Vaststelling Nadeelcompensatieregeling infrastructurele maatregelen en kabels en leidingen provincie Drenthe

Gedeputeerde Staten van Drenthe;

 

gelet op artikel 158 van de Provinciewet en artikel 4:81 en titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht;

 

overwegende dat:

 

  • -

    Gedeputeerde Staten als gevolg van de uitvoering van hun publiekrechtelijke taken en bevoegdheden besluiten nemen of feitelijke handelingen verrichten;

  • -

    Gedeputeerde Staten op grond van artikel 4:126 van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd zijn om desgevraagd een vergoeding toe te kennen aan diegene die ten gevolge van de rechtmatige uitoefening van hun publiekrechtelijke bevoegdheid of taak schade lijdt of zal lijden;

  • -

    het wettelijk kader door middel van (interpreterende) beleidsregels geconcretiseerd kan worden met de nadere invulling van hetgeen wordt verstaan onder ‘schade die uitgaat boven het normaal maatschappelijk risico, die een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft’ en welke compensatienormen gehanteerd worden;

  • -

    het gewenst is de rechtszekerheid te bevorderen en transparantie te bieden aan derden over vergoeding van schade met betrekking tot infrastructurele maatregelen, de aanpassing van kabels en leidingen en de hiermee samenhangende overheidshandelingen en -besluiten;

 

BESLUITEN:

 

de navolgende beleidsregel ‘Nadeelcompensatie infrastructurele maatregelen en kabels en leidingen provincie Drenthe' vast te stellen.

 

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Toepassingsbereik

 

  • 1.

    Deze beleidsregel is van toepassing op de behandeling van een aanvraag om vergoeding van schade als bedoeld in titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht, als gevolg van:

    • a.

      de uitvoering van infrastructurele maatregelen, en de hiermee samenhangende overheidshandelingen en -besluiten;

    • b.

      een verzoek tot de aanpassing van kabels en/of leidingen, waarbij de aanpassing een gevolg is van een aan het publiekrecht of privaatrecht ontleende taak of bevoegdheid als bedoeld in hoofdstuk 3 van deze beleidsregel.

  • 2.

    Deze beleidsregel is niet van toepassing op een aanvraag om vergoeding van schade die valt onder de reikwijdte van hoofdstuk 15 van de Omgevingswet.

Artikel 2 Risicoaanvaarding

 

  • 1.

    Gelet op het bepaalde in artikel 4:126, tweede lid, onder a van de Algemene wet bestuursrecht heeft de aanvrager in ieder geval het risico van het ontstaan van schade aanvaard als gebruik wordt gemaakt van een vergunning, waarin is opgenomen dat een wijziging of intrekking van die vergunning is te voorzien in verband met activiteiten door of in opdracht van Gedeputeerde Staten.

  • 2.

    Gelet op het bepaalde in artikel 4:126, tweede lid, onder c van de Algemene wet bestuursrecht wordt geen vergoeding toegekend als de aanvrager heeft nagelaten zijn belang te realiseren, op het moment dat de aanvrager daartoe in de gelegenheid was, terwijl de aanvrager kon voorzien dat een maatregel genomen zou worden die aan dat realiseren in de weg zou komen te staan.

 

Artikel 3 Voorschot

 

  • 1.

    In aanvulling op het bepaalde in artikel 4:95 van de Algemene wet bestuursrecht kunnen Gedeputeerde Staten een voorschot toekennen van maximaal 70% van de verwachte vergoeding van de schade.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten kunnen voorwaarden verbinden aan de toekenning van een voorschot.

  • 3.

    Een voorschot geeft geen recht op toekenning van de schadevergoeding.

  • 4.

    Een voorschot wordt uitsluitend verleend als de aanvrager schriftelijk verklaart dat een ten onrechte uitbetaald voorschot geheel wordt terugbetaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van betaling van het voorschot tot aan de dag van de algehele voldoening. Gedeputeerde Staten kunnen hiervoor een zekerheidsstelling vragen.

Hoofdstuk 2 Infrastructurele maatregelen

Artikel 4 Berekening nadeelcompensatie

 

  • 1.

    Schade die valt onder het normaal maatschappelijk risico als bedoeld in artikel 4:126 Algemene wet bestuursrecht, komt niet voor vergoeding in aanmerking.

Onder het normaal maatschappelijk risico valt in ieder geval:

  • a.

    schade tot een bedrag van € 500,-- voor een particulier;

  • b.

    schade tot een bedrag van € 1.500,-- voor een onderneming; en

  • c.

    schade gelijk aan of minder dan 2% van de brutowinst, omzet of het inkomen van het voorafgaande jaar; en

  • d.

    schade gelijk aan of minder dan 10% van de gemiddelde jaaromzet dan wel de gemiddelde brutowinst van een onderneming berekend aan de hand van het bepaalde in lid 3.

  • 2.

    Als de schade bestaat uit winst- of inkomensderving, wordt de omvang daarvan bepaald door de gemiddelde jaaromzet dan wel de gemiddelde brutowinst gedurende een periode van drie jaren, te vergelijken met de omzet dan wel brutowinst in het jaar waarin de schade is geleden. Als hiertoe aanleiding bestaat wordt een inflatiecorrectie en/of een branche- of trendcorrectie toegepast.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten kunnen aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval op de vastgestelde schade die boven de drempelwaarden als bedoeld in het eerste lid uitstijgt, een kortingspercentage toepassen dat voor rekening van de benadeelde blijft. Dit kortingspercentage bedraagt ten hoogste 20% van de schade die, na toepassing van lid 1, het berekende drempelbedrag overstijgt.

Hoofdstuk 3 Kabels en leidingen

Artikel 5 Toepassing en werkingssfeer

 

  • 1.

    Dit hoofdstuk is van toepassing op aanvragen tot vergoeding van schade in verband met het aanpassen van kabels en leidingen, waarbij de aanpassing een gevolg is van de rechtmatige uitoefening van een aan het publiekrecht of privaatrecht ontleende taak of bevoegdheid.

  • 2.

    In gemeenschappelijke (infrastructurele) projecten van overheden, kan deze beleidsregel door een besluit van het college van gedeputeerde staten en een besluit van het college van burgemeester en wethouders van toepassing worden verklaard. Deze beleidsregel geldt alsdan voor het gehele beperkingengebied, dat door een samenwerkingsbesluit van de bevoegde gezagen is vergroot. Het verzoek tot aanpassing wordt door beide of meerdere bevoegde gezagen genomen.

  • 3.

    Onder de werking van deze beleidsregel vallen niet:

    • a.

      aanpassingen van kabels als bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet;

    • b.

      kabels en leidingen in eigendom of beheer van de provincie.

    • c.

      aanpassing van een kabel of leiding die ligt op grond van een opgelegde gedoogplicht als bedoeld in hoofdstuk 10 van de Omgevingswet;

    • d.

      aanpassing van een kabel of leiding die niet in openbare grond ligt en onder de werking van afdeling 15.3 van de Omgevingswet valt;

    • e.

      aanpassing van een kabel of leiding die ligt met een zakelijk recht;

    • f.

      aanpassing van een kabel of leiding die onrechtmatig ligt.

Artikel 6 Begrippen en definities

 

  • a.

    Aanpassingen:

werkzaamheden ten aanzien van een kabel of leiding, inhoudende verlegging of het anderszins wijzigen van de fysieke ligging, verwijdering of het aanbrengen van beschermende voorzieningen om de bestaande ligging te handhaven;

  • b.

    Aanvrager:

indiener van een aanvraag om tegemoetkoming van geleden schade, doorgaans de netbeheerder;

  • c.

    Beperkingengebied: het bij of krachtens de wet aangewezen gebied dat in de Omgevingsverordening provincie Drenthe is aangewezen als beperkingengebied provinciale wegen of beperkingengebied provinciale vaarwegen en waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden voor activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Binnen het beperkingengebied vallen onder andere gronden die tot een weg of vaarweg worden gerekend, waaronder verharding, bermen, het vaarwater, oevers en kaden. In een gemeenschappelijk project met een ander bestuursorgaan kan het beperkingengebied door middel van een samenwerkingsbesluit worden uitgebreid;

  • d.

    Buitenleiding:

een kabel of leiding die buiten het beperkingengebied is gelegd;

  • e.

    Gemeenschappelijk project:

gezamenlijk project tussen overheden waarbij infrastructurele maatregelen in samenwerking met die overheid noodzakelijk worden geacht;

  • f.

    Kabel:

buigzame verbinding, bestaande uit één of meer geleiders, die zijn samengesteld uit draden van metaal of glasvezel en geschikt zijn voor het transport van elektrische energie, elektrische signalen of optische signalen;

  • g.

    Kruisende leiding:

een kabel of leiding die, krachtens ontheffing, vergunning of toestemming, kruisend door, op, boven, onder of in een infrastructureel werk of andere werken in beheer van de provincie of gemeenschappelijk project is gelegd;

  • h.

    Langsliggende leiding:

een kabel of leiding die, krachtens ontheffing, vergunning of toestemming, parallel is gelegd aan, boven, onder op of in een infrastructureel werk of andere werken in beheer van de provincie of gemeenschappelijk project;

  • i.

    Leiding:

holle buis, vervaardigd van een duurzaam materiaal, zoals staal, beton of kunststof, geschikt voor het transport van vloeistoffen en gassen;

  • j.

    Liggingsduur:

periode waarin een kabel of leiding krachtens ontheffing, vergunning of toestemming, vanaf de datum van (bekendmaking van) de ontheffing, vergunning of toestemming ligt tot en met de dag van het besluit tot intrekking of wijziging van deze ontheffing, vergunning of toestemming;

  • k.

    Netbeheerder:

degene die kabel- en/of leidinginfrastructuur in eigendom heeft en/of beheert;

  • l.

    Ontheffing/vergunning/toestemming:

schriftelijke verklaring voor het mogen hebben van een kabel of leiding in provinciaal (of gemeenschappelijk project) (vaar)weggebied, als bedoeld in de Provinciale omgevingsverordening Drenthe;

  • m.

    Overheid/overheden:

bestuursorgaan c.q. bestuursorganen die met elkaar kunnen samenwerken in een gemeenschappelijk project;

  • n.

    Schade:

schade die is geleden door rechtmatig handelen van de overheid.

  • o.

    Verzoek tot aanpassing:

formele aanschrijvingsbrief (besluit) waarin het bevoegde gezag de netbeheerder verzoekt een kabel of leiding te verleggen en waarin eventueel een aankondiging wordt gemaakt van de intrekking of wijziging van de verleende ontheffing/vergunning of toestemming

Artikel 7 Schade ten gevolge van de uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid of taak

 

  • 1.

    Bij de beoordeling of de aanvrager recht heeft op schadevergoeding als bedoeld in titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht, moet in ieder geval aan de volgende vereisten worden voldaan:

    • a.

      Er is sprake van schade die uitgaat boven het normaal maatschappelijk risico. Voor de beoordeling hiervan nemen Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe de artikelen 11 tot en met 15 van deze beleidsregel in aanmerking;

    • b.

      Er is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 4:126, lid 2 Algemene wet bestuursrecht, waarbij aanvrager onder meer:

      • i.

        risico op schade actief heeft aanvaard als bedoeld in artikel 2, lid 1. Dit houdt in dat in de verleende ontheffing, vergunning of toestemming een bepaling is opgenomen dat binnen een periode van 5 jaar een aanpassing is te voorzien. Ter bepaling van de periode van 5 jaar moet worden gerekend vanaf de datum van inwerkingtreding van de betreffende ontheffing, vergunning of toestemming tot het moment dat daadwerkelijk een verzoek tot aanpassing wordt toegezonden;

      • ii.

        het risico van het ontstaan van de schade als bedoeld in artikel 2, lid 2 heeft aanvaard.

    • c.

      De ligging van de kabel en/of leiding moet door Gedeputeerde Staten als rechtmatig zijn aangewezen doordat er een ontheffing, vergunning of toestemming is verleend.

    • d.

      Wanneer er geen ontheffing, vergunning of toestemming meer aanwezig is in de provinciale archieven, dient voldoende aannemelijk te worden gemaakt dat de kabel en/of leiding rechtmatig ligt.

  • 2.

    Bij het bepalen van de omvang van schadevergoeding worden de artikelen 9 tot en met 15 van deze beleidsregel in aanmerking genomen.

Artikel 8 Schade ten gevolge van de uitoefening van een privaatrechtelijke bevoegdheid of taak

 

  • 1.

    De aanvrager die ten gevolge van een privaatrechtelijke handeling door of namens Gedeputeerde Staten, inhoudende een verzoek tot aanpassing van een kabel of leiding, schade lijdt of zal lijden, zal desgevraagd een vergoeding worden toegekend.

  • 2.

    Bij de beoordeling of de aanvrager een recht heeft op schadevergoeding ingevolge lid 1 van dit artikel, moet in ieder geval aan de volgende vereisten worden voldaan:

    • a.

      er bestaat causaal verband tussen de schade en het schadeveroorzakende handelen door de provincie;

    • b.

      er is geen sprake een situatie als bedoeld in artikel 4:126, lid 2 Algemene wet bestuursrecht;

    • c.

      de ligging van de kabel of leiding moet door de rechthebbende van de grond waarin deze is gelegen als rechtmatig zijn aangewezen, doordat er een ontheffing, vergunning of toestemming is verleend.

  • 3.

    Bij het bepalen van de hoogte van schadevergoeding wordt aangesloten bij de systematiek van het onteigeningsrecht en worden de artikelen 9 tot en met 12 en artikel 15 van deze beleidsregel in aanmerking genomen.

Artikel 9 Technische oplossing

 

  • 1.

    Een aanpassing dient altijd op basis van een technisch adequaat alternatief tegen de maatschappelijk laagste kosten te worden gerealiseerd. Indien deze oplossing leidt tot extra schade bij de aanvrager ten opzichte van de meest voor de hand liggende oplossing, dan kan deze extra schade gecompenseerd worden door toepassing van artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht.

  • 2.

    Indien in bijzondere omstandigheden gronden aanwezig zijn om te concluderen dat redelijkerwijs een groter of kleiner gedeelte van de schade ten laste van de aanvrager dient te blijven dan uit de toepassing van het gestelde in de artikelen 7 en 8 voortvloeit, kan van het bepaalde in die artikelen worden afgeweken.

Artikel 10 Voordeeltoerekening

 

Indien een schadeveroorzakende gebeurtenis als bedoeld in de artikelen 7 en 8 van deze beleidsregel tevens voordeel voor de aanvrager heeft opgeleverd, wordt dit overeenkomstig artikel 4:126, lid 3 Algemene wet bestuursrecht bij de vaststelling van de te vergoeden schade in aanmerking genomen. Onder voordeel als hier bedoeld wordt in ieder geval begrepen:

  • a.

    capaciteitstoename van de kabel of leiding;

  • b.

    verhoging van de drukklasse;

  • c.

    opheffen van een evident verkeerde ligging;

  • d.

    opheffen van constructiefouten;

  • e.

    opheffen van foutieve leidingmaterialen, voor zover deze de technische levensduur significant kunnen beïnvloeden;

  • f.

    reconstructie van oudere kabel- of leidingnetten.

Artikel 11 Kostencomponenten

 

  • 1.

    Bij de schadeberekening wordt uitgegaan van de werkelijke kosten van de verlegging van een kabel of leiding. De volgende kosten directe kosten worden daarbij in aanmerking genomen:

    • a.

      Uitvoeringskosten

      • i.

        Kosten van civieltechnische, bouwkundige en installatietechnische werkzaamheden (zoals werkputten en ondersteuningen)

      • ii.

        Kosten samenhangend met de uitvoering van het verwijderen van als direct gevolg van de onderhavige werkzaamheden verlaten kabels of leidingen

      • iii.

        Kosten van constructieve en bijzondere voorzieningen die nodig zijn in verband met de aanraking van het infrastructuurwerk (zoals overkluizingen en mantelbuizen)

      • iv.

        Kosten van tijdelijke voorzieningen van fysieke aard: alle tijdelijke fysieke kabel- en leidingverbindingen die de netbeheerder moet aanleggen en buiten bedrijf moet laten stellen in het kader van de door Gedeputeerde Staten gevraagde of uitgevoerde verlegging

      • v.

        De kosten van een CAR-verzekering

      • vi.

        De eenmalige kosten verbonden aan het vestigen van zakelijke rechten

    • b.

      Kosten van ontwerp en begeleiding

      • i.

        Onderzoek

      • ii.

        Voorontwerp

      • iii.

        Definitief ontwerp

      • iv.

        Bestek

      • v.

        Aanbesteding en gunning

      • vi.

        Detaillering ten behoeve van de uitvoering

      • vii.

        Directievoering

      • viii.

        Oplevering

      • ix.

        Onderhouds- en garantietermijn

    • c.

      Materiaalkosten

      • i.

        Kabel- en leidingcomponenten

      • ii.

        Kosten van bedrijfseigen materialen die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van de functie van de te verleggen leiding en daarvoor noodzakelijke beschermingsconstructies.

      • iii.

        Bouwmaterialen

      • iv.

        Bouwmaterialen bestemd voor gebouwen waarin delen van kabel- en leidingsystemen worden ondergebracht

      • v.

        Transport van materiaal naar de bouwplaats

    • d.

      Kosten van het uit en in bedrijf stellen van de kabel of leiding

      • i.

        Kosten van het spannings- of product loos maken van de kabel of leiding alsmede de kosten van het weer in bedrijf stellen van de kabel of leiding

      • ii.

        Kosten samenhangend met tijdelijke voorzieningen van operationele aard om de levering tijdens de uitvoering van een verlegging te waarborgen, bijvoorbeeld extra kosten van personele aard ten behoeve van bedrijfsvoering en hulpmiddelen voor die bedrijfsvoering zoals watertanks, gasflessen en noodaggregaten.

  • 2.

    Kosten die niet vallen onder de in het eerste lid genoemde kostencomponenten, waaronder BTW-kosten en kosten voor schades van derden als gevolg van in en uit bedrijf stellen worden door Gedeputeerde Staten geacht te behoren tot het normaal maatschappelijk risico en komen derhalve niet voor vergoeding in aanmerking.

Artikel 12 Langsliggende leidingen

 

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in deze beleidsregel bestaat de vergoeding als bedoeld in artikel 7, eerste lid, voor zover betrekking hebbende op langsliggende leidingen, afhankelijk van de liggingsduur, uit een percentage van de werkelijke kosten als bedoeld in artikel 11, eerste lid.

  • 2.

    Na het verstrijken van de jaren sinds het van kracht worden van de door Gedeputeerde Staten verleende ontheffing, vergunning of toestemming, wordt een gedeelte van de schade geacht te vallen binnen het normaal maatschappelijk risico.

  • 3.

    Als het verzoek tot aanpassing is toegezonden of uitgereikt binnen vijf jaren na het van kracht worden van de door Gedeputeerde Staten verleende ontheffing, vergunning of toestemming voor de kabel of leiding bedraagt de vergoeding 100%.

  • 4.

    Vanaf het begin van het zesde jaar tot het einde van het tiende jaar daalt het vergoedingspercentage lineair van 80% naar 0%, zoals weergegeven in bijlage 1.

  • 5.

    Na het verstrijken van tien jaren sinds het van kracht worden van de door Gedeputeerde Staten verleende ontheffing, vergunning of toestemming, wordt geen nadeelcompensatie toegekend. De volledige schade wordt geacht te vallen binnen het normaal maatschappelijk risico.

Artikel 13 Kruisende leidingen

 

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in deze beleidsregel bestaat de vergoeding als bedoeld in artikel 7, eerste lid, voor zover betrekking hebbende op kruisende leidingen, afhankelijk van de liggingsduur, uit een percentage van de werkelijke kosten als bedoeld in artikel 11, eerste lid.

  • 2.

    Na het verstrijken van de jaren sinds het van kracht worden van de door Gedeputeerde Staten verleende ontheffing, vergunning of toestemming, wordt een gedeelte van de schade geacht te vallen binnen het normaal maatschappelijk risico.

  • 3.

    Als het verzoek tot aanpassing is toegezonden of uitgereikt binnen vijf jaren na het van kracht worden van de door Gedeputeerde Staten verleende ontheffing, vergunning of toestemming voor de kabel of leiding bedraagt de vergoeding 100%.

  • 4.

    Vanaf het begin van het achtste jaar tot het einde van het twintigste jaar daalt het vergoedingspercentage lineair van 80% naar 0%, zoals weergegeven in bijlage 2.

  • 5.

    Na het verstrijken van twintig jaren sinds het van kracht worden van de door Gedeputeerde Staten verleende ontheffing, vergunning of toestemming, wordt geen nadeelcompensatie toegekend. De volledige schade wordt geacht te vallen binnen het normaal maatschappelijk risico.

Artikel 14 Buitenleidingen

 

Onverminderd het bepaalde in deze beleidsregel wordt de vergoeding als bedoeld in de artikelen 7 en 8, voor zover betrekking hebbende op kabels en leidingen die geheel buiten het beperkingengebied van de provincie of gemeenschappelijk project zijn gelegen, en waarop een nadeelcompensatieregeling van een ander bestuursorgaan van kracht is, bepaald door toepassing van de nadeelcompensatieregeling van het andere bestuursorgaan. Indien geen nadeelcompensatieregeling van een ander bestuursorgaan van kracht is, wordt de vergoeding van de schade berekend op basis van de systematiek als beschreven voor kruisende leidingen in artikel 13.

Artikel 15 Nieuw voor oud

 

  • 1.

    Indien sprake is van kenbaar technisch versleten kabels of leidingen wordt een aftrek nieuw voor oud toegepast. Bij de berekening van de schade wordt daarbij uitgegaan van een technische levensduur, zoals beschreven in bijlage 3, met dien verstande dat leidingen met een technische levensduur van meer dan 100 jaar geacht worden niet aan veroudering onderhevig te zijn.

  • 2.

    De technische levensduur van soorten kabels of leidingen die niet in dit overzicht zijn opgenomen wordt naar redelijkheid bepaald.

Artikel 16 Vereisten aanvraag

 

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 4:2 en 4:127 Algemene wet bestuursrecht bevat de aanvraag om een vergoeding, voor zover van toepassing, ten minste:

    • a.

      Een per kostensoort gespecificeerde opgave, berekend overeenkomstig de artikelen 9 tot en met 15 van deze beleidsregel en aan de hand van het model als opgenomen in bijlage 4;

    • b.

      Een onderbouwing van de werkelijk gemaakte kosten door middel van facturen van ingekochte goederen en diensten en (interne) urenstaten;

    • c.

      Een motivatie waarom Gedeputeerde Staten gehouden zijn een vergoeding toe te kennen.

    • 2.

      Indien de verwachte schade minder dan € 50.000,-- bedraagt, wordt de schadevergoeding in beginsel op basis van een vooraf vast te stellen vaste kostprijs afgehandeld, tenzij één van de partijen uitdrukkelijk vóór uitvoering van de aanpassing schriftelijk anders meedeelt.

  • 3.

    Indien de verwachte schade meer dan € 50.000,-- bedraagt, kan de schadevergoeding op basis van een vaste prijs worden afgehandeld, mits partijen dit uitdrukkelijk vóór uitvoering van de aanpassing zijn overeengekomen.

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

Artikel 17 Overgangsrecht

 

Op een aanvraag tot vergoeding van schade ingeval van de verlegging van kabels en leidingen, waarvan de schadeoorzaak zich voor de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregel heeft voorgedaan, blijft de Nadeelcompensatieregeling verleggen kabels en leidingen provincie Drenthe 2008 van toepassing.

Artikel 18 Inwerkingtreding en citeertitel

 

  • 1.

    Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de datum van inwerkingtreding van titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht.

  • 2.

    Deze beleidsregel wordt aangehaald als: beleidsregel Nadeelcompensatie infrastructurele maatregelen en kabels en leidingen provincie Drenthe.

  • 3.

    Met ingang van de dag van inwerkingtreding van deze beleidsregel wordt de Nadeelcompensatieregeling verleggen kabels en leidingen provincie Drenthe 2008 ingetrokken.

 

Bijlage 1 Vergoedingsmatrix bij langsliggende leidingen

 

Liggingsduur in jaren

Vergoedingspercentage

1-5

100%

6

van 80,00% tot 64,00%

7

van 64,00% tot 48,00%

8

van 48,00% tot 32,00%

9

van 32,00% tot 16,00%

10

van 16,00% tot 1,33%

11

0%

 

Bijlage 2 Vergoedingsmatrix bij kruisende leidingen

 

Liggingsduur in jaren

Vergoedingspercentage

1-7

100%

8

van 80,00% tot 73,88%

9

van 73,88% tot 67,77%

10

van 67,77% tot 61,65%

11

van 61,65% tot 55,54%

12

van 55,54% tot 49,42%

13

van 49,42% tot 43,31%

14

van 43,31% tot 37,19%

15

van 37,19% tot 31,07%

16

van 31,07% tot 24,96%

17

van 24,96% tot 18,84%

18

van 18,84% tot 12,73%

19

van 12,73% tot 6,61%

20

van 6,61% tot 0,49%

21

0%

 

Bijlage 3 Overzicht technische levensduur

 

Waterleidingen

 

Transportleidingen

Materiaal

Diameterrange [mm]

Staal

>300

>100

Beton

>300

>100

Asbestcement

>300

70

Nodulair GIJ

>300

>100

Laminair GIJ

>300

>100

PVC vóór 1975

>315

40

PVC van en na 1975

>315

70

PE

>300

70

GVK

>300

>100

 

Distributieleidingen

 

Materiaal

Diameterrange [mm]

Verwachte technische levensduur [jaar]

Asbestcement

50-300

70

Nodulair GIJ

80-300

>100

Laminair GIJ

80-300

80

PVC vóór 1975

32-315

40

PVC van en na 1975

32-315

70

PE

60-300

70

Staal

60-300

80

 

Aansluitleidingen

Kleinere leidingen (tot 50 mm) niet relevant, grotere conform de distributieleidingen.

 

Gasleidingen

 

Transportleidingen (8, 4 en 1 bar)

Materiaal

Verwachte technische levensduur [jaar]

Staal

>100

Nodulair GIJ

>100

PE 1e en 2e generatie

70

PE 3e generatie

>100

 

Distributieleidingen (100 en 30 mbar)

Materiaal

Verwachte technische levensduur [jaar]

Asbestcement

70

Staal

80

Nodulair GIJ

>100

Laminair GIJ

>100

PE 1e en 2e generatie

70

PE 3e generatie

>100

slv PVC

>100

HPVC

70

 

Elektriciteitskabels

 

Hoogspanningsmasten

Materiaal

Verwachte technische levensduur [jaar]

Stalen masten

>100

 

Transportkabels (>30 kV)

Materiaal

Verwachte technische levensduur [jaar]

Oliedruk kabel

55

Oliedruk kabel >1970

70

Gasdrukpijpkabel

70

Gepantserd papier lood kabel (GPLK)

60

(XL)PE kabel, gegrafiteerd, niet waterdicht of voorzien van waterboombestendige isolatie 

20

(XL)PE kabel, niet gegrafiteerd, niet waterdicht of voorzien van waterboombestendige isolatie

40

(XL)PE kabel, waterdicht of voorzien van waterboombestendige isolatie

70

 

Distributiekabel middenspanning (tot 30 kV)

Materiaal

Verwachte technische levensduur [jaar]

Gepantserd papier lood kabel (GPLK)

60

(XL)PE kabel, gegrafiteerd, niet waterdicht of voorzien van waterboombestendige isolatie

20

(XL)PE kabel, niet gegrafiteerd, niet waterdicht of voorzien van waterboombestendige isolatie

40

(XL)PE kabel, waterdicht of voorzien van waterboombestendige isolatie

70

 

Distributiekabels laagspanning (0,4 kV)

Materiaal

Verwachte technische levensduur [jaar]

GPLK

100

PVC

100

 

Aardgas. Kl, K2 EN K3 transportleidingen ( > 8 bar)

Materiaal

Diameterrange [mm]

Verwachte technische levensduur [jaar]

Staal

>100

>100

 

Bijlage 4 Formulier aanvraag

 

 

Toelichting op de beleidsregel Nadeelcompensatie infrastructurele maatregelen en kabels en leidingen provincie Drenthe

 

Algemene toelichting

 

Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe zijn als bestuursorgaan onder voorwaarden verplicht tot het vergoeden van onevenredige schade aan derden, veroorzaakt door rechtmatige handelingen of besluiten in het kader van de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid. In beginsel wordt rechtmatig overheidshandelen geacht in het algemeen belang te zijn.

 

Bij infrastructurele maatregelen kan het onder andere gaan om het feitelijk handelen, zoals de reconstructie of het onderhoud van wegen of vaarwegen. Ook kan het bijvoorbeeld gaan om besluiten tot het beperken van het verkeer op de weg of vaarweg, of het intrekken of wijzigen van een vergunning. De schade die in voorkomende gevallen ontstaat kan onder andere bestaan uit tijdelijk geleden omzetverlies, tijdelijke winst- of inkomensderving en/of tijdelijke omrijdschade.

Bij dit rechtmatig overheidshandelen gaat het in de regel om algemeen maatschappelijke ontwikkelingen die van tijd tot tijd kunnen plaatsvinden en die soms nadeel voor burgers en bedrijven tot gevolg kunnen hebben. Het gaat hier om tijdelijke, normaal maatschappelijke ontwikkelingen, in beginsel gedurende maximaal twee aaneengesloten jaren.

Eenieder moet hiermee rekening houden, ook al bestaat geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze ontwikkelingen aan de orde zijn. Ook is vaak niet bekend welk specifiek nadeel daaruit voortvloeit. Dit wordt het normaal maatschappelijk risico of het normaal ondernemersrisico genoemd. In deze beleidsregel wordt voor beide termen de term normaal maatschappelijk risico gehanteerd.

 

Een andere, specifieke vorm van schade door rechtmatig overheidshandelen betreft schade die geleden wordt door netbeheerders door gedwongen aanpassingen aan de ligging van kabels en leidingen, als die aanpassing noodzakelijk is vanwege de reconstructie van een provinciale (vaar)weg. De schadeoorzaak ligt in beginsel bij het formele verzoek tot aanpassing, doorgaans VTA genoemd (het schadeveroorzakende besluit).

 

Met ingang van 1 januari 2024 heeft het nadeelcompensatierecht, dat voorheen grondslag vond in het rechtsbeginsel ‘égalité devant les charges publiques’ (ook wel: gelijke verdeling van publieke lasten), een wettelijke basis gekregen in titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Net als het geval was vóór inwerkingtreding van deze wet, wordt ook in titel 4.5 aan bestuursorganen een bepaalde mate van discretionaire ruimte gelaten om nadere regels vast te stellen, met name met betrekking tot de uitleg van welke schade tot het normaal maatschappelijk risico behoort. De discretionaire ruimte komt tot uiting in verschillende nadeelcompensatieregelingen die op alle landelijke bestuursniveaus tot stand zijn gekomen.

 

Wat regelt deze beleidsregel

Deze beleidsregel is geheel afgestemd op titel 4.5 Awb en regelt de nadere invulling daarvan door Gedeputeerde Staten van Drenthe voor wat betreft nadeelcompensatie bij infrastructurele maatregelen, aanpassing van kabels en leidingen en de hiermee samenhangende overheidshandelingen en -besluiten. Dit betekent dat besluiten op basis van de Wegenverkeerswetgeving, Wegenwet of Scheepvaartverkeerswetgeving, onder de werking van deze beleidsregel kunnen vallen. Deze wet- en regelgeving richt zich vooral op het veilig en doelmatig gebruik van weg of vaarweg door het verkeer.

De beleidsregel geeft met name een nadere invulling van het normaal maatschappelijk risico.

 

De beleidsregel bestaat uit vier hoofdstukken. Hoofstuk 1 regelt de algemene bepalingen die zowel zien op infrastructurele maatregelen als de verlegging van kabels en leidingen. Hoofdstuk 2 ziet op infrastructurele maatregelen. Hoofdstuk 3 ziet op de verlegging van kabels en leidingen. Hoofdstuk 4 regelt het overgangsrecht en de inwerkingtreding van de beleidsregel.

 

Wat regelt deze beleidsregel niet

Er zijn besluiten die vallen onder de reikwijdte van de Omgevingswet en de Omgevingsverordening. Afdeling 15.1 Omgevingswet geeft een limitatieve en exclusieve opsomming van schadeoorzaken. Dit schadevergoedingsstelsel ziet echter op andere schadeveroorzakende gebeurtenissen en daarop is deze beleidsregel niet van toepassing.

 

De beleidsregel ziet niet op aanvragen voor vergoeding van schade vanwege infrastructurele maatregelen die niet als tijdelijk zijn aan te merken of langer dan 2 jaar duren. De in de beleidsregel opgenomen rekenmethoden lenen zich minder goed voor de beoordeling van permanente en zeer langdurige schade. In voorkomende gevallen zal een beoordeling plaatsvinden de hand van de specifieke omstandigheden van het geval. Daarbij kunnen de uitgangspunten in deze beleidsregel uiteraard wel ondersteunend en/of richtinggevend zijn.

Elke aanvraag om schadevergoeding is uniek. Beleidsmatig kunnen nooit alle mogelijke voorkomende feiten en omstandigheden hierin betrokken worden. Op grond van de regeling van artikel 4:84 Awb (de inherente afwijkingsbevoegdheid) hebben Gedeputeerde Staten in zeer uitzonderlijke gevallen de mogelijkheid om af te wijken van de beleidsregel als de toepassing ervan tot gevolg heeft dat een beslissing wordt genomen die onmiskenbaar als onevenredig moet worden aangemerkt in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Er bestaat geen aanleiding een hardheidsclausule toe te passen die meer of anders regelt dan hetgeen uit de wet volgt.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Hoofdstuk 1 Algemeen

 

Artikel 1 Toepassingsbereik

De beleidsregel is van toepassing op de behandeling van aanvragen om nadeelcompensatie in het kader van infrastructurele maatregelen en de aanpassing van kabels en leidingen en de hiermee samenhangende overheidshandelingen en -besluiten. Het moet gaan om rechtmatige overheidsbesluiten of overheidshandelingen. De wettelijke grondslag staat in titel 4.5 Awb.

Uit artikel 4:126 Awb volgt dat schade voor vergoeding in aanmerking komt als:

 

  • o

    die schade uitgaat boven het normale maatschappelijke risico, (aanvrager wordt in abnormale mate getroffen, de abnormale last) en;

  • o

    het rechtmatig overheidshandelen de aanvrager in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft (het vereiste van de speciale last).

 

Artikel 2 Risicoaanvaarding

Uit artikel 4:126 Awb volgt ook wanneer sprake is van risicoaanvaarding door de aanvrager.

 

Schade blijft op grond van dit artikel in ieder geval voor rekening van de aanvrager voor zover:

  • a.

    hij het risico van het ontstaan van de schade heeft aanvaard;

  • b.

    hij de schade had kunnen beperken door binnen redelijke grenzen maatregelen te nemen, die tot voorkoming of vermindering van de schade hadden kunnen leiden;

  • c.

    de schade anderszins het gevolg is van een omstandigheid die aan de aanvrager kan worden toegerekend, of

  • d.

    de vergoeding van de schade anderszins is verzekerd.

Voorgaande geldt ook als naast de schade uit de rechtmatige overheidsdaad voor de aanvrager ook voordelen voortvloeien. Dit zijn de belangrijkste corrigerende factoren die in de rechtspraak regelmatig terugkeren en in artikel 4:126 Awb zijn gecodificeerd.

 

De in sub a bedoelde voorzienbaarheid kan onder meer betrekking hebben op de aard van een schadeoorzaak/maatregel, het tijdstip waarop de schadeoorzaak/maatregel genomen werd, de plaats waar de schadeoorzaak/maatregel genomen werd, de wijze en duur van de uitvoering of de aard en omvang van de daardoor veroorzaakte schade.

Als de aanvrager zelf handelingen verricht en bijvoorbeeld investeringsrisico’s neemt, terwijl hij kon weten dat zich omstandigheden kunnen voordoen die een zeker nadeel betekenen, dan heeft de aanvrager dit risico op schade aanvaard. Of van risicoaanvaarding sprake is, hangt af van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval.

In artikel 2 is de risicoaanvaarding deels geconcretiseerd. Als de aanvrager gebruik maakt van een vergunning, waarin door de provincie melding is gemaakt van binnen enige jaren te verwachten concrete infrastructurele maatregelen of besluiten die kunnen leiden tot aanpassing van het aangevraagde werk of een aanpassing van een kabel of leiding, wordt de aanvrager geacht het risico hiervan (actief) te hebben aanvaard. Is sprake van actieve risicoaanvaarding, dan wordt niet aan de inhoudelijke beoordeling toegekomen. Om die reden vindt de beoordeling van een eventuele actieve risicoaanvaarding plaats voorafgaand aan de beoordeling van de inhoudelijke en financiële gegevens.

Voorts wordt het bepaalde in artikel 4:126, tweede lid, sub c, Awb deels geconcretiseerd. Als de aanvrager afziet van het nemen van passende maatregelen vanaf het moment dat in voldoende mate rekening kon worden gehouden met de mogelijkheid dat een belang in de toekomst door een bepaald overheidshandelen zou kunnen worden aangetast is er sprake van passieve risicoaanvaarding.

In het geval aanvrager geen passende maatregelen heeft getroffen terwijl hij hiermee redelijkerwijs schade had kunnen beperken of voorkomen, dan wordt de benadeelde geacht de schade te hebben aanvaard en wordt dit aan aanvrager toegerekend. Er vindt alsdan een mindering plaats op de vergoeding. Omgekeerd geldt dat de redelijke kosten van de maatregelen die zijn genomen en de schade hebben voorkomen of beperkt, voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.

 

Artikel 3 Voorschot

De regeling biedt de aanvrager de mogelijkheid om, vooruitlopend op de uiteindelijke beslissing op de aanvraag, aan Gedeputeerde Staten een voorschot te vragen. Het toekennen daarvan mag echter niet worden uitgelegd als een erkenning van een recht op financiële vergoeding. Dergelijke voorschotten kunnen in principe slechts worden verleend nadat de verzoeker schriftelijk de verplichting heeft aanvaard om ten onrechte betaalde voorschotten geheel en onvoorwaardelijk te restitueren. Gedeputeerde Staten kunnen daartoe een vorm van zekerheidsstelling, bijvoorbeeld in de vorm van een bankgarantie, verlangen. Een voorschot kan worden verleend op verzoek, maar Gedeputeerde kunnen ook ambtshalve daartoe besluiten. Daarmee kunnen onnodig hoge rentelasten worden voorkomen. Deze kunnen ontstaan wanneer op voorhand vaststaat dat de aanvrager recht heeft op vergoeding maar de hoogte daarvan niet vaststaat.

Een voorschot of voorlopige vergoeding kan maximaal 70% van de verwachte vergoeding van de schade bedragen. Gedeputeerde Staten kunnen besluiten tot het toekennen van een lager voorschot.

 

Hoofdstuk 2 Infrastructurele maatregelen

Een recht op nadeelcompensatie bestaat pas als aan de in artikel 4:126 Awb beschreven voorwaarden is voldaan (zie toelichting artikel 2).

 

Beoordelingskader normaal maatschappelijk risico

In het hoofdstuk wordt een regeling gegeven voor de invulling van het normaal maatschappelijk risico, voor ondernemers het normale ondernemersrisico genoemd.

Of sprake is van een abnormale last, is afhankelijk van alle relevante omstandigheden van het geval. Van belang zijn onder meer de aard van de schadeveroorzakende maatregel (tijd, duur, plaats, ontstaanswijze en andere relevante omstandigheden), de ernst en omvang van de schade, de aard van het getroffen belang, de voorzienbaarheid van de handeling en de gevolgen daarvan voor de aanvrager, het bestaan van gerechtvaardigde verwachtingen, de eventuele voordelige positie van de aanvrager als gevolg van overheidshandelen en de vraag of de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag.

Uit de rechtspraak blijkt dat verkeersbesluiten en kortdurende ingrepen in de infrastructuur in beginsel geheel onder het normaal maatschappelijk risico vallen.

Nadeelcompensatie heeft in alle gevallen een complementair karakter. Dat houdt in dat, als op grond van deze beleidsregel sprake is van een recht op nadeelcompensatie, slechts een gedeelte van de daadwerkelijk geleden schade wordt vergoed. De hoogte van de nadeelcompensatie is namelijk niet gelijk aan de hoogte van de geleden schade.

In artikel 4:129 Awb is geregeld welke kosten bij vergoeding van schade eveneens zullen worden vergoed. Het gaat daarbij om kosten ter voorkoming of beperking van schade, kosten van verleende rechtsbijstand of andere deskundige bijstand en de wettelijke rente vanaf de ontvangst van de aanvraag, of als de schade op een later tijdstip ontstaat, vanaf dat tijdstip.

 

Artikel 4 Berekening nadeelcompensatie

Artikel 4 geeft nadere invulling aan het normaal maatschappelijk risico als bedoeld in artikel 4:126 Awb en zoals beschreven in de toelichting op deze beleidsregel.

In lid 1 wordt de vergoedbaarheid van schade begrensd door middel van absolute en nominale drempels. Alle schade die onder één of meer drempels valt wordt tot het normaal maatschappelijk risico gerekend en komt niet voor vergoeding in aanmerking.

Onder sub a en b zijn bagatelgrenzen opgenomen. Het is in de rechtspraktijk algemeen geaccepteerd dat dergelijke, relatief geringe schades, in ieder geval tot het normaal maatschappelijk risico behoren.

Voor de toepassing van deze beleidsregel worden onder het begrip onderneming zowel bedrijven zonder rechtspersoonlijkheid, zoals éénmansbedrijven (ZZP’ers) en bedrijven met rechtspersoonlijkheid begrepen.

Onder sub c en d zijn nominale drempelpercentages opgenomen. De drempelpercentages bepalen de ondergrens van het normaal maatschappelijk risico, die voorafgaat aan het berekenen van de schade en het toepassen van een mogelijke korting die uit hoofde van het normaal maatschappelijk risico – alsnog – op de geleden schade in mindering wordt gebracht.

Sub c beschrijft dat schade, in de vorm van inkomensderving, per definitie voor rekening van de aanvrager blijft als de schade gelijk is aan of minder bedraagt dan 2%. Dit percentage wordt gerelateerd aan de voorafgaande jaarbrutowinst of jaaromzet bij een onderneming, volgens de meest recente jaarrekening. Afhankelijk van het type onderneming wordt gerekend met brutowinst of jaaromzet. Voor particulieren wordt het percentage gerelateerd aan het jaarinkomen volgens de meest recente aangifte IB.

In de rechtspraak is de 2%-drempel een minimum forfait dat altijd geldt, dus zowel bij schade ten gevolge van een normale als van een niet-normale maatschappelijke ontwikkeling, en zowel bij tijdelijke als bij permanente inkomensschade.

Sub d beschrijft dat schade in de vorm van inkomstenderving, voor rekening van de aanvrager blijft als de schade gelijk is aan of minder bedraagt dan 10%. Dit percentage wordt gerelateerd aan de gemiddelde jaaromzet of de gemiddelde brutowinst van de onderneming. In de toelichting op lid 2 wordt nader ingegaan op de wijze van berekening.

Als uitgangspunt geldt dat de vaststelling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico of normaal ondernemersrisico in de eerste plaats aan het bestuursorgaan toekomt (discretionaire bevoegdheid). In de rechtspraak zijn in het algemeen percentages aanvaard variërend van 8% tot 15%. Voor de stedelijke omgeving is een drempelpercentage van 8% algemeen aanvaard. De provinciale infrastructuur kenmerkt zich over het algemeen door een relatief geringe mate aan verstedelijking en een geografisch ligging op grotere afstand tot de landelijke economische centra. In die zin wijkt provinciale infrastructuur wezenlijk af van de verstedelijkte omgeving van gemeentes en de dynamiek die daarbij hoort. Aangenomen kan voorts worden dat infrastructurele projecten van de provincie een beperktere frequentie hebben. Bedrijven langs provinciale infrastructuur profiteren langer van een ongestoorde ligging. Daarbij komt dat in of nabij het beperkingengebied van de provinciale wegen of vaarwegen vaak andere bedrijven gevestigd zijn dan in een stedelijke omgeving. Het betreft onder meer transportondernemingen, wegrestaurants, agrarische bedrijven en brandstofverkooppunten. Dergelijke bedrijven profiteren ook in aanmerkelijke mate van de goede infrastructuur.

Gedeputeerde Staten achten daarom een percentage van 10% ter bepaling van het normaal maatschappelijk risico aanvaardbaar.

 

Lid 2 geeft invulling van de rekenmethode. Winst- of inkomensderving wordt berekend aan de hand van de gemiddelde jaaromzetten of de gemiddelde brutowinst van een onderneming, de referentieperiode, met als doel de schadeperiode te kunnen vergelijken met een representatieve periode waarin zowel positieve als negatieve omstandigheden op jaarbasis zijn verdisconteerd.

De gemiddelde jaaromzet of brutowinst (referentieperiode) wordt berekend aan de hand van de periode van drie jaren voorafgaand aan het jaar waarin de schade is geleden.

In de praktijk wordt deze rekenmethode het vaakst toegepast. Het ligt echter bij bepaalde type ondernemingen, zoals brandstofverkooppunten, meer voor de hand om de drempel van het normaal maatschappelijk risico te berekenen aan de hand van de brutowinstderving in combinatie met de gemiddelde brutowinst.

Als de omzet of brutowinst van de aanvrager in de jaren voorafgaand aan de schadeperiode een bestendige daling dan wel een bestendige stijging laat zien, ligt het niet voor de hand om een referentieperiode van drie jaren aan te houden. Overeenkomstig bestendige rechtspraak wordt dan niet tot middeling van referentiejaren overgegaan, maar voor de berekening in beginsel gebruik gemaakt van het jaar voorafgaand aan het ontstaan van het nadeel. Als de referentieperiode van één jaar wordt gekozen, wordt de drempel normaal maatschappelijk risico toegepast op de jaaromzet van één jaar.

 

Schadeberekening op niveau van rechtspersoon

Volgens vaste rechtspraak dient de mate van onevenredigheid (de abnormale last) van de schade te worden vastgesteld op het niveau van de benadeelde rechtspersoon. Dit betekent dat de beoordeling van schade plaatsvindt op het niveau van het moederbedrijf/concern en niet op het niveau van het filiaalbedrijf. De achterliggende reden is dat een filiaal geen zelfstandige entiteit is, maar economisch en juridisch onderdeel is van een groter geheel. Het normaal maatschappelijk risico dient dan te worden gerelateerd aan die juridische eenheid. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen landelijk opererende ketens of regionale ketens.

 

Na-ijl schade

Het kan voorkomen dat de schade niet direct beëindigd is zodra de schadeveroorzakende maatregel is uitgevoerd. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als klanten niet direct terugkomen nadat een wegafsluiting heeft plaatsgevonden. Deze schade wordt wel na-ijl schade genoemd. Om deze schade in de berekening voor het normaal maatschappelijk risico mee te wegen, kan worden verzocht om de maandcijfers van de drie maanden na beëindiging van de schadeveroorzakende maatregel of het schadeveroorzakende besluit, aan te leveren. De aanvrager dient in beginsel zelf aan te tonen dat er sprake is van na-ijl schade.

 

Inflatiecorrectie, branche-/trendcorrectie

Als de situatie daar om vraagt, kan een correctie voor inflatie plaatsvinden naar een peildatum, gelegen 12 maanden voor het einde van het (eerste) schadejaar (inflatiecorrectie). Van deze gecorrigeerde omzetten wordt dan het gemiddelde genomen. In de opvolgende periode na de peildatum, waarbinnen de schadeperiode valt, zijn de brancheontwikkelingen vervolgens bepalend voor de ontwikkeling van de omzet. Op het gemiddelde van de gecorrigeerde omzet wordt dan de branchecorrectie toegepast die representatief wordt verondersteld voor de gemiddelde bedrijfsontwikkeling in de betreffende branche sinds de peildatum.

 

Lid 3 regelt het kortingspercentage dat Gedeputeerde Staten aanvullend op het drempelpercentage kunnen toepassen, om nader invulling te geven aan de concrete omstandigheden van het geval. De toepassing van het kortingspercentage, evenals het vaststellen van de hoogte daarvan in individuele gevallen, betreft een discretionaire bevoegdheid van Gedeputeerde Staten.

Het kortingspercentage houdt in dat als vastgesteld is dat de schade boven de drempel normaal maatschappelijk risico uitkomt, er specifieke feiten en omstandigheden aanwezig kunnen zijn waardoor een deel van die schade door de betrokkene moet worden geduld, ook al is deze schade in beginsel onevenredig. Het kortingspercentage dat wordt toegepast is ten hoogste 20% van de schade die resteert na aftrek van het bedrag dat onder het normaal maatschappelijk risico valt.

Het is afhankelijk van de specifieke feiten en omstandigheden in het concrete geval, zowel voor wat betreft de schadeoorzaak als het geschade belang, of een kortingspercentage wordt toegepast en indien aan de orde, wat de hoogte van het kortingspercentage is. Te denken valt onder andere aan de volgende omstandigheden als vuistregels:

 

Schadeoorzaak

  • o

    Als sprake is van een relatief korte schadeperiode, waarbij ook nog sprake is van goed functionerende aanvullende c.q. schadebeperkende maatregelen door de provincie, kan een hogere korting op zijn plaats zijn.

  • o

    Is er sprake van een relatief lange periode van schade waarbij geen of slechts in beperkte mate sprake is van passende aanvullende c.q. schadebeperkende maatregelen door de provincie, dan kan dit aanleiding zijn voor een lagere of geen korting.

  • o

    Het in meer of mindere mate voorzienbaar zijn van de schade, mede gelet op de aard van het besluit en de aard van de omgeving waar een onderneming wordt geëxploiteerd. Als de schadeoorzaak bijvoorbeeld onderdeel uitmaakt van een programmatische onderhoudscyclus, die in algemene zin in de lijn der verwachtingen lag, kan er sprake zijn van een rechtvaardiging om een hoger kortingspercentage toe te passen.

  • o

    Indien de schadeoorzaak een abrupter of meer ad hoc karakter heeft, zal voor het toepassen van een hoge(re) korting minder ruimte bestaan.

     

Omstandigheden aan de zijde van de onderneming (o.a. de financiële invloed van de schade op de financiële kostenstructuur)

Aanleiding voor de toepassing van een kortingspercentage kan ook gelegen zijn in de kostenstructuur van de onderneming, waarbij de verhouding tussen de kosten en omzet aan de orde is. Differentiatie tussen verschillende branches is daarbij op zijn plaats; de vuistregel daarbij is dat bij een laag brutowinstmarge, een hoog kortingspercentage kan worden toegepast en andersom:

  • o

    als de financiële invloed relatief beperkt is omdat de ondernemer vanuit zijn schadebeperkingsplicht passende maatregelen ten behoeve van zijn bedrijfsvoering heeft kunnen toepassen, dan geeft dit aanleiding om een hoger kortingspercentage toe te passen;

  • o

    als schadebeperkende maatregelen niet of slechts beperkt mogelijk waren, waardoor de impact van de schade op de kostenstructuur groter is en niet aan de ondernemer is toe te rekenen, dan bestaat voor het toepassen van een hoge(re) korting minder ruimte.

 

Rekenvoorbeeld schadebeoordeling

Hierna volgt een eenvoudig rekenvoorbeeld om inzicht te verschaffen in de berekening van het normaal maatschappelijk risico. NB: dit betreft een algemeen en eenvoudig rekenvoorbeeld. Het voorbeeld illustreert slechts hoe de berekening tot stand komt, mede om de toegepaste begrippen nader te duiden. Het voorbeeld is representatief voor een gemiddeld detailhandelsbedrijf. Een dergelijk bedrijf kent een gemiddelde vaste kostenstructuur, hetgeen vraagt om een gemiddelde brutowinstmarge (45%), en leidt tot een relatief gemiddelde omzet.

 

Voorbeeld

Een bedrijf heeft een gemiddelde omzet van € 500.000,-- en een brutowinstmarge van 45%. De (toerekenbare) omzetdaling bedraagt € 60.000,--. De berekende toerekenbare schade, bepaald door de toerekenbare omzetdaling te vermenigvuldigen met de gemiddelde brutowinstmarge, bedraagt € 27.000,--. Vervolgens wordt het (vastgestelde) drempelpercentage van 10% afgezet tegen de omzet. De drempelomzet, bepaald door de omzet te vermenigvuldigen met het drempelpercentage, bedraagt daardoor € 50.000,--.

De drempel overstijgende omzetdaling, bepaald door de toerekenbare omzetdaling verminderd met de drempelomzet, bedraagt € 10.000,--.

De schade in de zin van gederfde brutowinst, die de drempel overschrijdt bedraagt 45% van € 10.000,--, dus € 4.500,--. De aftrek die het bestuursorgaan voor dit voorbeeld heeft vastgesteld (het kortingspercentage) is 15% en komt daarmee op € 675,--. De te vergoeden schade, bepaald door de drempel overstijgende schade minus de aftrek van675wege korting, bedraagt dus € 6.750,--.

Hieronder is het voorbeeld nog eens uitgewerkt in een overzichtelijke tabel.

1

Omzet

€ 500.000

2

Brutowinstmarge

45%

3

Toerekenbare omzetdaling

€ 60.000

4

Berekende toerekenbare schade

45% van € 60.000

€ 27.000

5

Drempelpercentage

10%

6

Drempelomzet

10% van € 500.000

€ 50.000

7

Drempel overstijgende omzetdaling

€ 60.000 -/- € 50.000

€ 10.000

8

Drempel overstijgende schade

45% van € 10.000

€ 4.500

9

Aanvullend kortingspercentage

15%

10

Aftrek vanwege korting

15% van € 4.500

€ 675

11

Tegemoetkoming in de schade

€ 4.500 -/- € 675

€ 3.825

 

De voor de berekening van nadeelcompensatie te hanteren begrippen worden hieronder toegelicht.

Brutowinst

Winst gelijk aan de omzet minus de inkoopwaarde van de omzet in een bepaalde periode. Jaarbrutowinst betreft de brutowinst over een periode van een jaar

Brutowinstmarge

Relatieve verhouding van de brutowinst gedeeld door de omzet, uitgedrukt in een percentage. De brutowinstmarge geeft aan welk percentage van de omzet overblijft als brutowinst voor een onderneming

Drempel normaal maatschappelijk risico

Een vastgesteld percentage van de gemiddelde jaaromzet dan wel de gemiddelde brutowinst (10%), uitgedrukt in een bedrag in euro’s. De drempel wordt gebruikt ten behoeve van het berekenen van de drempelomzet

Drempelomzet

Drempelomzet in euro’s is gelijk aan de drempel normaal maatschappelijk risico, vermenigvuldigd met de gemiddelde jaaromzet dan wel gemiddelde brutowinst

Drempel overstijgende omzetdaling

Drempel overstijgende omzetdaling is gelijk aan de toerekenbare omzetdaling minus de drempelomzet

Drempel overstijgende schade

Gelijk aan de toerekenbare schade minus de drempelomzet vermenigvuldigd met de brutowinstmarge

Gemiddelde jaaromzet

Jaaromzet berekend over de drie jaren voorafgaand aan het jaar waarin de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden

Gemiddelde brutowinst

Brutowinst berekend over de drie jaren voorafgaand aan het jaar waarin de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden

Gemiddelde brutowinstmarge

De gemiddelde brutowinstmarge wordt berekend over de drie jaren voorafgaand aan het jaar waarin de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden

Inkoopwaarde omzet

Inkoopprijs van de verkochte producten

Jaaromzet

De omzet over een periode van een boekjaar

Kortingspercentage normaal maatschappelijk risico

Variabel percentage met een maximum van 20% dat wordt toegepast op de toerekenbare schade. Het bedrag in euro’s dat gelijk is aan het vastgestelde percentage van de schade blijft voor rekening van de benadeelde

Omzet

De omzet is gelijk aan het aantal verkochte producten vermenigvuldigd met de verkoopprijs van het product in een bepaalde periode

Toerekenbare omzetdaling

Daling van de omzet die aan de schadeoorzaak toerekenbaar is. De toerekenbare omzetdaling is niet hetzelfde als schade

Toerekenbare schade

Gederfde brutowinst van de toerekenbare omzetdaling. Hiertoe wordt de toerekenbare omzetdaling vermenigvuldigd met de brutowinstmarge

 

Hoofdstuk 3 Kabels en leidingen

 

Voorgeschiedenis

Voor nadeelcompensatie bij de verlegging van kabels en leidingen is in de jaren ‘90 getracht overeenstemming te bereiken met overkoepelende organisaties van nutsbedrijven (Energiened, Velin en Vewin) over de inhoud van een regeling. Doordat dit niet is gelukt, is in overeenstemming met de nutsbedrijven in 1995 de (als tijdelijk bedoelde) Bevriezingsregeling tot stand gekomen. In de periode daarna zijn de meeste provincies alsnog overgegaan tot het vaststellen van definitieve nadeelcompensatieregelingen, zonder dat hierover per sé vooraf overeenstemming is bereikt met de koepelorganisaties. Hierbij heeft een aantal provincies gekozen voor de zogenaamde IPO-modelregeling, terwijl andere provincies hebben gekozen voor het voortzetten van het vergoedingsregime van de Bevriezingsregeling.

Door middel van deze beleidsregel wordt door de provincie Drenthe deels aangesloten bij de provincies die de IPO-modelregeling 2006 hebben ingevoerd. De vergoedingssystematiek uit de IPO-modelregeling, die uitgaat van een tegemoetkoming in de verleggingskosten afhankelijk van liggingsduur en liggingsregime wordt deels overgenomen en aangevuld door nieuwe regels omdat deze, naar het oordeel van Gedeputeerde Staten, het meest recht doen aan verschillende situaties die zich kunnen voordoen bij werken aan provinciale infrastructuur. Dit geldt evenzo voor de vergoedingsnormen. In juridische zin is dit aan te merken als een beleidsmatige invulling van het normaal maatschappelijk risico, waarbij voor ieder liggingsregime een keuze is gemaakt over de wijze waarop het maatschappelijke risico verdisconteerd wordt in de schadevergoeding.

 

Vergoedingssystematiek

Wat betreft de liggingsduur wordt algemeen aanvaard dat de netbeheerder in diens bedrijfsvoering rekening moet houden met de mogelijkheid dat een wijziging van de infrastructuur plaatsvindt en daarmee kabels of leidingen moeten worden verlegd, ongeacht of de technische dan wel economische levensduur van de kabels en leidingen is verstreken. Met andere woorden, met het verstrijken van tijd neemt het normaal maatschappelijk risico toe en het recht op een tegemoetkoming op een vergoeding van verleggingskosten af. Het zijn immers niet de levensduren die het normaal maatschappelijk risico van de netbeheerder bepalen, maar het algemene publieke belang en (de cadans van) de maatregelen die daartoe behoren.

 

Bij het bepalen van de omvang van het normaal maatschappelijk risico wordt voorts het liggingsregime beschouwd als een relevant(e) feit en omstandigheid. Een netbeheerder heeft bij het leggen van een kruisende kabel of leiding niet altijd, dan wel een beperkte, keuze qua ligging en/of locatie (zie toelichting op de artikelen 12 en 13). Om recht te doen aan die omstandigheid wordt onderscheid gemaakt in langsliggende en kruisende kabels en leidingen.

 

In de rechtspraktijk wordt algemeen aanvaardbaar geacht dat zowel aan langsliggende als aan kruisende kabels en leidingen een begrenzing aan de (ongestoorde) liggingsduur wordt gekoppeld. Zou dat niet het geval zijn, dan bestaat de facto een eeuwigdurend recht op vergoeding van (een deel van) de verleggingskosten, zelfs als de betreffende kabels en/of leidingen qua economische of zelfs technische levensduur zijn afgeschreven. De omstandigheid of netbeheerders beperkt zijn geweest in de liggingsmogelijkheden in de infrastructuur (langsliggend of kruisend) doet daaraan niet af. Om die reden wordt ook voor kruisende leidingen voorzien in een voorzienbaarheidstermijn, c.q. begrensde periode van (ongestoorde) liggingsduur.

 

De liggingsduur van een kabel of leiding wordt berekend vanaf de datum van inwerkingtreding van de ontheffing, vergunning of toestemming tot en met de dag van toezending of uitreiking van het besluit tot intrekking of wijziging van de ontheffing, vergunning of toestemming.

 

Combiverleggingen

Bij één en dezelfde aanpassing kan zich de situatie voordoen dat een enkele aan te passen kabel of leiding bestaat uit zowel een kruisende als een langsliggende kabel of leiding en/of een buiten beperkingengebied liggend gedeelte. Voor de bepaling van de hoogte van de vergoeding voor het kruisende en het langsliggende gedeelte binnen het beperkingengebied moet het doel van de ligging van de kabel of leiding in het gehele infrastructuurwerk worden beschouwd. Met andere woorden: is sprake van een leiding die gedeeltelijk kruist en gedeeltelijk langs ligt met het doel om langs te liggen dan moet de vergoeding voor de verlegging van de gehele leiding bepaald worden aan de hand van de systematiek voor het langs liggen. Mutatis mutandis geldt dit evenzo voor kruisende leidingen. Is het doel van de ligging van de leiding niet eenduidig te bepalen dan dient in het kader van een dergelijke combiverlegging de vergoeding bepaald te worden aan de hand van de vergoedingssystematiek die voor het desbetreffende gedeelte kabel of leiding geldt (gebiedsbenadering). Dit leidt ertoe dat de kabel en/of leiding in voorkomend geval wordt opgedeeld in gedeelten langsliggende en gedeelten kruisende leidingen. De vergoeding wordt dan voor het stuk of de stukken langsliggende c.q. kruisende kabel of leiding bepaald aan de hand van het relevante vergoedingsregime.

 

Artikel 5 Toepassing en werkingssfeer

Deze regeling heeft betrekking op de rechtmatige uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid van de provincie in verband met werkzaamheden in infrastructuur. In sommige gevallen zal de provincie ter uitvoering van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid of taak privaatrechtelijke handelingen verrichten, bijvoorbeeld het minnelijk verwerven van gronden van derden. Als gevolg hiervan kan reeds een recht op nadeelcompensatie/schadevergoeding ontstaan dat verband houdt met aanpassing van een kabel of leiding. Hoewel een dergelijke handeling mogelijk niet kan worden gezien als een schadeoorzaak waarop artikel 4:126 Awb van toepassing is, wordt deze situatie wel beschouwd in deze beleidsregel.

 

Het tweede lid geeft een regeling voor het geval sprake is van de samenwerking door meerdere overheden. Daarmee wordt voorkomen dat er onduidelijkheden bestaan over beperkingengebied en buitenleidingen.

Door middel van een samenwerkingsbesluit tussen overheden in een gemeenschappelijk project, wordt het beperkingengebied (voorheen: beheersgebied) als bedoeld in deze beleidsregel vergroot. Met andere woorden wordt in het besluit de (beleidsmatige) invulling van de wijze waarop met de verlegging van kabels en leidingen wordt omgegaan voor dit gemeenschappelijk project vormgegeven. Uiteraard dient ieder bevoegd gezag de voor haar noodzakelijke ontheffing(en), vergunning(en) of toestemming(en) in te trekken. Dit samenwerkingsbesluit wordt door de betrokken bevoegde gezagen genomen voordat het project is gestart.

 

Het derde lid omschrijft de netwerken die niet onder dit hoofdstuk vallen. Voor ‘openbare’ netwerken als bedoeld in de Telecommunicatiewet die moeten worden gedoogd, zijn rechten en verplichtingen voor de netbeheerders en de gedoogplichtige vastgelegd in Hoofdstuk 5 van de Telecommunicatiewet. Ook netwerken die liggen met een zakelijk recht (bijvoorbeeld een recht van opstal) of waarvoor een wettelijke gedoogplicht is opgelegd op grond van voorheen de Belemmeringenwet Privaatrecht of nu Afdeling 10 in de Omgevingswet, vallen niet onder deze beleidsregel, tenzij dit in het individuele geval specifiek is bepaald of overeengekomen. Doorgaans is op deze netwerken het onteigeningsrecht van toepassing of zijn er specifieke afspraken gemaakt.

 

Artikel 6 Begrippen en definities

De in dit artikel opgenomen begripsomschrijvingen spreken grotendeels voor zich. Waar nodig is hieronder een nadere toelichting gegeven.

a. Aanpassing: in beginsel vallen alle werkzaamheden aan (de ligging van) in gebruik zijnde kabels en leidingen onder de werking van deze beleidsregel, mits de werkzaamheden zijn gericht op het mogelijk maken van de uitvoering van infrastructurele werken die de provincie beoogt en daarmee bovendien in direct causaal verband staan. Schade als gevolg van een verzoek van provinciewege om over te gaan tot opruiming van definitief buiten gebruik gestelde kabels en leidingen gelegen binnen provinciaal (vaar)weggebied, komt niet voor vergoeding in aanmerking. Immers is een dergelijk verzoek gericht op de opruimplicht die de houder van de ontheffing of vergunning heeft.

 

m. Ontheffing/vergunning/toestemming: In dit geval gaat het om de publiekrechtelijke toestemming voor het mogen hebben liggen van kabels en leidingen in het(vaar)weggebied. In sommige gevallen is sprake van een algemene ontheffing of vergunning die van toepassing is op meerdere kabels en leidingen van dezelfde netbeheerder in het totale provinciale areaal. In die algemene ontheffing of vergunning kan zijn bepaald dat voorafgaand aan het aanleggen van een kabel of leiding met alleen een aanvullende melding kan worden volstaan.

 

Ook kan het voorkomen dat publiekrechtelijke toestemming is verleend door een (van de) rechtsvoorganger(s) van de provincie.

Indien de aanlegdatum niet kan worden achterhaald in verband met de hierboven beschreven systematiek, kan wordt de liggingsduur van de kabel of leiding of de leeftijd van de kabel of leiding in ogenschouw genomen.

 

Artikel 7 Schade ten gevolge van de uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid of taak

Voor een toelichting op lid 1, sub a en b zij verwezen naar de algemene toelichting en de toelichting op artikel 2.

Lid 1, sub c bepaalt dat als een kabel of leiding is aangelegd in strijd met de voor die kabel of leiding verleende ontheffing, vergunning of toestemming, de kabel of leiding daar in beginsel onrechtmatig ligt. In voorkomend geval moet deze kabel of leiding (in theorie althans) op aanzegging van de eigenaar of beheerder van de grond en op kosten van belanghebbende worden aangepast of verwijderd. Dit kan betekenen dat een kabel of leiding, als deze wel in overeenstemming met de ontheffing, vergunning of toestemming zou zijn aangelegd, niet aangepast had hoeven worden. In dat geval blijft die schade voor belanghebbende. In sommige gevallen is geen ontheffing, vergunning of toestemming verleend, maar mag er redelijkerwijs van worden uitgegaan dat er expliciete toestemming bestaat namens de provincie voor de kabel of leiding. In de praktijk komt het geregeld voor dat gronden worden verworven waarin reeds kabels of leidingen zijn gelegen die in eerste instantie niet verlegd hoeven te worden. In dat geval kan de netbeheerder niet altijd worden verweten dat deze geen nieuwe ontheffing of vergunning bij de provincie heeft aangevraagd. In dergelijke gevallen wordt een ontheffing of vergunning ‘verondersteld’ en is de kabel of leiding niet onrechtmatig in provinciaal beperkingengebied aanwezig.

 

Artikel 8 Schade ten gevolge van de uitoefening van een privaatrechtelijke bevoegdheid of taak

Het valt te betwijfelen of privaatrechtelijk handelen door of namens Gedeputeerde Staten ter uitvoering van een publiekrechtelijke taak in alle gevallen dient te worden beschouwd als een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 4:126 Awb. Hiermee wordt bijvoorbeeld bedoeld: het minnelijk verwerven van gronden door de provincie ten behoeve van het uitvoeren van een werk aan provinciale infrastructuur, waarbij reeds een verzoek tot aanpassing is verstuurd aan de kabel- of leidingbeheerder voordat de grond is overgedragen naar de provincie. In dat geval is het verzoek tot aanpassing te beschouwen als een privaatrechtelijke handeling omdat geen ontheffing of vergunning kan worden ingetrokken. Om toch een (zelfstandige) bevoegdheidsgrondslag voor het toekennen van nadeelcompensatie te bieden is dit artikel opgenomen in de beleidsregel. Bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding wordt aangesloten bij het systeem van het onteigeningrecht. In het kader van rechtsgelijkheid zijn dezelfde beginselen van toepassing als bij een schadeoorzaak als beschreven in artikel 7.

 

Het woord ‘toestemming’ als bedoeld in het tweede lid onder c. kan vrij breed worden opgevat en in sommige situaties omvat het ook feitelijk gedogen van een kabel of leiding, mits aantoonbaar kan worden gemaakt dat de rechthebbende de ligging van de kabel of leiding willens en wetens heeft geaccepteerd.

 

Artikel 9 Technische oplossing

Als uitgangspunt voor de te verrichten aanpassingen geldt het principe van ‘technisch adequate oplossing tegen de maatschappelijk laagste kosten’. Hierbij staat voorop dat de oplossing technisch moet voldoen. Daarnaast geldt dat gestreefd moet worden naar het minimaliseren van de totale schade (voor alle betrokken partijen) als gevolg van de uitvoering van het provinciale werk en de aanpassing van de kabels en leidingen. Dat kan tot gevolg hebben dat een oplossing wordt vastgesteld die niet per definitie de laagste kosten bij de kabel of leidingbeheerder veroorzaakt, maar per saldo de maatschappij wel het minste kost. Het kan ook voorkomen dat het werk van de provincie wordt aangepast, zodat de leiding kan blijven liggen of minder ingrijpend hoeft te worden aangepast. De kosten die de provincie dientengevolge maakt worden beschouwd als schade in de zin van deze beleidsregel en vallen daarmee onder de werking van deze beleidsregel.

Te denken valt bijvoorbeeld aan het realiseren van overkluizingen die tot gevolg hebben dat in de grond aanwezige kabels en leidingen niet hoeven worden verlegd. Deze (extra) kosten dienen in voorkomende gevallen, onverminderd het bepaalde in deze beleidsregel, te worden gedragen door netbeheerder.

Onder maatschappelijke kosten worden niet alleen de investeringskosten verstaan, maar ook toekomstige beheer- en onderhoudskosten en de kosten van vervanging op termijn en (voor zover kwantificeerbaar) de baten en lasten van andere partijen dan de provincie of kabel- en/of leidingbeheerder. Vanzelfsprekend is het te allen tijde mogelijk, dat partijen alsdan nadere afspraken maken over de verdeling van de financiële gevolgen van de wijziging. Dit werkt als volgt: indien de plicht van partijen om schadebeperkend op te treden onder omstandigheden voor een van de partijen nadelig uitpakt (bijvoorbeeld als een kabel- en/of leidingbeheerder dan wel de provincie om die reden zou afzien van een andere dan de meest voor de hand liggende oplossing, die in totaal goedkoper is maar voor hem nadeliger uitpakt), dan mag geen van de partijen hiervan uiteindelijk nadeel ondervinden en moeten de meerkosten worden gecompenseerd.

Incidenteel kan de situatie voordoen dat er tijdens het projectproces omstandigheden zijn die leiden tot aanpassing of het niet uitvoeren van het infrastructurele project, waardoor achteraf de aanpassing van de kabel of leiding niet noodzakelijk was. In dergelijke gevallen kan een recht op vergoeding van de door de netbeheerder achteraf niet noodzakelijk gemaakte kosten bestaan.

 

Artikel 10 Voordeeltoerekening

De hoogte van de vergoeding wordt gecorrigeerd als zich door de aanpassing een kwantificeerbare voordeeltoerekening voordoet doordat onder andere de capaciteit van de kabel/leiding toeneemt, de leiding meer druk kan verdragen (verhoging drukklasse), een evident verkeerde ligging wordt opgeheven, constructiefouten worden opgeheven, een foutieve keuze van leidingmaterialen wordt opgeheven voor zover deze de technische levensduur significant zou kunnen beïnvloeden, er sprake is van achterstallig onderhoud eveneens gepaard gaand met een significante verkorting van de technische levensduur of er sprake is van een noodzakelijke reconstructie van oudere netwerken.

Bij een reconstructie van oudere netwerken kan afhankelijk van de situatie een correctie nieuw voor oud worden toegepast conform de relevante bepalingen van de Onteigeningswet, waarbij dan een eventuele vergroting van de functionaliteit eveneens in mindering gebracht kan worden op de vergoeding.

 

Artikel 11 Kostencomponenten

In dit artikel is bepaald dat de werkelijk gemaakte kosten het uitgangspunt zijn. Er wordt bepaald welke kostencomponenten bij een aanpassing aan een kabel of leiding voor vergoeding in aanmerking komen. De in het artikel genoemde kostencomponenten zijn algemeen aanvaard. Bij de omschrijving van de componenten is overwegend aansluiting gezocht bij andere (landelijke) nadeelcompensatieregelingen.

Uitvoeringskosten: Kosten van civieltechnische, bouwkundige en installatietechnische werkzaamheden zijn bijvoorbeeld werkputten en ondersteuningen. Alle tijdelijke voorzieningen van fysieke aard die nodig zijn tijdens de bouw vallen onder de uitvoeringskosten. Onder tijdelijke voorzieningen van fysieke aard worden alle tijdelijke fysieke leidingverbindingen verstaan die de belanghebbende moet aanleggen en later buiten bedrijf moet stellen. Deze kosten houden nauw verband met de noodzakelijke continuïteit van het bedrijfsproces van de betrokken belanghebbende. Het betreffen voorzieningen die worden opgeheven zodra de definitieve verlegging is gerealiseerd. De kosten die de aannemer moet maken om de leiding uit de grond te halen vallen onder uitvoeringskosten. Ook het opslaan in hanteerbare stukken en het transport op de bouwlocatie zijn uitvoeringskosten. Onder het begrip uitvoeringskosten voor een aanpassing kunnen ook andere maatregelen dan een daadwerkelijke verplaatsing worden verstaan, als blijkt dat die leiden tot geringere maatschappelijke kosten en geen onevenredige afbreuk doen aan het ontwerp of werk. Hierbij kan gedacht worden aan beschermende maatregelen voor beplanting, voorzieningen als overkluizingen, mantelbuizen of andere werkmethoden. Deze omschrijving sluit aan bij de huidige praktijk, waarbij ook andere maatregelen dan verlegging toepassing vinden.

Voor de kosten van ontwerp en begeleiding wordt aangesloten bij de RVOI-2001 (Regeling van de verhouding tussen opdrachtgever en adviserend ingenieursbureau, zoals uitgegeven door het Koninklijk Instituut van Ingenieurs). Ingevolge artikel 26 van die regeling kunnen de werkzaamheden worden onderscheiden die zijn opgesomd onder deze kostencomponent.

Onder kosten van uit- en in bedrijf stellen vallen kosten van tijdelijke voorzieningen van operationele aard, zoals extra kosten van personele aard ten behoeve van bedrijfsvoering en hulpmiddelen voor die bedrijfsvoering zoals watertanks, gasflessen en noodaggregaten. Ook een stoppeloperatie valt onder kosten van uit- en inbedrijf stellen.

Onder materiaalkosten worden in elk geval de kosten verstaan die in het artikel genoemd zijn. In zijn algemeenheid betreft het kosten van bedrijfseigen materialen die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van de functie van de kabel of leiding, inclusief de beschermingsconstructies, bouwmaterialen en dergelijke en het transport van de materialen naar de locatie van het infrastructurele werk van de provincie. Transportkosten en stortkosten van vrijgekomen leidingen vanaf de bouwlocatie naar een afvalstortplaats of afvalverwerkingslocatie behoren niet tot de materiaalkosten (hierbij is in aanmerking genomen dat deze kosten bij vervanging van de leiding op eigen initiatief ook ten laste komen van de netbeheerder). De materiaalkosten van constructieve en/of bijzondere voorzieningen die worden veroorzaakt door eisen van derden (en niet door de provincie) vallen onder de materiaalkosten. De kosten van het transport van materialen naar de bouwplaats dienen wel te worden begrepen onder het begrip materiaalkosten.

Vermogens- en inkomensschade van derden als gevolg van de aanpassing komt niet voor vergoeding in aanmerking. Ook maken BTW-kosten geen deel uit van de te verrekenen kosten, nu geen sprake is van een door de provincie af te nemen dienst of prestatie.

 

Artikel 12 Langsliggende leidingen

Van toepassing is een lineaire aftrek waarbij na 10 jaren na verlening van de ontheffing, vergunning of toestemming geen recht op nadeelcompensatie bestaat bij aanpassingen vanwege werkzaamheden. Door een aftrek maatschappelijk risico toe te passen bij langsliggende leidingen wordt een gangbare praktijk gecodificeerd die wordt toegepast door bestuursorganen op verschillende bestuursniveaus. Een voorzienbaarheidsperiode van tien jaren is billijk voor provinciale infrastructuur.

Er wordt geen onderscheid (meer) gemaakt tussen de voorzienbaarheidstermijnen voor wegen (droge infrastructuur) en vaarwegen (natte infrastructuur), omdat in de provinciale infrastructuur de afgelopen jaren de dynamiek op basis van investerings- en onderhoudsprogramma’s en daarmee de kans op een verstoorde ligging, bij vaarwegen vergelijkbaar is met wegen.

De tegemoetkoming voor langsliggende kabels en leidingen is in de regel beperkter omdat ervan wordt uitgegaan dat de netbeheerder bij de aanleg van de betreffende kabel of leiding de keuze heeft gehad om langsliggend of anders te gaan liggen. Deze keuze heeft bij de aanleg van de kabel of leiding bepaalde financiële voordelen, doch de keerzijde is dat bij verlegging van de kabel of leiding een lagere schadevergoeding zal worden toegekend.

Als de netbeheerder niet kan aantonen dat de kabel of leiding korter dan 10 jaren in het betreffende beperkingengebied is gelegen, bestaat geen recht op nadeelcompensatie.

 

Artikel 13 Kruisende leidingen

Van toepassing is een lineaire aftrek waarbij na 20 jaren na verlening van de ontheffing, vergunning of toestemming geen recht op nadeelcompensatie bestaat bij aanpassingen vanwege werkzaamheden. Door een aftrek maatschappelijk risico toe te passen bij kruisende leidingen wordt een gangbare praktijk gecodificeerd die wordt toegepast door bestuursorganen op verschillende bestuursniveaus (zie algemene toelichting op het hoofdstuk). Een voorzienbaarheidsperiode van twintig jaren is billijk voor provinciale infrastructuur. De termijn houdt rekening met de omstandigheid dat bij kruisende leidingen het bestuursorgaan en de netbeheerder meer op elkaar aangewezen zijn en de netbeheerder bij langsliggende leidingen meestal baat heeft bij ligging langs de provinciale infrastructuur. De schadevergoeding wordt daarom gedurende een langere periode (20 jaren) verstrekt dan bij langsliggende kabels en leidingen (10 jaren). Dit wordt als billijk ervaren, omdat netbeheerders in het algemeen niet ontkomen aan het kruisen van provinciale wegen.

Ook voor kruisende kabels en leidingen geldt dat er geen onderscheid wordt gemaakt in voorzienbaarheidstermijnen voor wegen (droge infrastructuur) en vaarwegen (natte infrastructuur).

Als de netbeheerder niet kan aantonen dat de kabel of leiding korter dan 20 jaren in het betreffende beperkingengebied is gelegen, bestaat geen recht op nadeelcompensatie.

 

Artikel 14 Buitenleidingen

De vergoeding van de schade wordt voor kabels en leidingen die

  • 1.

    geheel buiten het beperkingengebied van de provincie, dan wel het gemeenschappelijk project zijn gelegen én;

  • 2.

    waarop een nadeelcompensatieregeling van een ander bestuursorgaan van kracht is,

bepaald door toepassing van de nadeelcompensatieregeling van het andere bestuursorgaan. Dit bestuursorgaan bepaalt alsdan in beginsel de (beleidsmatige) invulling van het normaal maatschappelijk risico.

 

Als in voorkomend geval geen nadeelcompensatieregeling van een ander bestuursorgaan van kracht is en sprake is van verleggingen in openbare grond (en niet privaatrechtelijk of anderszins geborgd), wordt de vergoeding van de schade berekend op basis van de systematiek als beschreven voor kruisende leidingen. Het wordt aanvaardbaar en redelijk geacht om in openbare grond van andere overheden dezelfde voorzienbaarheidstermijn te hanteren.

Onder buitenleidingen worden overeenkomstig diens definitie en het bepaalde in artikel 5 uitdrukkelijk niet verstaan de kabels en leidingen gelegen op grond van een zakelijk recht of een gedoogplicht ex Belemmeringenwet Privaatrecht dan wel afdeling 10 van de Omgevingswet.

 

Artikel 15 Nieuw voor oud

Er wordt een aftrek nieuw voor oud toegepast indien sprake is van kenbaar technisch versleten kabels of leidingen. Onder technisch versleten wordt verstaan: kabels of leidingen waarvan de technische levensduur binnen een periode van 5 jaar verstreken zal zijn. Een aftrek nieuw voor oud vindt plaats op basis van een contante waarde berekening waarbij wordt uitgegaan van de technische levensduur van de betreffende kabel of leiding. Indien delen van een zelfstandige eenheid vervangen moeten worden, wordt voor de berekening uitgegaan van de integrale kosten van de vervanging van de gehele zelfstandige eenheid onder toerekening van een evenredig deel van de kosten aan het te vervangen onderdeel.

De technische levensduur van een aantal soorten kabels en leidingen wordt bepaald aan de hand van het overzicht dat in bijlage 4 is opgenomen. De technische levensduur van soorten kabels of leidingen die niet in dit overzicht zijn opgenomen wordt naar redelijkheid bepaald. Leidingen met een technische levensduur van 100 jaar en ouder worden niet geacht aan veroudering onderhevig te zijn: voor het bepalen van de hoogte van de kosten voor het verleggen van dergelijke leidingen geldt geen aftrek nieuw voor oud.

 

Artikel 16 Vereisten aanvraag

Lid 1 betreft een nadere uitwerking en uitbreiding van hetgeen bepaald in artikel 4:2 en 4:127 Awb.

Voor lid onder b geldt dat slechts in gevallen waarbij niet is gewerkt met een (fysieke) factuurstroom maar met een digitaal afroepsysteem, een schermafdruk van het gehanteerde boekhoudsysteem volstaat.

Lid 2 ziet op een beperking van de administratieve lasten. In de infrastructurele wereld nemen de kabels en leidingen een speciale positie in bij nadeelcompensatie. Bij de projecten wordt een uitgebreide procedure gevolgd met bijbehorende documenten, waarbinnen op een verantwoorde wijze een rechtmatige en doelmatige compensatie van aanpassingskosten kan plaatsvinden. Temeer omdat de berekening van de kosten aan de hand van de in de beleidsregel opgenomen gestandaardiseerde berekeningsmethodes plaatsvindt. Voor het declaratieproces is de Projectovereenstemming (hierna: POS) een document dat hierin een belangrijke rol kan spelen. In een POS worden doorgaans afspraken vastgelegd over de verdeling en hoogte van verleggingskosten van kabels en leidingen en de planning van werkzaamheden. De te vergoeden schade wordt vooraf vastgesteld door middel van een eindspecificatie op postniveau. De schadevergoeding wordt nog steeds op basis van de relevante vergoedingsregimes berekend, maar na afronding van het werk hoeft geen verantwoording meer te worden afgelegd (nacalculatie van de werkelijke kosten) en kan de eindfactuur worden ingediend zonder het overleggen van een dossier. In de POS kan een voorbehoud worden gemaakt bij meningsverschillen over de vergoedbaarheid van kosten. In die gevallen wordt de formele bestuursrechtelijke procedure gevolgd.

Lid 2 a bepaalt dat aanpassingen waarbij de hoogte van het te verwachten bedrag aan nadeelcompensatie vóór uitvoering van de aanpassingen wordt berekend op minder dan € 50.000,-- in beginsel op basis van een vaste prijs worden verrekend. Indien één van de partijen van mening is dat toepassing van een vaste prijs in een concreet geval niet wenselijk is, bijvoorbeeld omdat er een grote mate van onzekerheid gemoeid is met de kosten van de aanpassing, dan zal de hoogte van nadeelcompensatie alsnog op nacalculatiebasis berekend worden.

Lid 2 b bepaalt dat aanpassingen waarbij de hoogte van het te verwachten bedrag aan nadeelcompensatie vóór uitvoering van de aanpassingen wordt berekend op meer dan € 50.000,--, basis van een vaste prijs worden verrekend, mits beide partijen dit voorafgaand aan de uitvoering van de aanpassing nadrukkelijk overeenkomen, bijvoorbeeld in een POS. Bij bedragen hoger dan € 50.000,-- is het in beginsel wenselijk dat de kosten specifieker kunnen worden beoordeeld, in verband met de rechtmatigheids- en doelmatigheidstoets.

 

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

 

Deze artikelen behoeven geen toelichting.

 

 

Gedeputeerde Staten voornoemd,

drs. J. Klijnsma, voorzitter

W.F. Brenkman MSc, secretaris

 

Assen, 12 december 2023

Kenmerk 4.9/2023001713

 

Uitgegeven: 14 december 2023

 

 

 

Naar boven