid B, sub I, onder b, geldt dat de maximumgoothoogte en de maximumbouwhoogte van de gebouwen niet meer mag bedragen dan op de kaart binnen een bebouwingsvlak of een gedeelte daarvan is aangegeven. Er wordt buiten het bebouwingsvlak gebouwd, dus gelden er geen maximum goot- of bouwhoogte. Binnen de het bebouwingsvlak is de maximum goothoogte 6 m¹ en de maximum bouwhoogte 9 m¹. De goothoogte van het kantoorgedeelte is 6,033 m¹ is strikt formeel gezien strijdig met de maximale goothoogte.
Het bouwplan is om deze reden strijdig met de regels van het bestemmingsplan.
Ad. a. Toetsing binnenplanse afwijking
Het bestemmingsplan voorziet niet in een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid voor de geconstateerde strijdigheid.
Ad. b. Toetsing buitenplanse afwijking - kruimelgeval
Op grond van artikel 2.12 eerste lid, onder a, sub 2° van de Wabo, samen met artikel 4, onderdeel 1 van bijlage II van het Bor, kan medewerking worden verleend aan een buitenplanse afwijking.
Ad. c. Toetsing buitenplanse afwijking - projectafwijkingsbesluit
Aan een buitenplanse afwijking voor een omgevingsvergunning die is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing (projectafwijkingsbesluit) wordt niet toegekomen, omdat een buitenplanse afwijking - kruimelgeval tot de procedurele mogelijkheden behoort.
Afwijking van het bestemmingsplan is alleen wenselijk indien na een afweging van diverse belangen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Om de navolgende redenen is ons inziens sprake van een goede ruimtelijke ordening en worden belangen niet geschaad.
Wij zijn van mening dat het afwijken van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het afwegingskader vanuit het bestemmingsplan en de beleidsregels en dat er voorts geen belangen worden geschaad. Onze motivering daarvoor is hierna beschreven.
Beleidsnotitie ‘Planologisch Afwijkingenbeleid’
Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Südwest-Fryslân heeft op 23 juni 2015 het Planologisch afwijkingenbeleid vastgesteld. In deze beleidsnotitie zijn regels opgenomen voor de wijze waarop binnen de gemeente Súdwest-Fryslân planologisch mag worden afgeweken. Het zijn de afwijkingsmogelijkheden die de wetgever het college heeft gegeven op grond van de zogenaamde ‘kruimellijst’. Deze regeling is neergelegd in artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.
Aan de hand van dit beleid is beoordeeld of voor dit plan afgeweken kan worden van de planregels. In het Planologisch afwijkingenbeleid’ staat het volgende vermeld: Voor uitbreidingen bij bedrijfsgebouwen gelden de volgende voorwaarden:
Indien aan één of meer van de bovenstaande regels niet wordt voldaan dan dient er per concreet geval een afweging te worden gemaakt.
Het plan voldoet aan de meeste punten zoals hierboven omschreven. Wanneer een plan niet aan alle punten voldoet, mag er per concreet geval een afweging gemaakt worden. De goothoogte is bij een kleine deel van de kapschuur hoger (6,5 meter) dan de 6 meter die op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. Omdat dit slechts gaat om een beperkt deel van het gebouw en het om een beperkte overschrijding gaat, is dit ruimtelijk acceptabel. De kapschuur zorgt verder voor een verbetering van de milieuhygiënische situatie doordat opslag en activiteiten overdekt kunnen plaatsvinden.
Gezien bovenstaande kan medewerking worden verleend aan het plan met een buitenplanse kruimelafwijking.
13.2.4. Toetsing welstandsnota
De gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan de door de gemeenteraad vastgestelde criteria zoals gesteld in de gemeentelijke welstandsnota.
De aanvraag is op 2 september 2021 beoordeeld door de onafhankelijke welstandscommissie Hûs en Hiem Welstandsadvisering en Monumentenzorg (verder: de commissie). De commissie is van mening dat de aanvraag voldoet aan redelijke eisen van welstand.
Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op ‘bouwen van een bouwwerk’ zijn er ten aanzien van deze activiteit geen redenen om de omgevingsvergunning te weigeren.
Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op de veranderingen van de activiteiten van een inrichting kan worden geconcludeerd, dat de omgevingsvergunning kan worden verleend.
In deze beschikking zijn de voor deze activiteit relevante voorschriften opgenomen.
Voor de begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij naar de definities zoals die zijn opgenomen in de geldende wet- en regelgeving (zoals het Activiteitenbesluit, de Activiteitenregeling, het Besluit omgevingsrecht, het Besluit externe veiligheid inrichtingen, de Wet geurhinder en veehouderij etc.)
|
BAT Reference document. Een in Europees verband vastgesteld document waarin de BBT worden beschreven die specifiek zijn voor een bepaalde branche of activiteit. |
|
|
Het informatiecentrum in Nederland over milieuwet- en regelgeving. |
|
|
Milieumanagementsystemen - Eisen met richtlijnen voor gebruik, 2015 |
|
|
Milieumanagementsystemen - Kostentoerekening van materiaalstromen - Algemeen raamwerk, 2011 |
|
|
Een bedrijfseconomische definitie van een of meerdere vestigingen behorende tot een en dezelfde onderneming. Hoeft niet plaatsgebonden te zijn bij bijvoorbeeld een concern met een hoofdvestiging en een of meerdere nevenvestigingen. |
|
|
REACH staat voor: Registratie, Evaluatie, Autorisatie en beperking van Chemische stoffen. REACH stelt beperkingen aan het gebruik van stoffen wanneer negatieve effecten ervan op mens en/of milieu bekend zijn, 18 december 2006. |
|
|
Het samenvoegen van afvalstoffen die qua aard, samenstelling of concentraties aanwezige componenten niet met elkaar vergelijkbaar zijn. Onder ‘mengen’ wordt in ieder geval gevat:
|
|
|
De minimale hoogwaardigheid van verwerking van afzonderlijke afvalstoffen of categorieën van afvalstoffen. De minimumstandaard vormt een referentie voor de maximale milieudruk die verwerking van (een categorie van) afvalstoffen mag opleveren. De standaard is een invulling van de afvalhiërarchie voor afzonderlijke afvalstoffen en vormt op die manier een referentieniveau bij de vergunningverlening voor afvalbeheer. Ook betreft het een uitwerking van de artikelen 3 en 4 van de kaderrichtlijn afvalstoffen. |
|
|
Persoon of bedrijf waar afval ontstaat en die zich van het afval wil ontdoen door het af te geven aan een inzamelaar, vervoerder handelaar, bewerker of verwerker. |
|
|
Het samenvoegen van afvalstoffen die qua aard, samenstelling en concentraties vergelijkbaar zijn. |
|
|
Verrichten van alle handelingen op één locatie, waarbij afvalstoffen vanuit of vanaf een opbergmiddel of transportmiddel in of op een ander opbergmiddel of transportmiddel worden overgebracht. Hieronder vallen bijvoorbeeld beladen, lossen, hevelen, enz. met bijvoorbeeld kranen, transportbanden en leidingen, maar het uitvoeren van iedere verwerkingshandeling (sorteren, scheiden, spoelen, mengen, etc. etc.) valt hier niet onder. |
|
|
Scheiden van een mengsel van materiaalstromen of van samengestelde materialen gescheiden in de oorspronkelijke materiaalstromen. |
|
|
Het handmatig scheiden van incidenteel voorkomende verontreinigingen uit een vrijwel schone materiaalstroom of uit een mengsel van vrijwel schone materiaalstromen |
|
|
Alle water waarvan de houder zich, met het oog op de verwijdering daarvan, ontdoet, voornemens is zich te ontdoen, of moet ontdoen. |
|
|
Afvalwater (inclusief verontreinigd hemelwater), niet zijnde huishoudelijk afvalwater. |
|
|
Een stelsel van buizen, verbindingstukken en elementen zoals straat- en trottoirkolken, gootelementen, verzamelputten en installaties, zoals slibvangputten, olie-waterscheider en controleputten voor de opvang en afvoer van bedrijfsafvalwater. |
|
|
Afvalwater dat vergelijkbaar is met afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens. |
|
|
Voorziening voor de inzameling en transport van afvalwater, als bedoeld in artikel 10.30 van de Wet milieubeheer. |
|
|
Document dat inzicht geeft in het risico van bodemverontreiniging. Hiertoe wordt per bodembedreigende activiteit overeenkomstig de bodemrisicochecklist uit de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bepaald of met de aanwezige of voorgenomen combinatie van voorzieningen en maatregelen sprake is of zal zijn van een verwaarloosbaar bodemrisico. |
|
|
Een bewijs van inspectie waarmee aangetoond wordt dat een voorziening als vloeistofdicht wordt aangemerkt. |
|
|
Vloer of voorziening direct op de bodem die waarborgt dat geen vloeistof aan de niet met vloeistof belaste zijde van de vloer of voorziening kan komen. |
|
|
Een energieonderzoek zoals bedoeld in de Tijdelijke regeling implementatie artikelen 8 en 14 Richtlijn energie-efficiëntie of de AMvB/Wet die de Tijdelijke regeling opvolgt. Een systematische procedure met als doel toereikende informatie te verzamelen omtrent het huidige energieverbruiksprofiel van een gebouw of groep gebouwen, van een industriële of commerciële activiteit of installatie of van private of publieke diensten, mogelijkheden voor kosteneffectieve energiebesparing te signaleren en kwantificeren en verslag uit te brengen van de resultaten. |
|
|
Het energie-efficiëntieplan (EEP) dat een deelnemer aan een MJA3/MEE opstelt. Dit plan moet elke 4 jaar worden geactualiseerd. Het EEP geeft inzicht in de energetische situatie en de te treffen energie efficiëntie maatregelen van de inrichting. |
|
|
Een bedrijfseconomische definitie van een of meerdere vestigingen behorende tot een en dezelfde onderneming. Hoeft niet plaatsgebonden te zijn bij bijvoorbeeld een concern met een hoofdvestiging en een of meerdere nevenvestigingen. |
|
|
Maatregelen die een terugverdientijd hebben van vijf jaar of minder. |
|
|
De verhouding tussen het investeringsbedrag voor de maatregel na aftrek van eventuele subsidies en de jaarlijkse opbrengsten van de maatregel ten gevolge van de met de maatregel samenhangende energiebesparing en andere kostenbesparingen. In geval van een investering in een installatie voorzien van afzonderlijke energiebesparende componenten moet in plaats van het totaalinvesteringsbedrag worden gerekend met de meer investering ten opzichte van een installatie zonder de energiebesparende componenten. Voor de berekening van de financiële opbrengsten vanwege het nemen van de maatregel moet worden gerekend met de op het moment van het energiebesparingsonderzoek geldende kosten (tarieven) voor de betrokken inrichting. Er wordt geen rekening gehouden met de eventuele kosten van het (vervroegd) uit bedrijf nemen van een installatie en niet met rentekosten |
|
|
Een vloeistof die zelf brandbaar is of waaruit onder voorzienbare bedrijfsomstandigheden een brandbaar gas, brandbare damp of brandbare nevel kan ontstaan (EN-IEC 60079-10). Een vaste stof vallend onder klasse 4.1.van het ADR. Een vloeistof die , in verpakte vorm, conform het ADR het etiket model nr. 3 draagt. |
|
|
Een drukhouder is een verzamelterm die flessen, grote cilinders, drukvaten, gesloten cryohouders en flessenbatterijen omvat. |
|
|
Verpakkingsmateriaal, zoals glazen en kunststof flessen, blikken en kunststof cans, metalen en kunststof vaten of fiberdrums, papieren en kunststof zakken, houten kisten, big-bags en Intermediate Bulk Containers (IBC's). |
|
|
Een stof die bij 50°C een dampdruk bezit hoger dan 300 kPa (3 bar) of bij 20°C en de standaarddruk van 101,3 kPa volledig gasvormig is. |
|
|
Intermediate Bulk Container. Een stijve of flexibele verpakking die in paragraaf 6.5 van het ADR is genoemd. |
|
|
Dienstverlenend centrum voor kwaliteitsbeheersing en onderzoek in de sectoren Drinkwater, Bouw en Milieu, www.kiwa.nl |
|
|
Stoffen die hinder of nadeel voor de gezondheid van de mens kunnen opleveren. Ook vallen hieronder stoffen die schade kunnen toebrengen aan dieren, planten of goederen. Dit kan gaan om op zichzelf staande stoffen, gezamenlijke stoffen of stoffen die in verbinding met elkaar staan. |
|
|
Gebouwen of objecten, aangewezen in het Besluit geluidhinder krachtens de artikelen 49 en 68 van de Wet geluidhinder (Stb. 1982, 465). |
|
|
Het A-gewogen gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse, in de loop van een bepaalde periode optredende geluid en zo nodig gecorrigeerd voor de aanwezigheid van impulsachtig geluid, tonaal geluid of muziekgeluid, vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de 'Handleiding meten en rekenen industrielawaai', uitgave 1999. |
|
|
Het hoogste A-gewogen geluidsniveau, afgelezen in de meterstand 'fast', verminderd met de meteocorrectieterm Cm. De meterstand 'fast' komt overeen met een tijdconstante van 125 ms. |
|
|
De hoogste waarde van de onder 1. en 2. genoemde niveaus, bepaald overeenkomstig het Besluit bepaling referentieniveau-periode (Stcrt. 1982, 162): het geluidsniveau, uitgedrukt in dB(A), dat gemeten over een bepaalde periode gedurende 95% van de tijd wordt overschreden, exclusief de bijdrage van de inrichting zelf; het optredende equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door wegverkeerbronnen minus 10 dB(A), met dien verstande dat voor de nachtperiode van 23.00 tot 07.00 uur alleen wegverkeerbronnen in rekening mogen worden gebracht met een intensiteit van meer dan 500 motorvoertuigen gedurende die periode. |
|
|
Mechanische beweging rond een referentiepunt dat in evenwicht is. |
|
|
Het aan- of afrijden met een persoon-, bestel- of vrachtwagen. |
|
|
Uitkomst van het afwegingsproces van onder andere de volgende aspecten:
OPMERKING Het aanvaardbaar hinderniveau voor veehouderijen verschilt met het bovenstaande en is geregeld via de Wet geurhinder en veehouderijen / het Activiteitenbesluit. |
|
|
Eén Europese geureenheid is de hoeveelheid geurstoffen die, bij verdamping in één kubieke meter neutraal gas onder standaard condities, een fysiologische respons oproept bij een panel (detectiegrens) gelijk aan de respons die optreedt bij verdamping van 123 μg n-butanol (CAS-Nr. 71-36-3) in één kubieke meter lucht onder standaard condities (concentratie is 0,040 μmol/mol). |
|
|
Hoeveelheid geur die per tijdseenheid wordt geëmitteerd uitgedrukt in Europese geureenheden; De geuremissie is gelijk aan de geurconcentratie in de geëmitteerde luchtstroom vermenigvuldigd met het debiet van de luchtstroom . |
|
|
Geurconcentratie in de omgeving (per tijdseenheid). De geurbelasting wordt uitgedrukt in Europese geureenheden per kubieke meter lucht bij een bepaalde percentielwaarde (ouE/m3 als x-percentiel van de uurgemiddelde concentratie). De x-percentielwaarde vertegenwoordigt de tijdsfractie van een jaar waarvoor geldt dat gedurende deze tijdsfractie de geurconcentratie beneden deze aangegeven concentratie blijft of gelijk is aan deze waarde. |
|
|
Hoeveelheid Europese geureenheden per kubieke meter lucht (ouE/m3) onder standaardcondities. |
|
|
Bepaling van de geurconcentratie door dynamische olfactometrie. (oktober 2006). |
|
|
Luchtkwaliteit - Meetmethode emissies van stationaire bronnen - Eisen voor meetvlakken en meetlocaties en voor doelstelling, meetplan en rapportage van de meting (oktober 2007). |
|
|
Tijdfractie van het jaar dat een bepaalde geurconcentratie niet wordt overschreden. OPMERKING Een geurbelasting van 1 ouE/m3 als 98-percentiel van de uurgemiddelde concentratie geeft bijvoorbeeld aan dat de geurconcentratie van 1 ouE/m3 gedurende 2 % van de tijd (minder dan 176 h per jaar) wordt overschreden. |
|
|
Producten als genoemd in bijlage 7 van de NeR. Bijlage 7 van de NeR geeft de klassenindeling van de meest voorkomende stortgoederen. Deze lijst moet overigens niet als limitatief worden gezien, doch kan aanvullingen of wijzigingen ondergaan. |
|
|
Gashoeveelheid [m3] bij 273,15 K, bij 101,3 kPa, betrokken op droog gas. |
|
|
Nederlandse Technische Afspraak 9065: Geurmeting- en berekening. Uitgegeven door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut, oktober 2012 |
|
|
Tijdfractie van het jaar dat een bepaalde geurconcentratie niet wordt overschreden. Een geurbelasting van 1 ouE/m3 als 98-percentiel van de uurgemiddelde concentratie geeft bijvoorbeeld aan dat de geurconcentratie van 1 ouE/m3 gedurende 2 % van de tijd (minder dan 176 h per jaar) wordt overschreden. |
|
|
Een gefixeerd punt van gekanaliseerde - en daarmee in principe kwantificeerbare emissies. |
|
|
Klasse uit de stuifklasse-indeling van Bijlage 3 van het Activiteitenbesluit: S1 sterk stuifgevoelig, niet bevochtigbaar, S2 sterk stuifgevoelig, wel bevochtigbaar, S3 licht stuifgevoelig, niet bevochtigbaar, S4 licht stuifgevoelig, wel bevochtigbaar, S% nauwelijks of niet stuifgevoelig. |
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2023-182.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.