Provinciaal blad van Fryslân
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2023, 178 | andere beschikking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2023, 178 | andere beschikking |
Besluit ambtshalve wijziging energievoorschriften Reststoffen Energie Centrale B.V., Lange Lijnbaan 14 te Harlingen
Op 5 oktober 2010 is een oprichtingsvergunning (kenmerk 00907403) verleend aan de Reststoffen Energie Centrale B.V. (REC B.V.), gevestigd aan de Lange Lijnbaan 14 te Harlingen. De vergunning betreft het verbranden van buiten de inrichting afkomstige brandbare reststoffen en brandbare afvalstoffen (niet zijnde gevaarlijk afval), waarbij de geproduceerde warmte wordt omgezet in hogedrukstoom. Nadien zijn nog enkele andere vergunningen verleend.
Reden voor de wijziging is dat de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, aanleiding geven om voorschriften voor energiebesparing aan de vergunning toe te voegen. De inrichting is energierelevant en is een grootverbruiker. Met deze ambtshalve wijziging voegen wij energievoorschriften aan de vergunning van 5 oktober 2010 toe.
Wij besluiten, gelet op artikel 2.31, lid 1, onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo):
Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,
Hoofd afdeling Vergunningverlening en Specialistisch advies
Een kopie van deze beschikking is naar de volgende instanties gestuurd:
College van Burgemeester en Wethouders
Postbus 10.000 8860 HA Harlingen
Inspectie Leefomgeving en Transport
De nummering van de onderstaande voorschriften sluit aan op de nummering van de voorschriften in de vergunning van 5 oktober 2010 met kenmerk 00907403.
Vergunninghouder dient uiterlijk 1 augustus 2022 en vervolgens elke vier jaar vóór 1 augustus de rapportage van een energieonderzoek ter goedkeuring in bij het bevoegd gezag. Het energieonderzoek heeft tot doel om de rendabele en technisch haalbare energie-efficiënte maatregelen te identificeren. De rapportage van het onderzoek moet de volgende gegevens bevatten:
een beschrijving van de energiehuishouding, dat wil zeggen een overzicht van de energiebalans van de totale inrichting, met daarin:
de uitgaande energiestromen, waarbij ten minste 90% van de uitgaande hoeveelheid energie wordt benoemd. Per energiestroom wordt het vermogen, temperatuurniveau en het medium aangegeven;
een overzicht van intern hergebruikte energiestromen, waarbij ten minste 90% van de hergebruikte energie wordt benoemd;
voor de hierboven onder b bedoelde individuele installaties en (deel)processen, de relevante uitgaande energiestromen en de intern hergebruikte energiestromen: een overzicht van alle maatregelen (technieken en voorzieningen) die in de branche als beste beschikbare techniek kunnen worden beschouwd en mogelijk rendabel zijn. Als er dergelijke maatregelen zijn, die niet zijn onderzocht, dan wordt de reden daarvan in de rapportage gemotiveerd.
Per maatregel wordt een berekening van de terugverdientijd opgesteld volgens de methodiek zoals beschreven in bijlage 10a van de Activiteitenregeling milieubeheer, tenzij vergunninghouder onderbouwt waarom het niet noodzakelijk is om voor deze maatregel een terugverdientijd te bepalen. Op basis van deze berekening wordt per maatregel de conclusie getrokken dat de maatregel rendabel of niet rendabel is;
de verrichte en voorgenomen inspanningen wat betreft verduurzaming van het energieverbruik van de inrichting en de barrières die daarbij geslecht moeten worden. Deze inspanningen zijn erop gericht uiterlijk in 2050 het energieverbruik volledig te hebben verduurzaamd.
Toelichting bij het energieonderzoek:
Voor de rapportage van dit onderzoek kan waar mogelijk gebruik worden gemaakt van actuele informatie en gegevens uit de energie-audit in het kader van Richtlijn energie-efficiëntie (EED). Ook met de deelname of betrokkenheid bij andere initiatieven op het gebied van energie en duurzaamheid kan mogelijk deels invulling worden gegeven aan het gevraagde energieonderzoek.
De inrichtinghouder kan een gemotiveerd verzoek tot het afwijken van de in voorschrift 9.1.4 genoemde vierjaarlijkse datum bij het bevoegde gezag indienen.
Om voor de vierjaarlijkse rapportage uit voorschrift 9.1.4 waar mogelijk gebruik te kunnen maken van actuele informatie en gegevens uit de EED-audit en/of andere energierapportages, kan de inrichtinghouder verzoeken om de vierjaarlijkse rapportagedatum aan te laten sluiten bij andere rapportageverplichtingen.
Vergunninghouder verbetert de energie-efficiëntie van de inrichting door alle rendabele maatregelen en organisatorische en good-housekeepingmaatregelen die leiden tot energiebesparing uit het energie-uitvoeringsplan als bedoeld in voorschrift 9.1.4. uit te voeren, binnen de termijn die per maatregel in het plan is aangegeven.
Bij het nemen van energierelevante investeringsbeslissingen moet vergunninghouder energie-
zuinigere alternatieven onderzoeken, tenzij deze beslissing betrekking heeft op maatregelen
die al in het energieonderzoek als bedoeld in voorschrift 9.1.4 zijn opgenomen. Indien een energiezuiniger alternatief in vijf jaar of korter terug te verdienen is, moet voor dat alternatief gekozen worden. De gemaakte keuzes moeten worden gemeld en onderbouwd in de jaarlijkse rapportage, zoals beschreven in voorschrift 9.2.2.
Vergunninghouder moet vanaf 2022 jaarlijks aan het bevoegd gezag rapporteren over ontwikkelingen op energiegebied binnen de inrichting. Deze rapportage moet ten minste de volgende onderwerpen omvatten:
een energiebalans van de inrichting, met daarin zowel de ingekochte hoeveelheden energie per energiedrager, de opgewekte en hergebruikte hoeveelheden energie als de uitgaande energiestromen, inclusief vermogens en temperatuurniveaus. Hierbij moet ook de energiebalans van voorgaande jaren betrokken worden;
De rapportage dient binnen 3 maanden na afloop van het betreffende kalenderjaar bij het bevoegd gezag te worden ingediend.
Het project is als volgt te omschrijven.
De inrichting aan de Lange Lijnbaan 14 in Harlingen is energierelevant en is een grootverbruiker. REC B.V. is als onderdeel van Omrin deelnemer aan meerdere kwaliteit- en milieutrajecten, waaronder NEN-EN-ISO 9001:2015, NEN-EN-ISO 14001:2015 en NEN-ISO 45001:2018. Met deze ambtshalve wijziging voegen wij energievoorschriften toe aan de vergunning van 5 oktober 2010, die zijn afgestemd op de genoemde trajecten en initiatieven.
In de vigerende vergunningen is een beperkt aantal voorschriften over het aspect energie opgenomen. Daarom worden nieuwe voorschriften voor energie-efficiëntie aan de vergunning van
2.2 Huidige vergunningsituatie
Voor de inrichting zijn de onderstaande vergunningen verleend:
De hierboven genoemde vergunning waar een # bij staat, is volgens de Invoeringswet Wabo gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd.
2.3 Bevoegd gezag en vergunningplicht
Gedeputeerde Staten zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4 van de Wabo, juncto artikel 3.3, lid 1 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C, categorie 28.4, onder e, nummer 1 en 2, van het Bor.
Er is sprake van vergunningplichtige activiteiten. De activiteiten zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C, categorie 28.10, van het Bor. Daarnaast zijn de activiteiten genoemd in Bijlage I, categorie 5.2, onder a, van de Richtlijn industriële emissies (RIE). Hierdoor is sprake van een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort.
De op 5 oktober 2010 met kenmerk 0907403 verleende omgevingsvergunning is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet op artikel 3.15, lid 3 van de Wabo dient de ambtshalve wijziging eveneens te worden voorbereid met deze uitgebreide voorbereidingsprocedure.
In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 van de Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Besluit omgevingsrecht (Bor), hebben wij de ambtshalve wijziging ter advisering gezonden aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harlingen en aan Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). De gemeente en ILT hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om advies uit te brengen.
Daarnaast is de ambtshalve wijziging verzonden aan Brandweer Fryslân en Wetterskip Fryslân. Brandweer Fryslân heeft per e-mail op 24 januari 2022 aangegeven geen reden te zien tot het maken van opmerkingen danwel het opstellen van een advies.
2.6 Zienswijze op de ontwerpbeschikking
Van het ontwerp van de beschikking hebben wij kennisgegeven in de Leeuwarder Courant, het Friesch dagblad en op www.mijnoverheid.nl. Van 17 januari t/m 28 februari 2022 heeft het ontwerp ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen.
Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt door Reststoffen Energie Centrale B.V.
Bij brief van 24 januari 2022, met kenmerk PF-240122 REC/sbo/wzi, heeft dhr. S. Bosch van Reststoffen Energie Centrale B.V., samengevat, de volgende zienswijze ingediend:
In de ontwerp-beschikking hadden wij in voorschrift 9.2.2 opgenomen dat de inrichting jaarlijks een rapportage moet indienen over het onderwerp Energie. Deze rapportage diende binnen 1 maand na afloop van een kalenderjaar ingediend te worden bij het bevoegde gezag.
Aangezien volgens u sprake is van een uitgebreide rapportage, heeft u aangegeven dat de termijn van 1 maand niet haalbaar is en verzoekt u om de termijn voor het indienen van de uitgebreide rapportage te verlengen naar 3 maanden. Tevens heeft u aangegeven dat een termijn van 3 maanden aansluit bij andere rapportage-verplichtingen die het bedrijf heeft.
Over deze zienswijzen merken wij het volgende op:
Wij zijn het met u eens dat het een uitgebreide rapportageverplichting betreft en zien het belang om de termijn te laten aanluiten bij de termijn van andere rapportageverplichtingen. Wij zijn met u van mening dat een termijn van 3 maanden realistischer en passender is. Het betreffende voorschrift hebben wij daarom aangepast.
Wij verklaren de zienswijze gegrond.
2.7 Wijzigingen ten opzichte van de ontwerpbeschikking
Ten opzichte van de ontwerpbeschikking is de volgende wijziging aangebracht.
Om het bedrijf een ruimere termijn te bieden om aan voorschrift 9.2.2 te kunnen voldoen is de termijn voor het indienen van het bedoelde jaarlijkse energie-rapport verruimd van 1 maand naar 3 maanden na afloop van het jaar waarrover gerapporteerd moet worden.
3 INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN MILIEU
3.1 Toetsingskader bij ambtshalve aanpassing
Artikel 2.30, lid 1 van de Wabo verplicht het bevoegd gezag regelmatig te bezien of voorschriften die aan een omgevingsvergunning zijn verbonden, nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van technische mogelijkheden tot de bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
Op basis van artikel 2.31, lid 1, onder b van de Wabo, wijzigt het bevoegd gezag aan een omgevingsvergunning verbonden voorschriften indien blijkt dat de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu, verder kunnen, of, gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, verder moeten worden beperkt.
Voor deze actualisatie hebben wij de eerder verleende omgevingsvergunningen getoetst. In de vigerende vergunningen is een beperkt aantal voorschriften over het aspect energie opgenomen. Daarom worden nieuwe voorschriften voor energie-efficiëntie aan de vergunning van 5 oktober 2010 toegevoegd. De nieuw op te nemen voorschriften betreffen onder meer het periodiek uitvoeren van een energieonderzoek en het opstellen van een energie-uitvoeringsplan, die uiterlijk op 1 augustus 2022 voor het eerst bij ons ingediend moeten worden.
In het landelijke beleid zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer worden inrichtingen aan de hand van het jaarlijkse energieverbruik als volgt ingedeeld:
Voor andere energiebronnen dan elektriciteit en aardgas wordt het verbruik uitgedrukt in aardgasequivalenten door de omrekenfactoren te hanteren zoals opgenomen in artikel 2.16d van de Activiteitenregeling.
Uit een opgave van uw bedrijf per e-mail van 9 december 2021 blijkt het volgende representatieve energieverbruik en -opwekking binnen de inrichting:
Hieruit blijkt dat sprake is van een energierelevante inrichting en van een energiegrootverbruiker.
Voorschriften voor vergunningplichtige inrichtingen
Voor vergunningplichtige inrichtingen geldt dat de energievoorschriften uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling niet rechtstreeks werkend zijn. Regels voor energiebesparing worden dan ook via voorschriften in de vergunning geregeld op basis van artikel 5.7 van het Bor. Dat artikel verplicht het bevoegd gezag voorschriften aan de vergunning te verbinden met betrekking tot een doelmatig gebruik van energie en grondstoffen. Dit betekent dat moet worden getoetst of de inrichting de beste beschikbare technieken (BBT) toepast om tot een zuinig energieverbruik te komen. Een energiebesparende maatregel moet genomen worden als de terugverdientijd vijf jaar of korter is. Welke maatregelen dit zijn, moet blijken uit een vierjaarlijks energieonderzoek. Verder moeten grootverbruikers een uitvoeringsplan voor de maatregelen opstellen en jaarlijks rapporteren over het energieverbruik van de inrichting en welke energiebesparende maatregelen zijn getroffen.
Daarnaast moet bij het nemen van energierelevante investeringsbeslissingen die niet zijn opgenomen in het meest recente energieonderzoek, voorafgaand aan het investeringsbesluit worden nagegaan of er energiezuinigere alternatieven zijn. Als dat het geval is en een alternatief binnen vijf jaar terug te verdienen is, moet voor dat alternatief gekozen worden. Investeringen die energierelevant zijn, zijn bijvoorbeeld aanschaf, renoveren of grootschalig onderhouden van verwarmingstoestellen, machines en apparaten, maar ook het vervangen van verlichting.
In het licht van de verdragen, afspraken en doelstellingen die op alle niveaus, van internationaal tot lokaal, bestaan, is het noodzakelijk om de energievoorziening en het energieverbruik verder te verduurzamen. Daartoe moet in een vierjaarlijks onderzoek worden gekeken naar de maatregelen die noodzakelijk zijn om de energievoorziening van de inrichting volledig te verduurzamen, met als streefjaar 2050. Door een vierjaarlijkse onderzoeksverplichting wordt BBT voor het onderdeel energie periodiek in kaart gebracht.
energievoorschriften inrichting
In de vergunning van 5 oktober 2010 zijn de volgende energievoorschriften opgenomen:
Gelet op de toelichting onder het kopje ‘algemeen’ concluderen wij dat nieuwe energievoorschriften danwel actualisatie van bestaande energievoorschriften nodig zijn op de volgende onderdelen:
het periodiek (om de vier jaar) opstellen/actualiseren van het energiebesparingsonderzoek met een uitvoeringsplan, inclusief de verplichting tot het uitvoeren van geïdentificeerde rendabele energiebesparingsmaatregelen. Dit is opgenomen in de voorschriften 9.1.4 tot en met 9.1.9 van deze ambtshalve wijziging;
het jaarlijks rapporteren over genomen energiemaatregelen, eventuele wijzigingen in de tijdsplanning of vervanging van maatregelen in het uitvoeringsplan en over energierelevante investeringsbeslissingen. Hiertoe wordt het bestaande voorschrift 9.2.2 ingetrokken en vervangen door voorschrift 9.2.2 zoals opgenomen in deze ambtshalve wijziging.
Richtlijn energie-efficiëntie (EED)
De Europese richtlijn Energy Efficiency Directive (ook wel EED genoemd) is in Nederland omgezet in artikel 18 en artikel 18a van de Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie. De belangrijkste verplichting uit de Europese richtlijn energie-efficiëntie is het uitvoeren van een energie-audit. In het Besluit energie-audit zijn de eisen die worden gesteld aan energie-audits en de verslaglegging hiervan nader gegeven. De auditplicht geldt voor ondernemingen met meer dan 250 medewerkers (fte) of een jaaromzet groter dan € 50 miljoen en een jaarlijks balanstotaal groter dan € 43 miljoen.
Afvalsturing Friesland N.V., waar de inrichting deel van uitmaakt, valt onder de Europese richtlijn energie-efficiëntie. In dat kader zijn in het verleden energie-audits per vestiging uitgevoerd. Voor de inrichting zijn enkele energiebesparende maatregelen vastgesteld en aanbevelingen gedaan voor verbetering van de energiehuishouding.
Initiatieven energie en duurzaamheid
De inrichting is als onderdeel van Omrin deelnemer aan meerdere kwaliteit- en milieutrajecten, waaronder NEN-EN-ISO 9001:2015, NEN-EN-ISO 14001:2015 en NEN-ISO 45001:2018. Deze keurmerken zijn primair gericht op kwaliteitsmanagement en/of milieumanagement en kunnen elementen over energie-efficiëntie bevatten.
Daarnaast heeft uw bedrijf per e-mail (d.d. 9 december 2021) aangegeven dat bij Omrin gewerkt wordt met een vierjaarlijkse strategiecyclus, waarbij de plannen voor de komende 4 jaar worden bepaald inclusief circulaire economie (inkoop), duurzaamheid, recycling, VANG-doelstellingen en energieproductie uit afvalstoffen en biomassa. Op grond daarvan stelt ieder bedrijfsonderdeel elk jaar een jaarplan op met de plannen voor het betreffende jaar.
Samenhang energieonderzoek met EED-richtlijn en initiatieven energie en duurzaamheid
Er bestaat inhoudelijke overlap tussen het energieonderzoek dat in deze ambtshalve wijziging wordt geëist, het EED-auditverslag en de bovengenoemde initiatieven op het gebied van energie en duurzaamheid.
De overlap tussen het energieonderzoek dat in deze ambtshalve wijziging wordt geëist en het EED-auditverslag is niet volledig. De inhoudelijke vereisten waaraan het verslag van de energie-audit moet voldoen zijn opgenomen in het Besluit en de Regeling energie-audit. Hierin staan eisen, zoals vervoersmanagement, die niet in het energieonderzoek in deze ambtshalve aanpassing staan. Anderzijds worden in deze ambtshalve aanpassing eisen gesteld die niet in de energie-audit staan, zoals de verplichting om de rendabele energiemaatregelen in een energie-uitvoeringsplan te zetten, met vermelding van de fasering in de uitvoering van deze maatregelen. Ook is voor de energie-audit geen methode vastgelegd voor het bepalen van de terugverdientijd van maatregelen. In deze ambtshalve wijziging is in voorschrift 9.1.4 vastgelegd dat de terugverdientijd van maatregelen bepaald moet worden volgens de in bijlage 10a van de Activiteitenregeling milieubeheer beschreven methodiek.
Initiatieven energie en duurzaamheid
Onder het kopje initiatieven en duurzaamheid zijn relevante keurmerken, trajecten en plannen nader toegelicht. Deze kunnen elementen bevatten die (deels) invulling geven aan het energieonderzoek en/of uitvoeringsplan dat in deze ambtshalve wijziging wordt voorgeschreven. Het is dan ook raadzaam om deze informatie hierbij te betrekken.
Het is aan te raden om bovengenoemde rapportages vanuit verschillende trajecten te combineren in één rapport. Om bedrijven hierin te faciliteren zijn er plannen om te zijner tijd een format op te stellen met daarin de eisen aan het verplicht onderzoek naar maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik en de energie-audit.
Om de vierjaarlijkse rapportage uit voorschrift 9.1.4 te kunnen combineren met het EED-auditverslag en/of andere relevante rapportages, kan de inrichtinghouder verzoeken om de vierjaarlijkse rapportagedatum aan te laten sluiten bij andere rapportageverplichtingen. Dit is vastgelegd in voorschrift 9.1.5.
Uit recent door uw bedrijf verstrekte informatie over het energieverbruik binnen de onderhavige inrichting, is gebleken dat sprake is van een energierelevante inrichting en van een grootverbruiker. De aan de vigerende vergunningen verbonden energievoorschriften zijn niet volledig. Ook is in die vergunningen nog geen rekening gehouden met de Europese richtlijn energie-efficiëntie en de deelname van uw bedrijf aan andere initiatieven op het gebied van energie en duurzaamheid. Wij
verbinden daarom nieuwe voorschriften met betrekking tot energie-efficiëntie aan de vergunning van
5 oktober 2010 met kenmerk 00907403, die zijn afgestemd op deze trajecten en initiatieven. Daarnaast zijn enkele bestaande energievoorschriften uit die vergunning geactualiseerd.
Gezien het vorenstaande hebben wij besloten om ambtshalve voorschriften over energie-efficiëntie te verbinden aan de vergunning van 5 oktober 2010 met kenmerk 00907403 en enkele bestaande energievoorschriften uit die vergunning te actualiseren.
BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN (BBT):
Voor het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu meest doeltreffende
technieken om de emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu, die een inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken, die - kosten en baten in aanmerking genomen - economisch en technisch haalbaar in de bedrijfstak waartoe de inrichting behoort, kunnen worden toegepast, en die voor degene die de inrichting drijft, redelijkerwijs in Nederland of daarbuiten te verkrijgen zijn; daarbij wordt onder technieken mede begrepen het ontwerp van de inrichting, de wijze waarop zij wordt gebouwd en onderhouden, alsmede de wijze van bedrijfsvoering en de wijze waarop de inrichting buiten gebruik wordt gesteld.
EED: De Europese richtlijn Energy Efficiency Directive (ook wel EED genoemd) is in Nederland omgezet in artikel 18 en artikel 18a van de Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie. De belangrijkste verplichting uit de Europese richtlijn energie-efficiëntie is het uitvoeren van een energie-audit. In het Besluit en de Regeling energie-audit zijn de eisen die worden gesteld aan energie-audits en de verslaglegging hiervan nader gegeven.
Het plan van aanpak waarin de drijver van de inrichting de termijn aangeeft waarin zij de rendabele maatregelen toe zal passen binnen de inrichting, waarbij:
Rendabele maatregelen: Maatregelen die een terugverdientijd hebben van vijf jaar of korter.
Terugverdientijd: De verhouding tussen het investeringsbedrag voor de maatregel en de jaarlijkse opbrengsten door besparingen, die met de maatregel samenhangen. Een en ander berekend volgens de methodiek beschreven in bijlage 10a van de Activiteitenregeling milieubeheer.
De energiebalans is een overzicht (inclusief de grootte) van alle energiestromen die het bedrijf in en uit gaan. Het geeft per combinatie van de energiedrager en energiefunctie inzicht in het energieverbruik van de achterliggende installaties, technieken en technologieën. Dit gebeurt aan de hand van de eerder verkregen verbruiksgegevens van de apparatuur of metingen van het verbruik, bedrijfsuren, temperatuurmetingen en energienota's.
Begrip Energiedrager: bijvoorbeeld elektriciteit, gas, olie, hout, biomassa of warmte.
Begrip Energiefunctie: de toepassing of activiteit die energie verbruikt. Bijvoorbeeld verwarmen, ventileren, koelen, verlichten, etc.
ENERGIERELEVANTE INVESTERINGSBESLISSING:
Elke investeringsbeslissing binnen de inrichting die een relevant effect heeft op het energieverbruik. Hieronder vallen onder meer aanschaf, renoveren of grootschalig onderhouden van verwarmingstoestellen, machines en apparaten, maar bijvoorbeeld ook het vervangen van verlichting.
IPPC: Integrated Pollution Prevention and Control.
RENDABELE MAATREGELEN: Maatregelen die een terugverdientijd hebben van vijf jaar of korter
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2023-178.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.