overwegende, dat hun college op grond van het bepaalde in artikel 2 van de Scheepvaartverkeerswet bevoegd is tot het nemen van de in die wet bedoelde verkeersbesluiten ter regeling van het scheepvaartverkeer op de provinciale vaarwegen;
dat het nemen van verkeersmaatregelen op grond van artikel 3 van de Scheepvaartverkeerswet slechts kan geschieden in het belang van:
- 1.
het verzekeren van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer;
- 2.
het instandhouden van scheepvaartwegen en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;
- 3.
het voorkomen of beperken van schade door het scheepvaartverkeer aan de waterhuishouding, oevers en waterkeringen, of werken gelegen in of over scheepvaartwegen;
- 4.
het voorkomen of beperken van externe veiligheidsrisico’s in verband met schepen;
- 5.
het voorkomen of beperken van verontreiniging door schepen;
dat de Delftse Schie een provinciale vaarweg is in beheer bij de provincie Zuid-Holland;
dat op grond van artikel 12 van het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer de tijdelijke aanbrenging van verkeerstekens krachtens een verkeersbesluit geschiedt indien de omstandigheden die tot de tijdelijke aanbrenging leiden van langere duur zijn dan dertien weken;
dat de oevervoorziening langs de westzijde van de provinciale vaarweg de Delftse Schie, tussen hectometerpunten 33.50 en 33.82, einde levensduur is waardoor een verondieping ontstaat;
dat de oevervoorziening naar verwachting eind 2025 vervangen wordt;
dat scheepvaart in verband met de slechte staat van de oevervoorziening en de verondieping in de vaarweg afstand moet houden van de wal;
dat de onderstaande verkeersmaatregelen noodzakelijk zijn vanwege de veilige doorstroming van het scheepvaartverkeer, de veiligheid op de Delftse Schie en de instandhouding van de oeverconstructie;
gelet op het bepaalde in de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement en het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer;