Omgevingsverordening provincie Flevoland

Provinciale Staten van Flevoland,

Overwegende dat bij besluit van 27 februari 2019 de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012, de Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving provincie Flevoland en de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Flevoland 2016 zijn omgezet in de Omgevingsverordening Flevoland;

Dat hiermee is beoogd te anticiperen op de Omgevingswet;

Dat de Omgevingsverordening Flevoland is aan te merken als een ‘interim’-verordening en enerzijds is gebaseerd op de vigerende landelijke wetgeving van de Wet bodembescherming, de Ontgrondingenwet, de Waterwet, de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet ruimtelijke ordening, de Wet natuurbescherming en anderzijds op de toekomstige Omgevingswet;

Dat het noodzakelijk is de Omgevingsverordening Flevoland te vervangen door een nieuwe omgevingsverordening die voldoet aan de Omgevingswet;

Dat er voornamelijk sprake is van wijzigingen van juridisch technische aard die samenhangen met de verbetering van het omgevingsrecht, zoals het digitaal beschikbaar stellen van regels en het hanteren van de begrippen van de Omgevingswet;

Dat het vanwege de huidige uitvoeringspraktijk wenselijk is in de nieuwe omgevingsverordening regels over zwemwater en historische grondwaterverontreinigingen op te nemen en de reikwijdte van de regels over gesloten stortplaatsen en grondwaterbeschermingsgebieden aan te passen omdat de Omgevingswet niet meer of nog maar beperkt regels stelt aan deze thema’s;

Dat de Omgevingswet geen overgangsrecht kent voor provinciale verordeningen, waardoor het noodzakelijk is dat de nieuwe omgevingsverordening gelijktijdig met de Omgevingswet in werking treedt;

Dat in verband hiermee op 26 januari 2022 (kenmerk 2867058) door Provinciale Staten van Flevoland de Omgevingsverordening provincie Flevoland is vastgesteld;

Dat deze Omgevingsverordening nadien is gewijzigd door Provinciale Staten van Flevoland bij besluit van:

  • 25 mei 2022 (kenmerk 2942673) met betrekking tot de vaststelling van de Verordening tot wijziging van de Omgevingsverordening Flevoland en de Omgevingsverordening provincie Flevoland inzake wijziging omvang en begrenzing van de wildbeheereenheden in Flevoland (Verordening inzake wijziging omvang en begrenzing wildbeheereenheden in Flevoland); zie provinciaal blad 2022-7665 en ruimtelijkeplannen.nl plannummer NL.IMRO.9924.OVWildbeheerFlev-VA01;

  • 9 november 2022 (kenmerk 2971375) met betrekking tot de vaststelling van de Verordening tot wijziging van de Omgevingsverordening Flevoland en de Omgevingsverordening provincie Flevoland vanwege de evaluatie van de eerste tranche van de Structuurvisie zon (Verordening inzake wijziging regels grondgebonden zonne-energie in het landelijk gebied Flevoland); zie provinciaal blad 2022-14410 en ruimtelijkeplannen.nl plannummer NL.IMRO.9924.OVzonneenergieFle-VA01;

  • 1 november 2023 (kenmerk 3137853) voor de vaststelling van de Verordening tot wijziging van de Omgevingsverordening Flevoland en de Omgevingsverordening provincie Flevoland inzake het wijzigen van de begrenzing van de (werkings)gebieden windenergie en het herstellen van een aantal omissies; zie provinciaal blad 2023-13123 en ruimtelijkeplannen.nl plannummer NL.IMRO.9924.OVwijzbegrenzwind-VA01);

Dat het wenselijk is de geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening provincie Flevoland vast te stellen ten behoeve van de initiële publicatie ervan in het Digitaal Stelsel Omgevingswet;

Dat de Omgevingsverordening provincie Flevoland gelijktijdig met de Omgevingswet inwerking zal treden per 1 januari 2024;

Gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten van Flevoland van 26 september 2023, nummer 3137853;

Gelet op het bepaalde in de Omgevingswet en de daarbij behorende uitvoeringsregelgeving, de Algemene wet bestuursrecht en de Provinciewet;

Besluiten:

Vast te stellen de navolgende geconsolideerde versie van de omgevingsverordening en de daarbij behorende bijlagen:

Omgevingsverordening provincie Flevoland

Artikel I

De initiële versie van de Omgevingsverordening provincie Flevoland is vastgesteld op 1 november 2023 (kenmerk 3137853)

zoals is aangegeven in Bijlage A bij Artikel I

Artikel II

-

Artikel III

Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt met ingang van 1 januari 2024.

Aldus besloten in de openbare vergadering van 1 november 2023



Provinciale Staten van Flevoland



griffier, voorzitter

Bijlage A Bijlage bij Artikel I

Omgevingsverordening provincie Flevoland

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Bijlage I bevat de begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening.

Hoofdstuk 2 Activiteiten op gesloten stortplaatsen

Titel 2.1 Algemeen

Artikel 2.1 Oogmerk

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld in het belang van de bescherming van de nazorgvoorzieningen op gesloten stortplaatsen.

Artikel 2.2 Werkingsgebied

De regels in dit hoofdstuk gelden voor gesloten stortplaatsen als bedoeld in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.

Titel 2.2 Activiteiten

Artikel 2.3 Verbod activiteiten op gesloten stortplaats

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten in, op, onder of over een plaats waar de eeuwigdurende zorg met betrekking tot een gesloten stortplaatsen wordt uitgevoerd door:

  • a.

    Werken te maken of te behouden;

  • b.

    Stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen;

  • c.

    andere dan de onder a of b bedoelde handelingen te verrichten indien die handelingen de uitvoering van de nazorgvoorzieningen en -maatregelen kunnen belemmeren, dan wel de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen.

Artikel 2.4 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning activiteiten op gesloten stortplaatsen

Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 2.3 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    het voorgenomen gebruik van de gesloten stortplaats en van het gebied waarin nazorgvoorzieningen zijn gelegen;

  • b.

    een kadastrale kaart, die uiterlijk dertien weken voor de aanvraag door het kadaster is afgegeven, waarop het grondgebied van het voorgenomen gebruik is aangegeven;

  • c.

    de naam en het adres van een ieder die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied bedoeld onder b;

  • d.

    een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om het voorgenomen gebruik te kunnen realiseren;

  • e.

    de maatregelen die worden getroffen om:

    • 1.

      de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen;

    • 2.

      aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen en de goede werking daarvan te waarborgen;

    • 3.

      anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren.

  • f.

    de wijze van evaluatie van en rapportage over de uitvoering van de onder e bedoelde maatregelen.

Titel 2.3 Instructieregels

Artikel 2.5 Bevoegd gezag: beoordelingsregels omgevingsvergunning activiteiten op gesloten stortplaatsen

De omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 2.3 wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:

  • a.

    de activiteit veroorzaakt geen significante milieuverontreiniging;

  • b.

    alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;

  • c.

    de activiteit veroorzaakt geen nadelige gevolgen voor de nazorgvoorzieningen.

Hoofdstuk 3 Stiltegbieden

Titel 3.1 Algemeen

Artikel 3.1 Oogmerk

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het belang van het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen stiltegebieden.

Artikel 3.2 Aanwijzing stiltegebieden
  • 1.

    Een stiltegebied is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.

  • 2.

    Een invloedgebied stilte is de zone van een straal van 1,5 kilometer buiten een stiltegebied waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.

  • 3.

    Het begin en het eind van een stiltegebied wordt aangeduid door middel van borden, waarvan een model is opgenomen in Bijlage III. De borden worden geplaatst langs alle openbare wegen aan de buitengrens van de stiltegebieden die worden doorkruist. De borden worden voorzien van een onderbord waarop is aangegeven waar verstoringen van de stilte dienen te worden gemeld.

Artikel 3.3 Specifieke zorgplicht en informatieplicht
  • 1.

    Degene die in een stiltegebied handelingen of activiteiten verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die handelingen of activiteiten nadelige gevolgen kunnen hebben voor het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als stiltegebied is aangewezen, is verplicht dergelijk handelen of activiteiten achterwege te laten .

  • 2.

    Indien het achterwege laten van de handelingen of activiteiten bedoeld in het eerste lid redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd, is diegene verplicht:

    • alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om de nadelige gevolgen bedoeld in het eerste lid te voorkomen; en

    • voor zover de nadelige gevolgen bedoeld in het eerste lid niet kunnen worden voorkomen: die nadelige gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

  • 3.

    ​​leder die kennis draagt van een voorval binnen een stiltegebied, waarbij aannemelijk is dat het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als stiltegebied is aangewezen, wordt of kan worden geschaad, is verplicht gedeputeerde staten hierover onmiddellijk te informeren.

Titel 3.2 Activiteiten

Artikel 3.4 Verbod op verstoring van ervaring natuurlijke geluiden in een stiltegebied
  • 1.

    Het is binnen een stiltegebied verboden zonder omgevingsvergunning een toestel te gebruiken waardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden kan worden verstoord.

  • 2.

    Het is verboden zich met motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen.

  • 3.

    Het is verboden een toertocht voor motorvoertuigen of bromfietsen te houden of aan een zodanige toertocht deel te nemen waarvoor geen ontheffing op grond van de Wegenverkeerswet 1994 is verleend.

Artikel 3.5 Uitzondering op verstoring van ervaring natuurlijke geluiden in een stiltegebied

Het verbod op verstoring van de ervaring van de natuurlijke geluiden in een stiltegebied geldt niet voor zover zij betrekking hebben op:

  • a.

    een toestel dat wordt gebruikt voor de uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij of ten behoeve van het onderhoud van het gebied of van daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies;

  • b.

    het gebruik van een toestel als bedoeld in onderdeel b van het begrip toestel, indien dat noodzakelijk is ter afwending van dreigend gevaar of anders­zins uit een oogpunt van algemene veiligheid;

  • c.

    een geluidsapparaat als bedoeld in onderdeel b van het begrip toestel, dat wordt gebruikt binnen 50 meter van een woonhuis en mits niet hoorbaar op een afstand van meer dan 50 meter van het apparaat;

  • d.

    een werktuig als bedoeld in onderdeel c van het begrip toestel, dat wordt gebruikt ten behoeve van directe woonaansluitingen;

  • e.

    een vuurwapen als bedoeld in onderdeel e van het begrip toestel, indien dat wordt gebruikt

    • 1.

      door een persoon met opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie;

    • 2.

      in geval het een noodseinmiddel betreft: in geval van nood;

    • 3.

      voor de jacht met inachtneming van het bepaalde in de Omgevingswet.

Artikel 3.6 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 3.4, eerste lid worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een opgave van de uitvoerende van de activiteit,

  • b.

    de datum van begin en eind van de activiteit,

  • c.

    het tijdstip op de dag dat de activiteit wordt uitgevoerd,

  • d.

    het toestel dat wordt gebruikt,

  • e.

    de locatie van het toestel binnen het invloedgebied stilte of het stiltegebied,

  • f.

    de hoeveelheid decibel die het toestel maakt op een afstand van 50 meter,

  • g.

    andere vergunningen of ontheffingen die voor de activiteit benodigd zijn.

Titel 3.3 Kwaliteit stiltegebied

Artikel 3.7 Richtwaarde maximale geluidbelasting geluidbron binnen het invloedgebied stilte

Als richtwaarde voor de maximale geluidbelasting vanwege een geluidbron binnen het invloedgebied stilte geldt een geluidniveau van 35 dB(A) gemiddeld per uur op 50 meter in het stiltegebied gerekend vanaf de grens van het stiltegebied.

Artikel 3.8 Richtwaarde maximale geluidbelasting geluidbron binnen het stiltegebied

Als richtwaarde voor de maximale geluidbelasting vanwege een geluidbron binnen het stiltegebied geldt een geluidniveau van 35 dB(A) gemiddeld per uur op 50 meter van de geluidbron.

Titel 3.4 Instructieregels

Artikel 3.9 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor verstoring van ervaring natuurlijke geluiden in een stiltegebied

De omgevingsvergunning voor het gebruik van een toestel als bedoeld in Artikel 3.4, eerste lid, wordt alleen verleend indien het belang waartoe het stiltegebied is aangewezen zich daartegen niet verzet en voldoende rekening wordt gehouden met de in Artikel 3.7 en Artikel 3.8 bedoelde richtwaarden.

Artikel 3.10 Doorwerking omgevingswaarden
  • 1.

    Bij het uitoefenen van de navolgende bevoegdheden wordt rekening gehouden met de in Artikel 3.7 en Artikel 3.8 bedoelde richtwaarden:

    • a.

      het beslissen over een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;

    • b.

      het vaststellen van een omgevingsplan;

    • c.

      de bevoegdheden als bedoeld in de Algemene Plaatselijke Verordeningen van de gemeenten als bedoeld in artikel 147 van de Gemeentewet;

    • d.

      de bevoegdheden tot het treffen van verkeersmaatregelen op basis van de Wegenverkeerswet 1994.

  • 2.

    Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien de ge­noemde bevoegdheden betrekking hebben op een toestel dat wordt gebruikt voor de uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij of ten behoeve van het onderhoud van het gebied of van daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies.

Hoofdstuk 4 Grondwaterbeschermingsgebieden

Titel 4.1 Algemeen

Artikel 4.1 Oogmerk

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het belang van de bescherming van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening.

Artikel 4.2 Aanwijzing grondwaterbeschermingsgebieden
Artikel 4.3 Specifieke zorgplicht
  • 1.

    Degene die in een grondwaterbeschermingsgebied handelingen of activiteiten verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die handelingen of activiteiten nadelige gevolgen kunnen hebben voor het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als grondwaterbeschermingsgebied is aangewezen, is verplicht dergelijk handelen of activiteiten achterwege te laten.

  • 2.

    Indien het achterwege laten van de handelingen of de activiteiten bedoeld in het eerste lid redelijkerwijs niet van diegene kan worden gevraagd is diegene verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om de nadelige gevolgen bedoeld in het eerste lid te voorkomen; en

    • b.

      voor zover de gevolgen bedoeld in het eerste lid niet kunnen worden voorkomen: die nadelige gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

  • 3.

    leder die kennis draagt van een voorval binnen een grondwaterbeschermingsgebied, waarbij aannemelijk is dat het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als grondwaterbeschermingsgebied is aangewezen, wordt of kan worden geschaad, is verplicht dat terstond te melden aan gedeputeerde staten.

Titel 4.2 Activiteiten

Afdeling 4.2.1 Verboden, vergunningplichten en uitzonderingen
Paragraaf 4.2.1.1 Beschermingsgebied voor grondwater

Artikel 4.4 Verboden activiteiten in beschermingsgebied voor grondwater

  • 1.

    Het is verboden een milieubelastende activiteit te verrichten als bedoeld in:

    • a.

      artikel 3.5 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het exploiteren van een vergunningplichtige stookinstallatie;

    • b.

      artikel 3.24 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan van gevaarlijke vloeistoffen;

    • c.

      artikel 3.27 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan van gevaarlijke stoffen;

    • d.

      artikel 3.36 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan van gevaarlijke meststoffen;

    • e.

      artikel 3.39 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan, mengen en scheiden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke vloeistoffen;

    • f.

      afdeling 3.3 Besluit activiteiten leefomgeving, complexe bedrijven;

    • g.

      artikel 3.103 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de metaalproductenindustrie;

    • h.

      artikel 3.118 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de chemische producten industrie;

    • i.

      artikel 3.122 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de leerindustrie;

    • j.

      artikel 3.170 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de milieustraat;

    • k.

      artikel 3.184 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het verwerken van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen;

    • l.

      artikel 3.232 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de chemische wasserij; en

    • m.

      artikel 3.329 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op militaire kazernes.

  • 2.

    Het is verboden bestrijdingsmiddelen, gewasbeschermingsmiddelen of biociden te gebruiken.

  • 3.

    Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 2 meter ten opzichte van maaiveld.

  • 4.

    Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 8 meter ten opzichte van NAP.

  • 5.

    Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 11 meter ten opzichte van NAP.

  • 6.

    Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 14 meter ten opzichte van NAP.

  • 7.

    Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 17 meter ten opzichte van NAP.

  • 8.

    Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 20 meter ten opzichte van NAP.

  • 9.

    Het is verboden om zonder omgevingsvergunning voor werken en handelingen:

    • a.

      werken, daaronder begrepen leidingen en installaties, te maken of te houden met het kennelijke doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door of in de bodem mogelijk te maken met uitzondering van werkendie voorzien in:

    • b.

      wegen, parkeergelegenheden, terreinen voor zover deze -al dan niet tijdelijk- voor gemotoriseerd verkeer openstaan, waterwegen of spoorwegen aan te leggen, te hebben of te reconstrueren;

    • c.

      kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen aan te leggen, te hebben, in exploitatie te nemen of te exploiteren;

    • d.

      een lozing op of in de bodem uit te voeren met uitzondering van lozingen waarvoor de regels gelden zoals gesteld in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving over lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk;

    • e.

      de bodem onder oppervlaktewater te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen of te verstoren met uitzondering van onderhoudsbaggerwerkzaam­heden.

  • 10.

    Waar sprake is van oprichten, maken of aanleggen, wordt daaronder mede verstaan wijzigen of uitbreiden.

Artikel 4.5 Uitzondering verboden activiteiten beschermingsgebied voor grondwater

  • 1.

    Het verbod op het gebruik van bestrijdingsmiddelen, gewasbeschermingsmiddelen of biociden, als bedoeld in Artikel 4.4, tweede lid, geldt niet, indien uit de toelatingsbeschikking blijkt dat het middel in een met het oog op de bescherming van het grondwater aangewezen gebied mag worden toegepast.

  • 2.

    Het verbod op bodemverstoring, als bedoeld in Artikel 4.4, derde lid, Artikel 4.4, vierde lid, Artikel 4.4, vijfde lid, Artikel 4.4, zesde lid, Artikel 4.4, zevende lid en Artikel 4.4, achtste lid, geldt niet voor:

    • a.

      het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van grondwateronttrekkingen, met het oog op de openbare drinkwaterproductie, waaronder inbegrepen het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten voor de grondwater­monitoring;

    • b.

      het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer door of op last van het college van dijkgraaf en heemraden of gedeputeerde staten;

    • c.

      het onderzoeken en saneren van de bodem en het grondwater dan wel het verrichten van activiteiten ten gevolge van waarvan een verontreiniging van de bodem en het grondwater wordt verminderd of verplaatst, indien voor het saneren of die activiteiten Hoofdstuk 6 of het overgangsrecht als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet van toepassing is;

    • d.

      het verrichten van werkzaamheden ter uitvoering van een verleende omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit;

    • e.

      het slaan of hebben van prefab betonnen heipalen, mits wordt voldaan aan Artikel 4.12;

    • f.

      het uitvoeren van sonderingen, mits:

      • 1.

        na het trekken van de sondeerstangen het gehele sondeergat volledig wordt opgevuld met zwelklei met behulp van de "Naprikmethode" en

      • 2.

        ten minste vier weken voor het begin van de sondering een melding wordt gedaan als bedoeld in Artikel 4.13;

    • g.

      onderhoudsbaggerwerkzaamheden.

  • 3.

    Artikel 4.5, tweede lid vindt geen toepassing indien het werk of de handeling valt onder de in Artikel 4.4, eerste lid en Artikel 4.4, negende lid gestelde verboden.

Paragraaf 4.2.1.2 Waterwingebied

Artikel 4.6 Verboden activiteiten in waterwingebied

  • 1.

    Het is verboden een milieubelastende activiteit te verrichten als bedoeld in:

    • a.

      artikel 3.5 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het exploiteren van een vergunningplichtige stookinstallatie;

    • b.

      artikel 3.24 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan van gevaarlijke vloeistoffen;

    • c.

      artikel 3.27 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan van gevaarlijke stoffen;

    • d.

      artikel 3.36 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan van gevaarlijke meststoffen;

    • e.

      artikel 3.39 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan, mengen en scheiden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke vloeistoffen;

    • f.

      afdeling 3.3 Besluit activiteiten leefomgeving, complexe bedrijven;

    • g.

      artikel 3.103 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de metaalproductenindustrie;

    • h.

      artikel 3.118 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de chemische producten industrie

    • i.

      artikel 3.122 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de leerindustrie;

    • j.

      artikel 3.170 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de milieustraat;

    • k.

      artikel 3.184 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het verwerken van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen;

    • l.

      artikel 3.232 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de chemische wasserij; en

    • m.

      artikel 3.329 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op militaire kazernes.

  • 2.

    Het is verboden bestrijdingsmiddelen, gewasbeschermingsmiddelen of biociden te gebruiken.

  • 3.

    Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 2 meter beneden maaiveld.

  • 4.

    Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 11 meter ten opzichte van NAP.

  • 5.

    Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 14 meter ten opzichte van NAP.

  • 6.

    Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 26 meter ten opzichte van NAP.

  • 7.

    Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 29 meter ten opzichte van NAP.

  • 8.

    Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 32 meter ten opzichte van NAP.

  • 9.

    Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 35 meter ten opzichte van NAP.

  • 10.

    Het is verboden om zonder omgevingsvergunning:

    • a.

      werken, daaronder begrepen leidingen en installaties, te maken of te houden met het kennelijke doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door of in de bodem mogelijk te maken met uitzondering van werkendie voorzien in:

    • b.

      wegen, parkeergelegenheden, terreinen voor zover deze - al dan niet tijdelijk - voor gemotoriseerd verkeer openstaan, waterwegen of spoorwegen aan te leggen, te hebben of te reconstrueren;

    • c.

      kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen aan te leggen, te hebben, in exploitatie te nemen of te exploiteren;

    • d.

      een lozing op of in de bodem uit te voeren met uitzondering van lozingen waarvoor de regels gelden zoals gesteld in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving over lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk;

    • e.

      de bodem onder oppervlaktewater te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen met uitzondering van onderhoudsbaggerwerkzaam­heden.

  • 11.

    Waar sprake is van oprichten, maken of aanleggen, wordt daaronder mede verstaan wijzigen of uitbreiden.

Artikel 4.7 Uitzondering verboden activiteiten in waterwingebied

  • 1.

    Het verbod van Artikel 4.6, eerste lid geldt niet met betrekking tot grondwateronttrekkingsactiviteiten gericht op de openbare drinkwaterproductie.

  • 2.

    Het verbod op het gebruik van bestrijdingsmiddelen, gewasbeschermingsmiddelen of biociden als bedoeld in Artikel 4.6, tweede lid geldt niet, indien uit de toelatingsbeschikking blijkt dat het middel in een met het oog op de bescherming van het grondwater aangewezen gebied mag worden toegepast.

  • 3.

    Het verbod op bodemverstoring als bedoeld in Artikel 4.6, derde lid, Artikel 4.6, vierde lid, Artikel 4.6, vijfde lid, Artikel 4.6, zesde lid, Artikel 4.6, zevende lid, Artikel 4.6, achtste lid en Artikel 4.6, negende lid geldt niet voor:

    • a.

      het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een grondwateronttrekkingsactiviteit met het oog op de openbare drinkwaterproductie, waaronder inbegrepen het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten voor de grondwater­monitoring;

    • b.

      het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer door of op last van het college van dijkgraaf en heemraden of gedeputeerde staten;

    • c.

      het onderzoeken en saneren van de bodem en het grondwater dan wel het verrichten van activiteiten ten gevolge van waarvan een verontreiniging van de bodem en het grondwater wordt verminderd of verplaatst, indien voor het saneren of die activiteiten hoofdstuk 6 of het overgangsrecht als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet van toepassing is;

    • d.

      het verrichten van werkzaamheden ter uitvoering van een door gedeputeerde staten verleende omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit;

    • e.

      het slaan of hebben van prefab betonnen heipalen, mits wordt voldaan aan Artikel 4.15;

    • f.

      het uitvoeren van sonderingen, mits:

      • 1.

        na het trekken van de sondeerstangen het gehele sondeergat volledig wordt opgevuld met zwelklei met behulp van de "Naprikmethode" en

      • 2.

        ten minste vier weken voor het begin van de sondering een melding wordt gedaan als bedoeld in Artikel 4.16;

    • g.

      onderhoudsbaggerwerkzaamheden.

  • 4.

    Artikel 4.7, derde lid vindt geen toepassing indien het werk of de handeling valt onder de in Artikel 4.6, eerste lid en Artikel 4.6, tiende lid gestelde verboden.

Paragraaf 4.2.1.3 Boringsvrije zone

Artikel 4.8 Verbod op bodemverstoring in de boringsvrije zone

  • 1.

    Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 8 meter ten opzichte van NAP.

  • 2.

    Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 11 meter ten opzichte van NAP.

  • 3.

    Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 14 meter ten opzichte van NAP.

  • 4.

    Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 17 meter ten opzichte van NAP.

  • 5.

    Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 20 meter ten opzichte van NAP.

  • 6.

    Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 23 meter ten opzichte van NAP.

  • 7.

    Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 26 meter ten opzichte van NAP.

  • 8.

    Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 29 meter ten opzichte van NAP.

  • 9.

    Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 32 meter ten opzichte van NAP.

  • 10.

    Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 35 meter ten opzichte van NAP.

  • 11.

    Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 38 meter ten opzichte van NAP.

  • 12.

    Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 41 meter ten opzichte van NAP.

  • 13.

    Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 44 meter ten opzichte van NAP.

  • 14.

    Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 47 meter ten opzichte van NAP.

Artikel 4.9 Uitzondering verbod op bodemverstoring in de boringsvrije zone

Het verbod op bodemverstoring als bedoeld in Artikel 4.8 geldt niet voor:

  • a.

    het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een grondwateronttrekkingsactiviteit, met het oog op de openbare drinkwaterproductie, waaronder inbegrepen het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten voor de grondwater­monitoring;

  • b.

    het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer door of op last van het college van dijkgraaf en heemraden of gedeputeerde staten;

  • c.

    het onderzoeken en saneren van de bodem en het grondwater dan wel het verrichten van activiteiten ten gevolge van waarvan een verontreiniging van de bodem en het grondwater wordt verminderd of verplaatst, indien voor het saneren of die activiteiten hoofdstuk 6 of het overgangsrecht als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet van toepassing is;

  • d.

    het verrichten van werkzaamheden ter uitvoering van een door gedeputeerde staten verleende omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit;

  • e.

    het slaan of hebben van prefab betonnen heipalen, mits wordt voldaan aan Artikel 4.18;

  • f.

    het uitvoeren van sonderingen, mits:

    • 1.

      na het trekken van de sondeerstangen het gehele sondeergat volledig wordt opgevuld met zwelklei met behulp van de "Naprikmethode" en

    • 2.

      ten minste vier weken voor het begin van de sondering een melding wordt gedaan als bedoeld in Artikel 4.19;

  • g.

    onderhoudsbaggerwerkzaamheden.

Paragraaf 4.2.1.4 Omgevingsvergunning

Artikel 4.10 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning

  • 1.

    Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 4.4 , negende Lid wordt in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling relevante gegevens en bescheiden verstrekt over de voorgenomen activiteit.

  • 2.

    Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 4.6, tiende lid wordt in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling relevante gegevens en bescheiden verstrekt over de voorgenomen activiteit.

Afdeling 4.2.2 Algemene regels en meldingen
Paragraaf 4.2.2.1 Beschermingsgebied voor grondwater

Artikel 4.11 Melding: boorputten onttrekken grondwater of uitwisseling energie in een beschermingsgebied voor grondwater

  • 1.

    Het is verboden tot een diepte van 2 meter ten opzichte van maaiveld een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 2.

    Het is verboden tot een diepte van 8 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 3.

    Het is verboden tot een diepte van 11 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 4.

    Het is verboden tot een diepte van 14 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 5.

    Het is verboden tot een diepte van 17 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 6.

    Het is verboden tot een diepte van 20 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 7.

    Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden.

  • 8.

    In aanvulling op Artikel 21.1 bevat een melding voor een boorput geschikt voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie gegevens en bescheiden over:

    • a.

      de begrenzing van de activiteit;

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 9.

    Een melding voor een boorput geschikt voor de uitwisseling van energie bevat aanvullend:

    • a.

      de kadastrale aanduiding van de plaats van de boorput;

    • b.

      de coördinaten van de boorput conform artikel 7.1b Omgevingsregeling;

    • c.

      een beschrijving van het systeem waar de boorput deel vanuit maakt;

    • d.

      een beschrijving van de constructie van de boorput inclusief de materiaalkeuze en de te gebruiken vloeistoffen;

    • e.

      de wijze waarop de boorput wordt opgericht of gewijzigd;

    • f.

      de diepte van de boorput ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil respectievelijk maaiveld.

  • 10.

    Artikel 4.11 , achtste Lid en Artikel 4.11 , negende Lid zijn van overeenkomstige toepassing als eerder verstrekte gegevens of bescheiden wijzigen.

Artikel 4.12 Algemene regels prefab betonnen heipalen bij werkzaamheden aan de fundering van een bouwwerk in een beschermingsgebied voor grondwater

Bij werkzaamheden aan de fundering van een bouwwerk worden de prefab betonnen heipalen als bedoeld in Artikel 4.5, tweede lid onder e, minimaal twee meter beneden maaiveld afgewerkt door middel van de methodes 'afzagen' of 'afknabbelen'.

Artikel 4.13 Melding: uitvoeren van sonderingen in een beschermingsgebied voor grondwater

  • 1.

    Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 2 meter ten opzichte van maaiveld zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 2.

    Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 8 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 3.

    Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 11 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 4.

    Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 14 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 5.

    Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 17 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 6.

    Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 20 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 7.

    Het is verboden een sondering uit te voeren als bedoeld in Artikel 4.5, tweede lid onder f, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 8.

    Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden.

  • 9.

    In aanvulling op Artikel 21.1 bevat een melding gegevens en bescheiden over:

    • a.

      de begrenzing van de activiteit;

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit;

    • c.

      gegevens en bescheiden over de uitvoerder;de voor de sondering te gebruiken methode;

    • d.

      de kadastrale aanduiding van de plaats van de sondering;

    • e.

      de coördinaten van de sondering(en) conform artikel 7.1b Omgevingsregeling.

  • 10.

    Artikel 4.13 , negende Lid is van overeenkomstige toepassing als eerder verstrekte gegevens of bescheiden wijzigen.

Paragraaf 4.2.2.2 Waterwingebied

Artikel 4.14 Melding: boorputten onttrekken grondwater of uitwisseling energie in een waterwingebied

  • 1.

    Het is verboden tot een diepte van 2 meter ten opzichte van maaiveld een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 2.

    Het is verboden tot een diepte van 11 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 3.

    Het is verboden tot een diepte van 14 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 4.

    Het is verboden tot een diepte van 26 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 5.

    Het is verboden tot een diepte van 29 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 6.

    Het is verboden tot een diepte van 32 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 7.

    Het is verboden tot een diepte van 35 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 8.

    Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden.

  • 9.

    In aanvulling op Artikel 21.1 bevat een melding voor een boorput geschikt voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie gegevens en bescheiden over:

    • a.

      de begrenzing van de activiteit;

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 10.

    Een melding voor een boorput geschikt voor de uitwisseling van energie bevat aanvullend:

    • a.

      de kadastrale aanduiding van de plaats van de boorput;

    • b.

      de coördinaten van de boorput conform artikel 7.1b Omgevingsregeling;

    • c.

      een beschrijving van het systeem waar de boorput deel vanuit maakt;

    • d.

      een beschrijving van de constructie van de boorput inclusief de materiaalkeuze en de te gebruiken vloeistoffen;

    • e.

      de wijze waarop de boorput wordt opgericht of gewijzigd;

    • f.

      de diepte van de boorput ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil respectievelijk maaiveld.

  • 11.

    Artikel 4.14 , negende Lid en Artikel 4.14 , tiende Lid zijn van overeenkomstige toepassing als eerder verstrekte gegevens of bescheiden wijzigen.

Artikel 4.15 Algemene regels prefab betonnen heipalen bij werkzaamheden aan de fundering van een bouwwerk in een waterwingebied

Bij werkzaamheden aan de fundering van een bouwwerk worden de prefab betonnen heipalen als bedoeld in Artikel 4.7, derde lid onder e, minimaal twee meter beneden maaiveld afgewerkt door middel van de methodes 'afzagen' of 'afknabbelen'.

Artikel 4.16 Melding: uitvoeren van sonderingen in een waterwingebied

  • 1.

    Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 2 meter ten opzichte van maaiveld zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 2.

    Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 11 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 3.

    Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 14 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 4.

    Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 26 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 5.

    Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 29 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 6.

    Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 32 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 7.

    Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 35 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 8.

    Het is verboden een sondering uit te voeren als bedoeld in Artikel 4.7, derde lid onder f, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 9.

    Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden.

  • 10.

    In aanvulling op Artikel 21.1 bevat een melding gegevens en bescheiden over:

    • a.

      de begrenzing van de activiteit;

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit;

    • c.

      gegevens en bescheiden over de uitvoerder; de voor de sondering te gebruiken methode;

    • d.

      de kadastrale aanduiding van de plaats van de sondering;

    • e.

      de coördinaten van de sondering(en) conform artikel 7.1b Omgevingsregeling.

  • 11.

    Artikel 4.16 , tiende Lid is van overeenkomstige toepassing als eerder verstrekte gegevens of bescheiden wijzigen.

Paragraaf 4.2.2.3 Boringsvrije zone

Artikel 4.17 Melding: boorputten onttrekken grondwater of uitwisseling energie in de boringsvrije zone

  • 1.

    Het is verboden tot een diepte van 8 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.

  • 2.

    Het is verboden tot een diepte van 11 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.

  • 3.

    Het is verboden tot een diepte van 14 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.

  • 4.

    Het is verboden tot een diepte van 17 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.

  • 5.

    Het is verboden tot een diepte van 20 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.

  • 6.

    Het is verboden tot een diepte van 23 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.

  • 7.

    Het is verboden tot een diepte van 26 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.

  • 8.

    Het is verboden tot een diepte van 29 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.

  • 9.

    Het is verboden tot een diepte van 32 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.

  • 10.

    Het is verboden tot een diepte van 35 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.

  • 11.

    Het is verboden tot een diepte van 38 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.

  • 12.

    Het is verboden tot een diepte van 41 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.

  • 13.

    Het is verboden tot een diepte van 44 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.

  • 14.

    Het is verboden tot een diepte van 47 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.

  • 15.

    Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden.

  • 16.

    In aanvulling op Artikel 21.1 bevat een melding voor een boorput geschikt voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie gegevens en bescheiden over:

    • a.

      de begrenzing van de activiteit;

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 17.

    Een melding voor een boorput geschikt voor de uitwisseling van energie bevat aanvullend:

    • a.

      de kadastrale aanduiding van de plaats van de boorput;

    • b.

      een beschrijving van het systeem waar de boorput deel vanuit maakt;

    • c.

      een beschrijving van de constructie van de boorput inclusief de materiaalkeuze en de te gebruiken vloeistoffen;

    • d.

      de wijze waarop de boorput wordt opgericht of gewijzigd;

    • e.

      de diepte van de boorput ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil respectievelijk maaiveld.

  • 18.

    Artikel 4.17, zestiende lid en Artikel 4.17, zeventiende lid zijn van overeenkomstige toepassing als eerder verstrekte gegevens of bescheiden wijzigen.

Artikel 4.18 Algemene regels prefab betonnen heipalen bij werkzaamheden aan de fundering van een bouwwerk in de boringsvrije zone

Bij werkzaamheden aan de fundering van een bouwwerk worden de prefab betonnen heipalen als bedoeld in Artikel 4.9, aanhef en onder e, minimaal twee meter beneden maaiveld afgewerkt door middel van de methodes 'afzagen' of 'afknabbelen'.

Artikel 4.19 Melding: uitvoeren van sonderingen in de boringsvrije zone

  • 1.

    Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 8 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.

  • 2.

    Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 11 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 3.

    Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 14 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 4.

    Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 17 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 5.

    Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 20 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.

  • 6.

    Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 23 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.

  • 7.

    Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 26 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.

  • 8.

    Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 29 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.

  • 9.

    Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 32 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.

  • 10.

    Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 35 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.

  • 11.

    Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 38 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.

  • 12.

    Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 41 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.

  • 13.

    Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 44 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.

  • 14.

    Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 47 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.

  • 15.

    Het is verboden een sondering uit te voeren als bedoeld in Artikel 4.9, aanhef en onder f, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

  • 16.

    Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden.

  • 17.

    In aanvulling op Artikel 21.1 bevat een melding gegevens en bescheiden over:

    • a.

      de begrenzing van de activiteit;

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit;

    • c.

      gegevens en bescheiden over de uitvoerder;

    • d.

      de kadastrale aanduiding van de plaats van de sondering;

    • e.

      de coördinaten van de sondering(en) conform artikel 7.1b Omgevingsregeling;

    • f.

      de voor de sondering te gebruiken methode.

  • 18.

    Artikel 4.19 , zeventiende Lid is van overeenkomstige toepassing als eerder verstrekte gegevens of bescheiden wijzigen.

Titel 4.3 Instructieregels

Artikel 4.20 Waterschap Zuiderzeeland: grondwateronttrekkingsactiviteit in grondwaterbeschermingsgebieden
  • 1.

    De algemene vergadering regelt in de waterschapsverordening voor de behartiging van de taken die het waterschap zijn opgedragen, dat het absoluut verboden is grondwater te onttrekken of water te retourneren of te infiltreren van water, indien de onttrekking of infiltratie plaatsvindt op een grotere diepte dan in een beschermingszone voor grondwater, een waterwingebied en de boringsvrije zone is toegestaan.

  • 2.

    De algemene vergadering regelt in de waterschapsverordening, dat vergunningen voor onttrekkingen die op 22 december 2009 vallen onder het verbod als bedoeld in artikel 6.4 van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland blijven bestaan tot het moment dat de onttrekking wordt beëindigd of tot 1 januari 2025.

  • 3.

    De instructieregel als bedoeld in Artikel 4.20 , eerste Lid heeft geen betrekking op:

    • a.

      onttrekkingen ten behoeve van de grondwatermonitoring, met het oog op de openbare drinkwaterproductie;

    • b.

      onttrekkingen ten behoeve van het grondwaterbeheer door of op last van het college van dijkgraaf en heemraden of gedeputeerde staten;

    • c.

      onttrekkingen ten behoeve van het onderzoeken en saneren van de bodem en het grondwater dan wel het verrichten van activiteiten ten gevolge van waarvan een verontreiniging van de bodem en het grondwater wordt verminderd of verplaatst, indien voor het saneren of die activiteiten Hoofdstuk 6 of het overgangsrecht als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet van toepassing is.

Artikel 4.21 Bevoegd gezag: beoordelingsregels werken en handelingen voor een milieubelastende activiteit in een beschermingsgebied voor grondwater of een waterwingebied)
  • 1.

    De omgevingsvergunning voor werken en handelingen in een beschermingsgebied voor grondwater als bedoeld in Artikel 4.4 , negende Lid, wordt alleen verleend indien het belang waartoe het betreffende grondwaterbeschermingsgebied is aangewezen zich daartegen niet verzet.

  • 2.

    De omgevingsvergunning voor werken en handelingen in een waterwingebied als bedoeld in Artikel 4.6, tiende lid, wordt alleen verleend indien het belang waartoe het betreffende grondwaterbeschermingsgebied is aangewezen zich daartegen niet verzet.

Hoofdstuk 5 Grondwateronttrekkingen

Titel 5.1 Algemeen

Artikel 5.1 Oogmerk

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het de bescherming van de grondwaterkwaliteit, doelmatig waterbeheer en doelmatig gebruik van bodemenergie.

Artikel 5.2 Werkingsgebied

De regels in dit hoofdstuk gelden voor het grondgebied van de provincie Flevoland, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.

Titel 5.2 Activiteiten

Afdeling 5.2.1 Grondwateronttrekkingen
Artikel 5.3 (Toepassingsbereik)

Deze paragraaf gaat over:

a. het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem het in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening als bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteit leefomgeving; en

b. het onttrekken van grondwater in verband met de aanleg of gebruik van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 5.4 (Meetverplichting onttrekken van grondwater en infiltratie van water)
  • 1.

    Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in artikel 5.3, onder a meet de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of geïnfiltreerd water met een nauwkeurigheid van ten minste 95%.

  • 2.

    Voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen of infiltraties kan Gedeputeerde Staten in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten.

  • 3.

    Degene die water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de kwaliteit van dat water door het nemen van representatieve monsters en het analyseren van de in Bijlage V opgenomen parameters met de in die tabel aangegeven frequentie.

  • 4.

    Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de onttrekking of infiltratie is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan Gedeputeerde Staten de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater en geïnfiltreerd water; en

    • b.

      de kwaliteit van het geïnfiltreerde water.

    • c.

      de analyse van de monsters vindt plaats overeenkomstig bijlage 4 bij de Drinkwaterregeling.

Afdeling 5.2.2 Aanleg en gebruik van een open bodemenergiesysteem
Artikel 5.5 (Toepassingsbereik)

Deze paragraaf gaat over de aanleg en gebruik van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 5.6 (Vergunningvrije bodemenergiesystemen)
  • 1.

    Met het oog op doelmatig gebruik van bodemenergie of doelmatig waterbeheer is geen omgevingsvergunning vereist voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het aanleggen of gebruiken van een open bodemenergiesysteem als de hoeveelheid grondwater die wordt onttrokken niet meer is dan 10 m3 per uur.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing in een bij omgevingsplan of deze verordening aangewezen interferentiegebied.

Artikel 5.7 (Gegevens en bescheiden)

In aanvulling op de gegevens en bescheiden zoals opgenomen in artikel 2.17 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden bij een melding voor het aanleggen en gebruiken van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 4.1149 van het Besluit activiteit leefomgeving de gegevens en bescheiden verstrekt zoals opgenomen in artikel 7.35 van de Omgevingsregeling.

Artikel 5.8 (Registratieplicht)
  • 1.

    In aanvulling op de registratieplicht zoals opgenomen in artikel 4.1150 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden van de volgende gegevens een registratie bijgehouden:

    • a.

      gemiddelde chloride-gehalte per jaar van het grondwater dat door het systeem in de bodem wordt teruggeleid.

  • 2.

    Jaarlijks voor 1 maart worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid als ook de gegevens en bescheiden bedoeld in artikel 4.1150 van het Besluit activiteiten leefomgeving aan bevoegd gezag verstrekt.

Artikel 5.9 (Vrijstelling registratieplicht)

De in artikel 4.1150, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen registratieplicht ten aanzien van de hoeveelheid warmte en koude die aan de bodem zijn toegevoegd, als ook de in artikel 4.1150 van het Besluit activiteiten leefomgeving bedoelde jaarlijkse verstrekking van deze gegevens en bescheiden, is niet van toepassing bij een open bodemenergiesysteem als bedoeld in Artikel 5.6, eerste lid waarbij het onttrokken water in een aaneengesloten systeem weer volledig wordt teruggebracht in hetzelfde watervoerende pakket als waaraan het is onttrokken.

Artikel 5.10 (Energie: Energierendement)
  • 1.

    Met het oog op doelmatig gebruik van bodemenergie behaalt een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving jaarlijks minimaal een energierendement van SPF 5.

  • 2.

    Indien uit de jaarlijkse verstrekte gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 4.1155a van het Besluit activiteiten leefomgeving blijkt dat het energierendement beneden SPF 5 komt of minder is dan 80% is afgenomen ten opzichte van het jaar ervoor worden maatregelen getroffen.

  • 3.

    Maatregelen als bedoeld in het tweede lid dienen ertoe te strekken dat het energierendement verhoogd wordt, waarbij minimaal een energierendement van SPF 5 behaald wordt.

Artikel 5.11 (Water: voorkomen verzilting)

Met het oog op het beschermen van de grondwaterkwaliteit wordt vermenging van zoet met zout of brak grondwater als bedoeld in tabel 1 van de Zoet-zout studie van provincie Flevoland (Deltares rapport d.d. 14 mei 2008, kenmerk 2008-U-R0546/A) zoveel als wat redelijkerwijs kan voorkomen.

Afdeling 5.2.3 Interferentiegebieden
Artikel 5.12 (Toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op de aanleg of gebruik van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelegen in het interferentiegebied bedrijventerrein Zwolsehoek als bedoel in de Verordening interferentiegebieden bodemenergiesystemen Gemeente Urk 2019.

Artikel 5.13 (Energie: opslagsysteem)
  • 1.

    Een open bodemenergiesysteem als bedoeld in Artikel 5.12 moet uitgevoerd worden als een doubletsysteem in het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket tussen 60 en 225 meter minus maaiveld.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan afgeweken van een doubletsysteem indien aangetoond kan worden dat dit past binnen het bodemenergieplan Bedrijventerrein Zwolsehoek op Urk, [IF Technology Creating energy, d.d. 26 februari 2019, kenmerk68122/SV20190226, versie 3.0].

  • 3.

    Het is verboden om een open bodemenergiesysteem als bedoeld in Artikel 5.12 uit te voeren als recirculatiesysteem.

Artikel 5.14 (Voorkomen interferentie)
  • 1.

    De warme en koude bronnen van een open bodemenergiesysteem, als bedoeld in Artikel 5.12, moeten worden gepositioneerd binnen de daarvoor bestemde zones, op de kaart van het bodemenergieplan Bedrijventerrein Zwolsehoek op Urk, [IF Technology Creating energy, d.d. 26 februari 2019, kenmerk68122/SV20190226, versie 3.0] aangegeven als rode en blauwe zoekgebieden.

  • 2.

    Binnen een zoekgebied kunnen open bodemenergiesystemen, als bedoeld in Artikel 5.12, met een totale capaciteit van 500m³/uur en 750.000 m³/seizoen gerealiseerd worden.

  • 3.

    De minimale filterlengte van een open bodemenergiesysteem, als bedoeld in Artikel 5.12, bedraagt 40 meter.

Titel 5.3 Instructieregels

Afdeling 5.3.1 Gedeputeerde Staten
Artikel 5.15 Grondwaterregister
  • 1.

    Gedeputeerde staten houden een register bij waarin wateronttrekkingsactiviteiten, inhoudende het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, worden opgenomen.

  • 2.

    In het grondwaterregister wordt de wateronttrekkingsactiviteit als bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving ingeschreven met vermelding van de gegevens en bescheiden die in het kader van deze wateronttrekkingsactiviteit aan gedeputeerde staten verstrekt worden.

  • 3.

    Een niet in het grondwaterregister opgenomen wateronttrekkingsactiviteit, als bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteit leefomgeving, wordt ambtshalve door gedeputeerde staten in het grondwaterregister opgenomen. De datum van de ambtshalve inschrijving is de aanvangsdatum van de wateronttrekkingsactiviteit.

Artikel 5.16 (Beoordelingsregel omgevingsvergunning bodemenergiesystemen)
  • 1.

    Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de aanleg en het gebruik van open bodemenergiesystemen die op grond van artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving is vereist, is de Handreiking provinciale besluiten bodemenergiesystemen (BUM BE deel 1) van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid is voor het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de aanleg en het gebruik van open bodemenergiesystemen gelegen in het interferentiegebied bedrijventerrein Zwolse Hoek, zoals aangewezen in de Verordening interferentiegebieden bodemenergiesystemen Gemeente Urk 2019] het bodemenergieplan Bedrijventerrein Zwolsehoek op Urk, [IF Technology Creating energy, d.d. 26 februari 2019, kenmerk 68122/SV20190226, versie 3.0] van toepassing.

  • 3.

    Een omgevingsvergunning wordt enkel verleend indien er geen vermenging optreedt van zoet met zout of brak grondwater als bedoeld in tabel 1 van de Zoet-zout studie van provincie Flevoland (Deltares rapport d.d. 14 mei 2008, kenmerk 2008-U-R0546/A).

  • 4.

    In afwijking van het derde lid kan de omgevingsvergunning verleend worden indien aangetoond wordt dat de vermenging van zoet met zout of brak water niet leidt tot aanzienlijke verzilting van het grondwater.

Artikel 5.17 (Voorschriften omgevingsvergunning bodemenergiesystemen)

Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor de aanleg en het gebruik van open bodemenergiesystemen die op grond van artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving is vereist, is de Handreiking provinciale besluiten bodemenergiesystemen (BUM BE deel 1) van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 5.3.2 Waterschap Zuiderzeeland
Artikel 5.18 Gegevens verstrekking en grondwaterregister
  • 1.

    Het dagelijks bestuur van het waterschap neemt de volgende gegevens op in het grondwaterregister als bedoeld in Artikel 5.15, eerste lid:

    • a.

      een overzicht van de op grond van de waterschapsverordening vereiste vergunningen en gegevens en bescheiden op basis waarvan de wateronttrekkingsactiviteit, inhoudende het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, plaatsvindt.

    • b.

      de gegevens die op grond van de waterschapsverordening vereist zijn in het kader van de wateronttrekkingsactiviteit, inhoudende het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, door de houder van de omgevingsvergunning of door degene op wie een informatieplicht rust aan het dagelijks bestuur van het waterschap worden verstrekt.

  • 2.

    De in het eerste lid opgenomen registratieplicht geldt niet voor wateronttrekkingsactiviteiten waar minder of gelijk aan 10.000 m3 grondwater onttrokken wordt.

  • 3.

    De op grond van het eerste en tweede lid vermelde gegevens worden daarnaast aan gedeputeerde staten verstrekt in verband met de grondwateronttrekkingsheffing als bedoeld in artikel 13.4b van de Omgevingswet.

  • 4.

    Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen aangaande het tijdstip en de wijze waarop de gegevens, bedoeld in het derde lid, worden aangeleverd.

Hoofdstuk 6 Grondwaterkwaliteit

Titel 6.1 Algemeen

Artikel 6.1 Oogmerk

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld uit oogpunt van de bescherming van de grondwaterkwaliteit en het beperken van risico’s voor verontreiniging van het grondwater en verdere verspreiding van verontreiniging in het grondwater.

Artikel 6.2 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is van toepassing op activiteiten die redelijkerwijs kunnen leiden tot verontreiniging van het grondwater of beïnvloeding van een historische verontreiniging in het grondwater.

Artikel 6.3 Aanwijzing werkingsgebieden historische grondwaterverontreiniging

Titel 6.2 Activiteiten die invloed hebben op grondwater

Afdeling 6.2.1 Risicobeoordeling bij beïnvloeding bekende historische verontreinigingen
Artikel 6.4 Toets op beïnvloeding
  • 1.

    Voorafgaand aan het verrichten van een activiteit in een margegebied historische grondwaterverontreiniging wordt een risicobeoordeling grondwater uitgevoerd als blijkt dat die activiteit in staat is:

    • a.

      het grondwater, en daarmee de grondwaterstroming, te beÏnvloeden; en

    • b.

      de bekende historische grondwaterverontreiniging in het grondwater te beÏnvloeden.

  • 2.

    De risicobeoordeling grondwater is gericht op het bepalen of sprake is van onaanvaardbare verspreidingsrisico’s van de bekende historische grondwaterverontreiniging als gevolg van de activiteit.Margegebied historische grondwaterverontreiniging

  • 3.

    Bij het uitvoeren van de risicobeoordeling grondwater, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 4.

    Voor het bepalen of sprake is van onaanvaardbare verspreidingsrisico’s wordt gebruik gemaakt van de Risicotoolbox Grondwater of een gelijkwaardige methode.

Artikel 6.5 Gegevens en bescheiden: resultaten risicobeoordeling

Ten minste vier weken voor aanvang van de activiteit als bedoeld in Artikel 6.4, eerste lid worden de gegevens en bescheiden verstrekt aan gedeputeerde staten over:

Artikel 6.6 Maatregelen na uitvoering risicobeoordeling grondwater
Artikel 6.7 Gegevens en bescheiden bij beëindiging activiteit

Bij beëindiging van een activiteit in een margegebied historische grondwaterverontreiniging worden, indien de bekende historische grondwaterverontreiniging verminderd of verplaatst is, de gegevens en bescheiden over de grondwaterkwaliteit na beëindiging van de activiteit verstrekt aan gedeputeerde staten.

Afdeling 6.2.2 Onderzoeksplicht bij aantreffen onbekende historische grondwaterverontreinigingen
Artikel 6.8 Gegevens en bescheiden: onbekende historische grondwaterverontreiniging

Gedeputeerde staten ontvangen onverwijld een afschrift van de resultaten van een voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving die aan burgemeester en wethouders worden verstrekt op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of omgevingsplan, indien uit het voorafgaand bodemonderzoek dat plaatsvindt buiten het margegebied historische grondwaterverontreiniging blijkt dat voor één of meer verontreinigende stoffen de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in Bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt overschreden.

Titel 6.3 Grondwatersanering

Artikel 6.9 Melding grondwatersanering
  • 1.

    Het is verboden een grondwatersanering te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    In aanvulling op Artikel 21.1 bevat een melding:

    • a.

      de resultaten van voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • b.

      de keuze voor de saneringsaanpak, waarbij aangetoond wordt dat de gekozen saneringsaanpak leidt tot het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van het grondwater;

    • c.

      omschrijving van de werkzaamheden, waaronder ten minste het maximale volume van bodem en grondwater waarin de werkzaamheden plaatsvinden en de maximale hoeveelheid te onttrekken grondwater;

    • d.

      een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de grondwatersanering te voorkomen of te beperken;

    • e.

      als afvalwater wordt geloosd: de lozingsroutes; en

    • f.

      de naam van de milieukundig begeleider.

  • 3.

    Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste een week voor die afwijking te melden.

  • 4.

    Artikel 6.9 is niet van toepassing als de grondwatersanering als vergunningplichtig is aangewezen in Artikel 6.10.

Artikel 6.10 Omgevingsvergunning grondwatersanering
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een grondwatersanering uit te voeren waarbij sprake is van onaanvaardbare verspreidingsrisico’s, bedoeld in Artikel 6.4.

  • 2.

    Bij de aanvraag om omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 6.10, eerste lid, worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de resultaten van de risicobeoordeling grondwater, bedoeld in Artikel 6.4;

    • b.

      de resultaten van voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • c.

      een beschrijving van de effecten die met de saneringsaanpak wordt beoogd, waaronder mede begrepen een nadere beschrijving van de kwaliteit van het grondwater die met de grondwatersanering zal worden bereikt, waarbij minimaal de onaanvaardbare verspreidingsrisico’s worden weggenomen;

    • d.

      de keuze voor de saneringsaanpak, waarbij aangetoond wordt dat de gekozen saneringsaanpak leidt tot het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van het grondwater;

    • e.

      een omschrijving van de werkzaamheden, waaronder ten minste het maximale volume van bodem en grondwater waarin de werkzaamheden plaatsvinden en de maximale hoeveelheid te onttrekken grondwater;

    • f.

      een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de grondwatersanering te voorkomen of te beperken;

    • g.

      als afvalwater wordt geloosd: de lozingsroutes; en

    • h.

      de naam van de milieukundig begeleider.

Artikel 6.11 Kwaliteitsborging grondwatersanering

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het grondwater en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt een grondwatersanering:

  • a.

    uitgevoerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000; en

  • b.

    begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000.

Artikel 6.12 Gegevens en bescheiden: beëindigen grondwatersanering
  • 1.

    Ten hoogste vier weken na beëindiging van de grondwatersanering worden aan het bevoegde gezag gegevens en bescheiden verstrekt in de vorm van een evaluatieverslag, bedoeld in artikel 4.1246 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Als er sprake is van gebruiksbeperkingen of nazorg worden ook gegevens en bescheiden bij het evaluatieverslag verstrekt over:

    • a.

      de gebruiksbeperkingen die wenselijk zijn ter bescherming van de chemische en ecologische kwaliteit van het grondwaterlichaam en de aan het grondwaterlichaam toegekende maatschappelijke functies; en

    • b.

      een voorstel voor nazorgmaatregelen als bedoeld in Artikel 6.13.

Artikel 6.13 Nazorg na uitvoeren grondwatersanering

Degene die de grondwatersanering verricht, is belast met de uitvoering van de nazorgmaatregelen, bedoeld in Artikel 6.12, tweede lid onder b, tenzij in het evaluatieverslag een ander daartoe is aangewezen.

Titel 6.4 Instructieregels

Afdeling 6.4.1 Instructieregels voor het omgevingsplan
Paragraaf 6.4.1.1 Activiteiten op een bron van bekende historische grondwaterverontreiniging

Artikel 6.14 Bouwen op een bron van bekende historische grondwaterverontreiniging

  • 1.

    Het omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een gebouw of gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt op een bron van een bekende historische grondwaterverontreiniging alleen is toegelaten als een bronaanpak overeenkomstig Artikel 6.15 wordt uitgevoerd voor zover er sprake is van een mobiele bodemverontreiniging.

  • 2.

    Er is sprake van een mobiele bodemverontreiniging als bedoeld in Artikel 6.14, eerste lid indien de verontreinigende stof:

    • a.

      in het vaste deel van de bodem voorkomt in concentraties hoger dan de interventiewaarde bodemkwaliteit als bedoeld in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      in het grondwater voorkomt in concentraties hoger dan de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering als bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving

  • 3.

    Het aannemelijk maken of er sprake is van een mobiele bodemverontreiniging kan volgen uit:

    • a.

      het uitvoeren van een voorafgaand bodemonderzoek, als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

    • b.

      het overleggen van een beschikking krachtens artikel 29 juncto artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidig dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of bij een mogelijke verspreiding van een verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

  • 4.

    Een gebouw als bedoeld in het eerste lid omvat ook de daaraan grenzende aaneengesloten tuin of het daaraan aangrenzende aaneengesloten terrein.

  • 5.

    Artikel 6.14, eerste lid geldt niet voor bijbehorende bouwwerken als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving van ten hoogste 50 m2.

Artikel 6.15 Eisen aan bronaanpak

  • 1.

    Het omgevingsplan bepaalt dat bij de uitvoering van een bronaanpak, bedoeld in Artikel 6.14, eerste lid, afdekken als saneringsaanpak, bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving, niet is toegestaan.

  • 2.

    Het omgevingsplan regelt dat een maatwerkvoorschrift met betrekking tot de uitvoering van een bronaanpak, bedoeld in Artikel 6.14, eerste lid, waarin een andere saneringsaanpak dan bedoeld in artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving is toegestaan, alleen kan worden gesteld als de andere saneringsaanpak leidt tot het voorkomen of beperken van verontreinigende stoffen naar het grondwater.

  • 3.

    Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat gedeputeerde staten een afschrift krijgen van:

    • a.

      de melding, bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      het evaluatieverslag, bedoeld in artikel 4.1246 van het Besluit activiteiten leefomgeving na beëindiging van de bodemsanering.

  • 4.

    Artikel 6.15, derde lid is enkel van toepassing indien het saneren van de bodem wordt uitgevoerd vanwege een op grond van Artikel 6.14, eerste lid verplichte bronaanpak

Artikel 6.16 Activiteiten op een bron van een bekende historische grondwaterverontreiniging

Het omgevingsplan bepaalt dat degene die een activiteit uitvoert op een bron van een bekende historische grondwaterverontreiniging in het belang van bescherming van de bodem en het watersysteem maatregelen neemt die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem en het grondwater te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.

Paragraaf 6.4.1.2 Lozen op of in de bodem

Artikel 6.17 Lozen van grondwater op of in de bodem

  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de bodem- en het watersysteem stelt een omgevingsplan voorwaarden aan het lozen van grondwater op of in de bodem dat afkomstig is van:

    • a.

      een bodemsanering of grondwatersanering;

    • b.

      een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering; en

    • c.

      graven in een bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit.

  • 2.

    Het omgevingsplan bepaalt dat ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, en ten minste vier weken voor de activiteit wijzigt, aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden worden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 3.

    Het omgevingsplan bepaalt dat voor het lozen van dat grondwater op of in de bodem, dat afkomstig is van een activiteit als bedoeld in het eerste lid, de emissiegrenswaarden:

    • a.

      de waarden, bedoeld in bijlage XIX, onder A bij het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn; of

    • b.

      de concentraties van verontreinigende stoffen als bedoeld in bijlage XIX, onder B bij het Besluit kwaliteit leefomgeving waaronder gevaar van verontreiniging van het grondwater uit te sluiten is voor zover die stoffen niet zijn aangegeven in bijlage XIX, onder A bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  • 4.

    Artikel 6.17, tweede lid is niet van toepassing bij het lozen van grondwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit als:

    • a.

      het lozen niet langer dan 48 uur duurt;

    • b.

      het lozen plaatsvindt bij wonen.

  • 5.

    Artikel 6.17, derde lid is niet van toepassing bij het lozen van grondwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit indien dit gaat om graven in een bodemvolume kleiner dan 25 m3.

Artikel 6.18 Verbod op rechtstreeks lozen van verontreinigende stoffen in het grondwater

  • 1.

    Een omgevingsplan bepaalt dat het rechtstreeks lozen van verontreinigende stoffen zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond, in het grondwater verboden is.

  • 2.

    Artikel 6.18, eerste lid geldt niet voor wateronttrekkingsactiviteiten waarvoor op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de omgevingsverordening of waterschapsverordening een omgevingsvergunning is vereist of waar op grond van de waterschapsverordening voorschriften aan zijn gesteld.

Artikel 6.19 Maatwerkvoorschrift verbod op rechtstreeks lozen in het grondwater

Het omgevingsplan bepaalt dat bij maatwerkvoorschrift een rechtstreekse lozing van verontreinigende stoffen in het grondwater als bedoeld in Artikel 6.18, eerste lid kan worden toegestaan, indien de lozing is toegestaan op grond van artikel 11, derde lid onder j van de Kaderrichtlijn Water en op voorwaarde dat de lozing niet verhindert dat de voor dat grondwaterlichaam vastgestelde milieudoelstellingen worden bereikt.

Artikel 6.20 Maatwerkvoorschrift lozen van brijnwater

Met een maatwerkvoorschrift als bedoeld in Artikel 6.19 kan eveneens een rechtstreekse lozing van verontreinigde stoffen afkomstig van brijnwater in het grondwater worden toegestaan.

Afdeling 6.4.2 Instructieregels bevoegd gezag omgevingsvergunning
Paragraaf 6.4.2.1 Omgevingsvergunning grondwatersanering

Artikel 6.21 Beoordelingsregels omgevingsvergunning grondwatersanering

  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een grondwatersanering als bedoeld in Artikel 6.10 wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van:

    • a.

      het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;

    • b.

      het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en

    • c.

      het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met de waterbeheerprogramma’s, de regionale waterprogramma’s, de stroomgebiedsbeheerplannen, de overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam.

  • 2.

    Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met de waterbeheerprogramma’s, de regionale waterprogramma’s, de stroomgebiedsbeheerplannen, de overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam.

  • 3.

    Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat:

    • a.

      niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving;

    • b.

      een goed ecologisch potentieel als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, Besluit kwaliteit leefomgeving; en

    • c.

      een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt; en

    • d.

      de doelstelling van ombuiging van significante en aanhoudend stijgende trends, bedoeld in artikel 4.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt; en

    • e.

      de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang en streven naar verbetering van de kwaliteit van water bestemd voor menselijke consumptie, bedoeld in artikel 4.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.

  • 4.

    Artikel 6.21, derde lid is niet van toepassing:

    • a.

      voor zover het gaat om de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving, als het niet voldoen aan die omgevingswaarde wordt veroorzaakt door een buiten Nederland gelegen verontreinigingsbron en toepassing is gegeven aan artikel 2.17, derde lid, Besluit kwaliteit leefomgeving; of

    • b.

      als het niet voldoen aan een omgevingswaarde of het niet bereiken van een goed ecologisch potentieel of een minder strenge doelstelling het gevolg is van:

      • 1.

        nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam of wijzigingen in de stand van een grondwaterlichaam; en

      • 2.

        toepassing is gegeven aan artikel 2.17, vierde lid, Besluit kwaliteit leefomgeving.

  • 5.

    Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval ook niet toe leiden dat de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.

Artikel 6.22 Voorschriften omgevingsvergunning grondwatersanering

Aan een omgevingsvergunning voor een grondwatersanering worden met het oog op het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van grondwaterlichamen als aan een grondwaterlichaam toegekende maatschappelijke functies voorschriften verbonden die een inbreng van verontreinigende stoffen naar het (omliggende) grondwater ten tijde van de grondwatersanering als na beëindiging voorkomen of beperken.

Hoofdstuk 7 Ontgrondingen

Titel 7.1 Algemeen

Artikel 7.1 Oogmerk

De regels in dit hoofdstuk over ontgrondingsactiviteiten zijn gesteld met het oog op de doelen van de Omgevingswet.

Artikel 7.2 Werkingsgebied

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op ontgrondingsactiviteiten op land en in regionale wateren in het grondgebied van de provincie Flevoland met uitzondering van de rijkswateren waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.

Artikel 7.3 Aanwijzing beschermingszones archeologie

Titel 7.2 Activiteiten

Afdeling 7.2.1 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
Artikel 7.4 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

In aanvulling op artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt het verbod van artikel 5.1, van de Omgevingswet, om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten niet voor ontgrondingsactiviteiten, voor zover het gaat om het ontgronden:

  • a.

    waarbij niet meer dan 500 m2 wordt ontgrond en bovendien een diepte van 3 meter beneden maaiveld niet wordt overschreden; of

  • b.

    voor een waterput, reservoir, bassin, vijver, poel of een daarmee vergelijkbare voorziening, als:

    • 1.

      grondlagen dieper dan 3 meter onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven;

    • 2.

      niet meer dan 1.500 m3 wordt ontgraven; en

    • 3.

      deze voorziening niet in open verbinding staat met een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 7.5 Melding
  • 1.

    Het is verboden een ontgrondingsactiviteit, bedoeld in artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving en Artikel 7.4, te verrichten zonder dit ten minste vier werken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden.

  • 3.

    In aanvulling op Artikel 21.1 bevat een melding gegevens en bescheiden over:

    • a.

      de kadastrale ligging van de ontgrondingslocatie;

    • b.

      de periode waarbinnen de ontgrondingsactiviteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      een beschrijving van het doel van de ontgrondingsactiviteit;

    • d.

      de toestand en de functie van het terrein na het afronden van de ontgrondingsactiviteit;

    • e.

      de oppervlakte van het te ontgronden terreingedeelte in m2;

    • f.

      de beoogde maximale diepte in meter beneden maaiveld;

    • g.

      de huidige maaiveldhoogte in meters ten opzichte van NAP;

    • h.

      de opbouw van het bodemprofiel tot de grootste diepte van de voorgenomen ontgrondingsactiviteit; en

    • i.

      de hoeveelheid te ontgraven en af te voeren oppervlaktedelfstof in m3.

  • 4.

    Artikel 7.5, derde lid is van overeenkomstige toepassing als eerder verstrekte gegevens of bescheiden wijzigen.

  • 5.

    Artikel 7.5 is niet van toepassing op een ontgrondingsactiviteit waarbij minder dan 1500 m3 wordt ontgraven.

Afdeling 7.2.2 Afwijken van aanwijzing vergunningvrije gevallen
Artikel 7.6 Afwijking algemeen
  • 1.

    In afwijking van artikel 16.7, onder e en g, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt de uitzondering van het verbod van artikel 5.1, van de Omgevingswet, om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, enkel als een diepte van 3 meter beneden maaiveld niet wordt overschreden en andere belangen niet of nauwelijks zijn betrokken.

  • 2.

    Artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving en Artikel 7.4 gelden niet voor twee of meer uit te voeren ontgrondingsactiviteiten die in elkaars directe nabijheid plaatsvinden en een samenhangend geheel vormen.

Artikel 7.7 Afwijking Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden

Artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving en Artikel 7.4, gelden niet voor ontgrondingsactiviteiten met een diepte van meer dan 0,3 meter beneden het maaiveld in de beschermingszone van de provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden.

Artikel 7.8 Afwijking Top-10 Archeologische Locaties

Artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving en Artikel 7.4, gelden niet voor ontgrondingsactiviteiten met een diepte van meer dan 0,3 meter beneden het maaiveld in de beschermingszone van de top-10 Archeologische Locaties.

Afdeling 7.2.3 Omgevingsvergunning ontgrondingsactiviteit
Artikel 7.9 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning ontgrondingsactiviteit in het kader van archeologische monumentenzorg
  • 1.

    Bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit wordt in aanvulling op artikel 7.3, 7.4 en 7.207 Omgevingsregeling een rapport verstrekt, waarin de archeologische waarde van de locatie naar het oordeel van gedeputeerde staten in voldoende mate is vastgesteld.

  • 2.

    Het rapport bedoeld in het eerste lid voldoet aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en is uitgevoerd overeenkomstig een door gedeputeerde staten goedgekeurd plan van aanpak of programma van eisen.

Hoofdstuk 8 Bescherming landschap

Titel 8.1 Algemeen

Artikel 8.1 Oogmerk

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het belang van de bescherming van het landschapsschoon en zijn gericht op het behoud en de ontwikkeling van een specifiek en karakteristiek landschapspatroon.

Artikel 8.2 Werkingsgebied activiteiten bescherming landschap

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op activiteiten in het landelijk gebied van Flevoland buiten de bebouwde kom en binnen het beperkingengebied provinciale wegen, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II

Titel 8.2 Activiteiten

Artikel 8.3 Verbod op het plaatsen borden in het buitengebied
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten om één of meer borden te plaatsen, te doen plaatsen, geplaatst te houden, aan te brengen, te doen aanbrengen of aangebracht te houden op of aan een onroerende zaak.

  • 2.

    Het is de zakelijk gerechtigde of gebruiker van enige onroerende zaak verboden deze onroerende zaak te gebruiken of te laten gebruiken voor het plaatsen, doen plaatsen, geplaatst te houden, aanbrengen, doen aanbrengen of aangebracht te houden van één of meer borden zonder omgevingsvergunning.

Artikel 8.4 Uitzondering verboden activiteiten bescherming landschap

Het in Artikel 8.3 neergelegde verbod geldt niet voor het plaatsen, houden en/of verwijderen van borden;

  • a.

    die niet zichtbaar zijn vanaf een openbare weg, een openbaar water, een spoorweg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats;

  • b.

    die betrekking hebben op enig beroep, enig bedrijf of enige dienst, en die borden zijn geplaatst of aangebracht op de bouwkavel waar dat beroep, bedrijf of die dienst wordt uitgeoefend of op of in de directe nabijheid van de inrit daarnaar toe;

  • c.

    die zijn geplaatst of aangebracht op, in of aan een wachtruimte bij een halteplaats voor het openbaar vervoer;

  • d.

    die op of aan een onroerende zaak zijn geplaatst of aangebracht ten behoeve van de verkoop, verhuur of verpachting van deze zaak, mits niet langer aanwezig dan voor de verkoop, verhuur of verpachting noodzakelijk is;

  • e.

    die ofwel zijn geplaatst of aangebracht op een terrein waar een grootschalige publieke gebeurtenis, zoals een openbare wedstrijd, manifestatie, tentoonstelling of evenement, plaatsvindt, ofwel zijn geplaatst of aangebracht ter bekendmaking van of de bewegwijzering naar die gebeurtenis en mits;

    • 1.

      die gebeurtenis niet behoort tot de gebruikelijke commerciële uitoefening van een beroep, bedrijf of dienst;

    • 2.

      op borden, die zijn geplaatst buiten het terrein waar de gebeurtenis plaatsvindt, eventuele handelsreclame duidelijk ondergeschikt is aan de bekendmaking c.q. bewegwijzering en;

    • 3.

      het bord niet langer aanwezig is dan gedurende één maand voor die gebeurtenis tot één week erna, die zijn geplaatst of aangebracht op een overeenkomstig een omgevingsplan in gebruik zijnde sportterrein, mits het bord dient ter bekendmaking van sponsorering van het sportterrein en niet zichtbaar is vanaf de openbare weg;

  • f.

    die zijn geplaatst of aangebracht op een overeenkomstig een omgevingsplan in gebruik zijnde sportterrein, mits het bord dient ter bekendmaking van sponsorering van het sportterrein en niet zichtbaar is vanaf de openbare weg;

  • g.

    die zijn geplaatst of aangebracht op een overeenkomstig een omgevingsplan in gebruik zijnde bedrijventerrein;

  • h.

    die betrekking hebben op een werk in uitvoering, waarvoor van overheidswege opdracht is gegeven, voor zover zij in de directe nabijheid van het werk zijn geplaatst of aangebracht en niet langer aanwezig zijn dan de uitvoering van het werk duurt;

  • i.

    die zijn geplaatst of aangebracht in een wegberm en kunnen worden beschouwd als een herdenkingsteken zoals bedoeld in Artikel 9.25 en Artikel 11.32;

  • j.

    die vanwege of met toestemming van het bevoegd gezag zijn geplaatst of aangebracht ten behoeve van de verkeersveiligheid of de verkeersinformatie;

  • k.

    die zijn geplaatst of aangebracht op of aan zuilen, muren en andere constructies, die daarvoor door de overheid zijn aangewezen of ten aanzien waarvan gedeputeerde staten in een ander kader met het gebruik daarvoor hebben ingestemd;

  • l.

    die zijn geplaatst of aangebracht ter voldoening aan een wettelijke verplichting;

  • m.

    die dienen tot het openbaren van gedachten of gevoelens in de zin van artikel 7 van de Grondwet, mits niet meer dan één bord per onroerende zaak wordt aangebracht en mits dat bord niet langer dan drie maanden ter plaatse aanwezig is;

  • n.

    die dienen tot het aankondigen van verkiezingen voor een gemeenteraad, provinciale staten, de Tweede Kamer, de algemene vergadering of het Europees parlement en tot het presenteren van daaraan deelnemende politieke partijen, mits niet langer aanwezig dan gedurende één maand voor de verkiezing tot één week na die verkiezing;

  • o.

    die dienen ter aanduiding van gewassen, proefvelden, productinformatie of demonstratievelden, ter plaatse waar het product geteeld wordt, mits het bord geen merknaam bevat, niet verlicht of reflecterend is en het oppervlak niet groter is dan 3 m2;

  • p.

    die dienen ter bewegwijzering naar een verkooppunt van agrarische producten, naar een mini camping of naar een andere, aan het agrarisch bedrijf gerelateerde nevenactiviteit, mits het bord niet verlicht of reflecterend is en het oppervlak niet groter is dan 3 m2;

  • q.

    die dienen ter bewegwijzering naar een natuurgebied, mits het bord niet verlicht of reflecterend is en het oppervlak niet groter is dan 3 m2;

  • r.

    langs openbare wegen, niet zijnde openbare wegen in beheer van de provincie Flevoland, die een georganiseerd buurtinitiatief voor sociale veiligheid laten zien, mits;

    • 1.

      het geen commercieel initiatief is;

    • 2.

      er maximaal twee van deze borden aan dezelfde weg staan;

    • 3.

      de borden door of vanwege de gemeente, in beginsel geclusterd met andere borden en aan de rechterzijde van de weg, worden geplaatst;

    • 4.

      het bord maximaal 0,6 bij 0,3 meter groot is en maximaal de laagste reflectieklasse heeft.

Artikel 8.5 Algemene regels vergunningvrij plaatsen borden buitengebied

De borden als bedoeld in artikel 8.4 zijn deugdelijk geconstrueerd en verkeren in goede staat van onderhoud.

Artikel 8.6 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 8.3 worden in aanvulling op artikel 7.2 en 7.3 Omgevingsregeling tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt;

  • a.

    een tekening van de voorgenomen constructie;

  • b.

    een opsomming van de te gebruiken materialen;

  • c.

    de verwachte begin- en einddatum van de activiteit; en

  • d.

    een beschrijving van de vorm, afmetingen, het doel en het opschrift van het bord.

Titel 8.3 Instructieregels

Artikel 8.7 Beoordelingsregels omgevingsvergunning plaatsen borden

De omgevingsvergunning voor het plaatsen van borden als bedoeld in Artikel 8.3 wordt alleen verleend indien het belang van de bescherming van het landschap en het belang van de verkeersveiligheid zich daartegen niet verzet.

Hoofdstuk 9 Wegen

Titel 9.1 Inleidende bepalingen

Artikel 9.1 Oogmerk

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op de volgende belangen:

  • a.

    het veilig en doelmatig gebruik van de provinciale wegen overeenkomstig de functie daarvan voor het openbaar verkeer;

  • b.

    het beschermen van de provinciale wegen met inbegrip van het belang van het onderhoud of wijziging van de weg.

Artikel 9.2 Toepassingsbereik
  • 1.

    Dit hoofdstuk gaat over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot wegen in beheer bij de provincie Flevoland.

  • 2.

    Voor activiteiten die niet vallen onder het beperkingengebied met betrekking tot wegen in beheer bij de provincie Flevoland, geldt dat dit hoofdstuk ook van toepassing is voor activiteiten op/nabij locaties, binnen het grondgebied van de provincie Flevoland, die vallen onder het beheer bij de provincie Flevoland.

  • 3.

    Dit hoofdstuk is niet van toepassing op activiteiten door de provincie Flevoland, ten behoeve van de aanleg, de wijziging, het beheer en/of onderhoud van de weg, de toezicht en handhaving van de weg of de regeling van het wegverkeer over die weg.

Artikel 9.3 Werkingsgebied Provinciale Wegen

De regels in dit hoofdstuk gelden voor het beperkingengebied provinciale wegen waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II bij deze verordening.

Artikel 9.4 Normadressaat

Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 9.5 Specifieke zorgplicht
  • 1.

    Degene die activiteiten uitvoert in het beperkingengebied van de provinciale wegen, anders dan overeen­komstig de functie daarvan, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen bedoeld in Artikel 9.1, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2.

    Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      het voor het verkeer noodzakelijke uitzicht op of bij de weg zo min mogelijk wordt belemmerd;

    • b.

      geen gevaar wordt veroorzaakt voor de verkeersveiligheid of de doorstroming van het verkeer; en

    • c.

      de staat van het wegdek niet wordt aangetast op een wijze dat hoogteverschillen ontstaan of afwatering van de weg wordt gehinderd.

Artikel 9.6 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift kan aan een omge­vingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, met uitzondering van bepa­lingen over meldingen.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van bij of krachtens Afdeling 9.2.1, Afdeling 9.2.2 en Afdeling 9.2.3 gestelde regels voor het gebruik en onderhoud van de provinciale wegen, tenzij anders is bepaald.

  • 3.

    Met een maatwerkvoorschrift wordt Artikel 9.7, Artikel 9.8, Afdeling 9.3.1 en Afdeling 9.3.2 niet versoepeld.

Artikel 9.7 Algemene regels bij een melding

In aanvulling op Artikel 21.1 gelden de volgende regels bij een melding:

  • a.

    een melding vervalt als met de uitvoering van een activiteit binnen zes maanden, na het doen van de melding, geen start is gemaakt;

  • b.

    de melding met alle daarbij behorende gegevens en bescheiden zijn tijdens de uitvoering van de activiteit op de locatie aanwezig. Op verzoek van het bevoegd gezag wordt deze melding onmiddellijk getoond;

  • c.

    de melder van de activiteit stelt tenminste 5 werkdagen voor aanvang van de activiteit de toezichthouder van de provincie Flevoland hiervan in kennis.

Artikel 9.8 Algemene regels bij een omgevingsvergunning
  • 1.

    Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft tot een activiteit in dit hoofdstuk wordt die alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het oogmerk genoemd in Artikel 9.1.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning wordt niet geweigerd als door het stellen van voorschriften het te beschermen belang gelijkwaardig kan worden gediend.

Titel 9.2 Regels wegen

Afdeling 9.2.1 Algemene regels met betrekking tot activiteiten in het beperkingengebied
Artikel 9.9 Verwijderen van werken en objecten
  • 1.

    Bij een verruiming of wijziging van een weg waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, worden bouwwerken, werken die geen bouwwerk zijn of andere objecten verplaatst of verlegd in het geval ze een belemmering vormen voor de voorbereiding of uitvoering van de werkzaamheden door of namens de wegbeheerder.

  • 2.

    Indien met de rechthebbende geen schriftelijke overeenstemming wordt bereikt over de termijn waarop het bouwwerk, werk of object wordt verplaatst of verlegd, stelt het bevoegd gezag die termijn bij maatwerkvoorschrift vast.

Afdeling 9.2.2 Onderhoud en werkzaamheden van de weg
Artikel 9.10 Activiteiten gepaard met tijdelijke verkeersmaatregelen

In het beperkingengebied Provinciale Wegen is het verboden zonder omgevingsvergunning activiteiten uit te voeren waarbij (tijdelijke) verkeersmaatregelen moeten worden genomen ten behoeve van het reguleren van verkeer.

Artikel 9.11 Omgevingsvergunning werken

In het beperkingengebied Provinciale Wegen is het verboden zonder omgevingsvergunning werken te maken, plaatsen, hebben, wijzigen of verwijderen, met inbegrip van;

  • a.

    het bouwen, in stand houden en slopen van bouwwerken die daarmee samenhangen;

  • b.

    het aanleggen, plaatsen, in stand houden en verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn, die daarmee samenhangen; en

  • c.

    het wijzigen van de vorm, de loop, de constructie of het profiel van de weg.

Artikel 9.12 Omgevingsvergunning uitweg
  • 1.

    In het beperkingengebied Provinciale Wegen is het verboden zonder omgevingsvergunning een uitweg te maken, te wijzigen, aan te sluiten of verandering te brengen in de wijze van aanleg op een provinciale weg.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning voor een uitweg per perceel wordt verleend indien wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      een uitweg wordt geplaatst conform de beoordelingsregels zoals opgenomen in Bijlage VI;

    • b.

      de afstand van de uitweg tot bestaande kruisingen, wegaansluitingen, oversteekplaatsen, in-en uitwegen en bochten meer dan 200 meter bedraagt;

    • c.

      de uitweg wordt dusdanig geconstrueerd dat het verkeer vooruitrijdend de kavel, zonder nadere manoeuvres, op kan rijden en verlaten;

    • d.

      de uitweg heeft een gesloten of elementenverharding; en

    • e.

      de uitweg sluit vloeiend aan op de weg of het fietspad.

Artikel 9.13 Omgevingsvergunning tweede uitweg
  • 1.

    In het beperkingengebied Provinciale Wegen is het verboden zonder omgevingsvergunning een tweede uitweg te maken, te wijzigen, aan te sluiten of verandering te brengen in de wijze van aanleg op een provinciale weg.

  • 2.

    Het aanleggen, maken, hebben, wijzigen of aansluiten van een tweede uitweg op een provinciale weg wordt alleen toegestaan, met inachtneming van Artikel 9.12, tweede lid, indien:

    • a.

      geen tweede uitweg mogelijk is die aansluit op een gemeentelijke weg;

    • b.

      er sprake is van bedrijfssplitsing, aanvullende bedrijfsactiviteiten of een overmacht situatie; of

    • c.

      het verkeer geen keermogelijkheid heeft op het terrein.

Artikel 9.14 Omgevingsvergunning kabels en leidingen

In het beperkingengebied Provinciale Wegen is het verboden zonder omgevingsvergunning kabels en leidingen aan te leggen, te houden, te wijzigen of te verwijderen.

Artikel 9.15 Technische eisen kabels en leidingen
  • 1.

    Kabels en leidingen moeten voldoen aan de volgende technische eisen:

    • a.

      stalen transportleidingen: de NEN 3650;

    • b.

      stalen leidingen in kruisingen met belangrijke waterstaatswerken: de NEN 3651;

    • c.

      stalen leidingen voor transport van gas, drinkwater en afvalwater, stuiklassen voor bui­zen en hulpstukken van PE met een dichtheid van tenminste 930 kg/m3: de NEN 7200;

    • d.

      roosters en deksels voor putten en kolken voor verkeerszones voor voorvoetgangers en voertuigen, met een maximale dagmaat tot en met 1000 mm: de NEN-EN 124;

    • e.

      kabels en leidingen zijn, met inachtneming van de te verwachte gronddruk, berekend op een verkeersbelasting volgens belastingmodel 3 (Load Model 3) conform NEN-EN 1991-2;

    • f.

      kabels en leidingen ten behoeve van de riolering hebben een dekking van ten min­ste 1.00 meter.

  • 2.

    De normadressaat dient voorafgaand aan het leggen van een kabel of leiding een KLIC melding te doen en overleg te plegen met de betrokken netbeheerder.

Artikel 9.16 Gestuurde boringen en persen bij bomen
  • 1.

    Bij het leggen van kabels en leidingen nabij bomen wordt onder bomen door geboord.

  • 2.

    Er worden geen boomwortels afgehakt of beschadigd.

Artikel 9.17 Wegkruisingen

Bij een kruising van een kabel of leiding met een weg wordt;

  • a.

    een mantelbuis gebruikt;

  • b.

    een gestuurde boring toegepast; en

  • c.

    de mantelbuis zoveel mogelijk haaks op de weg as geplaatst.

Artikel 9.18 Slopen of verwijderen van kabels en leidingen

Kabels en leidingen die niet meer in gebruik zijn worden te allen tijde verwijderd.

Artikel 9.19 Merktekens

Bij het plaatsen van merktekens ten behoeve van kabels en leidingen dient het merkteken 0.50 meter boven het maaiveld uit te steken.

Artikel 9.20 Grondwerkzaamheden

Grondwerkzaamheden ten behoeve van kabels en leidingen moeten onder de vol­gende omstandigheden worden uitgevoerd:

  • a.

    ontgravingen dienen gescheiden plaats te vinden en aangevuld te worden;

  • b.

    ontgravingen dienen na afloop van iedere dag te worden dichtgemaakt of, indien dit niet mo­gelijk is, veilig te worden afgezet;

  • c.

    opengebroken weggedeelten, bestratingen en andere in verband met de werkzaamheden aan­wezige obstakels dienen duidelijk te worden gemarkeerd;

  • d.

    kabels en leidingen dienen in den droge te worden gelegd of verlegd, zo nodig met behulp van bronbemaling van voldoende capaciteit nabij de verharding tot 0.25 meter beneden de onder­kant van de boorbuizen of mantelbuizen;

  • e.

    de bovenste laag van de aanvulling mag geen puin bevatten.

Afdeling 9.2.3 Gebruik van de weg
Artikel 9.21 Omgevingsvergunning voorwerpen en objecten
  • 1.

    Het is binnen het beperkingengebied Provinciale Wegen verboden zonder omgevingsvergunning voorwerpen en objecten te storten, plaatsen, leggen, hebben, behouden of wijzigen.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor activiteiten die betrekking hebben op;

    • a.

      het plaatsen, hebben, wijzigingen of verwijderen van verkeertekens en onderborden als bedoeld in artikel 14 van de Wegenverkeerswet 1994; en

    • b.

      herdenkingstekens zoals bedoeld in Artikel 9.25.

Artikel 9.22 Omgevingsvergunning standplaats/verkooppunt
  • 1.

    Het is binnen het beperkingengebied Provinciale Wegen verboden zonder omgevingsvergunning een standplaats in te nemen.

  • 2.

    Onder de volgende voorwaarden kan een omgevingsvergunning worden verleend voor een standplaats:

    • a.

      het betreft een parkeer- of carpoolplaats;

    • b.

      de omgevingsvergunning wordt verleend voor een periode van maximaal een jaar; en

    • c.

      de veiligheid en de doelmatigheid van de parkeer- of carpoolplaats worden niet onacceptabel aangetast naar het oordeel van het bevoegd gezag.

Artikel 9.23 Omgevingsvergunning borden
  • 1.

    In het beperkingengebied Provinciale Wegen is het verboden om zonder omgevingsvergunning borden te plaatsen.

  • 2.

    Het verbod zoals bedoeld in het eerste lid geldt niet voor het plaatsen, hebben, wijzigen of verwijderen van borden ten behoeve van recreatieve bewegwijzering.

  • 3.

    De voorzieningen zoals bedoeld in het eerste lid:

    • a.

      worden geplaatst;

      • 1.

        buiten de bebouwde kom;

      • 2.

        op een deugdelijke wijze, dit betekent dat borden op stalen palen bevestigd en met grondankers geplaatst moeten worden;

      • 3.

        het bord in een goede staat van onderhoud verkeert en/of wordt onderhouden;

      • 4.

        het bord niet groter is dan 1.00 meter bij 1.00 meter;

      • 5.

        er niet meer dan twee borden bij elkaar op een locatie worden aangebracht;

      • 6.

        de borden worden geplaatst in de onverharde buitenberm op een afstand van ten min­ste 1.80 meter uit de kant van de verharding;

      • 7.

        zelfstandig en niet aan bestaande bebording en/of OV-masten bevestigd;

      • 8.

        minimaal 2 meter van OV-masten;

      • 9.

        zonder spiegeling, fluorisering, verlichting en bewegende delen;

      • 10.

        minimaal 0.5 meter en maximaal 2 meter boven het maaiveld is bevestigd;

      • 11.

        200 meter van bestaande kruisingen, wegaansluitingen, oversteekplaatsen, in-en uitwegen en bochten; en

      • 12.

        meer dan 50 meter voor of 50 meter voorbij bestaande bewegwijzering of verkeersborden.

    • b.

      worden verwijderd door degene die de voorzieningen plaatst:

      • 1.

        indien de voorzieningen waar ze betrekking op hebben niet langer aanwezig zijn en/of noodzakelijk zijn; en

      • 2.

        na verwijdering van de borden wordt de berm in oorspronkelijke staat terug gebracht.

  • 4.

    Voordat het bord wordt geplaatst dient een KLIC melding gedaan te worden.

Artikel 9.24 Omgevingsvergunning evenementen

In het beperkingengebied Provinciale Wegen is het met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van wegen verboden om zonder een omgevingsvergunning een evenement te houden.

Artikel 9.25 Meldingsplicht herdenkingstekens
  • 1.

    In het beperkingengebied Provinciale Wegen is het verboden om zonder voorafgaande melding als bedoeld in Artikel 21.1 herdenkingstekens te plaatsen.

  • 2.

    Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg wordt een herdenkingsteken:

    • a.

      door aanwezigheid, grootte, plaats of vormgeving op een deugdelijke wijze geplaatst;

    • b.

      zonder knipperende, bewegende of verlichtende delen geplaatst;

    • c.

      minimaal op 0.5 meter en maximaal 2 meter boven het maaiveld geplaatst;

    • d.

      in de onverharde buitenberm op een afstand van tenminste 1.80 meter uit de kant van de verharding geplaatst;

    • e.

      niet in bochten geplaatst; en

    • f.

      in het geval van meerdere slachtoffers wordt het een gecombineerde herdenkingsteken

  • 3.

    Het herdenkingsteken wordt na vijf jaar door de melder verwijderd.

Titel 9.3 Gegevens en bescheiden

Afdeling 9.3.1 Algemene gegevens
Artikel 9.26 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden omgevingsvergunning

Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit op basis van dit hoofdstuk worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag en worden die ondertekend en voorzien van:

  • a.

    een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  • b.

    de verwachte datum van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan.

Afdeling 9.3.2 Aanvullende gegevens en bescheiden voor activiteiten
Artikel 9.27 Gegevens en bescheiden met betrekking tot werken

Tenminste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 9.11 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    als het gaat om bouwen van een werk;

    • 1.

      een tekening of plattegrond van de betrokken locatie van de activiteit;

    • 2.

      een tekening van de voorgenomen constructie;

    • 3.

      een opsomming van de te gebruiken materialen; en

    • 4.

      de verwachte begin- en einddatum van de activiteit.

  • b.

    als het gaat om het verwijderen van een werk;

    • 1.

      de verwachte begin- en einddatum van de activiteit.

Artikel 9.28 Gegevens en bescheiden met betrekking tot uitwegen

Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 9.12 en Artikel 9.13 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een tekening of plattegrond van de betrokken locatie van de activiteit;

  • b.

    een tekening van de voorgenomen constructie;

  • c.

    een opsomming van de te gebruiken materialen; en

  • d.

    de verwachte begin- en einddatum van de activiteit.

Artikel 9.29 Gegevens en bescheiden met betrekking tot kabels en leidingen

Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 9.14 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een tekening of plattegrond van de betrokken locatie;

  • b.

    een tekening van de voorgenomen constructie inclusief maatvoering;

  • c.

    een opsomming van de te gebruiken materialen; en

  • d.

    de verwachte begin- en einddatum van de activiteit.

Artikel 9.30 Gegevens en bescheiden met betrekking tot standplaats/verkooppunt

Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 9.22 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de totale afmetingen van de ruimte die de aanvrager wil gaan gebruiken;

  • b.

    een beschrijving van de verkoopinrichting waaronder begrepen de afmeting van de (mobiele) wagen of kar inclusief de daaraan vast gemaakte uitbreidingen zoals luifels en zijschotten;

  • c.

    omschrijving van de waren die de aanvrager op de standplaats wenst te verkopen;

  • d.

    de periode van verkoop van waren;

  • e.

    een plaatsaanduiding op de weg waar de aanvrager de standplaats wil betrekken, onder vermelding van het wegnummer van de weg en de hectometrering; en

  • f.

    een plattegrondtekening met een schaal die niet kleiner mag zijn dan 1:1.000. Op de plattegrond is aangegeven:

    • 1.

      schaalaanduiding,

    • 2.

      adres,

    • 3.

      kadastrale aanduiding,

    • 4.

      wegnummer van de provinciale weg,

    • 5.

      hectometrering en

    • 6.

      plek waar de verkoopinrichting moet komen.

Artikel 9.31 Gegevens en bescheiden met betrekking tot borden

Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 9.23 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een tekening of plattegrond van de betrokken locatie van de activiteit;

  • b.

    een tekening van de voorgenomen constructie inclusief maatvoering;

  • c.

    een opsomming van de te gebruiken materialen; en

  • d.

    de voorgenomen duur van de aanwezigheid van het bord.

Artikel 9.32 Gegevens en bescheiden met betrekking tot evenementen

Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 9.24 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    aard van het evenement;

  • b.

    te treffen veiligheidsmaatregelen ten behoeve van het verkeer; en

  • c.

    omleidingsroutes indien de aanvrager wenst dat het verkeer wordt gestremd.

Hoofdstuk 10 Luchtvaart

Titel 10.1 Algemeen

Artikel 10.1 Oogmerk

De regels zijn gesteld ter verduidelijking.Luchthaven gelegen in de provincie Flevoland

Artikel 10.2 Werkingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op:

Titel 10.2 Activiteiten

Artikel 10.3 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Een aanvraag tot vaststelling van een luchthavenbesluit of luchthavenregeling bevat de volgende gegevens en bescheiden:

    • a.

      naam, adres, contactgegevens, rechtspersoonlijkheid, contactperso(o)n(en) en eventuele adviseurs van de aanvrager, en indien de aanvrager niet de (beoogde) exploitant is, tevens de genoemde gegevens van de (beoogde) exploitant;

    • b.

      een aanduiding van het terrein dat bestemd is om als luchthaven te worden ingericht, met een topografische kaart op een schaal van 1:10.000 en de kadastrale aanwijzing van het terrein;

    • c.

      de eigendomssituatie met betrekking tot het terrein, en voor zover de aanvrager niet de eigenaar is, een verklaring van de eigenaar of eigenaren dat deze instemt of instemmen met het voorgenomen gebruik als luchthaven;

    • d.

      een of meer tekeningen waaruit de beoogde ruimtelijke indeling van het gebied van en rond de luchthaven blijkt, met inbegrip van (maximale) hoogte van objecten;

    • e.

      een plan voor het gebruik van de luchthaven voor een periode in de eerste vijf jaar na inwerkingtreding van het luchthavenbesluit;

    • f.

      de wijze waarop in naderingsluchtverkeersleiding zal worden voorzien;

    • g.

      de voor het beoogde gebruik noodzakelijke berekeningen als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Regeling burgerluchthavens en artikel 10.44, derde lid van de Wet luchtvaart met betrekking tot het bepalen van de geluidsbelasting en het externe-veiligheidsrisico van het luchthavenluchtverkeer;

    • h.

      een bij het voornemen passende beschrijving van de mogelijke effecten op het milieu;

    • i.

      de wijze waarop in naderingsluchtverkeersleiding zal worden voorzien en de voor het beoogde gebruik noodzakelijke berekeningen als bedoeld in artikel 10.44, derde lid, van de Wet luchtvaart met betrekking tot de lokale luchtverontreiniging;

    • j.

      een onderbouwing voor de aanvraag van een luchthavenregeling;

    • k.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de eisen ingevolge artikel 29 van de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen;

  • 2.

    Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag tot wijziging van een luchthavenbesluit respectievelijk luchthavenregeling, met dien verstande dat de aanvrager:

    • a.

      alle gegevens indient die afwijken van de situatie die in het geldende besluit respectievelijk de geldende regeling is neergelegd, en

    • b.

      verklaart dat alle overige gegevens gelijkluidend zijn aan de gegevens in het geldende besluit respectievelijk de geldende regeling.

  • 3.

    Indien zich wijzigingen voordoen ten aanzien van de gegevens die op grond van het eerste lid zijn overgelegd in het kader van de aanvraag, dan dient binnen drie maanden nadat een wijziging zich voordoet een aanvraag tot wijziging van de luchthavenregeling te worden ingediend die voldoet aan het bepaalde in dit artikel.

Titel 10.3 Instructieregels

Artikel 10.4 Instructieregels aan Gedeputeerde Staten

Gedeputeerde staten zijn belast met de voorbereiding van een voorstel over een aanvraag van een luchthavenbesluit voor provinciale staten, met inbegrip van het opstellen van een ontwerpvoorstel en het toepassing geven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 11 Vaarwegen

Titel 11.1 Inleidende bepalingen

Artikel 11.1 Oogmerk

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op de volgende doelen:

  • a.

    het veilig en doelmatig gebruik van de provinciale vaarwegen overeenkomstig de functie daarvan voor het openbaar vaarwegverkeer;

  • b.

    het beschermen van de provinciale vaarwegen met inbegrip van het belang van het onderhoud of wijziging van de vaarweg.

Artikel 11.2 Toepassingsbereik
  • 1.

    Dit hoofdstuk gaat over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot vaarwegen in beheer bij de provincie Flevoland.

  • 2.

    Voor activiteiten die niet vallen onder het beperkingengebied met betrekking tot vaarwegen in beheer bij de provincie Flevoland, geldt dat dit hoofdstuk ook van toepassing is voor activiteiten op/nabij locaties die vallen onder het beheer bij de provincie Flevoland.

  • 3.

    Dit hoofdstuk is niet van toepassing op activiteiten door de provincie Flevoland ten behoeve van de aanleg, de wijziging, het beheer en/of onderhoud van de vaarweg, de toezicht en handhaving van de vaarweg of de regeling van het vaarwegverkeer over die vaarweg.

Artikel 11.3 Werkingsgebied Provinciale Vaarwegen

De regels in dit hoofdstuk gelden voor het beperkingengebied provinciale vaarwegen waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II bij deze verordening.

Artikel 11.4 Normadressaat

Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 11.5 Specifieke zorgplicht
  • 1.

    Degene die activiteiten uitvoert in het beperkingengebied van de provinciale vaarwegen, anders dan overeenkomstig de functie daarvan, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in Artikel 11.1 is verplicht;

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2.

    Deze plicht houdt in ieder geval in dat;

    • a.

      het voor het vaarwegverkeer noodzakelijke uitzicht op of bij de vaarweg zo min mogelijk wordt belemmerd;

    • b.

      geen gevaar wordt veroorzaakt voor de veiligheid of de doorstroming van het vaarwegverkeer; en

    • c.

      de vaarweg niet wordt verontreinigd.

Artikel 11.6 Maatwerkvoorschriften
Artikel 11.7 Algemene regels bij een melding

In aanvulling op Artikel 21.1 gelden de volgende regels bij een melding:

  • a.

    een melding vervalt als met de uitvoering van een activiteit binnen zes maanden na het doen van de melding geen start is gemaakt.

  • b.

    de melding met alle daarbij behorende gegevens en bescheiden is tijdens de uitvoering van de activiteit op de locatie aanwezig. Op verzoek van het bevoegd gezag wordt deze melding onmiddellijk getoond.

  • c.

    de melder van de activiteit stelt tenminste 5 werkdagen voor aanvang van de activiteit de opzichter van de provincie Flevoland hiervan in kennis.

Artikel 11.8 Algemene regels bij een omgevingsvergunning
  • 1.

    Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit in dit hoofdstuk wordt die alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het oogmerk genoemd in Artikel 11.1.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning wordt niet geweigerd als door het stellen van voorschriften het te beschermen belang gelijkwaardig kan worden gediend.

Titel 11.2 Regels vaarwegen

Afdeling 11.2.1 Regels met betrekking tot vaarwegactiviteiten
Artikel 11.9 Omgevingsvergunning vaarwegactiviteiten
  • 1.

    In het beperkingengebied Provinciale Vaarwegen is het verboden zonder omgevingsvergunning vaarwegverkeeractiviteiten uit te voeren.

  • 2.

    Deze afdeling is niet van toepassing indien het stremmen of belemmeren van de scheepvaart door of namens het bevoegd gezag het gevolg is van extreem weer of calamiteiten.

Artikel 11.10 Verboden activiteiten
  • 1.

    Het is verboden gebruik te maken van spudpalen in provinciale vaarwegen.

  • 2.

    Het is verboden te ankeren in de provinciale vaarweg.

Artikel 11.11 Stremmen of belemmeren van de scheepvaart

Het vaarwegverkeer wordt alleen gestremd of belemmerd indien is voldaan aan de aanvraag- en publicatievereisten voor een stremming;

  • a.

    indien er geen sprake is van hinder:

    • 1.

      de aanmelding voor stremming dient 1 week voor uitvoering te worden gedaan;

    • 2.

      er is geen publicatie voor de scheepvaart nodig.

  • b.

    indien er sprake is van maximaal 2 uur hinder:

    • 1.

      de aanmelding voor stremming dient 2 weken voor uitvoering te worden gedaan;

    • 2.

      de publicatie voor het scheepvaartverkeer dient minimaal 1 week voor uitvoering te worden gepubliceerd.

  • c.

    indien er sprake is van maximaal 2 dagen hinder:

    • 1.

      de aanmelding voor een stremming dient 6 weken voor uitvoering bij de vaarwegbeheerder te worden gedaan;

    • 2.

      de publicatie voor het scheepvaartverkeer dient minimaal 4 weken voor uitvoering te worden gepubliceerd.

  • d.

    indien er sprake is van maximaal 7 dagen hinder:

    • 1.

      de aanmelding voor een stremming dient 8 weken voor uitvoering te worden gedaan;

    • 2.

      de publicatie voor het scheepvaartverkeer dient minimaal 6 weken voor uitvoering te worden gepubliceerd.

  • e.

    indien er sprake is van maximaal 4 weken hinder:

    • 1.

      de aanmelding voor een stremming dient 26 weken voor uitvoering te worden gedaan;

    • 2.

      de publicatie voor het scheepvaartverkeer dient minimaal 13 weken voor uitvoering te worden gepubliceerd.

  • f.

    indien er sprake is van meer dan 4 weken hinder:

    • 1.

      de aanmelding voor een stremming dient 52 weken voor uitvoering te worden gedaan;

    • 2.

      de publicatie voor het scheepvaartverkeer dient minimaal 39 weken voor uitvoering te worden gepubliceerd.

  • g.

    Bij evenement zijn afwijkende voorwaarden met betrekking tot het stremmen van de scheepsvaart opgenomen in Artikel 11.30.

Artikel 11.12 Schepen met afwijkende afmetingen

Een vaartuig die afwijkt van de toegestane afmetingen/diepgang wordt alleen geschut in die gevallen zoals opgenomen in Bijlage VII en Bijlage VIII en:

  • a.

    indien er een aanvaardbare situatie is ten aanzien van de bereikbaarheid door hulpdiensten en de afwikkeling van het verkeer;

  • b.

    buiten de bloktijden van 07.00 - 09.00 en 16.00 - 18.00 uur.

Artikel 11.13 Geen bediening

Een vaartuig wordt alleen buiten bedientijden bediend in die gevallen zoals opgenomen in Bijlage IX.

Artikel 11.14 Maximale snelheid
  • 1.

    De maximale snelheid op de vaarweg is 12 km/h.

  • 2.

    Een afwijking van de maximale snelheid is alleen toegestaan indien:

    • a.

      het gaat om vaartuigen ten behoeve van hulpdiensten; of

    • b.

      het gaat om vaartuigen ten behoeve van toezicht en handhaving.

Artikel 11.15 Watersport zonder schip

Watersport zonder schip is alleen toegestaan indien:

  • a.

    de activiteit niet binnen 50 meter van een brug plaatsvindt;

  • b.

    de activiteit niet binnen 200 meter van de deuren van een sluis wordt uitgeoefend; of

  • c.

    de activiteit niet wordt uitgeoefend in de Oostervaart.

Artikel 11.16 Betreden sluiscomplexen

Het is enkel toegestaan een sluiscomplex te betreden indien:

  • a.

    dit nodig is voor het passeren met een schip;

  • b.

    dit nodig is voor het af- en opzetten van een voertuig door een schip op de daarvoor bestemde locaties; of

  • c.

    er sprake is van een acute situatie of calamiteit voor hulpdiensten en hulpverleners.

Afdeling 11.2.2 Algemene regels met betrekking tot activiteiten in het beperkingengebied
Artikel 11.17 Verwijderen van werken, objecten en/of schepen
  • 1.

    Bij een verruiming of wijziging van een vaarweg waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, worden bouwwerken, werken die geen bouwwerk zijn of andere objecten, verplaatst of verlegd in het geval ze een belemmering vormen voor de voorbereiding of uitvoering van de werkzaamheden door of namens de vaarwegbeheerder.

  • 2.

    Indien met de rechthebbende geen schriftelijke overeenstemming wordt bereikt over de termijn waarop het bouwwerk, werk of object wordt verplaatst of verlegd, stelt het bevoegd gezag die termijn bij maatwerkvoorschrift vast.

Afdeling 11.2.3 Onderhoud en werkzaamheden aan de vaarweg
Artikel 11.18 Omgevingsvergunning werken

In het beperkingengebied Provinciale Vaarwegen is het verboden zonder omgevingsvergunning werken te maken, plaatsen, hebben, wijzigen of verwijderen met betrekking tot de vaarweg, met inbegrip van;

  • a.

    het bouwen, in stand houden en slopen van bouwwerken die daarmee samenhangen;

  • b.

    het aanleggen, plaatsen, in stand houden en verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn, die daarmee samenhangen; en

  • c.

    het wijzigen van de vorm, de loop, de constructie of het profiel van de vaarweg.

Artikel 11.19 Omgevingsvergunning kabels en leidingen

In het beperkingengebied Provinciale Vaarwegen is het verboden zonder omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot het aanleggen, houden, wijzigen en verwijderen van kabels en leidingen te verrichten.

Artikel 11.20 Technische eisen kabels en leidingen
  • 1.

    Kabels en leidingen moeten voldoen aan de volgende technische eisen:

    • a.

      stalen transportleidingsystemen: de NEN 3650;

    • b.

      stalen leidingen in kruisingen met belangrijke waterstaatswerken: de NEN 3651;

    • c.

      stalen leidingen voor transport van gas, drinkwater en afvalwater, stuiklassen voor buizen en hulpstukken van PE met een dichtheid van tenminste 930 kg/m3: de NEN 7200;

    • d.

      eisen, typebeproevingen, markering en kwaliteitsbeheersing voor roosters en deksels voor putten en kolken voor verkeersgebieden: de NEN-EN 124;

    • e.

      kabels en leidingen zijn, met inachtneming van de te verwachte gronddruk, berekend op een verkeersbelasting volgens belastingmodel 3 (Load Model 3) conform NEN-EN 1991-2;

    • f.

      kabels en leidingen ten behoeve van de riolering een dekking hebben van ten minste 1.00 meter.

  • 2.

    De normadressaat dient voorafgaand aan het leggen van een kabel of leiding een KLIC melding te doen en overleg te plegen met de betrokken netbeheerder.

Artikel 11.21 Gestuurde boringen en persen bij bomen
  • 1.

    Bij het leggen van kabels en leidingen nabij bomen wordt onder de bomen door geboord.

  • 2.

    Er worden geen boomwortels afgehakt of beschadigd.

Artikel 11.22 Vaarwegkruisingen

Bij een kruising van een kabel of leiding met een vaarweg wordt:

  • a.

    een mantelbuis gebruikt;

  • b.

    een gestuurde boring toegepast; en

  • c.

    een onderlinge afstand van ten minste 50 meter aangehouden.

Artikel 11.23 Slopen of verwijderen van kabels en leidingen

Kabels en leidingen die niet meer in gebruik zijn worden te allen tijde verwijderd.

Artikel 11.24 Grondwerkzaamheden

Grondwerkzaamheden met betrekking tot kabels en leidingen moeten onder de volgende omstandigheden worden uitgevoerd:

  • a.

    ontgravingen dienen gescheiden plaats te vinden en aangevuld te worden;

  • b.

    ontgravingen dienen na afloop van iedere dag te worden dichtgemaakt of, indien dit niet mogelijk is, dienen ontgravingen veilig te worden afgezet;

  • c.

    opengebroken weggedeelten, bestratingen en ander in verband met de werkzaamheden aanwezige obstakels dienen duidelijk te worden gemarkeerd;

  • d.

    kabels en leidingen dienen in den droge te worden gelegd of verlegd, zo nodig met behulp van bronbemaling van voldoende capaciteit nabij de verharding tot 0.25 meter beneden de onderkant van de boorbuizen of mantelbuizen; en

  • e.

    de bovenste laag van de aanvulling mag geen puin bevatten.

Artikel 11.25 Omgevingsvergunning ligplaatsen
  • 1.

    In het beperkingengebied Provinciale Vaarwegen is het verboden om zonder een omgevingsvergunning:

    • a.

      een ligplaats in te nemen door een schip of drijvend bouwsel;

    • b.

      een schip of drijvend bouwsel te meren.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor vaartuigen en drijvende voorwerpen aangemeerd op plaatsen waarbij een van de verkeerstekens E.5 tot en met E.7.1 van bijlage 7 bij het Binnenvaartpolitiereglement en bijlage 7 van het Rijnvaartpolitiereglement zijn geplaatst.

  • 3.

    Een omgevingsvergunning voor de activiteiten in het eerste lid wordt in ieder geval niet verleend:

    • a.

      ten behoeve van (semi-) permanente bewoning;

    • b.

      ter hoogte van trailerhellingen;

    • c.

      binnen 200 meter van sluizen;

    • d.

      binnen 50 meter van bruggen.

Artikel 11.26 Ligplaatsen beroepsvaart

Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 11.25, eerste lid, sub a voor het innemen van een ligplaats door de beroepsvaart wordt enkel toegestaan indien;

  • a.

    de beroepsvaart de aanwezige kades en loswallen gebruikt ten behoeve van de naastgelegen bedrijvigheid; en

  • b.

    de beroepsvaart tijdelijk gebruik maakt van de aanwezige kades en loswallen.

Artikel 11.27 Ligplaatsen recreatievaart
  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 11.25, eerste lid sub a voor het innemen van een ligplaats door de recreatievaart wordt enkel toegestaan indien;

    • a.

      de ligplaats gelegen is aan een provinciale beheerstrook welke wordt gehuurd bij de provincie;

    • b.

      het vaartuig het gebruik van de vaarweg niet belemmert;

    • c.

      het vaartuig het beheer en onderhoud door de provincie van de oevers niet belemmert;

    • d.

      het vaartuig niet langer is dan de breedte van het perceel waarbij aan de voor- en achterkant van de afmeerlocatie nog 1 meter tussenruimte over blijft;

    • e.

      er sprake is van vrij zicht op de watergangen die aantakken op de provinciale vaarwegen.

  • 2.

    Het is slechts toegestaan één recreatievaartuig af te meren.

  • 3.

    Er mag alleen worden afgemeerd in het vaarseizoen van 1 april tot 1 november.

Afdeling 11.2.4 Gebruik van de vaarweg
Artikel 11.28 Omgevingsvergunning voorwerpen en objecten
  • 1.

    In het beperkingengebied Provinciale Vaarwegen is het verboden zonder omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteiten te verrichten met betrekking tot het storten, plaatsen, leggen, hebben, behouden of wijzigen van voorwerpen en objecten.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor activiteiten die betrekking hebben op:

    • a.

      het plaatsen, hebben, wijzigingen of verwijderen van verkeertekens en onderborden als bedoeld in artikel 4 van de Scheepvaartverkeerswet; en

    • b.

      herdenkingstekens zoals bedoeld in Artikel 11.32.

Artikel 11.29 Omgevingsvergunning borden
  • 1.

    In het beperkingengebied Provinciale Vaarwegen is het verboden om zonder omgevingsvergunning borden te plaatsen.

  • 2.

    De voorzieningen zoals bedoeld in het eerste lid;

    • a.

      mogen niet vast worden gemaakt aan bestaande bebording en/of OV-masten;

    • b.

      mogen niet vast worden gemaakt aan bestaande constructies/steigers/afmeervoorzieningen/bruggen/sluizen etc.;

    • c.

      moeten worden geplaatst met een extra 'schoor';

    • d.

      worden alleen op stalen palen bevestigd en met grondankers geplaatst;

    • e.

      moeten minimaal 1.80 meter uit de zijkant van de verharding worden geplaatst;

    • f.

      moeten zichtbaar zijn vanaf de vaarweg en het zicht op de verkeerstekens mag niet worden belemmerd; en

    • g.

      de oevervegetatie/begroeiing mag niet zonder toestemming van de provincie worden verwijderd.

  • 3.

    Voordat het bord wordt geplaatst, dient een KLIC-melding gedaan te worden.

  • 4.

    De voorzieningen zoals bedoeld in het eerste lid dienen in een goede staat van onderhoud te verkeren.

  • 5.

    De voorzieningen zoals bedoeld in het eerste lid dienen daarnaast nog aan de volgende eisen te voldoen;

    • a.

      voorzieningen mogen niet groter zijn dan 1 m2;

    • b.

      voorzieningen mogen niet spiegelen;

    • c.

      voorzieningen mogen niet fluoresceren;

    • d.

      voorzieningen mogen niet zijn verlicht; en

    • e.

      voorzieningen mogen geen bewegende delen bevatten.

  • 6.

    Na verwijdering van de voorzieningen worden de bermen in oorspronkelijke staat teruggebracht.

Artikel 11.30 Omgevingsvergunning evenementen

In het beperkingengebied Provinciale Vaarwegen is het verboden om zonder een omgevingsvergunning een evenement te houden. Een vaarweg wordt ten behoeve van een evenement alleen gestremd indien:

  • a.

    bij categorie 1 evenementen met een (inter)nationaal karakter;

    • 1.

      de stremmingsduur zo kort mogelijk wordt gehouden en er sprake is van een stremmingsduur van eenmalig maximaal 8 uur of 2 keer maximaal 6 uur op een dag waarbij er voor en na of tussen het evenement een periode van minimaal een uur is voor vrije doorvaart voor de scheepvaart in de periode van 1 april - 31 oktober; of

    • 2.

      de stremmingsduur zo kort mogelijk wordt gehouden en er sprake is van een stremmingsduur van maximaal 10 uur of waarbij er op werkdagen voor en na en in het weekend voor of na afloop van het evenement een periode van minimaal een uur is voor vrije doorvaart voor de scheepvaart in de periode van 1 november - 31 maart.

  • b.

    bij categorie 2 evenementen die bepalend zijn voor Flevoland;

    • 1.

      de stremmingsduur zo kort mogelijk wordt gehouden en er sprake is van een stremmingsduur van eenmalig maximaal 6 uur of 2 keer maximaal 4 uur op een dag waarbij er voor en na of tussen het evenement een periode van minimaal een uur is voor de vrije doorvaart voor de scheepvaart in de periode van 1 april - 31 oktober; of

    • 2.

      de stremmingsduur zo kort mogelijk wordt gehouden en er sprake is van een stremmingsduur van maximaal 8 uur, of waarbij er op werkdagen voor en na en in het weekend voor of na afloop van het evenement een periode is van vrije doorvaart voor de scheepvaart in de periode van 1 november - 31 maart.

  • c.

    bij categorie 3 evenementen die niet bepalend zijn voor Flevoland maar waarbij de organisatie wel een binding heeft met de betreffende vaarweg(en);

    • 1.

      de stremmingsduur zo kort mogelijk wordt gehouden en er sprake is van een zeer korte stremmingsduur van een eenmalig maximaal 2 uur en voor en afloop van het evenement een periode is van vrije doorvaart voor de scheepvaart van de vaarweg in de periode van 1 april - 31 oktober; of

    • 2.

      de stremmingsduur zo kort mogelijk wordt gehouden en er sprake is van een korte stremmingsduur van eenmalig maximaal 4 uur en voor en na afloop van het evenement een periode is van vrije doorvaart voor de scheepvaart in de periode van 1 november - 31 maart.

Artikel 11.31 Meldingsplicht werkzaamheden nabij een sluiscomplex
  • 1.

    In het beperkingengebied Provinciale Vaarwegen is het verboden om zonder een voorafgaande melding werkzaamheden uit te voeren in of nabij een sluiscomplex.

  • 2.

    Het uitvoeren van werkzaamheden nabij een sluiscomplex wordt enkel toegestaan indien:

    • a.

      bij het uitvoeren van de werkzaamheden te allen tijde de Arbowet in acht wordt genomen; en

    • b.

      bij het uitvoeren van werkzaamheden ten minste één bhv'er aanwezig is.

Artikel 11.32 Meldingsplicht herdenkingstekens
  • 1.

    In het beperkingengebied Provinciale Vaarwegen is het verboden om zonder voorafgaande melding herdenkingstekens te plaatsen.

  • 2.

    Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de vaarweg wordt een herdenkingsteken;

    • a.

      op een deugdelijke wijze geplaatst;

    • b.

      zonder knipperende, bewegende of verlichtende delen geplaatst;

    • c.

      op minimaal 0.5 meter en maximaal 2 meter boven het maaiveld geplaatst;

    • d.

      in de onverharde buitenberm op een afstand van tenminste 1.80 meter uit de kant van de oeverbeschoeiing geplaatst;

    • e.

      in geval van meerdere slachtoffers wordt het een gecombineerde herdenkingsteken.

  • 3.

    Het herdenkingsteken wordt na vijf jaar door de melder verwijderd.

Titel 11.3 Gegevens en bescheiden

Afdeling 11.3.1 Algemene gegevens
Artikel 11.33 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden omgevingsvergunning

Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit op basis van dit hoofdstuk worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag en worden die ondertekend en voorzien van:

  • a.

    een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  • b.

    de verwachte datum van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan.

Afdeling 11.3.2 Aanvullende gegevens en bescheiden voor activiteiten
Artikel 11.34 Gegevens en bescheiden met betrekking tot vaarwegactiviteiten

Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 11.9 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    activiteiten met betrekking tot stremmingen van het vaarwegverkeer;

    • 1.

      aard van de activiteit;

    • 2.

      datum en periode dat er gestremd gaat worden; en

    • 3.

      te treffen veiligheidsmaatregelen ten behoeve van het vaarwegverkeer.

  • b.

    schepen met afwijkende afmetingen;

    • 1.

      reden van de aanvraag;

    • 2.

      afmetingen van het vaartuig;

    • 3.

      geplande route;

    • 4.

      datum en periode wanneer gevaren wordt;

    • 5.

      object(en) die gepasseerd gaan worden;

    • 6.

      datum en tijd dat de schutting plaats zou moeten vinden;

    • 7.

      te treffen veiligheidsmaatregelen ten behoeve van het vaarwegverkeer; en

    • 8.

      te treffen maatregelen ter beperking van schade.

  • c.

    schepen die buiten bedientijden worden bediend;

    • 1.

      reden van de aanvraag;

    • 2.

      object(en) die gepasseerd gaan worden;

    • 3.

      datum / tijd dat de schutting plaats zou moeten vinden;

    • 4.

      te treffen veiligheidsmaatregelen ten behoeve van het vaarverkeer; en

    • 5.

      motivatie voor de afwijking van de bedientijden.

Artikel 11.35 Gegevens en bescheiden met betrekking tot werken

Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 11.18 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling en in aanvulling op Artikel 11.33 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    als het gaat om het bouwen van een werk;

    • 1.

      een tekening of plattegrond van de betrokken locatie van de activiteit;

    • 2.

      een tekening van de voorgenomen constructie;

    • 3.

      een opsomming van de te gebruiken materialen;

    • 4.

      de te nemen maatregelen ten behoeve van de doorstroming van het vaarwegverkeer; en

    • 5.

      de verwachte begin- en einddatum van de activiteit.

  • b.

    als het gaat om het verwijderen van een werk;

    • 1.

      de verwachte begin- en einddatum van de activiteit; en

    • 2.

      de te nemen maatregelen ten behoeve van de doorstroming van het weg- en/of vaar-wegverkeer.

Artikel 11.36 Gegevens en bescheiden met betrekking tot kabels en leidingen

Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 11.19 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling en in aanvulling op Artikel 11.33 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een tekening of plattegrond van de betrokken locatie;

  • b.

    een tekening van de voorgenomen constructie inclusief maatvoering;

  • c.

    een opsomming van de te gebruiken materialen; en

  • d.

    de verwachte begin- en einddatum van de activiteit.

Artikel 11.37 Gegevens en bescheiden met betrekking tot ligplaatsen

Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 11.25 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    ten aanzien van beroepsvaartuigen;

    • 1.

      naam/titel van het schip;

    • 2.

      afmetingen van het schip;

    • 3.

      beoogde afmeerlocatie; en

    • 4.

      reden van afmeren.

  • b.

    ten aanzien van recreatievaartuigen;

    • 1.

      naam/titel van het schip;

    • 2.

      afmetingen van het schip;

    • 3.

      beoogde afmeerlocatie;

    • 4.

      huurovereenkomst medegebruik provinciale beheerstrook; en

    • 5.

      huurovereenkomst ligplaats.

Artikel 11.38 Gegevens en bescheiden met betrekking tot voorwerpen en objecten

Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 11.28 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een tekening of plattegrond van de betrokken locatie van de activiteit;

  • b.

    een tekening van de voorgenomen constructie;

  • c.

    een opsomming van de te gebruiken materialen; en

  • d.

    de verwachte begin- en einddatum van de activiteit.

Artikel 11.39 Gegevens en bescheiden met betrekking tot evenementen

Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 11.30 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling en in aanvulling op Artikel 11.33 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a.

    aard van het evenement;

  • b.

    bebordingsplan;

  • c.

    datum en periode dat er gestremd gaat worden; en

  • d.

    te treffen veiligheidsmaatregelen ten behoeve van het vaarwegverkeer.

Artikel 11.40 Gegevens en bescheiden met betrekking tot een sluiscomplex

In aanvulling op Artikel 21.1 en Artikel 21.2 worden bij een melding met betrekking tot een sluiscomplex, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt;

  • a.

    het object/de objecten;

  • b.

    welke activiteiten er worden uitgevoerd;

  • c.

    te gebruiken gereedschappen;

  • d.

    welke beheersmaatregelen er worden getroffen; en

  • e.

    welke beschermingsmiddelen worden gebruikt.

Hoofdstuk 12 Watersysteem

Titel 12.1 Algemeen

Artikel 12.1 Oogmerk

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van een robuust regionale watersysteem in Flevoland.

Artikel 12.2 Toedeling vaarwegbeheer

De provincie Flevoland is belast met het vaarwegbeheer op de openbare vaarwegen binnen Flevoland waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.

Titel 12.2 Omgevingswaarden

Afdeling 12.2.1 Regionale waterkeringen
Artikel 12.3 Aanwijzing en geometrische begrenzing regionale waterkeringen
  • 1.

    De regionale waterkeringen zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing indicatief is vastgelegd in bijlage II.

  • 2.

    Het waterschap bepaalt de geometrische begrenzingen nader in de legger bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet.

Artikel 12.4 Omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen
Artikel 12.5 Termijn en aard omgevingswaarde
Afdeling 12.2.2 Wateroverlast
Artikel 12.6 Geometrische begrenzing wateroverlast
Artikel 12.7 Omgevingswaarden wateroverlast
  • 1.

    Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, gelden de omgevingswaarden bedoeld in Artikel 12.8, Artikel 12.9 en Artikel 12.10.

  • 2.

    De omgevingswaarden voor de bergings- en afvoercapaciteit van regionale wateren zijn inspanningsverplichtingen.

Artikel 12.8 Omgevingswaarden wateroverlast binnen bebouwde kom

Voor het gebied binnen de bebouwde kom geldt een overstromingskans van ten hoogste 1/100 per jaar.

Artikel 12.9 Omgevingswaarden wateroverlast buiten bebouwde kom

Voor het gebied buiten de bebouwde kom geldt een overstromingskans van ten hoogste 1/50 per jaar en gemiddeld per deelgebied 1/80 per jaar.

Artikel 12.10 Afwijking omgevingswaarden wateroverlast

In afwijking van Artikel 12.8 en Artikel 12.9 gelden geen omgevingswaarden wateroverlast ten aanzien van onroerende zaken in de gebieden zonder omgevingswaarden wateroverlast.

Titel 12.3 Instructieregels

Afdeling 12.3.1 Gedeputeerde Staten
Artikel 12.11 Inhoud regionaal waterprogramma

Het regionaal waterprogramma bevat, onverminderd het bepaalde in artikel 4.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, één of meer kaarten met bijbehorende verklaring waarin de hoofdlijnen van het waterbeleid in beeld zijn gebracht.

Afdeling 12.3.2 Waterschap Zuiderzeeland
Paragraaf 12.3.2.1 Wateroverlast

Artikel 12.12 Inrichten regionale wateren conform normering wateroverlast

De algemene vergadering van het waterschap draagt er zorg voor dat de regionale wateren zijn ingericht volgens de in Artikel 12.8 en Artikel 12.9 opgenomen omgevingswaarden.

Paragraaf 12.3.2.2 Waterbeheerprogramma

Artikel 12.13 Inhoud waterbeheerprogramma

  • 1.

    Het waterbeheerprogramma bevat in aanvulling op artikel 4.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, tenminste:

    • a.

      een beschrijving van de bestaande toestand van het watersysteem waarover het beheer zich uitstrekt;

    • b.

      het beleid inzake het beheer van het watersysteem gericht op de aan het watersysteem toegekende functies en doelstellingen;

    • c.

      één of meer toelichtende kaarten waarop de bestaande en geplande waterstaatswerken zijn aangegeven en waarop een overzicht wordt gegeven van de bestaande en nagestreefde toestand van het watersysteem;

    • d.

      een omschrijving van de maatregelen die door de beheerder en/of door derden moeten worden genomen om de in het regionaal waterprogramma en in het waterbeheerprogramma genoemde doelstellingen te bereiken, alsmede de fasering en prioriteitenstelling bij deze maatregelen;

    • e.

      een raming van de kosten van de maatregelen, voor zover deze gedurende de planperiode tot stand worden gebracht, een overzicht van de wijze waarop deze worden gedekt, alsmede een indicatie van de kosten van door derden te nemen maatregelen als gevolg van het plan.

  • 2.

    Het waterbeheerprogramma gaat vergezeld van een toelichting waarin tenminste is opgenomen de aan het plan ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van verrichte onderzoeken.

Artikel 12.14 Uitwerking waterbeheerprogramma

  • 1.

    In het waterbeheerprogramma kan worden bepaald dat het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap het waterbeheerprogramma of onderdelen daarvan moet of kan uitwerken volgens in het waterbeheerprogramma gegeven regels.

  • 2.

    Het besluit van het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap tot uitwerking van het waterbeheerprogramma maakt deel uit van het waterbeheerprogramma.

Artikel 12.15 Algemene voortgangsrapportage

Het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap rapporteert tenminste eenmaal per jaar aan gedeputeerde staten over de voortgang van de uitvoering van het geldende waterbeheerprogramma, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgestelde maatregelen.

Paragraaf 12.3.2.3 Peilbesluiten

Artikel 12.16 Aanwijzing verplichte peilbesluiten

  • 1.

    De algemene vergadering van het waterschap stelt voor de oppervlaktewaterlichamen onder zijn beheer één of meer peilbesluiten vast.

  • 2.

    Gedeputeerde staten verlenen op verzoek van het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap van het bepaalde in het eerste lid ontheffing ten aanzien van gebiedsdelen waar een regeling van de waterstand redelijkerwijs niet mogelijk is.

Artikel 12.17 Inhoud van het peilbesluit

  • 1.

    Het peilbesluit bevat onverminderd het bepaalde in artikel 2.41, lid 3 van de Omgevingswet:

    • a.

      een kaart met de begrenzing van de gebieden waarbinnen oppervlaktewateren gelegen zijn waarop het peilbesluit betrekking heeft; en

    • b.

      de te handhaven waterstanden, aangegeven in hoogte ten opzichte van NAP, met daarbij aangegeven de perioden en de peilvakken waarvoor de waterstanden gelden.

  • 2.

    Het peilbesluit gaat vergezeld van een toelichting waarin tenminste zijn opgenomen:

    • a.

      de aan het besluit ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de verrichte onderzoeken; en

    • b.

      de verwachte grondwaterstanden waarop de gekozen waterstanden gebaseerd zijn en de afwijking ten opzichte van het optimale grond- en oppervlaktewater regime.

Artikel 12.18 Herziening

Op een herziening en een wijziging van een peilbesluit zijn Artikel 12.16 en Artikel 12.17 van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 12.3.2.4 Legger

Artikel 12.19 Legger waterstaatswerken

De legger bevat onverminderd het bepaalde in artikel 2.39, lid 1 en 3 van de Omgevingswet in ieder geval:

  • a.

    de dwarsprofielen van de regionale waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden; en

  • b.

    een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de regionale waterkering, oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden.

Artikel 12.20 Uitzondering leggerplicht

Gedeputeerde staten kunnen voor waterstaatswerken vrijstelling verlenen van de leggerplicht indien deze waterstaatswerken zich naar hun aard of functie niet lenen voor omschrijving van die elementen dan wel van geringe afmetingen zijn.

Artikel 12.21 Voorbereiding

Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op voorbereiding van de legger.

Paragraaf 12.3.2.5 Meten en beoordelen

Artikel 12.22 Verslag toetsing watersysteem

  • 1.

    Het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de omgevingswaarden, bedoeld in Artikel 12.4, iedere zes jaar verslag uit aan gedeputeerde staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen onder zijn beheer.

  • 2.

    Het verslag, bedoeld in het eerste lid, bevat een beoordeling van de veiligheid. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de omgevingswaarden, technische leidraad, hydraulische randvoorwaarden en voorschriften bedoeld in Artikel 12.4 en Artikel 12.23 en de legger bedoeld in Artikel 12.19.

  • 3.

    Het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 12.8 en artikel 12.9, iedere zes jaar verslag uit aan gedeputeerde staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale wateren onder zijn beheer.

  • 4.

    Het verslag, bedoeld in het derde lid, bevat een beoordeling van de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de omgevingswaarden en voorschriften bedoeld in artikel 12.8, artikel 12.9 en Artikel 12.24 en de legger bedoeld in Artikel 12.19.

  • 5.

    Indien de beoordeling daartoe aanleiding geeft, bevatten de verslagen bedoeld in het eerste en derde lid een omschrijving van de voorzieningen die op een daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht.

  • 6.

    Gedeputeerde staten kunnen afwijken van de termijn bepaald in het eerste en derde lid.

Artikel 12.23 Toetsing regionale waterkeringen

Artikel 12.24 Rekenregels normering wateroverlast

  • 1.

    De gemiddelde overstromingskans, bedoeld in Artikel 12.9, wordt per deelgebied bepaald.

  • 2.

    Voor de toetsing per deelgebied aan een overstromingskans van gemiddeld 1/80 per jaar, bedoeld in Artikel 12.9, geldt dat het totaal areaal van het gebied met een overstromingskans van lager dan 1/100 per jaar minimaal 1,5 keer zo groot is als het totaal areaal van het gebied met een overstromingskans tussen 1/50 per jaar en 1/80 per jaar.

  • 3.

    Gebieden die niet voldoen aan de in Artikel 12.8 en Artikel 12.9 voorgeschreven norm onderwerpt het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap aan een technisch oordeel om de oorzaak daarvan te achterhalen.

  • 4.

    Als uit het technisch oordeel, bedoeld in derde lid, blijkt dat sprake is van een knelpunt dan onderzoekt het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap in welke richting maatregelen genomen moeten worden.

Paragraaf 12.3.2.6 Projectprocedure voor waterstaatswerken

Artikel 12.25 Projectprocedure

  • 1.

    Afdeling 5.2 van de Omgevingswet is van toepassing op de aanleg, verlegging of versterking van regionale waterkeringen als bedoeld in Artikel 12.3.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen afdeling 5.2 van de Omgevingswet van toepassing verklaren op:

    • a.

      de aanleg of wijziging van bergingsgebieden in regionale watersystemen, of

    • b.

      de aanleg en wijziging van oppervlaktewaterlichamen.

  • 3.

    Het tweede lid is van toepassing indien sprake is van aanleg of wijziging van bovenlokale betekenis en dit met spoed en op gecoördineerde wijze tot stand moet worden gebracht.

Hoofdstuk 13 Zwemwater

Artikel 13.1 Oogmerk

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op de veiligheid en hygiëne van bezoekers van daartoe door gedeputeerde staten aangewezen zwemlocaties in oppervlaktewater.

Artikel 13.2 Werkingsgebied zwemwater

De regels in dit hoofdstuk gelden voor de zwemlocaties waarvan de geometrische begrenzing indicatief is vastgelegd in Bijlage II.

Artikel 13.3 Beheer en onderhoud zwemlocatie

De houder van de zwemlocatie draagt zorg voor het beheer en onderhoud van de zwemlocatie gericht op de veiligheid en hygiëne voor de bezoekers.

Artikel 13.4 Beheersmaatregelen

  • 1.

    De houder van de zwemlocatie neemt tijdig passende beheersmaatregelen indien sprake is van een situatie die een negatief effect heeft of redelijkerwijs kan hebben op de kwaliteit van de zwemlocatie en op de gezondheid en veiligheid van zwemmers.

  • 2.

    De houder van de zwemlocatie informeert onverwijld gedeputeerde staten en de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam indien sprake is van een situatie, bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk 14 Duurzame energie

Titel 14.1 Windenergie

Afdeling 14.1.1 Algemeen windenergie
Artikel 14.1 Oogmerk windenergie

De regels in de titel Windenergie zijn gesteld voor het cyclisch opschalen en saneren van windmolens zodat steeds meer windenergie met minder windmolens kan worden opgewekt.

Artikel 14.2 Werkingsgebieden windenergie
Artikel 14.3 Werkingsgebieden windenergie: aanwijzen en begrenzen projectgebieden, indieningsvereiste aanvraag
  • 1.

    Gedeputeerde staten kunnen in de omgevingsverordening projectgebieden in een windgebied aanwijzen en wijzigen. Het aanwijzen en wijzigen van de begrenzing van een projectgebied kan ambtshalve en op aanvraag plaatsvinden.

  • 2.

    Een aanwijzing of wijziging van de begrenzing van een projectgebied wordt gebaseerd op een (voorstel tot aanpassing van een goedgekeurd) projectplan voor opschalen en sanerenopschalen van windmolens. Het (aangepaste) projectplan toont de noodzaak van de aanwijzing of wijziging van de begrenzing aan.

Artikel 14.4 Werkingsgebieden windenergie: aanwijzen en begrenzen plaatsingszones, indieningsvereiste aanvraag
  • 1.

    Gedeputeerde staten kunnen in de omgevingsverordening plaatsingszones in een projectgebied aanwijzen en wijzigen. Het aanwijzen en wijzigen van de begrenzing in een projectgebied kan ambtshalve en op aanvraag plaatsvinden.

  • 2.

    Een aanwijzing of wijziging van de begrenzing van een plaatsingszone wordt gebaseerd op een (voorstel tot aanpassing van een goedgekeurd) projectplan voor opschalen en saneren van windmolens. Het (aangepaste) projectplan toont de noodzaak van de aanwijzing of wijziging van de begrenzing aan.

Afdeling 14.1.2 Activiteiten windenergie
Artikel 14.5 Verbod wijzing bestaand gebruik windmolens
  • 1.

    Het is verboden het gebruik -waaronder mede bouwen wordt verstaan- van een bestaande windmolen te wijzigen in een ander gebruik, waardoor het provinciaal grondgebied van Flevoland minder geschikt wordt voor het verwezenlijken van het beleid voor opschalen en saneren, inclusief ruimtelijke doelstellingen. Het verbod geldt niet voor gebruik dat nodig is vanwege het normale beheer en onderhoud van een windmolen.

  • 2.

    Onder een ander gebruik, als bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan een vorm van gebruik die op grond van het geldende omgevingsplan is toegestaan.

  • 3.

    Een ander gebruik dat het provinciaal grondgebied van Flevoland minder geschikt maakt voor het verwezenlijken van het beleid voor opschalen en saneren inclusief ruimtelijke doelstellingen omvat in ieder geval:

    • a.

      het wijzigen van een windmolen waardoor het vermogen, de levensduur en/of afmeting van de windmolen toeneemt (opschalen) zonder de daarbij behorende sanering;

    • b.

      het vervangen van een bestaande windmolen door een nieuwe windmolen op dezelfde locatie danwel nabij die locatie zonder dat aangetoond is dat deze vervanging onderdeel uitmaakt van een project van opschalen en saneren. Daarbij maakt het niet uit of de nieuwe windmolen voor bepaalde of onbepaalde tijd is bedoeld.



  • 4.

    Het verbod genoemd in dit artikel geldt zolang en voor zover er nog geen onherroepelijk omgevingsplan is dat in overeenstemming is met het verbod.

Artikel 14.6 Nieuwe windmolens alleen toegestaan conform een goedgekeurd projectplan
  • 1.

    Nieuwe windmolens zijn alleen toegestaan als deze passen binnen een door gedeputeerde staten goedgekeurd projectplan voor opschalen en saneren van windmolens dat gelegen is in het windgebied.

  • 2.

    Een projectplan bevat in ieder geval:

    • a.

      een voorstel voor een projectgebied en plaatsingszones;

    • b.

      een beschrijving van de ruimtelijke invulling van het plan;

    • c.

      inzicht in de haalbaarheid van het plan, waaronder compenserende maatregelen;

    • d.

      een planning, waaronder begrepen de fasering van opschalen en saneren;

    • e.

      inzicht in de invulling van de financiële participatie en de gebiedsgebonden bijdrage aan kwaliteitscompensatie;

    • f.

      het voorstel voor de planparticipatie.

  • 3.

    Per projectgebied wordt een goedgekeurd projectplan voor opschalen en saneren door een initiatiefnemer in zijn geheel uitgevoerd.

  • 4.

    4. De initiatiefnemer kan een samenwerkingsverband van meerdere partijen zijn.

Artikel 14.7 Hardheidsclausule

Ambtshalve of op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van een gemeente kunnen gedeputeerde staten een of meer bepalingen van Titel 14.1 Windenergie buiten toepassing verklaren of daarvan afwijkingen toestaan voor zover toepassing daarvan gelet op het doel en het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard jegens een belanghebbende. Dit kan binnen het grondgebied van de provincie Flevoland.

Afdeling 14.1.3 Instructieregels windenergie
Paragraaf 14.1.3.1 Beoordelingsregels projectplan

Artikel 14.8 Projectplan: voorstel voor projectgebied en plaatsingszones

Een projectplan bevat een voorstel voor een projectgebied en plaatsingszones die in het windgebied liggen, weergegeven op een verbeelding met als ondergrond de GBKN 1:10.000.

Artikel 14.9 Projectplan: eisen ruimtelijke invulling

Een projectplan voldoet aan de volgende eisen inzake de ruimtelijke invulling:

  • a.

    windmolens worden geplaatst in een opstelling;

  • b.

    de rotorbladen draaien in eenzelfde richting;

  • c.

    de windmolens hebben eenzelfde verschijningsvorm;

  • d.

    de windmolens hebben een maximale ashoogte van 120 meter met daarbij steeds het maximaal haalbare vermogen per windmolen. Indien initiatiefnemer een hogere ashoogte van een windmolen wil voor een hoger vermogen (MW) dient te worden aangetoond dat het maximaal haalbare vermogen per turbine bij een windmolen met as-hoogte van 120 meter ontoereikend is.

Artikel 14.10 Projectplan: eisen bijdrage ten behoeve van het compenseren van de kwaliteit van het gebied

  • 1.

    Een projectplan voldoet aan de volgende eisen inzake de bijdrage ten behoeve van het compenseren van de kwaliteit van het gebied:

    • a.

      het projectplan maakt inzichtelijk hoe de beoogde ruimtelijke ontwikkeling inzake windenergie gepaard gaat met het verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in of in de directe omgeving van het projectgebied.

    • b.

      de kwaliteitscompensatie kan zien op een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving.

    • c.

      het projectplan bevat een voorstel voor de wijze waarop de kwaliteitscompensatie financieel, juridisch en feitelijk wordt geborgd en beschrijft hoe die past binnen de hoofdlijnen van het te voeren ruimtelijk beleid voor het gebied.

  • 2.

    De waarde van de kwaliteitscompensatie bedraagt gedurende de gebruikstermijn jaarlijks gemiddeld € 1.050,-- per MW opgesteld vermogen in de betreffende plaatsingszone. Er wordt jaarlijks geÏndexeerd. Indien een kwaliteitscompensatie als bedoeld in het eerste lid niet is verzekerd, wordt het omgevingsplan slechts vastgesteld indien een passende financiële bijdrage in een windmolenparkfonds is verzekerd.

Artikel 14.11 Projectplan: eisen aan fasering opschalen en saneren

Een projectplan voldoet aan de volgende eisen inzake de fasering van opschalen en saneren:

  • a.

    Alle bestaande windmolens binnen het projectgebied worden gesaneerd;

  • b.

    De sanering wordt zeker gesteld met een bindende overeenkomst met de rechthebbende(n);

  • c.

    De sanering vindt plaats binnen een half jaar na de ingebruikname van de nieuwe windmolens in de plaatsingszones (saneringstermijn);

  • d.

    Indien uit het projectplan blijkt dat het vanwege de economische uitvoerbaarheid noodzakelijk is om af te wijken van de saneringstermijn van een half jaar, kan een te sanerenwindmolen gedurende een aaneengesloten periode van maximaal vijf jaar gelijktijdig met de nieuwe windmolens in werking blijven, onder de voorwaarde dat zekerheid is gesteld met een bindende overeenkomst waaruit blijkt dat de sanering van de bestaande windmolen binnen die termijn van uiterlijk vijf jaar na ingebruikname is verzekerd;

  • e.

    De sanering van de windmolens wordt vastgelegd in een uitvoeringsprogramma dat de locatie van de windmolens vermeldt en het tijdstip waarop deze uiterlijk worden gesaneerd;

  • f.

    Bij het bepalen van de volgorde van de sanering wordt door initiatiefnemer de beoogde landschappelijke verbetering meegewogen, waarbij het uitgangspunt is dat het saneren van de oudste windmolens en van de windmolens nabij de nieuwe opstelling voorrang krijgt boven het saneren van de jongere windmolens en van de windmolens die verder weggelegen zijn van de nieuwe windmolenopstelling. Het projectplan maakt de gemaakte afweging inzichtelijk.

Artikel 14.12 Projectplan: eisen financiële participatie

  • 1.

    Een projectplan voldoet aan de volgende eisen inzake financiële participatie:

    • a.

      Het projectplan maakt inzichtelijk hoe de omgeving gelegenheid krijgt om financieel te participeren;

    • b.

      Het projectplan maakt inzichtelijk hoe die financiële participatie per fase op een eerlijke, eenvoudige en evenwichtige wijze wordt uitgewerkt;

  • 2.

    Ten aanzien van de financiËle participatie gelden per fase de volgende eisen:

    • a.

      In de ontwikkel- en bouwfase biedt initiatiefnemer in ieder geval aan bewoners en ondernemers gevestigd in het projectgebied, de gelegenheid om vanaf de eerste risicodragende (ontwikkel-)fase financieel risicodragend te participeren bij de ontwikkeling van de nieuwe windmolens binnen dat projectgebied;

    • b.

      In de exploitatiefase biedt initiatiefnemer alle bewoners en ondernemers die gevestigd zijn in Zuidelijk en Oostelijk Flevoland gelegenheid om financieel te participeren in de exploitatie van de nieuwe windmolens (vanaf de fase vanaf ingebruikname);

      1. Uitgangspunt is dat in de exploitatiefase minimaal 2,5% van de initiële totale investeringsomvang door middel van participatie wordt ingevuld;

      2. Van dit minimumpercentage van 2,5% wordt alleen afgeweken indien de initiatiefnemer kan aantonen dat er een gebrek aan belangstelling voor participatie bestaat dat niet te wijten is aan voldoende participatiemogelijkheden en/of communicatie daarover.

  • 3.

    Uitgangspunten bij de financiële participatie zijn in elke fase:

    • a.

      De risico's en de verwachte financiële rendementen van de participatie worden helder in beeld gebracht;

    • b.

      Er wordt een redelijke vergoeding gegeven voor het risico in relatie tot de potentiele winstgevendheid;

    • c.

      Participaties zijn vrij verhandelbaar, eventueel na een lock-in periode van maximaal 2 jaar;

    • d.

      De initiatiefnemer legt de mogelijkheden voor bewoners en ondernemers tot financiële projectparticipatie vast in een overeenkomst met de gemeente.

Artikel 14.13 Projectplan: eisen planparticipatie

Een projectplan maakt inzichtelijk hoe het draagvlak voor en burgerparticipatie bij het initiatief worden verzekerd en hoe de omgeving in een vroeg stadium van de planvorming actief wordt betrokken bij de uitwerking van het initiatief, daaronder in ieder geval doch niet limitatief begrepen de planvorming rond de nieuwe windmolenopstellingen en de mogelijke inrichting van plaatsingszones.

Paragraaf 14.1.3.2 Beoordelingsregels werkingsgebieden

Artikel 14.14 Beoordelingsregels aanwijzen en begrenzen projectgebied

  • 1.

    Het aan te wijzen of de te wijzigen begrenzing van een projectgebied maakt deel uit van een goedgekeurd (aangepast) projectplan dat is gelegen in een windgebied;

  • 2.

    Een aanwijzing of wijziging van de begrenzing van het projectgebied heeft geen onevenredig negatief effect op de projecten voor opschalen en saneren binnen een eventueel resterend deel van het projectgebied en/of binnen de andere aangewezen projectgebieden of op de omgeving;

  • 3.

    Een wijziging van de begrenzing van een projectgebied is noodzakelijk vanwege veranderende omstandigheden, ontwikkelingen in de techniek of regelgeving, bedrijfseconomische redenen en de uitvoeringspraktijk.

Artikel 14.15 Beoordelingsregels aanwijzen en begrenzen plaatsingszones

  • 1.

    De aan te wijzen of de te wijzigen begrenzing van een plaatsingszone maakt deel uit van een goedgekeurd (aangepast) projectplan voor het desbetreffende projectgebied;

  • 2.

    Een aanwijzing of wijziging van de begrenzing van een plaatsingszone vindt plaats op basis van een integrale afweging en evenwichtige balans tussen de omgevingskwaliteit, het maatschappelijk draagvlak en het economisch perspectief.

Paragraaf 14.1.3.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunningen

Artikel 14.16 Beoordelingsregels omgevingsvergunning: tijdelijkheid windmolens

  • 1.

    De realisatie van een nieuwe windmolen wordt uitsluitend toegestaan als deze deel uitmaakt van een goedgekeurd projectplan.

  • 2.

    Voor de realisatie van een nieuwe windmolen binnen het grondgebied van de provincie Flevoland wordt uitsluitend een omgevingsvergunning voor een bepaalde aaneengesloten gebruiksperiode verleend, waarbij in ieder geval de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning worden verbonden:

    • a.

      de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde aaneengesloten gebruiksperiode, die maximaal 25 jaar bedraagt;

    • b.

      na het verstrijken van de gebruiksperiode als bedoeld in onderdeel a wordt de windmolen verwijderd.

Paragraaf 14.1.3.4 Instructieregels omgevingsplan

Artikel 14.17 Instructieregels omgevingsplan: geen windmolens buiten een windgebied

Een omgevingsplan sluit uit dat buiten windgebied nieuwe windmolens worden gerealiseerd of dat bestaande windmolens worden opgeschaald.

Artikel 14.18 Instructieregels omgevingsplan: windmolens binnen een windgebied-plaatsingszones

Artikel 14.19 Instructieregels omgevingsplan: windmolens binnen een windgebied-projectgebieden

Binnen een windgebied voorziet een omgevingsplan, binnen twee jaar na de goedkeuring van een projectplan, in de sanering van alle windmolens binnen een projectgebied conform dat projectplan.

Artikel 14.20 Instructieregels omgevingsplan: windmolens binnen een windgebied-buiten projectgebieden

Binnen een windgebied voorziet een bestemmingsplan in een regeling die tegengaat dat er binnen windgebied-buiten projectgebied nieuwe windmolens worden gerealiseerd of dat bestaande windmolens worden opgeschaald.

Paragraaf 14.1.3.5 Instructieregels hardheidsclausule

Artikel 14.21 Beoordelingsregels hardheidsclausule

  • 1.

    Er kan binnen het grondgebied van de provincie Flevoland alleen van een of meer bepalingen van titel Windenergie buiten toepassing worden verklaard of afwijking daarvan worden toegestaan, voor zover dit gelet op het doel en het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen, niet zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard jegens een belanghebbende.

  • 2.

    De statencommissie wordt gehoord over een voornemen om een of meer bepalingen van titel Windenergie buiten toepassing verklaren of daarvan afwijkingen toestaan.

Titel 14.2 Zonne-energie

Afdeling 14.2.1 Algemeen zonne-energie
Artikel 14.22 Oogmerk zonne-energie

De regels in de titel Zonne-energie zijn gesteld om ruimte te bieden aan grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied van Flevoland waarbij de ruimtelijke kwaliteit van het landelijke gebied niet onevenredig wordt aangetast.

Artikel 14.23 Werkingsgebieden zonne-energie
Afdeling 14.2.2 Activiteiten ontwikkelruimte zonne-energie
Artikel 14.24 Werkingsgebieden zonne-energie: aanwijzen uitzonderingsgebieden voor zonne-energie op agrarische gronden
  • 1.

    Provinciale staten kunnen in de omgevingsverordening uitzonderingsgebieden voor zonne-energie op agrarische gronden aanwijzen en wijzigen.

  • 2.

    Een aanvraag tot aanwijzing of wijziging van de begrenzing van uitzonderingsgebieden voor zonne-energie op agrarische gronden gaat vergezeld van een motivering die op basis van de Flevolandse zonneladder en bouwstenen voor zonne-energie zoals opgenomen in het provinciale beleid voor grondgebonden zon de toelaatbaarheid aantoont voor het realiseren van een opstelling voor zonne-energie op de betreffende agrarische gronden.

Artikel 14.25 Ontwikkelruimte zonne-energie
  • 1.

    Voor de realisatie van grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied van de provincie Flevoland is maximaal 1000 hectare netto beschikbaar. Hiervan is de eerste 500 hectare netto vanaf 15 november 2018 opengesteld.

  • 2.

    Na verzending van het evaluatieverslag als bedoeld in Artikel 14.27 kunnen gedeputeerde staten besluiten over de openstelling van de tweede 500 hectare netto ontwikkelruimte voor de realisatie van grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied van de provincie Flevoland.

Afdeling 14.2.3 Instructieregels zonne-energie
Artikel 14.26 Beoordelingsregels omgevingsvergunning: tijdelijkheid grondgebonden opstelling voor zonne-energie
  • 1.

    Voor de realisatie van grondgebonden opstellingen voor zonne-energie wordt uitsluitend een omgevingsvergunning voor een bepaalde aaneengesloten gebruiksperiode verleend.

  • 2.

    Aan een omgevingsvergunning voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie verbindt het bevoegd gezag in ieder geval de volgende voorschriften:

    • a.

      De omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde aaneengesloten gebruiksperiode, die maximaal 25 jaar bedraagt;

    • b.

      Na het verstrijken van de gebruiksperiode als bedoeld in onderdeel a wordt de grondgebonden opstelling voor zonne-energie verwijderd.

Artikel 14.27 Monitoring en evaluatie: zonne-energie
Artikel 14.28 Instructieregels omgevingsplan zonne-energie
  • 1.

    Gerekend vanaf 15 november 2018 mag een omgevingsplan voorzien in grondgebonden opstellingen voor zonne-energie tot maximaal 500 hectare netto van het landelijk gebied van de provincie Flevoland’, waarvan de locatie en de omvang zijn aangegeven in de monitor met betrekking tot zonne-energie in het landelijk gebied.

  • 2.

    Vanaf het moment dat gelet op de monitor met betrekking tot zonne-energie in het landelijk gebied de eerste 500 hectare netto ontwikkelruimte als bedoeld in Artikel 14.25, eerste lid lid is volgelopen en de tweede 500 hectare netto ontwikkelruimte als bedoeld in Artikel 14.25, tweede lid een aanvang neemt, laat een nieuw(e wijziging van het) een omgevingsplan buiten de aangewezen uitzonderingsgebieden voor zonneenergie op agrarische gronden geen grondgebonden opstelling voor zonne-energie op agrarische gronden toe.

  • 3.

    In afwijking van Artikel 14.28, tweede lid lid mag een nieuw(e wijziging van een) omgevingsplan een grondgebonden opstelling voor zonne-energie toelaten op gietwaterbassins in het gebied Uitzondering glastuinbouw i.r.t. zonne-energie in landelijk gebied.

  • 4.

    Vanaf het moment dat gelet op de monitor met betrekking tot zonne-energie in het landelijk gebied de eerste 500 hectare netto ontwikkelruimte als bedoeld In Artikel 14.25, eerste lid is volgelopen en de tweede 500 hectare netto ontwikkelruimte als bedoeld in Artikel 14.25, tweede lid een aanvang neemt mag een omgevingsplan voorzien in grondgebonden opstellingen voor zonne-energie tot in totaal maximaal 1000 hectare netto van het landelijk gebied van de provincie Flevoland, gerekend vanaf 15 november 2018, mits de locatie en de omvang zijn aangegeven in de monitor met betrekking tot zonne-energie in het landelijk gebied.

  • 5.

    Een omgevingsplan mag op een locatie niet meer voorzien in grondgebonden opstellingen voor zonne-energie, nadat de gebruiksperiode van de omgevingsvergunning voor de betreffende opstelling op die locatie is verstreken.

  • 6.

    In afwijking van het Artikel 14.28, vijfde lid mag een omgevingsplan, nadat de gebruiksperiode van de omgevingsvergunning voor de betreffende opstelling op die locatie is verstreken, blijven voorzien in grondgebonden opstellingen voor zonne-energie, indien voor die locatie opnieuw een omgevingsvergunning wordt verleend voor het realiseren van een nieuwe grondgebonden opstelling voor zonne-energie.

Hoofdstuk 15 Natuurnetwerk Nederland

Afdeling 15.1 Algemeen

Artikel 15.1 Oogmerk en toepassingsgebied
  • 1.

    Dit hoofdstuk geeft regels als bedoeld in artikel 2.31a en 2.44 vierde lid van de Omgevingswet

  • 2.

    De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

Artikel 15.2 Werkingsgebied en aanwijzing gebieden

Afdeling 15.2 Activiteiten

Artikel 15.3 Wijziging begrenzing: saldobenadering en herbegrenzing
Artikel 15.4 Verzoek wijziging begrenzingen
  • 1.

    Burgemeesten en wethouders kunnen verzoeken de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland en de wezenlijke kenmerken en waarden te wijzigen ten behoeve van een combinatie van projecten of handelingen als genoemd in Artikel 15.3, tweede lid, onderdeel a of een enkelvoudige ontwikkeling als genoemd in Artikel 15.3, derde lid onderdeel b.

  • 2.

    Het verzoek om wijziging van de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland gaat vergezeld van een toelichting of onderbouwing waarin wordt aangetoond dat:

    • a.

      de uitvoering en langdurige instandhouding van de versterking of vergroting van het Natuurnetwerk Nederland is gewaarborgd,

    • b.

      de uitvoering van de versterking en vergroting uiterlijk aansluitend aan het realiseren van de enkelvoudige ontwikkeling plaats vindt.

  • 3.

    Wanneer de beoogde ontwikkeling of activiteit ten behoeve waarvan het Natuurnetwerk Nederland is gewijzigd niet of niet geheel plaats vindt verzoeken burgemeester en wethouders tot het geheel of gedeeltelijk intrekken van de wijziging.

Afdeling 15.3 Instructieregels

Artikel 15.5 Gemeenteraad: Bescherming NNN
  • 1.

    Een omgevingsplan, voor zover het betrekking heeft op een gebied binnen of nabij het aangewezen Natuurnetwerk Nederland:

    • a.

      strekt mede tot bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van dat gebied,

    • b.

      maakt alleen activiteiten mogelijk die per saldo niet leiden tot de achteruitgang van de kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk, vermindering van de samenhang tussen die gebieden of tot nadelige gevolgen voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk.

Artikel 15.6 Gedeputeerde Staten: Registratie begrenzing NNN
  • 1.

    Gedeputeerde Staten houden een actuele en digitale registratie bij van de besluiten in verband met wijzigingen van het Natuurnetwerk Nederland.

  • 2.

    De registratie is gericht op het inzichtelijk maken van een sluitende compensatieboekhouding en het volgen van de uitvoering.

Hoofdstuk 16 Natuurbescherming

Titel 16.1 Algemeen

Artikel 16.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is van toepassing op:

  • a.

    flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in afdeling 11.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • b.

    het vellen van houtopstanden en het herbeplanten van grond, als bedoeld in artikel 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • c.

    de Natura 2000-activiteiten, bedoeld in afdeling 11.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 16.2 Oogmerken
  • 1.

    De regels over flora- en fauna-activiteiten en Natura 2000-activiteiten zijn gesteld met het oog op de natuurbescherming.

  • 2.

    De regels over handelen volgens faunabeheerplan en de uitoefening van de jacht zijn gesteld met het oog op:

    • a.

      de natuurbescherming;

    • b.

      goed jachthouderschap;

    • c.

      het voorkomen en bestrijden van schade door dieren;

    • d.

      het waarborgen van de veiligheid.

  • 3.

    De regels over het vellen en herbeplanten van houtopstanden zijn gesteld met het oog op:

    • a.

      de natuurbescherming;

    • b.

      de instandhouding van het bosareaal in Nederland;

    • c.

      het beschermen van landschappelijke waarden.

Artikel 16.3 Werkingsgebied natuurbescherming

De regels in dit hoofdstuk Natuurbescherming gelden voor het grondgebied van de provincie Flevoland, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.

Titel 16.2 Activiteiten

Afdeling 16.2.1 Natura 2000-activiteiten (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Afdeling 16.2.2 Activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild
Paragraaf 16.2.2.1 Flora- en fauna activiteiten: omgevingsvergunning andere soorten

Artikel 16.4 Maatwerkregel bestrijding van schadeveroorzakende dieren

  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.1 tweede lid. aanhef en onder g van de wet in samenhang met artikel 11.54 eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning in het wild levende zoogdieren van de soorten, genoemd in bijlage IX onder A van het Besluit activiteiten leefomgeving, opzettelijk te doden of te vangen geldt niet als deze flora- en fauna-activiteiten door grondgebruikers worden verricht ter voorkoming of bestrijding van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren met betrekking tot de soorten en onder de voorschriften genoemd in Bijlage XI onder A..

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid geldt de vrijstelling uitsluitend:

    • a.

      voor handelingen ter voorkoming van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende schade;

    • b.

      voor de grondgebruiker respectievelijk een door hem op grond van de artikelen 11.44, vijfde lid, 11.52, vijfde lid en 11.58, zesde lid van het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen persoon;

    • c.

      op de door de grondgebruiker gebruikte gronden, in of aan door de grondgebruiker gebruikte opstallen, of in het omringende gebied.

Artikel 16.5 Vergunningvrije activiteiten ruimtelijke inrichting of ontwikkeling bestendig beheer of onderhoud

De verboden, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid van de Omgevingswet, met uitzondering van het verbod tot opzettelijk doden, gelden niet voor soorten genoemd in Bijlage XI onder B ten aanzien van de belangen genoemd in artikel 11.56 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 16.6 Bescherming vogels tegen landbouwwerkzaamheden

  • 1.

    De verboden, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid onder g van de Omgevingswet en artikel 11.37, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden met uitzondering van het verbod tot doden, niet ten behoeve van activiteiten bestemd en geschikt voor de bescherming van vogels, hun nesten en eieren en hun niet vliegvlugge jongen tegen landbouwwerkzaamheden en vee.

  • 2.

    De op basis van het eerste lid gevangen niet vliegvlugge jongen worden onmiddellijk na afloop van de landbouwwerkzaamheden bedoeld in het eerste lid weer in vrijheid gesteld.

Artikel 16.7 Vrijstelling amfibieen en ringslangen ter veiligstelling tegen verkeer

  • 1.

    De verboden om in het wild levende dieren te vangen en opzettelijk te verstoren, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid onder g van de Omgevingswet en artikel 11.46, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving, alsmede het verbod om amfibieen te vangen, als bedoeld in arikel 11.54, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden niet ten aanzien van deze amfibieen en de ringslang indien de betrokken handelingen plaatsvingen ter veiligstelling van deze dieren tegen het verkeer.

  • 2.

    De in het eerste lid genoemde vrijstelling geldt slechts voor het vervoer van de dieren over een afstand van ten hoogtste 50 meter vanaf de vangplaats en voor zover de dieren na het vervoeren onmiddellijk weer in vrijheid worden gesteld.

  • 3.

    De in het eerste lid genoemde vrijstelling geldt slechts voor het vervoer van de ringslang over een afstand van ten hoogste 100 meter vanaf de vangplaats en voor zover de dieren na het vervoeren onmiddellijk weer in vrijheid worden gesteld.

Artikel 16.8 Sluiten van de jacht

  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen bij besluit de jacht op wildsoorten beperken of stopzetten in de gehele provincie of een gedeelte daarvan zolang bijzondere weersomstandigheden dat noodzakelijk maken.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten kunnen bij besluit de vrijstelling, bedoeld in artikel 16.4, opschorten als dat noodzakelijk is vanwege bijzondere weersomstandigheden.

Afdeling 16.2.3 Activiteiten die houtopstanden betreffen
Artikel 16.9 Activiteiten

Deze afdeling is van toepassing op het vellen van houtopstanden en het herbeplanten van grond na het vellen van houtopstanden als bedoeld in afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 16.10 Maatwerkregel: vrijstelling meldplicht vellen houtopstanden

In aanvulling op artikel 11.126, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving is het in het eerste lid van artikel 11.126 geregelde verbod niet van toepassing op:

  • a.

    Beheerders die meer dan 75 ha bos en natuur in de provincie Flevoland beheren en beschikken over een certificaat natuurbeheer afgegeven door de Stichting Certificering SNL, indien de grond, waarop de te vellen houtopstand zich bevindt, binnen drie jaar na velling of teniet gaan op bosbouwkundig verantwoorde wijze wordt herbeplant;

  • b.

    De vrijstelling als bedoeld onder a is niet van toepassing indien:

    • 1.

      Een afzonderlijke voorgenomen velling groter is dan 3 hectare;

    • 2.

      De te vellen houtopstand niet ter plaatse wordt herplant.

  • c.

    Een beheerder die gebruik maakt van de vrijstelling als bedoeld onder a verstrekt gedeputeerde staten voor 1 oktober een overzicht over het voorafgaande jaar met:

    • 1.

      de omvang en ligging van de grond waarop herplantplicht rust per 1 oktober van het voorgaande jaar en

    • 2.

      de omvang en ligging van de grond waarop gedurende het voorgaande jaar bos is geveld of anderszins is teniet gegaan.

  • d.

    Voorts is het in artikel 11.126, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving bepaakde niet van toepassing bij:

    • 1.

      Het maximaal 1 keer per 4 jaar kappen van verjongingsgaten indien deze groter zijn dan 1,5 maal de boomhoogte en gezamenlijk niet meer oppervlakte beslaan dan 10 procent van het bosperceel.

    • 2.

      Het vrijstellen van oevers van bestaande poelen en plassen over een breedte van 30 meter gerekend vanaf de bestaande gemiddelde voorjaarslijn.

    • 3.

      Het door natuurlijke ontwikkelingen te niet gaan van houtopstanden in de volgende gevallen:

      • I.

        vernatting door natuurlijke processen en/of vernatting als onderdeel van anti-verdrogingsmaatregelen;

      • II.

        op natuurlijke wijze teniet gaan van bossen op gronden die van nature geen bosvorming kennen;

      • III.

        teniet gaan door vraat van bevers (Castor fiber).

Artikel 16.11 Maatwerkregel: uitzondering op plicht tot herbeplanting

In aanvulling op artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt de plicht tot herbeplanting niet wanneer het gaat om:

  • a.

    Het door natuurlijke ontwikkelingen teniet gaan van houtopstanden indien dit het gevolg is van vernatting door natuurlijke processen of vernatting als onderdeel van anti-verdrogingsmaatregelen;

  • b.

    Teniet gaan door vraat van bevers (Castor fiber), mits de stobben niet verwijderd worden.

Artikel 16.12 Afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift: plicht tot herbeplanting
  • 1.

    In afwijking van artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving en met inachtneming van artikel 11.30 van het Besluit activeiten leefomgeving kunnen gedeputeerde staten bij maatwerkvoorschrift toestemming verlenen voor herbeplanting op andere grond dan de grond, bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving, eerste lid, indien:

    • a.

      De toestemming er niet toe leidt dat de oppervlakte van het oorspronkelijke bos kleiner wordt dan 15 hectare;

    • b.

      De andere grond is gelegen in de provincie Flevoland;Beplanting van andere grond niet ten koste gaat van beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden;

    • c.

      onbeplant is en vrij van een herbeplantingsplicht als bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving is;

    • d.

      vrij is van (natuur)compensatieverplichtingen;

    • e.

      en geen wettelijke doelstelling kent die aan de herbeplanting in de weg staat.

  • 2.

    Bij maatwerkvoorschrift kan van het eerste lid worden afgeweken als dit in overeenstemming is met het belang van een doelgerichte of evenwichtige besluitvorming, en naar het oordeel van gedeputeerde staten niet tot onevenredig bezwarende gevolgen zou leiden.

Titel 16.3 Handelen volgens faunabeheerplan

Afdeling 16.3.1 Faunabeheereenheid
Artikel 16.13 Werkgebied en werkwijze faunabeheereenheid
  • 1.

    Er is één (1) faunabeheereenheid als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid van de Omgevingswet in de provincie Flevoland.

  • 2.

    Het werkgebied van de faunabeheereenheid omvat het gehele grondgebied van de provincie Flevoland.

Afdeling 16.3.2 Faunabeheerplan
Artikel 16.14 Eisen aan faunabeheerplan
  • 1.

    Het faunabeheerplan bevat ten minste de volgende algemene gegevens:

    • a.

      de omvang van het werkgebied van de faunabeheereenheid;

    • b.

      een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven.

  • 2.

    Het faunabeheerplan bevat voor wat betreft populatiebeheer en schadebestrijding ten minste de volgende nadere gegevens:

    • a.

      kwantitatieve gegevens over de populatieontwikkeling van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer en schadebestrijding noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar;

    • b.

      per diersoort een onderbouwing van de aard en de noodzaak van activiteiten om schade te voorkomen of beperken en een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar, en de perioden in het jaar waarin, deze activiteiten plaatsvinden;

    • c.

      een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel b bedoelde belangen in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad, inclusief de getroffen beheermaatregelen waaronder het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren;

    • d.

      de huidige en gewenste stand van de in onderdeel a bedoelde diersoorten;

    • e.

      per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld in onderdeel d, te bereiken en schade te voorkomen;

    • f.

      per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de periode, bedoeld in onderdeel c, zijn verricht om het schaden van de in onderdeel b bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen;

    • g.

      voor zover het plan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dieren alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen;

    • h.

      een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel e bedoelde handelingen zullen plaats vinden;

    • i.

      voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel e bedoelde handelingen;

    • j.

      een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald.

  • 3.

    Het faunabeheerplan bevat voor wat betreft de uitoefening van de jacht de volgende gegevens:

    • a.

      kwantitatieve gegevens over de populatieontwikkeling van de diersoorten waarop wordt gejaagd;

    • b.

      een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens per diersoort in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan.

Artikel 16.15 Aanvullende eisen faunabeheerplan
  • 1.

    In een faunabeheerplan wordt aangegeven dat het plan een geldigheidsduur van ten hoogste 5 jaar heeft.

  • 2.

    De faunabeheereenheid kan het faunabeheerplan gedeeltelijk wijzigen gedurende het in het eerste lid genoemde tijdvak waarvoor het is vastgesteld.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de faunabeheereenheid de in het eerste lid genoemde geldigheidsduur van het faunabeheerplan met maximaal twaalf maanden verlengen.

  • 4.

    De faunabeheereenheid geeft in het faunabeheerplan het werkingsgebied van het plan weer.

  • 5.

    Het faunabeheerplan bevat ten minste de volgende algemene gegevens:

    • a.

      de omvang van het werkgebied van de faunabeheereenheid;

    • b.

      een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven;

    • c.

      kaart werkgebieden van wildbeheereenheden in de provincie.

  • 6.

    In aanvulling op het in artikel 6.2, eerste en tweede lid van het Omgevingsbesluit daaromtrent bepaalde bevat het faunabeheerplan voor wat betreft populatiebeheer en schadebestrijding ten minste de volgende nadere gegevens:

    • a.

      kwantitatieve gegevens over de populatieontwikkeling van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer en schadebestrijding noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar;

    • b.

      per diersoort een onderbouwing van de aard en de noodzaak van activiteiten om schade te voorkomen of beperken en een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar, en de perioden in het jaar waarin, deze activiteiten plaatsvinden;

    • c.

      een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel b bedoelde belangen in de 5 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad, inclusief de getroffen beheermaatregelen waaronder het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren;

    • d.

      de huidige en gewenste stand van de in onderdeel a bedoelde diersoorten;

    • e.

      per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld in onderdeel d, te bereiken en schade te voorkomen;

    • f.

      per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de periode, bedoeld in onderdeel c, zijn verricht om het schaden van de in onderdeel b bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen;

    • g.

      voor zover het plan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dieren alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen;

    • h.

      een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel e bedoelde handelingen zullen plaats vinden;

    • i.

      voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel e bedoelde handelingen;

    • j.

      een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald.

  • 7.

    Het faunabeheerplan bevat voor wat betreft de uitoefening van de jacht de volgende gegevens:

    • a.

      kwantitatieve gegevens over de populatieontwikkeling van de diersoorten waarop wordt gejaagd;

    • b.

      een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens per diersoort in de 5 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan.

Artikel 16.16 Reikwijdte faunabeheerplan

Het faunabeheerplan geldt voor het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid.

Artikel 16.17 Goedkeuring faunabeheerplan

Titel 16.4 Wildbeheereenheid

Afdeling 16.4.1 Wildbeheereenheid
Artikel 16.18 Omvang en begrenzing werkgebied
  • 1.

    Er zijn in Flevoland drie wildbeheereenheden.

  • 2.

    Een wildbeheereenheid heeft een aaneengesloten werkgebied met een duidelijke geografische begrenzing.

  • 3.

    De werkgebieden van de drie wildbeheereenheden zijn:

    • a.

      Noordelijk Flevoland:

      Land: Gemeente Noordoostpolder, Gemeente Urk

      Water: IJsselmeer

    • b.

      Oostelijk Flevoland:

      Land: Gebied ten oosten van de Knardijk

      Water: Ketelmeer, Randmeren ten oosten van N302 (aquaduct)

    • c.

      Zuidelijk Flevoland:

      Land: Gebied ten westen van de Knardijk

      Water: Flevolands deel Markermeer (inclusief dijk Enkhuizen-Lelystad), Randmeren ten westen N302 (aquaduct)

Artikel 16.19 Jachthouders met jachtakte en verenigd in een wildbeheereenheid
  • 1.

    Jachthouders met een jachtakte, met een jachtveld dat met het geweer bejaagbaar is, gelegen in het gebied waarover zich de zorg van een wildbeheereenheid uitstrekt, zijn aangesloten bij deze wildbeheereenheid.

  • 2.

    De aansluiting zoals bedoeld in het eerste lid heeft de vorm van een lidmaatschap van de vereniging

Artikel 16.20 Vrijstelling aansluitplicht wildbeheereenheid

De verplichting in Artikel 16.19 is niet van toepassing op medewerkers van Staatsbosbeheer, de Vereniging Natuurmonumenten of Stichting Flevolandschap, wanneer het jachtveld in eigendom is van deze organisatie, opvoorwaarde dat deze organisatie zich heeft aangesloten bij een faunabeheereenheid en op grond daarvan deelneemtaan de gegevensverzameling als bedoeld in Artikel 16.21 en de uitvoering van het faunabeheerplan ten aanzien vanwildsoorten.

Artikel 16.21 Rapportage

De wildbeheereenheid neemt, in het kader van het faunabeheerplan, deel aan trendtellingen van diersoorten, afschotregistratie en de registratie van dood-gevonden dieren voor het gehele gebied waarover zich de zorg van de wildbeheereenheid uitstrekt.

Artikel 16.22 Lidmaatschap en geschillen
  • 1.

    Het lidmaatschap van een wildbeheereenheid kan worden opgezegd wanneer het lid bij de uitoefening van de jacht niet handelt conform het faunabeheerplan, dit ter beoordeling van het bestuur van de wildbeheereenheid, gehoord het bestuur van de faunabeheereenheid.

  • 2.

    De wildbeheereenheid stelt een geschillenregeling in die geschillen behandelt die voortkomen uit bestuursbesluiten zoals bedoeld in het eerste lid.

Titel 16.5 Schade door in het wild levende dieren

Paragraaf 16.5.1 Schade
Artikel 16.23 De aanvraag om tegemoetkoming in schade
  • 1.

    Gedeputeerde Staten verstrekken een tegemoetkoming in schade als bedoeld in artikel 15.53 van de Omgevingswet alleen op aanvraag.

  • 2.

    Een aanvraag om tegemoetkoming in schade als bedoeld in het eerste lid wordt door de aanvrager bij BIJ12 ingediend binnen zeven werkdagen nadat hij de schade heeft geconstateerd, met gebruikmaking van een daartoe vastgesteld formulier met bijlagen of via een vastgesteld electronische wijze.

  • 3.

    Schade welke niet binnen 7 werkdagen na constatering door de aanvrager op het in het tweede lid vermelde formulier met bijlagen bij BIJ12 is ingediend, komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.

Artikel 16.24 Taxatie van de schade
  • 1.

    De aanvrager zal het gewas, de teelt of de producten, waarop de aanvraag om tegemoetkoming betrekking heeft, niet eerder oogsten of anderszins van zijn bedrijf afvoeren, dan nadat de schade definitief is getaxeerd door de taxateur.

  • 2.

    Indien de aanvrager opmerkingen over het formulier "bevestiging taxatie grondgebruiker" kenbaar wil maken, zendt hij zijn reactie binnen acht werkdagen per e-mail of per post naar BIJ12.

Hoofdstuk 17 Geitenhouderijen

Titel 17.1 Algemeen

Artikel 17.1 Oogmerk

De regels in deze titel zijn gesteld met het oog op het verbieden van nieuwvestiging en uitbreiding van geitenhouderijen om daarmee gezondheidseffecten in de omgeving te voorkomen.

Artikel 17.2 Werkingsgebied geitenhouderijen

De regels in dit hoofdstuk gelden voor het grondgebied van de grondgebied van de provincie Flevoland met uitzondering van de rijkswateren, genoemd in bijlage II onder 1 onder A bij het Omgevingsbesluit en waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.

Titel 17.2 Activiteiten

Artikel 17.3 Tijdelijke Geitenstop
  • 1.

    Het is met ingang van 2 februari 2019 verboden om een nieuwe geitenhouderij te vestigen of op te richten en daarvoor onder andere:

    • a.

      een dierenverblijf voor het houden van geiten op te richten,

    • b.

      een bouwwerk, gebouw of gronden voor het houden van geiten in gebruik te nemen,

    • c.

      een bouwwerk, gebouw of gronden tijdelijk te gebruiken voor het houden van geiten.

  • 2.

    Het is verboden voor een bestaande geitenhouderij gelegen binnen twee kilometer van de rand van een woonkern om het aantal geiten uit te breiden.

  • 3.

    De verboden genoemd in het eerste en tweede lid gelden zolang en voor zover er nog geen onherroepelijk omgevingsplan is dat in overeenstemming is met die verboden.

Titel 17.3 Instructies omgevingsplan

Afdeling 17.3.1 Instructieregels omgevingsplan
Artikel 17.4 Instructieregels omgevingsplan
  • 1.

    Een omgevingsplan sluit de nieuwvestiging van geitenhouderij uit.

  • 2.

    Bij omgevingsplan worden aangewezen als vrijwaringszone geitenhouderijen de gebieden bestaande uit een zone van twee kilometer van de rand van een woonkern en wordt de geometrische begrenzing daarvan vastgelegd.

  • 3.

    Een omgevingsplan sluit de uitbreiding van bestaande geitenhouderijen gelegen binnen twee kilometer van de rand van een woonkern uit.

  • 4.

    De gemeenteraad stelt uiterlijk voor 1 januari 2025 een omgevingsplan vast met inachtneming van de regels uit dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 18 Ontgassen binnenvaart

Titel 18.1 Algemeen

Artikel 18.1 Oogmerk

De regels zijn gesteld om zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken van luchtverontreiniging, zodat een goede luchtkwaliteit wordt bereikt en de bescherming van de volksgezondheid.Openbare vaarwegen binnen Flevoland

Artikel 18.2 Werkingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op de openbare vaarwegen binnen Flevoland, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II .

Titel 18.2 Activiteiten

Afdeling 18.2.1 Verbodsbepaling
Artikel 18.3 Verbodsbepaling
  • 1.

    Het is verboden om zonder omgevingsvergunning vanaf een binnenschip een milieubelastende activiteit te verrichten, voor zover het gaat om het ontgassen van een ladingtank met restladingdampen van:

    • a.

      benzeen (UN-nummer 1114);

    • b.

      ruwe aardolie met meer dan 10% benzeen (UN-nummer 1267);

    • c.

      aardoliedestillaten N.E.G. met meer dan 10% benzeen of aardolieproducten N.E.G met meer dan 10% benzeen (UN 1268);

    • d.

      brandstof voor straalvliegtuigen met meer dan 10% benzeen (UN 1863);

    • e.

      brandbare vloeistoffen, N.E.G. met meer dan 10% benzeen (UN 1993), of

    • f.

      koolwaterstoffen, vloeibaar met meer dan 10% benzeen (UN 3295).

  • 2.

    Van een restladingdamp als bedoeld in het eerste lid, is sprake bij een concentratie van die damp in de ladingtank groter dan of gelijk aan 10% van de onderste explosiegrens.

Afdeling 18.2.2 Afwijking van verbodsbepaling
Artikel 18.4 Voorafgaande belading

Het verbod om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, voor zover het gaat om het ontgassen van een ladingtank met restladingdampen, is niet van toepassing indien kan worden aangetoond dat de drie voorafgaande ladingen in de desbetreffende ladingtank niet bestonden uit stoffen als genoemd in Artikel 18.3, eerste lid of aangewezen krachtens Artikel 18.6, dan wel indien kan worden aangetoond dat de desbetreffende ladingtank bij de voorafgaande belading voor meer dan 95% gevuld was met een andere stof dan vermeld in Artikel 18.3, tweede lid of aangewezen krachtens Artikel 18.6.

Artikel 18.5 Veiligheidsredenen

Het gestelde verbod om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, voor zover het gaat om het ontgassen van een ladingtank met restladingdampen, is niet van toepassing, wanneer het ontgassen plaatsvindt:

  • a.

    om redenen van drukverevening die om redenen van veiligheid moet plaatsvinden;

  • b.

    tijdens of na een calamiteit met het binnenschip, indien het ontgassen om redenen van veiligheid noodzakelijk is.

Afdeling 18.2.3 Instructieregels
Artikel 18.6 Beoordelingsregels ontgassen ladingtank

De omgevingsvergunning voor het ontgassen van een ladingtank met restladingdampen van aangewezen stoffen wordt alleen verleend indien het belang van het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van luchtverontreiniging zich daartegen niet verzet en wordt voldaan aan de in Artikel 18.3 bedoelde concentratie van damp(en).

Hoofdstuk 19 Schaliegas

Titel 19.1 Algemeen schaliegas

Artikel 19.1 Oogmerk opsporen en winnen schaliegas en schalieolie

De regels voor schaliegas zijn gesteld om ervoor te zorgen dat bij het opsporen en winnen van schaliegas en schalieolie de provinciale belangen niet worden geschaad.

Artikel 19.2 Werkingsgebied: opsporen en winnen schaliegas en schalieolie

De regels in dit hoofdstuk gelden voor het grondgebied van de provincie Flevoland, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

Titel 19.2 Instructieregels schaliegas

Artikel 19.3 Instructieregels omgevingsplan: opsporen en winnen van schaliegas en schalieolie

In een omgevingsplan dat ziet op het toelaten van het opsporen of winnen van schaliegas en schalieolie wordt in de toelichting op het omgevingsplan basis van onderzoek gemotiveerd dat provinciale belangen niet worden geschaad.

Hoofdstuk 20 Kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving

Titel 20.1 Algemeen

Artikel 20.1 Reikwijdte

Dit hoofdstuk is van toepassing op de uitvoerings- en handhavingstaak bedoeld in artikel 18.18, tweede lid, en artikel 18.1 van de Omgevingswet door of in opdracht van gedeputeerde staten.

Artikel 20.2 Werkingsgebied

De regels in dit hoofdstuk gelden voor het grondgebied van de provincie Flevoland, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.

Titel 20.2 Instructieregels

Artikel 20.3 Betrokkenheid van provinciale staten

Provinciale staten zien toe op de hoofdlijnen van het beleid voor de kwaliteit van de uitvoerings- en de handhavingstaak in het licht van de voor de provincie vastgestelde beleidskaders voor de fysieke leefomgeving.

Artikel 20.4 Kwaliteitsdoelen

Gedeputeerde staten beoordelen de kwaliteit van de uitvoerings- en handhavingstaak in het licht van daarvoor door hen gestelde doelen in de uitvoerings- en handhavingsstrategieën.

Artikel 20.5 Kwaliteitsborging
  • 1.

    Op de uitvoerings- en handhavingstaak door of in opdracht van gedeputeerde staten zijn de in Bijlage XII opgenomen kwaliteitscriteria van toepassing.

  • 2.

    Gedeputeerde staten rapporteren jaarlijks over de naleving van de kwaliteitscriteria.

  • 3.

    Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of niet konden worden nageleefd, doen gedeputeerde staten daarvan gemotiveerd opgave.

  • 4.

    Het derde lid is niet van toepassing op de kwaliteitscriteria ten aanzien van de uitvoering en handhaving van activiteiten met betrekking tot installaties als bedoeld in bijlage I, categorie 4, bij de richtlijn industriële emissies en waarop de Seveso-richtlijn van toepassing is.

Hoofdstuk 21 Procedures en Adviseurs

Titel 21.1 Meldingen en verstrekken van gegevens en bescheiden

Artikel 21.1 Algemene gegevens bij een melding

Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:

  • a.

    de aanduiding van de activiteit;

  • b.

    de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

  • c.

    het adres waarop de activiteit wordt verricht; en

  • d.

    de dagtekening.

Artikel 21.2 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag worden die ondertekend en voorzien van:

  • a.

    de aanduiding van de activiteit;

  • b.

    de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

  • c.

    het adres waarop de activiteit wordt verricht; en

  • d.

    de dagtekening.

Artikel 21.3 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
  • 1.

    Voordat de naam of het adres bedoeld in Artikel 21.1 en Artikel 21.2 wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 21.4 Gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag
  • 1.

    Op verzoek van het bevoegd gezag worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en de maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de met de algemene regels te dienen belangen.

  • 2.

    Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Titel 21.2 Adviseurs

Artikel 21.5 Advies grondwaterbescherming

Voor een aanvraag om omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in Artikel 4.4 , negende Lid en Artikel 4.6, tiende lid ten aanzien van verboden activiteiten in een beschermingsgebied voor grondwater en een waterwingebied zijn adviseur:

  • a.

    burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de activiteit plaatsvindt of zal plaatsvinden;

  • b.

    de directeur van het waterleidingbedrijf dat grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening onttrekt in Flevoland.

Titel 21.3 Gecoördineerde voorbereiding

Artikel 21.6 Gecoördineerde voorbereiding wijziging begrenzing Natuurnetwerk Nederland

De voorbereiding en bekendmaking van de besluiten tot het wijzigen van de begrenzing van Natuurnetwerk Nederland in de omgevingsverordening als bedoeld in Artikel 15.3 en het vaststellen van het omgevingsplan voor de voorgenomen ontwikkeling worden in voorkomend geval gecoördineerd.

Hoofdstuk 22 Overgangs- en slotbepalingen

Titel 22.1 Intrekking oude verordeningen

Artikel 22.1 Intrekken verordeningen

De volgende verordeningen worden ingetrokken:

  • a.

    de Omgevingsverordening Flevoland,

  • b.

    het Reglement 2009 voor de Provinciale Omgevingscommissie Flevoland (POCF).

Titel 22.2 Overgangsbepalingen

Afdeling 22.2.1 Overgangsrecht algemeen
Artikel 22.2 Overgangsrecht plannen, meldingen, ontheffingen en vergunningen
  • 1.

    Op procedures op grond van de Omgevingsverordening Flevoland die zijn aangevangen voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening blijft het op dat moment geldende recht van toepassing

  • 2.

    De op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze verordening geldende besluiten die op grond van de Omgevingsverordening Flevoland of diens voorgangers zijn genomen, blijven van kracht zolang het bevoegde bestuursorgaan niet anders heeft beslist.

  • 3.

    Meldingen die op grond van de Omgevingsverordening Flevoland of diens voorgangers zijn afgedaan, worden gelijkgesteld met een melding op grond van deze verordening.

Artikel 22.3 Overgangsrecht uitvoeringsregelingen

Na de inwerkingtreding van deze verordening berusten beleidsregels, voor zover deze op het tijdstip onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze