Besluit van provinciale staten van Zuid-Holland van 9 november 2022 (kenmerk PZH-2022-801828690) tot wijziging van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in verband met het verwerken van het omgevingsbeleid 2020, de herziening 2021 van het omgevingsbeleid en aanvullende regels voor grondwaterkwaliteit, externe veiligheid en activiteiten met kabels en leidingen rond provinciale wegen (Wijziging Zuid-Hollandse Omgevingsverordening 2022)
Gelezen het voorstel van gedeputeerde staten van 30 augustus 2022, met het besluitnummer PZH-2022-801828690;
Gelet op artikel 2.6 en artikel 2.8 van de Omgevingswet en artikel 143 van de Provinciewet;
Overwegende dat het noodzakelijk is om op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet met het oog op duurzame ontwikkeling actuele regels te stellen over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving;
Overwegende dat het omgevingsbeleid (koers) 2020 is vastgesteld op 16 juni 2021 door provinciale staten;
Overwegende dat de herziening 2021 van het omgevingsbeleid is vastgesteld op 2 februari 2022 door provinciale staten;
Overwegende dat het wenselijk is een meldingssysteem voor activiteiten met kabels en leidingen in beperkingengebieden van provinciale wegen in te stellen;
Overwegende dat het wenselijk is om vanaf het intrekken van de Wet bodembescherming provinciale regels over grondwaterkwaliteit en het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreinigd grondwater te stellen;
Overwegende dat het wenselijk is enkele ondergeschikte verbeteringen door te voeren in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening;
Besluiten:
ArtikelI
De Zuid-Hollandse Omgevingsverordening wordt gewijzigd zoals is aangegeven in bijlage 1 behorende bij dit besluit.
ArtikelII
De toelichting bij de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening wordt gewijzigd zoals is aangegeven in bijlage 2 behorende bij dit besluit.
ArtikelIII
1.
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in werking treedt.
2.
Als dit besluit na het moment van inwerkingtreding van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening bekend gemaakt wordt, treedt dit besluit, in afwijking van het eerste lid, in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal blad waarin dit besluit is bekendgemaakt.
3.
In afwijking van het eerste lid treedt dit besluit op een bij besluit van gedeputeerde staten te bepalen tijdstip in werking, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
ArtikelIV
1.
Gedeputeerde staten kunnen, indien dit noodzakelijk is voor de bekendmaking op grond van artikel 6 van de Bekendmakingswet en de beschikbaarstelling op grond van artikel 14.5 van het Omgevingsbesluit ondergeschikte technische wijzigingen aanbrengen, zonder de aard, bedoeling of werking van de regels te veranderen.
2.
Als toepassing is gegeven aan het eerste lid brengen gedeputeerde staten samenhangende besluiten, waaronder voorbereidingsbesluiten en het Delegatiebesluit Zuid-Hollandse Omgevingsverordening met de technische wijzigingen in overeenstemming.
ArtikelV
Dit besluit wordt aangehaald als: Wijziging Zuid-Hollandse Omgevingsverordening 2022.
Bijlage1 behorende bij artikel I van het besluit van provinciale staten van Zuid-Holland tot vaststelling van de Wijziging Zuid-Hollandse Omgevingsverordening 2022
De Zuid-Hollandse Omgevingsverordening wordt als volgt gewijzigd:
A
Het opschrift van paragraaf 2.1 komt te luiden:
Afdeling 2.1 Stiltegebieden
B
Het opschrift van paragraaf 2.2 komt te luiden:
Afdeling 2.2 Grondwaterbeschermingsgebieden
C
Het opschrift van paragraaf 2.3 komt te luiden:
Afdeling 2.3 Gesloten stortplaatsen
D
Het opschrift van paragraaf 2.4 komt te luiden:
Afdeling 2.4 Provinciale en regionale vaarwegen
E
Het opschrift van paragraaf 2.5 komt te luiden:
Afdeling 2.5 Provinciale wegen
F
Het opschrift van paragraaf 2.6 komt te luiden:
Afdeling 2.6 Natuurnetwerk Nederland
G
Het opschrift van paragraaf 2.7 komt te luiden:
Afdeling 2.7 Regionale wateren
H
Het opschrift van paragraaf 2.8 komt te luiden:
Afdeling 2.8 Regionale waterkeringen
I
Artikel 3.8 wordt als volgt gewijzigd:
1.
In het eerste lid wordt “Over afdeling 3.6” vervangen door “Over afdeling 3.3, afdeling 3.4, afdeling 3.6”.
2.
In het tweede lid wordt “bij afdeling 3.6” vervangen door “bij afdeling 3.3, afdeling 3.4, afdeling 3.6”.
J
In artikel 3.30, tweede lid, wordt na “Bij het verrichten van een” ingevoegd “activiteit”.
Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 in een grondwaterbeschermingsgebied wordt aangewezen het saneren van de bodem als er sprake is van een mobiele verontreinigende stof in de vaste bodem die zich ook in het grondwater bevindt in concentraties hoger dan de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage III, onder Aa.1.1.
L
Artikel 3.114 komt te luiden:
Artikel 3.114 (saneren: saneringsdoelstelling)
Verontreiniging van de bodem wordt beperkt of ongedaan gemaakt waarbij zo veel als redelijkerwijs mogelijk de inbreng van verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater wordt voorkomen of beperkt.
M
Artikel 3.115 komt te luiden:
Artikel 3.115 (saneren: saneringsaanpak)
1.
Saneren van de bodem wordt uitgevoerd overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
2.
De saneringsaanpak afdekken, bedoeld in artikel 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is niet toegestaan bij het saneren van de bodem, bedoeld in het artikel 3.31, tenzij:
a.
de afdeklaag bestaat uit een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag als bedoeld in artikel 4.1241, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
b.
aannemelijk wordt gemaakt dat de saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater.
3.
Met een maatwerkvoorschrift kan, in afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een andere saneringsaanpak worden toegestaan als die andere saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater.
N
Afdeling 3.4 komt te luiden:
Afdeling 3.4 Activiteiten in verband met verontreiniging van het grondwater
§ 3.4.1 Algemeen
Artikel 3.118 (toepassingsbereik)
Deze afdeling gaat over:
a.
de module risicobeoordeling grondwaterkwaliteit;
b.
de activiteit grondwatersanering;
c.
een activiteit op een locatie waar na het verrichten van een grondwatersanering een verontreiniging van het grondwater aanwezig is gebleven;
d.
een toevalsvondst van verontreiniging van het grondwater.
Artikel 3.119 (oogmerken)
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:
a.
het voorkomen en waar nodig beperken van de verspreiding van verontreinigd grondwater;
b.
het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en
c.
het vervullen van de maatschappelijke functies die op grond van de Omgevingswet aan watersystemen zijn toegekend.
Artikel 3.120 (normadressaat)
Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 3.121 (specifieke zorgplicht)
1.
Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 3.118 verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 3.119, is verplicht:
a.
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
b.
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
c.
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2.
Voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.118 houdt deze plicht in ieder geval in dat:
a.
alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;
b.
alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen;
c.
de beste beschikbare technieken worden toegepast;
d.
geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;
e.
alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet;
f.
afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd;
g.
metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;
h.
meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd;
i.
voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat: herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en
j.
afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
Artikel 3.122 (informeren over een ongewoon voorval)
Gedeputeerde staten worden onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
Artikel 3.123 (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval)
Zodra de gegevens en bescheiden, bedoeld in bijlage IV, onder E, bekend zijn, worden ze verstrekt aan gedeputeerde staten.
Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van het omgevingsplan of deze omgevingsverordening is bepaald dat een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit is vereist.
Artikel 3.125 (aanwijzing andere modules: voorafgaand bodemonderzoek)
Bij het verrichten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit wordt verricht om een verontreiniging van grondwater en de mogelijke risico’s daarvan voor het gebruik dat afhangt van het grondwater te beoordelen.
2.
Bij de beoordeling van een verontreiniging van grondwater en de mogelijke risico’s daarvan voor het grondwater en het gebruik dat afhangt van het grondwater worden één of meerdere van de volgende methoden toegepast:
a.
de methode algemene grondwaterkwaliteit, bedoeld in bijlage III, onder Aa2.1;
b.
de methode krw-oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in bijlage III, onder Aa2.2;
c.
de methode water bestemd voor menselijke consumptie, bedoeld in bijlage III, onder Aa2.3; of
d.
de methode grondwaterafhankelijke natuur, bedoeld in bijlage III, onder Aa2.4.
De methode algemene grondwaterkwaliteit, bedoeld in artikel 3.126, tweede lid, onder a, wordt toegepast als de verontreinigingscontour van één of meerdere verontreinigende stoffen in minimaal 100 m³ poriën verzadigd bodemvolume de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage III, onder Aa1, overschrijdt.
De methode krw-oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in artikel 3.126, tweede lid, onder b, wordt toegepast als een verontreiniging van grondwater:
a.
voor één of meerdere verontreinigende stoffen in minimaal 100 m³ poriën verzadigd bodemvolume de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage III, onder Aa1, overschrijdt; en
b.
de verontreiniging in staat is een in het regionaal waterprogramma of nationaal waterprogramma aangewezen krw-oppervlaktewaterlichaam te beïnvloeden.
2.
Een verontreiniging van grondwater wordt geacht een krw-oppervlaktewaterlichaam te beïnvloeden als de verontreiniging zich bevindt:
a.
in of binnen 100 meter van het krw-oppervlaktewaterlichaam;
b.
in een watervoerend pakket van waaruit het krw-oppervlaktewaterlichaam kan worden beïnvloed; en
c.
in de stroombaan richting het krw-oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 3.129 (methode: water bestemd voor menselijke consumptie)
1.
De methode water bestemd voor menselijke consumptie, bedoeld in artikel 3.126, tweede lid, onder c, wordt toegepast als een verontreiniging van grondwater:
a.
voor één of meerdere verontreinigende stoffen in minimaal 100 m³ poriën verzadigd bodemvolume de voorkeurswaarde, bedoeld in bijlage III, onder Aa1, overschrijdt; en
b.
in staat is een grondwaterbeschermingsgebied als bedoeld in artikel 2.2 te beïnvloeden.
2.
Een verontreiniging van grondwater wordt geacht een grondwaterbeschermingsgebied te beïnvloeden als de verontreiniging zich bevindt:
a.
in of binnen 100 meter van het grondwaterbeschermingsgebied;
b.
in een watervoerend pakket van waaruit het grondwaterbeschermingsgebied kan worden beïnvloed; of
c.
in de stroombaan richting het grondwaterbeschermingsgebied.
De methode grondwaterafhankelijke natuur, bedoeld in artikel 3.126, tweede lid, onder d, wordt toegepast als een verontreiniging van grondwater:
a.
voor één of meerdere verontreinigende stoffen in minimaal 100 m³ poriën verzadigd bodemvolume de voorkeurswaarde, bedoeld in bijlage III, onder Aa1, overschrijdt; en
b.
in staat is het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in artikel 2.11, te beïnvloeden.
2.
Een verontreiniging van grondwater wordt geacht een natuurnetwerk Nederland te beïnvloeden als de verontreiniging zich bevindt:
a.
in of binnen 100 meter van het natuurnetwerk Nederland;
b.
in een watervoerend pakket van waaruit het natuurnetwerk Nederland kan worden beïnvloed; en
c.
in de stroombaan richting het natuurnetwerk Nederland.
Uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt of een verontreiniging een risico vormt voor het grondwater en het gebruik dat afhangt van het grondwater en leidt tot één van de volgende uitkomsten:
a.
niet-significante grondwaterverontreiniging;
b.
significante grondwaterverontreiniging met bronaanpak op een natuurlijk moment; of
c.
significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft.
Artikel 3.132 (gegevens en bescheiden: na uitvoeren risicobeoordeling grondwaterkwaliteit)
Ten hoogste vier weken na het verrichten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit worden de gegevens en bescheiden in bijlage IV, onder D2, verstrekt aan gedeputeerde staten.
§ 3.4.3 Grondwatersanering
Artikel 3.133 (toepassingsbereik)
1.
Deze paragraaf is van toepassing op een grondwatersanering als het oogmerk het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van het grondwater is.
2.
Deze paragraaf is niet van toepassing op een grondwatersanering in het gebied waarvan het grondwaterkwaliteitsbeheer in relatie tot historische verontreinigingen van grondwater aan het gemeentebestuur van de gemeente Rotterdam is toegedeeld, bedoeld in artikel 6.2.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grondwatersanering te verrichten, als:
a.
de grondwatersanering betrekking heeft op een verontreiniging van grondwater waarvan op basis van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit is vastgesteld dat het een significante grondwaterverontreiniging betreft die direct aandacht behoeft, bedoeld in artikel 3.131, onder c; of
b.
de grondwatersanering wordt uitgevoerd in een grondwaterbeschermingsgebied, bedoeld in artikel 2.2.
Artikel 3.135 (specifieke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning)
In aanvulling op artikel 3.1 zijn in bijlage IV, onder B4, te verstrekken specifieke gegevens en bescheiden opgenomen.
Artikel 3.136 (melding)
1.
Het is verboden om zonder melding een grondwatersanering te verrichten.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.134.
Artikel 3.137 (specifieke gegevens en bescheiden bij een melding)
In aanvulling op artikel 3.3 bevat een melding specifieke gegevens en bescheiden als bedoeld in bijlage IV, onder D2a.
Artikel 3.138 (gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit)
Ten minste vier weken voor het begin van een grondwatersanering worden aan gedeputeerde staten de gegevens en bescheiden in bijlage IV, onder D3, verstrekt.
Artikel 3.139 (gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit)
Ten minste een week voor het begin van een grondwatersanering worden aan gedeputeerde staten de gegevens en bescheiden in bijlage IV, onder D4, verstrekt.
Bij het verrichten van een grondwatersanering wordt voldaan aan het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 3.141 (grondwater: saneringsaanpakken)
Met het oog op het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen, wordt een grondwatersanering verricht volgens één van de volgende aanpakken of een combinatie daarvan:
a.
het onttrekken van verontreinigd grondwater;
b.
het inzetten van gangbare en bewezen technieken die biologische afbraak of omzetting, of chemische omzetting van een verontreiniging tot niet schadelijke eindproducten tot gevolg hebben; of
c.
een andere saneringsaanpak als daarmee het saneringsresultaat, bedoeld in artikel 3.141a, bereikt wordt.
Artikel 3.141a (resultaat saneringsaanpak)
1.
De saneringsaanpak, bedoeld in artikel 3.141, leidt ertoe dat de verontreinigende stof in het grondwater niet langer voorkomt in concentraties waarbij sprake is van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131.
2.
Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een ander saneringsresultaat is toegestaan, leidt de grondwatersanering er ten minste toe dat niet langer sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft als bedoeld in artikel 3.131, onder c.
Een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift over deze paragraaf kan alleen een ander saneringsresultaat toestaan als de grondwatersanering er ten minste toe leidt dat niet langer sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft als bedoeld in artikel 3.131, onder c.
De begeleiding van een grondwatersanering wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000.
Artikel 3.141e (beëindiging activiteit: gegevens en bescheiden)
1.
Ten hoogste vier weken na het beëindigen van een grondwatersanering worden aan gedeputeerde staten gegevens en bescheiden verstrekt in de vorm van een evaluatieverslag volgens BRL SIKB 6000.
2.
Indien na het verrichten van een grondwatersanering verontreiniging in het grondwater aanwezig is gebleven worden ook gegevens en bescheiden bij het evaluatieverslag verstrekt over:
a.
de gebruiksbeperkingen die wenselijk zijn ter bescherming van de chemische en ecologische kwaliteit van het grondwaterlichaam en voor de aan het grondwaterlichaam toegekende maatschappelijke functies;
b.
een voorstel van de nazorgmaatregelen.
Artikel 3.141f (uitvoering nazorgmaatregelen)
Degene die een grondwatersanering uitvoert is ook belast met de uitvoering van de nazorgmaatregelen, bedoeld in artikel 3.141d, tweede lid, onder b, tenzij in het evaluatieverslag een ander daarvoor is aangewezen.
§ 3.4.4 Activiteiten op een locatie waar na het verrichten van een grondwatersanering een verontreiniging in het grondwater aanwezig is gebleven.
Artikel 3.141g (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waar na het uitvoeren van een grondwatersanering als bedoeld in paragraaf 3.4.3 uit het evaluatieverslag, bedoeld in artikel 3.141e, eerste lid, blijkt dat verontreiniging van het grondwater aanwezig is gebleven.
Artikel 3.141h (maatregelen: gebruiksbeperkingen saneren van het grondwater)
Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 3.141g verricht neemt in het belang van het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem en vanwege het vervullen van de aan het watersysteem toegekende maatschappelijke functie de gebruiksbeperkingen, bedoeld in artikel 3.141e, tweede lid, onder a, in acht.
§ 3.4.5 Toevalsvondst verontreiniging van het grondwater
Artikel 3.141i (aantreffen verontreiniging van het grondwater)
1.
Het aantreffen van een verontreiniging van het grondwater is een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet.
2.
Gedeputeerde staten kunnen voor een activiteit waarbij een verontreiniging van het grondwater wordt aangetroffen bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet en afdeling 12a.1 bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet.
3.
Het besluit kan in ieder geval inhouden dat activiteiten als bedoeld in het tweede lid worden beperkt of worden stopgezet.
O
In artikel 3.158 wordt ‘’waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die provinciale vaarweg en het belang van onderhoud behoort’’ vervangen door ‘’waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die vaarweg en het belang van onderhoud aan die vaarweg behoort’’.
P
In artikel 3.171 wordt ‘’waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die provinciale weg en het belang van onderhoud behoort’’ vervangen door ‘’waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die weg en het belang van onderhoud aan die weg behoort en op het voorkomen en beperken van schade aan planten in wegbermen’’.
Q
Artikel 3.177, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1.
In onderdeel c vervalt ‘’op, in, over, of onder de provinciale weg’’.
2.
Onderdeel d komt te luiden:
d.
het beplanten, behouden of vellen van houtgewas; en
3.
Onderdeel c komt te luiden:
e.
het ten behoeve van handel of bedrijf met daarvoor bestemde middelen innemen van een standplaats.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit te verrichten als bedoeld in artikel 3.177.
2.
Het verbod geldt niet voor werkzaamheden die op basis van artikel 3.179 zijn verboden zonder dit te melden.
3.
Voor het leggen, verwijderen en behouden van kabels en leidingen is op de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, in afwijking van artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet, afdeling 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
S
Artikel 3.179 komt te luiden:
Artikel 3.179 (melding)
1.
Het is verboden zonder melding een beperkingengebiedactiviteit als bedoeld in artikel 3.177 te verrichten op locaties waar ten minste 200 meter vrij zicht is op de weg en waar geen aanleg, wijziging of herinrichting van de weg in voorbereiding of uitvoering is, voor zover het gaat over:
a.
het leggen, verwijderen of behouden van een huisaansluiting, bouwaansluiting of kastaansluiting tot een lengte van maximaal 20 meter;
b.
het aanbrengen, wijzigen, gebruiken of verwijderen van een kathodische beschermpaal;
c.
het inblazen van glasvezel in een bestaande buis;
d.
het uitvoeren van werkzaamheden bij een lasgat, afsluiter of verbindingsmof;
e.
het uitvoeren van een sondering, proefsleuf, grondboring of asfaltboring; of
f.
het uitvoeren van herstelwerkzaamheden aan een tracé of onderdeel daarvan.
2.
Het verbod geldt niet voor:
a.
het openbreken van gesloten verharding;
b.
het aanbrengen van een kabel op minder dan 0,6 meter onder het maaiveld of het aanbrengen van een leiding op minder dan 0,8 meter onder het maaiveld; of
c.
het op minder dan 1 meter buiten de wegverharding parallel aan de verharding aanbrengen van een werk.
T
Artikel 3.180 komt te luiden:
Artikel 3.180 (informatieplicht)
1.
Ten minste 15 werkdagen voor het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.177 wordt aan gedeputeerde staten een verkeersmaatregelenplan verstrekt voor zover deze activiteiten binnen een afstand van 4,5 meter tot de rijbaan worden verricht.
2.
Een verkeersmaatregelenplan:
a.
bevat een beschrijving van de te treffen tijdelijke verkeersmaatregelen die met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg noodzakelijk zijn bij het verrichten van de activiteit; en
b.
maakt inzichtelijk op welke wijze de te treffen tijdelijke verkeersmaatregelen in overeenstemming zijn met de toepasselijke richtlijnen voor tijdelijke verkeersmaatregelen van de Provincie Zuid-Holland en van de Stichting CROW, kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte.
3.
In afwijking het eerste lid wordt het verkeersmaatregelenplan onverwijld verstrekt, voor zover het gaat over een herstelwerkzaamheid als bedoeld in artikel 3.179, eerste lid, onder f, of een andere niet-planbare werkzaamheid.
U
In paragraaf 3.8.2 worden na artikel 3.180 de volgende artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 3.180a (voorbereiding)
1.
Een activiteit als bedoeld in artikel 3.177 wordt niet verricht zonder het treffen van tijdelijke verkeersmaatregelen die in overeenstemming zijn met het verkeersmaatregelenplan, bedoeld in artikel 3.180, tweede lid.
2.
Een verkeersmaatregel wordt uitgevoerd door een BRL9101-gecertificeerd bedrijf.
Artikel 3.180b (uitvoering)
1.
Een gat of sleuf in een provinciale weg wordt mechanisch verdicht in lagen, die ieder na verdichting niet dikker zijn dan 30 cm.
2.
Ieder gat en iedere sleuf in een provinciale weg wordt binnen een dag volledig tot aan het maaiveld of tot aan het profiel van de weg verdicht in overeenstemming met het eerste lid.
3.
Door het uitvoeren van de werkzaamheden wordt geen beplanting beschadigd, wat in ieder geval inhoudt dat aanwezige beplanting die wordt verwijderd tijdelijk wordt ingekuild en na afronding van de werkzaamheden wordt teruggeplaatst.
4.
Bij de werkzaamheden vrijkomend puin wordt afgevoerd.
5.
De werkzaamheden worden niet uitgevoerd als door atmosferische omstandigheden het zicht op de weg minder dan 200 meter bedraagt op de locatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd.
Artikel 3.180c (oplevering en nazorg)
1.
Werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.179 worden binnen een aaneengesloten periode van een week uitgevoerd, gerekend vanaf de dag waarop een begin wordt gemaakt met de werkzaamheden.
2.
Gedurende de eerste zes maanden na afronding van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.177, wordt iedere verzakking in een onverharde berm of talud hersteld.
3.
Gedurende de eerste twaalf maanden na afronding van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.177, wordt:
a.
iedere verzakking in bestrating hersteld; en
b.
alle teruggeplaatste beplanting in goede staat gehouden.
V
In paragraaf 3.9.2.2 wordt voor artikel 3.195 een artikel ingevoegd, luidende:
In afwijking van artikel 11.126, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, is het verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijke te vellen zonder dit ten minste vier weken maar niet eerder dan 14 maanden voor het begin daarvan te melden.
W
Artikel 3.195 komt te luiden:
Artikel 3.195 (maatwerkregel: uitzondering op meldplicht vellen houtopstanden)
De meldplicht, bedoeld in artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is niet van toepassing op:
a.
het kappen van verjongingsgaten, als:
1°.
deze per verjongingsgat niet groter zijn dan drie maal de boomhoogte met een maximum van 0,25 ha;
2°.
deze nieuwe verjongingsgaten gezamenlijk niet meer oppervlakte beslaan dan 10% van het bosperceel;
3°.
dit maximaal één keer per vier jaar plaatsvindt; en
4°.
in de oude verjongingsgaten is voldaan aan de plicht tot herbeplanting, bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
b.
het verwijderen van houtopstanden in het kader van natuurmaatregelen, als de te verwijderen houtopstand ontstaan is als gevolg van achterstallig onderhoud.
X
Artikel 3.196 komt te luiden:
Artikel 3.196 (maatwerkregel: specifieke gegevens en bescheiden vellen houtopstanden)
Als gedeputeerde staten het bevoegd gezag is waaraan een melding voor het geheel of gedeeltelijk vellen van een houtopstand als bedoeld in artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt gedaan, worden uiterlijk gelijktijdig met de melding de specifieke gegevens en bescheiden verstrekt in bijlage IV, onder D5.
Y
Na artikel 3.196 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 3.196a (maatwerkregel: gegevens en bescheiden: start vellen houtopstanden)
Ten minste een dag voor het begin van het geheel of gedeeltelijk vellen van een houtopstand, bedoeld in artikel 11.126, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden gedeputeerde staten, als zij het bevoegd gezag zijn, daarover geïnformeerd.
Z
Artikel 3.197 komt te luiden:
Artikel 3.197 (maatregel: plicht tot herbeplanting)
1.
In aanvulling op artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt voor de plicht tot herbeplanting dat:
a.
de oppervlakte van de herbeplanting ten minste even groot is als de gevelde oppervlakte;
b.
de herbeplanting kwalitatief en kwantitatief minimaal in een redelijke verhouding staat tot de gevelde of op een andere manier tenietgegane houtopstand;
c.
de te herbeplanten houtopstand, gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse, kan uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand met minimaal een vergelijkbare bosstructuur als de gevelde opstand.
2.
Aan de plicht tot herbeplanting kan ook worden voldaan door spontane natuurlijke verjonging als daarmee aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden wordt voldaan en de bodemopbouw zoveel mogelijk intact wordt gelaten.
AA
Artikel 3.198 komt te luiden:
Artikel 3.198 (maatwerkregel: uitzondering op plicht tot herbeplanting)
Artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving is niet van toepassing op:
a.
het verwijderen van houtopstanden in het kader van natuurmaatregelen als de houtopstanden ontstaan zijn als gevolg van achterstallig onderhoud en niet zijn ontwikkeld in het kader van een plicht tot herbeplanting;
b.
het op natuurlijke wijze tenietgaan van houtopstanden als dit het gevolg is van vernatting door natuurlijke processen of vernatting als onderdeel van anti-verdrogingsmaatregelen.
Het met een maatwerkvoorschrift als bedoeld in 11.130 van het Besluit activiteiten leefomgeving door gedeputeerde staten toestaan van herbeplanting op andere grond dan de grond, bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan als:
a.
deze grond onbeplant is;
b.
op deze grond geen herplanting dient plaats te vinden ter uitvoering van een plicht tot herbeplanting als bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
c.
op deze grond geen uitvoering dient plaats te vinden van (natuur)compensatieverplichtingen;
d.
geen wettelijk voorschrift of provinciale doelstelling aan herbeplanting in de weg staat; en
e.
deze grond buiten de bebouwingscontour houtkap is gelegen.
2.
Met een maatwerkvoorschrift wordt geen herbeplanting op andere grond binnen het natuurnetwerk Nederland toegestaan als de tenietgegane houtopstand buiten het natuurnetwerk Nederland is gelegen.
3.
Als de tenietgegane houtopstand is gelegen buiten recreatiegebied, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II, wordt met een maatwerkvoorschrift alleen herbeplanting op andere grond toegestaan binnen recreatiegebied, als de oppervlakte van de herbeplanting ten minste twee keer zo groot is als de tenietgegane houtopstand.
4.
Met een maatwerkvoorschrift wordt geen herbeplanting op andere grond toegestaan als de te vellen houtopstand onderdeel uitmaakt van een A-locatie bos, bosreservaat of groen erfgoed, bestaande uit landschappen met oude boskernen, houtwallen en heggen, cultuurhistorische bosjes of kleine landschapselementen, eendenkooien en kansrijke gebieden groen erfgoed, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II, tenzij is voldaan aan de volgende voorwaarden:
a.
er zijn geen alternatieve oplossingen; en
b.
de velling is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard.
5.
Aan een maatwerkvoorschrift waarbij herbeplanting op andere grond wordt toegestaan en de te vellen houtopstand onderdeel uitmaakt van een A-locatie bos, bosreservaat of groen erfgoed, bestaande uit landschappen met oude boskernen, houtwallen en heggen, cultuurhistorische bosjes of kleine landschapselementen, eendenkooien en kansrijke gebieden groen erfgoed, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II, verbinden gedeputeerde staten voorschriften die het vellen van de houtopstand verbieden tot het moment waarop het besluit voor de ontwikkeling ter plaatse van de te vellen houtopstand onherroepelijk is geworden.
AC
Artikel 5.7 wordt als volgt gewijzigd:
1.
Voor de tekst wordt de aanduiding ‘’’1’ geplaatst.
2.
Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2.
De omgevingswaarden gelden op het niveau van een peilgebied.
AD
Artikel 5.11 komt te luiden:
Artikel 5.11 (uitzonderingsmogelijkheid omgevingswaarden kans op overstroming regionale wateren)
1.
Voor zover het waterschapsbestuur voor een gebied binnen een peilgebied op aanvraag een peil toestaat dat afwijkt van het peil vastgesteld in een peilbesluit als bedoeld in artikel 2.41 van de Omgevingswet, geldt een omgevingswaarde als bedoeld in artikel 5.8 of 5.9 niet voor het gebied met het afwijkende peil.
2.
In overige gevallen, waarin het niet doelmatig is om aan de omgevingswaarden te voldoen, kan het waterschapsbestuur gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken te bepalen dat wordt afgeweken van de in de artikelen 5.8 en 5.9 opgenomen omgevingswaarde.
AE
Na artikel 7.10 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 7.10a (gevaarlijke stoffen)
Bij het vaststellen van maatregelen ter uitvoering van artikel 6, eerste lid, van de grondwaterrichtlijn in een waterbeheerprogramma als bedoeld in artikel 4.3, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden de verontreinigende stoffen genoemd in Bijlage III, onder Aa, als gevaarlijk beschouwd als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, van de grondwaterrichtlijn.
AF
Paragraaf 7.3.2.4 komt te luiden:
§ 7.3.2.4 Niet-Basisnet transportroutes
Artikel 7.21 (aanwijzing en geometrische begrenzing niet-Basisnet transportroutes)
De niet-Basisnet transportroutes zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.
Artikel 7.22 (aandachtsgebieden langs niet-Basisnet transportroutes in verband met groepsrisico)
1.
Langs de niet-Basisnet transportroutes, bedoeld in artikel 7.21, strekt het effectgebied voor incidenten met brand bij het vervoer van gevaarlijke stoffen zich uit tot een afstand van 30 meter, gemeten vanaf de kant van de weg en strekt het effectgebied voor incidenten met explosies zich uit tot een afstand van 200 meter gemeten vanaf de kant van de weg.
2.
In een omgevingsplan wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen de effectgebieden, bedoeld in het eerste lid, rekening gehouden met de effecten van mogelijke incidenten met het vervoer van gevaarlijk stoffen.
3.
Aan het tweede lid wordt in ieder geval voldaan als een omgevingsplan, in aanvulling op § 7.3.2.2:
a.
binnen een effectgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toelaat;
b.
de locaties waar beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties worden toegelaten, in ieder geval waarborgt:
1°.
dat maatregelen zijn getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties tegen de effecten van een ongewoon voorval met gevaarlijke stoffen op de transportroute; of
2°.
dat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt is.
c.
dat de onderbouwing van het groepsrisico in het effectgebied berust op een advies van de veiligheidsregio met betrekking tot maatregelen op het gebied van hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid om de veiligheid van bestaande en te ontwikkelen kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties te optimaliseren.
AG
In paragraaf 7.3.3 wordt een artikel ingevoegd luidende:
Artikel 7.23 (risico’s van klimaatverandering)
1.
In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van:
a.
wateroverlast door overvloedige neerslag;
b.
overstroming;
c.
hitte;
d.
droogte;
alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling.
2.
Voor zover risico’s aan de orde zijn wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, of het gericht aanvaarden van deze risico’s.
AH
§ 7.3.3a vervalt.
AI
Paragraaf 7.3.5 komt te luiden:
§ 7.3.5 Grondwaterkwaliteit
§ 7.3.5.1 Toelaten van een bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie
Artikel 7.27 (toepassingsbereik)
1.
Deze paragraaf is van toepassing op een grondwatergevoelig gebouw, zijnde:
a.
een bodemgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of
b.
elk ander gebouw of gedeelte van een gebouw dat geheel of gedeeltelijk de bodem raakt, voor zover de oppervlakte van het gedeelte van het gebouw dat de bodem raakt ten minste 50 m2 bedraagt.
2.
Deze paragraaf is niet van toepassing op een grondwatergevoelig gebouw op een locatie in het gebied met grondwaterbeheer Rotterdam, bedoeld in artikel 6.2, tweede lid.
Als grondwatergevoelige locaties worden in ieder geval beschouwd:
a.
een bodemgevoelige locatie als bedoeld in artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
b.
de locatie waarop een gebouw als bedoeld in artikel 7.27, aanhef en onder b, is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of
c.
een onmiddellijk aan een gebouw als bedoeld in artikel 7.27, onder b, grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein, voor zover de tuin of het terrein daarmee samenhang heeft.
Artikel 7.29 (voorafgaand onderzoek)
1.
Een omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie alleen is toegelaten als door onderzoek is aangetoond dat er geen sprake is van een verontreiniging van het grondwater, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in het omgevingsplan waar een verdenking van verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 7.30 redelijkerwijs is uit te sluiten.
2.
Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, kan bestaan uit:
a.
het verrichten van voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of
b.
het overleggen van een beschikking krachtens artikel 29 juncto artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidig dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of bij een mogelijke verspreiding van een verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
Artikel 7.30 (verontreiniging van grondwater)
Onder verontreiniging van grondwater wordt verstaan een overschrijding van:
a.
de voorkeurswaarde in bijlage III, onder Aa1, voor zover de verontreiniging in staat is een grondwaterafhankelijk natuurgebied als bedoeld in artikel 2.13 of een grondwaterbeschermingsgebied als bedoeld in artikel 2.2 te beïnvloeden; of
b.
de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering in bijlage III, onder Aa1 voor overige gebieden of locaties.
Een omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie bij een verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 7.30 alleen is toegelaten als een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit als bedoeld in paragraaf 3.4.2 is verricht.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als de bron van verontreiniging van het grondwater:
a.
zich niet (langer) bevindt in de vaste bodem van de grondwatergevoelige locatie, tenzij uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, of een beschikking als bedoeld in artikel 7.29, tweede lid, onder b, blijkt dat er sprake is van een zak- of drijflaag; of
b.
zich in de vaste bodem van de grondwatergevoelige locatie bevindt en diffuus van aard is.
3.
Het eerste lid is ook niet van toepassing als de verontreiniging van grondwater:
a.
het gevolg is van een natuurlijk verhoogde achtergrondconcentratie;
b.
een restverontreiniging na het uitvoeren van een grondwatersanering betreft en als zodanig is opgenomen in een evaluatieverslag als bedoeld in artikel 3.141d of een beschikt evaluatieverslag als bedoeld in artikel 39c van de Wet bodembescherming, zoals dat artikel luidde voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Artikel 7.32 (sanerende maatregelen bij significante grondwaterverontreiniging)
1.
Een omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie alleen is toegelaten als de volgende sanerende maatregelen worden getroffen:
a.
een bronaanpak overeenkomstig de regels voor het saneren van de bodem in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving als uit de aan gedeputeerde staten op grond van artikel 3.132 verstrekte gegevens en bescheiden na uitvoering van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c.
b.
een grondwatersanering overeenkomstig de regels in paragraaf 3.4.3 als uit de aan gedeputeerde staten op grond van artikel 3.1134 verstrekte gegevens en bescheiden na uitvoering van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft als bedoeld in artikel 3.131, onder c.
2.
Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing indien er sprake is van een diffuse grondwaterverontreiniging, waarbij geen specifieke bron van verontreiniging aanwijsbaar is.
Artikel 7.33 (omgevingsvergunning bouwen op een grondwatergevoelige locatie)
1.
Als in een omgevingsplan is bepaald dat het verboden is om zonder een omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen, worden in het omgevingsplan regels gesteld die er toe strekken dat de omgevingsvergunning voor een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie waarbij sprake is van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c, alleen wordt verleend als aannemelijk is dat de sanerende maatregelen, bedoeld in artikel 7.32, worden getroffen.
2.
Een omgevingsplan bepaalt dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, de volgende gegevens en bescheiden worden verstrekt:
a.
het voorafgaand onderzoek, bedoeld in artikel 7.29 tweede lid;
b.
als er sprake is van verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 7.30: een afschrift van de gegevens en bescheiden na het verrichten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, bedoeld in artikel 3.132, waarbij ten minste vier weken verstreken zijn nadat de gegevens en bescheiden aan gedeputeerde staten zijn verstrekt;
c.
als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c: een afschrift van de melding, bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving, die aannemelijk maakt dat een bronaanpak als bedoeld in artikel 7.32, onder a wordt verricht;
d.
als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft als bedoeld in artikel 3.131, onder c: een afschrift van de aanvraag om een omgevingsvergunning die aannemelijk maakt dat een grondwatersanering als bedoeld in paragraaf 3.4.3 wordt verricht.
Artikel 7.34 (melding bouwactiviteit)
1.
Een omgevingsplan bepaalt dat het verboden is een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie te bouwen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
2.
Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:
a.
de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht;
b.
het adres waar de bouwactiviteit wordt verricht;
c.
de dagtekening; en
d.
het voorafgaand onderzoek, bedoeld in artikel 7.29, tweede lid;
e.
als er sprake is van verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 7.30: een afschrift van de gegevens en bescheiden na verrichten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, bedoeld in artikel 3.132, waarbij ten minste vier weken verstreken zijn nadat de gegevens en bescheiden aan gedeputeerde staten zijn verstrekt;
f.
als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c: een afschrift van de melding, bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving die aannemelijk maakt dat een bronaanpak als bedoeld in artikel 7.32, onder a, wordt verricht;
g.
als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft als bedoeld in artikel 3.131, onder c: een afschrift van de aanvraag om een omgevingsvergunning die aannemelijk maakt dat een grondwatersanering als bedoeld in paragraaf 3.4.3 wordt verricht.
3.
Dit artikel is niet van toepassing als voor de bouwactiviteit op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning is vereist.
Artikel 7.35 (ingebruikname na maatregelen bij een significante grondwaterverontreiniging)
Een omgevingsplan bepaalt dat bij aanwezigheid van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c, een grondwatergevoelig gebouw, of een gedeelte daarvan, op een grondwatergevoelige locatie alleen in gebruik wordt genomen na de bouwactiviteit, nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende maatregelen, bedoeld in artikel 7.32, zijn getroffen of, als de sanerende maatregelen nog in uitvoering zijn, de wijze waarop de ingebruikname van het grondwatergevoelige gebouw de sanerende maatregel niet belemmert.
§ 7.3.5.2 Saneren van de bodem ter uitvoering van een bronaanpak
Artikel 7.36 (toepassingsbereik)
1.
Deze paragraaf is van toepassing op het saneren van de bodem, bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, ter uitvoering van een bronaanpak als bedoeld in artikel 7.32, eerste lid, onder a.
2.
Deze paragraaf is niet van toepassing op het saneren van de bodem in een grondwaterbeschermingsgebied als bedoeld in artikel 2.2.
Artikel 7.37 (saneringsaanpak: niet afdekken tenzij)
1.
Een omgevingsplan bepaalt dat het saneren van de bodem in verband met een bronaanpak als bedoeld in artikel 7.32, eerste lid, onder a, niet wordt uitgevoerd met de saneringsaanpak afdekken, bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
2.
Een omgevingsplan kan, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat de saneringsaanpak afdekken is toegestaan als:
a.
de afdeklaag bestaat uit een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag als bedoeld in artikel 4.1241, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
b.
aannemelijk wordt gemaakt dat de saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater.
Artikel 7.38 (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift andere saneringsaanpak: vermindering of voorkomen van inbreng)
Het omgevingsplan bepaalt dat een maatwerkvoorschrift waarin een andere saneringsaanpak dan bedoeld in artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt toegestaan, alleen kan worden gesteld als die andere saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater.
Artikel 7.39 (gegevens en bescheiden: voor het begin van de bronaanpak)
Het omgevingsplan bepaalt dat bij het saneren van de bodem, bedoeld in artikel 7.36, onverwijld een afschrift van de voor het begin van de activiteit verstrekte gegevens en bescheiden aan gedeputeerde staten worden verstrekt.
Artikel 7.39a (gegevens en bescheiden: bij beëindiging van de bronaanpak)
Het omgevingsplan bepaalt dat na het saneren van de bodem, bedoeld in artikel 7.36, onverwijld een afschrift van het evaluatieverslag, bedoeld in artikel 4.1246 van het Besluit activiteiten leefomgeving, aan gedeputeerde staten wordt verstrekt.
§ 7.3.5.3 Lozen op of in de bodem
Artikel 7.39b (verbod op rechtstreeks lozen in het grondwater)
1.
Een omgevingsplan bepaalt dat het lozen op of in de bodem verboden is als daarbij verontreinigende stoffen zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond in het grondwater geraken.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op wateronttrekkingsactiviteiten waarvoor op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de omgevingsverordening of waterschapsverordening een omgevingsvergunning vereist is of op grond van de waterschapsverordening regels zijn gesteld.
Artikel 7.39c (afbakening mogelijkheid maatwerk)
Het omgevingsplan bepaalt dat met een maatwerkvoorschrift van het verbod, bedoeld in artikel 7.39b, eerste lid, alleen kan worden afgeweken als de lozing voldoet aan de vereisten van artikel 11, derde lid, onder j, van de kaderrichtlijn water, op voorwaarde dat de lozing niet verhindert dat de voor dat grondwaterlichaam vastgestelde milieudoelstellingen worden bereikt.
Artikel 7.39d (lozen van grondwater op of in de bodem)
1.
Dit artikel is van toepassing op het op of in de bodem lozen van grondwater afkomstig van een:
a.
een bodemsanering of grondwatersanering;
b.
een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering; en
c.
het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 3.48f van het Besluit activiteiten leefomgeving.
2.
Een omgevingsplan bepaalt dat ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, dan wel ten minste vier weken voor dat de activiteit wijzigt, gegevens en bescheiden worden verstrekt over:
a.
de aard en omvang van de lozing; en
b.
de verwachte datum van het begin van de activiteit.
3.
In afwijking van het tweede lid, bepaalt het omgevingsplan dat voor het lozen van grondwater op of in de bodem afkomstig van het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit geen gegevens en bescheiden hoeven te worden verstrekt als:
a.
het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of
b.
het lozen plaatsvindt bij wonen.
4.
Een omgevingsplan bepaalt dat voor het lozen van grondwater op of in de bodem, bedoeld in het eerste lid, de emissiegrenswaarden zijn:
a.
de waarden, bedoeld in bijlage XIX, onder A, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, gemeten in een steekmonster; of
b.
de concentraties waaronder gevaar voor verslechtering van de kwaliteit van grondwater is uit te sluiten als het gaat om de verontreinigende stoffen, bedoeld in bijlage XIX, onder B, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, die niet in bijlage XIX, onder A, van dat besluit zijn aangegeven.
§ 7.3.5.4 Activiteiten op een locatie met een historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar verspreidingsrisico
Artikel 7.39e (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of een nader bodemonderzoek dat voldoet aan NTA 5755 is verricht, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
Een omgevingsplan bepaalt dat degene die een activiteit als bedoeld in artikel 7.39e verricht, in het belang van het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen, maatregelen neemt die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van het grondwater, al dan niet indirect vanuit de vaste bodem, te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.
§ 7.3.5.5 Milieubelastende activiteiten met gevolgen voor watersystemen
Artikel 7.39g (beoordelingsregels milieubelastende activiteit gevolgen voor watersystemen)
1.
Een omgevingsplan bepaalt dat een omgevingsvergunning, voor zover die betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die gevolgen kan hebben voor watersystemen, alleen wordt verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van:
a.
het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
b.
het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en
c.
het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.
2.
Het omgevingsplan bepaalt dat bij de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, rekening wordt gehouden met de waterbeheerprogramma’s, regionale waterprogramma’s, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam.
AJ
Paragraaf 7.3.7. komt te luiden:
§ 7.3.7. Ruimtelijke kwaliteit
Artikel 7.41a (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op nieuwe ruimtelijk ontwikkelingen.
Artikel 7.42 (aanwijzing en geometrische begrenzing gebieden met beschermingscategorieën)
1.
Gebieden met beschermingscategorie 1 zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.
2.
Gebieden met beschermingscategorie 2 zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.
3.
Gebieden met beschermingscategorie 3 zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.
4.
Het gebied met beschermingscategorie 1, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit de gebiedstypen natuurnetwerk Nederland, bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, en kroonjuweel cultureel erfgoed en beschermd grasland in de Bollenstreek, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.
5.
Het gebied met beschermingscategorie 2, bedoeld in het tweede lid, bestaat uit de gebiedstypen belangrijk weidevogelgebied, groene buffer en recreatiegebied, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.
6.
Het gebied met beschermingscategorie 3, bedoeld in het derde lid, bestaat uit het gebiedstype buitengebied, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.
Artikel 7.43 (definitie soort ruimtelijke ontwikkeling)
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
a.
inpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied;
b.
aanpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau;
c.
transformeren: de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit.
Artikel 7.43a (borgen ruimtelijke kwaliteit)
1.
Een omgevingsplan laat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toe als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.
2.
In een omgevingsplan wordt voor het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit rekening gehouden met:
a.
de beschermingscategorie en het gebiedstype;
b.
het soort en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling: inpassen, aanpassen en transformeren;
c.
de relevante richtpunten genoemd in bijlage IX, onder A.
3.
Voor de gebiedstypen, bedoeld in artikel 7.42, vierde en vijfde lid, worden de artikelen 7.43h, 7.43i, 7.43j, 7.43k, 7.43l, 7.43m en 7.43n in acht genomen tenzij een zwaarwegend openbaar belang hieraan in de weg staat.
Artikel 7.43b (aanvaardbaarheid soort ruimtelijke ontwikkeling per beschermingscategorie)
1.
Een omgevingsplan voor een locatie met beschermingscategorie 3 als bedoeld in artikel 7.42, derde lid, kan ontwikkelingen mogelijk maken die kunnen vallen onder soort inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 7.43h.
2.
Een omgevingsplanplan voor een locatie met beschermingscategorie 2 als bedoeld in artikel 7.42, tweede lid, kan in beginsel slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de soort inpassen of aanpassen en die in overeenstemming zijn met artikel 7.43i, 7.43j of 7.43k.
3.
Een omgevingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1 als bedoeld in artikel 7.42, eerste lid, kan slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de soort inpassen en die in overeenstemming zijn met artikel 7.43l, 7.43m of 7.43n.
Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort inpassen als deze voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.
2.
Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.
3.
Een omgevingsplan kan alleen voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van de soort transformeren als de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.
Artikel 7.43d (motivering locatiekeuze bij aanpassen en transformeren)
1.
Voor zover een omgevingsplan een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat deze een zorgvuldige afweging over de locatiekeuze. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van de locatie en de effecten van de ontwikkeling daarop.
2.
Het eerste lid is alleen van toepassing als:
a.
er sprake is van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen of transformeren; of
b.
één of meer richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit als bedoeld in bijlage IX, onder A, in het geding zijn.
Artikel 7.43e (randvoorwaarden bij aanpassen en transformeren)
Om de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk te houden of te waarborgen kan het nodig zijn om aanvullende maatregelen te nemen bij een ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen en transformeren. Aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit (een combinatie van):
a.
duurzame sanering van bestaande bebouwing, kassen en boom- en sierteelt;
b.
wegnemen van verharding;
c.
toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen;
d.
andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert, waarbij:
1°.
aanvullende maatregelen worden getroffen binnen de locatie van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dat onmogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen buiten de locatie worden betrokken in de motivering;
2°.
als aanvullende maatregelen niet volstaan, financiële compensatie wordt toegepast.
Artikel 7.43f (uitzonderingen transformaties)
Transformatie is mogelijk in beschermingscategorieën 1 en 2, als bedoeld in artikel 7.42, eerste en tweede lid, voor de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur- en recreatiegebieden of van grote buitenstedelijke bouwlocaties als bedoeld in artikel 7.46. De voorwaarden, bedoeld in 7.43c, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.43g (compensatie weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad of karakteristieke landschapselementen)
Voor zover een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 7.43a, een significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad of karakteristieke landschapselementen, wordt deze aantasting gecompenseerd. Gedeputeerde staten leggen de vereisten over de aard en omvang van de compensatie en het moment waarop de compensatie gerealiseerd moet zijn, vast in een beleidsregel over de compensatie bij nieuwe ontwikkelingen. De motivering bij het omgevingsplan bevat een verantwoording over de wijze van compensatie.
Een omgevingsplan voor een locatie in het Buitengebied als bedoeld in artikel 7.42, zesde lid, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, zoals blijkt uit een afdoende motivering die ook ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied.
2.
In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken:
a.
de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin;
b.
de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen;
c.
het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap;
d.
de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.
Een omgevingsplan voor een recreatiegebied als bedoeld in artikel 7.42, vijfde lid, kan voorzien in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voor zover:
a.
de ontwikkeling geen beperking oplevert voor de openbare toegankelijkheid van het gebied, rekening houdend met het huidige gebruik van het gebied;
b.
de ontwikkeling gericht is op de vergroting van de diversiteit en de kwaliteit van het recreatiegebied en ook de recreatieve waarde van het gebied zal versterken;
c.
de ontwikkeling past bij de uitstraling en het recreatieve gebruik van het gebied;
d.
de ontwikkeling bijdraagt aan de samenhang tussen binnenstedelijke en buitenstedelijke groen- en waterstructuren;
e.
de ontwikkeling zo mogelijk gekoppeld wordt aan recreatie knooppunten en cultuurhistorisch erfgoed.
Een omgevingsplan voor een belangrijk weidevogelgebied als bedoeld in artikel 7.42, vijfde lid, kan slechts voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover de ontwikkeling en de zo nodig daarmee in samenhang te nemen maatregelen, bedoeld artikel 7.43e, geen significante beperking inhoudt van de kenmerken van het gebied en evenmin leidt tot een significante vermindering van het oppervlak, de kwaliteit of de samenhang daarvan.
2.
In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken:
a.
de hoge weidevogeldichtheden of de potentie daarvoor;
b.
de factoren die de hoge weidevogeldichtheden mogelijk maken zoals het graslandgebruik, de waterhuishouding met relatief hoge grondwaterstanden, de landschapsstructuur en de rust van het gebied.
Een omgevingsplan voor locaties binnen Groene Buffers als bedoeld in artikel 7.42, vijfde lid, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover dit geen grootschalige ontwikkelingen behelzen en de bufferfunctie blijkens een afdoende motivering niet onevenredig wordt verstoord.
2.
In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken:
a.
de functie van het gebied als tegenhanger van de stedelijke verdichting en stedelijke dynamiek;
b.
de identiteit die het gebied verleent aan de nabij gelegen stedelijke omgeving;
c.
de bescherming die het gebied biedt tegen grootschalige stedelijke ontwikkeling;
d.
de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied.
Een omgevingsplan voor een locatie binnen natuurnetwerk Nederland als bedoeld in artikel 7.42, vierde lid, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits die ontwikkeling niet in strijd is met de regels in paragraaf 7.3.16.
Een omgevingsplan voor locaties binnen beschermde graslanden in de Bollenstreek als bedoeld in artikel 7.42, vierde lid, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits die ontwikkeling een aantoonbare meerwaarde heeft voor de ruimtelijke kwaliteit van de graslanden.
2.
In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken:
a.
het open en structurerende karakter van de graslanden;
b.
het ecologische belang en de kwetsbaarheid van de graslanden;
c.
het belang van de graslanden voor weidevogels;
d.
de historische context van de graslanden als strandvlakten.
Een omgevingsplan voor locaties binnen kroonjuwelen cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 7.42, vierde lid, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft en de ontwikkeling het behoud en de versterking van het betreffende cultureel erfgoed ondersteunt en overwegend meerwaarde heeft voor kwaliteiten en de gebruikswaarde ervan.
2.
In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken:
a.
de herkenbaarheid van het kroonjuweel cultureel erfgoed;
b.
de historische context van het kroonjuweel cultureel erfgoed;
c.
de uniciteit van het kroonjuweel cultureel erfgoed;
d.
de kwetsbaarheid van het kroonjuweel cultureel erfgoed;
e.
de gaafheid van het kroonjuweel cultureel erfgoed;
f.
de samenhang van de kwaliteiten van het cultureel erfgoed;
g.
de richtpunten die zijn opgesteld voor het specifieke kroonjuweel, als bedoeld in bijlage IX, onder A.
AK
Artikel 7.45, tweede lid, komt te luiden:
2.
Als over de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd, dan kan de motivering van de behoefte, bedoeld in artikel 5.129g, tweede lid, onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken.
AL
Na artikel 7.45 worden de volgende artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 7.45a (voldoende sociale huurwoningen)
Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor de functie wonen mogelijk maakt voorziet in voldoende sociale huurwoningen. Wat onder voldoende sociale huurwoningen wordt verstaan kan in ieder geval blijken uit instemming met regionale bestuurlijke afspraken door gedeputeerde staten.
Artikel 7.45b (dichtheid en verscheidenheid woningbouw)
1.
Een omgevingsplan voor een stedelijke ontwikkeling met de functie wonen houdt rekening met een zo hoog mogelijke woningdichtheid en draagt bij aan een goede woon- en leefomgeving.
2.
Het omgevingsplan, bedoeld in het eerst lid, betrekt de mogelijkheden voor gevarieerde woningtypen bij het toelaten van woningbouw.
Artikel 7.45c (bereikbaarheid)
Een omgevingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid.
Artikel 7.45d (aanwijzing en geometrische begrenzing stationsomgevingen)
Stationsomgevingen zijn locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.
Artikel 7.45e (parkeernorm stationsomgevingen)
1.
Een omgevingsplan dat voorziet in nieuwe woningen in een stationsomgeving als bedoeld in artikel 7.45d, hanteert een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per woning.
2.
In afwijking van het eerste lid kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als de gemeente op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren heeft vastgesteld.
Artikel 7.45f (parkeernorm sociale huur)
1.
Een omgevingsplan dat voorziet in nieuwe sociale huurwoningen hanteert een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per sociale huurwoning.
2.
In afwijking van het eerste lid kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als er op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren zijn vastgesteld.
Een omgevingsplan voor een verblijfsrecreatiepark met een omvang van 12 of meer recreatiewoningen, sluit permanente bewoning of functiewijziging naar wonen uit, met uitzondering van de verblijfsrecreatieparken die zijn opgenomen in bijlage IX, onder Aa.
AM
In onderdeel a van het tweede lid van artikel 7.51 wordt “hebben ingestemd” vervangen door “heeft ingestemd”.
AN
Paragraaf 7.3.11 komt te luiden:
§ 7.3.11 Bedrijven
Artikel 7.51a (begripsbepalingen)
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
bedrijventerrein: locaties in een omgevingsplan waaraan de functie bedrijf of bedrijventerrein is toegedeeld en activiteiten kunnen worden verricht als: handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening of industrie, met uitzondering van locaties waaraan exclusief functies zijn toegedeeld voor: kantoren, detailhandel, maatschappelijke doeleinden of jachthavens, horeca, logies en overige leisure, met een bruto omvang van meer dan 1 hectare, uitgezonderd solitaire bedrijven, niet zijnde een betoncentrale, asfaltcentrale of puinbreker, buiten bestaand stads- en dorpsgebied;
watergebonden bedrijventerrein: bedrijventerrein of deel daarvan dat aan vaarwater ligt met een vaarklasse van II of hoger met een: haven, kade, drijvende laad- en losinstallatie of scheepshelling of -dok, beperkt tot de aan de laad- en losvoorziening liggende kavel;
compensatie van feitelijk gebruik bedrijventerrein: compensatie van de manier waarop het kavel op dat moment wordt gebruikt, waarbij met name wordt gekeken naar een in een milieuzonering vastgelegde gebruiksruimte voor geluid of geur, of milieucategorie, watergebondenheid en vierkante meter bruto vloeroppervlak, hetgeen kan afwijken van de toegedeelde functie in het omgevingsplan;
compensatie van toegedeelde functies bedrijventerrein: compensatie van dat wat mogelijk is in het een omgevingsplan, waarbij het gaat om de oppervlakte in hectares en de in een milieuzonering vastgelegde gebruiksruimte voor geluid of geur of milieucategorie.
Artikel 7.51b (aanwijzing en geometrische begrenzing (watergebonden) bedrijventerreinen en grote ruimtevragers)
1.
Bedrijventerreinen zijn de locaties, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.
2.
Watergebonden bedrijventerreinen zijn de locaties, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.
3.
Clusters voor grote ruimtevragers zijn de locaties, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.
Artikel 7.51c (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op een locatie van een bedrijventerrein of een watergebonden bedrijventerrein voor zover is voldaan aan de begripsbepaling voor bedrijventerrein of watergebonden bedrijventerrein.
Artikel 7.52 (bedrijven)
1.
Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein als bedoeld in artikel 7.51c laat bedrijven toe met de grootst mogelijke gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf, vastgelegd in een hoogst mogelijke geluidruimte zone en geurruimte zone of vergelijkbare milieuzonering, passend bij de omgeving van het bedrijventerrein, waarbij rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen die zijn opgenomen in een onherroepelijk omgevingsplan of ontwikkelingen als bedoeld in artikel 7.47.
2.
Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een watergebonden bedrijventerrein als bedoeld in artikel 7.51c laat in hoofdzaak watergebonden bedrijven toe.
3.
Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan in beperkte mate voorzien in woningen, bedrijfswoningen en andere functies op delen van een bedrijventerrein, voor zover dit niet in strijd is met het eerste lid.
4.
Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een bestaand bedrijventerrein als bedoeld in het eerste lid of het tweede lid en dat gehele of gedeeltelijke transformatie naar andere activiteiten dan bedrijven mogelijk maakt, verantwoordt in de motivering op welke wijze binnen de regio compensatie van de toegedeelde functies van bedrijventerrein zal plaatsvinden of al heeft plaatsgevonden.
5.
Compensatie van bedrijventerreinen als bedoeld in het vierde lid is nodig bij:
a.
een bedrijventerrein met een in een milieuzonering vastgelegde gebruiksruimte voor geluid en geur van een geluidruimte zone 2 en een geurruimte zone 2, of milieucategorie 3;
b.
een bedrijventerrein met de hoogst mogelijke in een milieuzonering vastgelegde gebruiksruimte voor geluid en geur, of milieucategorie 4 of hoger;
c.
een geluidgezoneerd bedrijventerrein; en
d.
een watergebonden bedrijventerrein.
6.
Het vierde en vijfde lid is van overeenkomstige toepassing bij verlaging van de in een milieuzonering vastgelegde gebruiksruimte voor geluid en geur, of de verlaging van de milieucategorie.
7.
Compensatie als bedoeld in het vierde en vijfde lid, kan achterwege blijven, als is aangetoond dat na transformatie voldoende bedrijventerrein in de regio beschikbaar zal blijven. Hierbij wordt rekening gehouden met zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte.
8.
Compensatie van feitelijke gebruik en vierkante meters voor vierkante meters is mogelijk mits wordt voldaan aan een evenwichtige balans in vraag en aanbod, vastgelegd in een door gedeputeerde staten aanvaarde regionale bedrijventerreinenvisie.
Artikel 7.52a (grote ruimtevragers)
1.
Een omgevingsplan laat grote ruimtevragers alleen toe op clusters voor grote ruimtevragers als bedoeld in artikel 7.51a, derde lid.
2.
Een omgevingsplan dat grote ruimtevragers toelaat houdt rekening met ruimtelijke kwaliteit, bereikbaarheidseffecten, duurzaamheid en de economische en maatschappelijke toegevoegde waarde van de ontwikkeling.
AO
Aan artikel 7.55 wordt een derde lid toegevoegd, luidende:
3.
Het boom- en sierteeltgebied - maatwerk is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.
AP
Artikel 7.56 wordt als volgt gewijzigd:
1.
In het tweede lid wordt “tot een derde deel van de bedrijfsoppervlakte” vervangen door “tot 70 procent van de beteelbare oppervlakte per bedrijf”.
2.
Er worden twee leden toegevoegd:
7.
In het omgevingsplan kan de begrenzing van het boom- en sierteeltgebied, bedoeld in het eerste lid, in beperkte mate worden aangepast, rekening houdend met de lokale omstandigheden, mits aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het boom- en sierteeltgebied.
8.
In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen toelaten die niet behoren tot de boom- en sierteelt voor zover het een locatie betreft met boom- en sierteeltgebied - maatwerk, bedoeld in artikel 7.55, derde lid.
Een omgevingsplan waarin een leiding, behorend tot de vitale infrastructuur openbare drinkwatervoorziening, bedoeld in artikel 7.80, aanwezig is, wijst een zone van minimaal vijf meter aan weerszijden van de leiding aan als beschermingszone drinkwatervoorziening.
2.
Het omgevingsplan laat nieuwe ontwikkelingen binnen de beschermingszone drinkwatervoorziening slechts toe voor zover bij de verwezenlijking daarvan geen belemmeringen kunnen ontstaan voor het functioneren, het onderhoud en de veiligheid van de drinkwatervoorziening.
3.
Voor de beoordeling of sprake is van belemmeringen als bedoeld in het tweede lid, wordt tijdig advies gevraagd aan het drinkwaterbedrijf dat beheerder is van de leiding.
AR
Paragraaf 7.4.2 komt te luiden:
§ 7.4.2 Grondwaterkwaliteit
Artikel 7.88 (beoordelingsregels activiteit met gevolgen voor een waterlichaam)
1.
Dit artikel is van toepassing op een waterschapsverordening die bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten die gevolgen kan hebben voor een krw-oppervlaktewaterlichaam of een grondwaterlichaam.
2.
Een waterschapsverordening bepaalt dat het verlenen van de omgevingsvergunning er in ieder geval niet toe mag leiden dat:
a.
de doelstelling van ombuiging van significante en aanhoudend stijgende trends als bedoeld in artikel 4.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt; en
b.
de doelstelling van het voorkomen van de achteruitgang en het streven naar verbetering van de kwaliteit van water bestemd voor menselijke consumptie, bedoeld in artikel 4.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.
Artikel 7.89 (voorschriften omgevingsvergunning activiteit met gevolgen voor een waterlichaam)
Een waterschapsverordening bepaalt dat aan de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit, bedoeld in artikel 7.88, eerste lid, voorschriften worden verbonden die een inbreng van verontreinigende stoffen naar het grondwater voorkomen of beperken.
Dit artikel is van toepassing op een waterschapsverordening die bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning de volgende wateronttrekkingsactiviteiten te verrichten:
a.
het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening;
b.
het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening.
2.
Een waterschapsverordening bepaalt dat een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit als bedoeld in het eerste lid alleen wordt verleend als de activiteit verenigbaar is met de dragende functie van het watersysteem.
3.
Een waterschapsverordening bepaalt dat een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit als bedoeld in het eerste lid, onder b, alleen wordt verleend als, in het in de bodem te brengen water, stoffen voorkomen:
a.
in lagere concentraties dan in bijlage XIX, onder A, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor die stoffen is aangegeven; of
b.
als bedoeld in bijlage XIX, onder B, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als die stoffen niet zijn aangegeven in bijlage XIX, onder A, van dat besluit, en die stoffen in zulke geringe hoeveelheden en concentraties aanwezig zijn dat gevaar voor verslechtering van de kwaliteit van het grondwater is uitgesloten.
4.
Een waterschapsverordening kan, in afwijking van het derde lid, bepalen dat de omgevingsvergunning kan worden verleend en kan voor één of meer stoffen een hogere concentratie als bedoeld in dat onderdeel toestaan voor een in de omgevingsvergunning aan te geven periode, als:
a.
de bodemgesteldheid of de bodemsoort zodanig is dat geen gevaar bestaat voor verontreiniging van het grondwater, als water in de bodem wordt gebracht waarin die stoffen voorkomen in hogere concentraties; of
b.
aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die het gevaar voor verontreiniging van het grondwater, dat ontstaat door het in de bodem brengen van water waarin die stoffen voorkomen in die hogere concentraties, opheffen.
AS
Artikel 7.92 vervalt.
AT
Paragraaf 7.5.4 komt te luiden:
§ 7.5.4 Omgevingsvergunning activiteit in verband met verontreiniging van het grondwater
Artikel 7.101 (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op een vergunningplichtige grondwatersanering die is aangewezen in artikel 3.134.
Artikel 7.102 (beoordelingsregels grondwatersanering met gevolgen voor waterlichaam)
1.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een grondwatersanering die gevolgen kan hebben voor een krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van:
a.
het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
b.
het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en
c.
het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.
2.
Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met de waterbeheerprogramma’s, de regionale waterprogramma’s, de stroomgebiedsbeheerplannen, de overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam.
3.
Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat:
a.
niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
b.
een goed ecologisch potentieel als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
c.
een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.
4.
Het derde lid is niet van toepassing:
a.
voor zover het gaat om de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als het niet voldoen aan die omgevingswaarde wordt veroorzaakt door een buiten Nederland gelegen verontreinigingsbron en toepassing is gegeven aan artikel 2.17, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of
b.
als het niet voldoen aan een omgevingswaarde of het niet bereiken van een goed ecologisch potentieel of een minder strenge doelstelling het gevolg is van:
1°.
nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam of wijzigingen in de stand van een grondwaterlichaam; en
2°.
toepassing is gegeven aan artikel 2.17, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
5.
Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval ook niet toe leiden dat de doelstelling van:
a.
het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt;
b.
het ombuigen van significante en aanhoudend stijgende trends, bedoeld in artikel 4.17, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet wordt bereikt; en
c.
het voorkomen van achteruitgang en streven naar verbetering van de kwaliteit van water bestemd voor menselijke consumptie, bedoeld in artikel 4.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt
6.
In afwijking van het vijfde lid wordt een omgevingsvergunning verleend als:
a.
de aanvraag betrekking heeft op de gevallen waarin het niet voorkomen van die achteruitgang het gevolg is van:
1°.
nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam;
2°.
wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of
3°.
het niet voorkomen van achteruitgang van een zeer goede toestand van een krw-oppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten;
b.
aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan; en
c.
de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, of in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren.
Artikel 7.102a (voorschriften activiteit met gevolgen voor waterlichaam)
Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.102, worden voorschriften verbonden die een inbreng van verontreinigende stoffen naar het grondwater voorkomen of beperken.
AU
Na hoofdstuk 12 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:
HOOFDSTUK 12a BEVOEGDHEDEN IN BIJZONDERE OMSTANDIGHEDEN
Afdeling 12a.1 Toevalsvondst van verontreiniging van het grondwater
Artikel 12a.1 (toepassingsbereik)
1.
Deze afdeling is van toepassing als naar het oordeel van gedeputeerde staten:
a.
ten minste een redelijk vermoeden bestaat van een toevalsvondst van verontreiniging van het grondwater; en
b.
onmiddellijk tijdelijke beschermingsmaatregelen, met inbegrip van onderzoek naar de aard en omvang van de risico’s van de verontreiniging van grondwater, noodzakelijk zijn om onaanvaardbare risico’s van verspreiding van de verontreiniging in of naar het grondwater te voorkomen of te beperken.
2.
Van onaanvaardbare risico’s voor het grondwater is in ieder geval sprake wanneer uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, bedoeld in paragraaf 3.4.2, blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft als bedoeld in artikel 3.131, onder c.
3.
Tijdelijke beschermingsmaatregelen strekken niet tot het ongedaan maken van de aangetroffen verontreiniging in het grondwater.
4.
Deze afdeling is niet van toepassing als de verontreiniging van grondwater valt onder een toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem als bedoeld in afdeling 19.2a van de Omgevingswet en daarvoor de benodigde tijdelijke beschermingsmaatregelen worden getroffen.
Artikel 12a.2 (treffen van tijdelijke beschermingsmaatregelen)
1.
Gedeputeerde staten verplichten de eigenaar of erfpachter tot het onmiddellijk treffen van tijdelijke beschermingsmaatregelen om onaanvaardbare risico’s voor het grondwater te voorkomen of te beperken, op de locatie waar de verontreiniging zich bevindt of waar de directe gevolgen van verspreiding van de verontreiniging, al dan niet indirect vanuit de bodem, naar het grondwater zich voordoen, voor zover die maatregelen redelijkerwijs van hem gevraagd kunnen worden.
2.
Gedeputeerde staten kunnen aanwijzingen geven over het treffen van tijdelijke beschermingsmaatregelen.
3.
Als de eigenaar of erfpachter niet of niet tijdig de vereiste tijdelijke beschermingsmaatregelen treft, kunnen gedeputeerde staten die maatregelen treffen of laten treffen.
Als gedeputeerde staten tijdelijke beschermingsmaatregelen treffen of laten treffen door derden, kunnen de kosten van die maatregelen op de eigenaar of erfpachter worden verhaald onverminderd artikel 13.3a van de Omgevingswet.
2.
De artikelen 5:10, tweede lid, en 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
AV
In bijlage 1 worden in de alfabetische rangschikking de volgende begripsbepalingen ingevoegd:
bronaanpak: het saneren van de bodem overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving in samenhang met de maatwerkregels, bedoeld in paragraaf 7.3.5.2, in verband met de aanwezigheid van een mobiele verontreiniging in de vaste bodem, die zich zowel in de onverzadigde als de verzadigde zone kan bevinden, met als oogmerk een inbreng van de verontreinigende stof vanuit de bodem naar het grondwater te voorkomen of beperken;
grondwatergevoelig gebouw: grondwatergevoelig gebouw als bedoeld in artikel 7.27;
grondwatergevoelige locatie: grondwatergevoelige locatie als bedoeld in artikel 7.28;
grote ruimtevragers: bedrijfsfuncties die zijn gehuisvest in een samenhangend gebouwencomplex op een bedrijfskavel van 5 hectare of meer;
milieuzones geluid en geur: zones met gebruiksruimte voor geluid en geur zoals omschreven in de Handreiking milieuzonering nieuwe stijl van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.
risicobeoordeling grondwaterkwaliteit: risicobeoordeling als bedoeld in paragraaf 3.4.2 om bij verontreiniging van het grondwater de risico’s voor het grondwater en het gebruik dat afhangt van het grondwater te bepalen;
significante grondwaterverontreiniging: verontreiniging van het grondwater, bedoeld in artikel 3.131, onder b of c, die volgt uit het verrichten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, bedoeld in paragraaf 3.4.2;
significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft: verontreiniging van het grondwater, bedoeld in artikel 3.131, onder c, die volgt uit het verrichten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, bedoeld in paragraaf 3.4.2;
toevalsvondst verontreiniging van het grondwater: onverwachte vondst van verontreiniging van het grondwater met onaanvaardbare risico’s op verspreiding naar het omliggende grondwater;
voorafgaand onderzoek: voorafgaand onderzoek als bedoeld in artikel 7.29, eerste en tweede lid;
Het GML-bestand voor de werkingsgebieden is via internet raadpleegbaar door de URL https://identifier.officielebekendmakingen.nl voor /join/.. te zetten (bijvoorbeeld https://identifier.officielebekendmakingen.nl/join/id/regdata/pv28/2020/Zuid-Holland@2021-06-29)
AX
Bijlage III, onderdeel A, komt te luiden:
A. Activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden
A.1. Schadelijke stoffen, mengsels, materialen en producten als bedoeld in artikel 3.22
Als stoffen, mengsels, materialen en producten schadelijk voor de kwaliteit van het grondwater als bedoeld in artikel 3.22 worden aangewezen:
a.
acuut toxische stoffen en mengsels als bedoeld in 3.1.1.1, deel 3, bijlage I, van de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels;
b.
corrosieve en irriterende stoffen en mengsels als bedoeld in 3.2.1, deel 3, bijlage I, van de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels;
c.
carcinogene stoffen en mengsels, categorie I en II als bedoeld in 3.6.2.1 en 3.6.3.1.1, deel 3, bijlage I, van de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels;
d.
mutagene stoffen en mengsels, categorie I en II als bedoeld in 3.5.2.1 en 3.5.3.1.1, deel 3, bijlage I, van de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels;
e.
reprotoxische stoffen en mengsels, categorie I en II als bedoeld in 3.7.2.1.1 en 3.7.3.1.2, deel 3, bijlage I, van de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels;
f.
stoffen en mengsels met doelorgaan toxische eigenschappen als bedoeld in 3.8.1 en 3.9.1, deel 3, bijlage I, van de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels;
g.
hormoonverstorende stoffen en mengsels: stoffen en mengsels met die eigenschappen voor zover aangewezen in EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels of EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen;
h.
persistente, organische en verontreinigende stoffen: stoffen, mengsels en voorwerpen als bedoeld in bijlage I tot en met IV van Verordening 2019/10213;
i.
gewasbeschermingsmiddelen, biociden, cosmetische producten, geneesmiddelen en diergeneesmiddelen met een eigenschap als bedoeld onder b tot en met e;
j.
zeer zorgwekkende stoffen als bedoeld in artikel 76, eerste lid, onder e, van verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PbEU 2007, L 136/30);
k.
zeer zorgwekkende stoffen;
l.
opkomende stoffen;
m.
andere producten, voorwerpen en materialen waarvan bekend is of in redelijkheid bekend zou moeten zijn, dat deze een, onder a tot en met l, aangewezen stof of mengsel bevat;
n.
bodembedreigende stoffen en mengsels anders dan die vermeld in meststoffen.
AY
In Bijlage III wordt na onderdeel A een onderdeel ingevoegd, luidende:
Aa. Activiteiten met betrekking tot het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreinigd grondwater
Aa.1. Verontreinigende stoffen in het grondwater
Dit onderdeel bevat de verontreinigende stoffen die van belang zijn bij het beoordelen van de mate van gevaar van een grondwaterverontreiniging voor de grondwaterkwaliteit en het vaststellen van (sanerende) maatregelen. Deze bijlage is gelijk aan bijlage 2 van het beleidskader grondwaterkwaliteit dat als bijlage D is opgenomen bij het Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027.
Aa.1.1 Waarden voor verontreinigende stoffen in het grondwater
1 De voorkeurswaarde geeft de grens aan waarboven er sprake is van verontreiniging van het grondwater. De voorkeurswaarde is gelijk aan de omgevingswaarde, bedoeld in bijlage IV van het Besluit kwaliteit leefomgeving en anders de toetsingswaarde voor het te infiltreren water, bedoeld in bijlage XIX van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bij het ontbreken van een omgevingswaarde of toetsingswaarde is de standaardwaarde voor grondwater, bedoeld in bijlage XVIIIa van het Besluit kwaliteit leefomgeving leidend. Indien er ook geen standaardwaarde voor grondwater aanwezig is, geldt de signaleringswaarde zoals opgenomen in bijlage 2 en 3 van het protocol “monitoring en toetsing drinkwaterbronnen KRW”.
2 Het gaat om de opgeloste hoeveelheid, tenzij anders aangegeven.
3 De signaleringsparameter beoordelen grondwatersanering is gelijk aan de signaleringsparameter grondwatersanering zoals opgenomen in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving of indien niet aanwezig de door het RIVM afgeleide Indicatieve Niveaus van Ernstige Verontreiniging (INEV’s).
4 Indien de landelijke of lokale achtergrondconcentratie hoger is dan de voorkeurswaarde mag hiervoor gecorrigeerd worden. Als landelijke achtergrondconcentratie voor ondiep grondwater (< 10 m) kan de streefwaarde voor ondiep grondwater zoals opgenomen in tabel 1 van bijlage 1 van de Circulaire Bodemsanering (Stcrt. 2013, 16675) gebruikt worden.
5 Voor afbraakproducten van gewasbeschermingsmiddelen en biociden wordt onderscheid gemaakt op basis van humaantoxicologische relevantie. De Europese milieukwaliteitseis voor water van 0,1 μg/l geldt alleen voor humaantoxicologisch relevante afbraakproducten.
6 Deze stoffen maken onderdeel uit van een somparameter. Op de samenstelling van de somparameters zijn de regels krachtens artikel 32, vierde lid, onder i, van het Besluit bodemkwaliteit 2021 van toepassing.
7 De definitie van minerale olie wordt beschreven bij de analysenorm. Als sprake is van verontreiniging met mengsels (bijvoorbeeld benzine of huisbrandolie) dan dient naast het alkaangehalte ook het gehalte aan aromatische en/of polycyclische aromatische koolwaterstoffen te worden bepaald. Met deze somparameter is om praktische redenen volstaan. Nadere toxicologische en chemische differentiatie wordt bestudeerd.
8 THM te bepalen als som van de concentraties van chloroform, broomdichloormethaan, dibroomchloormethaan en bromoform. Als een transportchloring wordt toegepast, is het toegestane maximum 70 μg/l.
9 Als een transportchloring wordt toegepast, is het toegestane maximum 100 μg/l.
10 Deze stof kan worden gevormd uit de precursor DMS (N,N, dimethylsulfamide; metaboliet gewasbeschermingsmiddel tolylfluanide) en het gebruik van ozon tijdens de zuivering. Ozon wordt tijdens de zuivering van grondwater niet toegepast. NDMA wordt in drinkwater alleen gemeten als er aanleiding toe is.
11 Voor PFOS, PFOA en GenX is aangesloten bij de door het RIVM afgeleide risicogrenzen ten behoeve van de vaststelling van interventiewaarden (Memo van RIVM aan IenW, 29 april 2021). Als voorkeurswaarde is voor water bestemd voor menselijke consumptie (in grondwaterbeschermingsgebied) gebruik gemaakt van de in tabel 4.2 van de memo opgenomen Cdw,max en voor grondwaterafhankelijke natuur is de voorkeurswaarde gelijk aan de in tabel 4.2 van de memo opgenomen HC50, direct. De signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering is gelijk aan de in tabel 4.2 van de memo opgenomen MTR.
Aa.1.2. Families en groepen van verontreinigende stoffen in het grondwater
Voor alle groepen of families van verontreinigende stoffen die opgenomen zijn in onderdeel Aa1.2 geldt voor elke individuele stof als voorkeurswaarde 0,1 ug/l tenzij er voor die stof in onderdeel Aa1.1 een voorkeurswaarde is opgenomen.
nr.
Families en groepen van gevaarlijke stoffen
1
Organische halogeenverbindingen en stoffen waaruit die verbindingen kunnen ontstaan
2
Organische fosforverbindingen
3
Organische tinverbindingen
4
Stoffen die een kankerverwekkende, mutagene of teratogene werking hebben
5
Minerale oliën en koolwaterstoffen
6
Cyaniden
7
De volgende metaloïden en metalen en verbindingen daarvan:
Kwik;
Cadmium;
Lood;
Arsenicum;
Antimoon;
Tin;
Beryllium;
Uranium;
Thallium;
Tellurium;
Zilver.
8
De volgende metalloïden en metalen en verbindingen daarvan:
Zink;
Koper;
Nikkel;
Chroom;
Selenium;
Molybdeen;
Borium;
Vanadium;
Kobalt;
Barium;
Titaan.
9
Biociden en derivaten daarvan, die niet onder de families en groepen van stoffen, bedoeld onder 1 tot en met 7 vallen.
Aa.2 Methoden bij de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit als bedoeld in artikel 3.126.
Aa.2.1 Methode algemene grondwaterkwaliteit
Aa.2.2 Methode krw-oppervlaktewaterlichaam
Aa.2.3 Methode water bestemd voor menselijke consumptie
Aa.2.4 Methode grondwaterafhankelijke natuur
AZ
Bijlage IV, onderdeel B.4., komt te luiden:
B.4. Aanvullende specifieke gegevens en bescheiden aanvraag omgevingsvergunning voor een grondwatersanering als bedoeld in artikel 3.133
Voor zover het gaat om een aanvraag als bedoeld in artikel 3.133 worden de volgende aanvullende specifieke gegevens en bescheiden verstrekt:
a.
de resultaten van voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
b.
een beschrijving van de effecten die met de saneringsaanpak wordt beoogd, waaronder mede begrepen een nadere beschrijving van de kwaliteit van het grondwater die met de grondwatersanering zal worden bereikt, waarbij een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft als bedoeld in artikel 3.131, onder c, wordt weggenomen;
c.
de keuze voor de saneringsaanpak, waarbij aangetoond wordt dat de gekozen saneringsaanpak leidt tot het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van het grondwater;
d.
omschrijving van de werkzaamheden, waaronder ten minste het maximale volume van de bodem en het grondwater waarin de werkzaamheden plaatsvinden en de maximale hoeveelheid te onttrekken grondwater;
e.
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de grondwatersanering te voorkomen of te beperken;
f.
als afvalwater wordt geloosd: de lozingsroutes; en
g.
de naam van de milieukundig begeleider.
BA
Bijlage IV, onderdeel D.2., komt te luiden:
D.2. Aanvullende specifieke gegevens en bescheiden bij een informatieverplichting voor een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit als bedoeld in artikel 3.132
Wanneer het gaat om een informatieverplichting als bedoeld in artikel 3.138, worden gegevens verstrekt over:
a.
de resultaten van het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
b.
de naam en het adres van degene die de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit heeft verricht;
c.
een onderbouwing van de daarbij toegepaste methode(n), bedoeld in artikel 3.126, tweede lid;
d.
de uitkomst van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, bedoeld in artikel 3.131;
BB
Na onderdeel D.2. wordt in Bijlage IV, een onderdeel ingevoegd, luidende:
D.2a. Aanvullende specifieke gegevens en bescheiden bij een melding voor een grondwatersanering als bedoeld in artikel 3.137
Wanneer het gaat om een melding als bedoeld in artikel 3.137, worden aanvullend de volgende specifieke gegevens en bescheiden verstrekt:
a.
de resultaten van voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
b.
de keuze voor de saneringsaanpak, waarbij aangetoond wordt dat de gekozen saneringsaanpak leidt tot het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van het grondwater;
c.
een omschrijving van de werkzaamheden, waaronder ten minste het maximale volume van de bodem en het grondwater waarin de werkzaamheden plaatsvinden en de maximale hoeveelheid te onttrekken grondwater;
d.
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de grondwatersanering te voorkomen of te beperken; en
e.
als afvalwater wordt geloosd: de lozingsroutes.
BC
Bijlage IV, onderdeel D.3., komt te luiden:
D.3. Aanvullende specifieke gegevens en bescheiden bij een informatieverplichting voor een grondwatersanering als bedoeld in artikel 3.138.
Wanneer het gaat om een informatieverplichting als bedoeld in artikel 3.138, worden gegevens verstrekt over:
a.
de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b.
de verwachte datum van het begin van de activiteit.
BD
Bijlage IV, onderdeel D.4., komt te luiden:
D.4. Aanvullende specifieke gegevens en bescheiden bij een informatieverplichting voor een grondwatersanering als bedoeld in artikel 3.139.
Wanneer het gaat om een informatieverplichting als bedoeld in artikel 3.139, worden gegevens verstrekt over:
a.
de naam en het adres van degene die de werkzaamheden gaat verrichten;
b.
de naam en het adres van de onderneming die de milieukundige begeleiding gaat verrichten; en
c.
de naam van de natuurlijke persoon die de milieukundige begeleiding gaat verrichten.
BE
Na onderdeel D.4. wordt in Bijlage IV, een onderdeel ingevoegd, luidende:
D.4A. Aanvullende specifieke gegevens en bescheiden bij een melding voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een provinciale weg als bedoeld in artikel 3.174a
[gereserveerd]
BF
Bijlage IV, onderdeel E, komt te luiden:
E. Gegevens en bescheiden ongewone voorvallen als bedoeld in de artikelen 3.26, 3.125, 3.154, 3.163, 3.176
De gegevens en bescheiden die aan gedeputeerde staten of anderen worden verstrekt als bedoeld in de artikelen 3.26, 3.125, 3.154, 3.163 en 3.176 zijn:
a.
informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
b.
informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;
c.
andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
d.
informatie over de maatregelen die zijn genomen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
BG
Bijlage IX, onderdeel A, komt te luiden:
A. Richtpunten als bedoeld in artikel 7.43a
Verwijsbepaling beleidskeuze landschap
Voor de inhoud van dit onderdeel wordt verwezen naar de beleidskeuze landschap, bij de Omgevingsvisie Zuid-Holland, initieel vastgesteld met identificatienummer NL.IMRO.9928.DOSx2016x0004358SV-VA01 en daarna diverse malen gewijzigd. De beleidskeuze landschap bevat de richtpunten. Deze richtpunten zijn ingedeeld naar landschapstypen.
BH
In Bijlage IX, wordt na onderdeel A, een onderdeel ingevoegd, luidende:
Aa. Verblijfsrecreatieparken als bedoeld in artikel 7.45g
Park Giessenburg, gemeente Molenlanden
Park Bilderhof, gemeente Molenlanden
BI
Bijlage IX, onderdeel B, komt te luiden:
B. Grote buitenstedelijke bouwlocaties als bedoeld in artikel 7.46
In de tabellen zijn de nog te ontwikkelen woningbouwlocaties, bedrijventerreinen en andere stedelijke ontwikkelingen groter dan 3 ha buiten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) opgenomen. In de tabellen is een overzicht opgenomen van de namen en de oppervlaktes van de locaties. Van de grote buitenstedelijke bouwlocaties is de geometrische begrenzing indicatief vastgelegd in bijlage II.
B.1. Tabel woningbouwlocaties
Tabel 1 Woningbouwlocaties
gemeente
plaats
naam locatie
bruto opp in ha
Holland Rijnland
Alphen aan den Rijn
Benthuizen
Bentlanden II
7
Alphen aan den Rijn
Boskoop
Torenpad-West
6
Alphen aan den Rijn
Hazerswoude-Rijndijk
Westvaartpark
15
Kaag en Braassem
Leimuiden
Leimuiden-West
7
Kaag en Braassem
Roelofarendsveen
Braassemerland (Westend, Veilingvaart, Centrum, GEM en Waterrijck)
119
Kaag en Braassem
Roelofarendsveen
Nieuwe Wetering
17
Katwijk
Katwijk
Locatie Valkenburg
318
Lisse
Lisse
Geestwater of Poelpolder
11
Nieuwkoop
Langeraar
Langeraar noordwest
10
Nieuwkoop
Nieuwkoop
Buytewech noord
17
Nieuwkoop
Nieuwkoop
Vrouwenakker
3
Nieuwkoop
Nieuwveen
De Verwondering of Hazeweg
21
Nieuwkoop
Noorden
Land van Koppen
6
Nieuwkoop
Ter Aar
Ter Aar noordoost
7
Noordwijk
Noordwijk
Bronsgeest
27
Noordwijk
Noordwijk
De Nes
6
Noordwijk
Noordwijk
Offem-Zuid
27
Noordwijk
Noordwijk
Sancta Maria
19
Noordwijk
Noordwijkerhout
Molenweg
3
Noordwijk
Noordwijkerhout
St. Bavo
14
Teylingen
Voorhout
Hooghkamer
35
Teylingen
Voorhout
Nieuw Boekhorst of Voorhout
56
Voorschoten (en Leidschendam-Voorburg)
Voorschoten
Duivenvoordecorridor
33 (bebouwing 5)
Voorschoten
Voorschoten
Starrenburg III
5
Haaglanden
Den Haag
Den Haag
Vroondaal Zuid
15
Den Haag
Den Haag
Westmadepark
26
Leidschendam-Voorburg (en Voorschoten)
Voorburg
Duivenvoordecorridor
33 (bebouwing 5)
Midden-Delfland
Den Hoorn
Kreekzone
4
Pijnacker-Nootdorp
Pijnacker
Ackerswoude / De Wig
31
Pijnacker-Nootdorp
Pijnacker
De Scheg
11
Pijnacker-Nootdorp
Pijnacker
Tuindershof / Keijzershof
34
Westland
De Lier
Molensloot
27
Westland
Kwintsheul
De Driesprong
7
Westland
Kwintsheul
Holle Watering
16
Westland
Monster
De Duinen
15
Westland
Monster
Monster noord
5
Westland
Monster
Westmade
66
Westland
Poeldijk
Poeldijk Westhof
21
Westland
's-Gravenzande
Poelkade / Het Nieuwe Water
29
Westland
's-Gravenzande
Waelpark / Waelpolder
30
Westland
Wateringen
Erasmuszone / Wippolder
23
Regio Rotterdam
Brielle
Brielle
Oude Goote
30
Hellevoetsluis
Hellevoetsluis
Boomgaard / Noordwest
56
Lansingerland
Bergschenhoek
Driehoek Oosteindseweg-Emmastraat
24
Lansingerland
Bergschenhoek
Hoeksekade noord I
4
Lansingerland
Bergschenhoek
Hoeksekade noord II
9
Lansingerland
Berkel
Driehoek Berkel noord
5
Lansingerland
Berkel
Westpolder / Bolwerk
53
Lansingerland
Bleiswijk
De Hoefslag / Korenmolenhoek
10
Lansingerland
Bleiswijk
Schil om Bleiswijk / Merenweg
28
Maassluis
Maassluis
Dijkpolder / Wilgenrijk
91
Nissewaard
Zuidland
Kreken van Nibbeland
16
Nissewaard
Oudenhoorn
De Akkerranden
6
Nissewaard
Spijkenisse
Maaswijk Noord
10
Ridderkerk
Rijsoord
Waalbos
4
Rotterdam
Hoek van Holland
Buitengebied noord en oost II
47
Rotterdam
Rotterdam
Oude Bovendijk
10
Schiedam
Schiedam
Spaanse Polder – ‘s-Gravenland
3
Westvoorne
Rockanje
De Drenkeling
22
Drechtsteden
Dordrecht
Dordrecht
Smitsweg
33
Hardinxveld-Giessendam
Giessendam
De Blauwe Zoom
10
Hardinxveld-Giessendam
Giessendam
‘t Oog
15
Midden-Holland
Bodegraven-Reeuwijk
Bodegraven
Weideveld 2
6
Bodegraven-Reeuwijk
Driebruggen
Groendijck-Oost
3
Bodegraven-Reeuwijk
Nieuwerbrug
De Wijde Wiericke
3
Bodegraven-Reeuwijk
Reeuwijk
De Steupel
4
Bodegraven-Reeuwijk
Reeuwijk-Brug
Breevaart, Oude Tol fase III
3
Bodegraven-Reeuwijk
Reeuwijk-Dorp
Reesvelt
4
Gouda
Gouda
Westergouwe
144
Waddinxveen
Waddinxveen
De Triangel
100
Waddinxveen
Waddinxveen
Glasparel+
7
Waddinxveen
Waddinxveen
't Suyt / Plan Nooitgedacht
11
Zuidplas
Moerkapelle
Moerkapelle noord
28
Zuidplas
Moerkapelle
Moerkapelle zuid
14
Zuidplas
Moordrecht
De Brinckhorst / Moordrecht west
14
Zuidplas
Nieuwerkerk
Esse Zoom / Groene Zoom
30
Zuidplas
Nieuwerkerk
Nieuwerkerk noord
183
Zuidplas
Zevenhuizen
Swanladriehoek
7
Zuidplas
Zevenhuizen
Zevenhuizen zuid
56
Zuidplas
Zuidplas
Rode Waterparel Westlob
53
Alblasserwaard- Vijfheerenlanden
Gorinchem
Gorinchem
Hoog Dalem
29
Molenlanden
Giessen-Oudekerk
Bilderhof
4
Molenlanden
Giessen-Oudekerk
Giessenburg
5
Molenlanden
Groot-Ammers
De Boomgaard
4
Molenlanden
Langerak
Woonleefhart
12
Molenlanden
Nieuw-Lekkerland
Nieuw-Lekkerland Oost
8
Molenlanden
Streefkerk
Kooikerspad
4
Hoeksche Waard
Hoeksche Waard
Heinenoord
Tienvoet
9
Hoeksche Waard
Mijnsheerenland
Mijnsheerenland noord
6
Hoeksche Waard
Puttershoek
Rustenburg
6
Hoeksche Waard
's-Gravendeel
's-Gravendeel west
18
Hoeksche Waard
's-Gravendeel
Tuinzigt v/h Evides
11
Hoeksche Waard
Westmaas
Westmaas oost
6
Hoeksche Waard
Klaaswaal
De Bonger III
7
Hoeksche Waard
Numansdorp
Torensteepolder fase 1a
20
Hoeksche Waard
Numansdorp
Torensteepolder fase 1b en 1c
10
Hoeksche Waard
Goudswaard
Locatie Westdijk
6
Hoeksche Waard
Nieuw-Beijerland
Nieuw-Beijerland zuid
10
Hoeksche Waard
Nieuw-Beijerland
Wetten/Schunselaar
7
Hoeksche Waard
Oud-Beijerland
Stougjesdijk oost
38
Hoeksche Waard
Strijen
Kleine Loo fase 1-5
6
Hoeksche Waard
Strijen
Sportlaan
3
Goeree-Overflakkee
Goeree-Overflakkee
-
De Nieuwe Marke
-
Goeree-Overflakkee
Goedereede
Onbekend
9
Goeree-Overflakkee
Nieuwe Tonge
Nieuwe Tonge
9
Goeree-Overflakkee
Ooltgensplaat
Onbekend
6
Goerree-Overflakkee
Ouddorp
Ouddorp Bad
6
Goeree-Overflakkee
Oude-Tonge
Oude Tonge
11
Goeree-Overflakkee
Sommelsdijk
Everdinapolder
5
Goeree-Overflakkee
Middelharnis
uitbreiding Westplaat / 2e haven
35
Goeree-Overflakkee
Stad aan 't Haringvliet
Onbekend
6
Bruto opp in ha: Oppervlakte van het als woningbouwlocatie aangeduide gebied in een omgevingsplan of ander ruimtelijk plan, inclusief de daarbij behorende voorzieningen, infrastructuur, groen en water. De aanduiding kan deels ook bestaand stads- en dorpsgebied betreffen.
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.