Provinciaal blad van Fryslân
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2023, 179 | andere beschikking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2023, 179 | andere beschikking |
Besluit ambtshalve wijziging energievoorschriften RWZI Leeuwarden, Greunsweg 78 te Leeuwarden
Op 10 december 2007, met kenmerk 735617, is een revisievergunning verleend aan Wetterskip Fryslân voor de locatie Greunsweg 78 te Leeuwarden. De vergunning heeft betrekking op een rioolwaterzuiveringsinstallatie. Nadien zijn er nog enkele vergunningen verleend.
Wij wijzigen de vergunning van 10 december 2007, met kenmerk 735617, ambtshalve door nieuwe voorschriften aan de vergunning toe te voegen.
De inrichting is energierelevant en is grootverbruiker. De inrichtinghouder heeft het voornemen om te gaan deelnemen aan de CO2-prestatieladder (hierna CO2-PL) op niveau 3 en aan de (toekomstige) Meerjarenafspraken-4 (hierna MJA-4). Met deze ambtshalve wijziging voegen wij energievoorschriften toe aan de vergunning van 10 december 2007, die zijn afgestemd op de genoemde voorgenomen initiatieven.
Reden voor de wijziging is dat de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, aanleiding geven om voorschriften voor energiebesparing aan de vergunning toe te voegen.
Wij besluiten, gelet op artikel 2.31, lid 1, onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo):
Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,
Hoofd afdeling Vergunningverlening en Specialistisch advies
Een kopie van deze beschikking is naar de volgende instanties gestuurd:
College van Burgemeester en Wethouders
Postbus 210008900 JA Leeuwarden
De nummering van onderstaande voorschriften sluit aan op de nummering van de voorschriften in de vergunning van 10 december 2007 met kenmerk 735617.
Vergunninghouder dient uiterlijk 1 mei 2022 en vervolgens elke vier jaar vóór 1 mei de rapportage van een energieonderzoek ter goedkeuring in bij het bevoegd gezag. Het energieonderzoek heeft tot doel om de rendabele en technisch haalbare energie-efficiënte maatregelen te identificeren. De rapportage van het onderzoek moet de volgende gegevens bevatten:
voor de hierboven onder b. bedoelde individuele installaties en (deel)processen, de relevante uitgaande energiestromen en de intern hergebruikte energiestromen: een overzicht van alle maatregelen (technieken en voorzieningen) die in de branche als beste beschikbare techniek kunnen worden beschouwd en mogelijk rendabel zijn. Als er dergelijke maatregelen zijn, die niet zijn onderzocht, dan wordt de reden daarvan in de rapportage gemotiveerd.
Per maatregel wordt een berekening van de terugverdientijd opgesteld volgens de methodiek zoals beschreven in bijlage 10a van de Activiteitenregeling milieubeheer, tenzij vergunninghouder onderbouwt waarom het niet noodzakelijk is om voor deze maatregel een terugverdientijd te bepalen. Op basis van deze berekening wordt per maatregel de conclusie getrokken dat de maatregel rendabel of niet rendabel is;
de verrichte en voorgenomen inspanningen wat betreft verduurzaming van het energieverbruik van de inrichting en de barrières die daarbij geslecht moeten worden. Deze inspanningen zijn erop gericht uiterlijk in 2050 het energieverbruik volledig te hebben verduurzaamd.
Toelichting bij het energieonderzoek:
Voor de rapportage van dit onderzoek kan waar mogelijk gebruik worden gemaakt van actuele informatie en gegevens uit de rapportage in het kader van de 2-PL, MJA-4 en/of andere energie-rapportages.
De inrichtinghouder kan een gemotiveerd verzoek tot het afwijken van de in voorschrift 8.1.1 genoemde vierjaarlijkse datum ter goedkeuring bij het bevoegde gezag indienen.
Om voor de vierjaarlijkse rapportage uit voorschrift 8.1.1 waar mogelijk gebruik te kunnen maken van actuele informatie en gegevens uit de rapportage in het kader van de CO2-PL, MJA-4 en/of andere energie-rapportages kan de inrichtinghouder verzoeken om de vierjaarlijkse rapportagedatum aan te laten sluiten bij dergelijke andere rapportageverplichtingen.
Vergunninghouder mag een maatregel uit het energie-uitvoeringsplan vervangen door een gelijkwaardig alternatief, op voorwaarde dat de gelijkwaardigheid in het energiedeel van het milieujaarverslag of anderszins richting het bevoegd gezag wordt gemotiveerd. Onder gelijkwaardig wordt verstaan dat de alternatieve maatregel minstens evenveel bijdraagt aan de verbetering van de energie-efficiëntie en geen stijging geeft van de milieubelasting ten opzichte van de te vervangen maatregel.
Bij het nemen van energierelevante investeringsbeslissingen moet de vergunninghouder energiezuinigere alternatieven onderzoeken, tenzij deze beslissing betrekking heeft op maatregelen die al in het energieonderzoek zijn opgenomen. Indien een energiezuiniger alternatief in vijf jaar of korter terug te verdienen is, moet voor dat alternatief gekozen worden.
De gemaakte keuzes moeten worden gemeld en onderbouwd in de jaarlijkse rapportage, zoals beschreven in voorschrift 8.1.9.
Het project is als volgt te omschrijven.
De inrichting aan de Greunsweg 78 te Leeuwarden is energierelevant en een energie-grootverbruiker. De inrichtinghouder heeft het voornemen om te gaan deelnemen aan de CO2-PL op niveau 3 en aan Meerjarenafspraken (MJA-4).
In de vigerende vergunningen is hier geen rekening mee gehouden en zijn over energie-efficiëntie alleen enkele beperkte voorschriften opgenomen. Deze voorschriften geven onvoldoende concreet aan wat Inrichtinghouder moet doen ter verbetering van de energie-efficiëntie.
Daarom voegen wij dergelijke voorschriften aan de vergunning van 10 december 2007 toe.
De nieuwe voorschriften betreffen onder meer het periodiek uitvoeren van een energieonderzoek en het opstellen van een energie-uitvoeringsplan, die uiterlijk 1 mei 2022 voor het eerst bij ons ingediend moeten worden.
2.2 Huidige vergunningsituatie
Voor de inrichting zijn de onderstaande vergunningen verleend/meldingen gedaan:
De hierboven genoemde vergunningen waar een # bij staat, zijn volgens de Invoeringswet Wabo gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd.
2.3 Vergunningplicht en bevoegd gezag
Gedeputeerde Staten zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4 van de Wabo juncto artikel 3.3, lid 1 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C, categorie 27.3 en 28.4, onder c 1° van het Bor en daarnaast betreft het een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort. De inrichting valt onder Bijlage I, categorie 5.3, onder b.i van de Richtlijn industriële emissies. Op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor is ook om die reden sprake van een vergunningplichtige inrichting.
De op 10 december 2007, met kenmerk 735617, verleende omgevingsvergunning is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet op artikel 3.15, lid 3 van de Wabo dient deze ambtshalve wijziging eveneens te worden voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure.
In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 van de Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Besluit omgevingsrecht (Bor), hebben wij het ontwerpbesluit van de ambtshalve wijziging ter advisering aan het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden gezonden. De gemeente heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om advies uit te brengen.
2.6 Zienswijzen op de ontwerpbeschikking
Van het ontwerp van de beschikking hebben wij kennisgegeven in de Leeuwarder courant, het Friesch dagblad en op www.mijnoverheid.nl.
Van 25 oktober t/m 6 december 2021 heeft het ontwerp ter inzage gelegen en is een ieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
2.7 Wijzigingen ten opzichte van de ontwerpvergunning
Ten opzichte van de ontwerpvergunning zijn geen wijzigingen aangebracht.
3 INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN MILIEU
3.1 Toetsingskader bij ambtshalve wijziging
Artikel 2.30, lid 1 van de Wabo verplicht het bevoegd gezag regelmatig te bezien of voorschriften die aan een omgevingsvergunning zijn verbonden, nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van technische mogelijkheden tot de bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
Op basis van artikel 2.31, lid 1, onder b van de Wabo, wijzigt het bevoegd gezag aan een omgevingsvergunning verbonden voorschriften indien blijkt dat de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu, verder kunnen, of, gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, verder moeten worden beperkt.
3.2 Overwegingen Energie-efficiëntie
Voor deze ambtshalve wijziging hebben wij de eerder verleende omgevingsvergunning van 10 december 2007, met kenmerk 735617, getoetst. In de vergunning is in de voorschriften 1.2.1 en 1.2.2 voorgeschreven dat registratie moet plaatsvinden van het verbruik van gas, elektriciteit en water per kalenderjaar en dat de geregistreerde gegevens binnen de inrichting dienen te worden bewaard.
Er zijn aan de omgevingsvergunningen verder geen voorschriften verbonden voor onder meer:
Wij verbinden daarom nieuwe voorschriften met betrekking tot energie-efficiëntie aan de vergunning.
In het landelijke beleid zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer worden inrichtingen aan de hand van het jaarlijkse energieverbruik als volgt ingedeeld:
Voor andere energiebronnen dan elektriciteit en aardgas wordt het verbruik uitgedrukt in aardgasequivalenten door de omrekenfactoren te hanteren zoals opgenomen in artikel 2.16d van de Activiteitenregeling.
Midden- en grootverbruikers worden als energierelevant bestempeld en moeten de beste beschikbare technieken (BBT) toepassen om tot een zuinig energieverbruik te komen.
Uit een opgave van de inrichtinghouder blijkt het volgende energieverbruik over het jaar 2020 van de inrichting:
Hieruit blijkt dat sprake is van een energierelevante inrichting en een grootverbruiker.
3.4 Voorschriften voor vergunningplichtige bedrijven
Voor vergunningplichtige inrichtingen geldt dat de energievoorschriften uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling niet rechtstreeks werkend zijn. Regels voor energiebesparing worden dan ook via voorschriften in de vergunning geregeld op basis van artikel 5.7 van het Bor. Dat artikel verplicht het bevoegd gezag voorschriften aan de vergunning te verbinden met betrekking tot een doelmatig gebruik van energie en grondstoffen. Dit betekent dat moet worden getoetst of de inrichting de beste beschikbare technieken (BBT) toepast om tot een zuinig energieverbruik te komen.
Een energiebesparende maatregel moet genomen worden als de terugverdientijd vijf jaar of korter is. Welke maatregelen dit zijn, moet blijken uit een vierjaarlijks energieonderzoek inclusief een uitvoeringsplan voor de rendabele maatregelen. Grootverbruikers moeten jaarlijks rapporteren over onder meer het energieverbruik van de inrichting en welke energiebesparende maatregelen zijn getroffen.
Daarnaast moet bij het nemen van energierelevante investeringsbeslissingen die niet zijn opgenomen in het meest recente energieonderzoek, voorafgaand aan het investeringsbesluit worden nagegaan of er energiezuinigere alternatieven zijn. Als dat het geval is en een alternatief binnen vijf jaar terug te verdienen is, moet voor dat alternatief gekozen worden. Investeringen die energierelevant zijn, zijn bijvoorbeeld aanschaf, renoveren of grootschalig onderhouden van verwarmingstoestellen, machines en apparaten, maar ook het vervangen van verlichting.
In het licht van de verdragen, afspraken en doelstellingen die op alle niveaus, van internationaal tot lokaal, bestaan, is het noodzakelijk om de energievoorziening en het energieverbruik verder te verduurzamen. Daartoe moet in het bovengenoemde vierjaarlijkse onderzoek worden gekeken naar de maatregelen die noodzakelijk zijn om de energievoorziening van de inrichting volledig te verduurzamen, met als streefjaar 2050. Door een vierjaarlijkse onderzoeksverplichting wordt BBT voor het onderdeel energie periodiek in kaart gebracht.
De inrichting neemt geen deel aan het Europese Emissiehandelssysteem (ETS). Aan de omgevingsvergunning kunnen daarom voorschriften worden verbonden met betrekking tot energiebesparing.
3.5 Richtlijn energie-efficiëntie (EED)
De Europese richtlijn Energy Efficiency Directive (ook wel EED genoemd) is in Nederland omgezet in artikel 18 en artikel 18a van de Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie. De belangrijkste verplichting uit de Europese richtlijn energie-efficiëntie is het uitvoeren van een energie-audit. In het Besluit energie-audit zijn de eisen die worden gesteld aan energie-audits en de verslaglegging hiervan nader gegeven. De auditplicht geldt voor ondernemingen met meer dan 250 medewerkers (fte) of een jaaromzet groter dan € 50 miljoen en een jaarlijks balanstotaal groter dan € 43 miljoen.
Uw organisatie behoort niet tot deze categorie van ondernemingen.
3.6 Voorgenomen deelname aan CO2-prestatieladder
De inrichtinghouder heeft het voornemen om te gaan deelnemen aan de CO2-PL op niveau 3.
De CO2-PL is een instrument dat bedrijven helpt bij het reduceren van hun CO2-uitstoot. Deelnemende bedrijven worden gestimuleerd de uitstoot van CO2 te reduceren doordat een hogere trede op de ladder een fictieve korting (gunningvoordeel) oplevert in het aanbestedingsproces van opdrachtgevers. Vanaf niveau 3 kan de CO2-PL worden geaccepteerd als equivalent voor het EED-auditverslag. Er bestaat echter onzekerheid of met de CO2-PL alle maatregelen met een terugverdientijd van 5 jaar of korter worden geïmplementeerd. Dat komt omdat de belangrijkste drijfveer voor het treffen van maatregelen bij de CO2-PL de impact op de CO2-reductie is.
3.7 Voorgenomen deelname aan Meerjarenafspraken (MJA-4)
De inrichtinghouder heeft het voornemen om te gaan deelnemen aan een toekomstige MJA-4. Op dit moment echter is er nog onduidelijkheid over een mogelijke datum waarop kan worden toegetreden tot MJA-4 en over de inhoud van de MJA-4.
Zodra het toekomstige MJA-4 is ondertekend heeft de inrichtinghouder de resultaatsverplichting om vierjaarlijks een energie-efficiëntie plan (EEP) op te stellen, dit uit te voeren en jaarlijks over de voortgang in de uitvoering te rapporteren. Daarnaast is de vergunninghouder verplicht om de in het EEP opgevoerde rendabele maatregelen ook uit te voeren ter verbetering van de energie-efficiëntie. Verder verplicht de vergunninghouder zich via het convenant om systematische energiezorg te implementeren dat moet voldoen aan vastgestelde criteria. Tot slot zal de vergunninghouder zich, overeenkomstig het convenant, inspannen energie-efficiëntie ook te bevorderen via ketenefficiëntie en duurzaam opgewekte energie.
Om het onderwerp energie te borgen wordt nu al in de vergunning opgenomen dat de vergunninghouder vierjaarlijks (actualisatie) een rapport van een energie-onderzoek en een daarbij horend energie-uitvoeringsplan opstelt ter goedkeuring indient en uitvoert.
3.8 Samenhang energieonderzoek met initiatieven energie en duurzaamheid
Er bestaat naar verwachting inhoudelijke overlap tussen het energieonderzoek dat in deze beschikking wordt geëist en de bovengenoemde (voorgenomen) initiatieven op het gebied van energie en duurzaamheid. Het is dan ook raadzaam om deze informatie te betrekken bij het gevraagde energieonderzoek in voorschrift 8.1.1.
Deze overlap is (mogelijk) niet volledig. Zo worden er in deze ambtshalve wijziging eisen gesteld die bijvoorbeeld niet in de CO2-PL staan. Het gaat dan onder andere om de verplichting om de rendabele energiemaatregelen te identificeren en in een energie-uitvoeringsplan te zetten, met vermelding van de fasering in de uitvoering van deze maatregelen.
Afhankelijk van de verplichtingen die zullen voortvloeien uit MJA-4 kan de overlap met het energieonderzoek dat in deze beschikking wordt geëist (grotendeels) volledig zijn. Wanneer de overlap met MJA-4 niet volledig is, kan voor de rapportage van het onderzoek dat in deze beschikking wordt geëist waar mogelijk gebruik worden gemaakt van actuele informatie en gegevens uit de rapportage in het kader van de MJA-4.
Het gevraagde energieonderzoek zal dus aan alle gestelde eisen in voorschrift 8.1.1 moeten voldoen.
Om de vierjaarlijkse rapportage uit voorschrift 8.1.1 te kunnen combineren met eventuele andere duurzaamheids- of energiebesparingsrapportages (bijvoorbeeld MJA-4 of CO2-PL), kan de inrichtinghouder verzoeken om de vierjaarlijkse rapportagedatum aan te laten sluiten bij de cyclus van andere rapportageverplichtingen. Dit is vastgelegd in voorschrift 8.1.2.
De inrichting aan de Greunsweg 78 te Leeuwarden is energierelevant en een energie-grootverbruiker. Uw bedrijf heeft het voornemen om te gaan deelnemen aan de CO2-PL op niveau 3 en aan (toekomstige) Meerjarenafspraken (MJA-4). In de vigerende vergunningen is hier geen rekening mee gehouden en zijn over energie-efficiëntie alleen enkele beperkte voorschriften opgenomen. Deze voorschriften geven onvoldoende concreet aan wat inrichtinghouder moet doen ter verbetering van de energie-efficiëntie.
Daarom worden dergelijke voorschriften aan de vergunning van 10 december 2007 met kenmerk 735617 toegevoegd.
De nieuwe voorschriften, die zijn afgestemd op de voorgenomen deelname aan CO2-PL en MJA-4, betreffen onder meer het periodiek uitvoeren van een energieonderzoek en het opstellen van een energie-uitvoeringsplan, die uiterlijk 1 mei 2022 voor het eerst bij ons ingediend moeten worden. Het is raadzaam om informatie uit initiatieven zoals CO2-PL en MJA-4 te betrekken bij het gevraagde energieonderzoek in voorschrift 8.1.1.
Gezien het vorenstaande hebben wij besloten om ambtshalve voorschriften over energie-efficiëntie te verbinden aan de vergunning van 10 december 2007, met kenmerk 735617.
BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN (BBT):
Voor het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu meest doeltreffende
technieken om de emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu, die een inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken, die - kosten en baten in aanmerking genomen - economisch en technisch haalbaar in de bedrijfstak waartoe de inrichting behoort, kunnen worden toegepast, en die voor degene die de inrichting drijft, redelijkerwijs in Nederland of daarbuiten te verkrijgen zijn; daarbij wordt onder technieken mede begrepen het ontwerp van de inrichting, de wijze waarop zij wordt gebouwd en onderhouden, alsmede de wijze van bedrijfsvoering en de wijze waarop de inrichting buiten gebruik wordt gesteld.
De CO2-Prestatieladder is een instrument dat bedrijven helpt bij het permanent reduceren van CO2-uitstoot. De CO2-Prestatieladder is voor alle niveaus geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie.
Het keurmerk wordt beheerd en doorontwikkeld door SKAO, Stichting Klimaatvriendelijk Aanbesteden en Ondernemen.
EED: De Europese richtlijn Energy Efficiency Directive (ook wel EED genoemd) is in Nederland omgezet in artikel 18 en artikel 18a van de Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie. De belangrijkste verplichting uit de Europese richtlijn energie-efficiëntie is het uitvoeren van een energie-audit. In het Besluit energie-audit zijn de eisen die worden gesteld aan energie-audits en de verslaglegging hiervan nader gegeven.
Het plan van aanpak waarin de drijver van de inrichting de termijn aangeeft waarin zij de rendabele maatregelen toe zal passen binnen de inrichting, waarbij:
Rendabele maatregelen: Maatregelen die een terugverdientijd hebben van vijf jaar of korter.
De verhouding tussen het investeringsbedrag voor de maatregel en de jaarlijkse opbrengsten door besparingen, die met de maatregel samenhangen. Een en ander berekend volgens de methodiek beschreven in bijlage 10a van de Activiteitenregeling milieubeheer.
De energiebalans is een overzicht (inclusief de grootte) van alle energiestromen die het bedrijf in en uit gaan. Het geeft per combinatie van de energiedrager en energiefunctie inzicht in het energieverbruik van de achterliggende installaties, technieken en technologieën. Dit gebeurt aan de hand van de eerder verkregen verbruiksgegevens van de apparatuur of metingen van het verbruik, bedrijfsuren, temperatuurmetingen en energienota's.
Begrip Energiedrager: bijvoorbeeld elektriciteit, gas, olie, hout, biomassa of warmte.
Begrip Energiefunctie: de toepassing of activiteit die energie verbruikt. Bijvoorbeeld verwarmen, ventileren, koelen, verlichten, etc.
ENERGIERELEVANTE INVESTERINGSBESLISSING:
Elke investeringsbeslissing binnen de inrichting die een effect heeft op het energieverbruik. Hieronder vallen onder meer aanschaf, renoveren of grootschalig onderhouden van verwarmingstoestellen, machines en apparaten, maar bijvoorbeeld ook het vervangen van verlichting.
IPPC: Integrated Pollution Prevention and Control.
RENDABELE MAATREGELEN: Maatregelen die een terugverdientijd hebben van vijf jaar of korter.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2023-179.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.