Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,
overwegende, dat zij op 11 mei 2022 een verkeersbesluit hebben genomen in verband met het reguleren van het innemen van ligplaatsen in het Aarkanaal (kenmerk: PZH-2022-805559853);
dat dit verkeersbesluit toeziet op het verbod om langs de oevers van het Aarkanaal tussen km 0.000 en km 11.000 een ligplaats in te nemen;
dat in genoemd besluit diverse ligplaatsvakken zijn aangewezen waar onder voorwaarden een ligplaats mag worden ingenomen;
dat tussen km 0.600 en km 0.700 een ligplaatsvak is aangewezen ten behoeve van werkschepen welke in opdracht van de provincie Zuid-Holland werkzaamheden uitvoeren;
dat zowel de provincie als de aannemer belast met dagelijks beheer en onderhoud het noodzakelijk achten om een walstroomvoorziening te realiseren bij het ligplaatsvak;
dat deze voorziening ervoor zorgt dat de aannemer elektrisch aangedreven of hybride schepen kan inzetten ten behoeve van zijn werkzaamheden;
dat uit nader onderzoek is gebleken dat het noodzakelijk is om, ten behoeve van de aanleg van deze walstroomvoorziening, het ligplaatsvak te verplaatsen;
dat tussen km 0.350 en km 0.450 een locatie geschikt is bevonden voor zowel het nautisch verantwoord afmeren van de werkschepen als het realiseren van de walstroomvoorziening;
dat de onderhoudsaannemer ter plaatse zelf afmeervoorzieningen aanbrengt om de instandhouding van de oeverconstructie te waarborgen;
dat de huidige ligplaats voor de werkschepen, tussen km 0.600 en 0.700, bij het aangrenzende ligplaatsvak ten behoeve van afmeren door de recreatievaart, tussen km 0.700 en km 1.200, wordt getrokken;
gelet op het bepaalde in de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement (BPR), het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer, alsmede het door hun college vastgestelde Mandaatbesluit van Gedeputeerde Staten voor de provinciale organisatie 2022;
BESLUITEN: