Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant van 14 december 2021 tot wijziging van de Subsidieregeling realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant in verband met het openstellen van een nieuw aanvraagtijdvak voor subsidie op grond van paragraaf 1 en het doorvoeren van enkele technische en redactionele wijzigingen van de paragrafen 1 tot en met 4 van die regeling (Vijfde wijziging Subsidieregeling realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant)

[Deze bekendmaking is slechts een tekstplaatsing. De oorspronkelijke publicatie is op 27 december 2021 bekendgemaakt, beschikbaar via Provinciaal blad 2021, 12947.]

 

[Dit wijzigingsbesluit zal vanwege de verschillende data van inwerkingtreding in 2 verschillende publicaties verwerkt worden. In dit Provinciaal blad zullen de wijzigingen van artikel I, onder C verwerkt worden.]

 

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant;

 

Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

 

Overwegende dat het wenselijk is de Subsidieregeling realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant te wijzigen in verband met het openstellen van een nieuw aanvraagtijdvak voor subsidie op grond van paragraaf 1 en het doorvoeren van enkele technische en redactionele wijzigingen van de paragrafen 1 tot en met 4 van die regeling;

 

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

Artikel I Wijziging Subsidieregeling realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant

De Subsidieregeling realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant wordt als volgt gewijzigd:

 

A.

 

Artikel 1.6, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    In onderdeel j wordt na “afgestemd met het waterschap” toegevoegd “, met uitzondering van aanvragen die betrekking hebben op een complex PAS-gebied of een voor PAS benodigd perceel”.

  • 2.

    Onderdeel n wordt als volgt gewijzigd:

    • a.

      in onderdeel 2° wordt na “buiten het NNB” toegevoegd “of de aanvraag betrekking heeft op een wijstgebied”;

    • b.

      in onderdeel 3° wordt na “binnen het NNB” toegevoegd “, met uitzondering van aanvragen die betrekking hebben op een wijstgebied”.

B.

 

Artikel 1.9 komt te luiden:

Artikel 1.9 Aanvullende subsidievereisten buiten het NNB

Onverminderd artikel 1.6, gelden indien het perceel is gelegen buiten het NNB de volgende aanvullende vereisten:

  • a.

    de toevoeging aan het NNB biedt ecologische meerwaarde en versterkt het NNB als geheel;

  • b.

    het natuurbeheertype sluit aan op het ambitietype als aangegeven op de ambitiekaart, dat van toepassing is op de naastliggende, binnen het NNB, gelegen percelen;

  • c.

    het natuurbeheertype is landschappelijk inpasbaar;

  • d.

    het natuurbeheertype is in overeenstemming met of sluit aan op de cultuurhistorische waarden;

  • e.

    het natuurbeheertype past in de leefgebiedenbenadering.

C.

 

Artikel 1.13 komt te luiden:

1.13 Subsidiabele kosten

  • 1.

    Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen bij aanvragen om subsidie die betrekking hebben op verwerving als bedoeld in artikel 1.4, de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      de kosten met betrekking tot de waardevermindering van de grond door functiewijziging, berekend op basis van:

      • 1°.

        de marktwaarde van de grond voor de functiewijziging, tot een maximum van 150% van de CBS-regioprijs per hectare, opgenomen in bijlage 5 bij deze regeling;

      • 2°.

        verminderd met de marktwaarde van de grond na functiewijziging; en

      • 3°.

        gebaseerd op de in opdracht van de provincie Noord-Brabant door twee onafhankelijke taxateurs uitgevoerde taxatie;

    • b.

      2,5% bijkomende kosten van verwerving;

    • c.

      de kosten, bedoeld onder a, zijn subsidiabel tot een maximum van 50% van de marktwaarde van de grond voor de functiewijziging;

    • d.

      overige schadeloosstellingscomponenten deel uitmakende van de getaxeerde volledige schadeloosstelling, indien het een voor PAS benodigd perceel betreft;

    • e.

      het maximum van 150% van de CBS-regioprijs, bedoeld onder a, geldt niet indien het een voor PAS benodigd perceel betreft.

  • 2.

    Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen bij aanvragen om subsidie die betrekking hebben op functiewijziging als bedoeld in artikel 1.4, de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      de kosten met betrekking tot de waardevermindering van de grond door functiewijziging, berekend op basis van:

      • 1°.

        de marktwaarde van de grond voor de functiewijziging, tot een maximum van 150% van de CBS-regioprijs per hectare, opgenomen in bijlage 5 bij deze regeling;

      • 2°.

        verminderd met de marktwaarde van de grond na functiewijziging; en

      • 3°.

        gebaseerd op de in opdracht van de provincie Noord-Brabant door twee onafhankelijke taxateurs uitgevoerde taxatie;

    • b.

      2,5% bijkomende kosten van verwerving, indien de grond uiterlijk drie jaar voor indiening van de subsidieaanvraag is verworven;

    • c.

      de kosten, bedoeld onder a zijn subsidiabel, tot een maximum van 50% van de marktwaarde van de grond voor de functiewijziging;

    • d.

      de gemaakte deskundigenkosten overeenkomstig de lumpsumbedragen en lumpsumpercentages, opgenomen in bijlage 6 bij deze regeling, indien sprake is van een voor PAS benodigd perceel;

    • e.

      het maximum van 150% van de CBS-regioprijs, bedoeld onder a, geldt niet indien het een voor PAS benodigd perceel betreft.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid, onder b en c, en het tweede lid, onder b en c, bedragen de percentages respectievelijk 4,25% en 85%, indien het betreft:

    • a.

      het NNB rijksdeel, niet zijnde EVZ;

    • b.

      een voor PAS benodigd perceel;

    • c.

      wijstgebied;

    • d.

      gronden gelegen binnen het compensatiegebied N69 als weergegeven op de kaart in bijlage 7 bij deze regeling;

    • e.

      gronden gelegen binnen het gebied De Maashorst, weergegeven op de kaart in bijlage 7a bij deze regeling;

    • f.

      gronden gelegen binnen het gebied Ossekamp-De Waarden, weergegeven op de kaart in bijlage 7b bij deze regeling;

    • g.

      natte natuurparels in het NNB provinciaal deel, niet zijnde EVZ.

  • 4.

    Indien het betreft ONNB:

    • a.

      worden de kosten met betrekking tot de waardevermindering van de grond, in afwijking van het eerste lid, onder a en het tweede lid, onder a, berekend op basis van de marktwaarde van de grond voor de inrichting als natuur, tot een maximum van 150% van de CBS-regioprijs per hectare, opgenomen in bijlage 5 bij deze regeling; en

    • b.

      zijn de kosten, in afwijking van het eerste lid, onder c en het tweede lid, onder c, subsidiabel voor 50%.

  • 5.

    Indien de aanvraag om subsidie betrekking heeft op inrichting, komen voor subsidie in aanmerking de lumpsumbedragen, genoemd in bijlage 3 bij deze regeling.

D.

 

In artikel 1.15 wordt “1 januari 2020 tot en met 31 december 2021” vervangen door “1 januari 2022 tot en met 31 december 2026”.

 

E.

 

Artikel 1.16, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    In onderdeel a wordt “€ 50.000.000” vervangen door “€ 80.000.000”.

  • 2.

    In onderdeel b wordt “€ 10.000.000” vervangen door “€ 12.000.000”.

  • 3.

    In onderdeel c wordt “€ 3.500.000” vervangen door “€ 4.200.000”.

  • 4.

    In onderdeel d wordt “€ 3.000.000” vervangen door “€ 5.000.000”.

F.

 

Artikel 1.21 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    In het eerste lid worden de volgende wijzigingen aangebracht:

    • a.

      onderdeel e komt te luiden:

      • e.

        de kwalitatieve verplichting, bedoeld in artikel 1.20, wordt binnen drie jaar na verlening van de subsidie gevestigd, met een verlengingsmogelijkheid tot en met 31 december 2027;

    • b.

      onderdeel f komt te luiden:

      • f.

        de notariële akte van levering wordt binnen drie jaar na verlening van de subsidie gepasseerd, met een verlengingsmogelijkheid tot en met 31 december 2027, indien het verwerving als bedoeld in artikel 1.4 betreft;

    • c.

      onderdeel h komt te luiden:

      • h.

        de inrichting, bedoeld onder g, wordt uitgevoerd:

        • 1°.

          binnen drie jaar na verlening van de subsidie, met een verlengingsmogelijkheid tot en met 31 december 2027, indien het betreft een subsidie als bedoeld in artikel 1.4, onder a tot en met f;

        • 2°.

          binnen vijf jaar na verlening van de subsidie, met een verlengingsmogelijkheid tot en met 31 december 2027, indien het betreft een subsidie als bedoeld in artikel 1.4, onder g;

  • 2.

    In het derde lid wordt “eerste lid, onder d, e en g” vervangen door “eerste lid, onder e, f en h”

  • 3.

    In het vierde lid worden de volgende wijzigingen aangebracht:

    • a.

      in de aanhef wordt “eerste lid, onder d, e en g” vervangen door “eerste lid, onder e, f en h”;

    • b.

      in onderdeel a wordt “1 januari 2022” vervangen door “1 januari 2023”;

    • c.

      in onderdeel b wordt “22 december 2021” vervangen door “22 december 2022.”

G.

 

Artikel 2.7 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    Onderdeel a komt te luiden:

    • a.

      de kosten van verwerving voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4, onder a tot en met d en de waardevermindering door functiewijzing voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4, onder d, tot een maximum van de CBS-regioprijs per hectare, opgenomen in bijlage 5 bij deze regeling;

  • 2.

    Onderdeel c komt te luiden:

    • c.

      de waardevermindering door functiewijziging voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4, onder a tot en met c, gebaseerd op de in opdracht van de provincie Noord-Brabant door twee onafhankelijke taxateurs uitgevoerde taxatie van de marktwaarde van het perceel, tot een maximum van 150% van de CBS-regioprijs per hectare, opgenomen in bijlage 5 bij deze regeling;

H.

 

In artikel 2.8, onder b, wordt “onderdeel c, onder 2° tot en met 10°” vervangen door “onderdeel e, onder 2° tot en met 10°”.

 

I.

 

In artikel 3.16 wordt “artikel 1.4” vervangen door “artikel 3.4”.

 

J.

 

Artikel 4.4 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    In onderdeel e wordt “LIFE-verordening 2014-2020” vervangen door “LIFE-verordening 2021-2027”.

  • 2.

    In onderdeel f wordt “Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020” vervangen door “Plattelandsontwikkelingsprogramma”.

  • 3.

    Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een puntkomma wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

    • g.

      het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid – Nationaal Strategisch Plan (GLB-NSP).

K.

 

Artikel 4.6, onder a, wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    In onderdeel 5° wordt “LIFE-verordening 2014-2020” vervangen door “LIFE-verordening 2021-2027”.

  • 2.

    In onderdeel 6°wordt “Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020” vervangen door “Plattelandsontwikkelingsprogramma”.

  • 3.

    Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

    • 7°.

      het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid – Nationaal Strategisch Plan (GLB-NSP);

L.

In artikel 4.10 wordt “€ 200.000” vervangen door “€ 300.000”.

 

M.

 

Onder vernummering van artikel 5.2 tot artikel 5.3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5.2 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2020.

 

N.

 

Bijlage 3 behorende bij Subsidieregeling realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant wordt vervangen door bijlage 1 behorende bij deze regeling.

Artikel II Overgangsrecht

Op subsidieaanvragen als bedoeld in paragraaf 1 van de Subsidieregeling realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant, die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling en die nog niet zijn vastgesteld, blijft artikel 1.13 van de Subsidieregeling realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant, zoals die luidde de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, van toepassing.

Artikel III Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van artikel I, onder C, dat in werking treedt op 1 mei 2022.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, treedt artikel I, onder C, in werking op 1 januari 2023 voor subsidieaanvragers die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling beschikken over een getekende kavelruilovereenkomst.

’s-Hertogenbosch, 14 december 2021

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter,

mr. I.R. Adema

de secretaris,

drs. M.J.A. van Bijnen MBA

Bijlage 1 behorende bij artikel I, onder N van de Vijfde wijziging Subsidieregeling realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant

Bijlage 3 behorende bij artikel 1.6, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, artikel 1.13, vijfde lid, en artikel 1.17, onder b, van de Subsidieregeling realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant.

 

Inrichtingskosten inclusief BTW, per ha, per natuurbeheertype en ONNB, met aanduiding hoogwaardige natuurbeheertypen

Natuurbeheertype

Hoogwaardig

Inrichtingskosten per ha

Lumpsumbedragen per ha (50%)

Beek en bron

x

€ 38.268

€ 19.134

Kranswierwater

x

€ 35.848

€ 17.924

Zoete plas

x

€ 35.848

€ 17.924

Moeras

x

€ 33.212

€ 16.606

Gemaaid rietland

x

€ 33.212

€ 16.606

Veenmosrietland en moerasheide

x

€ 15.592

€ 7.796

Trilveen

x

€ 45.652

€ 22.826

Hoogveen

x

€ 26.310

€ 13.155

Vochtige heide

x

€ 26.206

€ 13.103

Zwakgebufferd ven

x

€ 35.658

€ 17.829

Zuur ven of hoogveenven

x

€ 35.658

€ 17.829

Droge heide

x

€ 26.224

€ 13.112

Nat schraalland

x

€ 30.992

€ 15.497

Vochtig hooiland

x

€ 30.994

€ 15.497

Droog schraalgrasland

x

€ 22.638

€ 11.319

Bloemdijk

x

€ 9.764

€ 4.882

Kruiden- en faunarijk grasland

€ 5.582

€ 2.791

Glanshaverhooiland

x

€ 13.362

€ 6.681

Zilt- en overstromingsgrasland

x

€ 13.648

€ 6.824

Kruiden- en faunarijke akker

€ 7.086

€ 3.543

Ruigteveld

€ 4.366

€ 2.183

Vochtig weidevogelgrasland

x

€ 4.232

€ 2.116

Rivier- en beekbegeleidend bos

x

€ 7.772

€ 3.886

Hoog- en laagveenbos

x

€ 17.306

€ 8.653

Haagbeuken- en essenbos

x

€ 16.926

€ 8.463

Dennen- eiken en beukenbos

x

€ 16.926

€ 8.463

Droog bos met productie

€ 16.926

€ 8.463

Vochtig bos met productie

€ 16.604

€ 8.302

Aanvullende hydrologische inrichting tbv wijst

€ 5.000

€ 2.500

ONNB

Bij inrichting voor ONNB wordt aangesloten bij het meest gelijkende natuurbeheertype

 

Toelichting behorende bij de Vijfde wijziging Subsidieregeling realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant

I. Algemeen

 

De Subsidieregeling realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant is voor wat betreft functiewijziging en inrichting NNB, niet zijnde EVZ`s, uit het oogpunt van technische parameters, doelgroepen, voorwerp van de steun en intentie, identiek aan de maatregelen die eerder door de Commissie zijn goedgekeurd in het kader van de steunregelingen SA.48351(2017/N) (Model-subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap), met dien verstande dat er op onderdelen enkele aanvullingen zijn, die evenwel niet staatssteun relevant worden geacht.

 

Bij besluit van 10 maart 2021 heeft de Europese Commissie, onder nummer SA.59463 (2020/N), de Wijziging van de Model-subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap (SKNL 2020) goedgekeurd. In dit gewijzigde model is de methode voor berekening van de in aanmerking komende kosten voor functiewijziging opgenomen. Uitgangspunt is dat de werkelijke waardedaling van de grond wordt gesubsidieerd. Gezien de diversiteit aan verschillende natuurbeheertypen zal de restwaarde van een perceel, als het eenmaal conform een bepaald natuurbeheertype is ingericht, verschillend zijn en niet een standaard percentage van de marktwaarde voor inrichting. In deze wijzigingsregeling is de berekening van de voor subsidie in aanmerking komende kosten daarom aangepast, om de reële eindwaarde (werkelijke waarde) te weerspiegelen en ziet er als volgt uit:

  • -

    De waarde van de grond voor omzetting wordt getaxeerd

  • -

    De waarde van de grond na omzetting en dus na natuurrealisatie wordt getaxeerd

  • -

    In aanmerking komt het verschil tussen deze beide waarden.

Deze nieuwe berekeningsmethode is overeenkomstig het Model SKNL 2020 zoals dat door de Europese Commissie is goedgekeurd. Met het oog op een gelijke behandeling is deze berekeningssystematiek ook doorgevoerd voor aanvragen die betrekking hebben op grondverwerving.

 

II. Artikelsgewijs

 

Artikel I (Wijziging Subsidieregeling realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant)

 

Onder A (artikel 1.6, eerste lid, onder j)

Bij aanvragen die betrekking hebben op een complex PAS-gebied of een voor PAS benodigd perceel is het waterschap zelf verantwoordelijk voor de planvorming en is de vereiste verklaring van het waterschap derhalve overbodig.

 

Onder B (artikel 1.9, onder a)

Dit onderdeel is ingevoegd om daarmee duidelijk te maken dat bij toevoeging aan het NNB altijd sprake moet zijn van een ecologische meerwaarde en een versterking van het NNB als geheel.

 

Onder C (artikel 1.13 Subsidiabele kosten)

Eerste lid, onder a, en tweede lid, onder a, Waardevermindering door functiewijziging en regioprijs

Bij grondverwerving en functiewijziging komen de kosten met betrekking tot de waardevermindering van de grond door functiewijziging voor subsidie in aanmerking. Deze wordt berekend op basis van de marktwaarde van de grond voor functiewijziging, verminderd met de marktwaarde van de grond na de functiewijziging.

 

De taxaties worden in opdracht van de provincie uitgevoerd door twee onafhankelijke taxateurs, waarmee gecertificeerde taxateurs bedoeld zijn. De taxatie kan al plaatsvinden bij de voorbereiding van de aanvraag, waarbij de grond wordt getaxeerd op de waarde van dat moment. Zijn er voorafgaand aan de taxatie al handelingen verricht waardoor de grond minder waard is geworden, komt dat voor rekening van de aanvrager. Ook kan het zijn dat de te verwerven grond na de taxatie in waarde is gestegen. Ook hiervoor geldt dat de getaxeerde waarde blijft gelden en dat de meerprijs voor rekening van de aanvrager komt. Het is niet mogelijk om het subsidiebedrag dat is opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening door middel van het wijzigen van die beschikking te verhogen.

In bepaalde situaties kan de getaxeerde waarde van de grond fors afwijken van de waarde van de grond bij een reguliere agrarische bestemming. Daardoor ontstaat erg dure natuur. Daarom is het wenselijk de hoogte van de subsidiabele kosten te maximeren tot 150%van de regioprijs.

 

Eerste lid, onder b, tweede lid, onder b, en derde lid, Bijkomende kosten

Hierbij valt te denken aan:

  • de kosten die verbonden zijn aan het vrijmaken van het terrein van pacht, opstal, erfdienstbaarheid, vruchtgebruik of erfpacht;

  • de kosten voor het kadastraal recht en het registratierecht;

  • veilingkosten;

  • notariskosten, waaronder mede wordt verstaan de kosten van het opmaken van de notariële akte;

  • de kosten van inschrijving in de openbare registers;

  • overdrachtsbelasting voor zover geen kwijtschelding of vermindering wordt verleend;

  • schenkingsrecht, voor zover geen kwijtschelding of vermindering wordt verleend;

  • het afkoopbedrag van de landinrichtingsrente voor zover die rust op het verworven terrein;

  • kosten voor bodemonderzoek;

  • kosten van het wegwerken van het ten tijde van de verwerving aanwezige achterstalligonderhoud om de gronden te kunnen beheren;

  • kosten verbonden aan het verlies bij verkoop of sloop van gebouwen;

  • taxatie- en bemiddelingskosten.

De bijkomende kosten zijn slechts subsidiabel tot een vast lumpsumpercentage van 2,5%, respectievelijk 4,25%, van de verwervingskosten. Dit lumpsumpercentage is gebaseerd op ervaringsgegevens in de praktijk. Gelet op het geringe percentage zijn Gedeputeerde Staten van oordeel dat er geen sprake kan zijn van overcompensatie.

 

Om te voorkomen dat door initiatiefnemers, juist vanwege de vergoeding van die kosten bij verwerving, voor iedere separate aankoop een subsidieaanvraag wordt ingediend, is het wenselijk deze kosten ook bij functiewijziging te vergoeden. Hiermee wordt gestimuleerd dat initiatiefnemers, daar waar nodig of wenselijk, zelf actiefgrond verwerven en vervolgens voor een heel gebied een subsidieaanvraag voor functiewijziging, inclusief inrichtingsplan, indienen. Door op te nemen dat deze bijkomende kosten enkel worden vergoed indien de grond uiterlijk drie jaar voor indiening van de subsidie aanvraag is verworven, wordt voorkomen dat het gronden betreft die al lang op naam staan.

 

Eerste lid, onder c, tweede lid, onder c, en derde lid, Maximum

Om te voorkomen dat de te subsidiëren kosten meer bedragen dan waarvoor door Provinciale Staten middelen beschikbaar zijn gesteld, is een maximum van 50%, respectievelijk 85%, van de marktwaarde voor realisatie opgenomen waarmee in de business-case van Groen Ontwikkelfonds Brabant rekening is gehouden.

 

Vierde lid, Afwijking ONNB

Bij gebruikmaking van de systematiek van het Ondernemend Natuurnetwerk Brabant is geen sprake van een juridisch/planologische functiewijziging van agrarisch naar natuur maar worden de bedrijfsactiviteiten gecombineerd met de aanleg en instandhouding van nieuwe natuur. Daarom worden de kosten met betrekking tot de waardevermindering van de grond, in afwijking van het eerste lid, onder a en het tweede lid, onder a, berekend op basis van de marktwaarde van de grond voor de inrichting als natuur en zijn deze voor 50% subsidiabel.

 

Vijfde lid, Lumpsumbedragen

 

De normkosten inrichting zijn gebaseerd op een berekening met de Standaard Systematiek Kostenramingen (SKK). Dit is een landelijk erkende ramingssystematiek, die ontwikkeldis door overheden en andere organisaties, zoals Rijkswaterstaat, Prorail, Gemeentewerken Rotterdam. De SSK geeft handvatten om goede prognoses van kosten te maken.

 

De onderdelen van het NNB zijn ingedeeld volgens de Index Natuur en Landschap. Hierin zijn de typen natuur, agrarische natuur en landschap beschreven die we in Nederland kennen en de basis vormen voor de natuurbeheerplannen van de provincies.

 

De normkosten inrichting zijn berekend op het niveau van beheertypen. Voor de berekening van de normkosten van de beheertypen is het noodzakelijk te weten welke specifieke maatregelen moeten worden toegepast bij het realiseren van een beheertype. Aan de hand van representatieve projecten (vanaf 2001 tot 2009) in de regio’s Oost, West, Noord en Zuid zijn deze maatregelen bepaald. Op basis daarvan zijn in 2009 de normkosten per regio vastgesteld.

 

De normkosten betreffen kosten voor het door derden laten opstellen van het projectplan, maatregelen voor herstel of aanleg van landschappelijke elementen, maatregelen gericht op de wijziging van de waterhuishouding, grondverzet, het plaatsen van een raster, afvoer van grond, de verwijdering van opstallen, de verwijdering van begroeiing en beplanting, maatregelen tot wijziging van de feitelijke bereikbaarheid van een natuurterrein, waaronder in ieder geval is begrepen de aanleg of het herstel van wegen en paden en overige maatregelen voor zover noodzakelijk in verband met de desbetreffende investering.

 

In de normkosten zijn de volgende kostensoorten niet meegenomen: kosten voor de verwijdering van bodemverontreiniging of afval, kosten voor de bouw van opstallen, kosten voorde aanschaf van machines, kosten voor de aanschaf of plaatsing van recreatieve voorzieningen, kosten voor de aanleg van parkeergelegenheid, kosten voor het wegwerken van achterstalligonderhoud en kosten voor de aanschaf van materialen, anders dan ten behoeve van het treffen van maatregelen die noodzakelijk zijn in verband met de desbetreffende investering. Deze kosten worden als niet subsidiabel beschouwd.

 

De systematiek van de normkostenberekening uit 2009 wordt nog steeds gebruikt. Verwezen wordt naar het rapport Instrumentarium Kosten Natuurbeleid 2018 (IKN), dat is ontwikkeld door Wageningen Economic Research om de kosten van de uitvoering van natuurbeleid te kunnen doorrekenen. Het IKN borduurt grotendeels voort op het Eindrapport Berekening Normkosten Inrichting met de SSK.

 

IKN is door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) gebruikt in diverse beleidsproducten, waaronder de Natuurverkenning 2010 - 2040. Voor de inzetbaarheid van het instrumentarium voor huidige en toekomstige producten is de betrouwbaarheid en validiteit van de berekende uitkomsten van groot belang. Om deze reden worden de instrumenten en modellen die door het PBL gebruikt worden gecertificeerd.

 

In de periode van de vaststelling van Brabant Uitnodigend Groen, het Decentralisatie-akkoord Natuur en de omvorming van het Natuurgebiedsplan naar het Natuurbeheerplan (2012-2014) is discussie gevoerd over de hoogte van de normkosten voor inrichting. Deze discussie heeft er o.a. toe geleid dat de provincie Noord-Brabant een generieke korting van30% heeft toegepast op de vastgestelde normkosten.

 

In het kader van deze subsidieregeling komt 50 % van deze bijgestelde normkosten voorsubsidie in aanmerking. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de inrichtingskosten reëel zijn en dat van staatssteun geen sprake is, nu slechts 50% wordt gesubsidieerd.

 

Waar het betreft de inrichting van het ONNB, geldt dat op grond van het DAEB-vrijstellingsbesluit de inrichtingskosten berekend dienen te worden aan de hand van algemeen aanvaarde beginselen van kostprijsadministratie. Gelet op het bovenstaande zijn Gedeputeerde Staten van mening dat de lumpsumbedragen als zodanig kunnen worden aangemerkt.

 

Onder M (artikel 5.2)

Artikel 5.2 wordt hernummerd tot artikel 5.3 om een nieuw artikel 5.2 te kunnen invoegen dat per abuis bij een vorige wijziging was weggevallen.

 

Onder N (bijlage 3)

In de tabel is het natuurbeheertype Trilveen toegevoegd, met de daarbij behorende inrichtingskosten per ha en de aanduiding dat het een zogenaamd hoogwaardig natuurbeheertype betreft.

 

Artikel II Overgangsrecht

Op subsidieaanvragen op grond van paragraaf 1, die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling en die nog niet zijn vastgesteld, blijft artikel 1.13 van toepassing zoals dat luidde de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling. Aanvragers hebben zich bij het voorbereiden en indienen van hun subsidieaanvraag immers gebaseerd op de regeling zoals die op dat moment gold.

 

Artikel III Inwerkingtreding

Rondom de realisering van het NNB zijn er veel langlopende processen zoals grondaankopen en grondverkopen en kavelruilen. In die processen zijn vaak al toezeggingen gedaan of is het vertrouwen gewekt dat vergoeding zal plaatsvinden op basis van de marktwaarde van de grond voor de functiewijziging, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling. Daarom treedt onderdeel C, dat betrekking heeft op artikel 1.13, op 1 mei 2022 in werking en voor subsidieaanvragers die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling over een getekende kavelruilovereenkomst beschikken pas op 1 januari 2023.

 

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

 

de voorzitter,

mr. I.R. Adema

 

de secretaris,

drs. M.J.A. van Bijnen MBA

Naar boven