Provinciaal blad van Fryslân
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2023, 180 | andere beschikking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2023, 180 | andere beschikking |
Omgevingsvergunning Loon- en Grondverzetbedrijf Luimstra B.V., Koartwâld 12 en 21 Surhuizum
Wij hebben besloten om de omgevingsvergunning te verlenen. U treft de omgevingsvergunning hierbij aan. Wij raden u aan om de omgevingsvergunning met de bijlagen goed te lezen. Aan de omgevingsvergunning zijn voorschriften verbonden, waaraan u zich dient te houden zodra de omgevingsvergunning in werking treedt.
Met ingang van 16 mei 2022 leggen wij uw aanvraag en de omgevingsvergunning met bij behorende stukken zes weken ter inzage. Binnen 6 weken na bekendmaking van de vergunning kunnen zowel u als belanghebbenden een beroepschrift indienen. In de vergunning onder 'Rechtsbeschermingsmiddelen' kunt u lezen hoe en waar u een beroepschrift kunt indienen.
Wij publiceren de omgevingsvergunning in de Leeuwarder Courant en het Friesch Dagblad en het Provinciaal Blad via de website https://officielebekendmakingen.nl.
Wanneer kunt u gebruik maken van de vergunning
U kunt pas gebruik maken van de vergunning als u de definitieve omgevingsvergunning heeft ontvangen en deze in werking is getreden.
Voor meer informatie over deze brief kunt u contact opnemen met de heer [Naam], bereikbaar op telefoonnummer 0566-750300 of per e-mail via [Naam]@fumo.nl .
Namens Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân
S.G.C. BoenderAfdelingshoofd Vergunningverlening en Specialistisch Advies
Op 1 april 2021 is een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen van Loon- en Grondverzetbedrijf Luimstra B.V. De aanvraag gaat over het vergroten van de locatie op het adres Koartwâld 12 in Surhuizum. De locatie zal worden gebruikt voor de opslag van mest, natte grond (boorslib/bentoniet/baggerspecie), grond, zand, (beton)puin, menggranulaat, compost en groenafval, de be- en verwerking van puin en groenafval met behulp van respectievelijk een mobiele breek- en zeefinstallatie, een mobiele shredderinstallatie en een composteerinstallatie. De bestaande activiteiten op de locatie Koartwâld 21 in Surhuizum, zoals de aansturing van het bedrijf, onderhoud aan materieel in de werkplaats en het stallen en aftanken en schoonspuiten van het eigen bedrijfsmaterieel, blijven ongewijzigd. Wel wordt het opslagterrein op deze locatie vergroot.
De aanvraag heeft betrekking op Koartwâld 12 en 21 in Surhuizum. De aanvraag is geregistreerd onder nummer 2021-FUMO-0051584.
De volgende activiteiten zijn aangevraagd:
Wij besluiten, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de daarop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten en -regelingen aan Loon- en Grondverzetbedrijf Luimstra B.V. een (omgevings)vergunning:
op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c. (het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan te verlenen voor het vergroten van de locatie Koartwâld 12 ten behoeve van de opslag van mest, natte grond (boorslib/bentoniet/baggerspecie), grond, zand, (beton)puin, menggranulaat, compost en groenafval en het vergroten van het buitenterrein (opslag) op de locatie Koartwâld 21 in Surhuizum. Aan de verlening van de vergunning zijn voorschriften verbonden. Deze staan in de bijlage van dit besluit.
Wij zijn tevens voornemens te besluiten:
Voor zover de aan de vergunning verbonden delen van de aanvraag niet in overeenstemming zijn met de gestelde voorschriften, zijn de voorschriften bepalend;
dat de verklaring van geen bedenkingen van de raad van de gemeente Achtkarspelen van 16 september 2021 en de Ruimtelijke Onderbouwing Koartwâld 12 Surhuizum (vergroten opslaglocatie) en Koartwâld 21, Surhuizum (planologische inpassing reeds bestaand stallingsterrein) Gemeente Achtkarspelen, Spoelstra Omgevingsadviseur, Projectnummer: 53640/AJS/168, augustus 2021, inclusief bijlagen, deel uitmaakt van deze vergunning.
Tenslotte zijn wij voornemens te besluiten:
om op grond van artikel 8.42 van de Wet milieubeheer (Wm), in samenhang met artikel 2.7, lid 2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, maatwerkvoorschriften te stellen voor het aspect diffuse stofemissies bij op- en overslag en bewerken van stuifgevoelige goederen. Wij verklaren op grond van artikel 3:10 van de Algemene wet bestuursrecht dat op dit maatwerkbesluit de uitgebreide procedure van toepassing is.
Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân
S.G.C. Boender Hoofd afdeling Vergunningverlening en Specialistisch Advies
De bekendmaking van deze beschikking gebeurt door publicatie inde Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via https://www.officielebekendmakingen.nl . Ook moet de beschikking ter inzage worden gelegd. Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start de beroepstermijn van zes weken. In die periode kunnen zowel u als belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Ook niet-belanghebbenden kunnen beroep aantekenen indien zij een zienswijze hebben ingediend.
Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij Rechtbank Noord-Nederland, Postbus 781, 9700 AT Groningen. De beschikking treedt de dag na afloop van de beroepstermijn in werking.
Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht. Dit verzoek kan worden gedaan bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord Nederland, Postbus 781 9700 AT Groningen. De beschikking treedt in dat geval niet in werking voordat over dit verzoek is beslist.
Bijlage voorschriften omgevingsvergunning met kenmerk 2021-FUMO-0051584
1 Voorschriften Bouwen van een bouwwerk
1.2 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen.
1.3 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden.
Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft, wordt het einde van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.
De hierboven bedoelde kennisgevingen moeten schriftelijk worden gericht aan de FUMO, Postbus 3347, 8901 DH LEEUWARDEN of info@fumo.nl.
1.4 Verbod tot ingebruikneming.
2 Voorschriften voor het gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan
2.1 Opslaghoogte (afval)stoffen
2.2 Landschappelijke inpassing
De landschappelijke inpassing van de gehele deellocatie Koartwâld 12 Surhuizum is binnen 6 maanden na het in werking treden van deze vergunning gerealiseerd en wordt in stand gehouden overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan “Landschappelijke inpassing uitbreiding Luimstra, versie februari 2021, aanpassing maart, status: definitief” .
1.1 Terrein van de inrichting en toegankelijkheid
Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die welke voor het proces nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen.
Het aantrekken van insecten, knaagdieren en ander ongedierte moet worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven moet een doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden. Hiertoe moet een ongediertebestrijdingsplan binnen de inrichting aanwezig zijn.
Onderhoudswerkzaamheden waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit, moeten ten minste zeven dagen voor de aanvang van de uitvoering aan het bevoegd gezag worden gemeld via toezichtenhandhaving@fumo.nl of schriftelijk aan: FUMO
Indien uit de inhoud van keurings- en inspectierapporten blijkt dat gevaar voor verontreiniging dreigt, moet direct het bevoegd gezag daarvan in kennis worden gesteld via toezichtenhandhaving@fumo.nl of via 0566 – 750 300
De vergunninghouder moet de binnen de inrichting (tijdelijk) werkzame personen schriftelijk instrueren over de voor hen van toepassing zijnde voorschriften van deze vergunning en de van toepassing zijnde veiligheidsmaatregelen. Tijdens het in bedrijf zijn van installaties die in geval van storingen of onregelmatigheden kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu, moet steeds voldoende, kundig personeel aanwezig zijn om in voorkomende gevallen te kunnen ingrijpen.
1.4 Melding contactpersoon en wijziging vergunninghouder
De vergunninghouder moet direct nadat de vergunning in werking is getreden schriftelijk naam en telefoonnummer opgeven aan het bevoegd gezag van degene (en van diens plaatsvervanger) met wie in spoedeisende gevallen, ook buiten normale werktijden, contact kan worden opgenomen. Als deze gegevens wijzigen moet dit vooraf onder vermelding van de wijzigingsdatum schriftelijk worden gemeld aan het bevoegd gezag. Deze gegevens kunnen worden toegezonden via toezichtenhandhaving@fumo.nl of schriftelijk aan:
Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten binnen de inrichting moeten alle aanwezige stoffen en materialen, die uitsluitend aanwezig zijn vanwege de – te beëindigen- activiteiten, door of namens vergunninghouder op milieu hygiënisch verantwoorde wijze in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd.
Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van (een van de) activiteiten moet het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden.
De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging buiten de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen.
Afvalstoffen moeten zodanig gescheiden van elkaar worden opgeslagen dat de verschillende soorten afvalstoffen ten opzichte van elkaar geen reactiviteit kunnen veroorzaken.
Van de hieronder vermelde (gevaarlijke) afvalstoffen, die zijn ontstaan bij activiteiten binnen de inrichting, mogen maximaal de hoeveelheden zoals opgenomen in onderstaande tabel opgeslagen worden (containers S1 t/m S6 deellocatie Koartwâld 21).
De termijn van opslag van afvalstoffen mag maximaal één jaar bedragen. In afwijking hiervan mag de termijn van opslag van afvalstoffen maximaal drie jaar bedragen indien de vergunninghouder aan het bevoegd gezag heeft aangetoond dat de opslag van afvalstoffen gevolgd wordt door nuttige toepassing van afvalstoffen.
2.2 Acceptatie van afvalstoffen
Indien de afzet van de opgeslagen afvalstoffen stagneert, geeft de vergunninghouder dit onverwijld schriftelijk te kennen aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat ten minste gegevens over de oorzaak van de stagnatie en de verwachte tijdsduur, alsmede de maatregelen die worden genomen om de stagnatie op te heffen, respectievelijk in de toekomst te voorkomen.
2.3 Onverhoopt aangetroffen asbest
De tijdelijke opslag van onverhoopt aangetroffen asbest en/of asbesthoudende producten moet plaatsvinden in een afgesloten ruimte of container die niet toegankelijk is voor onbevoegden. Deze asbestopslagruimte of container moet zijn voorzien van een aanduiding “ASBESTHOUDEND AFVAL” en “VERBODEN TOEGANG VOOR ONBEVOEGDEN”.
Wijzigingen van de procedure voor acceptatie, be- en verwerking, registratie of controle moeten, ter bepaling van de procedure die in relatie tot de aard van de wijziging is vereist, schriftelijk aan het bevoegd gezag worden voorgelegd. In het voornemen tot wijziging moet het volgende aangegeven worden:
Ten behoeve van de registratie als bedoeld in dit hoofdstuk moet een registratiepost aanwezig zijn. De hoeveelheden die op grond van dit hoofdstuk moeten worden geregistreerd, moeten worden bepaald door middel van een binnen de inrichting aanwezige weegvoorziening. De weegvoorziening(en) waarvan gebruik wordt gemaakt moet(en) overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften van het Nederlands Meetinstituut zijn geijkt. Op aanvraag moeten geldige certificaten van weegvoorziening(en) aan het bevoegd gezag ter inzage worden gegeven.
3.1 Algemeen locatie Koartwâld 12
3.2 Afvalwater afkomstig van een vloeistofdichte voorziening en percolaat compostering locatie Koartwâld 12
Het te lozen verontreinigd hemelwater en percolaat als bedoeld in voorschrift 3.2.1, dient te allen tijde afzonderlijk te kunnen worden onderworpen aan debietmeting en bemonstering. Daartoe dient het afvalwater via een doelmatig functionerende voorziening voor debietmeting en bemonstering te worden geleid.
4.1 Procesvoering van het composteringsproces
Om de diffuse emissie naar lucht afkomstig van stof en geur uit behandelingsstappen in de open lucht te verminderen, worden de activiteiten aangepast aan de meteorologische omstandigheden. Dit omvat technieken als:
rekening houden met weersomstandigheden en -voorspellingen bij het uitvoeren van grote procesactiviteiten in de openlucht, bijvoorbeeld vermijden dat rillen of hopen worden opgezet of gekeerd, gezeefd of versnipperd bij meteorologische omstandigheden die ongunstig zijn voor wat betreft emissieverspreiding (bijv. de windsnelheid is te laag of te hoog, of de wind waait in de richting van gevoelige receptoren);
De compostering vindt plaats overeenkomstig de intensieve methode met hoge omzetfrequentie (methode A voormalige bijzondere Regeling G2 van de Nederlandse emissierichtlijn lucht). Dat betekent dat in de eerste twee weken intensief wordt omgezet (circa drie maal) en met het vorderen van het composteringsproces naar gemiddeld eenmaal per drie weken. Het composteerproces duurt circa drie maanden waarbinnen minimaal zeven keer wordt omgezet. De data van omzetten dienen te worden geregistreerd.
Indien de verkregen resultaten daartoe aanleiding geven, moeten de composteringshopen worden gekeerd en/of bevochtigd totdat het materiaal volledig is gecomposteerd. Hierbij is het noodzakelijk dat een beregeningsmogelijkheid aanwezig is. Voor het bevochtigen van de compostering dient zoveel mogelijk gebruik te worden gemaakt van het opgevangen percolaat.
Alle metingen, maatregelen e.d. zoals die op grond van de procesbeheersingsbeschrijving moeten worden uitgevoerd, moeten overzichtelijk, voorzien van datum en tijd, worden geregistreerd. De registratie moet een duidelijk inzicht verschaffen in het verloop van en de controle op het composteringsproces. Deze gegevens moeten, net als de tijdstippen waarop de composteringshopen zijn omgezet, overzichtelijk en volledig in een (digitaal) logboek worden bijgehouden.
4.2 Versnipperen van takken en stobben en zeven van compost
5.1 Voorschriften Middenverbruiker
In bijlage 10 van de Activiteitenregeling zijn voor activiteiten binnen diverse bedrijfstakken energiebesparende maatregelen aangewezen en uitgewerkt (erkende maatregelenlijsten).
Binnen de inrichting kunnen dergelijke activiteiten aan de orde zijn. Indien hiervoor alle in bijlage 10 van de Activiteitenregeling aangewezen maatregelen zijn getroffen, wordt voor die activiteiten voldaan aan voorschrift 5.1.1.
De inrichtinghouder rapporteert uiterlijk op 1 juli 2023 en daarna eenmaal per vier jaar uiterlijk voor 1 augustus, aan het bevoegd gezag welke energiebesparende maatregelen binnen de inrichting zijn getroffen. Deze rapportage bevat in ieder geval de gegevens zoals opgenomen in artikel 2.16b van de Activiteitenregeling.
Daarnaast dient voor de getroffen maatregelen de volgende informatie in de rapportage te worden opgenomen:
6.1 Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, opslag tot 10.000 kg
6.2 Opslag van gasflessen (ADR-klasse 2)
7.2 Representatieve bedrijfssituatie
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:
De beoordelingshoogte voor de dagperiode bedraagt 1,5 meter boven maaiveld en in de avond- en nachtperiode 5,0 meter boven maaiveld.
Het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:
De beoordelingshoogte voor de dagperiode bedraagt 1,5 meter boven maaiveld en in de avond- en nachtperiode 5,0 meter boven maaiveld.
7.3 Incidentele bedrijfssituaties
In afwijking van wat is gesteld in voorschrift 7.2.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, inclusief inzet van de mobiele puinbreekinstallatie/houtshredder en aanverwante activiteiten, op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:
Met de incidentele bedrijfssituatie wordt bedoeld de situatie met de inzet van een mobiele puinbreekinstallatie/zeefinstallatie/houtshredder en aanverwante activiteiten in de dagperiode gedurende ten hoogste 12 dagen per jaar.
De beoordelingshoogte voor de dagperiode bedraagt 1,5 meter boven maaiveld.
Het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, inclusief inzet van de mobiele puinbreekinstallatie/houtshredder en aanverwante activiteiten, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:
De beoordelingshoogte voor de dagperiode bedraagt 1,5 meter boven maaiveld.
Ten minste vijf werkdagen voordat de in voorschrift 7.3.1 genoemde activiteit wordt uitgevoerd, moet dit aan het bevoegd gezag worden gemeld per e-mail via toezichtenhandhaving@fumo.nl
Het bevoegd gezag moet vooraf worden geïnformeerd over de opzet van het onderzoek als bedoeld in voorschrift 8.2.1. Het meetplan moet vooraf ter goedkeuring worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. In het meetplan moet worden aangegeven welke representatieve bronnen worden gemeten. Het bevoegd gezag moet ten minste 5 dagen van te voren worden geïnformeerd over de datum en het tijdstip waarop de meting(en) voor bovengenoemde rapportage plaatsvind(en).
Het onderzoek moet onder representatieve bedrijfsomstandigheden door een geaccrediteerde meetinstantie (monstername, analyse en debietmetingen) uitgevoerd worden. De resultaten van uitgevoerde onderzoeken moeten uiterlijk 2 maanden na uitvoering van het onderzoek aan het bevoegd gezag zijn gezonden.
8.3 Controle- en beheersplan Geur
In aanvulling op voorschrift 8.3.1 van deze vergunning dient binnen 12 maanden na in werking treden van deze omgevingsvergunning een protocol te worden opgesteld waarin duidelijk wordt gemaakt hoe wordt omgegaan met geurklachten en met welke acties adequaat kan worden gereageerd op geconstateerde geurhinder. Het protocol dient minimaal te bevatten:
De maatregelen uit het protocol zoals bedoeld in voorschrift 8.3.2 moeten worden uitgevoerd. Het protocol wordt ieder jaar door de vergunninghouder geëvalueerd en indien noodzakelijk geactualiseerd. Het geurbeheersplan, protocol, en iedere geactualiseerde versie daarvan wordt ter goedkeuring toegezonden aan het bevoegd gezag.
De verschillende categorieën grond dienen gescheiden van elkaar te worden opgeslagen. Voor een gescheiden opslag van de te onderscheiden categorieën grond dient tussen de in opslag genomen partijen grond een afstand van ten minste 1,5 meter te worden aangehouden of een fysieke scheidingswand te zijn aangebracht.
10 opslag van mest in een mestbassin
10.1 Behandeling en bewaring van verpompbare dierlijke mest, algemeen
10.2 De uitvoering van een mestbassin
Wanneer de beoordeling als bedoeld in voorschrift 10.2.5 leidt tot afkeuring en een reparatie van het mestbassin of de afdekking nodig is, draagt degene die de inrichting drijft zorg voor deze reparatie en wordt het mestbassin of de afdekking binnen een termijn, gesteld door de hiervoor bedoelde persoon of instelling, opnieuw ter beoordeling aangeboden. Wanneer de hiervoor bedoelde reparatie niet plaatsvindt of een mestbassin of afdekking wordt afgekeurd en reparatie niet mogelijk is, wordt:
Maatwerkvoorschriften Activiteitenbesluit milieubeheer diffuse stofemissies
M1 Op- en overslag van niet inerte stoffen moet op een zodanige wijze plaatsvinden dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat stofverspreiding optreedt die op een afstand van meer dan twee meter van de bron met het blote oog waarneembaar is.
M2 Gemorste niet inerte stoffen moeten onmiddellijk na beëindiging van het verladen worden verwijderd.
M3 Laden, lossen, transporteren van niet inerte stoffen dient te worden gestaakt indien de windsnelheid de bij de onderstaande stuifklasse genoemde waarde overschrijdt:
Voor het bepalen van de windsnelheid is op de locatie Koartwâld 12 een windsnelheidsmeter aanwezig.
M4 De buitenopslag van niet inerte stoffen die horen tot de stuifklasse S2 en S4 moet door besproeiing vochtig worden gehouden.
M5 Bij de overslag van stuifgevoelige niet inerte stoffen moet bij het laden en lossen in de open lucht de storthoogte worden beperkt tot minder dan één meter.
M6 Bij de overslag van stuifgevoelige stoffen uit de stuifklasse S2 en S4 moeten deze afdoende worden bevochtigd. Stofverspreiding tijdens het laden en lossen moet met een nevelgordijn worden tegengegaan.
M7 Bij continu mechanisch transport van niet inerte stoffen behorend tot stuifklasse S2 en S4 moeten
M8 Bij het laden en lossen van niet inerte stoffen behorend tot stuifklasse S2 en S4 met behulp van grijpers, moet het laden en lossen plaatsvinden met deugdelijke en van de bovenkant afgesloten grijpers.
Breken en zeven steenachtig materiaal en beton
M9 Bij het zeven en breken van steenachtig materiaal en beton wordt zoveel mogelijk voorkomen dat stofverspreiding optreedt die op een afstand van meer dan twee meter van de bron met het blote oog waarneembaar is.
M10 De zeef- en brekerinstallatie dient voorzien te zijn van een vaste sproei-installatie. Tijdens het zeven en breken dient het steenachtig materiaal en beton zodanig vochtig te zijn of worden gehouden dat stuiven wordt voorkomen. De dosering van het sproeiwater is zodanig afgestemd op de behoefte dat hierbij geen afvalwater vrijkomt.
M14 Stofverspreiding ten gevolge van het af- en aanrijden van verkeer over het terrein moet worden tegengegaan, bijvoorbeeld door het schoonmaken en/of besproeien van de wegen van het terrein. Er moet zoveel mogelijk worden voorkomen dat stofverspreiding optreedt die op een afstand van meer dan twee meter van de bron met het blote oog waarneembaar is.
OVERWEGINGEN #_Toc102986300
Op 1 april 2021 is een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen. Het betreft een verzoek van Loon- en Grondverzetbedrijf Luimstra B.V. te Surhuizum.
Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is als volgt te omschrijven: het vergroten van de opslaglocatie op het adres Koartwâld 12. De locatie zal worden gebruikt voor de opslag van mest, natte grond (boorslib/bentoniet/baggerspecie), grond, zand, (beton)puin, menggranulaat, compost en groenafval en de be- en verwerking van puin en groenafval met behulp van respectievelijk een mobiele breek- en zeefinstallatie, een mobiele shredderinstallatie en een composteerinstallatie. De bestaande activiteiten op de locatie Koartwâld 21, zoals de aansturing van het bedrijf, onderhoud aan materieel in de werkplaats en het stallen, aftanken en schoonspuiten van het eigen bedrijfsmaterieel, blijven ongewijzigd. Wel wordt het opslagterrein op deze locatie vergroot. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag om vergunning. Gelet op bovenstaande omschrijving wordt vergunning gevraagd voor de volgende in de Wabo omschreven activiteiten:
1.3. Omschrijving van de aanvraag
De aanvraag bestaat uit de volgende delen:
1.4. Huidige vergunningsituatie
Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd:
De hierboven genoemde vergunning waar een * bij staat, is volgens de Invoeringswet Wabo gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd.
De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Bor. De volgende categorieën zijn van toepassing:
Binnen de inrichting worden verpompbare dierlijke meststoffen opgeslagen in een mestbassin met een oppervlakte groter dan 750 vierkante meter, wordt puin gebroken en meer dan 600 kubieke meter groenafval gecomposteerd. Het breken van puin en composteren van meer dan 600 kubieke meter groenafval zijn niet aangegeven onder de uitzonderingen zoals genoemd onder categorie 28.10 van het Bor.
Op grond van categorie 7.5 onder i en categorie 28.10 van het Bor is daarom sprake van een vergunningplichtige activiteit.
Daarnaast betreft het een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort genoemd in Bijlage I, categorie 5.3b, onder i van de Richtlijn industriële emissies (Rie). Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid, van het Bor sprake van een vergunningplichtige inrichting.
Wij zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4, tweede lid van de Wabo juncto artikel 3.3, eerste lid van het Bor, op grond van de activiteiten van de inrichting, genoemd in Bijlage I onderdeel C categorie 28.4, sub a, onder 6 van het Bor.
1.7. Coördinatie met de Waterwet
De aangevraagde activiteit heeft betrekking op een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort, waarbij geen sprake is van een handeling waarvoor een watervergunning voor het lozen van stoffen als bedoeld in artikel 6.27, eerste lid van de Waterwet vereist is. Coördinatie met de Waterwet is daarom niet van toepassing.
De voorgenomen activiteit valt onder categorie 18.1 van de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage waarvoor het bevoegd gezag moet bepalen of de activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Op grond van de Wm heeft de aanvrager de voorgenomen activiteit op 2 november 2020 bij ons aangemeld door middel van een aanmeldnotitie (Wm, artikel 7.16). Daarop hebben wij op 9 februari 2021 het besluit met kenmerk 2020-FUMO-0046582 genomen dat voor deze voorgenomen activiteit geen milieueffectrapport opgesteld hoeft te worden. Dit besluit is bij de aanvraag gevoegd.
1.9. Beoordeling van de aanvraag
Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid. In verband met het ontbreken van een aantal gegevens hebben wij de aanvrager op 26 augustus 2021 in de gelegenheid gesteld om tot vier weken na de hiervoor genoemde datum de aanvraag aan te vullen. Wij hebben de aanvullende gegevens ontvangen op 15 september 2021. De termijn voor het geven van de vergunning is derhalve op grond van artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opgeschort.
Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag opnieuw getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag met de aanvullende gegevens voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen.
Op 2 december 2021 hebben wij verzocht om gewijzigde gegevens in te dienen aangezien het plan strijdig was met redelijke eisen van welstand. Op 20 december 2021 hebben wij de gewijzigde gegevens ontvangen. Voor de beoordeling van de gegevens is de termijn voor het geven van de vergunning op grond van artikel 4:15 van de Awb (wederom) opgeschort.
Op 16 februari 2022 hebben wij het landschappelijk inpassingsplan “Luimstra Surhuizum Koartwâld 21, Surhuizum”,J.D. van der Meulen, 15-2-2022 ontvangen en op 23 februari 2022 een geactualiseerde stikstofprojectberekening (AERIUS CALCULATOR met kenmerk S69KztHCGqyv (23 februari 2022)).
Deze vergunning is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop zijn wij niet verplicht om van de aanvraag kennis te geven in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze, tenzij bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Nu deze uitzonderingsgrond zich niet voordoet hebben wij geen kennis gegeven van de aanvraag. .
1.11. Zienswijzen op de ontwerpvergunning
Van het ontwerp van de vergunning hebben wij kennisgegeven in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via https://officielelebekendmakingen.nl. Van 21 maart 2022 tot en met 2 mei 2022 heeft een ontwerp van de vergunning ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
1.12. Advies en verklaring van geen bedenkingen
In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 en 2.27 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.3 en 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden:
Op 23 augustus hebben wij advies van Wetterskip Fryslân ontvangen over de volledigheid van de aanvraag ten aanzien van de afvalwaterlozingen. Dit advies hebben wij overgenomen in onze brief verzoek om aanvullingen.
Vervolgens hebben wij op 22 februari 2022 een inhoudelijk advies ontvangen. Dit advies hebben wij overgenomen.
Op grond van artikel 2.27 Wabo wijst het Bor of een bijzondere wet categorieën van gevallen aan waarvoor geldt dat een omgevingsvergunning niet eerder wordt verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Omdat het hier een geval betreft als vermeld in artikel 6.5 van het Bor (afwijken bestemmingsplan), wordt de omgevingsvergunning niet eerder verleend dan nadat de gemeenteraad van Achtkarspelen heeft verklaard dat daartegen geen bedenkingen zijn. In dit kader hebben wij na ontvangst van de aanvraag een exemplaar daarvan toegezonden aan de gemeente Achtkarspelen.
Op 24 september 2021 hebben wij van de gemeenteraad van Achtkarspelen een ontwerpverklaring ontvangen waaruit blijkt dat er, gelet op het belang van een goede ruimtelijke ordening, geen bedenkingen zijn tegen het verlenen van de gevraagde vergunning. Deze verklaring bestaat uit een raadsbesluit en voorschriften. De voorschriften hebben wij aan deze vergunning verbonden.
Onder besluitpunt 2 van het raadsbesluit staat aangegeven dat de ontwerpverklaring van geen bedenkingen als een definitieve verklaring van geen bedenkingen kan worden aangemerkt indien er geen zienswijzen zijn ingediend over de ontwerp omgevingsvergunning. Naar aanleiding van de publicatie van de ontwerp omgevingsvergunning zijn geen zienswijzen ingediend. De ontwerpverklaring van geen bedenkingen is daarom als definitieve verklaring van geen bedenkingen aangemerkt.
In de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen dat deze wet aanhaakt bij de Wabo wanneer:
Een omgevingsvergunning natuur is niet van toepassing wanneer al toestemming op basis van de Wnb is verkregen of gevraagd. Verder is een omgevingsvergunning niet van toepassing wanneer voor het voorgenomen project geen vergunning en ontheffing op grond van de Wnb nodig is.
Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen
Natura 2000-gebieden, de Bakkeveense Duinen, het Lauwersmeergebied, de Alde Feanen en
het Leekstermeergebied in Groningen, bevinden zich op een afstand van ruim 12 tot
ongeveer 15 km van het plangebied. Op grond van deze afstanden kan het optreden van
negatieve effecten op deze en andere Natura 2000-gebieden worden uitgesloten.
De gevraagde veranderingen is geen project waarvoor op grond van de Wnb een vergunningplicht bestaat. Een omgevingsvergunning natuur voor Natura 2000-activiteiten is daarom niet van toepassing.
Door Mulder Ecologie, in samenwerking Vos Ecologisch Onderzoek, is een Quickscan Natuurwetgeving uitgevoerd. De resultaten van de Quickscan zijn vastgelegd in het rapport “Uitbreiding Bedrijfsterrein Kealewei Surhuizum, Quickscan natuurwetgeving”, rapportkenmerk 2020009V01, datum 17 augustus 2020.
Het doel van de quickscan is om vast te stellen of de realisatie van het planvoornemen kan leiden tot negatieve effecten op beschermde natuurwaarden. Een veldbezoek aan het plangebied heeft deel uitgemaakt van de quickscan.
Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen, noch de geschikte habitat hiervoor. De onder de Wet natuurbescherming beschermde plantensoorten stellen veelal kritische eisen aan hun standplaatsen. Aan deze voorwaarden wordt binnen het plangebied niet voldaan.
Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde diersoorten aangetroffen. Wettelijk beschermde diersoorten (amfibieën, insecten, reptielen, vissen, etc.) wordt op grond van de noordelijke ligging van het plangebied en het hier aanwezige biotoop niet verwacht.
In het plangebied zijn geen nesten van vogels met jaarrond beschermde nesten aanwezig. Wel kunnen er diverse algemene soorten broedvogels in, dan wel in de onmiddellijke nabijheid van het plangebied tot broeden komen.
De bomen rondom het perceel zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van potentieel
geschikte verblijfplaatsen van vleermuizen in de vorm van (spechten)gaten, inrottingsholtes
en loszittende schors. Deze zijn niet aangetroffen.
Het plangebied maakt mogelijk deel uit van een vliegroute en/of vormt een
foerageergebied voor vleermuizen. Vleermuizen maken veelal gebruik van vaste vliegroutes
tussen hun verblijven in bomen en gebouwen en hun jachtgebieden. Deze vliegroutes worden vaak gevormd door lijnvormige elementen in het landschap, waaronder bijvoorbeeld bomenrijen, heggen en watergangen. In het coulisselandschap van de Noardlike Fryske Wâlden (NFW) komen zeven soorten vleermuizen voor. Vanwege de aanwezigheid van diverse andere elzensingels in de directe omgeving rondom het plangebied is uitgesloten dat de elzensingels van het plangebied van essentieel belang zijn voor de functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen in de omgeving van het plangebied.
Naast vleermuizen komen er in het plangebied diverse andere zoogdiersoorten voor.
Houtwallen hebben een speciale betekenis voor zoogdiersoorten als egel, diverse soorten
(spits)muizen en kleine marterachtigen (Broekhuizen et al., 2016). Het coulisselandschap van
Nationaal Landschap Noardlike Fryske Wâlden vormt voor deze soorten een belangrijk leef- en voortplantingsgebied. Kleine marterachtigen als hermelijn en wezel bewonen vaak oude
holen van andere zoogdiersoorten (muis, konijn, rat, mol). Tijdens het veldbezoek zijn,
afgezien van (veld)muizenholen, geen sporen of verblijfplaatsen van zoogdieren aangetroffen.
De meeste zoogdiersoorten hebben echter een verborgen, vaak nachtactieve, leefwijze. De
aanwezigheid van verblijfplaatsen van beschermde zoogdiersoorten waarvoor in het kader
van ruimtelijke ontwikkeling geen provinciale vrijstelling geldt, is echter uitgesloten.
De gevraagde veranderingen zijn geen project waarvoor op grond van de Wnb een vergunningplicht of ontheffingsplicht bestaat. Een omgevingsvergunning voor flora- en fauna activiteiten is daarom niet van toepassing.
Zorgplicht Wet natuurbescherming
De zorgplicht blijft altijd onverminderd gelden (artikel 1.11. van de Wet natuurbescherming). De zorgplicht schrijft voor dat men verplicht is om alles wat redelijkerwijze mogelijk is, te doen of juist na te laten om schade aan wilde planten en dieren zoveel mogelijk te voorkomen. Men kan het volgende doen voor de diersoorten die in het plangebied voorkomen:
in het geval van dempen en verharden van de drooggevallen sloot tussen het huidige bedrijventerrein en het plangebied, kan men voorafgaand aan het dempen van de sloot de aanwezige vegetatie vanuit het midden van het perceel eerst in oostelijke en vervolgens in westelijke richting verwijderen. Deze werkwijze kan men ook aanhouden voor het dempen van de sloot zelf. Door één richting op te werken krijgen dieren beter de mogelijkheid om te kunnen ontsnappen en een veilig heenkomen te zoeken;
De aanvraag heeft betrekking op het veranderen (revisie) van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e en artikel 2.6 van de Wabo.
2.2. Toetsing oprichten, veranderen en/of revisie
Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij conform artikel 2.14, eerste lid, onder a, b en c van de Wabo:
In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn.
In het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) zijn voor een groot aantal activiteiten, die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen.
De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, is aangemerkt als een inrichting waarvoor vergunningplicht (type C-inrichting) geldt. Binnen het bedrijf vinden de volgende activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit:
Er moet worden voldaan aan de volgende paragrafen uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling, voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten:
Voor het overige is per hoofdstuk of afdeling aangegeven of deze op een type C-inrichting van toepassing is. Dit betekent dat ook hoofdstuk 1, afdeling 2.1 tot en met 2.4, 2.10 en 2.11 van hoofdstuk 2 en de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing kunnen zijn. Van belang voor deze vergunning is, of de inrichting ook voor de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen voldoet aan de beste beschikbare technieken. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.
Gelet op artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit moet de verandering van de inrichting worden gemeld. De aanvraag wordt ten aanzien van de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen aangemerkt als melding. De voorschriften voor het onderdeel milieu die in deze vergunning zijn opgenomen, betreffen aspecten en activiteiten die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling.
3. Beste beschikbare technieken
In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.
Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.
BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 5 en 7 van de Richtlijn industriële emissies (Rie).
Het verschil tussen artikel 13, lid 5 en lid 7 van de Rie is:
BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13, lid 7 is het hoofdstuk Best available techniques (BAT) uit de BREF's. De Europese commissie heeft deze BREF's vastgesteld vóór 6 januari 2011. Dit hoofdstuk geldt als BBT-conclusies totdat de Europese Commissie voor die activiteit nieuwe BBT-conclusies vaststelt.
3.1. Concrete bepaling beste beschikbare technieken
Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage 1 van de Rie uitgevoerd en wel de volgende:
Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies. Op grond van artikel 9.2 van de Mor moet voor het bepalen van BBT binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT
Uit jurisprudentie is gebleken dat het bevoegd gezag bij het toetsen aan BBT-conclusies de ontwikkelingen moet nagaan die sinds het vaststellen van de BBT-conclusies hebben plaatsgevonden. Bronnen voor ontwikkelingen over BBT zijn onder andere de concepten van herziene BREF’s.
Bij het bepalen van de BBT hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies:
Bij het bepalen van de BBT hebben wij daarnaast rekening gehouden met de volgende informatiedocumenten over BBT, zoals aangewezen in de bijlage van de Mor:
3.2. BBT-conclusies Afvalbehandeling
Binnen de inrichting wordt groenafval gecomposteerd. Omdat de installatie een capaciteit heeft van meer dan 75 ton afval per dag, valt de composteerinstallatie onder Categorie 5.3b uit bijlage I van de Rie.
Op 17 augustus 2018 zijn BBT-conclusies Afvalbehandeling gepubliceerd.
Bij het bepalen van BBT, specifiek voor de acceptatie en/of verwerking van groenafval, hebben wij rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies voor afvalbehandeling:
Bovenstaande BBT-conclusies hebben wij verwerkt in de voorschriften van deze vergunning.
Voor zover een BBT-conclusie betrekking heeft op emissies naar de lucht, de bodem, het water, geluidemissies en/of trillingen, wordt voor de overwegingen verwezen naar de desbetreffende paragraaf.
De BBT om de algehele milieuprestaties te verbeteren, is de invoering en naleving van een milieubeheersysteem. Daarom hebben wij in deze vergunning een voorschrift opgenomen dat bij ingebruikname van de composteerinstallatie binnen de inrichting een milieubeheersysteem dient te zijn ingevoerd. Daarnaast hebben wij in deze vergunning o.a. voorschriften opgenomen over registratie van gegevens, instructie werknemers, klachtenbehandeling, onderhoud en procescontrole.
Voor de acceptatie en verwerking van afvalstoffen kan het A&V-beleid en AO/IC als onderdeel van het milieubeheerssysteem worden beschouwd.
Met de voorschriften in deze vergunning hebben wij invulling gegeven aan BBT-conclusie nummer 1 voor Afvalbehandeling.
3.3. BREF op- en overslag bulkgoederen (BREF ESB)
De BREF op- en overslag bulkgoederen (BREF ESB) is van toepassing op de opslag, het transport en de verlading van vloeistoffen, vloeibare gassen en vaste stoffen bij IPPC-installaties, onafhankelijk van de sector of industrie. De BREF gaat in op de emissies naar de lucht, bodem, water, waarbij de meeste aandacht uitgaat naar de emissies naar de lucht. De informatie met betrekking tot emissies van de opslag, handling en transport van vaste stoffen is gericht op stof.
Om de diffuse emissie van stof naar de lucht afkomstig van opslag en verlading van niet-inerte vaste stoffen bij IPPC-installaties te voorkomen, hebben wij voorschriften aan deze vergunning verbonden.
De opslag en overslag van inerte goederen valt onder de werkingssfeer van paragraaf 3.4.3 van het Activiteitenbesluit. Deze voorschriften voldoen aan BBT.
De BREF Energie-efficiency is van toepassing op alle RIE-inrichtingen, behalve degene die vallen onder het systeem van Emissiehandel. Deze BREF bevat derhalve richtsnoeren en conclusies inzake technieken voor energie-efficiëntie die voor alle onder de IPPC-richtlijn vallende installaties in het algemeen als BBT worden beschouwd. Deze BREF bevat geen specifieke informatie over processen en activiteiten in sectoren die onder andere BREF-documenten vallen en stelt geen sectorspecifieke BBT vast.
Processpecifieke BBT voor energie-efficiëntie en daarmee samenhangende energieverbruiksniveaus worden in de desbetreffende verticale sectorspecifieke BREF-documenten gegeven (bijvoorbeeld BBT-conclusies nr. 11 en 23 Afvalbehandeling). Hieruit volgt dat de in dit besluit opgenomen voorschriften in overeenstemming zijn met de BREF Energie-efficiëntie.
Het Activiteitenbesluit is gebaseerd op de Wet milieubeheer, waarin BBT als uitgangspunt geldt. De Nederlandse informatiedocumenten over BBT zijn opgenomen in de bijlage van de Regeling omgevingsrecht. Wanneer er een wijziging plaatsvindt van deze bijlage past de wetgever het Activiteitenbesluit en Activiteitenregeling daarop aan als dat nodig is.
De voorschriften uit het Activiteitenbesluit en Activiteitenregeling voldoen daarmee aan BBT.
De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan BBT. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.
Preventie van afval is een van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In deel B2 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP, is het beleid uitgewerkt voor afvalpreventie. In Nederland is een separaat afvalpreventieprogramma vastgesteld. De uitwerking van preventie-activiteiten vindt voornamelijk plaats via het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) en is inmiddels voortgezet in de vorm van het Rijks brede programma Circulaire Economie.
Op grond van artikel 5.4 (vaststelling van de beste beschikbare technieken) en artikel 5.7 van het Bor kan bevoegd gezag voorschriften in omgevingsvergunningen opnemen om invulling te geven aan dit aspect.
In alle bedrijfsprocessen kunnen mogelijkheden bestaan om het ontstaan van afvalstoffen en het - directe of indirecte - gebruik van grondstoffen terug te dringen of de bestaande grondstoffen te vervangen door duurzame alternatieven. Zowel het beperken van de hoeveelheid afvalstoffen als het terugdringen van de hoeveelheid grondstoffen levert direct een financiële besparing op.
Uitgangspunt voor alle bedrijven is dat het ontstaan van afval moet worden voorkomen of beperkt.
Binnen de inrichting ontstaan de volgende afvalstoffen:
Gezien aard en omvang van de afvalstoffen die binnen de inrichting vrijkomen concluderen wij dat preventie niet relevant is. Wij hebben daarom in deze vergunning verder geen aandacht besteed aan de preventie van afvalstoffen.
In artikel 2.12 van het Activiteitenbesluit zijn regels opgenomen over het scheiden van afvalstoffen. Daarin is onder andere bepaald dat afvalstoffen die binnen de inrichting zijn ontstaan en geen gevaarlijke afvalstoffen zijn, gescheiden moeten worden opgeslagen en afgegeven indien dit op grond van LAP3 kan worden gevergd.
In deel B3 van LAP3 is het beleid uitgewerkt voor afvalscheiding, waarbij paragraaf B.3.4 specifiek ingaat op afvalscheiding door bedrijven. Voor bedrijfsafval is het niet goed mogelijk een limitatieve opsomming te maken van afvalstoffen die door alle bedrijven gescheiden moet worden gehouden. Bedrijven verschillen van aard en omvang veel van elkaar en er bestaat een groot aantal bedrijfsspecifieke afvalstoffen. Uitgangspunt is dat bedrijven verplicht zijn alle afvalstoffen gescheiden te houden en gescheiden af te geven, tenzij dat redelijkerwijs niet van hen kan worden gevergd.
In paragraaf B.3.4.2 van LAP3 is aangegeven welke afvalstoffen altijd gescheiden van elkaar moeten worden opgeslagen en afgevoerd (tabel 7) en in welke situaties het redelijk is om afvalscheiding te verlangen (tabel 8). Bij tabel 8 kunnen uitzonderingen gelden voor kleine hoeveelheden of kleine ruimten.
Daarnaast zijn in deel F bijlage 5 van het LAP3 en bijlage 11 van de Activiteitenregeling verschillende categorieën van gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen vastgelegd die niet met elkaar, met andere afvalstoffen of met niet afvalstoffen mogen worden gemengd. Deze categorieën moeten dus gescheiden gehouden worden. Voor de overwegingen met betrekking tot het gescheiden houden/niet mengen van deze categorieën van afvalstoffen wordt verwezen naar de paragraaf ‘mengen’.
Uit de aanvraag blijkt dat binnen de inrichting in de volgende hoeveelheden afvalstoffen vrijkomen en gescheiden van elkaar worden opgeslagen:
In paragraaf B3.4.2 van LAP3 is aangegeven dat voor deze hoeveelheden afvalstoffen die vrijkomen binnen een inrichting scheiding van die afvalstoffen kan worden verlangd.
Daarnaast moeten metalen, gevaarlijke afvalstoffen en elektrische- en elektronische apparatuur altijd gescheiden worden opgeslagen en afgevoerd.
Omdat artikel 2.12 van het Activiteitenbesluit ook van toepassing is op inrichtingen type C hebben wij geen voorschriften over afvalscheiding aan de vergunning verbonden.
Als gevolg van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen wordt de opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering gezien als storten, indien de tijdsduur van één jaar wordt overschreden. Indien de opslag voorafgaat aan nuttige toepassing van de afvalstoffen is deze termijn drie jaar. In de vergunning is vastgelegd dat de termijn van opslag voorafgaand aan verwijdering maximaal één jaar is en de termijn van opslag voorafgaand aan nuttige toepassing maximaal drie jaar is.
4.3. Doelmatig beheer van afvalstoffen
Het beleid met betrekking tot afvalverwerking is gericht op het doelmatig beheer van afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wm. In dat kader houden wij rekening met het geldende afvalbeheerplan (het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP) waaronder begrepen deel E (minimumstandaard per specifieke afvalstroom). De doelstellingen van het LAP geven invulling aan de prioriteitsvolgorde in de afvalhiërarchie zoals die in artikel 10.4 van de Wm is opgenomen:
De minimumstandaard geeft de minimale hoogwaardigheid aan van de verwerking van een bepaalde afvalstof of categorie van afvalstoffen. Deze minimumstandaard is bedoeld om te voorkomen dat afvalstoffen laagwaardiger worden verwerkt dan wenselijk is. Als de minimumstandaard bestaat uit verschillende verwerkingshandelingen bij diverse inrichtingen, kan voor de afzonderlijke verwerkingsstappen een vergunning worden verleend, mits de totale verwerking voldoet aan de minimumstandaard. In een aantal sectorplannen is vermeld dat het opnemen van sturingsvoorschriften dan noodzakelijk is.
Toetsing van de aangevraagde afvalactiviteiten
Uitsluitend opslaan van afvalstoffen
In het LAP is aangegeven dat voor het uitsluitend opslaan van afvalstoffen in beginsel een vergunning kan worden verleend. Drie afvalstromen worden hiervan uitgezonderd, te weten:
Als gevolg van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen wordt de opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering gezien als storten, indien de tijdsduur van één jaar wordt overschreden. Indien de opslag voorafgaat aan nuttige toepassing van de afvalstoffen, is deze termijn drie jaar. Het is niet de bedoeling om voor of na afloop van de genoemde termijnen afvalstoffen weer langdurig in opslag te nemen binnen een andere inrichting. Na benutting van deze termijnen moet het afval worden afgevoerd naar een verwerker.
Uit de aanvraag blijkt dat de volgende afvalstoffen binnen de inrichting uitsluitend worden opgeslagen:
Voor het opslaan van deze afvalstoffen beschikt de aanvrager over de benodigde voorzieningen.
Voor de opslagtermijn van deze afvalstoffen is geen maximum in de aanvraag opgenomen.
Voor het opslaan van de hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend, omdat deze afvalstromen niet behoren tot de in het LAP genoemde uitzonderingen. In de vergunning is vastgelegd dat de termijn van opslag voorafgaand aan verwijdering maximaal één jaar is en de termijn van opslag voorafgaand aan nuttige toepassing maximaal drie 3 jaar is.
Mengen niet gevaarlijke afvalstoffen
Afvalstoffen moeten na het ontstaan gescheiden worden gehouden van andere afvalstoffen. Verder is het ongewenst wanneer er in afval gecumuleerde milieugevaarlijke stoffen door wegmengen ongecontroleerd in het milieu verspreid raken. Bovendien is het ook ongewenst als bepaalde, in afval aanwezige zeer zorgwekkende stoffen door mengen in producten terechtkomen, waarbij ze op enig moment (in de gebruiksfase of de afvalfase) in het milieu verspreid kunnen worden.
Onder bepaalde condities kunnen verschillende afvalstromen echter net zo goed of soms zelfs beter gezamenlijk worden verwerkt. Het samenvoegen van qua aard, samenstelling en concentraties niet met elkaar vergelijkbare (verschillende) afvalstoffen, alsmede het samenvoegen van afvalstoffen en niet-afvalstoffen, wordt mengen genoemd.
Mengen is niet toegestaan, tenzij dat expliciet en gespecificeerd is aangevraagd en vastgelegd in de vergunning. Binnen de inrichting worden geen afvalstoffen gemengd.
Specifieke voorschriften ten behoeve van een doelmatige verwerking
Voor het recyclen van papier en karton is het van belang dat de opslag van deze afvalstroom tegen inregenen wordt beschermd. Daarom hebben wij een voorschrift in deze vergunning opgenomen.
Verwerking afvalstromen waarvoor in deel E van het LAP een sectorplan is opgenomen
Voor de onderhavige aanvraag zijn de volgende sectorplannen uit deel E van het LAP van toepassing:
Gescheiden ingezameld groenafval
Het beleid voor gescheiden ingezameld/afgegeven groenafval is neergelegd in sectorplan 08 en is gericht op recycling. In het sectorplan 08 is daartoe een minimumstandaard opgenomen. Voor gescheiden ingezameld of afgegeven groenafval (grof) is deze minimumstandaard:
Binnen de inrichting wordt het ontvangen groenafval gecomposteerd. Het geproduceerde compost wordt ingezet voor grondverbetering.
De in de aanvraag voor gescheiden ingezameld/afgegeven groenafval beschreven verwerkings-methode voldoet aan de minimumstandaard.
Het beleid voor (overig) steenachtig materiaal is neergelegd in sectorplan 29 en is gericht op recycling. In sectorplan 29 is daartoe een minimumstandaard opgenomen. Voor PAK-arm steenachtig materiaal is deze minimumstandaard recycling met inachtneming van:
Binnen de inrichting wordt het ontvangen steenachtig materiaal (beton, puin en stenen) opgeslagen en vervolgens gebroken. Het puingranulaat wordt met inachtneming van het Besluit bodemkwaliteit ingezet als funderingsmateriaal onder wegen of als verhardingsmateriaal.
De in de aanvraag voor beton, puin en stenen beschreven verwerkingsmethode voldoet aan de minimumstandaard.
Het beleid voor grond is neergelegd in sectorplan 39 en is gericht op nuttige toepassing. In sectorplan 39 is daartoe een minimumstandaard opgenomen. Voor grond is deze minimumstandaard nuttige toepassing volgens de normen van het Besluit bodemkwaliteit voor het betreffende toepassingsgebied en met inachtneming van:
Binnen de inrichting wordt zand en grond ontvangen dat voldoet aan de kwaliteitsklasse AW, klasse wonen en klasse industrie. De ontvangen grond bevat maximaal 10% bodemvreemd materiaal. De grond wordt ingenomen op basis van protocol BRL 9335-1. Loon- en Grondverzetbedrijf Luimstra B.V. is gecertificeerd op grond van protocol 9335-1: ‘Milieuhygiënische keuring van individuele partijen grond in het kader van het Besluit bodemkwaliteit voor de uitvoeringslocatie Koartwâld 12 in Surhuizum’.
De in de aanvraag voor zand en grond omschreven verwerkingsmethode voldoet aan de minimumstandaard.
Baggerspecie is materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of voor dat water bestemde ruimte. Voor de definitie van baggerspecie wordt aangesloten bij de definitie van baggerspecie zoals opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit:
materiaal bestaande uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter.
Het beleid voor baggerspecie is neergelegd in sectorplan 40 en is gericht op nuttige toepassing. Sectorplan 40 is alleen van toepassing op partijen baggerspecie met ten hoogste 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal, al dan niet verontreinigd met diverse stoffen. In sectorplan 40 is daartoe een minimumstandaard opgenomen. Voor baggerspecie is deze minimumstandaard nuttige toepassing volgens de normen die zijn vastgelegd voor het betreffende toepassingsgebied in het Besluit bodemkwaliteit en met inachtneming van:
Binnen de inrichting wordt baggerspecie ontvangen dat voldoet aan de kwaliteitsklasse A en B. De ontvangen grond bevat maximaal 10% bodemvreemd materiaal. De baggerspecie wordt ingenomen op basis van een onderzoek/analyse.
De in de aanvraag voor baggerspecie beschreven verwerkingsmethode voldoet aan de minimumstandaard.
Om de risico’s van het verwerkingsproces te beheersen, moet een bedrijf dat zich met afvalbeheer bezighoudt beschrijven welke afvalstoffen worden geaccepteerd en waar nodig, welke afvalstoffen juist niet worden geaccepteerd (acceptatiebeleid) en welke afvalstoffen op welke manier binnen het bedrijf worden verwerkt (verwerkingsbeleid). Daarnaast moeten door technische, administratieve en organisatorische maatregelen de relevante processen binnen een bedrijf beheerst worden. Op deze wijze worden de milieuhygiënische en informatie-technische risico’s binnen de bedrijfsvoering geminimaliseerd. De omvang en de inhoud van de AO/IC is afhankelijk van de aard van de risico’s van het betreffende bedrijfsproces. De onderdelen die minimaal in het A&V-beleid en AO/IC moeten zijn beschreven, zijn vastgelegd in het LAP.
Bij de aanvraag is een beschrijving van het A&V-beleid en de AO/IC gevoegd (Acceptatie- en verwerkingsbeleid & Administratieve Organisatie en Interne Controle, Loon- en Grondverzet & Transportbedrijf Luimstra te Surhuizum, versie 2, datum 30 juli 2021). Daarin is per afvalstof aangegeven op welke wijze acceptatie en verwerking plaats zullen vinden. Hierbij is rekening gehouden met de specifieke bedrijfssituatie. Het beschreven A&V-beleid en de AO/IC voldoen aan de minimale onderdelen zoals die in het LAP zijn beschreven.
Op basis van het gestelde in de aanvraag kunnen wij met dit A&V-beleid en de AO/IC instemmen, behoudens de daarin opgenomen opslag- en verwerkingscapaciteit van groenafval. Om aan de geurnormen van het provinciaal geurbeleid te kunnen voldoen, is de opslagcapaciteit en verwerkingscapaciteit beperkt. De in het A&V-beleid genoemde hoeveelheden dienen daarmee in overeenstemming te worden gebracht. Daartoe hebben wij aan deze vergunning een voorschrift verbonden.
Wijzigingen in het A&V-beleid en/of de AO/IC moeten schriftelijk aan ons worden voorgelegd. Als bevoegd gezag zullen wij vervolgens bezien welke procedure in relatie tot de aard van de wijziging is vereist.
De aanvrager verkrijgt met deze vergunning de mogelijkheid om afvalstoffen van buiten de inrichting te ontvangen. Op grond van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen moet de inrichting de ontvangst van afvalstoffen gedeeltelijk melden. Voor een effectieve handhaving van het afvalbeheer is het van belang om naast de meldingsverplichtingen tevens registratieverplichtingen op te nemen (artikel 5.8 Bor). In deze vergunning zijn dan ook voorschriften voor de registratie van o.a. de aangevoerde, de afgevoerde en de geweigerde (afval-)stoffen opgenomen.
Gelet op het bovenstaande zijn wij van mening dat de aangevraagde activiteiten in overeenstemming zijn met het geldende afvalbeheersplan en daarmee bijdragen aan een doelmatig beheer van afvalstoffen.
Binnen de inrichting is er sprake van lozingen waarvoor de Instructie-regeling lozingsvoorschriften milieubeheer van toepassing is. In het kader van deze regeling moeten voorschriften opgenomen worden die gericht zijn op de bescherming van het openbaar riool, een zuiveringtechnisch werk of de bij een zodanig openbaar riool of zuiveringtechnisch werk behorende apparatuur. Verder moeten voorschriften opgenomen worden die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de kwaliteit van het rioolslib er niet door wordt aangetast, zodat de verwerking van dit slib niet wordt belemmerd. Daarnaast dienen voorschriften te worden opgenomen die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt.
Loon- en Grondverzetbedrijf Luimstra B.V. exploiteert een loon-, grondverzet- en transportbedrijf aan Koartwâld 12 en 21 te Surhuizum. De inrichting bestaat uit twee bedrijfslocaties. Op de locatie Koartwâld 12 vinden verschillende activiteiten plaats, zoals de opslag van (natte) grond, puin, menggranulaat, mest en compost en groenafval. Daarnaast vindt er be- en verwerking plaats van puin en groenafval met behulp van een mobiele breek- en zeefinstallatie en een mobiele shredderinstallatie.
Op de andere locatie, Koartwâld 21, bevindt zich onder andere een werkplaats voor onderhoud van het materieel, werktuigenberging, tank- en wasplaats en kantoorruimte.
Beschrijving afvalwaterstromen
Binnen de inrichting ontstaan de volgende afvalwaterstromen per locatie:
Het hemelwater is afkomstig van de verharde terreindelen dat in gebruik is als opslagplaats voor containers en opslag van inerte stoffen. Hemelwater afkomstig van dit deel van het terrein (zijnde niet bodembeschermende voorziening) is niet verontreinigd. Het hemelwater wordt geloosd op het omliggende oppervlaktewater.
De vloeistofdichte verharding (bodembeschermende voorziening) binnen de inrichting van Luimstra wordt gebruikt voor de op- en overslag van verschillende afvalstoffen en het composteerproces. Het water afkomstig de op- en overslag is potentieel verontreinigd met onopgeloste bestanddelen en zware metalen. Het water afkomstig van de compostering is potentieel verontreinigd met organische verbindingen en nutriënten (CZV, Kj-N en fosfaat) en ook onopgeloste bestanddelen.
Het overtollig hemelwater afkomstig van dit deel van het terrein wordt onder afschot en met tussenschakeling van een slibvangput en een olie- en benzineafscheider (OBAS) afgevoerd naar een opvangvoorziening (put) met een inhoud van 7 m3. Het opgevangen water van de opvangput wordt teruggepompt in het composteringsproces of wordt periodiek uitgereden over het land. Ingeval het water wordt uitgereden, wordt de partij bemonsterd, geanalyseerd en geregistreerd in de bedrijfsadministratie.
Al het overtollige verontreinigde hemelwater wordt via de gemeentelijke riolering geloosd op de rioolwaterzuiveringsinstallatie te Kootstertille
Huishoudelijk afvalwater is afkomstig van de sanitaire voorzieningen en de bedrijfskantine op de locatie Koartwâld 21. Op deze locatie zijn daarnaast twee (bedrijfs)woningen (nummer 19 en 21) aangesloten. Al het huishoudelijk afvalwater wordt geloosd via het vuilwaterriool van het gemeentelijk rioolstelsel en de rioolwaterzuiveringsinstallatie te Kootstertille.
Op de locatie Koartwâld 21 is een tank- en wasplaats gesitueerd. De tank- en wasplaats is voorzien van een vloeistofdichte vloer. Het afvalwater komt voornamelijk vrij bij het afspuiten, met een hogedrukreiniger, van het materieel op de wasplaats. Daarnaast kan er afvalwater vrijkomen van de tankplaats. Het afvalwater is mogelijk verontreinigd met minerale olie en onopgeloste stoffen. Jaarlijks zal er circa 365 m3 afvalwater ontstaan dat via de aanwezige bezinkputten, een olie- en benzineafscheider en vervolgens de bedrijfsriolering geloosd wordt op het vuilwaterriool van het gemeentelijke rioolstelsel.
Het hemelwater is afkomstig van de dakvlakken en het verharde terrein dat in gebruik is als opslagplaats voor containers. Hemelwater afkomstig van de dakvlakken en het terrein (zijnde niet bodembeschermende voorziening) is niet verontreinigd. Het hemelwater wordt geloosd op het omliggende oppervlaktewater.
Het Loon- en Grondverzetbedrijf Luimstra B.V. betreft een type C-inrichting met een IPPC-installatie. Dit betekent dat het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling op het bedrijf van toepassing zijn. Daarnaast valt het bedrijf onder de Europese richtlijn industriële emissie (RIE) op basis van de categorie 5.3b, lid i.
Binnen de inrichting van Loon- en Grondverzetbedrijf Luimstra B.V. worden geen hulpstoffen toegevoegd aan (afval)water. Er heeft dan ook geen toetsing plaatsgevonden aan de Algemene Beoordelings Methodiek (ABM) en beoordeling volgens het rapport “ABM 2016, Methode ter bepaling van de benodigde saneringsinspanning bij lozingen op basis van stofeigenschappen” van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.
Hemelwater afkomstig van het verharde terrein wordt rechtstreeks geloosd op het omliggende oppervlaktewater. Deze lozing valt onder de werkingssfeer van paragraaf 3.1.3. “Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening” van het Activiteiten- besluit. Daarnaast valt deze afvalwaterstroom onder het bevoegd gezag van Wetterskip Fryslân.
Het water afkomstig van de compostering en de op- en overslag wordt, met tussenschakeling van een slibvangput en een olie- en benzineafscheider, afgevoerd naar een opvangput met een inhoud van
7 m3. Een deel van het opgevangen afvalwater wordt vervolgens binnen de inrichting hergebruikt als sproeiwater voor het composteringsproces. Het overschot aan water wordt via de gemeentelijke riolering afgevoerd, waarna het uiteindelijk wordt behandeld op de rioolwaterzuiveringsinstallatie te Kootstertille.
Het hemelwater afkomstig van de op- en overslagactiviteiten kan verontreinigd zijn met onopgeloste bestanddelen en zware metalen. Zware metalen vallen onder de zeer zorgwekkende stoffen (ZZS). Dit zijn stoffen die zijn geclassificeerd als de gevaarlijkste stoffen voor mens en milieu die met voorrang aangepakt moeten worden. Het streven is om ZZS uit de leefomgeving te weren.
Het landelijk waterkwaliteitsbeleid is er op gericht om ZZS met een combinatie van bronaanpak, minimalisatie van de restlozing en continue verbetering aan te pakken. Loon- en grondverzetbedrijf Luimstra B.V. dient te voorkomen dat de bronnen in contact komen met het hemelwater dat op het buitenterrein valt. De opslag van de verschillende afvalstoffen vindt plaats op een vloeistofdichte verharding in vloeistofdichte of afgedekte containers en in opslagvakken.
Conform het landelijk beleid voor de aanpak van ZZS moet een lozer verplicht iedere vijf jaar rapporteren over de getroffen maatregelen om de emissies van ZZS te verminderen en de technieken die op de markt beschikbaar zijn gekomen, om verdere invulling aan de minimalisatie te geven. Hiervoor zijn voorschriften aan de vergunning verbonden. Daarnaast dient deze lozing te voldoen aan de voorschriften zoals geregeld in het Activiteitenbesluit onder paragraaf 3.4.3 “Opslaan en overslaan van goederen”.
Het lozen van afvalwater afkomstig van het composteren van meer dan 600 m3 wordt niet geregeld in het Activiteitenbesluit en valt onder de vergunningplicht. Dit water is verontreinigd met organische verbindingen en nutriënten (CZV, Kj-N en fosfaat) en ook onopgeloste bestanddelen. Om de doelmatigheid van de rioolwaterzuiveringsinstallatie te waarborgen zijn er in de vergunning voorschriften opgenomen met betrekking tot onopgeloste stoffen, CZV en N-Kjeldahl. Dit overeenkomstig het advies van Wetterskip Fryslân.
Het huishoudelijk afvalwater van de sanitaire voorzieningen, de bedrijfskantine en de (bedrijfs)woningen wordt zonder voorziening geloosd op het vuilwaterriool van het gemeentelijk stelsel. Aan deze lozing worden in het Activiteitenbesluit geen concrete voorschriften gesteld; de lozingen mogen in beginsel zonder beperkingen plaatsvinden. Wel moet op grond van de zorgplichtbepaling, artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit, worden voorkomen dat de doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt belemmerd of onnodige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater zou veroorzaken.
Het afvalwater afkomstig van de tank- en wasplaats wordt via een olie- en benzineafscheider op de terreinriolering en vervolgens op het vuilwaterriool van het gemeentelijk stelsel geloosd. Deze lozing dient te voldoen aan de voorschriften zoals geregeld in het Activiteitenbesluit onder paragraaf 3.3.1 “Afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen of afleveren van vloeibare brandstof aan spoorvoertuigen” en onder paragraaf 3.3.2 “Het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen of werktuigen of van spoorvoertuigen”.
Hemelwater afkomstig van alle dakvlakken en het verharde terrein wordt rechtstreeks geloosd op de omliggende watergangen. Deze lozing valt onder de werkingssfeer van paragraaf 3.1.3. “Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening” van het Activiteitenbesluit. Daarnaast valt deze afvalwaterstroom onder het bevoegd gezag van Wetterskip Fryslân.
IPPC en Beste Beschikbare Technieken (BBT)
Loon- en grondverzetbedrijf Luimstra B.V. behoort tot de in bijlage 1 van de Richtlijn industriële emissies bedoelde categorieën van industriële activiteiten, te weten categorie 5.3b, lid i. Bij het bepalen van de BBT hebben wij voor het onderdeel water rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies:
In de onderhavige aanvraag omgevingsvergunning heeft het bedrijf in verschillende bijlagen aangegeven welke maatregelen zullen worden gerealiseerd om de lozing van afvalwater te laten voldoen aan de BBT zoals die zijn genoemd in de BBT-conclusies en de bovenstaande BREF’s. In het kader van de BREF monitoring zal het effluent van de olie-/benzineafscheider op beide locaties jaarlijks worden bemonsterd vanuit de monsternamevoorziening.
Wij hebben de aanvraag met bijlagen beoordeeld en zijn van mening dat Loon- en grondverzetbedrijf Luimstra B.V. binnen de inrichting gelegen aan Koartwâld 12 en 21 te Surhuizum de beste beschikbare technieken toepast.
De in de aanvraag vermelde maatregelen ter voorkoming en beperking van lozing van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, zullen naar verwachting leiden tot een acceptabel lozingsniveau, dat in overeenstemming is met genoemde doelstellingen. Wij achten deze situatie vergunbaar. In deze vergunning zijn de voorschriften voortvloeiend uit de “Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer” en het advies van Wetterskip Fryslân (22 februari 2022) opgenomen.
Voor wat betreft het aspect bodembescherming valt het bedrijf volledig onder het Activiteitenbesluit. In het kader van deze vergunning hoeft daarom geen nadere beoordeling plaats te vinden. Op grond van het Activiteitenbesluit moeten alle bedrijfsactiviteiten worden verricht met voorzieningen en maatregelen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico. Daarmee wordt voldaan aan BBT.
Wij merken op dat naar verwachting op 1 januari 2023 de Omgevingswet en daarmee het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) in werking treedt. In het Bal zijn specifieke regels opgenomen voor de opslag van grond (kwaliteitsklasse landbouw/natuur, wonen en industrie). Voor de opslag van grond van de kwaliteitsklasse wonen of industrie betekent dit een versoepeling ten opzichte van de regels uit het nu geldende Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor de opslag van baggerspecie van de kwaliteitsklasse licht verontreinigd of matig verontreinigd is in het Bal opgenomen dat deze moet worden opgeslagen in een met folie beklede grondput die volledig omringd is door een dijklichaam.
Folie dat voor een baggerspeciedepot wordt gebruikt, is voor gebruik bij het opslaan van baggerspecie gecertificeerd door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-ENISO/IEC 17065 voor BRL-K519, BRL-K537, BRL-K538, BRL-K546 of BRL-K1149.
Het binnendijkse volume is ten minste gelijk aan de maximale inhoud van het baggerspeciedepot. Het dijklichaam is bestand tegen krachten die ontstaan bij het opslaan van baggerspecie.
7. Energie en vervoermanagement
In het landelijke beleid zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer worden inrichtingen aan de hand van het jaarlijkse energieverbruik als volgt ingedeeld:
Voor andere energiebronnen dan elektriciteit en aardgas wordt het verbruik uitgedrukt in aardgasequivalenten door de omrekenfactoren te hanteren zoals opgenomen in artikel 2.16d van de Activiteitenregeling.
Midden- en grootverbruikers worden als energierelevant bestempeld en moeten de beste beschikbare technieken (BBT) toepassen om tot een zuinig energieverbruik te komen. Een energiebesparende maatregel moet genomen worden als de terugverdientijd vijf jaar of korter is. Verder moeten midden- en grootverbruikers 4-jaarlijks rapporteren over het energieverbruik van de inrichting en welke energiebesparende maatregelen zijn getroffen (informatieplicht energiebesparing).
Uit de aanvraag blijkt het volgende energieverbruik over het jaar 2020 van de inrichting:
- 32.000 (schatting) kWh elektriciteit;
- 510.000 liter dieselolie (576.300 m³ aan aardgasequivalenten).
Het merendeel (schatting 95%) van de dieselolie wordt door landbouwvoertuigen en transportvoertuigen buiten de inrichting gebruikt. De aanwezige zonnepanelen (163, geplaatst in 2016) produceren meer elektriciteit dan door de inrichting wordt gebruikt.
Uit het bovenstaande blijkt dat sprake is van een middenverbruiker en dus een energierelevante inrichting.
Voor vergunningplichtige bedrijven geldt dat de energievoorschriften uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling niet rechtstreeks werkend zijn. Regels voor energiebesparing worden dan ook via voorschriften in de vergunning geregeld op basis van artikel 5.7 van het Bor. Dat artikel verplicht het bevoegd gezag voorschriften aan de vergunning te verbinden met betrekking tot een doelmatig gebruik van energie en grondstoffen. De inrichting neemt geen deel aan het Europese Emissiehandelssysteem (ETS). Aan de omgevingsvergunning kunnen daarom voorschriften worden verbonden met betrekking tot het aspect energie.
Wij hebben de voorschriften over energiebesparing in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling vertaald naar vergunningvoorschriften over energiebesparing in deze vergunning. Daarmee zijn de energiebesparingsverplichtingen voor de inrichting op hetzelfde niveau als de verplichtingen die gelden voor niet-vergunningplichtige middenverbruikers waarvoor de energie-voorschriften uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling gelden.
Voor het selecteren van energiebesparende maatregelen kan gebruik worden gemaakt van de erkende maatregelenlijsten (EML’s) die zijn opgenomen in bijlage 10 van de Activiteitenregeling. Indien alle vermelde maatregelen bij een geselecteerde activiteit zijn getroffen, wordt voor die activiteit voldaan aan de verplichting tot het uitvoeren van maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of korter. Voor de goede orde merken wij op dat ook voor activiteiten waarin de EML’s niet voorzien, moet worden voldaan aan de bepaling dat maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of korter moeten worden getroffen.
Initiatieven energie en duurzaamheid
Loon- en Grondverzetbedrijf Luimstra is deelnemer aan meerdere kwaliteit- en milieutrajecten waaronder
Daarnaast beschikt de inrichting over een CO2-Beleidsplan waarin CO2-reductiedoelstellingen zijn geformuleerd. Het keurmerk ISO 9001 is primair gericht op kwaliteitsmanagement maar kunnen elementen over energie-efficiëntie bevatten.
De CO2-Prestatieladder (CO2-PL) is een instrument dat bedrijven helpt bij het reduceren van hun CO2-uitstoot. Deelnemende bedrijven worden gestimuleerd de uitstoot van CO2 te reduceren doordat een hogere trede op de ladder een fictieve korting (gunningvoordeel) oplevert in het aanbestedingsproces van opdrachtgevers.
Op 17 april 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over het onderwerp Vervoermanagement in de verleende omgevingsvergunning van Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam. De Afdeling bestuursrechtspraak zegt in haar uitspraak: het op deze manier willen reguleren van vervoermanagement past niet binnen de wettelijke kaders van de omgevingsvergunning en óók niet binnen de wettelijke zorgplicht uit de Wet milieubeheer. Vanwege deze uitspraak is het onderwerp Vervoermanagement in afwachting van een nieuwe aanpak voor de overige vergunningplichtige inrichtingen uit deze overwegingen verwijderd.
Binnen de inrichting zijn de volgende gevaarlijke stoffen aanwezig:
8.2. Op- en overslag van gevaarlijke stoffen (PGS-richtlijnen)
Ten behoeve van de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Deze PGS-richtlijnen zijn vermeld als Nederlandse informatiedocumenten over BBT in de bijlage van de Mor. Voor de beoordeling van de aanvraag van de inrichting zijn de volgende PGS-richtlijnen relevant:
De relevante onderdelen van deze richtlijn zijn bij voorschrift aan deze vergunning verbonden. Daarmee wordt voldaan aan BBT.
Binnen de inrichting wordt 250 kg bestrijdingsmiddelen opgeslagen in een kast die in een werktuigenstalling is geplaatst. Voor de opslag van bestrijdingsmiddelen tot 400 kg zijn geen speciale voorzieningen nodig. Deze opslag wordt voldoende geregeld door middel artikel 2a van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (zorgplichtbepaling). Deze wet geldt naast de voorschriften uit een omgevingsvergunning en hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit (regelt gebruik gewasbeschermingsmiddelen).
8.4. Eindconclusie externe veiligheid
Ten aanzien van de risico’s als gevolg van de activiteiten zijn wij van mening dat wanneer binnen de inrichting conform de aan deze vergunning verbonden voorschriften en andere wettelijke regels gewerkt wordt, er geen sprake is van onaanvaardbare risico’s voor de omgeving.
De bedrijfsactiviteiten hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. Deze geluidsemissie wordt vooral veroorzaakt door mobiele bronnen. De veroorzaakte geluidsbelasting in de omgeving en de perioden waarin deze optreedt, is in kaart gebracht in een akoestisch rapport van Noorman bouw- en milieu- advies met rapportnummer 22010234.R01 van 23 oktober 2020. Daarnaast is een aanvullende memo door Noorman gemaakt “Vergunbaarheid geluidniveaus en nader onderzoek geluidreducerende maatregelen Luimstra B.V. Surhuizum” met referentie 22010234.M01 van 2 november 2021.
Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (de geluidsemissie die de inrichting onder normale omstandigheden veroorzaakt). Beoordeeld worden de geluidsbelasting, de maximale geluidsniveaus en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting.
9.2. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau
In het kader van de beoordeling of de inrichting niet op ontoelaatbare wijze geluidshinder teweegbrengt is gebruik gemaakt van de "Handreiking industrielawaai en vergunningverlening”, oktober 1998. In de aanvraag zijn activiteiten aangevraagd voor zowel de dag-, avond- als nachtperiode.
De berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus bedragen ten hoogste 49 dB(A) in de dagperiode, 46 dB(A) in de avondperiode en 42 dB(A) in de nachtperiode.
De gemeente Achtkarspelen heeft geen beleid ten aanzien van industrielawaai vastgesteld.
Wij toetsen daarom het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege de inrichting aan de normstelling uit hoofdstuk 4 van de Handreiking (stap 1). Een overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid (stap 2). Een overschrijding van het referentieniveau van het omgevingsgeluid tot een maximum "etmaalwaarde" van 55 dB(A) kan in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces, waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol dienen te spelen (stap 3).
Voor de inrichting kan voor woningen van derden uitgegaan worden van de volgende richtwaarden:
LAr,LT = 50 dB(A) in de dagperiode, LAr,LT = 45 dB(A) in de avondperiode en LAr,LT = 40 dB(A) in de nachtperiode. Uit de resultaten van het onderzoek volgt dat in de representatieve bedrijfssituatie de richtwaarde in de avond- en nachtperiode wordt overschreden ter plaatse van de woning Koartwâld 17. De overschrijding bedraagt ten hoogste 1 dB(A) in de avondperiode en 2 dB(A) in de nachtperiode.
Het referentieniveau van het omgevingsgeluid zal ter plaatse van de noordoost- en noordwestgevel
van de woning Koartwâld 17 geen soelaas bieden om een hogere normstelling te motiveren.
De kosten van geluidbestrijdingsmaatregelen spelen een belangrijke rol in het bestuurlijke afwegingsproces. Het gebruik van het wagen- en machinepark (vrachtwagens, landbouwvoertuigen,
graafmachines, shovels etc.) is maatgevend voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau invallend
op de woning Koartwâld 17. Zoals is aangegeven in het rapport 22010234.R01, beschikt Luimstra
B.V. over een modern en relatief stil wagen- en machinepark. De geluidemissies die verband houden met deze voertuigen kunnen niet substantieel verder worden verlaagd. Inherent aan de bedrijfsvoering van een (agrarisch) loonbedrijf vinden ook in de avond- en nachtperiode verkeersbewegingen plaats, met name in het agrarische hoogseizoen.
In het rapport 22010234.R01 is de geluidbelasting in theorie te beperken door middel van het
plaatsen van een geluidscherm. In de aanvullende memo is deze optie nader onderzocht. Om
ter plaatse van de woning Koartwâld 17 te kunnen voldoen aan de richtwaarden, is een geluidscherm
nodig met minimale afmetingen: l × h = 35 m × 5 m.
De te verwachten bouwkosten (excl. BTW) worden geraamd op globaal € 69.000,- excl. BTW.
Door het plaatsen van een geluidscherm is een reductie van de geluidbelasting met circa 2 dB op een hoogte van 5 m (= beoordelingshoogte avond- en nachtperiode) mogelijk. Hierbij wordt opgemerkt dat een afname van 1 tot 2 dB is in de praktijk als nauwelijks tot beperkt hoorbaar is te beoordelen.
De gevelgeluidwering van de woning Koartwâld 17 zal, gelet op de staat van onderhoud, ten
minste 20 dB bedragen. Zonder aanvullende maatregelen c.q. geluidscherm bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 52 dB(A) etmaalwaarde. Het te verwachten binnenniveau bedraagt dan ten hoogste 52 – 20 = 32 dB(A) etmaalwaarde. Hiermee wordt voldaan aan de als maximaal aanvaardbaar te achten grenswaarde van 35 dB(A) etmaalwaarde binnen de woning. Strikt formeel is dit geen grenswaarde waaraan getoetst wordt, omdat hetgeen aan/inpandige woning is. Het is de normstelling van het Bouwbesluit die wordt betrokken bij de motivering wanneer de geluidsbelasting op de gevel hoger is dan richtwaarde.
De kosten van een geluidscherm zijn hoog in relatie tot het effect van de maatregelen. De geluidwering van de woning Koartwâld 17 is dusdanig dat voldaan kan worden aan de grenswaarde van 35 dB(A) etmaalwaarde binnen de woning. De optredende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus worden daarom aanvaardbaar geacht op de woning Koartwâld 17. Ter plaatse van de andere omliggende woningen van derden kan voldaan worden aan de richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde.
9.3. Maximaal geluidsniveau (LAmax)
Volgens de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening moet gestreefd worden naar het voorkomen van maximale geluidsniveaus die meer dan 10 dB boven het door de inrichting veroorzaakte equivalente niveau uitkomen.
De grenswaarden voor de maximale geluidsniveaus bedragen 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Uit de resultaten van het akoestisch onderzoek is gebleken dat in de dag- en avondperiode voldaan kan worden aan deze grenswaarden. In de nachtperiode wordt de grenswaarde van 60 dB(A) met ten hoogste 5 dB(A) overschreden. Deze overschrijding vindt plaats bij de woning Koartwâld 17.
Het gebruik van vrachtwagens en landbouwvoertuigen in de nachtperiode is inherent aan het type
(agrarisch) loonbedrijf en essentieel voor de bedrijfsvoering. In de huidige milieuvergunning zijn ook al verkeersbewegingen in de nachtperiode toegestaan.
In de aanvullende memo bij de aanvraag is aangegeven dat door het plaatsen van een geluidscherm in theorie aan de grenswaarde van 60 dB(A) in de nachtperiode voldaan kan worden. Hiervoor is een geluidscherm nodig die ten minste 6 meter hoog is en een gecombineerde lengte van ruim 200 m. De kosten van een dergelijk geluidscherm zijn geraamd op ruim € 475.000,- excl. BTW. Daarnaast zal een dergelijk geluidscherm ook op stedebouwkundige bezwaren kunnen rekenen.
Aan de maximale ontheffingswaarde van 65 dB(A) in de nachtperiode wordt voldaan. Er is sprake
van een vergunde situatie en er zijn redelijkerwijs geen technische of organisatorische maatregelen
mogelijk om de maximale geluidniveaus verder te beperken. Voor de gevelgeluidwering van de woningen Koartwâld 10, 17 en 23 kan, gelet op de staat van onderhoud, worden uitgegaan van ten minste 20 dB. Hieruit volgt dat aan de toelaatbare binnenwaarde van ten hoogste LAmax = 45 dB(A) in de nachtperiode kan worden voldaan. Onacceptabele geluidhinder is niet te verwachten. De berekende maximale geluidniveaus worden hiermee als aanvaardbaar geacht.
Het geluid van het verkeer van en naar de inrichting over de openbare weg is beoordeeld volgens de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" d.d. 29 februari 1996.
Uit de berekeningsresultaten valt af te leiden dat de geluidniveaus ten gevolge van de indirecte hinder ten hoogste 55 dB(A) etmaalwaarde bedragen ter plaatse van de maatgevende woning Koartwâld 23. Voor de woning kan, gelet op de staat van onderhoud, ervan uitgegaan worden dat de gevelgeluidwering ten minste 20 dB bedraagt. Hiermee kan aan de toelaatbare binnenwaarde van ten hoogste 35 dB(A) etmaalwaarde worden voldaan. De optredende geluidniveaus ten gevolge van de indirecte hinder worden hiermee aanvaardbaar geacht. In de vergunning wordt geen voorschrift opgenomen met betrekking tot indirecte hinder.
9.5. Incidentele bedrijfssituatie
De vergunninghouder vraagt voorts vergunning voor een incidentele bedrijfssituatie. Dit is een bedrijfssituatie die zich maximaal 12 maal per jaar voordoet. Het betreft de inzet in de dagperiode van een mobiele breek- en zeefinstallatie of houtshredder. Ten gevolge van deze activiteiten zal een verhoogde geluidsproductie plaatsvinden. Gelet op de hierbij te verwachten optredende geluidsbelastingen en het incidenteel voorkomen van deze bedrijfssituatie, kunnen wij deze toestaan.
Wij hebben deze activiteiten uitgezonderd van de geluidsgrenswaarden voor de dagperiode zoals genoemd in het voorschrift 7.2.1. Hiervoor is een aparte normstelling vastgelegd in voorschrift 7.3.1. Van de afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie moeten wij vooraf op de hoogte worden gesteld.
Ten aanzien van de optredende geluidsniveaus is de aangevraagde situatie milieuhygiënisch aanvaardbaar.
Wij hebben aan de vergunning voorschriften verbonden, waarin grenswaarden zijn gesteld op beoordelingspunten bij woningen van derden. De geluidsbelasting op deze punten is overeenkomstig de bij de aangevraagde activiteiten gewenste geluidsruimte.
Binnen de inrichting zijn en worden maatregelen en voorzieningen getroffen ter beperking van de geluidsproductie. Bij het opstellen van de voorschriften hebben wij rekening gehouden met die maatregelen en voorzieningen.
Gedurende maximaal 8 dagen per jaar wordt puin gebroken en gezeefd en gedurende 4 dagen per jaar wordt hout geshredderd. Daarbij kunnen trillingen ontstaan. Gezien de aard van de activiteiten en de afstand tot de dichtstbijzijnde trillinggevoelige bestemmingen (ongeveer 200 meter) is trillinghinder niet te verwachten. Een onderzoek naar trillingen achten wij daarom niet nodig. Ook achten wij het daarom niet nodig hierover voorschriften op te nemen.
Het Nederlandse geurbeleid is opgenomen in artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit en in de Handleiding geur: bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van industrie en bedrijven (niet veehouderijen). Als algemene doelstelling geldt het zoveel mogelijk beperken van bestaande hinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Daarbij staat het afwegingsproces voor het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau centraal. Het aanvaardbaar hinderniveau wordt per situatie vastgesteld en zo nodig op grond van het Activiteitenbesluit als maatwerkvoorschrift aan de vergunning verbonden. Alleen als de emissies van de inrichting in het Activiteitenbesluit uitgezonderd zijn, worden de geuremissies in de vergunning beoordeeld.
Artikel 2.3a Activiteitenbesluit verklaart de afdeling 2.3 Lucht en geur van toepassing op alle inrichtingen (type A, B en C), maar ook de afwijkingen hiervan. Voor geur is de enige afwijking lid 2 en lid 4. In lid 2 staat dat de afdeling 2.3 Lucht en geur, met uitzondering van de artikelen 2.4 lid 2 en 2.8, niet van toepassing is op emissies naar de lucht van een IPPC-installatie indien en voor zover voor de activiteit of het type productieproces BBT-conclusies voor deze emissies zijn vastgesteld op grond van artikel 13, lid 5 en lid 7, van de EU-richtlijn industriële emissies.
De geuremissie vanuit de inrichting is afkomstig van een IPPC-installatie. In de BBT-conclusies Afvalbehandeling, gepubliceerd op 17 augustus 2018, zijn BBT-conclusies opgenomen over de emissie van geur. Dat betekent dat het Activiteitenbesluit hierop niet van toepassing is en er voorschriften in de vergunning moeten worden opgenomen.
Op 21 november 2019 is de Beleidsregel van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân houdende regels omtrent geur bedrijven niet veehouderijen (Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019) in werking getreden.
Deze beleidsregels zijn van toepassing bij besluitvorming op aanvragen om een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu, dan wel bij het wijzigen van voorschriften, verbonden aan een vergunning (artikel 2, lid 1 Beleidsregels geur bedrijven Fryslân 2019).
In artikel 4 van de Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019 is bepaald dat Gedeputeerde Staten het aanvaardbaar geurhinderniveau vaststellen en de op de geursituatie betrekking hebbende maatregelen in de vergunning worden opgenomen.
Gedeputeerde Staten stellen het aanvaardbaar geurhinderniveau voor nieuwe bronnen op de streefwaarde vast, of zoveel lager als met toepassing van de beste beschikbare technieken haalbaar is. Daarbij kunnen zij gemotiveerd naar boven afwijken. Dit kan tot ten hoogste de richtwaarde. Gedeputeerde Staten stellen in zulke gevallen het aanvaardbaar geurhinderniveau vast op het met de beste beschikbare technieken maximaal wel haalbare niveau.
Voor de beoordeling van het aanvaardbaar geurhinderniveau wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën van geurgevoelige objecten:
De streef-, richt- en grenswaarden als bedoeld in bovenstaande tabel geven immissie geurconcentraties weer in OUE per m3 en zijn bepaald als 98-percentielwaarden.
Voor geurgevoelige objecten categorie D wordt het aanvaardbaar hinderniveau vastgesteld op het niveau dat bereikt kan worden door het treffen van redelijke maatregelen.
De hedonische waarde van de geurbronnen binnen de inrichting is niet formeel vastgesteld. Op basis van de beleidsregels dient daarom het geurtype “Hinderlijk” te worden gehanteerd.
In geval van kortdurende of sterk fluctuerende bronnen wordt de geurimmissie getoetst aan de waarden zoals genoemd in bovenstaande tabel, waarbij de waarden vermenigvuldigd worden met een factor die als volgafhankelijk is van de percentielwaarde:
10.3. Beoordeling geurhindersituatie
Omschrijving aangevraagde situatie
De locatie Koartwâld 12 wordt gebruikt voor de opslag van (rundvee)drijfmest in een mestbassin, de opslag van natte grond en het composteren van groenafval (géén GFT).
De opslag van (rundvee)drijfmest is voorzien in een mestbassin (foliebassin) met een opslagcapaciteit van 1.990 m3. De te verwachten jaardoorzet van drijfmest bedraagt eveneens 1.990 m3 op jaarbasis. De mest wordt met mesttankwagens aan- en afgevoerd.
Een andere geurrelevante activiteit is de compostering van groenafval. De aanvoer bedraagt in de aangevraagde situatie in totaal 7.000 m3 per jaar, overeenkomend met circa 3.150 ton (bij een soortelijke gewicht ρ ≈ 450 kg/m3). Tijdens het composteerproces treedt gewichtsverlies op door met name droging van het product. De hoeveelheid uitgecomposteerd materiaal bedraagt naar verwachting circa 1.575 ton per jaar. Het te composteren materiaal bestaat met name uit takken en stobben, bladafval, (berm)gras en plantaardig materiaal dat vrijkomt bij het schonen van sloten/vaarten.
Het composteerproces betreft een continu proces. De aanvoer, de afvoer en de bewerking vindt in hoofdzaak plaats in de dagperiode. Voor het omzetten van de hopen en het verladen van de gerede compost wordt gebruik gemaakt van een shovel en/of mobiele kraan. Verder wordt gebruik gemaakt van een trommelzeef voor het zeven van gecomposteerd materiaal. Incidenteel (4 dagen per jaar) wordt gebruik gemaakt van een houtshredder voor het versnipperen van takken en boomstronken. Aanvoer van te composteren materiaal en afvoer van compost vindt plaats met behulp van tractors en vrachtauto's
Voor een volledige beschrijving van de relevante geuremissie verwijzen wij naar het Geuronderzoek Luimstra B.V. Surhuizum - Geuronderzoek, Noorman Bouw- en milieuadvies, Rapport 22010234.R02b, 18 december 2020.
Ligging van de inrichting en geurgevoelige objecten in de omgeving
De locatie Koartwâld 12 ligt in het buitengebied van de gemeente Achtkarspelen. De meest nabijgelegen woningen zijn:
Conform artikel 8 worden verspreid liggende woningen aangemerkt als geurgevoelige objecten categorie A. In specifieke gevallen kunnen Gedeputeerde Staten deze woningen echter aanmerken als geurgevoelige objecten categorie B. In de artikelsgewijze toelichting is dit nader beschreven: “Indien het buitengebied bijvoorbeeld het karakter heeft van een agrarische werkomgeving kunnen Gedeputeerde Staten verspreid liggende woningen in het buitengebied aanmerken als geurgevoelige objecten categorie B (gelegen in gebiedscategorie ‘werken’)”.
Naast loonbedrijf Luimstra zijn in de directe omgeving meerdere agrarische bedrijven gelegen. Het
Gelet op bovenstaande is de omgeving te karakteriseren als een agrarische werkomgeving. Voor de
beoordeling van de toelaatbare geurimmissieconcentraties bij omliggende woningen kan daarom worden aangesloten bij de toetsingscriteria als aangegeven voor de gebiedscategorie B “werken”.
Beoordeling geuremissie in relatie tot het aanvaardbaar hinderniveau
Uit het bij de aanvraag gevoegde geurrapport blijkt dat de geurbelasting ten gevolge van de aangevraagde activiteiten bij de dichtstbijzijnde geurgevoelige objecten de volgende geurconcentraties (in Europese geureenheden, ouE/m3) betreft:
Uit de tabel blijkt dat als gevolg van de geuremissie vanuit de inrichting voor het 98-percentiel, 99,5- percentiel en 99,9-percentiel niet wordt voldaan aan de streefwaarden van de normering uit de Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019. Wel wordt voldaan aan de richtwaarden uit de Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019.
Gedeputeerde staten kunnen gemotiveerd naar boven afwijken tot ten hoogste de richtwaarde. Gedeputeerde Staten stellen in zulke gevallen het aanvaardbaar geurhinderniveau vast op het met de beste beschikbare technieken maximaal haalbare niveau.
De geurreducerende maatregelen die binnen de inrichting worden getroffen, worden beschouwd als de beste beschikbare technieken. Het betreft de navolgende maatregelen:
de kwaliteit van het ingenomen materiaal wordt gecontroleerd; er mag in principe geen materiaal in staat van ontbinding worden ingenomen vanwege de sterke geuremissieverhoging die dit tot gevolg kan hebben. Indien het materiaal in staat van ontbinding verkeert, moeten doeltreffende maatregelen getroffen worden;
het ingenomen materiaal (met uitzondering van takken en stobben) wordt binnen ten hoogste die maal 24 uur verwerkt tot basismateriaal en wordt opgezet in een composthoop;
Langdurige opslag van ingenomen materiaal vindt niet plaats. Structuurmateriaal (bijvoorbeeld takken en stobben) is hiervan uitgezonderd omdat een buffervoorraad nodig is om een goede procesvoering te waarborgen;
Door het toepassen van deze beste beschikbare technieken wordt aan de richtwaarde uit de Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019 voldaan.
Gezien bovenstaande overwegingen zijn wij van mening dat de geurbelasting ten gevolge van de aangevraagde activiteiten voldoet aan het aanvaardbaar geurhinderniveau.
In deze vergunning hebben wij voorschriften opgenomen over het uitvoeren van geurmetingen, het opstellen van een controle- en beheerplan voor geur, waaronder een protocol over hoe wordt omgegaan met geurklachten. Met deze voorschriften hebben wij invulling gegeven aan BBT-conclusie voor afvalbehandeling.
Het algemeen luchtbeleid is gericht op het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van emissies naar de lucht door het toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT) en het voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van bijlage 2 van de Wet milieubeheer.
Luchtemissies voor inrichtingen worden in beginsel gereguleerd door de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Deze eisen zijn rechtstreeks geldend en daarom niet in deze vergunning opgenomen.
Het Activiteitenbesluit biedt de mogelijkheid om in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden bij maatwerkvoorschrift af te wijken van de algemene regels.
Indien en voor zover voor luchtemissies van IPPC-installaties BBT-conclusies zijn vastgesteld, gelden de algemene regels van Afdeling 2.3 echter niet (met uitzondering van de minimalisatieverplichting voor zeer zorgwekkende stoffen). Voor deze luchtemissies worden voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden die aansluiten bij de BBT-conclusies.
In deze vergunning wordt specifiek ingegaan op de luchtemissies van de inrichting. Naast de toetsing aan de beste beschikbare technieken en Activiteitenbesluit wordt beoordeeld of de emissienormering van het Activiteitenbesluit toereikend is of dat er maatwerkvoorschriften moeten worden gesteld. Tevens wordt er getoetst aan de kwaliteitseisen uit Bijlage 2 van de Wm.
Binnen de inrichting is sprake van diffuse emissies afkomstig van de volgende activiteiten:
Op overslag, opslag, laden, lossen, transport en mengen van de inerte goederen en voor het zeven van zand en grond, is paragraaf 3.4.3 (artikel 3.32, 3.37-t/m 3.39) van het Activiteitenbesluit van toepassing. Uit de aanvraag blijkt dat aan deze bepalingen wordt voldaan.
Het bevoegd gezag kan op basis van artikel 2.7, tweede lid van het Activiteitenbesluit in een maatwerkbesluit maatregelen vastleggen om diffuse stofemissies van niet inerte bulkgoederen te beperken. Van deze mogelijkheid maken wij gebruik. De maatwerkvoorschriften worden op grond van artikel 8.42 van de Wet milieubeheer in een maatwerkbesluit vastgelegd.
Er gelden in beginsel de luchtvoorschriften uit Afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit. Deze afdeling is echter niet van toepassing op emissies naar de lucht van een IPPC-installatie, voor zover voor de activiteit of het type productieproces BBT-conclusies voor deze emissies zijn vastgesteld.
Dit is het geval voor de activiteit composteren van groenafval (inclusief shredderen van groenafval en zeven van compost). Daarom hebben wij de maatregelen zoals vermeld in de BBT- conclusie 37 opgenomen in de vergunning.
11.3. Luchtkwaliteitseisen Wet milieubeheer
In Titel 5.2 Wet milieubeheer en de bijbehorende bijlage 2 bij de Wet milieubeheer zijn grens- en richtwaarden gesteld aan de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht op leefniveau, die wij als toetsingscriteria moeten hanteren.
De grenswaarden zijn niet van toepassing op de werkplek of plaatsen waar het publiek normaal gesproken geen toegang heeft. Dit betekent dat toetsing van de normen geschiedt buiten het terrein van de inrichting, ‘daar waar mensen worden blootgesteld’ (zie toelichting bij de Regeling beoordeling luchtkwaliteit). De Regeling beoordeling luchtkwaliteit (RBL2007) moet gebruikt worden bij immissieberekeningen en concentratiemetingen in de buitenlucht.
De inrichting emitteert een aantal stoffen waarvoor deze grenswaarden gelden, te weten stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10).
De inrichting heeft voor deze stoffen een immissietoets uitgevoerd. Dit is opgenomen in de aanvraag (Noorman Bouw- en milieu-advies, Rapport 22010234.R03, 30 oktober 2020).
De concentraties van fijn stof (PM2,5 en PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn in de Nederlandse situatie het meest kritisch ten opzichte van de grenswaarden.
Op grond van artikel 5.16, lid 1 van de Wet milieubeheer kan de vergunning alleen worden verleend, als aannemelijk gemaakt kan worden dat voldaan wordt aan (minimaal) één van de volgende criteria:
Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), aangeduid als Besluit NIBM, legt vast wanneer een project NIBM bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof in de omgevingslucht. Dat is het geval wanneer aannemelijk is, dat het project een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) in de omgevingslucht veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde concentratie van die stof (maximaal 1,2 μg/m3). Als de toename voor één of beide stoffen hoger is, dan is het project IBM. Ten behoeve van de uitvoering van deze regelgeving is de "Handreiking luchtkwaliteit: niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) opgesteld en in 2013 geactualiseerd.
De berekende jaargemiddelde bijdrage NO2 bedraagt (afgerond op 1 decimaal) ten hoogste 0,5 µg/m³ ter plaatse van de omliggende woningen. De totale jaargemiddelde concentratie, inclusief achtergrondconcentratie, bedraagt ter plaatse van de woningen ten hoogste 9,7 µg/m³. De grenswaarde van 40 microgram per m³ wordt op geen enkel receptorpunt overschreden.
De uurgemiddelde concentratie van 200 µg/m³ wordt op geen enkel rekenpunt overschreden. Aan het toelaatbaar aantal overschrijdingsuren van ten hoogste 18 per kalenderjaar wordt voldaan.
De vanwege de inrichting berekende jaargemiddelde bijdrage PM10 bedraagt (afgerond op 1 decimaal), ten hoogste 0,2 µg/m³ ter plaatse van de omliggende woningen. De totale jaargemiddelde concentratie, inclusief achtergrondconcentratie, bedraagt ter plaatse van de woningen ten hoogste 14,8 µg/m³. De grenswaarde van 40 microgram per m³ wordt op geen enkel receptorpunt overschreden.
Voor alle receptorpunten geldt dat het totaal aantal dagen waarop de 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM10) van 50 µg/m³ mogelijk wordt overschreden, ten hoogste 6 op jaarbasis bedraagt. Het aantal overschrijdingsdagen wordt nagenoeg volledig bepaald door de heersende achtergrondconcentraties. Aan het toelaatbare aantal overschrijdingsdagen van ten hoogste 50 per kalenderjaar wordt voldaan.
De vanwege de inrichting berekende jaargemiddelde bijdrage PM2,5 bedraagt (afgerond op 1 decimaal) ten hoogste 0,1 µg/m³ ter plaatse van de omliggende woningen. De berekende jaargemiddelde concentratie, inclusief achtergrondconcentratie, bedraagt ten hoogste 7,9 µg/m3. De grenswaarde van 25 microgram per m³ wordt op geen enkel receptorpunt overschreden.
Op basis van verspreidingsberekeningen concluderen wij dat voldaan wordt aan de grenswaarden in Bijlage 2 van de Wet milieubeheer.
Aangezien er binnen de inrichting geen activiteiten worden uitgevoerd als bedoeld in Bijlage I van de EG-Verordening PRTR, hoeft er geen elektronisch PRTR-verslag te worden ingediend en hoeven de emissies (jaarvrachten) niet te worden gerapporteerd.
11.6. Eindconclusie aspect lucht
Wij zijn van oordeel dat uit de aanvraag blijkt dat er voldoende maatregelen worden toegepast c.q. zullen worden toegepast om luchtemissies te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
Verspreiding verontreinigingen
Voor het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van door de inrichting veroorzaakte grootschalige of grensoverschrijdende verontreinigingen, zijn voorschriften in deze vergunning opgenomen.
Bijzondere bedrijfsomstandigheden
Voor het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu, die kunnen worden veroorzaakt door storingen, lekken, definitieve bedrijfsbeëindiging of andere bijzondere bedrijfsomstandigheden, zijn voorschriften in deze vergunning opgenomen.
Voor het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van de gevolgen van ongevallen zijn voorschriften in deze vergunning opgenomen.
Voor het treffen van maatregelen om bij definitieve bedrijfsbeëindiging de nadelige gevolgen die de inrichting heeft veroorzaakt voor het terrein waarop zij was gevestigd, ongedaan te maken of te beperken voor zover dat nodig is om dat terrein weer geschikt te maken voor een volgende functie zijn in deze vergunning voorschriften opgenomen.
12.1. Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob)
Wij hebben, in het kader van de Wet Bibob, de aangeleverde stukken met betrekking tot de bedrijfsvoering en de financiering getoetst. Naar aanleiding van deze toets zien wij geen aanleiding tot verdere stappen.
REACH (Registratie Evaluatie en Autorisatie van Chemische stoffen) Verordening (EC) 1907/2006 is een Europese verordening over stoffen. REACH werkt rechtstreeks. Voor een deel van de op grond van REACH geregistreerde stoffen bestaat er een autorisatieplicht. Deze stoffen mogen niet zonder meer worden gebruikt.
Uit de aanvraag blijkt dat er binnen de inrichting geen stoffen worden geproduceerd, gebruikt en/of geëmitteerd waarop REACH van toepassing is.
12.3. Toekomstige ontwikkelingen
Er worden binnen de inrichting of in de omgeving van de inrichting geen ontwikkelingen verwacht die van belang kunnen zijn voor de bescherming van het milieu.
Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op de veranderingen van de activiteiten van een inrichting kan worden geconcludeerd, dat de omgevingsvergunning kan worden verleend.
In deze vergunning zijn de voor deze activiteit relevante voorschriften opgenomen.
14.INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN Bouwen
De aanvraag omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een bouwwerk (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a van de Wabo) kan alleen worden verleend als deze voldoet aan de in artikel 2.10, eerste lid van de Wabo gestelde toetsingscriteria.
Een toetsing aan deze criteria heeft plaatsgevonden.
De gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan de door de gemeenteraad vastgestelde criteria zoals gesteld in de gemeentelijke welstandsnota.
De aanvraag is op 29 november 2021 beoordeeld door de onafhankelijke welstandscommissie Hûs en Hiem Welstandsadvisering en Monumentenzorg (verder: de commissie). De commissie is van mening dat de aanvraag niet geheel voldoet aan redelijke eisen van welstand (W21ACH126-1). De kritiek betreft het plan op zichzelf en in relatie tot de omgeving en is op het volgende gericht.
Een voorbehoud geldt ten aanzien van het niet doorzetten van het talud ter hoogte van de
sleufsilo’s aan de noordzijde (punt 5) van het terrein. Daarnaast eindigen de taluds ter
hoogte van de depots voor natte grond, waardoor deze depots te zeer in het zicht lijken te
komen. Voor de landschappelijke inpassing is het van belang om het gehele terrein met een
aarden wal te omzomen en te voorzien van een volwaardige boomsingel.
Wij stellen voor de kritiek te ondervangen door de taluds ter hoogte van de sleufsilo’s door te
zetten. Verder vragen wij om een doorsnede ter plaatste van de depots voor natte grond.
Op 20 december 2021 hebben wij aangepaste stukken ontvangen, waarmee de eerdergenoemde kritiek ondervangen wordt. De aanvraag voldoet daarmee aan de redelijke eisen van welstand.
De gegevens en bescheiden die horen bij de aanvraag omgevingsvergunning, zijn getoetst aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012. Op grond van de ingediende stukken bij deze aanvraag is voldoende aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012.
De gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan de relevante voorschriften van de Bouwverordening gemeente Achtkarspelen. Wij zijn van mening dat de aanvraag voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening van de gemeente Achtkarspelen.
De gegevens en bescheiden die horen bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied Achtkarspelen”. De gronden zijn voorzien van de enkelbestemming “Agrarisch met waarden - Besloten gebied”, “Bedrijf – 1”en “Waarde – Archeologie” (artikel 3, 11 en 35 van de regels).
In lid 3.1, sub a is bepaald dat de voor 'Agrarisch met waarden - Besloten gebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven al dan niet met nevenactiviteiten en al dan niet met:
Tevens is in lid 3.5, sub e bepaald dat tot een gebruik in strijd met de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Besloten gebied’ wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen:
De gronden worden deels gebruikt als opslagterrein.
Tevens is in lid 11.5, sub h bepaald dat tot een gebruik in strijd met de bestemming ‘Bedrijf – 1’wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen:
De gronden worden deels gebruikt als opslagterrein
De gegevens en bescheiden die horen bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied Achtkarspelen”. De gronden zijn voorzien van de enkelbestemming “Agrarisch met waarden - Besloten gebied” (artikel 3 van de regels).
In lid 3.1, sub a is bepaald dat de voor 'Agrarisch met waarden - Besloten gebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven al dan niet met nevenactiviteiten en al dan niet met:
Tevens is in lid 3.2, sub 2 bepaald dat een bedrijfsgebouw uitsluitend binnen een bouwvlak mag worden gebouwd. Het weeghokje is buiten een bouwvlak gesitueerd.
Tevens is in lid 3.2, sub d, onder 4 bepaald dat de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer mag bedragen dan 2 meter.
De keerwand heeft een hoogte van 3 meter. De betonnen stapelblokken hebben een hoogte van 3,20 meter.
Tevens is in lid 3.5, sub e bepaald dat tot een gebruik in strijd met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen:
De activiteiten op de locatie Koartwâld 12 bestaan uit opslag van mest, natte grond, grond, zand, (beton)puin compost en groenafval, opslag monostromen bouw- en sloopafval en de be- en verwerking van puin en groenafval met behulp van respectievelijk een mobiele breek- en zeefinstallatie en een mobiele shredderinstallatie.
Tenslotte is in lid 3.5, sub f bepaald dat tot een gebruik in strijd met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen:
Het terrein wordt deel gebruikt t.b.v. mestopslag.
Gelet op het bovenstaande, is het bouwplan in strijd met regels van het geldende bestemmingsplan.
In gevallen waarvoor afwijking van het bestemmingsplan noodzakelijk is, wordt de aanvraag omgevingsvergunning tevens aangemerkt als verzoek tot afwijking van het geldende bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c van de Wabo. De aanvraag omgevingsvergunning wordt slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 (afwijking bestemmingsplan) niet mogelijk is.
Zie ook onderdeel: “Inhoudelijke overwegingen en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan”.
15. INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN Handelen in strijd met een bestemmingsplan
De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wabo), is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.
Op grond van het artikel 2.10, tweede lid van de Wabo, is een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen die in strijd is met het geldende bestemmingsplan, ook een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het afwijken van het geldende bestemmingsplan (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo). De aanvraag omgevingsvergunning kan slechts worden geweigerd indien vergunningverlening voor afwijking van het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.12 van de Wabo niet mogelijk is.
Gelet op vorengaande is het plan in strijd met de regels van het geldende bestemmingsplan.
Voor zover sprake is van een aanvraag omgevingsvergunning voor gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c van de Wabo) kan de vergunning op grond van artikel 2.12 van de Wabo alleen worden verleend:
Ad. a. Toetsing binnenplanse afwijking
Er is geen binnenplanse planologische afwijkingsmogelijkheid in het geldende bestemmingsplan. Daarom is geen afwijking mogelijk op basis van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 1° van de Wabo.
Ad. b. Toetsing buitenplanse afwijking - kruimelgeval
De activiteiten komen niet voor in de categorieën die zijn genoemd in artikel 4 van bijlage II van het Bor. Een buitenplanse afwijking op grond van de kruimelgevallenlijst behoort dan ook niet tot de mogelijkheden.
Ad. c. Toetsing buitenplanse afwijking - projectafwijkingsbesluit
In dit geval wordt gebruik gemaakt van een buitenplanse afwijking voor een omgevingsvergunning die is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing (projectafwijkingsbesluit).
Afwijking van het bestemmingsplan is alleen wenselijk indien na een afweging van diverse belangen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Om de navolgende redenen is ons inziens sprake van een goede ruimtelijke ordening en worden belangen niet geschaad.
In de Visie ruimtelijke kwaliteit Buitengebied Achtkarspelen is onder meer opgenomen dat
bestaande bedrijven de mogelijkheid moeten hebben om zich te ontwikkelen. De gemeente
wil de kwaliteiten van het buitengebied koesteren, maar ook nieuwe ontwikkelingen en bestaande functies ruimte bieden. Door een zorgvuldige ruimtelijke inpassing kiest de gemeente voor een kwalitatieve benadering, die ziet op een logische plek voor uitbreidingen en die tevens op een goede manier in het landschap wordt ingepast. Er wordt daarbij zoveel mogelijk ingestoken op zo min mogelijk aantasting van de landschappelijke kwaliteiten en zo mogelijk het versterken hiervan.
De aanvrager heeft in de ruimtelijke onderbouwing aangetoond dat geen sprake is van belemmeringen, die een goede ruimtelijke ordening in de weg staan.
De initiatiefnemer heeft de noodzaak voor de uitbreiding aangetoond
Over de noodzaak van de uitbreiding heeft de initiatiefnemer het volgende aangegeven:
De noodzaak van de uitbreiding is vooral gelegen in het feit dat er meer en meer gebrek aan ruimte ontstaat door de langere verblijfstijden van de fracties.
Enerzijds vanwege de voorschriften die gekoppeld zijn aan de BRL-certificering (bijv. 9335), aan het kunnen samenvoegen van verschillende fracties wanneer deze gelijk van samenstelling zijn (hierop moet soms een tijd worden gewacht) en anderzijds vanwege het feit dat afzetmogelijkheden schaarser worden en afzet steeds vaker stagneert. Een toename van opslagruimte is daarmee onvermijdelijk.
Ook gaat het om steeds grotere werken waarvoor grond wordt gebracht of gehaald (dus ook grotere partijen). Ook dat vergt steeds meer opslagcapaciteit. Als voorbeeld hiervan kunnen bijv. de dijkophogingen worden genoemd.
En ten aanzien van de uitbreiding van de bestaande locatie:
Een locatie op een lokaal bedrijventerrein is niet mogelijk vanwege de vaak te smalle infrastructuur, het bevuilen van wegen in de natte perioden, de aanwezigheid van een weegbrug op het terrein en de werking van het bedrijf gedurende 24 uur. Daarnaast is de ligging van het onderhavige terrein ideaal nu dit is gelegen aan een doorgaande weg zonder woonbebouwing ter plaatse. Ten slotte zitten bedrijven op een bedrijventerrein niet te wachten op frequente mest- en grondtransporten voor de
deur. Daarbij is het grondverzetbedrijf in principe 24 uur en 7 dagen per week bereikbaar. Daarvan wordt uiteraard niet altijd gebruik gemaakt. Echter in het geval van specifieke activiteiten bijv. grondboringen (welke niet stop kunnen worden gelegd)
moet de 24-uurs service wel worden geboden. Hiervan is thans echter reeds sprake en
is in die zin geen uitbreiding. Er is bij de uitbreiding sprake van een efficiënte opslag (zorgvuldig ruimtegebruik) en de noodzaak is voldoende duidelijk gemaakt. Ook een alternatieve locatie is niet logisch en voorziet veelal in overlastsituaties, die op de huidige locatie niet of veel minder spelen, zie
hierover ook onder kopje “De provincie kan met de ontwikkeling instemmen”.
De provincie kan met de ontwikkeling instemmen
De provincie heeft het provinciaal ruimtelijke beleid onder meer neergelegd in de provinciale
Verordening Romte. Hierin is ten aanzien van 'niet aan het beheer, onderhoud of productievermogen van het landelijk gebied gebonden bedrijf' bepaald dat de maximale uitbreidingsruimte van het bestaande bestemmingsplanvlak maximaal 50% mag bedragen.
Daarbij moet het bedrijf milieuhygiënisch, verkeerskundig en landschappelijk goed worden
Omdat de beoogde uitbreiding meer dan 50% bedraagt is er ambtelijk vooroverleg gevoerd
met onder meer de gedeputeerde of er voor de uitbreiding een ontheffing verleend kan
worden. Hieruit kwam dat de provincie bereid is aan de ontheffing mee te werken bij een
formele aanvraag daartoe, mits het landschappelijk goed wordt ingepast op basis van de Nije Pleats
methodiek. De Nije Pleats sessie met de initiatiefnemers en deskundigen vanuit de provincie
en de gemeente heeft plaatsgevonden en geleid tot een gedragen landschappelijke inpassing,
zoals weergegeven in de bijlage bij deze vergunning. Bij de beoordeling is gekeken naar de landschappelijke inpassing, het efficiënt benutten van de ruimte en het toevoegen van een 'plus' ten aanzien van bijv. de biodiversiteit.
De ontheffing is -na de formele aanvraag omgevingsvergunning van 1 april 2021- door de
gemeente aangevraagd en bij brief van 22 juni 2021 (bijlage 2) is deze door de provincie
verleend onder voorwaarde van de overeengekomen landschappelijke inpassing.
Verder is de verkeerskundige inpassing van het bestaande bedrijf als passend beoordeeld,
gelet op de korte afstand naar de rotonde in de provinciale weg, zonder daarbij omliggende
functies te belasten met geluid of een verkeersonveilige situatie.
In het kader van de aanmeldnotitie MER zijn de nodige onderzoeken uitgevoerd. Het betreft
hier onderzoeken ten aanzien potentiële effecten op mensen, dieren, planten en goederen:
op het gebied van ecologie, externe veiligheid, archeologie, stikstof, geur, geluid, licht en
Uit de onderzoeken en ook de verkeerskundige situatie rond het depot blijkt dat er geen
belemmeringen zijn geconstateerd ten aanzien van de uitvoerbaarheid van de uitbreiding van
het gronddepot. Door het treffen van maatregelen en/of het verbinden van
(maatwerk)voorschriften aan de vergunning kan overlast of hinder worden voorkomen.
Ook de landschappelijke inpassing van het project wordt gedragen door de initiatiefnemer, de provincie en de gemeente. De uitvoering hiervan zal deel uitmaken van de voorwaarden bij de afwijkingsvergunning. Om het belang hiervan aan te geven is in het besluit hier ook richting de provincie een voorwaarde met betrekking tot de uitvoering en instandhouding opgenomen. Deze voorwaarde is opgenomen in dit besluit.
Er zijn voorts geen omgevingsaspecten die het initiatief in de weg staan. Voor de volledigheid wordt verwezen naar bijgevoegde ruimtelijke onderbouwing, waarin een uitgebreide beschrijving van de omgevingsaspecten is opgenomen. Deze ruimtelijke onderbouwing maakt integraal onderdeel uit van deze omgevingsvergunning.
Geconcludeerd kan worden dat het initiatief niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Gelet hierop kan de omgevingsvergunning, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3° van de Wabo worden verleend.
Verklaring van geen bedenkingen.
Op grond van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 Wabo en artikel 2.27 lid 1 Wabo is een verklaring van
geen bedenkingen van de gemeenteraad nodig om medewerking te kunnen verlenen aan de afwijking
op het bestemmingsplan. Dit staat verwoord in artikel 6.5 lid 1 Besluit omgevingsrecht (Bor).
De gemeenteraad van Achtkarspelen heeft op 16 september 2021 besloten de ontwerp vvgb af te geven. De ontwerp vvgb is als definitieve vvgb aangemerkt omdat over de ontwerp omgevingsvergunning geen zienswijzen zijn ingediend (besluitpunt 2 ontwerp vvgb).
In de ruimtelijke onderbouwing is omschreven hoe dit plan zich verhoudt tot de randvoorwaarden vanuit de Wet natuurbescherming. Op basis van deze omschrijving haakt de Wet natuurbescherming niet aan in deze procedure aangezien er geen toestemming op basis van deze wet benodigd is.
Gelet op bovenstaande overwegingen is het college van mening dat er geen beletsel is voor het verlenen van de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan.
16.INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN Werk en werkzaamheden uitvoeren
De aanvraag betreft een vergunning voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheden, geen bouwwerk, zoals bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder b van de Wabo. Voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheden zijn regels opgesteld in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
Op grond van artikel 2.11 van de Wabo kan de omgevingsvergunning worden geweigerd als het werk of de werkzaamheid in strijd is met de regels, zoals gesteld in het bestemmingsplan of de beheersverordening. De aanvraag omgevingsvergunning is getoetst aan de regels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan en is daarmee in overeenstemming.
De locatie bevindt zich op gronden in het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied Achtkarspelen” en heeft daarin de bestemming “Agrarisch met waarden - Besloten gebied”
(artikel 3 van de regels). De voor “Agrarisch met waarden - Besloten gebied” aangewezen gronden zijn bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven al dan niet met nevenactiviteiten en al dan niet met:
Bestemming “ Agrarisch met waarden - Besloten gebied”
Voor het gedeelte van de werkzaamheden (het aanbrengen van oppervlakte verharding, het ophogen, afgraven of afschuiven van gronden en het aanleggen van ondergrondse leidingen) binnen de bestemming “Agrarisch met waarden - Besloten gebied” is een omgevingsvergunning vereist voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
Op grond van lid 3.7, sub a, onder 2, 8 en 9 is het verboden op of in de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen of te laten uitvoeren:
Door het aanbrengen van oppervlakte verharding, het ophogen, afgraven of afschuiven van gronden en het aanleggen van ondergrondse leidingen is een vergunningplicht aan de orde. De vergunning kan op grond van lid 3.7, sub f alleen worden verleend als hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
het straat- en bebouwingsbeeld
Het bouwplan is positief beoordeeld door de welstandscommissie. Hierbij is ook gekeken naar de inpasbaarheid van het bouwplan in relatie tot het straat- en bebouwingsbeeld. In de welstandsnota zijn gebiedsgerichte criteria opgenomen. De criteria zijn niet alleen gebaseerd op de bestaande ruimtelijke kwaliteiten van de gebieden; ze zijn ook ontstaan vanuit de doelstelling om in elk gebied een gewenst bebouwingsbeeld te realiseren. Het bouwplan is getoetst aan deze gebiedsgerichte criteria. De welstandscommissie is dan ook van mening dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld.
Vanwege de verbeterde landschappelijke inpassing, die met uitvoering van het landschapsplan wordt gerealiseerd, achten wij dat het aangevraagde plan dan ook als ruimtelijk aanvaardbaar en niet leidt tot een onevenredige aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld.
De aanlegwerkzaamheden hebben geen invloed op de woonsituatie. De dichtstbijzijnde woning is gelegen op een afstand van circa 85 meter. De invloed van de aanlegwerkzaamheden doen op de omliggende percelen met een woonbestemming geen onevenredige afbreuk.
In het kader van de aanmeldnotitie Milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) zijn de nodige onderzoeken uitgevoerd. Het betreft hier onderzoeken ten aanzien potentiële effecten op mensen, dieren, planten en goederen op het gebied van ecologie, externe veiligheid, archeologie, stikstof, geur, geluid, licht en stof. Uit de onderzoeken en ook door de situatie rond het depot blijkt dat er geen
belemmeringen zijn geconstateerd ten aanzien van de uitvoerbaarheid van de uitbreiding van
het gronddepot. Door het treffen van maatregelen en/of het verbinden van
(maatwerk)voorschriften aan de vergunning kan overlast of hinder worden voorkomen.
In het kader van de aanmeldnotitie m.e.r. zijn de nodige onderzoeken uitgevoerd. Het betreft
hier onderzoeken ten aanzien potentiële effecten op mensen, dieren, planten en goederen
op het gebied van ecologie, externe veiligheid, archeologie, stikstof, geur, geluid, licht en
stof. Uit de onderzoeken en ook de verkeerskundige situatie rond het depot blijkt dat er geen
belemmeringen zijn geconstateerd ten aanzien van de uitvoerbaarheid van de uitbreiding van
het gronddepot. Door het treffen van maatregelen en/of het verbinden van
(maatwerk)voorschriften aan de vergunning kan overlast of hinder worden voorkomen.
De aanlegwerkzaamheden geven geen aanleiding om aan te nemen dat aantasting van de sociale veiligheid in het geding zijn.
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden
De activiteit doet geen onevenredige afbreuk aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen. De aanlegwerkzaamheden voor de uitbreiding van het terrein staan de aangrenzende percelen niet in de weg om deze overeenkomstig hun bestemming te gebruiken en de bij recht en met binnenplanse afwijking toegestane bouw en gebruiksmogelijkheden worden op de aangrenzende percelen niet door de aanlegwerkzaamheden belemmerd.
de cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden
Het aanbrengen van oppervlakte verhardingen, het ophogen, afgraven of afschuiven van gronden en het aanleggen van ondergrondse leidingen kunnen mogelijk een invloed hebben op de cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden. Door het treffen van maatregelen en het verbinden van voorschriften aan de vergunning kan dit opgelost worden. Door de landschappelijke inpassing en de voorwaarden die zijn opgenomen in deze vergunning zal er geen invloed zijn op de cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden.
Door het aanleggen van beplanting om het te ontwikkelde terrein heeft positieve gevolgen op de cultuurhistorische waarden. Het Friese cultuurlandschap is gevormd door menselijk handelen. Het aanbrengen van de beplating zorgt er tevens voor dat de kenmerkende flora en fauna van dit landschap behouden blijft.
Binnen dit project wordt zowel gekeken naar de losse landschapselementen als naar het landschap en de ruimtelijke samenhang tussen de elementen. Goed onderhouden landschapselementen hebben een rijke en een gevarieerde begroeiing en zijn daarmee als losse elementen al van grote waarde.
De structuur van de landschapselementen op grotere schaal voegt daar een netwerkfunctie aan toe.
Uit eerder onderzoek in het Nationaal Landschap Noardlike Fryske Wâlden is gebleken dat dit de biodiversiteit, gebonden aan dit agrarische cultuurlandschap, zeer ten goede komt.
De uitvoering van het plan tast de cultuurhistorische waarden niet aan en hierdoor zal er geen onevenredige afbreuk van de cultuurhistorische waarden plaatsvinden.
De cultuurhistorische en de visuele waarden van het landschap zullen door het aanbrengen van oppervlakte verhardingen, het ophogen, afgraven hierdoor niet significant wijzigen.
Het aanleggen van beplanting, zoals opgenomen in de landschappelijke inpassing, heeft positieve gevolgen op de landschappelijke en natuurlijke waarden. Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de landschappelijke en natuurlijke waarde, omdat de nieuwe landschappelijke beplanting aansluiten op de bestaande structuren in de omgeving. De landschappelijke inpassing van het project wordt gedragen door de initiatiefnemer, de provincie en de gemeente. De uitvoering hiervan zal deel uitmaken van de voorwaarden bij de afwijkingsvergunning. Om het belang hiervan aan te geven zijn in deze vergunning voorwaarden opgenomen.
Er is een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek – verkennende fase opgesteld.
Uit dit onderzoek blijkt dat de geplande ingrepen (het ontgraven van de bodem tot ongeveer 1 m –mv) geen consequenties heeft voor archeologische resten, aangezien de kans hierop zeer laag is.
Wij zijn van mening dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden.
Er zijn voorts geen omgevingsaspecten die het initiatief in de weg staan. Voor de volledigheid wordt verwezen naar bijgevoegde ruimtelijke onderbouwing, waarin een uitgebreide beschrijving van de omgevingsaspecten is opgenomen. Deze ruimtelijke onderbouwing maakt integraal onderdeel uit van deze omgevingsvergunning.
Gelet op het bovenstaande voldoet de aanvraag aan de toetsingscriteria uit het bestemmingsplan Gelet daarop zijn wij van mening dat de vergunning voor dit onderdeel kan worden verleend.
17.Overwegingen maatwerkvoorschriften diffuse stofemissies
17.1. Maatwerkvoorschriften aspect lucht
De onderhavige inrichting is een “inrichting type C” zoals bedoeld in artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit. Op grond van artikel 1.4 van het Activiteitenbesluit dient degene die een inrichting drijft te voldoen aan de bij of op grond van het Activiteitenbesluit gestelde regels.
Voor stuifgevoelige niet-inerte stoffen is paragraaf 3.4.3. van het Activiteitenbesluit niet van toepassing en gelden de voorschriften uit afdeling 2.3 Lucht van het Activiteitenbesluit. Deze voorschriften gelden ook voor het breken van puin.
Voor diffuse stofemissies zijn in die afdeling geen voorschriften opgenomen. Wij kunnen daarom op basis van artikel 2.7, lid 2 van het Activiteitenbesluit in een maatwerkbesluit maatregelen vastleggen om diffuse stofemissie te beperken.
Op grond van artikel 8.42 van de Wm in samenhang met artikel 2.7, lid 2 van het Activiteitenbesluit zijn wij bevoegd om maatwerkvoorschriften vast te stellen.
Bij de invulling van het maatwerk wordt aangesloten bij de voorschriften in paragraaf 3.4.3 van het Activiteitenbesluit. Ook is gebruik gemaakt van de factsheet op- en overslag en bewerken van stuifgevoelige stoffen en de informatie in de handleiding ‘luchtemissies bij bedrijven’ van Infomil.
De maatregelen en voorzieningen die moeten worden getroffen om stofverspreiding te voorkomen, bestaan onder andere uit het opruimen van gemorst product, het schoonmaken en/of besproeien van rijwegen, besproeien opslag, sproei-installatie op de puinbreker, beëindigen van werkzaamheden bij harde wind en beperken storthoogte.
ConclusieDoor het stellen van maatwerkvoorschriften wordt de diffuse emissie van stof bij het breken van puin en de opslag/overslag van niet inerte stoffen en transport daarvan in voldoende mate voorkomen of beperkt.
Voor de opslag en overslag van stuifgevoelige inerte stoffen zijn de regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing.
Voor de begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij aan de definities zoals die zijn opgenomen in de geldende wet- en regelgeving (zoals het Activiteitenbesluit, de Activiteitenregeling, het Besluit omgevingsrecht, het Besluit externe veiligheid inrichtingen, de Wet geurhinder en veehouderij etc.).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2023-180.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.