Besluit omgevingsvergunning van Donker Groep B.V. aan Harste 5 te Sneek

  • I.

    Onderwerp

Op 5 juli 2021 is een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen van Donker Groep B.V. Het betreft een revisievergunning voor de gehele inrichting mede in verband met de wijziging van de innamecapaciteit van groenafval, de composteringswijze, het plaatsen van een kapschuur, keerwanden en een PGS- opslag. De aanvraag heeft betrekking op Donker Groep B.V. aan de Harste 5 in Sneek. De aanvraag is geregistreerd onder zaaknummer 2021-FUMO-0054732 en OLO-nummer 5620663.

  • II.

    Besluit

Wij besluiten, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de daarop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten en -regelingen, aan Donker Groep B.V. een (omgevings)vergunning:

  • op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a. (het bouwen van een bouwwerk) te verlenen voor het bouwen van een kapschuur, keerwanden en een PGS-opslag. Aan de verlening van de vergunning zijn voorschriften verbonden. Deze staan in bijlage 1 van dit besluit;

  • op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder b. (het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in overeenstemming met bestemmingsplan te verlenen voor het aanleggen van een verharding. Aan de verlening van de vergunning zijn voorschriften verbonden. Deze staan in bijlage 1 van dit besluit;

  • op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c. (het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan te verlenen voor het buiten het bouwvlak bouwen van de kapschuur en voor het overschrijden van de maximum goothoogte. Aan de verlening van de vergunning zijn geen voorschriften verbonden;

  • op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e. (2° het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting en 3° het in werking hebben van een inrichting) juncto artikel 2.6 (revisievergunning) te verlenen voor het wijzigen van de inrichting. Aan de verlening van de vergunning zijn voorschriften verbonden. Deze staan in bijlage 1 van dit besluit. Voor zover de aan de vergunning verbonden delen van de aanvraag niet in overeenstemming zijn met de gestelde voorschriften, zijn de voorschriften bepalend.

Tevens besluiten wij dat de volgende delen van de aanvraag onderdeel uitmaken van de vergunning:

  • Aanvraagformulier met OLO nummer 5620663, ingediend op 05 juli 2021

  • Bijlage 1 Technische en niet-technische samenvatting alsmede beschrijving van de activiteiten en milieugevolgen in het kader van een aanvraag omgevingsvergunning, rapportnummer Don.Snee.20.NTS.rev-05, datum 1 februari 2022

  • Bijlage 2 machtiging Donker Groep B.V., datum 26 augustus 2020

  • Bijlage 3: Overzicht te accepteren (afval)stoffen, opslagcapaciteit, eigenschappen en handelingen, rapportnummer Don.Snee.20.A&G-04, datum 24 januari 2022

  • Bijlage 4: Procedure acceptatie en verwerking (A&V) en administratieve organisatie en interne controle (AO/IC), rapportnummer Don.Snee.20.A&V-04, datum 24 januari 2022

  • Bijlage 5: Onderzoek luchtkwaliteit, rapportnummer Don.Sne.20.LK WB-02, datum 25 mei 2021

  • Bijlage 6: Akoestisch onderzoek, rapportnummer Don.Sne.20.AO WB-02, datum 19 januari 2021

  • Bijlage 7: Geuronderzoek rapportnummer Don.Sne.20.GO WB-02 datum 21 mei 2021

  • Bijlage 8: NRB bodemrisicoanalyse, rapportnummer Don.Sne.20.NRB-02, 16 maart 2021

  • Bijlage 9:IPPC & BBT toets, rapportnummer Don.Snee.20.IPPC-02, datum 26 mei 2021

  • Bijlage 10: Wateranalyse, rapportnummer Don.Snee.20.wat.rev-02, 27 mei 2021

  • Bijlage 12-1:Plattegrond, tekeningnummer 2021-03-29_overzicht, datum 29 maart 2021

  • Bijlage 12_2: Rioleringstekening, 2020-11-20

  • Bijlage 13: verkennend bodemonderzoek, PROJECT 25585, datum 9 juni 2020

  • Bijlage 14: energiemanagementvisie 2022, datum 20 juni 2018

  • Notitie Aanvullende gegevens aspect energie revisievergunning Donkergroep, 07 december 2021

  • Tekening DO_01 bouwen kapschuur, Projectnummer 2232 blad 1, datum 21-01-2022

  • Tekening DO_02 bouwen kapschuur, Projectnummer 2232 blad 2, datum laatst gewijzigd 10-06-2020

  • Tekening DO_03 bouwen kapschuur, Projectnummer 2232 blad 3, datum laatst gewijzigd 10-06-2020

  • Tekening bouwen_plattegrond keermuur, datum 2020-09-01

  • Archeologisch onderzoek Harste 5 te Sneek, GRA-rapport 2018.03 ISSN 2468-8258, datum 23-01-2020

  • Aerius calculator depositieberekening RyDzPpeStaRg, datum berekening 26 maart 2021

  • Aerius calculator depositieberekening S1ho2Y9HHVtB, datum berekening 26 maart 2021

  • Brief verzoek om formele aanvraag Súdwest-Fryslân, datum 12 december 2019

  • Toelichting Aerius en depositie ten gevolge van activiteiten aan de Harste 5 Sneek, referentie Don.Sne.21.AE-01, datum 26 maart 2021,

  • Bijlage productinformatieblad bouwen PGS 15 opslag, Aangemaakt op: 26-08-2020

  • Besluit mer beoordeling, kenmerk 2021-FUMO-0051381, d.d. 1 juli 2021

Voor zover de aan de vergunning verbonden delen van de aanvraag niet in overeenstemming zijn met de gestelde voorschriften, zijn de voorschriften bepalend.

Datum: 1 juni 2022

  • III.

    Ondertekening en verzending

Hoogachtend,

Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân

S.G.C. Boender

Hoofd afdeling Vergunningverlening en Specialistisch Advies

RECHTSBESCHERMINGSMIDDELEN

De bekendmaking van deze beschikking gebeurt door publicatie inde Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via https://www.officielebekendmakingen.nl

Ook moet de beschikking ter inzage worden gelegd. Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start de beroepstermijn van zes weken. In die periode kunnen zowel u als belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Ook niet-belanghebbenden kunnen beroep aantekenen indien zij een zienswijze hebben ingediend.

Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij Rechtbank Noord-Nederland, Postbus 781, 9700 AT Groningen. De beschikking met betrekking tot de eerste fase treedt tegelijk met de beschikking met betrekking tot de tweede fase in werking.

Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht. Dit verzoek kan worden gedaan bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord Nederland, Postbus 781 9700 AT Groningen. De beschikking treedt in dat geval niet in werking voordat over dit verzoek is beslist.

Kopie

Wetterskip Fryslân

Postbus 36

8900 AA Leeuwarden

Brandweer Fryslân

Postbus 612

8901 BK Leeuwarden

Gemeente Súdwest-Fryslân

Postbus 10.000

8600 HA Sneek

M-tech Nederland B.V.

Produktieweg 1 6045JC Roermond

  • 1

    Algemene voorschriften

    • 1.1

      Terrein van de inrichting en toegankelijkheid

      • 1.1.1

        Binnen de inrichting moet een overzichtelijke en actuele plattegrond aanwezig zijn. Op deze plattegrond moeten ten minste de volgende aspecten zijn aangegeven:

        • a.

          alle gebouwen en de installaties met hun functies;

        • b.

          alle opslagen van stoffen welke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken met vermelding van aard en maximale hoeveelheid.

      • 1.1.2

        Op het terrein van de inrichting moet een zodanige afscheiding aanwezig zijn dat de toegang tot de inrichting voor onbevoegden redelijkerwijs niet mogelijk is.

      • 1.1.3

        De inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren.

      • 1.1.4

        Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die welke voor het proces nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen.

      • 1.1.5

        De in de inrichting aangebrachte of gebruikte verlichting en de te verrichten werkzaamheden moeten zodanig zijn afgeschermd dat geen hinderlijke lichtstraling buiten de inrichting waarneembaar is afkomstig van directe instraling van lichtbronnen.

      • 1.1.6

        Het aantrekken van insecten, knaagdieren en ander ongedierte moet worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven moet een doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden. Hiertoe moet een ongediertebestrijdingsplan binnen de inrichting aanwezig zijn.

    • 1.2

      Milieubeheersysteem

      • 1.2

        Binnen de inrichting dient een milieubeheerssysteem te zijn ingevoerd. In het milieubeheersysteem zijn de volgende elementen opgenomen:

        • c.

          betrokkenheid van het management, met inbegrip van het hoger management;

        • d.

          uitvoering van procedures met bijzondere aandacht voor:

          • bedrijfsorganisatie en verantwoordelijkheid;

          • aanwerving, opleiding, bewustmaking en bekwaamheid;

          • communicatie;

          • betrokkenheid van de werknemers;

          • documentatie;

          • efficiënte procescontrole;

          • waarborgen van de naleving van de milieuwetgeving;

        • e.

          interne audits om vast te stellen of het milieubeheerssysteem voldoet aan de voorgenomen regelingen en of het op de juiste wijze wordt uitgevoerd en gehandhaafd.

    • 1.3

      Instructies

      • 1.3.1

        De vergunninghouder moet de binnen de inrichting (tijdelijk) werkzame personen instrueren over de voor hen van toepassing zijnde voorschriften van deze vergunning en de van toepassing zijnde veiligheidsmaatregelen. Tijdens het in bedrijf zijn van installaties die in geval van storingen of onregelmatigheden kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu, moet steeds voldoende, kundig personeel aanwezig zijn om in voorkomende gevallen te kunnen ingrijpen.

      • 1.3.2

        De vergunninghouder moet één of meer ter zake kundige personen aanwijzen die in het bijzonder belast zijn met de zorg voor de naleving van de in deze vergunning opgenomen voorschriften.

    • 1.4

      Melding contactpersoon en wijziging vergunninghouder

      • 1.4.1

        De vergunninghouder moet direct nadat de vergunning in werking is getreden schriftelijk naam en telefoonnummer opgeven aan het bevoegd gezag van degene (en van diens plaatsvervanger) met wie in spoedeisende gevallen, ook buiten normale werktijden, contact kan worden opgenomen. Als deze gegevens wijzigen moet dit vooraf onder vermelding van de wijzigingsdatum schriftelijk worden gemeld aan het bevoegd gezag.

      • 1.4.2

        Onderhoudswerkzaamheden, waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit moeten ten minste vijf werkdagen voor de aanvang van de uitvoering aan het bevoegd gezag worden gemeld.

      • 1.4.3

        Indien uit de inhoud van keurings- en inspectierapporten blijkt dat gevaar voor verontreiniging dreigt, moet direct het bevoegd gezag daarvan in kennis worden gesteld.

    • 1.5

      Registratie

      • 1.5.1

        Binnen de inrichting is een exemplaar van deze vergunning (inclusief de documenten die onderdeel uitmaken van de vergunning) met bijbehorende voorschriften aanwezig. Verder zijn binnen de inrichting de volgende documenten aanwezig:

        • a.

          alle overige voor de inrichting geldende omgevingsvergunningen en meldingen;

        • b.

          de veiligheidsinformatiebladen die behoren bij de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen;

        • c.

          de bewijzen, resultaten en/of bevindingen van de in deze vergunning voorgeschreven inspecties, onderzoeken, keuringen, onderhoud en/of metingen;

        • d.

          de registratie van het jaarlijks elektriciteit-, water- en gasverbruik.

        • e.

          het logboek waarin van de ongediertebestrijding per bestrijding de gebruikte middelen en de hoeveelheden zijn bijgehouden. Hierbij moet worden aangegeven of men de ongediertebestrijding zelf heeft uitgevoerd, of dat dit is gedaan door een extern bedrijf.

      • De documenten genoemd onder c, d en onder e moeten ten minste vijf jaar worden bewaard.

      • 1.5.2

        Klachten van derden en de actie die door de vergunninghouder is ondernomen om de bron van de klachten te onderzoeken en eventueel weg te nemen, moeten worden geregistreerd. Van deze klachten wordt een registratie bijgehouden waarin ten minste de volgende gevens worden vermeld:

        • a.

          datum en tijdstip van de klacht;

        • b.

          aard van de klacht;

        • c.

          weersomstandigheden, waaronder windrichting;

        • d.

          welke bron de oorzaak is van de klacht;

        • e.

          welke actie ondernomen is om de klacht te verhelpen.

    • 1.6

      Bedrijfsbeëindiging

      • 1.6.1

        Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten binnen de inrichting moeten alle aanwezige stoffen en materialen, die uitsluitend aanwezig zijn vanwege de – te beëindigen- activiteiten, door of namens vergunninghouder op milieu hygiënisch verantwoorde wijze in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd.

      • 1.6.2

        Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van (een van de) activiteiten moet het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden.

    • 1.7

      Goedkeuring plannen

      • 1.7.1

        Indien op grond van een vergunningvoorschrift een plan ter goedkeuring aan bevoegd gezag moet worden overlegd, moet dit plan binnen 3 maanden nadat de vergunning in werking is getreden, naar het bevoegd gezag zijn gezonden. Tenzij in een voorschrift een andere termijn is genoemd. In dit geval gaat de termijn in het specifieke voorschrift voor.

      • 1.7.2

        De inrichting moet na afloop van genoemde termijn of zoveel eerder als bevoegd gezag het plan heeft goedgekeurd, overeenkomstig het goedgekeurde plan in werking zijn.

      • 1.7.3

        Aanpassingen van het plan moeten goedgekeurd worden door het bevoegd gezag.

      • 1.7.4

        Binnen de inrichting moet een actuele versie van het plan aanwezig zijn.

    • 1.8

      Proefnemingen

      • 1.8.1

        Vergunninghouder mag - mits hiervoor vooraf schriftelijk goedkeuring is verleend door het bevoegd gezag en bij wijze van proef - andere dan in deze vergunning opgenomen technische installaties en/of alternatieve grond-, hulp-, of brandstoffen toepassen dan wel andere afvalstoffen verwerken. Goedkeuring wordt slechts verleend indien de proefneming noodzakelijk is om informatie te vergaren over de technische haalbaarheid van de andere toepassing en deze informatie niet op een andere wijze kan worden verkregen.

      • 1.8.2

        Voordat goedkeuring kan worden verleend voor een proef, moeten minimaal zes weken voor aanvang van de proef de volgende gegevens schriftelijk aan het bevoegd gezag worden verstrekt:

        • a.

          het doel en de noodzaak van de proefneming;

        • b.

          een beschrijving van de alternatieve stof of van de alternatieve techniek of het alternatieve proces, met vermelding van de capaciteit inclusief eventuele wijzigingen in installaties en procesvoeringen;

        • c.

          de te verwachten wijziging in emissies en verbruiken, aangegeven met behulp van massabalansen en de verwachte wijziging in gevolgen voor het milieu;

        • d.

          de wijze waarop tijdens de proefneming processen en emissies, gevolgen voor het milieu en de verbruiken zullen worden beheerd en geregistreerd;

        • e.

          de hoeveelheid in te zetten materiaal;

        • f.

          de duur van de proef.

        • g.

          de geldende minimumstandaard dient te worden beschreven en waar deze proef hiervan afwijkt en hoe wordt aangetoond dat deze werkwijze leidt tot een gelijkwaardigere of hoogwaardigere verwerking dan de minimumstandaard.

      • 1.8.3

        Het bevoegd gezag kan naar aanleiding van een onderzoeksopzet goedkeuring onthouden dan wel nadere eisen stellen aan de proefneming. Deze nadere eisen kunnen een beperking van duur of een beperking van de bij de proefnemingen te verwerken hoeveelheid materiaal betekenen. Tevens kunnen nadere eisen gesteld worden aan de milieuhygiënische randvoorwaarden van de proefnemingen.

      • 1.8.4

        De proefneming mag uitsluitend worden uitgevoerd binnen de aan de goedkeuring verbonden voorwaarden. Zodra blijkt dat deze randvoorwaarden niet in acht genomen (kunnen) worden of dat de gevolgen voor het milieu groter zijn dan voorzien, moet de proef onmiddellijk gestopt worden.

      • 1.8.5

        De resultaten van de proefneming moeten uiterlijk drie maanden na beëindiging van de proefneming aan het bevoegd gezag worden overlegd.

  • 2

    Afvalstoffen

    • 2.1

      Opslag van afvalstoffen

      • 2.1.1

        De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden.

      • 2.1.2

        De verpakking van gevaarlijk afval moet zodanig zijn, dat:

        • a.

          niets van de inhoud uit de verpakking kan ontsnappen;

        • b.

          het materiaal van de verpakking niet door gevaarlijke stoffen kan worden aangetast, dan wel met die gevaarlijke stoffen een reactie kan aangaan dan wel een verbinding kan vormen;

        • c.

          deze tegen normale behandeling bestand is;

        • d.

          deze is voorzien van een etiket, waarop de gevaar aspecten van de gevaarlijke stof duidelijk tot uiting komen.

      • 2.1.3

        Afvalstoffen moeten zodanig gescheiden van elkaar worden opgeslagen dat de verschillende soorten afvalstoffen ten opzichte van elkaar geen reactiviteit kunnen veroorzaken.

      • 2.1.4

        Van de hieronder vermelde (gevaarlijke) afvalstoffen, die zijn ontstaan bij activiteiten binnen de inrichting, mogen maximaal de hoeveelheden zoals opgenomen in onderstaande tabel opgeslagen worden.

Soort afvalstof

Activiteit of bestemming/verkeer

Maximale hoeveelheid op enig moment

Maximale hoeveelheid per jaar

De scheidingsresiduen van bij compostering vrijkomende afvalstoffen

geëigend vergunninghouder; erkend

inzamelaar t.b.v. nuttige toepassing

(behoudens 19 12 11* en 19 12 12)

100 m3

1000 ton

Bij de werkplaats vrijkomende afvalstoffen, bestaande uit:

  • -

    Synthetische motor, transmissie en smeerolie: 13 02 06

  • -

    Biologisch gemakkelijk afbreekbare motor,- transmissie en smeerolie: 13 02 07*

  • -

    Overige motor-, transmissie en smeerolie: 13 02 08*

  • -

    Absorbentia, filtermateriaal, poetsdoeken, en beschermende kleding die met gevaarlijke stoffen zijn verontreinigd: 15 02 02*

  • -

    Niet onder 15 02 02* vallende Absorbentia, filtermateriaal, poetsdoeken en beschermende kleding: 15 02 03

  • -

    Oliefilters: 16 01 07

  • -

    Niet onder 16 01 11 vallende remblokken: 16 01 12

  • -

    Remvloeistoffen: 16 01 13*

  • -

    Ferrometalen: 16 01 17

  • -

    Non-ferrometalen: 16 01 18

  • -

    Kunststoffen: 16 01 19

  • -

    Glas: 16 01 20

  • -

    Loodaccu’s: 16 06 01*

geëigend vergunninghouder; erkend

inzamelaar tbv nuttige toepassing

1 m3

500 kg

Bij de olie waterscheider vrijkomende afvalstoffen bestaande uit:

  • -

    Olie uit olie/waterscheider 13 05 06*

  • -

    Met olie verontreinigd water uit obas: 13 05 07*

  • -

    Afvalmengsels uit zandvanger obas: 13 05 08*

geëigend vergunninghouder; erkend inzamelaar t.b.v. nuttige toepassing

5 m3

4800 kg

Bij het kantoor vrijkomende afvalstoffen bestaande uit:

  • -

    Gemengd stedelijk afval: 20 03 01

  • -

    Papier en karton 20 01 01

  • -

    Kunststoffen: 20 01 39

  • -

    Glas: 20 01 02

geëigend vergunninghouder; erkend inzamelaar.

5 m3

2000 kg

      • 2.1.5

        Gescheiden papier en karton moet zodanig worden opgeslagen dat het niet in contact komt met (hemel)water en/of andere waterige stromen.

      • 2.1.6

        De termijn van opslag van afvalstoffen mag maximaal één jaar bedragen. In afwijking hiervan mag de termijn van opslag van afvalstoffen maximaal drie jaar bedragen indien de vergunninghouder aan het bevoegd gezag heeft aangetoond dat de opslag van afvalstoffen gevolgd wordt door nuttige toepassing van afvalstoffen.

    • 2.2

      Acceptatie van afvalstoffen

      • 2.2.1

        In de inrichting mogen de hieronder vermelde afvalstoffen per kalenderjaar worden geaccepteerd. Voor de diverse deelstromen gelden de maxima zoals deze zijn genoemd in de onderstaande tabel.

Gebruikelijke benaming afvalstof

Eural-codes

Max. opslag

Max. te accepteren per jaar

(integraal) groenafval

en organisch

bedrijfsafval

02 01 03

02 03 04

19 05 01

19 05 02

19 12 12

20 02 01

15.000 ton

4.040 ton

Houtachtige

materialen/biomassa

02 01 07

03 01 01

03 03 01

03 01 05

17 02 01

19 12 07

20 01 38

20.460 ton

Grasachtig materiaal

20 02 01

3.000 ton

6.000 ton

Toepasbare bouwstoffen

17 01 02

19 12 09

10.000 ton

60.000 ton

Toepasbare grond (AW2000)

17 01 07

17 05 04

10.000 ton

100.000 ton

Vrijkomende afvalstoffen van eigen werkzaamheden buiten de inrichting 

Afvalhout A/B

17 02 01

45m3

100 ton

Niet uitgesorteerd metaalhoudend afval

17 04 07

12 m3

30 ton

Gemengd bouw- en sloopafval uit eigen werk

17 09 04

12 m3

25 ton

Mengsel beton, stenen, tegels of keramische producten

17 01 07

12 m3

25 ton

      • 2.2.2

        Indien vergunninghouder een afvalstof wil accepteren waarvan de Eural-code niet is opgenomen in bovenstaande tabel, maar waarvan de aard en samenstelling en de minimumstandaard voor verwerking overeenkomt met één van de genoemde afvalstoffen moet, voordat de feitelijke acceptatie plaatsvindt, een verzoek ter goedkeuring aan het bevoegd gezag gezonden worden. In het verzoek moet het volgende vermeld worden:

        • h.

          omschrijving van de afvalstof;

        • i.

          euralcode;

        • j.

          met welke reeds vergunde euralcode de afvalstof overeenkomt;

        • k.

          wijze van acceptatie, verwerking en opslag;

        • l.

          dat er sprake is van vergelijkbare milieuhygiënische aspecten (gemotiveerd);

        • m.

          dat de totale vergunde opslag- en verwerkingscapaciteit niet wijzigt.

      • Pas na goedkeuring van bevoegd gezag mag de afvalstof geaccepteerd worden.

      • 2.2.3

        Tenzij de voorschriften in deze vergunning anders bepalen moet de vergunninghouder altijd handelen overeenkomstig het bij de aanvraag gevoegde A&V-beleid en de AO/IC inclusief (voorzover van toepassing) de goedgekeurde aanvullingen en de toegezonden wijzigingen.

      • 2.24

        Het A&V-beleid en de AO/IC moeten gedurende de openingstijden van de inrichting voor het bevoegd gezag ter inzage liggen.

      • 2.25

        Wijzigingen van de procedure voor acceptatie, be- en verwerking, registratie of controle moeten, ter bepaling van de procedure die in relatie tot de aard van de wijziging is vereist schriftelijk aan het bevoegd gezag worden voorgelegd In het voornemen tot wijziging moet het volgende aangegeven worden:

        • a.

          de reden tot wijziging;

        • b.

          de aard van de wijziging;

        • c.

          de gevolgen van de wijziging voor andere onderdelen van het A&V-beleid en de AO/IC;

        • d.

          de datum waarop vergunninghouder de wijziging wil invoeren.

      • Pas na goedkeuring van bevoegd gezag mag de wijziging doorgevoerd worden.

    • 2.3

      Bedrijfsvoering

      • 2.3.1

        Binnen de inrichting mogen per kalenderjaar niet meer dan de hieronder aangegeven hoeveelheden afvalstoffen worden verwerkt.

Verwerking

Te verwerken afvalstoffen (gebruikelijke benaming)

Euralcode

Opslag op enig moment

Maximale hoeveelheid (ton/jaar)

Compostering

integraal) groenafval

en organisch

bedrijfsafval

02 01 03

02 03 04

19 05 01

19 05 02

19 12 12

20 02 01

15.000 ton

4.000 ton/jaar

Houtachtige

materialen/biomassa

02 01 07

03 01 01

03 03 01

03 01 05

17 02 01

19 12 07

20 01 38

12.000 ton/jaar (composteren)

5.000 ton/jaar (biomassa)

Gras achtig materiaal

19 12 06

20 02 01

3.000 ton

4.000 ton/jaar

houtachtig materiaal verwerken tot biomassa

Houtachtig materiaal afkomstig als restproduct uit ‘’groenafval en organisch bedrijfsafval’’, ‘’houtachtige materialen/biomassa’’ en ‘’grasachtige materialen’’

5.000 ton/jaar

Op- en overslag

Grond Aw2000

17 05 04

10.000 ton

100.000 ton/jaar

Op- en overslag

Bouwstoffen

17 01 07

17 01 02

19 12 09

10.000 ton

60.000 ton/jaar

      • 2.3.2

        Indien de afzet van de opgeslagen afvalstoffen stagneert, geeft de vergunninghouder dit onverwijld schriftelijk te kennen aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat ten minste gegevens over de oorzaak van de stagnatie en de verwachte tijdsduur, alsmede de maatregelen die worden genomen om de stagnatie op te heffen, respectievelijk in de toekomst te voorkomen.

    • 2.4

      Sturing

      • 2.4.1

        Gemengd bouw- en sloopafval moet ten minste in de volgende fracties (voor zover aanwezig) gescheiden worden:

        • a.

          als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen zoals bedoeld in de afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst, voor zover deze stoffen niet in de onderdelen b tot en met j van dit lid zijn opgenomen;

        • b.

          teerhoudende dakbedekking, al dan niet met dakbeschot;

        • c.

          teerhoudend asfalt;

        • d.

          bitumineuze dakbedekking, al dan niet met dakbeschot;

        • e.

          niet-teerhoudend asfalt;

        • f.

          vlakglas, al dan niet met kozijn;

        • g.

          gipsblokken en gipsplaatmateriaal;

        • h.

          dakgrind;

        • i.

          armaturen;

        • j.

          gasontladingslampen;

        • k.

          steenachtig materiaal;

        • l.

          hout, inclusief verpakkingshout (gescheiden in a-/b-hout, c-hout);

        • m.

          kunststof;

        • n.

          metaal;

        • o.

          zeefzand.

      • 2.4.2

        Indien vergunninghouder niet alle fracties zoals genoemd in vorig voorschrift kan uitsorteren, moet de overgebleven afvalstroom afgevoerd worden naar een inrichting waar de nog niet verwijderde fracties alsnog uitgesorteerd worden.

      • 2.4.3

        Het uitsorteren van gemengd bouw- en sloopafval moet plaatsvinden tot het moment dat verdere verwerking gezien de aard en/of samenstelling niet meer mogelijk is, of waarvoor de kosten voor verdere sortering hoger zijn dan in sectorplan 28 opgenomen.

      • 2.4.4

        Het resulterende sorteerresidu moet nog minimaal verbrand kunnen worden in een AVI.

    • 2.5

      Specifieke voorschriften ten behoeve van een doelmatige verwerking

      • 2.5.1

        Gescheiden papier en karton moet zodanig worden opgeslagen dat het niet in contact komt met (hemel)water en/of andere waterige stromen.

    • 2.6

      Registratie

      • 2.6.1

        In de inrichting moet een registratiesysteem aanwezig zijn, waarin van alle aangevoerde afvalstoffen het volgende moet worden vermeld:

        • a.

          de datum van aanvoer;

        • b.

          de aangevoerde hoeveelheid (kg);

        • c.

          de naam en adres van de locatie van herkomst;

        • d.

          de naam en adres van de ontdoener;

        • e.

          de gebruikelijke benaming van de afvalstoffen;

        • f.

          de euralcode;

        • g.

          het afvalstroomnummer (indien van toepassing).

      • 2.6.2

        In de inrichting moet van alle aangevoerde hulpstoffen die bij de verwerking van afvalstoffen worden gebruikt het volgende worden geregistreerd:

        • n.

          benaming hulpstof;

        • o.

          de datum van aanvoer;

        • p.

          de aangevoerde hoeveelheid;

        • q.

          de naam en adres van de leverancier.

      • 2.6.3

        In de inrichting moet eveneens een registratiesysteem aanwezig zijn, waarin van alle afgevoerde afvalstoffen, (grond)stoffen of producten die bij de verwerking zijn ontstaan het volgende moet worden vermeld:

        • a.

          de datum van afvoer;

        • b.

          de afgevoerde hoeveelheid (kg);

        • c.

          de afvoerbestemming;

        • d.

          de naam en adres van de afnemer;

        • e.

          de gebruikelijke benaming van de (afval)stoffen;

        • f.

          de euralcode (indien van toepassing);

        • g.

          het afvalstroomnummer (indien van toepassing).

      • 2.6.4

        Van de reeds ingewogen afvalstoffen die op grond van een acceptatievoorschrift van deze vergunning niet mogen worden geaccepteerd, moet een registratie bijgehouden worden waarin staat vermeld:

        • a.

          de datum van aanvoer;

        • b.

          de aangeboden hoeveelheid (kg);

        • c.

          de naam en adres van plaats herkomst;

        • d.

          de reden waarom de afvalstoffen niet mogen worden geaccepteerd;

        • e.

          de euralcode;

        • f.

          het afvalstroomnummer (indien van toepassing);

        • g.

          de datum van afvoer;

        • h.

          de naam en adres van plaats afvoer.

      • 2.6.5

        Voor:

        • alle door particulieren zelf aangevoerde partijen huishoudelijke afvalstoffen en;

        • alle aangevoerde partijen afvalstoffen in een hoeveelheid van niet meer dan 50 kg per afgifte;

      • mag volstaan worden met de registratie van onderstaande gegevens:

        • a.

          de datum van aanvoer;

        • b.

          de aangevoerde totale hoeveelheid per dag (kg);

        • c.

          de gebruikelijke benaming van de afvalstoffen.

      • De registratie moet per euralcode plaatsvinden.

      • 2.6.6

        Ten behoeve van de registratie als bedoeld in dit hoofdstuk moet een registratiepost aanwezig zijn. De hoeveelheden die op grond van dit hoofdstuk moeten worden geregistreerd moeten worden bepaald door middel van een binnen de inrichting aanwezige weegvoorziening. De weegvoorziening(en) waarvan gebruik wordt gemaakt moet(en) overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften van het Nederlands Meetinstituut zijn geijkt. Op aanvraag moeten geldige certificaten van weegvoorziening(en) aan het bevoegd gezag ter inzage worden gegeven.

      • 2.6.7

        Er moet een sluitend verband bestaan tussen de (afval)stoffenregistratie als bedoeld in dit hoofdstuk en de financiële administratie.

      • 2.6.8

        Binnen één maand na ieder kalenderkwartaal moet ter afsluiting van dit kalenderkwartaal een inventarisatie plaatsvinden van de in de inrichting op de laatste dag van het kwartaal aanwezige voorraad afvalstoffen. Deze gegevens moeten in een rapportage worden vastgelegd. Op verzoek moet deze rapportage aansluitend worden verzonden aan het bevoegd gezag. In de rapportage moet het volgende worden geregistreerd:

        • a.

          een omschrijving van de aard, de samenstelling en euralcode van de opgeslagen (afval)stoffen;

        • b.

          de opgeslagen hoeveelheid (omgerekend naar kg) per soort (afval)stof;

        • c.

          de datum, waarop de inventarisatie is uitgevoerd.

      • Verschillen tussen deze fysieke voorraad en de administratieve voorraad (op basis van geregistreerde gegevens) moeten in deze rapportage worden verklaard.

      • 2.6.9

        Uiterlijk 1 april van elk kalenderjaar moet een sluitende massabalans over het voorgaande jaar aan het bevoegd gezag worden gezonden. In deze balans moet duidelijk onderscheid worden gemaakt naar de aard van de stoffen. De balans moet het volgende bevatten:

        • a.

          de voorraad grondstoffen en afvalstoffen aan het begin en aan het einde van het voorafgaande jaar;

        • b.

          de ontvangen hoeveelheden grondstoffen en afvalstoffen in dat jaar;

        • c.

          de verwerkte hoeveelheden grondstoffen en afvalstoffen in dat jaar;

        • d.

          de afgevoerde hoeveelheden afvalstoffen en deelstromen en eindproducten (inclusief vermelding van bestemming);

        • e.

          een verklaring van de verschillen in de massabalans.

      • 2.6.10

        Alle op grond van dit hoofdstuk te registreren gegevens moeten dagelijks worden bijgehouden en samen met de in het vorige voorschrift genoemde rapportage gedurende ten minste vijf jaar binnen de inrichting worden bewaard en aan de daartoe bevoegde personen op aanvraag ter inzage worden gegeven.

  • 3.

    COMPOSTEREN

    • 3.1

      Procesvoering van het composteringsproces

      • 3.1.1

        De kwaliteit van het ingenomen materiaal wordt gecontroleerd op de staat van ontbinding. Er mag geen materiaal in staat van ontbinding worden ingenomen.

      • 3.1.2

        Het te composteren materiaal moet, voordat het wordt versnipperd of op een andere wijze wordt verkleind of op hopen wordt gezet, (zoveel mogelijk) worden ontdaan van zichtbare grove verontreinigingen zoals plastic, metalen, papier en van overtollige zandfracties.

      • 3.1.3

        Het ingenomen materiaal (met uitzondering van takken en stobben) wordt binnen ten hoogste drie maal 24 uur verwerkt tot basismateriaal en wordt opgezet in een composthoop.

      • 3.1.4

        Indien binnen de inrichting binnen 3x24 uur na aanvoer van het te composteren groenafval géén of onvoldoende composteercapaciteit binnen de inrichting is, dan wordt groenafval langdurig opgeslagen middels inkuilen, tot het moment dat er weer voldoende composteercapaciteit binnen de inrichting beschikbaar is/komt.

      • 3.1.5

        De compostering vindt plaats overeenkomstig de intensieve methode met hoge omzetfrequentie (methode A van de voormalige bijzondere Regeling G2 van de Nederlandse emissierichtlijn lucht). Dat betekent dat in de eerste twee weken intensief wordt omgezet (circa drie maal) en met het vorderen van het composteringsproces naar gemiddeld eenmaal per drie weken. Het composteerproces duurt circa drie maanden waarbinnen minimaal zeven keer wordt omgezet.

      • 3.1.6

        De composteringshopen moeten zodanig zijn gestructureerd en gedimensioneerd dat overal aerobe condities heersen. De hoogte van de composteringshoop mag een goed verloop van het composteringsproces niet belemmeren én mag niet meer dan 8,00 meter boven het maaiveld bedragen.

      • 3.1.7

        Voor het omzetten van de composteringshopen moet gebruik worden gemaakt van een zodanig omzetwerktuig (kraan, shovel of omzetmachine), dat tijdens het omzetten een maximale beluchting van het materiaal plaatsvindt.

      • 3.1.8

        De temperatuur in de composteringshoop moet lager dan 80 graden Celsius zijn. De temperatuur moet daartoe worden gemonitord door deze tenminste eenmaal per twee weken te meten.

      • 3.1.9

        Het vochtgehalte bedraagt maximaal 60%. Het vochtgehalte moet worden gemonitord door wekelijks een organoleptische controle (zien, ruiken en voelen) uit te voeren.

      • 3.1.10

        Indien de verkregen resultaten daartoe aanleiding geven, moeten de composteringshopen worden gekeerd en/of bevochtigd totdat het materiaal volledig is gecomposteerd. Hierbij is het noodzakelijk dat een beregeningsmogelijkheid aanwezig is.

      • 3.11.1

        Alle metingen, maatregelen e.d. zoals die op grond van de beschrijving bij de aanvraag moeten worden uitgevoerd, moeten overzichtelijk, voorzien van datum en tijd, worden geregistreerd. De registratie moet een duidelijk inzicht verschaffen in het verloop van en de controle op het composteringsproces. Deze gegevens moeten, net als de tijdstippen waarop de composteringshopen zijn omgezet, overzichtelijk en volledig in een (digitaal) logboek worden bijgehouden.

      • 3.1.12

        Aanwezige molgoten en kolken moeten dusdanig worden onderhouden dat een onbelemmerde afvoer van afstromend (hemel)water altijd kan plaatsvinden.

      • 3.1.13

        Per jaar mag maximaal 20.000 ton groenafval worden gecomposteerd.

    • 3.2

      Versnipperen van takken en stobben

      • 3.2.1

        Bij het shredderen van houtachtig groenafval wordt zoveel mogelijk voorkomen dat stofverspreiding optreedt die op een afstand van meer dan twee meter van de bron met het blote oog waarneembaar is.

      • 3.2.2

        Bij continu mechanisch transport van geshredderd groenafval moeten:

        • stoffen die in een open systeem worden getransporteerd zodanig worden bevochtigd, dat verstuiving wordt voorkomen, of

        • open transportsystemen in de buitenlucht worden afgeschermd tegen windinvloeden door middel van langsschermen, dwarsschermen of halfronde overkappingen.

      • 3.2.3

        Bij de overslag van geshredderd groenafval moet dit afdoende zijn bevochtigd. Stofverspreiding tijdens het laden en lossen moet eventueel met een nevelgordijn worden tegengegaan.

      • 3.2.4

        Na het shredderen dient het neergeslagen shredderstof direct te worden verwijderd. Het verzamelde stof dient zodanig te worden opgeslagen dat het zich niet meer kan verspreiden.

  • 4

    ENERGIE 

Energievoorschriften (grootverbruiker)

    • 4.1.1

      Vergunninghouder dient uiterlijk 1 augustus 2022 en vervolgens elke vier jaar vóór 1 juli de rapportage van een energieonderzoek ter goedkeuring in bij het bevoegd gezag. Het energieonderzoek heeft tot doel om de rendabele en technisch haalbare energie-efficiënte maatregelen te identificeren. De rapportage van het onderzoek moet de volgende gegevens bevatten:

      • a.

        een beschrijving van de processen, faciliteiten en gebouwen (per bedrijfsonderdeel);

      • b.

        een beschrijving van de energiehuishouding, dat wil zeggen een overzicht van de energiebalans van de totale inrichting, met daarin:

        • het energieverbruik van de hele inrichting, waarvan ten minste 90% is toebedeeld aan individuele installaties en (deel)processen;

        • de uitgaande energiestromen, waarbij ten minste 90% van de uitgaande hoeveelheid energie wordt benoemd. Per energiestroom wordt het vermogen, temperatuurniveau en het medium aangegeven;

        • een overzicht van intern hergebruikte energiestromen, waarbij ten minste 90% van de hergebruikte energie wordt benoemd;

      • c.

        voor de hierboven onder b. bedoelde individuele installaties en (deel)processen, de relevante uitgaande energiestromen en de intern hergebruikte energiestromen: een overzicht van alle maatregelen (technieken en voorzieningen) die in de branche als beste beschikbare techniek kunnen worden beschouwd en mogelijk rendabel zijn. Als er dergelijke maatregelen zijn, die niet zijn onderzocht, dan wordt de reden daarvan in de rapportage gemotiveerd.

        Per maatregel wordt een berekening van de terugverdientijd opgesteld volgens de methodiek zoals beschreven in bijlage 10a van de Activiteitenregeling milieubeheer, tenzij vergunninghouder onderbouwt waarom het niet noodzakelijk is om voor deze maatregel een terugverdientijd te bepalen. Op basis van deze berekening wordt per maatregel de conclusie getrokken dat de maatregel rendabel of niet rendabel is;

      • d.

        een overzicht van mogelijke organisatorische (waaronder bedieningsinstructies) en good housekeeping maatregelen (waaronder onderhoud) die leiden tot energiebesparing;

      • e.

        een energie-uitvoeringsplan waarin het volgende is opgenomen:

        • een omschrijving van de maatregel, waaruit blijkt wat de maatregel inhoudt en in welk deel van de inrichting deze wordt toegepast;

        • voor alle rendabele maatregelen en mogelijke organisatorische (waaronder bedieningsinstructies) en good housekeeping maatregelen (waaronder onderhoud), wanneer die zullen worden getroffen;

        • als er rendabele maatregelen niet worden uitgevoerd, een motivering waarom dit niet gebeurt;

      • f.

        de verrichte en voorgenomen inspanningen wat betreft verduurzaming van het energieverbruik van de inrichting en de barrières die daarbij geslecht moeten worden.

        Deze inspanningen zijn erop gericht uiterlijk in 2050 het energieverbruik volledig te hebben verduurzaamd.

        Toelichting bij het energieonderzoek:

        Voor de rapportage van dit onderzoek kan waar mogelijk gebruik worden gemaakt van actuele informatie en gegevens uit de rapportage in het kader van de CO2-PL en/of andere energie-rapportages. Met uw deelname of betrokkenheid bij dergelijke initiatieven op het gebied van energie en duurzaamheid, kan uw bedrijf mogelijk deels invulling geven aan het gevraagde energieonderzoek.

    • 4.1.2

      De inrichtinghouder kan een gemotiveerd verzoek tot het afwijken van de in voorschrift 4.1.1. genoemde vierjaarlijkse datum bij het bevoegde gezag indienen.

      Toelichting:

      Om voor de vierjaarlijkse rapportage uit voorschrift 4.1.1 waar mogelijk gebruik te kunnen maken van actuele informatie en gegevens uit de rapportage in het kader van de CO2-PL en/of andere energie-rapportages kan inrichtinghouder verzoeken om de vierjaarlijkse rapportagedatum aan te laten sluiten bij andere rapportageverplichtingen.

    • 4.1.3

      Als de installaties niet zijn gewijzigd, kan voor de actualisatie van het energieonderzoek volstaan worden met een actualisatie van de onderdelen c. tot en met f. uit het energieonderzoek als bedoeld in voorschrift 4.1.1.

    • 4.1.4

      Indien uit het energieonderzoek blijkt dat er geen rendabele maatregelen zijn te treffen, dan vervalt de verplichting voor het aanwezig hebben van een energie-uitvoeringsplan voor de betreffende vierjaarlijkse onderzoeksperiode van het energieonderzoek.

    • 4.1.5

      Vergunninghouder verbetert de energie-efficiëntie van de inrichting door alle rendabele maatregelen en organisatorische en good housekeeping maatregelen die leiden tot energiebesparing uit het energie-uitvoeringsplan uit te voeren, binnen de termijn die per maatregel in het plan is aangegeven.

    • 4.1.6

      Vergunninghouder mag een maatregel uit het energie-uitvoeringsplan vervangen door een gelijkwaardig alternatief, op voorwaarde dat de gelijkwaardigheid in het energiedeel van het milieujaarverslag of anderszins richting het bevoegd gezag wordt gemotiveerd. Onder gelijkwaardig wordt verstaan dat de alternatieve maatregel minstens evenveel bijdraagt aan de verbetering van de energie-efficiëntie en geen stijging geeft van de milieubelasting ten opzichte van de te vervangen maatregel.

    • 4.1.7

      Binnen de inrichting moet het energieonderzoek met het energie-uitvoeringsplan aanwezig zijn voor het uitvoeren van de in de bovenstaande voorschriften genoemde energiemaatregelen.

    • 4.1.8

      Bij vergunninghouder registreert de voortgang van de uitvoering van de maatregelen uit het energie-uitvoeringsplan. Deze registratie is op verzoek beschikbaar voor het bevoegd gezag.

    • 4.1.9

      Vergunninghouder moet vanaf 2023 jaarlijks, voor 1 april, aan het bevoegd gezag rapporteren over ontwikkelingen op energiegebied binnen de inrichting.Deze rapportage moet ten minste de volgende onderwerpen omvatten:

      • a.

        een energiebalans van de inrichting van het voorgaande kalenderjaar, met daarin zowel de ingekochte hoeveelheden energie per energiedrager, de hergebruikte hoeveelheden energie als de uitgaande energiestromen, inclusief vermogens en temperatuurniveaus;

      • b.

        energiemaatregelen die in het kader van het energie-uitvoeringsplan zijn genomen;

      • c.

        (indien van toepassing) wijzigingen in de tijdsplanning van de activiteiten uit het energie-uitvoeringsplan, vergezeld van motivering;

      • d.

        (indien van toepassing) vervanging van maatregelen door een gelijkwaardige energiebesparende maatregel, vergezeld van motivering;

      • e.

        (indien van toepassing) de energierelevante investeringsbeslissingen zoals bedoeld in voorschrift 4.1.10, vergezeld van motivering.

    • 4.1.10

      Bij het nemen van energierelevante investeringsbeslissingen moet vergunninghouder energiezuinigere alternatieven onderzoeken, tenzij deze beslissing betrekking heeft op maatregelen die al in het energieonderzoek zijn opgenomen. Indien een energiezuiniger alternatief in vijf jaar of korter terug te verdienen is, moet voor dat alternatief gekozen worden. De gemaakte keuzes moeten worden gemeld en onderbouwd in de jaarlijkse rapportage, zoals beschreven in voorschrift 4.1.9

    • 4.1.11

      Als deelname aan de CO2-Prestatieladder wordt beëindigd dan wel het niveau ervan wordt gewijzigd, stelt de vergunninghouder het bevoegd gezag hiervan onverwijld in kennis.

  • 5

    GELUID

    • 5.1

      Algemeen

      • 5.1.1

        Het meten en berekenen van de geluidsniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, uitgave 1999.

    • 5.2

      Representatieve bedrijfssituatie 

      • 5.2.1

        Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag ter plaatse van de omliggende gevoelige gebouwen niet meer bedragen dan:

Beoordelingspunt en omschrijving

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT in dB(A)

Dag

Nacht

07.00 -19.00 uur

23.00 -07.00 uur

LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen

50

40

      • 5.2.2

        Het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag ter plaatse van de omliggende gevoelige gebouwen niet meer bedragen dan:

Beoordelingspunt en omschrijving

Maximale geluidsniveau LAmax in dB(A)

Dag

Nacht

07.00 -19.00 uur

23.00 -07.00 uur

LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen

70

60

  • 6

    GEUR

    • 6.1.1

      Geurreducerende voorzieningen moeten voor de goede werking, onder optimale condities in bedrijf worden gehouden en moeten zo vaak als voor een goede werking noodzakelijk is worden vervangen en gereinigd, doch ten minste jaarlijks, worden onderhouden en geïnspecteerd.

    • 6.1.2

      Van het onderhoud en de inspectie moet verslag worden gelegd in een logboek, dat ter plaatse altijd voor de toezichthouder ter inzage beschikbaar moet zijn.

    • 6.1.3

      De geurimmissie mag ter plaatse van geurgevoelige objecten van de categorie A, als bedoeld in de “Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019”, de volgende waarden niet overschrijden.

      • 2,4 OUe/m3 als 98-percentiel;

      • 4,0 OUe/m3 als 99,5-percentiel;

      • 8,2 OUe/m3 als 99,9-percentiel.

    • 6.1.4

      De geurimmissie mag ter plaatse van geurgevoelige objecten van de categorie B, als bedoeld in de “Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019”, de volgende waarden niet overschrijden.

      • 0,9 OUe/m3 als 98-percentiel;

      • 1,9 OUe/m3 als 99,5-percentiel;

      • 3,4 OUe/m3 als 99,9-percentiel; 

    • 6.1.5

      Activiteiten zoals omzetten, bevochtigen met percolaatwater en het verkleinen van groenafval mag niet plaatsvinden bij een windrichting komend van zuid-west (225 graden) t/m noord-oost (45 graden).

    • 6.1.6

      Binnen 6 maanden na start van de aangevraagde activiteiten moet vergunninghouder, door middel van het uitvoeren van een geuronderzoek bestaande uit geurmetingen en berekeningen conform de NTA 9065, aantonen dat de geuremissie(s) de in dit hoofdstuk opgenomen normen niet overschrijden. Dit geuronderzoek dient conform voorschrift 6.1.8 te worden uitgevoerd.

    • 6.1.7

      Wanneer het aantal gegronde klachten daartoe aanleiding geeft, moet vergunninghouder op een gemotiveerd verzoek van het bevoegd gezag een onderzoek verrichten naar de oorzaak van de klachten en de mogelijkheden om geuroverlast te voorkomen. Indien na implementatie van de geurbeperkende mogelijkheden de klachten blijven aanhouden dient op verzoek van het bevoegde gezag een geuronderzoek bestaande uit geurmetingen en berekeningen conform de NTA 9065, aantonen dat de geuremissie(s) de in dit hoofdstuk opgenomen normen niet overschrijden. Dit geuronderzoek dient conform voorschrift 6.1.8 te worden uitgevoerd.

    • 6.1.8

      Geuremissiemetingen moeten worden uitgevoerd volgens de NTA 9065 en de geldende norm (NEN-EN 13725). Verspreidingsberekeningen moeten worden uitgevoerd met het Nieuw Nationaal Model (NNM) en overeenkomstig de NTA 9065 en het NNM-handboek zijn. De resultaten van de metingen en berekeningen moeten worden gerapporteerd conform de NTA 9065 in Europese geureenheden (ouE). Het meetplan moet vooraf ter goedkeuring worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet in kennis gesteld worden om bij de geurmetingen aanwezig te kunnen zijn. Het onderzoek moet onder representatieve bedrijfsomstandigheden door een geaccrediteerde meetinstantie (monstername, analyse en debietmetingen) uitgevoerd worden. Resultaten van uitgevoerde onderzoeken moeten uiterlijk 2 maanden na uitvoering van het onderzoek aan het bevoegd gezag zijn gezonden.

    • 6.1.9

      Een geuronderzoek moet worden uitgevoerd conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd meetplan. Dit meetplan beschrijft ten minste:

      • a.

        de wijze waarop het onderzoek zal worden uitgevoerd;

      • b.

        de meetlocaties, het aantal deelmetingen en de monsternametijd;

      • c.

        de bedrijfsomstandigheden waaronder de metingen worden uitgevoerd;

      • d.

        de onderbouwing voor de representativiteit van de genoemde bedrijfsomstandigheden.

    • 6.1.10

      Binnen drie maanden na het in werking treden van deze vergunning dient een geurbeheerplan te zijn opgesteld. De volgende elementen dienen in het geurbeheerplan terug te komen:

      • Een protocol met acties en termijnen;

      • Een protocol voor de monitoring van geur;

      • Een protocol voor de reactie op geconstateerde geurincidenten zoals bijvoorbeeld klachten;

      • Een programma ter voorkoming en beperking van geuren, ontworpen om de bronnen te bepalen, de karakterisering van de bijdragen van de bronnen, en de invoering van preventieve en/of beperkende maatregelen.

    • 6.1.11

      Meetpunten moeten indien mogelijk uitgevoerd zijn overeenkomstig NEN-EN 15259.

  • 7

    EXTERNE VEILIGHEID

    • 7.1

      Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen (PGS 15 opslagen)

      • 7.1.1

        Binnen de inrichting mag maximaal 2500 kg verpakte gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 aanwezig zijn.

      • 7.1.2

        Wanneer voor de uitpandig geplaatste opslagvoorziening kans op aanrijdingsgevaar aanwezig is, dient de opslagvoorziening tegen aanrijden te worden beschermd.

      • 7.1.3

        De opslag van verpakte gevaarlijke stoffen zoals genoemd in de richtlijn PGS 15, moet in de speciaal daarvoor bestemde opslagruimten plaatsvinden en moet voldoen aan de volgende voorschriften van de PGS 15 (interimversie 1.0, augustus 2021):

        • a.

          3.1.1 tot en met 3.1.5;

        • b.

          3.2.1 tot en met 3.2.3, 3.2.7 tot en met 3.2.12;

        • c.

          3.4.1 tot en met 3.4.7;

        • d.

          3.4.8;

        • e.

          3.4.9 tot en met 3.4.11.

    • 7.2

      OPSLAG VAN GASFLESSEN (ADR-KLASSE 2)

      • 7.2.1

        Binnen de inrichting mag maximaal 1000 l (waterinhoud) gassen van ADR-klasse 2 in gasflessen aanwezig zijn.

      • 7.2.2

        De opslag van gasflessen (ADR-klasse 2) moet in de speciaal daarvoor bestemde ruimte plaats vinden en moet, voldoen aan de volgende voorschriften van de richtlijn PGS 15 (interimversie 1.0, augustus 2021):

        • a.

          6.1.1 tot en met 6.1.6;

        • b.

          6.2.1, 6.2.2 en 6.2.5 tot en met 6.2.19.

  • 8

    LUCHT

    • 8.1

      Diffuse stofemissies

      • 8.1.1

        Deze paragraaf is van toepassing op diffuse stofemissies van op- overslag, laden -en lossen, transporteren en verwerking van niet-inerte vaste bulkgoederen en op diffuse stofemissies van de verwerking van inerte vaste bulkgoederen anders dan overslag, opslag, laden, lossen, transport, mengen en anders dan het zeven van zand.

Algemeen

      • 8.1.2

        Activiteiten binnen de inrichting moeten op zodanige wijze plaatsvinden dat als gevolg daarvan op meer dan 2 meter vanaf de bron geen stofvorming visueel waarneembaar is.

Staken activiteit

      • 8.1.3

        Laden, lossen of transporteren van stoffen moet worden gestaakt indien de windsnelheid de bij de onderstaande stuifklasse genoemde waarde overschrijdt:

        • a.

          stuifklasse S3 14 m/s; windkracht 6 / krachtige wind.

        • b.

          stuifklasse S4 en S5 20 m/s; windkracht 8 / stormachtige wind.

      • 8.1.4

        Binnen de inrichting moet een goed werkende windsnelheidsmeter aanwezig zijn zodanig dat een representatieve en kwartiergemiddelde windsnelheid kan worden gemeten en afgelezen. De windsnelheid moet continu gemeten en geregistreerd worden. De geregistreerde gegevens moeten ten minste drie achtereenvolgende jaren binnen de inrichting bewaard worden en op verzoek van het bevoegd gezag aan haar worden toegezonden.

Transport

      • 8.1.5

        Transportafstanden binnen de inrichting moeten zo kort mogelijk worden gehouden om stofverspreiding te voorkomen.

      • 8.1.6

        De verkeerssnelheid binnen de inrichting moet op een duidelijke wijze zijn beperkt tot 10 km/uur.

      • 8.1.7

        Verkeersbewegingen binnen de inrichting moeten plaatsvinden op de daartoe aangelegde verharde wegen.

      • 8.1.8

        Teneinde hinderlijke verspreiding van stof buiten de inrichting te voorkomen als gevolg van de transportactiviteiten. moet onmiddellijk kunnen worden voorzien in en - indien noodzakelijk - gebruik worden gemaakt van een veegmachine en/of sproeiwagen die, zo vaak als nodig is, het gedeelte van de inrichting waarop transportverkeer plaatsvindt. schoon veegt en/of besproeit met water.

      • 8.1.9

        Ter voorkoming van verontreiniging van de openbare weg moeten, waar nodig, voertuigen voordat deze de inrichting verlaten worden schoongespoten. Tevens moeten, waar nodig, de banden door een wielwas-/autobandenreinigingsinstallatie (ari) dan wel gelijkwaardig worden schoongemaakt. Deze verplichting geldt niet voor voertuigen die uitsluitend ten behoeve van de kantoren de inrichting bezoeken.

Valhoogte materiaal

      • 8.1.10

        Bij gebruik van mechanische laadschoppen moet de afworphoogte worden gereduceerd en de beste positie moet worden gekozen bij het afwerpen in een vrachtwagen om stofverspreiding te voorkomen.

Bevochtiging of afdekking

      • 8.1.11

        Indien blijkt dat bij het verkleinen van groenafval er zichtbare stofemissies plaats vinden, dient het te verkleinen materiaal vochtig gehouden te worden teneinde de stofemissie te voorkomen.

    • 8.2

      Niet-reguliere emissies

      • 8.2.1

        Van de emissies veroorzaakt door niet-reguliere bedrijfsvoering moeten de oorzaken worden bijgehouden.

      • 8.2.2

        Maatregelen moeten worden genomen om herhaling van storingen te voorkomen (zoals bijvoorbeeld versnelde inspecties en preventief onderhoud; aanpassen inspectie- en onderhoudsplan).

  • 9

    WERKPLAATS

    • 9.1

      Lucht

      • 9.1.1

        Afgezogen dampen en gassen van een ruimte waarin vanwege onderhoud of reparatie van motorvoertuigen of andere gemotoriseerde apparaten, verbrandingsmotoren worden proefgedraaid, dienen bovendaks afgevoerd te worden.

      • 9.1.2

        Stof en rook die vrijkomen bij droogverspanende bewerkingen en mechanische eindafwerking van metalen, worden aan de bron afgezogen.

      • 9.1.3

        Ten behoeve van het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, moet de afgezogen lucht die naar de buitenlucht wordt afgevoerd bovendaks en omhoog gericht worden afgevoerd.

    • 9.2

      Overige voorschriften

      • 9.2.1

        Het proefdraaien van verbrandingsmotoren vindt niet in de buitenlucht plaats.

      • 9.2.2

        Binnen een straal van 10 m van las- en snijwerkzaamheden mogen zich geen licht ontvlambare (vloei)stoffen of brandgevaarlijke stoffen bevinden.

      • 9.2.3

        Werkzaamheden waarbij vuur wordt gebruikt, worden niet verricht in de onmiddellijke nabijheid van een brandstofreservoir of andere delen van een motor die brandstof bevatten. De brandstofreservoirs zijn, behoudens tijdens de aan de reservoirs te verrichten werkzaamheden, goed gesloten.

      • 9.2.4

        De werkplaats is zodanig geventileerd dat, ter voorkoming van brand- en explosiegevaar, voldoende ventilatie is gewaarborgd om gassen of dampen die ontstaan bij lekkage of werkzaamheden, af te voeren.

  • 10

    BOUWEN VAN EEN BOUWWERK

    • 10.1.1

      Constructieve veiligheid. Wat moet u 6 tot 3 weken vóór de bouw aanleveren?

      De definitieve constructieve berekeningen en tekeningen dienen uiterlijk 3 weken voor aanvang van de bouwwerkzaamheden ter goedkeuring aan de gemeente te worden voorgelegd. In de praktijk blijkt de periode van drie weken te kort. Als de gemeente fouten ziet leidt dit al snel tot vertragingen in de bouw. Wij raden daarom aan om een periode van zes weken aan te houden. Met de werkzaamheden mag pas na goedkeuring worden gestart.

    • 10.1.2

      Veiligheidsplan

      U moet nog een veiligheidsplan indienen. Dit moet u uiterlijk drie weken voor de start van de werkzaamheden doen. Het doel van een veiligheidsplan is het vooraf inzichtelijk maken of een beoogd initiatief veilig en verantwoord in zijn relatie tot de directe omgeving en openbare ruimte gerealiseerd kan worden. In een veiligheidsplan moet u aangeven hoe u de veiligheid van de openbare ruimte, het bouwwerk, de belendende en/of onderliggende percelen tijdens de bouw of sloop zal garanderen en waarborgen.

    • 10.1.3

      Definitieve installatietekeningen en berekeningen van de diverse technische installaties dienen nog ter goedkeuring aan de gemeente te worden voorgelegd.

    • 10.1.4

      Van toegepaste materialen en bouwdelen dienen productcertificaten, die aantonen dat de betreffende materialen en bouwdelen voldoen aan de voorschriften in het Bouwbesluit 2012, op de bouwplaats aanwezig te zijn.

    • 10.1.5

      Er dienen nog monsters van de kleuren en de materialen te worden overgelegd voor toetsing aan redelijke eisen van welstand.

Kennisgeving aanvang.

    • 10.1.3

      Het bouwtoezicht dient ten minste twee dagen voor de aanvang van elk van de hierna te noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden gesteld:

      • a.

        De aanvang van de werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden, daaronder begrepen;

      • b.

        De aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het slaan van proefpalen daaronder begrepen;

      • c.

        De aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.

Het bouwtoezicht dient ten minste drie dagen van tevoren in kennis te worden gesteld van het storten van beton.

De hiervoor bedoelde kennisgevingen moeten schriftelijk worden gericht aan de FUMO, Postbus 3347, 8901 DH LEEUWARDEN of info@fumo.nl.

Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen.

    • 10.1.4

      Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van de bouwverordening en het Bouwbesluit 2012 nodig acht.

Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden.

    • 10.1.5
      • a.

        Van het gereedkomen van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de riolering, en van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren beneden straatpeil moet het bouwtoezicht onmiddellijk na die voltooiing in kennis worden gesteld;

      • b.

        Onderdelen van het bouwwerk, waarop lid a betrekking heeft, mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van de kennisgeving;

      • c.

        Het bepaalde in lid b) is van overeenkomstige toepassing op die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften een plicht tot kennisgeving van voltooiing is bepaald;

      • d.

        Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft, wordt het einde van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.

De hiervoor bedoelde kennisgevingen moeten schriftelijk worden gericht aan de FUMO, Postbus 3347, 8901 DH LEEUWARDEN of info@fumo.nl.

Verbod tot ingebruikneming.

    • 10.1.6

      Na de bouw van een bouwwerk, waarvoor omgevingsvergunning is verleend, is het verboden dit bouwwerk in gebruik te geven of te nemen indien één van de volgende omstandigheden zich voordoet:

      • c.

        het bouwwerk is niet gereed gemeld bij het bouwtoezicht;

      • d.

        er is niet gebouwd overeenkomstig de omgevingsvergunning.

Overwegingen

1. PROCEDURE ASPECTEN

1.1 Gegevens aanvrager

Op 5 juli 2021 is een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen. Het betreft een verzoek van Donker Groep B.V. aan de Harste 5 in Sneek.

1.2. Projectbeschrijving

Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is als volgt te omschrijven: De huidige vergunning is op diverse onderdelen verouderd en de feitelijke situatie wijkt af van de vergunde situatie. Ook heeft Donker Groep B.V. het voornemen om een aantal veranderingen met betrekking tot de activiteiten en de bedrijfsvoering door te voeren. Hiervoor is een nieuwe voor de gehele inrichting omvattende revisievergunning ingevolge de Wabo aangevraagd.

Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag om vergunning. Gelet op bovenstaande omschrijving wordt vergunning gevraagd voor de volgende in de Wabo omschreven activiteiten:

  • het bouwen van een bouwwerk op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a;

  • het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder b;

  • het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c;

  • het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting en het in werking hebben van een inrichting op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, juncto artikel 2.6 van de Wabo (revisievergunning).

Als één of meer van bovengenoemde activiteiten plaatsvinden, moet daarnaast beoordeeld worden of een aantal toestemmingsstelsels kan worden aangehaakt. Of daadwerkelijk moet worden aangehaakt, volgt niet uit de Wabo, maar uit de desbetreffende wet. Er is hierbij ook gekeken naar de Wet natuurbescherming. Op 16 december 2016 is een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming afgegeven aan Donker Groep B.V. aan de Harste 5 in Sneek. De wijzigingen blijven binnen de vergunde ruimte, waardoor er voor de aangevraagde wijzigingen geen vergunning voor de Wet natuurbescherming geldt.

1.3. Omschrijving van de aanvraag

De aanvraag bestaat uit de volgende delen:

  • Aanvraagformulier met OLO nummer 5620663, ingediend op 05 juli 2021

  • Bijlage 1 Technische en niet-technische samenvatting alsmede beschrijving van de activiteiten en milieugevolgen in het kader van een aanvraag omgevingsvergunning, rapportnummer Don.Snee.20.NTS.rev-05, datum 1 februari 2022

  • Bijlage 2 machtiging Donker Groep B.V., datum 26 augustus 2020

  • Bijlage 3: Overzicht te accepteren (afval)stoffen, opslagcapaciteit, eigenschappen en handelingen, rapportnummer Don.Snee.20.A&G-04, datum 24 januari 2022

  • Bijlage 4: Procedure acceptatie en verwerking (A&V) en administratieve organisatie en interne controle (AO/IC), rapportnummer Don.Snee.20.A&V-04, datum 24 januari 2022

  • Bijlage 5: Onderzoek luchtkwaliteit, rapportnummer Don.Sne.20.LK WB-02, datum 25 mei 2021

  • Bijlage 6: Akoestisch onderzoek, rapportnummer Don.Sne.20.AO WB-02, datum 19 januari 2021

  • Bijlage 7: Geuronderzoek rapportnummer Don.Sne.20.GO WB-02 datum 21 mei 2021

  • Bijlage 8: NRB bodemrisicoanalyse, rapportnummer Don.Sne.20.NRB-02, 16 maart 2021

  • Bijlage 9:IPPC & BBT toets, rapportnummer Don.Snee.20.IPPC-02, datum 26 mei 2021

  • Bijlage 10: Wateranalyse, rapportnummer Don.Snee.20.wat.rev-02, 27 mei 2021

  • Bijlage 11: Melding ABM, sessie Ac4904cfco5, datum 25 november 2020

  • Bijlage 12-1:Plattegrond, tekeningnummer 2021-03-29_overzicht, datum 29 maart 2021

  • Bijlage 12_2: Rioleringstekening, 2020-11-20

  • Bijlage 13: verkennend bodemonderzoek, PROJECT 25585, datum 9 juni 2020

  • Bijlage 14: energiemanagementvisie 2022, datum 20 juni 2018

  • Notitie Aanvullende gegevens aspect energie revisievergunning Donkergroep, 07 december 2021

  • Tekening DO_01 bouwen kapschuur, Projectnummer 2232 blad 1, datum 21-01-2022

  • Tekening DO_02 bouwen kapschuur, Projectnummer 2232 blad 2, datum laatst gewijzigd 10-06-2020

  • Tekening DO_03 bouwen kapschuur, Projectnummer 2232 blad 3, datum laatst gewijzigd 10-06-2020

  • Tekening bouwen_plattegrond keermuur, datum 2020-09-01

  • Archeologisch onderzoek Harste 5 te Sneek, GRA-rapport 2018.03 ISSN 2468-8258, datum 23-01-2020

  • Aerius calculator depositieberekening RyDzPpeStaRg, datum berekening 26 maart 2021

  • Aerius calculator depositieberekening S1ho2Y9HHVtB, datum berekening 26 maart 2021

  • Brief verzoek om formele aanvraag Súdwest-Fryslân, datum 12 december 2019

  • Toelichting Aerius en depositie ten gevolge van activiteiten aan de Harste 5 Sneek, referentie Don.Sne.21.AE-01, datum 26 maart 2021,

  • Bijlage productinformatieblad bouwen PGS 15 opslag, Aangemaakt op: 26-08-2020

  • Besluit mer beoordeling, kenmerk 2021-FUMO-0051381, d.d.1 juli 2021

1.4. Huidige vergunningsituatie

Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd:

SOORT VERGUNNING

DATUM

KENMERK

ONDERWERP

Wet milieubeheer # (revisievergunning)

1 november 2004

576680

Revisievergunning

Ambtshalve wijziging#

28 juli 2005

607533

Wijziging voorschrift geluid

Wet milieubeheer # (veranderingsvergunning)

9 maart 2007

684724

Tafelbeluchting, mobiele brandstoftanks, opslag verduurzaamd hout, compostreiniging.

Wet milieubeheer # (veranderingsvergunning)

12 januari 2009

803358

Wijziging voorschriften opslag slootmaaisel en gras.

Melding art. 8.19 Wet milieubeheer#

24 september 2008

784794

verwerken hout tot houtchips);

Melding art. 8.19 Wet milieubeheer#

9 september 2009

849520

Kantoor met bedrijfsgebouw

Melding Activiteitenbesluit

25 april 2012

01002279

Opslag grond

Melding Activiteitenbesluit

13 september 2013

01089881

Houtverbrandingskachel

Ambtshalve wijziging

3 december 2019

2019-FUMO-0032770

Actualisatie LAP3

De hierboven genoemde vergunningen waar een # bij staat, zijn volgens de Invoeringswet Wabo gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd.

1.5 Vergunningplicht

De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Bor. De volgende categorieën zijn van toepassing:

Categorie

Omschrijving

1

opgesteld vermogen van aanwezige elektromotoren en verbrandingsmotoren

2

Inrichtingen voor de opslag van gassen

5

Inrichtingen voor de opslag van brandbare vloeistoffen

7

Op- en overslag en bewerken van overige organische meststoffen zoals

uitgerijpte compost

10

Opslaan bestrijdingsmiddelen

11

Opslag ten behoeve cultuurtechniekbedrijf en mengen van grond conform BRL 9335-4

13

Werkplaats voor onderhoud eigen materieel

15

In werking hebben timmerwerkplaats

28

Nuttige toepassing van (groen)afval.

Op grond van categorie 28.10 is sprake van een vergunningplichtige activiteit.

Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort genoemd in Bijlage I, categorie 5.3b van de Richtlijn industriële emissies (Rie). Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor sprake van een vergunningplichtige inrichting.

1.8 Bevoegd gezag

Wij zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4, tweede lid van de Wabo juncto artikel 3.3, eerste lid van het Bor, op grond van de activiteiten van de inrichting, genoemd in Bijlage I onderdeel C, categorie 28.4 van het Bor.

1.7 Coördinatie met de Waterwet

De aangevraagde activiteit heeft betrekking op een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort.

De aanvraag is voor advies voorgelegd aan Wetterskip Fryslân. Er is geconcludeerd dat er geen sprake is van een handeling waarvoor watervergunning voor het lozen van stoffen als bedoeld in artikel 6.27, eerste lid van de Waterwet vereist is.

1.8 Beoordeling van de aanvraag

Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid. In verband met het ontbreken van een aantal gegevens hebben wij de aanvrager in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen. Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag opnieuw getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag met de aanvullende gegevens voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen.

1.9 Procedure

Deze beschikking is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop zijn wij niet verplicht om van de aanvraag kennis te geven in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze, tenzij bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Nu deze uitzonderingsgrond zich niet voordoet hebben wij geen kennisgegeven van de aanvraag.

1.10 Adviezen en zienswijzen

In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden:

  • -

    Wetterskip Fryslân

  • -

    Gemeente Súdwest-Fryslân

  • -

    Welstandscommissie

  • -

    Veiligheidsregio Fryslân.

Adviezen

Wetterskip Fryslân heeft advies gegeven. Het advies richt zich op het aspect milieu. Het advies is positief en verder verwerkt in hoofdstuk 5 Afvalwater.

De gemeente Súdwest-Fryslân heeft een ruimtelijk advies gegeven. Dit advies is verwerkt in de overwegingen. De gemeente Súdwest-Fryslân heeft het plan ook voorgelegd aan de welstandscommissie Hûs en Hiem, die positief heeft geadviseerd. Dit advies is in zijn geheel overgenomen.

De veiligheidsregio heeft geadviseerd. Het advies van de veiligheidsregio richt zich op veiligheid en het Bouwbesluit. De veiligheidsregio heeft aangegeven dat op de plattegrondtekeningen geen blusmiddelen zijn aangegeven en er geen informatie te vinden is over de brand- en rookklasse van toe te passen constructiematerialen. Deze aanpassingen zijn verwerkt door de aanvrager. Daarmee is het advies opgevolgd.

Tussen 7 maart en 17 april 2022 heeft het ontwerp ter inzage gelegen en is een ieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is op 14 april 2022 door de aanvrager van deze vergunning gebruik gemaakt. Daarnaast kregen wij op 14 april 2022 een advies van Brandweer Fryslân dat wij inhoudelijk behandelen als een zienswijze, omdat de ontwerpvergunning al ter visie gelegen heeft.

Zienswijze Donker Groep BV (hierna Donker):

  • 1.

    Hoofdstuk 3 vergunningvoorschriften

Zienswijze voorschriften 3.2.1, 3.2.2, 3.3.3 en 3.3.4

“Centraal in deze voorschriften is opgenomen dat bij de handelingen van groenafval zijnde schredderen, mechanische transport en overslag er bevochtigd dient te worden ter voorkoming van stofverspreiding. Het verspreiden van stof kan niet plaatsvinden omdat groenafval niet als stuifgevoelig wordt aangemerkt overeenkomstig bijlage 3 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer. Behoudens het feit dat groenafval niet stuifgevoelig is, bevat groenafval 50% vocht, waardoor er geen stofvorming kan optreden bij voornoemde handelingen. Op grond van het bovenstaande moet worden geconcludeerd dat dit voorschrift overbodig is. Verzocht wordt om de voorschriften onder 3.2.1 t/m 3.2.4 te laten vervallen.”

Ad.1 Reactie op zienswijze

U bent van mening dat het verspreiden van stof niet kan plaatsvinden, omdat groenafval niet als stuifgevoelig wordt aangemerkt. Wij zijn echter wel van mening dat door het shredderen van groenafval stof kan vrijkomen. Vers gekapt hout kan tot 50% vochtigheid bevatten, maar er wordt niet alleen vers gekapt hout geaccepteerd. Groenafval valt onder stuifklasse S4-S5. Omdat de activiteit van Donker onder categorie 5.3 van de IPPC-richtlijn valt, moet het bedrijf voldoen aan de Beste Beschikbare technieken (BBT). BBT voor houtshredders staat beschreven in 14d en e van de BREF Afvalbehandeling. Hierin staat dat ter voorkoming van diffuse emissies naar de lucht, het afval bevochtigd moet worden. Dit is een minimale BBT-maatregel. De zienswijze leidt niet tot wijziging van de omgevingsvergunning.

Wij verklaren de zienswijze ongegrond.

  • 2.

    Hoofdstuk 4 vergunningvoorschriften

Zienswijze energievoorschriften 4.1.1, 4.1.2, 4.1.3, 4.1.4, 4.1.5, 4.1.6, 4.1.7, 4.1.8., 4.1.9 en 4.1.10

“De onder hoofdstuk 4 gestelde dat uiterlijk 1 augustus 2022 en vervolgens elke 4 jaar voor een juli een rapportage van een energieonderzoek ter goedkeuring bij het bevoegd gezag moet worden ingediend. Navolgend wordt uiteengezet waaraan deze rapportage moet voldoen. In de navolgende voorschriften wordt verwezen /gerefereerd aan het voornoemde energieonderzoek. Donker neemt deel aan de C02 prestatieladder niveau 5 en is in het bezit van keurcompost certificering. Vanaf niveau 3 geldt sinds 2016 dat deze certificering een erkend alternatief is voor de EED Energie-audit verplichting. Donker heeft haar energiestromen dus kwalitatief in kaart gebracht en beschikt over een lijst potentiële opties voor energiebesparing en duurzame energie. Donker communiceert intern (ISO gelijkwaardige certificering) op ad hoe basis over haar beleid m.b.t. energiebesparing en duurzame energie en is op de hoogte van sector- en keteninitiatieven op het gebied van CO2-reductie. Hiermee wordt voldaan aan BBT, zoals geconcludeerd in de overweging. Op grond van het bovenstaande moet worden geconcludeerd dat de gestelde voorschriften overbodig zijn. Verzocht wordt om de voorschriften onder hoofdstuk 4 te laten vervallen danwel toe te herschrijven zodat deze aansluiten bij de verplichte BBT maatregelen.”

Ad. 2 Reactie op zienswijze

U bent van mening dat de energievoorschriften 4.1.1 tot en met 4.1.10 overbodig zijn. Als onderbouwing daarvoor geeft u aan dat uw bedrijf deelneemt aan CO2-prestatieladder niveau 5 en aan keurcompostcertificering en dat u energiestromen en mogelijke opties voor energiebesparing en duurzame energie in kaart heef gebracht. Verder geeft u aan dat u intern over uw energiebeleid communiceert en dat u CO2-reductie-initiatieven van de sector/keten kent. U stelt dat uw bedrijf daarmee reeds voldoet aan BBT.

Zoals toegelicht in hoofdstuk 7 van deze vergunning, geldt voor vergunningplichtige bedrijven dat de energievoorschriften uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling niet rechtstreeks werkend zijn. Regels voor energiebesparing worden dan ook via voorschriften in de vergunning geregeld op basis van artikel 5.7 van het Bor. Dat artikel verplicht het bevoegd gezag voorschriften aan de vergunning te verbinden met betrekking tot een doelmatig gebruik van energie en grondstoffen. Dit betekent dat moet worden getoetst of de inrichting voldoet aan de BBT om tot een zuinig energieverbruik te komen. Een energiebesparende maatregel moet genomen worden als de terugverdientijd vijf jaar of korter is (rendabele energie-maatregelen).

Om die reden is in de vergunning voorgeschreven dat:

  • -

    periodiek onderzoek dient te worden verricht naar rendabele maatregelen met bijbehorend uitvoeringsplan (voorschrift 4.1.1);

  • -

    vergunninghouder de geïdentificeerde rendabele maatregelen ook daadwerkelijk dient uit te voeren (voorschrift 4.1.5);

  • -

    jaarlijks over het energieverbruik en uitvoering van energie-maatregelen dient te worden gerapporteerd (voorschrift 4.1.9).

Verder hebben wij overwogen dat CO2-prestatieladder een instrument is dat bedrijven helpt bij het reduceren van hun CO2-uitstoot, waarbij de mate van CO2-reductie leidend is bij het identificeren van mogelijke energiebesparingsmaatregelen. Er is dan ook op voorhand geen zekerheid dat met CO2-prestatieladder voor deze inrichting alle rendabele energiemaatregelen worden geïdentificeerd en uitgevoerd. Dit geldt ook voor andere door u genoemde initiatieven (zoals keurcompostcertificering, kennisontwikkeling, communicatie, branche-initiatieven etc.) die elementen over energie-efficiëntie bevatten.

Overigens geldt uiteraard dat de bepaling dat rendabele maatregelen moeten worden getroffen, alleen dan extra besparingsinspanning vergt wanneer deze maatregelen niet reeds worden getroffen vanuit CO2-reductiedoelstelling of vanuit andere initiatieven. Dat geldt eveneens voor de in deze vergunning voorgeschreven onderzoeks- en rapportage-inspanning. Het is dan ook raadzaam om informatie uit andere (energiebesparings-) initiatieven te betrekken bij de invulling van de voorschriften van deze vergunning. Daarmee kunt u de extra administratieve last die de voorschriften van deze vergunning met zich mee brengen, beperken. Wij zijn van mening dat de voorschriften een bijdrage leveren aan het verminderen van de milieubelasting als gevolg van energiegebruik en niet zorgen voor een onevenredige onderzoeks- en rapportage-inspanning. De zienswijze leidt niet tot wijziging van de omgevingsvergunning.

Wij verklaren de zienswijze ongegrond.

  • 3.

    Hoofdstuk 6 vergunningvoorschriften

Zienswijze voorschrift 6.1.6.

"Onder voorschrift 6.1.6 wordt gesteld dat dierlijke meststoffen inpandig dienen te worden opgeslagen. Er worden geen dierlijke meststoffen binnen de inrichting opgeslagen en dat is ook niet aangevraagd. Op grond van het bovenstaande wordt verzocht voorschrift 6.1.6 te laten vervallen.”

Ad. 3 Reactie op zienswijzen

Reactie op zienswijze voorschrift 6.1.6

Er is inderdaad geen opslag van dierlijke meststoffen aangevraagd. De zienswijze is gegrond en het voorschrift is daarom verwijderd.

Wij verklaren deze zienswijze gegrond.

Zienswijzen voorschriften 6.1.7, 6.1.9, 6.1.10, 6.1.11 en 6.1.12 (wordt voorschrift 6.1.6, 6.1.8, 6.1.9, 6.1.10, 6.1.11)

“Voornoemde voorschriften hebben betrekking op het uitvoeren van een geuronderzoek en geurbeheerplan. Het toetsingskader voor geurhinder geldt sinds 1 januari 20168 artikel 2.3a juncto 2.7a van het Activiteitenbesluit (hierna AB). In artikel 2.3a lid 2 van het AB staat:

2. In afwijking van het eerste lid is deze afdeling, met uitzondering van de artikelen 2.4, tweede lid, niet van toepassing op emissies naar de lucht van een IPPC-installaties indien en voor zover voorde activiteit of het type productieproces BBT-conclusies voor deze emissies zijn vastgesteld op grond van artikel 13, vijfde en zevende lid, van de EU-richtlijn industriële emissies. Indien de BBT-conclusie van toepassing is op een groep van stoffen, geldt de eerste volzin voor alle stoffen die tot die groep van stoffen behoren. 

De relevante BBT-conclusies voor de IPPC-categorieën onder 5.3b is de BREF Afvalbehandeling vastgesteld in 2018 en BBT-conclusies voor afvalbehandeling. De IPPC activiteiten biologische behandeling (compostering) en voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding (productie van biomassa uit snoeihout) vallen onder de activiteiten R3 uit de bijlage II van de Kaderrichtlijn afvalstoffen. R 3 Recycling/terugwinning van organische stoffen die niet als oplosmiddel worden gebruikt (met inbegrip van compostering en andere biologische omzettingsprocessen). In de BREF -afvalbehandeling zijn geen emissie- of immissienormen voor composteren van groenafval of productie van biomassa opgenomen, wel BBT-maatregelen.

Toetsingskader is dus het vastgesteld geurbeleid. In het geuronderzoek opgesteld conform de NTA 9065 (rapport Don.Sne.20.GO WB-02 van 21 mei 2021) dat onderdeel uitmaakt van het ontwerp besluit is getoetst aan de gestelde normen. Uit het onderzoek blijkt, zoals uw college terecht stelt, dat de aangevraagde situatie voldoet aan de gestelde nomen, waarbij opgemerkt wordt dat de reeds vergunde situatie wordt gerespecteerd, en feitelijk zelfs er een afname is van de geurimmissie ten opzichte van de vergunde situatie. Samen met de getroffen maatregelen wordt dus voldaan aan de BBT conclusie c.q. Eisen uit de BREF afvalbehandeling. Uit het bovenstaande moet worden geconcludeerd dat het uitgevoerde geuronderzoek dat deel uitmaakt van het (ontwerp) besluit afdoende aantoont dat wordt voldaan aan de gestelde geurnormen. Aangezien het onderzoek conform de NTA9065 is opgesteld is het niet legitiem om binnen 6 maanden na start van de aangevraagde activiteiten een onderzoek te verlangen. Tevens ontbreekt een motivering van uw college waarom een geuronderzoek moet worden uitgevoerd, mede gelet op het feit dat de geurhinder afneemt, er geen geurklachten zijn en wordt voldaan aan de beleidsregels van de provincie Fryslân voor het aspect geur is het, wederom, verzoeken van een onderzoek niet legitiem.

Aangezien reeds is voldaan aan dit voorschrift wordt op grond van het bovenstaande verzocht voorschrift 6.1.7 en 6.1.9 te laten vervallen.

In voorschrift 6.1.10 en 6.1.11 wordt gesteld dat een geuronderzoek moet worden uitgevoerd conform een door het bevoegd gezag meetplan. Als onderdeel van de aanvraag is reeds voldaan aan dit voorschrift omdat het betreffende meetplan reeds opgenomen is in het voornoemde geuronderzoek. Aangezien reeds is voldaan aan dit voorschrift wordt op grond van het bovenstaande, in aansluiting van voornoemde zienswijze, verzocht voorschrift 6.1.10 en 6.1.11 te laten vervallen.

In voorschrift 6.1.12 is opgenomen dat meetpunten indien mogelijk moeten worden uitgevoerd overeenkomstig NEN-EN 15259. Deze norm is te herleiden naar BBT 34 uit de BREF afvalbehandeling. BBT 34 is voor Donker geheel niet van toepassing aangezien deze norm van toepassing is voor geleide emissies. Er zijn binnen Donker geen geleide emissies aanwezig waardoor dit voorschrift overbodig is. Verzocht wordt om voorschrift 6.1.12 te laten vervallen.”

Reactie op zienswijze voorschriften 6.1.7, 6.1.9, 6.1.10, 6.1.11 en 6.1.12 (wordt voorschrift 6.1.6, 6.1.8, 6.1.9, 6.1.10, 6.1.11)

Voorschrift 6.1.7 (wordt voorschrift 6.1.6) is een zogenaamd monitoringsvoorschrift. Het geuronderzoek dat is ingediend bij de aanvraag betreft een geuronderzoek op basis van kengetallen. Op basis van dit geuronderzoek zijn geurnormen gesteld in voorschriften 6.1.3 en 6.1.4 van deze vergunning. Daarom moet eenmalig een geuronderzoek worden uitgevoerd naar de werkelijke geuremissies in combinatie met geurverspreidingsberekeningen, om te controleren of de opgelegde geurnormen op basis van het kengetallenonderzoek niet worden overschreden. Het bevoegde gezag is verplicht om een dergelijk voorschrift op te nemen. Dit volgt uit artikel 5.5, lid 4 van het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Wij verklaren de zienswijze deels ongegrond en deels gegrond, omdat wij in de zienswijze wel aanleiding hebben gezien om voorschrift 6.1.7 (wordt voorschrift 6.1.6) aan te vullen om de uitvoering te verduidelijken.

Voorschrift 6.1.7 (wordt voorschrift 6.1.6) hebben wij als volgt aangevuld.

Binnen 6 maanden na start van de aangevraagde activiteiten moet vergunninghouder, door middel van het uitvoeren van een geuronderzoek bestaande uit geurmetingen en berekeningen conform de NTA 9065, aantonen dat de geuremissie(s) de in dit hoofdstuk opgenomen normen niet overschrijden. Dit geuronderzoek dient conform voorschrift 6.1.8 te worden uitgevoerd.

Voorschrift 6.1.9 (wordt voorschrift 6.1.8) geeft aan waaraan een geuronderzoek moet voldoen indien dit moet worden uitgevoerd. Op basis van voorschrift 6.1.8 (wordt voorschrift 6.1.7) kunnen wij een geuronderzoek verlangen en voorschrift 6.1.9 (wordt voorschrift 6.1.8) voorziet in de invulling van dit geuronderzoek. Met voorschrift 6.1.9 (wordt voorschrift 6.1.8) wordt tevens voldaan aan de invulling gevraagd vanuit artikel 5.5, lid 4 van het Bor.

Wij verklaren de zienswijze deels ongegrond en deels gegrond, omdat wij in de zienswijze wel aanleiding hebben gezien om voorschrift 6.1.8 (wordt voorschrift 6.1.7) aan te vullen, waardoor de relatie met voorschrift 6.1.9(wordt voorschrift 6.1.8) wordt verduidelijkt.

Voorschrift 6.1.8 (wordt voorschrift 6.1.7) hebben wij als volgt aangevuld.

Wanneer het aantal gegronde klachten daartoe aanleiding geeft, moet vergunninghouder op een gemotiveerd verzoek van het bevoegd gezag een onderzoek verrichten naar de oorzaak van de klachten en de mogelijkheden om geuroverlast te voorkomen. Indien na implementatie van de geurbeperkende mogelijkheden de klachten blijven aanhouden dient op verzoek van het bevoegde gezag een geuronderzoek bestaande uit geurmetingen en berekeningen conform de NTA 9065, aantonen dat de geuremissie(s) de in dit hoofdstuk opgenomen normen niet overschrijden. Dit geuronderzoek dient conform voorschrift 6.1.8 te worden uitgevoerd.

Voorschrift 6.1.10 (wordt voorschrift 6.1.9) gaat in op de inhoud van een meetplan voor een geuronderzoek. Indien een geuronderzoek wordt verlangd door het bevoegde gezag, moet dit onderzoek worden uitgevoerd op basis van een vooraf goedgekeurd meetplan. Op basis van voorschrift 6.1.8 (wordt voorschrift 6.1.7) kunnen wij een geuronderzoek verlangen en daarom is voorschrift 6.1.10 (wordt voorschrift 6.1.9)een aanvullend voorschrift om invulling te geven aan het gevraagde meetplan in voorschrift 6.1.9 (wordt voorschrift 6.1.8).

Wij verklaren de zienswijze ongegrond.

Voorschrift 6.1.11 (wordt voorschrift 6.1.10) betreft het opstellen van een geurbeheerplan. Dit volgt uit de BREF afvalbehandeling. Het opstellen van een geurbeheerplan is BBT 12 in de BREF en is onderdeel van de algemene conclusie BBT 1. Uit de aanvraag blijkt dat zowel de streefwaarde als de richtwaarde uit het provinciaal geurbeleid wordt overschreden. Dit houdt feitelijk in dat er geurhinder kan optreden als gevolg van de activiteiten van Donker. BBT 12 uit de BREF geeft aan dat er een geurbeheerplan dient te worden opgesteld als er geurhinder kan optreden. Daarnaast zijn er in het verleden geurklachten geweest als gevolg van de activiteiten van Donker.

Wij verklaren de zienswijze ongegrond.

Voorschrift 6.1.12 (wordt voorschrift 6.1.11) houdt in dat indien mogelijk meetpunten worden uitgevoerd overeenkomstig de NEN 15259. Binnen de inrichting is een houtkachel aanwezig met geleide emissies naar buiten. Indien er klachten optreden als gevolg van emissie van deze houtkachel en er metingenmoeten worden uitgevoerd, dan moet het meetpunt voldoen aan de NEN 15259.

Wij verklaren de zienswijze ongegrond.

  • 4.

    Hoofdstuk 8 vergunningvoorschriften

Zienswijzen voorschriften 8.1.3 en 8.1.4

“Voornoemde voorschriften stellen maatregelen bij stoffen van stuifklasse S1/S3. Er worden binnen de inrichting geen stoffen opgeslagen met een stuifklasse SI en/of S2. Op grond van het bovenstaande wordt verzocht voorschrift 8.1.3 en 8.1.4 aan te passen aan de gevraagde situatie.”

Reactie op zienswijzen voorschriften 8.1.3 en 8.1.4

Wij hebben voorschrift 8.1.3 verwijderd en voorschrift 8.1.4 (wordt voorschrift 8.1.3) aangepast, omdat S1 en S2 niet binnen de inrichting voorkomen.

Wij verklaren deze zienswijze gegrond.

Zienswijze voorschriften 8.1.11, 8.1.12, 8.1.13 en 8.1.14

“Voornoemde voorschriften hebben betrekking op het gebruik van transportbanden. Binnen de inrichting worden geen transportbanden gebruikt. Op grond van het bovenstaande wordt verzocht voorschrift 8.1.11, 8.1.12, 8.1.13 en 8.1.14 te laten vervallen.”

Reactie op zienswijze voorschriften 8.1.11, 8.1.12, 8.1.13 en 8.1.14

Deze voorschriften zijn verwijderd. Wij zien ook geen transportbanden vermeld in de IPPC-toetsing of niet technische samenvatting bij de aanvraag.

Wij verklaren deze zienswijze gegrond.

Zienswijzen van de Brandweer Fryslân:

Wij hebben op 14 april 2022 van een advies ontvangen over de ontwerp-beschikking van Brandweer Fryslân.

De brandweer Fryslân adviseert om:

  • a.

    kennis ervan te nemen dat haar advies met betrekking tot de activiteit bouwen beschreven staat in haar advies met kenmerk Z/21/00006720 UIT/17149, d.d. 14 juli 2021;

  • b.

    voor de brandstoftank de van toepassing zijnde voorschriften uit PGS 30 op te nemen in de vergunning;

  • c.

    met Donker te bespreken dat door de afwezigheid van bluswatervoorzieningen op het eigen terrein, het bestrijden van een ontwikkelde brand pas kan starten mogelijk na 45 tot 60 minuten. Dit in verband met de opbouwtijd van ons watertransportsysteem;

  • d.

    met de gemeente te bespreken dat een brand bij Donker veel tijd in beslag kan nemen en overlast door de rook voor de omgeving mogelijk kan leiden tot ontruiming van het benedenwindse gebied. Dit in verband met de beschreven omvang van de buitenopslagen met brandbaar materiaal;

  • e.

    een voorwaarde in de vergunning op te nemen dat Donker aantoont:

    • dat bij brand in een buitenopslag er geen onveilige situatie kan ontstaan op een aangrenzend gelegen perceel, zoals bedoeld in artikel 7.7, lid 2a van het Bouwbesluit.

    • welke handelingen het bedrijf doet om brand te voorkomen.

Hierover merken wij het volgende op:

Wij hebben met a. rekening gehouden en deze aanpassingen op de ontbrekende onderdelen zijn verwerkt door de aanvrager. Daarmee is het advies opgevolgd.

De punten b en e zijn rechtstreeks werkend vanuit het Activiteitenbesluit en het Bouwbesluit 2012.

Ad. b:

Op type C-inrichtingen, die vergunningplichtig zijn, kunnen bepaalde artikelen uit het Activiteitenbesluit van toepassing zijn. Dit betekent dat bepaalde voorschriften uit het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling een rechtstreekse werking hebben en niet in de vergunning mogen worden opgenomen. De inrichting van Donker waarvoor de revisievergunning is aangevraagd, wordt aangemerkt als een type C-inrichting met een IPPC-installatie. Voor zover de aangevraagde activiteiten vallen onder het Activiteitenbesluit, moet worden voldaan aan de volgende artikelen uit het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling:

Paragraaf 3.3.1: Afleveren van vloeibare brandstof aan motorvoertuigen voor het wegverkeer;

Paragraaf 3.4.9: Opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank.

Voorheen moest de opslag van smeerolie en afgewerkte olie voldoen aan de eisen volgens BRL K903 en PGS 30. Sinds 1 januari 2015 zijn voor afgewerkte-olietanks bodembeschermende voorzieningen voldoende. Eisen volgens de BRL K903 en PGS 30 gelden in de aangevraagde situatie niet.

Ad. c:

Wij stellen Donker hiervan schriftelijk in kennis.

Ad. d:

Brandweer Fryslân heeft laten weten dat uit onderzoek is gebleken dat toxiciteit van rook van een brand met ‘niet-gevaarlijke stoffen’ dermate hoog is, dat dit een gezondheidsrisico is voor de mens.

Bij Donker wordt met name grond en biomassa opgeslagen en verwerkt. Wij hebben in het kader van bestemmingsplan de gemeente om advies gevraagd. Het advies van de brandweer zal bij de gemeente onder de aandacht gebracht worden, zodat de gemeente kennis neemt van het advies.

Ad. e:

Artikel 7.7 Bouwbesluit 2012 (Brandbare niet- gevaarlijke stoffen).

Als er brandbare – niet milieugevaarlijke stoffen worden opgeslagen, is artikel 7.7. van toepassing. Volgens de nota van toelichting op het Bouwbesluit vallen de aangevraagde stoffen niet onder de regelgeving, omdat het brandgevaarlijk zijn op zich niet als een direct milieurisico wordt gezien.

Vanuit het aspect bouwen kunnen wij wel om deze informatie vragen indien er aanleiding toe is. Omdat de activiteit bouwen onderdeel is van deze vergunning, nemen wij artikel 7.7 in de considerans op dat voldaan moet worden aan de artikelen uit het Bouwbesluit ten aanzien van de opslag van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen.

De regels uit het Bouwbesluit zijn rechtstreeks werkend. Donker moet voldoen aan artikel 7.7 van genoemd besluit. Wij hebben de vergunning tekstueel aangepast door een verwijzing op te nemen in Hoofdstuk 13.2. overwegingen.

1.11 Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen dat deze wet aanhaakt bij de Wabo wanneer:

  • 1.

    een activiteit plaatsvindt in of om een Natura 2000-gebied en deze activiteit de kwaliteit van de habitats en de habitats van soorten verslechtert (handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden), en/of;

  • 2.

    een activiteit plaatsvindt waarbij in onvoldoende mate sprake is van het beschermen van inheemse plant- en diersoorten en het bewaken van de biodiversiteit tegen invasieve uitheemse plant- en diersoorten (handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten).

Een omgevingsvergunning natuur is niet van toepassing wanneer al toestemming op basis van de Wnb is verkregen of gevraagd. Verder is een omgevingsvergunning niet van toepassing wanneer voor het voorgenomen project geen vergunning en ontheffing op grond van de Wnb nodig is.

Voor het composteren is op 16 december 2016 een vergunning voor de natuurbeschermingswet 1998 verleend. Andere wijzigingen passen binnen de reeds vergunde rechten.

Dit betekent dat de Wnb niet aanhaakt in deze Wabo-procedure.

2. TOETSINGSKADER MILIEU

2.1. Inleiding

De aanvraag heeft betrekking op het veranderen (revisie) van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder e en artikel 2.6 van de Wabo.

2.2. Toetsing oprichten, veranderen en/of revisie

Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij conform artikel 2.14, eerste lid, onder a, b en c van de Wabo:

  • de bestaande toestand van het milieu betrokken;

  • met het milieubeleidsplan rekening gehouden;

  • de beste beschikbare technieken in acht genomen.

In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn.

2.3. Activiteitenbesluit 

In het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) zijn voor een groot aantal activiteiten die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen.

De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, is aangemerkt als een inrichting waarvoor vergunningplicht (type C-inrichting) geldt.

Binnen het bedrijf vinden de volgende activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit;

  • uitvoeren van bodembedreigende activiteiten;

  • doelmatig beheer van afvalstoffen

  • lozen van hemelwater dat niet afkomstig is van een bodem beschermende voorziening;

  • het in werking hebben van een middelgrote stookinstallatie, gestookt op standaard brandstof;

  • het afleveren van diesel aan motorvoertuigen voor het wegverkeer;

  • het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen en werktuigen;

  • het opslaan van inerte goederen;

  • opslag van gasolie en afgewerkte olie.

Er moet worden voldaan aan de volgende paragrafen uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling, voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten:

  • Paragraaf 3.1.3 Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;

  • Paragraaf 3.2.1 Het in werking hebben van een middelgrote stookinstallatie, gestookt op standaard brandstof

  • Paragraaf 3.3.1 Afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer of afleveren van vloeibare brandstof aan spoorvoertuigen;

  • Paragraaf 3.3.2 Het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen;

  • Paragraaf 3.4.3 Opslaan en overslaan van goederen;

  • Paragraaf 3.4.9 Opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank;

  • Paragraaf 3.5.2 Telen en kweken van gewassen in een gebouw, anders dan in een kas.

Voor het overige is per hoofdstuk of afdeling aangegeven of deze op een type C-inrichting van toepassing is. Dit betekent dat ook hoofdstuk 1, afdeling 2.1 tot en met 2.4, 2.10 en 2.11 van hoofdstuk 2 en de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing kunnen zijn. Van belang voor deze vergunning is, of de inrichting ook voor de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen voldoet aan de best beschikbare technieken. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.

2.3.1. Melding Activiteitenbesluit

Gelet op artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit moet de verandering van de inrichting worden gemeld. De aanvraag wordt ten aanzien van de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen aangemerkt als melding.

De voorschriften voor het onderdeel milieu die in deze vergunning zijn opgenomen, betreffen aspecten en activiteiten die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling.

3. BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN

3.1. Toetsingskader

In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunningvoorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.

Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 5 en 7 van de Richtlijn industriële emissies (Rie).

Het verschil tussen artikel 13, lid 5 en lid 7 van de Rie is:

  • BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13, lid 5 heeft de Europese Commissie vastgesteld ná 6 januari 2011. Dit op basis van artikel 75, lid 2 van de Rie.

  • BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13, lid 7 is het hoofdstuk Best available techniques (BAT) uit de BREF's. De Europese commissie heeft deze BREF's vastgesteld vóór 6 januari 2011. Dit hoofdstuk geldt als BBT-conclusies totdat de Europese Commissie voor die activiteit nieuwe BBT-conclusies vaststelt.

3.2. Concrete bepaling beste beschikbare technieken

Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage 1 van de Rie uitgevoerd en wel de volgende:

  • -

    Bijlage I, categorie 5.3b, onder i van de Richtlijn industriële emissies (Rie): Nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 t per dag, door middel van een of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van activiteiten die onder Richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater vallen.

Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.

Op grond van artikel 9.2 van de Mor moet voor het bepalen van BBT binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT

Uit jurisprudentie is gebleken dat het bevoegd gezag bij het toetsen aan BBT-conclusies de ontwikkelingen van BBT moet nagaan die sinds het vaststellen van de BBT-conclusies hebben plaatsgevonden. Bronnen voor ontwikkelingen over BBT zijn onder andere de concepten van herziene BREF’s.

Bij het bepalen van de BBT hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies:

  • -

    BBT-conclusies afvalbehandeling, gepubliceerd op 17 augustus 2018;

  • -

    BREF Op- en overslag bulkgoederen (07/2006);

  • -

    BREF Energie-efficiëntie (02/2009).

Bij het bepalen van de BBT hebben wij rekening gehouden met de volgende informatiedocumenten over BBT, zoals aangewezen in de bijlage van de Mor:

  • -

    PGS 15: 2021, Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, versie 1.0 augustus 2021 (interim);

  • -

    NRB 2012; Nederlandse richtlijn bodembescherming, versie maart 2012

BBT-conclusies Afvalbehandeling

Op 17 augustus 2018 zijn BBT-conclusies Afvalbehandeling gepubliceerd.

In dit kader worden de best beschikbare technieken beoordeeld en getoetst die opgenomen zijn in respectievelijk paragraaf 5.1 (algemene BAT’s) en paragraaf 5.2 (BAT’s voor specifieke afvalverwerkingstechnieken) van de BREF Afvalbehandeling.

Onder paragraaf 4.4 wordt verder ingegaan op de BBT conclusies die van toepassing zijn vanuit de BBT conclusies afvalbehandeling.

Op basis van de bijlage bij de aanvraag ’IPPC en BBT toets’’ kan geconcludeerd worden dat de inrichting Donker Groep B.V. voldoet aan de BAT’s uit de BREF Afvalbehandeling 2018.

Uit de toetsing blijkt dat Donker Groep B.V. maatregelen en voorzieningen treft overeenkomstig de beste beschikbare technieken (BAT) en hiermee voldoet aan de BREF afvalbehandeling 2018.

BREF op- en overslag bulkgoederen (BREF ESB)

De BREF op- en overslag bulkgoederen (BREF ESB) is van toepassing op de opslag, het transport en de verlading van vloeistoffen, vloeibare gassen en vaste stoffen bij IPPC-installaties, onafhankelijk van de sector of industrie. De BREF gaat in op de emissies naar de lucht, bodem, water, waarbij de meeste aandacht uitgaat naar de emissies naar de lucht. De informatie met betrekking tot emissies van de opslag, handling en transport van vaste stoffen is gericht op stof.

Om de diffuse emissie van stof naar de lucht afkomstig van opslag en verlading van vaste stoffen bij IPPC-installaties te voorkomen, hebben wij voorschriften aan deze vergunning verbonden.

De opslag en overslag van inerte goederen valt onder de werkingssfeer van paragraaf 3.4.3 van het Activiteitenbesluit. Daarom kunnen hierover geen voorschriften in deze vergunning worden opgenomen.

De toetsing aan BREF “Op- en overslag bulkgoederen” is opgenomen in bijlage bij de aanvraag ‘’IPPC en BBT toets’’. Uit de toetsing blijkt dat Donker Groep B.V. maatregelen en voorzieningen treft overeenkomstig de vastgestelde BBT-informatiedocumenten . Hiermee voldoet Donker Groep B.V. aan de gestelde BBT-conclusies voor op- en overslag bulkgoederen.

BREF Energie-efficiëntie

De Bref energie-efficiëntie is tevens van toepassing bij Donker Groep B.V.

Deze BREF bevat derhalve richtsnoeren en conclusies inzake technieken voor energie-efficiëntie die voor alle onder de IPPC-richtlijn vallende installaties in het algemeen als BAT-compatibel worden beschouwd. Deze BREF bevat geen specifieke informatie over processen en activiteiten in sectoren die onder andere BREF-documenten vallen en stelt geen sectorspecifieke BBT vast.

Processpecifieke BAT voor energie-efficiëntie en daarmee samenhangende energieverbruiksniveaus worden in de desbetreffende verticale sectorspecifieke BREF-documenten gegeven (bijvoorbeeld BBT-conclusies nr. 11 en 23 Afvalbehandeling). Hieruit volgt dat de in dit besluit opgenomen voorschriften in overeenstemming zijn met de BREF Energie-efficiëntie.

De toetsing aan de BREF Energie-efficiëntie is opgenomen in de bijlage van de aanvraag ‘’IPPC en BBT toets’’.

Uit toetsing van dit document is gebleken dat Donker Groep B.V. voldoet wordt aan de maatregelen en voorzieningen overeenkomstig de beste beschikbare technieken (BAT) en hiermee voldoet aan de BREF energie-efficiëntie vastgesteld februari 2009.

3.3. Activiteitenbesluit

Het Activiteitenbesluit is gebaseerd op de Wet milieubeheer, waarin BBT als uitgangspunt geldt. De Nederlandse informatiedocumenten over BBT zijn opgenomen in de bijlage van de Regeling omgevingsrecht. Wanneer er een wijziging plaatsvindt van deze bijlage past de wetgever het Activiteitenbesluit en Activiteitenregeling daarop aan als dat nodig is.

De voorschriften uit het Activiteitenbesluit en Activiteitenregeling voldoen daarmee aan BBT.

3.4. Conclusies BBT

De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan BBT. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.

Wij zijn van oordeel dat de ingediende gegevens voldoende informatie bevatten voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. Het document ‘’IPPC en BBT toets’’, waarin staat hoe invulling is gegeven aan de BBT, laten wij daarom onderdeel uit maken van deze omgevingsvergunning.

4. AFVALSTOFFEN

4.1. Afvalstoffen algemeen

4.1.1. Preventie

Preventie van afval is een van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In deel B2 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP, is het beleid uitgewerkt voor afvalpreventie. In Nederland is een separaat afvalpreventieprogramma vastgesteld. De uitwerking van preventie-activiteiten vindt voornamelijk plaats via het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) en is inmiddels voortgezet in de vorm van het Rijks brede programma Circulaire Economie.

Op grond van artikel 5.4 (vaststelling van de beste beschikbare technieken) en artikel 5.7 van het Bor kan het bevoegd gezag voorschriften in omgevingsvergunningen opnemen om invulling te geven aan dit aspect.

In alle bedrijfsprocessen kunnen mogelijkheden bestaan om het ontstaan van afvalstoffen en het - directe of indirecte - gebruik van grondstoffen terug te dringen of de bestaande grondstoffen te vervangen door duurzame alternatieven. Zowel het beperken van de hoeveelheid afvalstoffen als het terugdringen van de hoeveelheid grondstoffen levert direct een financiële besparing op.

Uitgangspunt voor alle bedrijven is dat het ontstaan van afval moet worden voorkomen of beperkt.

Binnen de inrichting ontstaan de volgende afvalstoffen:

Soort afvalstof

Activiteit of bestemming/verkeer

Maximale hoeveelheid op enig moment

Maximale hoeveelheid per jaar

De scheidingsresiduen van bij compostering vrijkomende afvalstoffen

geëigend vergunninghouder; erkend inzamelaar t.b.v. nuttige toepassing

(behoudens 19 12 11* en 19 12 12)

100 m3

1000 ton

Bij de werkplaats vrijkomende afvalstoffen, bestaande uit:

  • -

    Synthetische motor, transmissie en smeerolie: 13 02 06

  • -

    Biologisch gemakkelijk afbreekbare motor,- transmissie en smeerolie: 13 02 07*

  • -

    Overige motor-, transmissie en smeerolie: 13 02 08*

  • -

    Absorbentia, filtermateriaal, poetsdoeken, en beschermende kleding die met gevaarlijke stoffen zijn verontreinigd: 15 02 02*

  • -

    Niet onder 15 02 02* vallende Absorbentia, filtermateriaal, poetsdoeken en beschermende kleding: 15 02 03

  • -

    Oliefilters: 16 01 07

  • -

    Niet onder 16 01 11 vallende remblokken: 16 01 12

  • -

    Remvloeistoffen: 16 01 13*

  • -

    Ferrometalen: 16 01 17

  • -

    Non-ferrometalen: 16 01 18

  • -

    Kunststoffen: 16 01 19

  • -

    Glas: 16 01 20

  • -

    Loodaccu’s: 16 06 01*

geëigend vergunninghouder; erkend inzamelaar tbv nuttige toepassing

1 m3

500 kg

Bij de olie waterscheider vrijkomende afvalstoffen bestaande uit:

  • -

    Olie uit olie/waterscheider 13 05 06*

  • -

    Met olie verontreinigd water uit obas: 13 05 07*

  • -

    Afvalmengsels uit zandvanger obas: 13 05 08*

geëigend vergunninghouder; erkend inzamelaar t.b.v. nuttige toepassing

5 m3

4800 kg

Bij het kantoor vrijkomende afvalstoffen bestaande uit:

  • -

    Gemengd stedelijk afval: 20 03 01

  • -

    Papier en karton 20 01 01

  • -

    Kunststoffen: 20 01 39

  • -

    Glas: 20 01 02

geëigend vergunninghouder; erkend inzamelaar.

5 m3

2000 kg

Gezien de hoeveelheid concluderen wij dat preventie niet relevant is. Wij hebben daarom in deze vergunning verder geen aandacht besteed aan de preventie van afvalstoffen.

4.1.2. Afvalscheiding

In artikel 2.12 van het Activiteitenbesluit zijn regels opgenomen over het scheiden van afvalstoffen. Daarin is onder andere bepaald dat het mengen van afvalstoffen die binnen de inrichting zijn ontstaan en geen gevaarlijke afvalstoffen zijn, gescheiden moeten worden opgeslagen en afgegeven indien dit op grond van LAP3 kan worden gevergd.

In deel B3 van LAP3 is het beleid uitgewerkt voor afvalscheiding, waarbij paragraaf B.3.4 specifiek ingaat op afvalscheiding door bedrijven. Voor bedrijfsafval is het niet goed mogelijk een limitatieve opsomming te maken van afvalstoffen die door alle bedrijven gescheiden moet worden gehouden. Bedrijven verschillen van aard en omvang veel van elkaar en er bestaat een groot aantal bedrijfsspecifieke afvalstoffen. Uitgangspunt is dat bedrijven verplicht zijn alle afvalstoffen gescheiden te houden en gescheiden af te geven, tenzij dat redelijkerwijs niet van hen kan worden gevergd.

In paragraaf B.3.4.2 van LAP3 is aangegeven welke afvalstoffen altijd gescheiden van elkaar moeten worden opgeslagen en afgevoerd (tabel 7) en in welke situaties het redelijk is om afvalscheiding te verlangen (tabel 8). Bij tabel 8 kunnen uitzonderingen gelden voor kleine hoeveelheden of kleine ruimten.

Daarnaast zijn in deel F bijlage 5 van het LAP3 en bijlage 11 van de Activiteitenregeling verschillende categorieën van gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen vastgelegd die niet met elkaar, met andere afvalstoffen of met niet afvalstoffen mogen worden gemengd. Deze categorieën moeten dus gescheiden gehouden worden. Voor de overwegingen met betrekking tot het gescheiden houden/niet mengen van deze categorieën van afvalstoffen wordt verwezen naar de paragraaf ‘mengen’.

4.2. Opslaan van afvalstoffen op de plaats van productie

Als gevolg van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen wordt de opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering gezien als storten indien de tijdsduur van één jaar wordt overschreden. Indien de opslag voorafgaat aan nuttige toepassing van de afvalstoffen is deze termijn drie jaar. In de vergunning is vastgelegd dat de termijn van opslag voorafgaand aan verwijdering maximaal één jaar is en de termijn van opslag voorafgaand aan nuttige toepassing maximaal drie jaar is.

4.3. Conclusie

Gelet op het bovenstaande zijn wij van mening dat de aangevraagde activiteiten in overeenstemming zijn met het geldende afvalbeheersplan en daarmee bijdragen aan een doelmatig beheer van afvalstoffen.

4.4. Acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen 

4.4.1. BBT-conclusies afvalbehandeling

Op 10 augustus 2018 is het document met BBT-conclusies voor afvalbehandeling vastgesteld. Veel BBT-conclusies voor afvalbehandeling hebben betrekking op emissies naar water en lucht (stof en geur) alsmede op trillingen.

Voor zover een BBT-conclusie betrekking heeft op emissies naar de lucht, de bodem, het water, geluidemissies en/of trillingen, wordt voor de overwegingen verwezen naar de desbetreffende paragraaf,

Bij het bepalen van de BBT, specifiek voor de acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen, hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies voor afvalbehandeling:

Algemene BBT-conclusies: 1, 2, 3, 4, 5, 8, 10, 11, 12, 13, 14, 17, 18, 19, 21, 23, 24.

Tabel 1 Installatiespecifieke BBT-conclusies

Installatie

Van toepassing zijnde BBT-conclusies

BBT-CONCLUSIES VOOR

DE BIOLOGISCHE

BEHANDELING VAN

AFVAL

33

BBT-conclusies voor de

aerobe behandeling van

afval

36,37

De aangevraagde acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen voldoet aan de hierboven genoemde BBT-conclusies.

4.4.2. Doelmatig beheer van afvalstoffen

Het beleid met betrekking tot afvalverwerking is gericht op het doelmatig beheer van afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wm. In dat kader houden wij rekening met het geldende afvalbeheersplan (het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP) waaronder begrepen deel E (minimumstandaard per specifieke afvalstroom). De doelstellingen van het LAP geven invulling aan de prioriteitsvolgorde in de afvalhiërarchie zoals die in artikel 10.4 van de Wm is opgenomen:

  • e.

    preventie;

  • f.

    voorbereiding voor hergebruik;

  • g.

    recycling;

  • h.

    andere nuttige toepassing, waaronder energieterugwinning;

  • i.

    veilige verwijdering.

De minimumstandaard geeft de minimale hoogwaardigheid aan van de verwerking van een bepaalde afvalstof of categorie van afvalstoffen. Deze minimumstandaard is bedoeld om te voorkomen dat afvalstoffen laagwaardiger worden verwerkt dan wenselijk is. Als de minimumstandaard bestaat uit verschillende verwerkingshandelingen bij diverse inrichtingen, kan voor de afzonderlijke verwerkingsstappen een vergunning worden verleend, mits de totale verwerking voldoet aan de minimumstandaard. In een aantal sectorplannen is vermeld dat het opnemen van sturingsvoorschriften dan noodzakelijk is.

4.5. Toetsing van de aangevraagde afvalactiviteiten

4.5.1. Uitsluitend opslaan van afvalstoffen

In het LAP is aangegeven dat voor het uitsluitend opslaan van afvalstoffen in beginsel een vergunning kan worden verleend. Drie afvalstromen worden hiervan uitgezonderd, te weten:

  • Afvalmunitie, vuurwerkafval en overig explosief afval;

  • Dierlijke bijproducten;

  • Brandbaar afval in afwachting van verwerking in een AVI.

Als gevolg van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen wordt de opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering gezien als storten indien de tijdsduur van één jaar wordt overschreden. Indien de opslag voorafgaat aan nuttige toepassing van de afvalstoffen is deze termijn drie jaar. Het is niet de bedoeling om voor of na afloop van de genoemde termijnen afvalstoffen weer langdurig in opslag te nemen binnen een andere inrichting. Na benutting van deze termijnen moet het afval worden afgevoerd naar een verwerker.

Uit de aanvraag blijkt dat de volgende afvalstoffen binnen de inrichting worden opgeslagen:

  • Afvalhout A/B euralcode 17 02 01

  • Niet uitgesorteerd metaalhoudend afval euralcode 17 04 07

  • Mengsel beton, stenen, tegels of keramische producten euralcode 17 09 04

  • Gemengd bouw- en sloopafval uit eigen werk euralcode 17 01 07 

  • Bouwstoffen euralcode 17 01 02 en 19 12 09

  • Grond AW 2000 euralcode 17 05 04 en 17 01 07

Voor het opslaan van deze afvalstoffen beschikt de aanvrager over de benodigde voorzieningen.

Voor de opslagtermijn van enkele afvalstoffen is een maximum in de aanvraag opgenomen.

In het sectorplan 28 (bouw en sloofpasval) is aangegeven dat in de vergunning een sturingsvoorschrift moet worden opgenomen. Dit is opgenomen in de voorschriften.

Voor het opslaan van de hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend omdat deze afvalstromen niet behoren tot de in het LAP genoemde uitzonderingen. In de vergunning is vastgelegd dat de termijn van opslag voorafgaand aan verwijdering maximaal 1 jaar is en de termijn van opslag voorafgaand aan nuttige toepassing maximaal 3 jaar is.

4.5.2. Mengen niet gevaarlijke afvalstoffen

Afvalstoffen moeten na het ontstaan gescheiden worden gehouden van andere afvalstoffen. Verder is het ongewenst wanneer er in afval gecumuleerde milieugevaarlijke stoffen door wegmengen ongecontroleerd in het milieu verspreid raken. Bovendien is het ook ongewenst als bepaalde, in afval aanwezige zeer zorgwekkende stoffen door mengen in producten terechtkomen waarbij ze op enig moment (in de gebruiksfase of de afvalfase) in het milieu verspreid kunnen worden.

Onder bepaalde condities kunnen verschillende afvalstromen echter net zo goed of soms zelfs beter gezamenlijk worden verwerkt. Het samenvoegen van qua aard, samenstelling en concentraties niet met elkaar vergelijkbare (verschillende) afvalstoffen alsmede het samenvoegen van afvalstoffen en niet-afvalstoffen wordt mengen genoemd.

Mengen is niet toegestaan, tenzij dat expliciet en gespecificeerd is aangevraagd en vastgelegd in de vergunning. Binnen de inrichting vindt geen mengen van afval plaats.

4.5.3. Verwerking: afvalstro(o)m(en) waarvoor in deel E van het LAP een sectorplan is opgenomen

Voor de onderhavige aanvraag zijn de volgende sectorplannen uit deel E van het LAP van toepassing:

  • 8 Gescheiden ingezameld groenafval/afgegeven groenafval ;

Groenafval

In de aanvraag is voor Gescheiden ingezameld groenafval Composteren als verwerkingsmethode beschreven. Het geproduceerde compost wordt ingezet voor grondverbetering.

Het beleid voor Gescheiden ingezameld groenafval is neergelegd in sectorplan 8 en is gericht op recycling. In het sectorplan 8 is daartoe een minimumstandaard opgenomen.

Sectorplan 8: Gescheiden ingezameld groenafval

Gescheiden ingezameld groenafval komt vrij bij de aanleg en onderhoud van openbaar groen, bos- en natuurterreinen. Het betreft tevens afval dat hiermee te vergelijken is, zoals grof tuinafval, berm- en slootmaaisel, afval van hoveniersbedrijven, en afval dat vrijkomt bij aanleg en onderhoud van terreinen van instellingen en bedrijven.

De minimumstandaard voor het be- en verwerken van gescheiden ingezameld groenafval is nuttige toepassing door:

  • composteren met het oog op materiaalhergebruik,

  • vergisten met gebruik van het gevormde biogas als brandstof gevolgd door aërobe droging/narijping met het oog op materiaalhergebruik van het digestaat, en

  • verbranden als hoofdgebruik brandstof en externe levering van elektriciteit en/of warmte.

Er wordt bij Donker verschillende stromen groenafval geaccepteerd. Binnen de inrichting van Donker doorloopt Groenafval een bewerkingsroute die beschreven staat in het Acceptatie-& Verwerkingsbeleid en de procesbeschrijving (zie bijlage 4: Procedure acceptatie en verwerking (A&V) en administratieve organisatie en interne controle (AO/IC), rapportnummer Don.Snee.20.A&V-04 van de aanvraag).

Conclusie: de aangevraagde be-/verwerkingsmethode voldoet aan de minimumstandaard van het van toepassing zijnde sectorplan.

4.6. A&V-beleid en AO/IC

Om de risico’s van het verwerkingsproces te beheersen, moet een bedrijf dat zich met afvalbeheer bezighoudt beschrijven welke afvalstoffen worden geaccepteerd en waar nodig, welke afvalstoffen juist niet worden geaccepteerd (acceptatiebeleid) en welke afvalstoffen op welke manier binnen het bedrijf worden verwerkt (verwerkingsbeleid). Daarnaast moeten door technische, administratieve en organisatorische maatregelen de relevante processen binnen een bedrijf beheerst worden. Op deze wijze worden de milieuhygiënische en informatietechnische risico’s binnen de bedrijfsvoering geminimaliseerd. De omvang en de inhoud van de AO/IC is afhankelijk van de aard van de risico’s van het betreffende bedrijfsproces. De onderdelen die minimaal in het A&V-beleid en AO/IC moeten zijn beschreven, zijn vastgelegd in het LAP.

De minimale elementen voor het A&V-beleid en AO/IC vormen een kader en bevatten criteria op hoofdlijnen, waaraan de aanvraag inhoudelijk wordt getoetst.

Bedrijven moeten in het A&V-beleid ook uitwerken of en zo ja, welke afvalstoffen geaccepteerd worden die zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) kunnen bevatten. In het A&V-beleid moet worden uitgewerkt op welke wijze wordt beoordeeld of ZZS kunnen voorkomen in de afvalstoffen die geaccepteerd worden. Indien ZZS kunnen voorkomen, moet beschreven worden hoe de betreffende afvalstoffen worden verwerkt en hoe gewaarborgd is dat onaanvaardbare risico’s voor blootstelling van mens en milieu veroorzaakt door ZZS, worden voorkomen.

Wijzigingen in het A&V-beleid en/of de AO/IC moeten schriftelijk aan ons worden voorgelegd. Als bevoegd gezag zullen wij vervolgens bezien welke procedure in relatie tot de aard van de wijziging is vereist.

4.7. Registratie

De aanvrager verkrijgt met deze vergunning de mogelijkheid om afvalstoffen van buiten de inrichting te ontvangen. Op grond van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen moet de inrichting de ontvangst van afvalstoffen melden. Voor een effectieve handhaving van het afvalbeheer is het van belang om naast de meldingsverplichtingen tevens registratieverplichtingen op te nemen (artikel. 5.8 van het Bor). In deze vergunning zijn dan ook voorschriften voor de registratie van o.a. de aangevoerde, de afgevoerde en de geweigerde (afval-)stoffen opgenomen.

4.8. Conclusie

Gelet op het bovenstaande zijn wij van mening dat de aangevraagde activiteiten in overeenstemming zijn met het geldende afvalbeheersplan en daarmee bijdragen aan een doelmatig beheer van afvalstoffen.

5. AFVALWATER EN WATERBESPARING

Algemeen

Donker Groep B.V. exploiteert een groenrecycling bedrijf aan de Harste 5 te Sneek. Binnen de inrichting vinden verschillende activiteiten plaats, zoals het composteren van groenafval, de opslag van compost, zand, teelaarde, betonsteen en houtproducten. Daarnaast is er onder andere een timmerwerkplaats, tank- en wasplaats, weegbrug en een reparatieruimte voor voertuigen en machines aanwezig.

Beschrijving afvalwaterstromen

Binnen de inrichting ontstaan de volgende afvalwaterstromen:

a. Huishoudelijk afvalwater

Jaarlijks wordt circa 200 m3 huishoudelijk afvalwater geloosd dat afkomstig is van de sanitaire voorzieningen en de bedrijfskantine binnen de inrichting. Dit afvalwater wordt geloosd via het vuilwaterriool van het gemeentelijk rioolstelsel en de rioolwaterzuiveringsinstallatie te Sneek.

b. Afvalwater afkomstig van tank- en wasplaats

Op het bedrijfsterrein van Donker Groep B.V. is een tank- en wasplaats gesitueerd. De tank- en wasplaats is voorzien van een vloeistofdichte vloer. Het afvalwater komt voornamelijk vrij bij het afspuiten van machines op de wasplaats. Daarnaast kan er afvalwater vrijkomen van de tankplaats. Het afvalwater is mogelijk verontreinigd met minerale olie en onopgeloste stoffen. Jaarlijks zal er circa 120 m3 afvalwater ontstaan, dat via een olie- en benzineafscheider en vervolgens de bedrijfsriolering geloosd wordt op het vuilwaterriool van het gemeentelijke rioolstelsel.

c. Hemelwater afkomstig van de dakvlakken en het verharde terrein

Het hemelwater is afkomstig van de dakvlakken en het verharde terrein (tot aan de keerwanden) dat in gebruik is als toegangsweg, parkeerplaatsen en de opslag van materieel en machines. Het materiaal en materieel bestaat uit onder andere machines, wagens, bouwketen, schaftketen en mobiele tanks. Door Donker Groep B.V. wordt dit terreindeel regelmatig geveegd en schoongehouden, zodat voorkomen wordt dat eventuele (fysische) verontreinigingen meegevoerd kunnen worden en geloosd worden op de watergang. Hemelwater afkomstig van dit deel van het terrein (zijnde een niet bodembeschermende voorziening) is niet verontreinigd. Het hemelwater wordt onder afschot afgevoerd naar een aantal opvangputten en vervolgens via het hemelwaterriool geloosd op de ten westen van de inrichting gelegen watergang.

d. Hemelwater afkomstig van de opslag materieel en eindproduct, weegbrug en kapschuur

Op dit deel van het terrein wordt gereed product (schone grond, compost) opgeslagen en is een weegbrug en kapschuur gerealiseerd. Hemelwater afkomstig van dit deel van het terrein is niet verontreinigd. Het hemelwater wordt onder afschot afgevoerd naar de schoonwaterbuffer (200 m3). Dit water wordt gebruikt voor het besproeien tijdens het composteringsproces. Een eventueel overschot aan water wordt via een overloop geloosd op de aanwezige sloot. De overloop van de buffer bevindt zich aan de bovenzijde, waardoor het te lozen water op de sloot gelijk is aan schoon hemelwater (bevat dus geen onopgeloste stoffen en is visueel schoon).

e. Verontreinigd hemelwater afkomstig van de vloeistofdichte verharding

Het composteerproces binnen de inrichting van Donker Groep B.V. vindt plaats op een vloeistofdichte verharding (bodembeschermende voorziening) en is tevens in gebruik voor de op- en overslag en bewerking van groenafval. Het overtollig hemelwater afkomstig van dit deel van het terrein wordt via een goot en opvangputten naar het bufferbassin (400 m3) afgevoerd. Het water afkomstig van de compostering en de open overslag is potentieel verontreinigd met organische verbindingen en nutriënten (CZV, KJ-N en fosfaat) en onopgeloste bestanddelen. De onopgeloste bestanddelen (zand-/compostdeeltjes) zullen bezinken in de opvanggoten en aanwezige bezinkputten. Het opgevangen afvalwater wordt vervolgens binnen de inrichting hergebruikt als sproeiwater voor het composteringsproces. Een eventueel overschot aan afvalwater c.q. opgevangen neerslag wordt per as afgevoerd naar een daartoe erkende verwerker.

Overwegingen

Het groenrecycling bedrijf van Donker Groep B.V. betreft een type C-inrichting met een IPPC-installatie. Dit betekent dat het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling op het bedrijf van toepassing zijn. Daarnaast valt het bedrijf onder de Europese richtlijn industriële emissie (RIE) op basis van de categorie 5.3b, lid i en ii en categorie 5.5.

a. Huishoudelijk afvalwater

Het huishoudelijk afvalwater van de sanitaire voorzieningen wordt zonder voorziening geloosd op het vuilwaterriool van het gemeentelijk stelsel. Aan deze lozing worden in het Activiteitenbesluit geen concrete voorschriften gesteld; de lozingen mogen in beginsel zonder beperkingen plaatsvinden. Wel moet op grond van de zorgplichtbepaling, artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit, worden voorkomen dat de doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt belemmerd of onnodige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater zou veroorzaken.

b. Afvalwater afkomstig van tank- en wasplaats

Het afvalwater afkomstig van de tank- en wasplaats wordt via een olie- en benzineafscheider op de terreinriolering en vervolgens op het vuilwaterriool van het gemeentelijk stelsel geloosd. Deze lozing dient te voldoen aan de voorschriften zoals geregeld in het Activiteitenbesluit onder paragraaf 3.3.1 “Afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen of afleveren van vloeibare brandstof aan spoorvoertuigen" en onder paragraaf 3.3.2 "Het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen of werktuigen of van spoorvoertuigen".

c. Hemelwater afkomstig van de dakvlakken en het verharde terrein

Hemelwater afkomstig van dit deel van het terrein wordt onder afschot afgevoerd naar een aantal opvangputten en vervolgens via het hemelwaterriool geloosd op de ten westen van de inrichting gelegen watergang. Deze lozing valt onder de werkingssfeer van paragraaf 3.1.3. "Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening" van het Activiteitenbesluit. Daarnaast valt deze afvalwaterstroom onder het bevoegd gezag van Wetterskip Fryslân.

d. Hemelwater afkomstig van de opslag materieel en eindproduct, weegbrug en kapschuur Hemelwater afkomstig van dit deel van het terrein wordt onder afschot afgevoerd naar de schoonwaterbuffer (200 m3). Dit water wordt gebruikt voor het besproeien tijdens het composteringsproces. Een eventueel overschot aan water wordt via een overloop geloosd op de aanwezige sloot. De lozing van niet verontreinigd hemelwater valt onder de werkingssfeer van paragraaf 3.1.3. "Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening" van het Activiteitenbesluit. Voor het gebruik van water uit de schoonwaterbuffer voor het besproeien van het compost geldt het artikel 3.33 van het Activiteitenbesluit.

e. Verontreinigd hemelwater afkomstig van de vloeistofdichte verharding

Het water afkomstig van de compostering en de op- en overslag en bewerking van groenafval wordt via een goot en opvangputten naar het bufferbassin (400 m3) afgevoerd. Het opgevangen afvalwater wordt vervolgens binnen de inrichting hergebruikt als sproeiwater voor het composteringsproces en stofbestrijdingsdoeleinden. Een eventueel overschot aan afvalwater dan wel opgevangen neerslag wordt per as afgevoerd naar een daartoe erkende verwerker. Naar aanleiding van het voorgaande zal er dan ook geen lozing op de gemeentelijke riolering of rechtstreeks op oppervlaktewater plaatsvinden van verontreinigd hemelwater afkomstig van de vloeistofdichte verharding.

IPPC en Beste Beschikbare Technieken (BBT)

Het groenrecycling bedrijf van Donker Groep B.V. behoort tot de in bijlage 1 van de Richtlijn industriële emissies bedoelde categorieën van industriële activiteiten, te weten categorie 5.3b, lid i en ii en categorie 5.5. Bij het bepalen van de BBT hebben wij rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies:

  • -

    BBT-conclusies afvalbehandeling;

  • -

    BREF Op- en overslag bulkgoederen;

  • -

    BREF Energie-efficiëntie.

In de onderhavige aanvraag omgevingsvergunning heeft Donker Groep B.V. in bijlage 9 IPPC & BBT-toets d.d. 26 mei 2021 aangegeven welke maatregelen zullen worden gerealiseerd om de lozing van afvalwater te laten voldoen aan de BBT zoals genoemd in de BBT-conclusies en de BREF's. Wij hebben de aanvraag met bijlage 9 beoordeeld en zijn van mening dat Donker Groep B.V. binnen de inrichting aan de Harste 5 te Sneek de beste beschikbare technieken toepast.

Conclusie

In de onderhavige situatie vallen alle lozingen onder het Activiteitenbesluit en de bijbehorende regeling activiteitenbesluit. De verschillende lozingen worden via het gemeentelijk riool afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie te Sneek en vervolgens geloosd op de Geeuw. Afvalwater dat vrijkomt bij de compostering en de op- en overslag en bewerking van groenafval, wordt niet geloosd maar gebufferd en binnen het composteringsproces gebruikt of bij overschot per as afgevoerd. Wij zijn van mening dat door de lozingen mogelijk te veroorzaken verontreiniging van het oppervlaktewater en schade aan de doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie in voldoende mate kan worden tegengegaan en voorkomen door de algemene regels zoals gesteld in het Activiteitenbesluit. Derhalve hebben wij uit het oogpunt van waterkwaliteitsbeheer geen bezwaar tegen het verlenen van de gevraagde vergunning. Voor het aspect afvalwater achten wij geen vergunningsvoorschriften nodig.

6. BODEM

6.1. Activiteitenbesluit

Voor wat betreft het aspect bodembescherming valt het bedrijf volledig onder het Activiteitenbesluit. In het kader van deze vergunning hoeft daarom geen nadere beoordeling plaats te vinden. Op grond van het Activiteitenbesluit moeten alle bedrijfsactiviteiten worden verricht met voorzieningen en maatregelen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico. Daarmee wordt voldaan aan BBT.

6.2. De bodembedreigende activiteiten

Binnen de inrichting vinden bodembedreigende activiteiten plaats. Deze zijn in het bijzonder omschreven in bijlage 8 “NRB bodemrisico analyse” van de aanvraag.

6.3. Beoordeling en conclusie

Wij hebben het bij de aanvraag gevoegde bodemrisicodocument beoordeeld en stemmen in met de opzet, de uitgangspunten en de resultaten. Uit het document blijkt dat voor alle bodembedreigende activiteiten het verwaarloosbaar bodemrisico wordt behaald.

7. ENERGIE 

De inrichting aan de Harste 5 te Sneek is energierelevant. Uw bedrijf is deelnemer aan de CO2-Prestatieladder op niveau 5 (hierna CO2-PL) en in het bezit van certificaten voor ISO 9001, en een managementsysteem dat door het bedrijf Kader is beoordeeld als gelijkwaardig aan ISO 14001.

Door de deelname aan de CO2-PL op niveau 5 heeft uw bedrijf momenteel een vrijstelling van de verplichtingen in het kader van de Richtlijn energie-efficiëntie (EED).

De op te nemen voorschriften betreffen onder meer het periodiek (deels) uitvoeren van een energieonderzoek en het opstellen van een energie-uitvoeringsplan, die uiterlijk 1 augustus 2022 voor het eerst bij ons ingediend moeten worden.

Landelijk beleid

In het landelijke beleid zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer worden inrichtingen aan de hand van het jaarlijkse energieverbruik als volgt ingedeeld:

  • -

    Kleinverbruikers: minder dan 25.000 m³ aan aardgasequivalenten én minder dan 50.000 kWh elektriciteitsverbruik;

  • -

    Middelgrote verbruikers: tussen 25.000 en 75.000 m³ aan aardgasequivalenten en/of tussen 50.000 en 200.000 kWh elektriciteitsverbruik;

  • -

    Grootverbruikers: meer dan 75.000 m³ aan aardgasequivalenten en/of meer dan 200.000 kWh elektriciteitsverbruik.

Voor andere energiebronnen dan elektriciteit en aardgas wordt het verbruik uitgedrukt in aardgasequivalenten door de omrekenfactoren te hanteren zoals opgenomen in artikel 2.16d van de Activiteitenregeling.

Uit de notitie ‘’Aanvullende gegevens aspect energie revisie vergunning Donkergroep’’ blijkt het volgende energieverbruik over het jaar 2020 van de inrichting:

  • -

    19.736 m3 aardgas;

  • -

    169.287 kWh elektriciteit;

  • -

    72.000 liter per jaar liter dieselolie (verbruik interne transportmiddelen);

  • -

    80 m3 biomassa per jaar (palletkachel).

Hieruit blijkt dat sprake is van een energierelevante inrichting en van een energiegrootverbruiker.

Voorschriften voor vergunningplichtige bedrijven

Voor vergunningplichtige bedrijven geldt dat de energievoorschriften uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling niet rechtstreeks werkend zijn. Regels voor energiebesparing worden dan ook via voorschriften in de vergunning geregeld op basis van artikel 5.7 van het Bor. Dat artikel verplicht het bevoegd gezag voorschriften aan de vergunning te verbinden met betrekking tot een doelmatig gebruik van energie en grondstoffen. Dit betekent dat moet worden getoetst of de inrichting de beste beschikbare technieken (BBT) toepast om tot een zuinig energieverbruik te komen.

Een energiebesparende maatregel moet genomen worden als de terugverdientijd vijf jaar of korter is. Welke maatregelen dit zijn, moet blijken uit een energieonderzoek. Verder moeten grootverbruikers een uitvoeringsplan voor de maatregelen opstellen en moeten ze jaarlijks rapporteren over het energieverbruik van de inrichting en welke energiebesparende maatregelen zijn getroffen

Daarnaast moet bij het nemen van energierelevante investeringsbeslissingen die niet zijn opgenomen in het meest recente energieonderzoek, voorafgaand aan het investeringsbesluit worden nagegaan of er energiezuinigere alternatieven zijn. Als dat het geval is en een alternatief binnen vijf jaar terug te verdienen is, moet voor dat alternatief gekozen worden. Investeringen die energierelevant zijn, zijn bijvoorbeeld aanschaf, renoveren of grootschalig onderhouden van verwarmingstoestellen, machines en apparaten, maar ook het vervangen van verlichting.

De inrichting neemt geen deel aan het Europese Emissiehandelssysteem (ETS). Aan de omgevingsvergunning kunnen daarom voorschriften worden verbonden met betrekking tot het aspect energie.

In het licht van de verdragen, afspraken en doelstellingen die op alle niveaus, van internationaal tot lokaal, bestaan, is het noodzakelijk om de energievoorziening en het energieverbruik verder te verduurzamen. Daartoe moet in een vierjaarlijks onderzoek worden gekeken naar de maatregelen die noodzakelijk zijn om de energievoorziening van de inrichting volledig te verduurzamen, met als streefjaar 2050. Door een vierjaarlijkse onderzoeksverplichting wordt BBT voor het onderdeel energie periodiek in kaart gebracht

Richtlijn energie-efficiëntie (EED)

De Europese richtlijn Energy Efficiency Directive (ook wel EED genoemd) is in Nederland omgezet in artikel 18 en artikel 18a van de Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie. De belangrijkste verplichting uit de Europese richtlijn energie-efficiëntie is het uitvoeren van een energie-audit. In het Besluit energie-audit zijn de eisen die worden gesteld aan energie-audits en de verslaglegging hiervan nader gegeven. De auditplicht geldt voor ondernemingen met meer dan 250 medewerkers (fte) of een jaaromzet groter dan € 50 miljoen en een jaarlijks balanstotaal groter dan € 43 miljoen.

Donker groep B.V. behoort tot deze categorie van bedrijven.

Initiatieven energie en duurzaamheid

Uw bedrijf is deelnemer aan meerdere kwaliteit- en milieutrajecten waaronder de

  • -

    CO2-prestatieladder op niveau 5

  • -

    het kwaliteitsmanagementsysteem 9001 en een aan de ISO 14001 gelijkwaardig milieumanagementsysteem.

De keurmerken ISO 9001 en ISO 14001 zijn primair gericht op respectievelijk kwaliteitsmanagement en milieumanagement, maar kunnen elementen over energie-efficiëntie bevatten.

CO2-prestatieladder

De CO2-Prestatieladder (CO2-PL) is een instrument dat bedrijven helpt bij het reduceren van hun CO2-uitstoot. Deelnemende bedrijven worden gestimuleerd de uitstoot van CO2 te reduceren doordat een hogere trede op de ladder een fictieve korting (gunningvoordeel) oplevert in het aanbestedingsproces van opdrachtgevers. Vanaf niveau 3 kan de CO2-PL worden geaccepteerd als equivalent voor het EED-auditverslag. Door de deelname aan de CO2-PL op niveau 5 heeft uw bedrijf momenteel dan ook een vrijstelling van de EED-auditplicht. Wanneer uw bedrijf de deelname aan CO2-PL beëindigt, vervalt deze vrijstelling.

Er bestaat echter onzekerheid of met de CO2-PL alle maatregelen met een terugverdientijd van 5 jaar of korter worden geïmplementeerd. Dat komt omdat de belangrijkste drijfveer voor het treffen van maatregelen bij de CO2-PL de impact op de CO2-reductie is.

Samenhang energieonderzoek met initiatieven energie en duurzaamheid

Er bestaat naar verwachting inhoudelijke overlap tussen het energieonderzoek dat in deze vergunning wordt geëist en de bovengenoemde initiatieven op het gebied van energie en duurzaamheid. Het is dan ook raadzaam om deze informatie te betrekken bij het gevraagde energieonderzoek in voorschrift 4.1.1.

Deze overlap is niet volledig. Zo worden er in deze vergunning eisen gesteld die bijvoorbeeld niet in de CO2-PL staan. Het gaat dan onder andere om de verplichting om de rendabele energiemaatregelen te identificeren en in een energie-uitvoeringsplan te zetten, met vermelding van de fasering in de uitvoering van deze maatregelen. Het gevraagde energieonderzoek zal dus aan alle gestelde eisen in voorschrift 4.1.1 moeten voldoen.

Voor de goede orde wordt opgemerkt dat ook het aan ISO 14001 vergelijkbare milieumanagementsysteemelementen kan bevatten die (deels) invulling geven aan het gevraagde energieonderzoek. Hetzelfde geldt ook voor eventuele andere (beleids-)plannen en maatregelen met betrekking tot energie-efficiency binnen uw inrichting. Ook in het geval van het vervallen van de vrijstelling voor de EED-auditplicht kan met het opstellen van het EED-energie-auditverslag deels invulling worden geven aan het energieonderzoek dat in deze vergunning wordt geëist.

Het is raadzaam om ook deze informatie te betrekken bij het gevraagde energieonderzoek in voorschrift 4.1.1.

8. EXTERNE VEILIGHEID

8.1. Algemeen

Binnen de inrichting zijn de volgende gevaarlijke stoffen aanwezig:

  • Verpakte gevaarlijke stoffen (maximaal 2500 kg );

  • Gasflessen (maximaal 1000 l van ADR-klasse 2).

De processen, de aard en hoeveelheid van de gebruikte gevaarlijke stoffen zoals vermeld in de aanvraag, kunnen effecten veroorzaken naar de omgeving.

Deze risico's worden voldoende afgedekt door het voldoen aan de van toepassing zijnde richtlijnen voor de opslag van gevaarlijke stoffen PGS 15.

In de vergunning is de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen gelimiteerd op 2500 kg ADR-klasse 3. Onder deze hoeveelheid geldt namelijk geen veiligheidsafstand tot kwetsbare objecten. Ook de opslag van gassen van ADR-klasse 2 is gelimiteerd op 1000 liter waterinhoud. Onder deze hoeveelheid geldt namelijk eveneens geen veiligheidsafstand tot kwetsbare objecten.

8.2. Op- en overslag van gevaarlijke stoffen (PGS-richtlijnen)

Ten behoeve van de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Deze PGS-richtlijnen zijn vermeld als Nederlandse informatiedocumenten over BBT in de bijlage van de Mor. Voor de beoordeling van de aanvraag van de inrichting is de PGS 15 relevant. Uit de aanvraag blijkt dat de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en gasflessen voldoet aan de PGS 15.

In deze revisievergunning is voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en gasflessen de interimversie van PGS 15 van augustus 2021, versie 1.0 toegepast. Het gaat hier om een interimversie die nog niet in de Mor als BBT is vastgesteld. De voorschriften van de interimversie wijken echter inhoudelijk niet zodanig af dat hierdoor niet meer aan BBT voldaan zou kunnen worden. Daarom is besloten de relevante voorschriften van de interimversie aan deze vergunning te verbinden en als BBT aan te merken.

De opslag van gewasbeschermingsmiddelen tot 400 kg valt niet onder de PGS 15-opslag. Hiervoor geldt de zorgplichtbepaling van artikel 2a van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Er wordt niet meer dan 400 kg gewasbeschermingsmiddelen aangevraagd.

De conclusie voor externe veiligheid is, dat dit aspect geen belemmering vormt om de revisievergunning te verlenen.

9. GELUID

9.1. Algemeen

De bedrijfsactiviteiten hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. Deze geluidsemissie wordt vooral veroorzaakt door mobiele bronnen op het terrein van de inrichting. De veroorzaakte geluidsbelasting in de omgeving en de perioden waarin deze optreedt, is in kaart gebracht in het rapport van het akoestisch onderzoek “Akoestisch onderzoek in het kader van een omgevingsvergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor de inrichting van

Donker Groep BV te Sneek” met rapportnummer Don.Sne.20.AO WB-01 van 2 oktober 2020.

Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (de geluidsemissie die de inrichting onder normale omstandigheden veroorzaakt). Beoordeeld worden de geluidsbelasting, de maximale geluidsniveaus en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting.

9.2. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau

In het kader van de beoordeling of de inrichting niet op ontoelaatbare wijze geluidshinder teweegbrengt is gebruikgemaakt van de "Handreiking industrielawaai en vergunningverlening’’, oktober 1998.

De inrichting ligt in de gemeente Súdwest-Fryslân. In de aanvraag zijn activiteiten aangevraagd voor dag- en nachtperiode. De berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus bedragen ten hoogste 50 en 30 dB(A) voor respectievelijk de dag- en nachtperiode bij de omliggende gevoelige gebouwen.

Het betreft hier een bestaande inrichting waar een aantal wijzigingen in de terreinindeling en activiteiten worden doorgevoerd. De inrichting heeft op dit moment ook een milieuvergunning waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen.

De geluidproductie van Donker Groep B.V. wordt in het kader van de revisievergunning opnieuw beoordeeld.

De gemeente Súdwest-Fryslân heeft geen beleid ten aanzien van industrielawaai vastgesteld.

Wij toetsen daarom het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege de inrichting aan de normstelling uit hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. Voor de gebiedstypering wordt aangesloten bij een woonwijk in de stad. Uit het rapport van het akoestisch onderzoek bij de aanvraag blijkt dat de geluidimmissie van de inrichting de richtwaarde voor woonwijk in een stad niet overschrijdt ter plaatse van de omliggende gevoelige gebouwen. Wij achten daarom de aangevraagde activiteiten en de daarbij behorende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus vergunbaar. De richtwaarden voor de dag- en nachtperiode worden in de voorschriften vastgelegd.

9.3. Indirecte hinder

De geluidbelasting vanwege de verkeersaantrekkende werking bedraagt ten hoogste 49 dB(A) etmaalwaarde. Daarmee wordt voldaan aan de grenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde. Deze voorkeursgrenswaarde is opgenomen in de circulaire "Beoordeling geluidhinder wegverkeer met betrekking tot vergunningen" d.d. 29 februari 1996. Voor het aspect indirecte hinder wordt geen voorschrift in de vergunning opgenomen.

10. GEUR

10.1. Landelijk beleid

Het Nederlandse geurbeleid is opgenomen in artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit en in de Handleiding geur: bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van industrie en bedrijven (niet veehouderijen). Als algemene doelstelling geldt het zoveel mogelijk beperken van bestaande hinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Daarbij staat het afwegingsproces voor het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau centraal. Het aanvaardbaar hinderniveau wordt per situatie vastgesteld en zo nodig op grond van het Activiteitenbesluit als maatwerkvoorschrift aan de vergunning verbonden. Alleen als de emissies van de inrichting in het Activiteitenbesluit uitgezonderd zijn, worden de geuremissies in de vergunning beoordeeld.

Het bevoegd gezag bepaalt welke mate van hinder als aanvaardbaar wordt beschouwd. Als leidraad voor het afwegingsproces dat daarbij doorlopen wordt, geldt de hindersystematiek Geur. Deze hindersystematiek, die is vastgelegd in hoofdstuk 3 van de Handleiding geur, benoemt de verschillende aspecten die in het afwegingsproces moeten worden meegenomen om te komen tot een zorgvuldige bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau. De aspecten die bij het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau worden meegewogen zijn eveneens opgenomen in het derde lid van artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit.

Maatregelen ter bestrijding van geurhinder moeten worden bepaald in overeenstemming met het BBT-principe (de Beste Beschikbare Technieken moeten worden toegepast). Voor een aantal activiteiten zijn in het Activiteitenbesluit voorschriften opgenomen.

10.2. Provinciaal of gemeentelijk beleid

Ten behoeve van vergunningverlening bij geur emitterende inrichtingen of activiteiten, heeft de provincie Fryslân beleidsregels opgesteld waarbij het landelijk geurbeleid is vertaald in een werkwijze op basis van een berekende geurbelasting. Deze beleidsregels zijn opgenomen in het document “Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019”. Deze “Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019” zijn door Gedeputeerde Staten van Fryslân vastgesteld en gepubliceerd op 20 november 2019 en daarmee vanaf deze datum van kracht geworden. Bij bepaling van het toetsingskader voor de mogelijke geurhinder in de omgeving ter plaatse van geurgevoelige objecten wordt rekening gehouden met de aard van de geur en de omgevingssituatie. Met deze uitgangspunten kan een specifiek en op de mogelijke geurhinder toegesneden toetsingskader worden afgeleid voor de geurrelevante activiteiten van de inrichting.

10.3. Beoordeling geurhindersituatie 

10.3.1. Omschrijving aangevraagde situatie

De geurrelevante activiteiten bij Donker Groep B.V. te Sneek betreffen het op- en overslaan van diverse afvalstoffen zoals groenafval, verkleind hout en slootmaaisel. Tevens wordt er groenafval gecomposteerd.

Geurrelevante activiteiten

Binnen de inrichting zijn meerdere geurrelevante activiteiten/bronnen aanwezig. De meest geurrelevante activiteiten van de verschillende bedrijfsonderdelen zijn hieronder beschreven.

  • De groencompostering en de daarbij behorende activiteiten;

  • Op- en overslag van compost;

  • Aanvoer van te composteren materiaal;

  • Opslag van te composteren materiaal;

  • Verkleinen van groenafval.

Geurreducerende maatregelen

De volgende geurreducerende maatregelen worden door de inrichting toegepast:

  • Het beschikken over een geurbeheerplan;

  • Er wordt geen materiaal ingenomen dat in staat van ontbinding is;

  • Beperking van de verblijftijd van de te composteren grondstoffen. Het ingenomen materiaal wordt binnen 3 keer 24 uur verwerkt in de composthoop;

  • Bewaking van de composthopen op relevante parameters.

  • Het verkleinen, bevochtigen met percolaat en omzetten vindt niet plaats bij een windrichting die in de richting van geurgevoelige objecten waait.

10.3.2. Ligging van de inrichting en geurgevoelige objecten in de omgeving

De inrichting van Donker Groep B.V. is gelegen op een bedrijventerrein aan de Harste. Op dit bedrijventerrein bevindt zich ook de gemeentelijke milieustraat ten noorden van de Donker Groep B.V.

In het provinciaal geurbeleid worden de volgende categorieën geurgevoelige objecten onderscheiden:

  • categorie A: woningen en vergelijkbare objecten gelegen in gebiedscategorie wonen of buitengebied;

  • categorie B: woningen en vergelijkbare objecten gelegen in gebiedscategorie werken of bedrijfswoningen.

In de directe omgeving bevinden zich een verzorgingstehuis en een tweetal scholen. Tevens bevindt zich aan de Harste 1 een woning met bestemming wonen en werken. De dichtstbijzijnde woning bevindt zich 280 meter ten westen van de inrichting aan de rand van het dorp Ysbrechtum. Ten oosten van de inrichting bevindt zich de dichtstbijzijnde woning op 240 meter. Het verzorgingstehuis, de woning en de scholen zijn te beschouwen als een geurgevoelig object in de categorie A.

De woning aan de Harste 1 heeft de bestemming wonen en werken en is daarom niet aan te wijzen als een categorie A-woning. Deze woning aan de Harste 1 dient daarom te worden beschouwd als een categorie B-object.

10.3.3. Beoordeling geuremissie in relatie tot het aanvaardbaar hinderniveau

Als gevolg van de activiteiten binnen de inrichting wordt er geur geëmitteerd. Door deze geuremissie kan er geurhinder optreden in de omgeving. Om het aanvaardbaar geurhinderniveau bij de geurgevoelige objecten in de omgeving vast te stellen als gevolg van de geurrelevante activiteiten binnen de inrichting van Donker Groep B.V., is een geuronderzoek uitgevoerd door het adviesbureau MTech uit Roermond (kenmerk Don.Sne.20.GO WB-02 van 21 mei 2021). Dit onderzoek is ingediend bij de aanvraag om een omgevingsvergunning. In dit geuronderzoek zijn de geurrelevante activiteiten gekwantificeerd en vastgelegd op basis van emissie en procesuren. Wij hebben bepaald dat dit geuronderzoek deel uitmaakt van de vergunning ten behoeve van de controleerbaarheid van de aangevraagde procesomstandigheden zoals emissie-uren, activiteiten en dergelijke. In dit geuronderzoek is de geurbelasting berekend op de dichtstbijzijnde geurgevoelige bestemmingen in de omgeving en getoetst aan het provinciale geurbeleid. De activiteiten van de inrichting zijn gekwalificeerd als minder hinderlijk. Hieruit volgt een toetsing op basis van het daarbij behorende toetsingskader uit de beleidsregel geur. Dit toetsingskader is weergegeven in de onderstaande tabel.

Objecten categorie A ouE/m3

Objecten categorie B ouE/m3

Percentiel

Streef-waarde

Richtwaarde

Grens-waarde

Streef-waarde

Richtwaarde

Grens-waarde

98

0,5

1,5

5,0

1,5

5,0

15,0

99,5

1,0

3,0

10,0

3,0

10,0

30,0

99,9

2,0

6,0

20,0

6,0

20,0

60,0

Tabel 1 Toetsingskader minder hinderlijk voor geurgevoelige objecten in de categorie A en B uit het provinciaal geurbeleid.

Omdat een aantal bronnen slechts gedurende een beperkt aantal uren per jaar in bedrijf is, zal niet alleen worden getoetst aan de 98-percentielwaarden (geschikt voor het toetsen van continue bronnen) maar ook aan hogere percentielwaarden (geschikt voor piekemissies). Deze zijn in bovenstaande tabel weergegeven als 99,5- en 99,9- percentielwaarde.

In het geuronderzoek met kenmerk Don.Sne.20.GO WB-02 van 21 mei 2021 wordt middels immissiecontouren op een topografische achtergrond de geurbelasting in de omgeving gepresenteerd.

In de onderstaande tabellen 2 en 3 zijn de maximale geurbelastingen bij de verschillende percentielwaarden conform het vastgestelde toetsingskader uit het provinciaal geurbeleid op de dichtstbijzijnde geurgevoelige objecten in de categorieën A en B weergegeven als gevolg van de aangevraagde situatie.

Categorie A

Maximale geurbelasting

Richtwaarde

Grenswaarde

Percentielwaarde

ouE/m3

ouE/m3

ouE/m3

98-percentiel

2,4

1,5

5,0

99,5-percentiel

4,0

3,0

10,0

99,9-percentiel

8,2

6,0

20,0

Tabel 2 Maximale geurbelasting (ouE/m3) ter plaatse van de objecten in de categorie A in relatie tot de richtwaarde en de grenswaarde.

Categorie B

Maximale geurbelasting

Streefwaarde

Richtwaarde

Percentielwaarde

ouE/m3

ouE/m3

ouE/m3

98-percentiel

0,9

1,5

5

99,5-percentiel

1,9

3,0

10

99,9-percentiel

3,4

6,0

20

Tabel 3 Maximale geurbelasting (ouE/m3) ter plaatse van de objecten in de categorie B in relatie tot de streefwaarde en de richtwaarde.

Uit de resultaten van de verspreidingsberekeningen blijkt dat de grenswaarde uit het vastgestelde toetsingskader bij geen enkel geurgevoelig object in de categorie A in de omgeving van de inrichting als gevolg van de aangevraagde situatie wordt overschreden. De berekende geurconcentraties blijven ruimschoots onder de grenswaarden van het provinciale geurbeleid.

Op basis van deze belastingwaarden kan worden geconcludeerd dat er geen sprake zal zijn van een onaanvaardbaar geurhinderniveau conform het gestelde in het provinciale toetsingskader.

Met betrekking tot de woningen die zijn beschouwd in de categorie B blijkt uit de gepresenteerde geurcontouren dat bij deze objecten de streefwaarden niet worden overschreden. De berekende geurconcentraties blijven ruim onder de waarden behorende bij de streefwaarden. Als maximaal geurhinderniveau ter plekke van de verschillende geurgevoelige bestemmingen achten wij de berekende immissieconcentraties ter plaatse van de geurgevoelige objecten aanvaardbaar.

10.4. Conclusie

Het Activiteitenbesluit met betrekking tot het aspect geur is niet van toepassing. De beleidsregels ‘geur Bedrijven Fryslân 2019’ zijn daarom gebruikt als toetsingskader voor het bepalen van het aanvaardbaar geurhinderniveau als gevolg van de aangevraagde activiteiten binnen de inrichting. De activiteiten van Donker Groep B.V. te Sneek zijn conform de systematiek uit het provinciaal geurbeleid in de categorie minder hinderlijk ingedeeld. Uit de resultaten van de verspreidingsberekeningen in het geuronderzoek blijkt dat de grenswaarden uit het geurbeleid niet worden overschreden ter plaatse van woningen in de categorie A. Tevens wordt er bij de objecten in de categorie B voldaan aan de streefwaarde. Er worden in ruime mate BBT-maatregelen toegepast om geurhinder tegen te gaan. Wij achten de activiteiten vergunbaar. Wel zijn geurvoorschriften aan de vergunning verbonden.

11. LUCHT

11.1. Toetsingskader

Het algemeen luchtbeleid is gericht op het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van emissies naar de lucht door het toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT) en het voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van bijlage 2 van de Wet milieubeheer.

Luchtemissies voor inrichtingen worden in beginsel gereguleerd door de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Deze eisen zijn rechtstreeks geldend en daarom niet in deze vergunning opgenomen. Zo bevat Afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit regels voor stoffen met een minimalisatieverplichting, emissiegrenswaarden, geur en monitoring. Voorts bevat het Activiteitenbesluit in afdeling 2.11 en de hoofdstuk 3 (lucht)regels voor specifieke activiteiten, zoals bijvoorbeeld stookinstallaties. In specifieke gevallen kan van de emissiegrenswaarden uit het AB worden afgeweken middels (maatwerk)voorschriften.

Indien en voor zover voor luchtemissies van IPPC-installaties BBT-conclusies zijn vastgesteld, gelden de algemene regels van Afdeling 2.3 echter niet (met uitzondering van de minimalisatieverplichting voor zeer zorgwekkende stoffen). Voor deze luchtemissies worden voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden die aansluiten bij de BBT-conclusies. Tevens wordt er getoetst aan de kwaliteitseisen uit Bijlage 2 van de Wm.

Binnen de inrichting vinden activiteiten plaats die emissies naar de lucht tot gevolg hebben. Deze activiteiten bestaan o.a. uit het composteren van groenafval, verkleinen van groenafval, opslag van groenafval en opslag van compost en het in werking hebben van een stookinstallatie. Binnen de inrichting zijn geen geleide emissies van procesinstallaties in de vorm van puntbronnen aanwezig. Als gevolg van de diverse activiteiten binnen de inrichting kunnen er diffuse stofemissies vrijkomen.

11.2. Emissies van stookinstallaties, niet zijnde een grote stookinstallatie

Volgens de definitie van het Activiteitenbesluit is een stookinstallatie een technische eenheid waarin brandstoffen worden geoxideerd ten einde de aldus opgewekte warmte te gebruiken. Binnen de inrichting is voor de verwarming van kantoren en de werkplaats een houtgestookte verwarmingsinstallatie aanwezig. De emissie-eisen van paragraaf 3.2.1 zijn hierop rechtstreeks van toepassing.

11.3. Diffuse emissies

Binnen de inrichting is sprake van diffuse emissies afkomstig van de volgende activiteiten:

  • Stikstofemissies van voertuigen;

  • Stofemissies van opslag en verwerking (mengen, verkleinen van groenafval en zeven) van vaste bulkgoederen;

  • Stofemissies tijdens het omzetten van de composteerhoop.

Om diffuse stofemissies te voorkomen zijn er voorschriften gesteld in deze vergunning. Deze voorschriften zien toe op de handelingen met stuifgevoelige stoffen en sluiten aan op de BBT-conclusies uit de BREF afvalbehandeling.

11.4. Vaste bulkgoederen

In onderstaande tabel hebben wij de activiteit aangegeven waarvan stofhinder te verwachten is. Indien de activiteit een RIE-activiteit is (sprake is van een IPPC-installatie), hebben wij dat ook aangegeven. Tevens hebben wij de gebruikte stoffen inclusief stuifklassen en of deze inert of niet inert zijn (op basis van artikel 3.39 van de Activiteitenregeling en de indicatieve lijst Infomil) vermeld.

Tabel 1 Overzicht stofhinder veroorzakende activiteiten

Activiteit

RIE-activiteit

Goederen

Stuifklasse

Inert

Niet-inert

Omzetten composthoop

ja

Zand/gras/houtchips

S4

ja

Zeven compost

ja

Zand

S4

Ja

Overslag Compost

ja

Compost

S4

ja

Verkleinen groenafval

ja

Groenafval

S4

ja

Mengen van grond/compost

ja

Compost en grond

S4

ja

Handelingen met inerte vaste bulkgoederen vallend onder het Activiteitenbesluit

Op de overslag, opslag, laden, lossen, transport, mengen van de inerte goederen en voor het zeven van zand en grond is paragraaf 3.4.3 van het Activiteitenbesluit van toepassing. Uit de aanvraag blijkt dat aan deze bepalingen wordt voldaan.

11.5. Zeer zorgwekkende stoffen (ZSS) 

Afdeling 2.3 uit het Activiteitenbesluit is rechtstreeks van toepassing op het toezicht van de emissies van ZZS. De activiteiten van Donker Groep B.V. betreffen het composteren van groenafval. Daarvoor worden geen ZZS-stoffen gebruikt. Ook de aangeleverde grondstoffen bevatten geen ZZS. Derhalve worden geen emissie-voorschriften gesteld in deze vergunning voor de emissie van ZZS-stoffen naar de lucht.

11.6. Luchtkwaliteit

Toetsen aan luchtkwaliteitseisen

De aangevraagde activiteiten leveren een bijdrage aan concentraties verontreinigende stoffen in de buitenlucht. Om aan te tonen dat wordt voldaan aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen, heeft Donker Groep BV een onderzoek naar het effect op de luchtkwaliteit uit laten voeren. Dit onderzoek is bij de aanvraag gevoegd als notitie met kenmerk Don.Sne.20.LK WB-01, opgesteld door M-Tech Nederland BV, gedateerd 2 oktober 2020.

Wettelijk kader

De Nederlandse wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is opgenomen onder titel 5.2 (“Luchtkwaliteitseisen”) van de Wm. In bijlage 2 bij de Wm zijn grens- en richtwaarden opgenomen voor concentraties van stoffen in de buitenlucht. Grenswaarden zijn opgenomen voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof: PM10, PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. Er is een richtwaarde opgenomen voor ozon en er zijn richtwaarden gedefinieerd voor het totale gehalte van de stoffen benzo(a)pyreen, arseen, cadmium en nikkel in de PM10-fractie.

  • In de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 zijn regels en voorschriften opgenomen voor het meten en berekenen van concentraties van luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. In de Regeling zijn gestandaardiseerde rekenmethodes opgenomen. De gestandaardiseerde rekenmethodes geven resultaten die rechtsgeldig zijn.

Beschouwde stoffen en grenswaarden

  • In de Nederlandse situatie zijn de concentraties NO2 en PM10 kritisch ten opzichte van de grenswaarden. In het kader van deze aanvraag zijn de concentraties van die stoffen in detail berekend en getoetst aan de wettelijke grenswaarden, inclusief het effect van de aangevraagde activiteiten. In onderstaande tabel zijn de grenswaarden opgenomen.

Tabel 1. Grenswaarden NO2, PM10 en PM2,5

Stof

Grenswaarde

Toetsingsperiode

NO2

(stikstofdioxide)

40 μg/m³

Jaargemiddelde

200 μg/m³

Uurgemiddelde, mag max. 18 keer per kalenderjaar overschreden worden

PM10 

(fijn stof)

40 μg/m³

Jaargemiddelde

50 μg/m³

24-uurgemiddelde, mag maximaal 35 keer per kalenderjaar overschreden worden.

PM2,5

25 μg/m³

Jaargemiddelde

Wat betreft de stoffen zwaveldioxide, stikstofoxiden, lood, koolmonoxide, benzeen, benzo(a)pyreen, arseen, cadmium, nikkel en ozon, treden de laatste jaren nergens in Nederland overschrijdingen van grens- of richtwaarden op. De concentraties van deze stoffen vertonen een dalende trend en zijn dermate laag, dat overschrijding van de daarvoor geldende grens- of richtwaarden in Fryslân redelijkerwijs uitgesloten is. De voornoemde stoffen zijn daarom niet nader in detail in beeld gebracht.

Grenswaarde PM2,5

Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een grenswaarde van 25 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie. In het NSL zijn maatregelen opgenomen om te voldoen aan de grenswaarde voor PM10. Deze maatregelen zijn er tevens op gericht om te voldoen aan de grenswaarde voor PM2,5.

Luchtkwaliteitsonderzoek

In het door de aanvrager ingediende onderzoek is beschouwd wat de bijdragen zullen zijn van de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 als gevolg van de aangevraagde activiteiten van Donker Groep B.V. De beschouwde bronbijdragen betreffen onder andere de voorkomende vervoersbewegingen, bewerkingen van materiaal, verlading van materiaal, inzet van (mobiele) werktuigen, opslag van stoffen en de aanwezige stookinstallaties. Bij het verbranden van gas komt er geen stof vrij. Bij houtstook middels de houtkachel komt zowel NOx als stof vrij. Op basis van de bronbijdragen binnen de inrichting zijn de concentraties berekend met het verspreidingsmodel Geomilieu, module STACKS+ versie 2020.1, conform de voorschriften in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. De berekende concentraties zijn gebaseerd op de meest actuele achtergrondconcentraties. In het onderzoek zijn de concentraties berekend in de omgeving van de inrichting van Donker Groep B.V. De berekende totale concentraties (som van de achtergrondconcentratie en de beschouwde bronbijdragen) zijn getoetst aan de jaar- en uurgemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5.

Toetsing concentraties NO2, PM10 en PM2,5

Het luchtkwaliteitsonderzoek toont aan dat met de aangevraagde activiteiten in 2020 m.b.t. NO2 de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie en het aantal toegestane overschrijdingen van de uurgemiddelde grenswaarde niet overschreden worden. Ook de grenswaarde voor de jaargemiddelde PM10 grenswaarde en het aantal toegestane overschrijdingen van de etmaalgemiddelde PM10 grenswaarde worden in 2020 niet overschreden. Voor PM2,5 wordt tevens voldaan aan de grenswaarden. Vanwege afnemende prognoses voor de achtergrondconcentraties, is overschrijding in toekomstige jaren redelijkerwijs uitgesloten.

Conclusie

De aangevraagde activiteiten leiden niet tot overschrijding van grens- en richtwaarden uit bijlage 2 bij de Wm. Daarom kunnen wij, ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit, op grond van art. 5.16, eerste lid, sub a Wm de omgevingsvergunning verlenen.

11.7. Eindconclusie aspect lucht

Wij zijn van oordeel dat uit de aanvraag blijkt dat er voldoende maatregelen worden toegepast c.q. zullen worden toegepast om luchtemissies te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

12. OVERIGE ASPECTEN

12.1. Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob)

Wij hebben, in het kader van de Wet Bibob, de aangeleverde stukken met betrekking tot de bedrijfsvoering en de financiering getoetst. Naar aanleiding van deze toets zien wij geen aanleiding tot verdere stappen.

12.2. Reach

REACH (Registratie Evaluatie en Autorisatie van Chemische stoffen) Verordening (EC) 1907/2006 is een Europese verordening over stoffen. REACH werkt rechtstreeks. Voor een deel van de op grond van REACH geregistreerde stoffen bestaat er een autorisatieplicht. Deze stoffen mogen niet zonder meer worden gebruikt.

Uit de aanvraag blijkt dat er binnen de inrichting stoffen worden gebruikt waarop REACH van toepassing is.

In het kader van deze vergunning is door ons nagegaan of er sprake is van een autorisatieplicht of restricties en of aan bepaalde specifieke stoffen die de inrichting produceert, gebruikt of emitteert, op grond van REACH in de toekomst een autorisatie of restrictie verbonden kan zijn. De inrichting moet voldoen aan de verplichtingen uit REACH.

12.3. Proefnemingen

12.3.1. Proefnemingen met producten en procesvoering

Voor veel inrichtingen is het zoeken naar verbetering(en) van producten en procesvoering een veelvuldig terugkerend aandachtspunt. Vaak wordt ook aan productonderzoek en/of -ontwikkeling gedaan. Dergelijke ontwikkelingen dragen veelal ook bij aan een vermindering van de belasting van het milieu.

Vanuit de geschetste achtergrond kan de behoefte bestaan en is het vaak van essentieel belang om op bepaalde momenten gedurende enige tijd proefnemingen uit te voeren. Op die manier kan informatie worden vergaard over de beoogde verbeteringen en/of aanpassingen in product of proces en om inzicht te krijgen in de daaraan verbonden milieuhygiënische consequenties.

Proefnemingen worden gekenmerkt door een beperkte duur (wij gaan uit van maximaal zes maanden). Doorlooptijd en/of hoeveelheid moeten echter wel voldoende zijn om de noodzakelijke informatie te kunnen vergaren.

In de aanvraag heeft aanvrager aangegeven de mogelijkheid te willen hebben om desgewenst proefnemingen uit te kunnen voeren. Wij achten dit acceptabel. Wel zijn wij van oordeel dat daaraan randvoorwaarden moeten worden gesteld en moeten proefnemingen ruim voor aanvang (minimaal zes weken) bij ons voor toestemming worden voorgelegd. Daartoe hebben wij voorschriften opgenomen. Tevens moet over de resultaten van de proef aan ons worden gerapporteerd.

De proefnemingen moeten plaatsvinden binnen de milieuhygiënische randvoorwaarden van deze vergunning en mogen pas aanvangen na toestemming van ons.

Ten overvloede merken wij nog op dat indien een proef succesvol is verlopen en men wil de resultaten daarvan implementeren, eerst steeds zal moeten worden bezien in hoeverre daartoe een procedure op grond van de Wabo zal moeten worden doorlopen.

12.3.2. Proefnemingen met afvalstoffen

Een van de kernpunten van het afvalstoffenbeleid is dat de be- en/of verwerking van afvalstoffen op een zo hoogwaardig mogelijke wijze moet plaatsvinden. Het beoordelingskader daarvoor is het LAP. Om informatie te vergaren over bijvoorbeeld de technische haalbaarheid van nieuwe hoogwaardige technieken of andere be- of verwerkingsmethoden van afvalstoffen en om inzicht te krijgen in de daaraan verbonden milieuhygiënische consequenties, kan het uitvoeren van proefnemingen van essentieel belang zijn.

Proefnemingen worden gekenmerkt door een beperkte duur (wij gaan uit van maximaal zes maanden) en een beperkte hoeveelheid afvalstoffen. Doorlooptijd en/of hoeveelheid afvalstoffen moeten echter wel voldoende zijn om de noodzakelijke informatie te kunnen vergaren.

In de aanvraag heeft de aanvrager aangegeven de mogelijkheid te willen hebben om desgewenst proefnemingen uit te kunnen voeren. Wij achten dit acceptabel. Wel zijn wij van oordeel dat daaraan randvoorwaarden moeten worden gesteld en dat proefnemingen ruim voor aanvang (ten minste zes weken) bij ons voor toestemming moeten worden voorgelegd. Daartoe hebben wij voorschriften opgenomen. Tevens moet over de resultaten van de proef aan ons worden gerapporteerd.

De proefnemingen moeten plaatsvinden binnen de milieuhygiënische randvoorwaarden van deze vergunning en mogen pas aanvangen na toestemming van ons.

Ten overvloede merken wij nog op dat indien een proef succesvol is verlopen en vergunninghouder de resultaten daarvan wil implementeren, eerst steeds zal moeten worden bezien in hoeverre een procedure op grond van de Wabo zal moeten worden doorlopen.

12.4. Toekomstige ontwikkelingen

Er worden binnen de inrichting of in de omgeving van de inrichting geen ontwikkelingen verwacht die van belang kunnen zijn voor de bescherming van het milieu.

13. TOETSINGSKADER BOUW

13.1. Inleiding

De aanvraag omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een bouwwerk (als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid onderdeel a van de Wabo) kan alleen worden verleend als deze voldoet aan de daarvoor gestelde toetsingscriteria.

Een toetsing aan deze criteria heeft plaatsgevonden.

13.2. Toetsing

13.2.1. Toetsing Bouwbesluit 2012

De gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan de relevante voorschriften van het Bouwbesluit 2012. Op grond van de ingediende stukken ten behoeve van deze aanvraag is voldoende aannemelijk gemaakt dat er wordt voldaan aan het Bouwbesluit 2012.

Brandweer Fryslân adviseert ons wel om extra aandacht te geven aan artikel 7.7 van het Bouwbesluit 2012. Met name gaat het om de bedrijfsmatige opslag van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen (bijvoorbeeld hout en kunststoffen).

Het eerste lid geeft een functionele eis voor de bedrijfsmatige opslag van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen.

Bedrijfsmatige opslag van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen is zodanig dat bij brand geen onveilige situatie kan ontstaan voor een op een aangrenzend perceel gelegen of op dat perceel volgens het bestemmingsplan nog te realiseren gebouw dat op grond van hoofdstuk 2 (technische bouwvoorschriften uit het oogpunt van veiligheid) een brandcompartiment of een gedeelte van een brandcompartiment is, of voor een speeltuin, kampeerterrein of opslag van brandgevaarlijke stoffen.

In het tweede lid zijn is aangegeven wanneer bij de opslag van hout buiten een gebouw aan het eerste lid is voldaan.

  • a.

    Aan het in het eerste lid gestelde is bij opslag van hout, anders dan in een gebouw, voldaan indien:

  • b.

    de opslag bij brand gedurende een periode van ten minste 60 minuten, gerekend vanaf het ontstaan van de brand, geen grotere stralingsbelasting veroorzaakt dan 15 kW/m²;

  • c.

    de bereikbaarheid van de opslag vanaf twee tegenover elkaar liggende zijden is gewaarborgd, waarbij in een derde zijde ook een toegangsmogelijkheid aanwezig is indien die zijde langer is dan 40 m, en bij de opslag een bluswatervoorziening met gedurende ten minste vier uren een toevoercapaciteit van ten minste 90 m³ per uur aanwezig is.

In het derde lid is bepaald hoe de stralingsbelasting van de opslag moet worden gemeten.

De in het tweede lid bedoelde stralingsbelasting wordt gemeten op:

  • a.

    de perceelsgrens, indien het aangrenzend perceel een kampeerterrein, een speeltuin of en opslag van brandgevaarlijke stoffen is, en

  • b.

    enig punt van de uitwendige scheidingsconstructie van een op het aangrenzend perceel gelegen gebouw.

Indien de toezichthouder daarnaar vraagt moet Donker aantonen dat door brand in een buitenopslag er geen onveilige situatie kan ontstaan op een aangrenzend gelegen perceel, zoals bedoeld in artikel 7.7 lid 2a van het Bouwbesluit.

13.2.2. Toetsing gemeentelijke bouwverordening

De gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan de relevante voorschriften van de Bouwverordening van de Gemeente Súdwest-Fryslân. Wij zijn van mening dat de aanvraag voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening van de gemeente Súdwest-Fryslân.

13.2.3. Toetsing bestemmingsplan

De kadastrale percelen Gemeente Sneek, sectie E, nummers 618,619 en 70 plaatselijk bekend Harste 5 te Sneek zijn gelegen in een gebied waarvoor het bestemmingsplan ‘Hemdijk – De Harste‘ is vastgesteld. In dit bestemmingsplan hebben de gronden de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden, met bijbehorende erven -B- ‘ (artikel 7 van de regels).

Op grond van lid B, sub I, onder a geldt dat de gebouwen uitsluitend mogen worden opgericht binnen de op de kaart aangegeven bebouwingsvlakken. Op de plankaart staan binnen de bestemmingsgrenzen 5 bouwvlakken getekend. De kapschuur staat geheel buiten deze bouwvlakken.

Op grond van lid B, sub I, onder b, geldt dat de maximumgoothoogte en de maximumbouwhoogte van de gebouwen niet meer mag bedragen dan op de kaart binnen een bebouwingsvlak of een gedeelte daarvan is aangegeven. Er wordt buiten het bebouwingsvlak gebouwd, dus gelden er geen maximum goot- of bouwhoogte. Binnen de het bebouwingsvlak is de maximum goothoogte 6 m¹ en de maximum bouwhoogte 9 m¹. De goothoogte van het kantoorgedeelte is 6,033 m¹ is strikt formeel gezien strijdig met de maximale goothoogte.

Het bouwplan is om deze reden strijdig met de regels van het bestemmingsplan.

Ad. a. Toetsing binnenplanse afwijking

Het bestemmingsplan voorziet niet in een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid voor de geconstateerde strijdigheid.

Ad. b. Toetsing buitenplanse afwijking - kruimelgeval

Op grond van artikel 2.12 eerste lid, onder a, sub 2° van de Wabo, samen met artikel 4, onderdeel 1 van bijlage II van het Bor, kan medewerking worden verleend aan een buitenplanse afwijking.

Ad. c. Toetsing buitenplanse afwijking - projectafwijkingsbesluit

Aan een buitenplanse afwijking voor een omgevingsvergunning die is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing (projectafwijkingsbesluit) wordt niet toegekomen, omdat een buitenplanse afwijking - kruimelgeval tot de procedurele mogelijkheden behoort.

Overwegingen

Afwijking van het bestemmingsplan is alleen wenselijk indien na een afweging van diverse belangen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Om de navolgende redenen is ons inziens sprake van een goede ruimtelijke ordening en worden belangen niet geschaad.

Wij zijn van mening dat het afwijken van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het afwegingskader vanuit het bestemmingsplan en de beleidsregels en dat er voorts geen belangen worden geschaad. Onze motivering daarvoor is hierna beschreven.

Beleidsnotitie ‘Planologisch Afwijkingenbeleid’

Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Südwest-Fryslân heeft op 23 juni 2015 het Planologisch afwijkingenbeleid vastgesteld. In deze beleidsnotitie zijn regels opgenomen voor de wijze waarop binnen de gemeente Súdwest-Fryslân planologisch mag worden afgeweken. Het zijn de afwijkingsmogelijkheden die de wetgever het college heeft gegeven op grond van de zogenaamde ‘kruimellijst’. Deze regeling is neergelegd in artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.

Aan de hand van dit beleid is beoordeeld of voor dit plan afgeweken kan worden van de planregels. In het Planologisch afwijkingenbeleid’ staat het volgende vermeld: Voor uitbreidingen bij bedrijfsgebouwen gelden de volgende voorwaarden:

  • -

    Uitbreidingen van de hoofdvorm achter of in het verlengde van de voorgevel, waarbij ondergeschikte gebouwen minimaal 1m achter de voorgevel gesitueerd moeten worden.

  • -

    Niet hoger dan de oorspronkelijke toegestane goot- en bouwhoogte van het bestemmingsplan, met uitzondering van uitbreidingen van bouwwerken met ondergeschikte bouwdelen.

  • -

    De maximale bebouwingsoppervlakte (BP) ma met maximaal 50% worden overschreden;

  • -

    Voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

  • -

    Er mogen geen onevenredige gevolgen voor de verkeersdoorstroming en verkeersveiligheid ter plaatse ontstaan.

  • -

    Er dient een minimale afstand van 3 meter tot alle perceelsgrenzen aangehouden te worden.

Indien aan één of meer van de bovenstaande regels niet wordt voldaan dan dient er per concreet geval een afweging te worden gemaakt.

Het plan voldoet aan de meeste punten zoals hierboven omschreven. Wanneer een plan niet aan alle punten voldoet, mag er per concreet geval een afweging gemaakt worden. De goothoogte is bij een kleine deel van de kapschuur hoger (6,5 meter) dan de 6 meter die op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. Omdat dit slechts gaat om een beperkt deel van het gebouw en het om een beperkte overschrijding gaat, is dit ruimtelijk acceptabel. De kapschuur zorgt verder voor een verbetering van de milieuhygiënische situatie doordat opslag en activiteiten overdekt kunnen plaatsvinden.

Gezien bovenstaande kan medewerking worden verleend aan het plan met een buitenplanse kruimelafwijking.

13.2.4. Toetsing welstandsnota

De gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan de door de gemeenteraad vastgestelde criteria zoals gesteld in de gemeentelijke welstandsnota.

De aanvraag is op 2 september 2021 beoordeeld door de onafhankelijke welstandscommissie Hûs en Hiem Welstandsadvisering en Monumentenzorg (verder: de commissie). De commissie is van mening dat de aanvraag voldoet aan redelijke eisen van welstand.

13.3. Conclusie

Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op ‘bouwen van een bouwwerk’ zijn er ten aanzien van deze activiteit geen redenen om de omgevingsvergunning te weigeren.

14. CONCLUSIE 

Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op de veranderingen van de activiteiten van een inrichting kan worden geconcludeerd, dat de omgevingsvergunning kan worden verleend.

In deze beschikking zijn de voor deze activiteit relevante voorschriften opgenomen.

BEGRIPPENLIJST

Voor de begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij naar de definities zoals die zijn opgenomen in de geldende wet- en regelgeving (zoals het Activiteitenbesluit, de Activiteitenregeling, het Besluit omgevingsrecht, het Besluit externe veiligheid inrichtingen, de Wet geurhinder en veehouderij etc.)

Begrip

Definitie

Considerans

BBT

Best Beschikbare techniek genoemd in een BBT document.

BREF

BAT Reference document. Een in Europees verband vastgesteld document waarin de BBT worden beschreven die specifiek zijn voor een bepaalde branche of activiteit.

E-PRTR

European Pollutant Release and Transfer Register.

ILT

Inspectie Leefomgeving en Transport

InfoMil

Het informatiecentrum in Nederland over milieuwet- en regelgeving.

IPPC

Integrated Pollution Prevention and Control

ISO 14001

Milieumanagementsystemen - Eisen met richtlijnen voor gebruik, 2015

ISO 14051

Milieumanagementsystemen - Kostentoerekening van materiaalstromen - Algemeen raamwerk, 2011

MER

Milieueffectrapport

Onderneming

Een bedrijfseconomische definitie van een of meerdere vestigingen behorende tot een en dezelfde onderneming. Hoeft niet plaatsgebonden te zijn bij bijvoorbeeld een concern met een hoofdvestiging en een of meerdere nevenvestigingen.

PRTR

Zie E-PRTR.

REACH-verordening

REACH staat voor: Registratie, Evaluatie, Autorisatie en beperking van Chemische stoffen. REACH stelt beperkingen aan het gebruik van stoffen wanneer negatieve effecten ervan op mens en/of milieu bekend zijn, 18 december 2006.

Afval

Mengen

Het samenvoegen van afvalstoffen die qua aard, samenstelling of concentraties aanwezige componenten niet met elkaar vergelijkbaar zijn. Onder ‘mengen’ wordt in ieder geval gevat:

  • -

    het samenvoegen van afvalstoffen die vallen binnen verschillende afvalcategorieën van ‘bijlage 5; Lijst met gescheiden te houden afvalstoffen;

  • -

    het samenvoegen van afvalstoffen met niet-afvalstoffen;

  • -

    verdunnen van afvalstoffen;

  • -

    het samenvoegen van afvalstoffen binnen één afvalcategorie.

Minimumstandaard

De minimale hoogwaardigheid van verwerking van afzonderlijke afvalstoffen of categorieën van afvalstoffen. De minimumstandaard vormt een referentie voor de maximale milieudruk die verwerking van (een categorie van) afvalstoffen mag opleveren.  De standaard is een invulling van de afvalhiërarchie voor afzonderlijke afvalstoffen en vormt op die manier een referentieniveau bij de vergunningverlening voor afvalbeheer. Ook betreft het een uitwerking van de artikelen 3 en 4 van de kaderrichtlijn afvalstoffen.

Ontdoener

Persoon of bedrijf waar afval ontstaat en die zich van het afval wil ontdoen door het af te geven aan een inzamelaar, vervoerder handelaar, bewerker of verwerker.

Opbulken

Het samenvoegen van afvalstoffen die qua aard, samenstelling en concentraties vergelijkbaar zijn.

Overslaan

Verrichten van alle handelingen op één locatie, waarbij afvalstoffen vanuit of vanaf een opbergmiddel of transportmiddel in of op een ander opbergmiddel of transportmiddel worden overgebracht. Hieronder vallen bijvoorbeeld beladen, lossen, hevelen, enz. met bijvoorbeeld kranen, transportbanden en leidingen, maar het uitvoeren van iedere verwerkingshandeling (sorteren, scheiden, spoelen, mengen, etc. etc.) valt hier niet onder.

Sorteren

Scheiden van een mengsel van materiaalstromen of van samengestelde materialen gescheiden in de oorspronkelijke materiaalstromen.

Uitsorteren

Het handmatig scheiden van incidenteel voorkomende verontreinigingen uit een vrijwel schone materiaalstroom of uit een mengsel van vrijwel schone materiaalstromen

Afvalwater en waterbesparing

Afvalwater

Alle water waarvan de houder zich, met het oog op de verwijdering daarvan, ontdoet, voornemens is zich te ontdoen, of moet ontdoen.

Bedrijfsafvalwater

Afvalwater (inclusief verontreinigd hemelwater), niet zijnde huishoudelijk afvalwater.

Bedrijfsriolering

Een stelsel van buizen, verbindingstukken en elementen zoals straat- en trottoirkolken, gootelementen, verzamelputten en installaties, zoals slibvangputten, olie-waterscheider en controleputten voor de opvang en afvoer van bedrijfsafvalwater.

Hemelwater

Alle neerslag, zoals regen, sneeuw of hagel.

Huishoudelijk afvalwater

Afvalwater dat vergelijkbaar is met afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens.

Openbaar riool

Voorziening voor de inzameling en transport van afvalwater, als bedoeld in artikel 10.30 van de Wet milieubeheer.

Riolering

Bedrijfsriolering of openbare riolering.

Bodem

Bodemrisicodocument

Document dat inzicht geeft in het risico van bodemverontreiniging. Hiertoe wordt per bodembedreigende activiteit overeenkomstig de bodemrisicochecklist uit de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bepaald of met de aanwezige of voorgenomen combinatie van voorzieningen en maatregelen sprake is of zal zijn van een verwaarloosbaar bodemrisico.

Verklaring vloeistofdichte voorziening

Een bewijs van inspectie waarmee aangetoond wordt dat een voorziening als vloeistofdicht wordt aangemerkt.

Vloeistofdichte vloer of voorziening

Vloer of voorziening direct op de bodem die waarborgt dat geen vloeistof aan de niet met vloeistof belaste zijde van de vloer of voorziening kan komen.

Energie en vervoersmanagement

Energie-audit

(bij EED)

Een energieonderzoek zoals bedoeld in de Tijdelijke regeling implementatie artikelen 8 en 14 Richtlijn energie-efficiëntie of de AMvB/Wet die de Tijdelijke regeling opvolgt.

Een systematische procedure met als doel toereikende informatie te verzamelen omtrent het huidige energieverbruiksprofiel van een gebouw of groep gebouwen, van een industriële of commerciële activiteit of installatie of van private of publieke diensten, mogelijkheden voor kosteneffectieve energiebesparing te signaleren en kwantificeren en verslag uit te brengen van de resultaten.

Energie-efficiëntieplan

(EEP bij MJA3/MEE)

Het energie-efficiëntieplan (EEP) dat een deelnemer aan een MJA3/MEE opstelt.

Dit plan moet elke 4 jaar worden geactualiseerd. Het EEP geeft inzicht in de energetische situatie en de te treffen energie efficiëntie maatregelen van de inrichting.

Onderneming

Een bedrijfseconomische definitie van een of meerdere vestigingen behorende tot een en dezelfde onderneming. Hoeft niet plaatsgebonden te zijn bij bijvoorbeeld een concern met een hoofdvestiging en een of meerdere nevenvestigingen.

Rendabele maatregelen

Maatregelen die een terugverdientijd hebben van vijf jaar of minder.

Terugverdientijd

De verhouding tussen het investeringsbedrag voor de maatregel na aftrek van eventuele subsidies en de jaarlijkse opbrengsten van de maatregel ten gevolge van de met de maatregel samenhangende energiebesparing en andere kostenbesparingen. In geval van een investering in een installatie voorzien van afzonderlijke energiebesparende componenten moet in plaats van het totaalinvesteringsbedrag worden gerekend met de meer investering ten opzichte van een installatie zonder de energiebesparende componenten. Voor de berekening van de financiële opbrengsten vanwege het nemen van de maatregel moet worden gerekend met de op het moment van het energiebesparingsonderzoek geldende kosten (tarieven) voor de betrokken inrichting. Er wordt geen rekening gehouden met de eventuele kosten van het (vervroegd) uit bedrijf nemen van een installatie en niet met rentekosten

Externe Veiligheid

Brandbare (vloei)stof

Een vloeistof die zelf brandbaar is of waaruit onder voorzienbare bedrijfsomstandigheden een brandbaar gas, brandbare damp of brandbare nevel kan ontstaan (EN-IEC 60079-10). Een vaste stof vallend onder klasse 4.1.van het ADR. Een vloeistof die , in verpakte vorm, conform het ADR het etiket model nr. 3 draagt.

Drukhouder

Een drukhouder is een verzamelterm die flessen, grote cilinders, drukvaten, gesloten cryohouders en flessenbatterijen omvat.

Emballage

Verpakkingsmateriaal, zoals glazen en kunststof flessen, blikken en kunststof cans, metalen en kunststof vaten of fiberdrums, papieren en kunststof zakken, houten kisten, big-bags en Intermediate Bulk Containers (IBC's).

Gas

Een stof die bij 50°C een dampdruk bezit hoger dan 300 kPa (3 bar) of bij 20°C en de standaarddruk van 101,3 kPa volledig gasvormig is.

IBC

Intermediate Bulk Container. Een stijve of flexibele verpakking die in paragraaf 6.5 van het ADR is genoemd.

KIWA

Dienstverlenend centrum voor kwaliteitsbeheersing en onderzoek in de sectoren Drinkwater, Bouw en Milieu, www.kiwa.nl

Verontreinigende stoffen

Stoffen die hinder of nadeel voor de gezondheid van de mens kunnen opleveren. Ook vallen hieronder stoffen die schade kunnen toebrengen aan dieren, planten of goederen. Dit kan gaan om op zichzelf staande stoffen, gezamenlijke stoffen of stoffen die in verbinding met elkaar staan.

Geluid

Geluidsgevoelige bestemmingen

Gebouwen of objecten, aangewezen in het Besluit geluidhinder krachtens de artikelen 49 en 68 van de Wet geluidhinder (Stb. 1982, 465).

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT)

Het A-gewogen gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse, in de loop van een bepaalde periode optredende geluid en zo nodig gecorrigeerd voor de aanwezigheid van impulsachtig geluid, tonaal geluid of muziekgeluid, vastgesteld en beoordeeld

overeenkomstig de 'Handleiding meten en rekenen industrielawaai', uitgave 1999.

Maximaal geluidsniveau (LAmax)

Het hoogste A-gewogen geluidsniveau, afgelezen in de meterstand 'fast', verminderd met de meteocorrectieterm Cm. De meterstand 'fast' komt overeen met een tijdconstante van 125 ms.

Referentieniveau

De hoogste waarde van de onder 1. en 2. genoemde niveaus, bepaald overeenkomstig het Besluit bepaling referentieniveau-periode (Stcrt. 1982, 162):

het geluidsniveau, uitgedrukt in dB(A), dat gemeten over een bepaalde periode gedurende 95% van de tijd wordt overschreden, exclusief de bijdrage van de inrichting zelf;

het optredende equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door wegverkeerbronnen minus 10 dB(A), met dien verstande dat voor de nachtperiode van 23.00 tot 07.00 uur alleen wegverkeerbronnen in rekening mogen worden gebracht met een intensiteit van meer dan 500 motorvoertuigen gedurende die periode.

Trilling

Mechanische beweging rond een referentiepunt dat in evenwicht is.

Verkeersbeweging

Het aan- of afrijden met een persoon-, bestel- of vrachtwagen.

Vmax

Maximale trillingssterkte.

Geur

Aanvaardbaar hinderniveau

Uitkomst van het afwegingsproces van onder andere de volgende aspecten:

  • -

    toetsingskader;

  • -

    geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten;

  • -

    aard en waardering van de geur (hedonische waarde);

  • -

    klachtenpatroon; huidige en verwachte hinder;

  • -

    technische en financiële consequenties van maatregelen en gevolgen daarvan voor andere emissies;

  • -

    de mate waarin getroffen maatregelen ter beperking van luchtemissies overeenstemmen met BBT uit BREF’s en nationale BBT-documenten;

  • -

    lokale situatie (onder meer planologische ruimte, sociaal-economische aspecten en andere lokale afwegingen);

  • -

    historie van het bedrijf in zijn omgeving.

OPMERKING Het aanvaardbaar hinderniveau voor veehouderijen verschilt met het bovenstaande en is geregeld via de Wet geurhinder en veehouderijen / het Activiteitenbesluit.

Europese geureenheid (ouE)

Eén Europese geureenheid is de hoeveelheid geurstoffen die, bij verdamping in één kubieke meter neutraal gas onder standaard condities, een fysiologische respons oproept bij een panel (detectiegrens) gelijk aan de respons die optreedt bij verdamping van 123 μg n-butanol (CAS-Nr. 71-36-3) in één kubieke meter lucht onder standaard condities (concentratie is 0,040 μmol/mol).

Geuremissie

Hoeveelheid geur die per tijdseenheid wordt geëmitteerd uitgedrukt in Europese geureenheden; De geuremissie is gelijk aan de geurconcentratie in de geëmitteerde luchtstroom vermenigvuldigd met het debiet van de luchtstroom .

Geurbelasting

Geurconcentratie in de omgeving (per tijdseenheid). De geurbelasting wordt uitgedrukt in Europese geureenheden per kubieke meter lucht bij een bepaalde percentielwaarde (ouE/m3 als x-percentiel van de uurgemiddelde concentratie). De x-percentielwaarde vertegenwoordigt de tijdsfractie van een jaar waarvoor geldt dat gedurende deze tijdsfractie de geurconcentratie beneden deze aangegeven concentratie blijft of gelijk is aan deze waarde.

Geurconcentratie

Hoeveelheid Europese geureenheden per kubieke meter lucht (ouE/m3) onder standaardcondities.

Geurimmissie

Geurconcentratie in de omgeving (per tijdseenheid).

NEN-EN 13725

Bepaling van de geurconcentratie door dynamische olfactometrie. (oktober 2006).

NEN-EN 15259

Luchtkwaliteit - Meetmethode emissies van stationaire bronnen - Eisen voor meetvlakken en meetlocaties en voor doelstelling, meetplan en rapportage van de meting (oktober 2007).

Percentielwaarde

Tijdfractie van het jaar dat een bepaalde geurconcentratie niet wordt overschreden.

OPMERKING Een geurbelasting van 1 ouE/m3 als 98-percentiel van de uurgemiddelde concentratie geeft bijvoorbeeld aan dat de geurconcentratie van 1 ouE/m3 gedurende 2 % van de tijd (minder dan 176 h per jaar) wordt overschreden.

Lucht

ETS

CO2 emissiehandelssysteem

Goederen

Producten als genoemd in bijlage 7 van de NeR. Bijlage 7 van de NeR geeft de klassenindeling van de meest voorkomende stortgoederen. Deze lijst moet overigens niet als limitatief worden gezien, doch kan aanvullingen of wijzigingen ondergaan.

m30

Gashoeveelheid [m3] bij 273,15 K, bij 101,3 kPa, betrokken op droog gas.

NNM

Nieuw Nationaal Mode

NSL

Nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit

NTA 9065

Nederlandse Technische Afspraak 9065: Geurmeting- en berekening. Uitgegeven door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut, oktober 2012

PAS

Programmatische Aanpak Stikstof

Percentielwaarde

Tijdfractie van het jaar dat een bepaalde geurconcentratie niet wordt overschreden. Een geurbelasting van 1 ouE/m3 als 98-percentiel van de uurgemiddelde concentratie geeft bijvoorbeeld aan dat de geurconcentratie van 1 ouE/m3 gedurende 2 % van de tijd (minder dan 176 h per jaar) wordt overschreden.

ppm

Concentratie-eenheid parts per million

Puntbron

Een gefixeerd punt van gekanaliseerde - en daarmee in principe kwantificeerbare emissies.

RIE

Richtlijn Industriële Emissies

Stortgoed

Onverpakt korrelvormig materiaal.

Stuifklasse

Klasse uit de stuifklasse-indeling van Bijlage 3 van het Activiteitenbesluit: S1 sterk stuifgevoelig, niet bevochtigbaar, S2 sterk stuifgevoelig, wel bevochtigbaar, S3 licht stuifgevoelig, niet bevochtigbaar, S4 licht stuifgevoelig, wel bevochtigbaar, S% nauwelijks of niet stuifgevoelig.

 

Naar boven