1e partiële wijziging Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2023

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant;

 

Gelet op artikel 7 van de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap Noord-Brabant en artikel 2.1 van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant en het Besluit Subsidieregeling Natuur- en landschap 2016;

 

Overwegende dat jaarlijks verzoeken ingediend kunnen worden tot wijziging van het natuurbeheertype of het ambitietype zoals dat voor een perceel is vastgelegd in het Natuurbeheerplan;

 

Overwegende dat jaarlijks fouten worden gecorrigeerd en dat periodiek de begrenzing van het Natuurbeheerplan wordt aangepast aan de wijzigingen die vanuit het ruimtelijke spoor hebben plaatsgevonden in het Natuur Netwerk Brabant (NNB, dit is de voormalige EHS en EVZ).

 

Besluiten vast te stellen,

Artikel I Wijziging van het natuurbeheertype op verzoek van externe organisaties of personen.

besluiten:

het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2023 overeenkomstig de bijbehorende stukken opgenomen als tekstbijlage en kaartbijlage gewijzigd vast te stellen.

 

Art. 1.1 (nr. 1) Algemeen. Brabants Landschap. Wijzigingen beheertypenkaart en ambitiekaart beheergebied

 

Het Brabants Landschap verzoekt om een aantal wijzigingen van de beheertypenkaart en ambitiekaart door te voeren. Het betreft 865 wijzigingen. De wijzigingen zijn onder te verdelen in een aantal categorieën:

  • a.

    Wijzigingen van natuurbeheertypen binnen de bestaande en nieuwe natuur.

  • b.

    Aanpassing van natuurbeheertypen naar landschapselementtypen in bestaande natuur.

  • c.

    Aanpassing van natuurbeheertypen naar landschapselementtypen in nieuwe natuur of bestaande natuur natuurcompensatie.

  • d.

    Wijziging van percelen met een beheertype naar het type N00.01 Nog om te vormen landbouwgrond naar natuur met als reden het nog moeten inrichten van het perceel.

Reactie GS:

Ad a. Wij stemmen in met deze wijzigingsverzoeken. Door de aanvrager is in detail gekeken naar de haalbaarheid van de natuurbeheertypen waarbij zowel een wijziging naar lichtere als naar zwaardere natuurbeheertypen wordt voorgesteld. Hierdoor is er geen sprake van een significante toename of afname van beheerkosten. In totaal gaat het om een oppervlakte van 2780 ha waaronder bijvoorbeeld zo’n 1200 ha bij het Markiezaatsmeer dat verandert van N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland en N04.02 Zoete Plas naar het beter passende type N01.03 Rivier- en moeraslandschap.

 

Ad b. Dit verzoek wordt afgewezen. De provincie heeft als beleid dat er geen landschapselementen worden begrensd als er al sprake is van bestaande natuur.

 

Ad c. Dit verzoek wordt toegekend. De provincie begrenst gerealiseerde landschapselementen die binnen de nieuwe natuur of bestaande natuur natuurcompensatie liggen en stelt deze open voor beheervergoeding. In totaal gaat het om een oppervlakte van 45 ha. Er is in de begroting van de SNL-beheersubsidie rekening gehouden met een aanwas van ingerichte nieuwe natuur.

 

Ad d. Dit verzoek wordt in zijn geheel afgewezen en bestaat uit verschillende categorieën:

  • In enkele gevallen betreft het inderdaad nog in te richten percelen of delen van percelen. Omdat wij ervan uit gaan dat het Brabants Landschap aanspraak wil maken op een inrichtingssubsidie via het GOB, laten wij de afweging tot subsidiëring bij het GOB. De ambitiekaart en beheertypenkaart worden daarbij op verzoek van het GOB aangepast.

  • Enkele percelen staan als ingericht op de kaart, omdat deze in het kader van de jaarlijkse voortgangsrapportage als gereed zijn aangemeld. Inrichtingssubsidies zijn reeds uitgekeerd of percelen zijn ingericht binnen de Landinrichtingsprojecten en zijn als gerealiseerd opgegeven in provinciale en landelijke rapportages. Een aanvraag voor ecologische kwaliteitsverbetering is mogelijk via de subsidieregeling Leefgebieden.

Wij hebben de ambitiekaart en de beheertypenkaart gewijzigd.

 

Art. 1.2 (nr. 2) Algemeen. Natuurcollectief Brabant. Wijziging bostypen landgoederen

 

Het Natuurcollectief Brabant verzoekt voor de eigenaren van de landgoederen ’s Heerenvijvers, Klein Luchtenburg, Notsel en den Eikenhorst om een wijziging van het natuurbeheertype en het ambitietype van de productiebossen N16.03 Droog bos met productie en N16.04 Vochtig bos met productie naar N15.02 Dennen-, eiken-, en beukenbos.

 

Reactie GS:

De eigenaren van de landgoederen willen de natuurwaarde en de diversiteit van hun bospercelen verhogen. Hiervoor vindt nauwelijks nog productie uit houtoogst plaats. Door middel van dunning, aanplant en natuurlijke verjonging wordt het bos omgevormd naar een natuurlijker bostype. Uiteindelijk zal dit resulteren in een verbetering van de bosbodem en het ontstaan van een klimaatbestendiger bos. Wij wijzigen de natuurbeheertypen van de productiebossen naar N15.02 Dennen-, eiken-, en beukenbos.

 

Wij hebben de ambitiekaart en de beheertypenkaart gewijzigd.

 

Art. 1.3 (nr. 3) Algemeen. Staatsbosbeheer. Wijziging beheertypenkaart en ambitiekaart

 

Staatsbosbeheer verzoekt om een aantal wijzigingen van de beheertypenkaart en ambitiekaart door te voeren. Het betreft 41 wijzigingen met een oppervlakte van 28 ha. De wijzigingen zijn onder te verdelen in een tweetal categorieën:

  • a.

    Wijzigingen van natuurbeheertypen binnen bestaande en nieuwe natuur.

  • b.

    Aanpassing van natuurbeheertypen naar landschapselementtypen in nieuwe natuur.

Reactie GS:

Ad a. Wij stemmen in met deze wijzigingsverzoeken. Er is door Staatsbosbeheer gekeken naar de haalbaarheid van de natuurbeheertypen, waarbij zowel een wijziging naar lichtere als zwaardere natuurbeheertypen wordt voorgesteld. Hierdoor is er geen sprake van een significante toename of afname van beheerkosten. In totaal gaat het om een oppervlakte van 27 ha.

Ad b. Dit verzoek wordt toegekend. De provincie begrenst landschapselementen die binnen nieuwe natuur worden gerealiseerd en stelt deze open voor beheervergoeding. In totaal gaat het om een oppervlakte van ongeveer 0,5 ha.

 

Wij hebben de ambitiekaart en de beheertypenkaart gewijzigd.

 

Art. 1.4 (nr. 4) Gemeente Alphen-Chaam. Wijziging beheertypen en ambitietypen Landgoed de Hoevens

 

Landgoed de Hoevens verzoekt om voor delen van de percelen GLE01 H30, GLE01 H29 en GLE01 H80 de ambitiekaart en de beheertypenkaart te wijzigen van N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland naar N10.02 Vochtig hooiland. Met een subsidiebijdrage vanuit de Subsidieregeling Versneld Natuurherstel (RVO) zullen inrichtingsmaatregelen worden genomen (o.a. het afgraven van de bouwvoor op basis van fosfaatonderzoek om de diepte te bepalen) om de juiste uitgangssituatie te realiseren voor ontwikkeling richting N10.02 Vochtig hooiland.

 

Reactie GS:

Wij stemmen in met deze wijziging. Er wordt met het afgraven een goede maatregel getroffen om de omstandigheden voor vochtig hooiland te creëren. Ook het beheer volgend op deze maatregelen is van belang. Daarom wijzigen wij ook de beheertypenkaart. Op deze manier is het beheer duurzaam gegarandeerd en wordt daarmee de kans vergroot tot de ontwikkeling van hoogwaardige natuur op deze locatie die deels binnen het N2000 gebied Regte Heide & Riels Laag is gelegen.

Wij hebben de ambitiekaart en de beheertypenkaart gewijzigd.

 

Art. 1.5 (nr. 5) Gemeente Bergen op Zoom. Wijziging bostype

 

De eigenaar van perceel BGN01 L299 verzoekt om op een deel van dit perceel de beheertypenkaart en de ambitiekaart te wijzigen van N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos naar N16.03 Droog bos met productie. Het betreft hier een perceel met fijnsparren die door de vorige eigenaar in het verleden zijn aangeplant ten behoeve van de verkoop van kerstbomen.

 

Reactie GS:

Wij stemmen in met de voorgestelde wijziging van de beheertypenkaart en de ambitiekaart. Op de luchtfoto is duidelijk zichtbaar dat op het perceel naaldbomen aanwezig zijn.

 

Wij hebben de ambitiekaart en de beheertypenkaart gewijzigd.

 

Art. 1.6 (nr. 6) Gemeente Bernheze. Natuurcollectief Brabant. Subsidiabiliteit Landgoed de Berkt

 

Het Natuurcollectief Brabant wijst ons erop dat op perceel HEE02 F814 een deel van het Kruiden- en faunarijk grasland op Landgoed de Berkt op de beheertypenkaart als subsidiabel voor natuurbeheer is opengesteld. Dit is in conflict met de oppervlakte van het landgoed onder de landgoederenregeling. Verzocht wordt dit deel van het perceel als niet subsidiabel voor beheervergoeding aan te geven.

 

Reactie GS:

Wij hebben ten onrechte dit deel van perceel HEE02 F814 opengesteld voor beheervergoeding. Wij herstellen dat bij deze. Wij hebben het label subsidiabel nee aangebracht.

 

Art. 1.7 (nr. 7) Gemeente Best en Son en Breugel. Bosgroep Zuid Nederland. Wijziging beheertypenkaart en ambitiekaart Nieuwe Heide en Oud Meer

 

Bosgroep Zuid Nederland verzoekt namens gemeente Best om een aanpassing van de ambitiekaart van de bossen in Nieuwe Heide noord van N16.03 Droog bos met productie naar N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos en N07.01 Droge heide. Namens gemeente Son en Breugel wordt verzocht om een aanpassing van de ambitiekaart voor het bosgebied Nieuwe Heide aan de Bestseweg van N16.03 Droog bos met productie naar N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos en om een wijziging van de beheertypenkaart rondom het Oud Meer van N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos naar N16.03 Droog bos met productie. Voor het gehele bos- en natuurcomplex in eigendom van de beide gemeenten is een ontwikkelingsvisie opgesteld waarbij er in grotere delen zal worden ingezet op de ontwikkeling van natuurbossen met het daarbij behorende hydrologische herstel.

 

Reactie GS:

Wij stemmen in met dit wijzigingsvoorstel. Er is recent een ontwikkelingsvisie opgesteld om te komen tot systeemherstel waarmee de gemeenten een impuls hopen te geven aan de biodiversiteit van de bossen. Er zijn grotere delen natuurbos aangewezen waar hydrologische maatregelen zullen plaatsvinden. Ook zullen er rijkstrooiselsoorten worden aangeplant en zal omvorming plaatsvinden naar inheems loofbos. Een aantal kleinere heideterreinen en vennen zullen robuust worden verbonden met de grotere nog bestaande heidekern. Het wijzigen van de beheertypenkaart naar N16.03 vindt plaats omdat deze bossen in het verleden permanent werden begraasd door runderen. Deze bosbegrazing heeft niet tot een positieve ontwikkeling geleid en de huidige bossamenstelling bestaat voor een groot deel uit exoten. Tevens zijn de kansen voor hydrologisch herstel ten noorden van het Oud Meer niet gunstig waardoor de lange termijn ontwikkeling van natuurbos op deze locatie slechts marginaal zou zijn.

 

Wij hebben de ambitiekaart en de beheertypenkaart gewijzigd.

 

Art. 1.8 (nr. 8) Gemeente Breda. Kaartopschoning Ulvenhoutse bos ter hoogte van Landgoed Wolfslaar

 

De gemeente Breda geeft aan dat er geen opgave voor verwerving of inrichting ligt in de omgeving van Landgoed Wolfslaar. Op het perceel GNK02 D2931 ligt momenteel een op het oog onlogische opgave nog in te richten NNB van ongeveer 950 m2. Verzocht wordt dit perceel als ingericht op de beheertypenkaart op te nemen.

 

Reactie GS:

Wij stemmen in met dit wijzigingsvoorstel. Het perceel wordt inderdaad identiek aan het omliggende natuurterrein beheerd. Wij wijzigen de beheertypenkaart van N00.01 Nog om te vormen landbouwgrond naar natuur naar N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland en stellen het perceel open voor beheervergoeding.

 

Wij hebben de beheertypenkaart gewijzigd en het label subsidiabel ja aangebracht.

 

Art. 1.9 (nr. 9) Gemeente Breda. Verwijderen aanduiding gerealiseerde EVZ

 

De gemeente Breda verzoekt om het perceel PCH00 L2424 op de beheertypenkaart en de subsidiekaart van het GOB te wijzigen van ‘verworven en ingericht’ naar ‘nog in te richten’. Het perceel blijkt onterecht als een gerealiseerde EVZ op de kaart te zijn gekomen. Het perceel moet in werkelijkheid nog ingericht worden.

 

Reactie GS:

Wij stemmen in met dit wijzigingsvoorstel. Het perceel is inderdaad zonder onderbouwing als gerealiseerd op de EVZ kaart terecht gekomen. Wij wijzigen de beheertypenkaart van N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland naar N00.01 Nog om te vormen landbouwgrond naar natuur.

 

Wij hebben de beheertypenkaart gewijzigd.

 

Art. 1.10 (nr. 10) Gemeente Cranendonck. Natuurcollectief Brabant. Percelen Meulenbroeks - Groote Beerze inrichting gereed

 

Het Natuurcollectief Brabant verzoekt om de percelen BDL01 L171 en HGL04 K63 als ingericht op de beheertypenkaart aan te geven. De percelen zijn ingericht als N10.02 Vochtig hooiland.

 

Reactie GS:

Waterschap de Dommel heeft de betreffende percelen ingericht. Zij geven aan dat inrichting als N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland heeft plaatsgevonden, niet als N10.02 Vochtig hooiland. De percelen zijn in gebruik geweest als reguliere akker en daardoor nog rijk aan meststoffen. Bovendien is de huidige vegetatie zeer soortenarm. Wij nemen de percelen dan ook op als ingericht Kruiden- en faunarijk grasland. Recent is een meander van de Groote Beerze gerealiseerd over de percelen. De verwachting is dat dit tot een stijging van het grondwaterpeil zal leiden en daarmee op termijn mogelijk tot omstandigheden die de ontwikkeling van vochtig hooiland kunnen opleveren. Daarom nemen wij op de ambitiekaart wel N10.02 Vochtig hooiland op. Als landschapselementen zijn een L01.01 Poel, een rietzoom en een bomenrij aangelegd. Wij stellen de percelen en de poel open voor beheervergoeding.

 

Wij hebben de ambitiekaart en de beheertypenkaart gewijzigd en het label subsidiabel ja aangebracht.

 

Art. 1.11 (nr. 11) Gemeente ‘s-Hertogenbosch. Bosgroep Zuid Nederland. Wijziging beheertypenkaart en ambitiekaart

 

Bosgroep Zuid Nederland verzoekt namens gemeente ‘s-Hertogenbosch om een aanpassing van de beheertypenkaart en de ambitiekaart in de gebieden ‘Stuifzand Rosmalen’, ‘Mariabos’ en op Landgoed Eikenhorst. In het stuifzandgebied Rosmalen wordt verzocht om 2 kleine heiderelicten te wijzigen van N16.03 Droog bos met productie naar N07.01 Droge heide en om een aantal percelen te wijzigen van N16.03 Droog bos met productie naar N15.02 Dennen-, eiken-, en beukenbos. In het Mariaburgbos wordt verzocht om 4 kleine gebieden te wijzigen van N16.03 Droog bos met productie naar N07.01 Droge heide. Op Landgoed Eikenhorst wordt verzocht een ven te wijzigen van N16.04 Vochtig bos met productie naar N06.06 Zuur ven of hoogveenven.

 

Reactie GS:

Wij stemmen deels in met dit wijzigingsvoorstel. De 2 heiderelicten in het stuifzandgebied Rosmalen zijn restanten van grote aaneengesloten stuifzandgebieden ten oosten van ’s-Hertogenbosch. De terreinen worden als droge heide beheerd. Er wordt regelmatig opslag van struiken en bomen afgezet en de bosrand wordt teruggesnoeid om de heide open te houden. Enige jaren geleden is er kleinschalig geplagd. In het Mariaburgbos zijn de 4 heideterreintjes in 2011-2012 ontwikkeld door bos te kappen en te plaggen. De gebieden worden nu beheerd als droge heide. De heideterreinen in beide gebieden maken onderdeel uit van het resterende stuifzand en heidegebied ‘Hooge Heide’. Ze vormen stapstenen en verbindingszones voor soorten van heide, stuifzand en open bos. Hierdoor kunnen deze soorten over grotere gebieden migreren. Het ven op Landgoed Eikenhorst vormt samen met een ander ven en 2 poelen in het gebied stapstenen voor watergebonden flora en fauna, zoals libellen en amfibieën. Het ven waar het wijzigingsverzoek betrekking op heeft staat nu als bos op de beheertypenkaart, maar het betreft geen bos en staat wel als Zuur ven of hoogveenven op de ambitiekaart. Het betreft een ven dat voornamelijk regenwater gevoed is en vrijwel geen buffering kent van grondwater. Het beheer is gericht op het open houden van de venoevers en aangrenzend open terrein door opslag van bomen en struiken af te zetten. Hiermee wordt voorkomen dat het ven dicht groeit, er geen zonlicht meer in komt en er veel bladafval in waait.

 

Het verzoek om een aantal percelen in het stuifzandgebied Rosmalen te wijzigen van N16.03 Droog bos met productie naar N15.02 Dennen-, eiken-, en beukenbos wijzen wij af. Deze gebieden overlappen met de bestemming verkeer uit het vigerende bestemmingsplan. In het ontwerp Natuurbeheerplan 2024 zullen wij deze gebieden dan ook uit het NNB verwijderen.

Wij hebben de ambitiekaart en de beheertypenkaart gewijzigd.

 

Art. 1.12 (nr. 12) Gemeente Laarbeek. Bosgroep Zuid Nederland. Wijziging ambitiekaart Mariahoutsbos

 

Bosgroep Zuid Nederland verzoekt namens gemeente Laarbeek om voor de gemeentelijke bossen in delen van het Mariahoutsbos de ambitietypenkaart te wijzigen van N16.03 Droog bos met productie en N16.04 Vochtig bos met productie naar N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos. De groeiplaats en de huidige bosontwikkeling bieden hiervoor goede kansen.

 

Reactie GS:

Wij stemmen in met dit wijzigingsvoorstel. Gemeente Laarbeek wil, evenals de naastgelegen gemeente Meierijstad, de specifieke opstanden met ecologische waarden groeperen tot grotere robuuste eenheden gericht op natuurontwikkeling. Zo kunnen op termijn robuuste eenheden natuurbos worden gerealiseerd die als stapsteen fungeren en met elkaar verbonden zijn via ecologische verbindingszones. Het Mariahoutsbos bestaat uit een heideontginningsbos. Het huidige beheer is al gericht op het doorbreken van de vlaktegewijze opzet uit het verleden en de ontwikkeling van een gevarieerd, gemengd bos, zowel in soorten als leeftijden. Door middel van dunningen (met houtoogst) wordt de ontwikkeling gestuurd naar dit gemengde bos. Daarnaast heeft de gemeente al op beperkte schaal ontbrekende soorten en rijkstrooiselsoorten ingebracht om de ontwikkeling van het huidige pioniersbos naar een meer ontwikkeld loof- en gemengd bos te bespoedigen. De gemeente wil deze ontwikkelingen naar gevarieerde bossen doorzetten en een extra impuls geven. Hiermee wordt de bodemontwikkeling en biodiversiteit bevorderd. De bodem bestaat uit veldpodzolgronden, haarpodzolgronden en duinvaaggronden. Het gepaste ambitietype is dan ook N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos. De gradiënten komen momenteel nog niet tot uitdrukking. De gemeente wil deze gradiënten ontwikkelen door het inbrengen van ontbrekende en rijkstrooiselsoorten op geschikte plekken die deze gradiënten beter benadrukken. Dit zal de biodiversiteit ten goede komen.

 

Wij hebben de ambitiekaart gewijzigd.

 

Art. 1.13 (nr. 13) Gemeente Loon op Zand. Boscorridor Loonse en Drunense Duinen Huis ter Heide, inrichting gereed

 

Op Huis ter Heide is een ruiling op minnelijke basis goedgekeurd door de provincie Noord-Brabant. Door de ruiling wordt een aaneengesloten boscorridor mogelijk tussen de Loonse en Drunense Duinen en Huis ter Heide. De aangekochte percelen kunnen als ingericht N01.04 Zand- en kalklandschap op de beheertypenkaart worden opgenomen. De verkochte percelen worden weer landbouwkundig in gebruik genomen en worden als N00.01 Nog om te vormen landbouwgrond naar natuur op de beheertypenkaart opgenomen.

 

Reactie GS:

Op Huis ter Heide werkt Natuurmonumenten aan een robuuste verbinding tussen de Loonse en Drunense Duinen en Huis ter Heide. In het tussenliggende gebied zijn veel percelen verworven en deels aangeplant met bos. De overige NNB-gronden zijn voor een groot deel huiskavels die moeilijk te verwerven zijn. Een particuliere eigenaar was bereid enkele delen van zijn percelen te ruilen tegen een deelperceel in eigendom van Natuurmonumenten. Door de ruiling, met gesloten beurs, kan door inrichting van een robuuste houtwal een verbinding gemaakt worden met enkele bestaande bospercelen. Er komt daarmee een nagenoeg aaneengesloten boscorridor van de Loonse en Drunense Duinen naar Huis ter Heide.

 

Het betreft een grondruil waarbij 0,57 ha wordt geruild. Omdat het eigendom van Natuurmonumenten is verkregen met subsidie vanuit het Rijk worden de nieuw verworven deelpercelen niet opengesteld voor verwerving of inrichtingssubsidie, wel voor beheersubsidie.

 

Aankoop kadastraal perceel:

 

LOO00 I2546 (gedeeltelijk)

0.26 ha

LOO00 I2382 (gedeeltelijk)

0.05 ha

LOO00 I2383 (gedeeltelijk)

0.10 ha

LOO00 I2384 (gedeeltelijk)

0.16 ha

 

0.57 ha

 

Verkoop kadastraal perceel:

 

LOO00 I1990 (gedeeltelijk)

0.30 ha

LOO00 I1991 (gedeeltelijk)

0,27 ha

 

0.57 ha

 

 

Wij hebben de beheertypenkaart gewijzigd en het label subsidiabel ja aangebracht.

 

Art. 1.14 (nr. 14) Gemeente Meierijstad. Bosgroep Zuid Nederland. Wijziging ambitiekaart Eerdse Bergen, Goorse bossen, Hurkske en het Lijnt

 

Bosgroep Zuid Nederland verzoekt namens gemeente Meierijstad om voor de gemeentelijke bossen in delen van de Eerdse Bergen, Goorse bossen, Het Hurkske en het Lijnt de ambitietypenkaart te wijzigen van N16.03 Droog bos met productie en N16.04 Vochtig bos met productie naar N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos. De groeiplaats en de huidige bosontwikkeling bieden hiervoor goede kansen.

Reactie GS:

Wij stemmen in met dit wijzigingsvoorstel. Gemeente Meierijstad wil, evenals de naastgelegen gemeente Laarbeek, de specifieke opstanden met ecologische waarden groeperen tot grotere robuuste eenheden gericht op natuurontwikkeling. Zo kunnen op termijn robuuste eenheden natuurbos worden gerealiseerd in een intensief gebruikt landelijk gebied. Door middel van dunningen (met houtoogst) wordt de ontwikkeling gestuurd naar dit gemengde bos. Daarnaast heeft de gemeente al op beperkte schaal ontbrekende soorten en rijkstrooiselsoorten ingebracht om de ontwikkeling van het huidige pionierbos naar een meer ontwikkeld loof- en gemengd bos te bespoedigen. Ook zijn er hydrologisch maatregelen genomen om gebiedseigen water langer vast te houden en zal steenmeel worden toegepast om het tekort aan uitgespoelde mineralen aan te vullen. De gemeente wil deze ontwikkelingen naar gevarieerde bossen doorzetten en een extra impuls geven. Hiermee wordt de bodemontwikkeling en biodiversiteit bevorderd. De bodem bestaat overwegend uit veldpodzolgronden. Het gepaste ambitietype is dan ook N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos.

 

Wij hebben de ambitiekaart gewijzigd.

 

Art. 1.15 (nr. 15) Gemeente Meierijstad. Natuurcollectief Brabant. Project De Kuilen 1 Breugel, intekenen laan

 

Het Natuurcollectief Brabant verzoekt om op perceel ODR01 L756 een aangeplante L01.07 Laan op de rand tussen 2 graspercelen op de beheertypenkaart op te nemen. Deze laan was na de vaststelling van de inrichting door het GOB niet op de beheertypenkaart opgenomen.

 

Reactie GS:

Wij nemen de laan op op de beheertypenkaart en de ambitiekaart en stellen deze open voor beheervergoeding.

 

Wij hebben de ambitiekaart en de beheertypenkaart gewijzigd en het label subsidiabel ja aangebracht.

 

Art. 1.16 (nr. 16) Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten. Bosgroep Zuid Nederland. Wijziging ambitiekaart bospercelen

 

Bosgroep Zuid Nederland verzoekt namens gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten om een aanpassing van de ambitiekaart voor een aantal bospercelen. Deze percelen zijn in de 1e partiële wijziging van het Natuurbeheerplan 2022 gewijzigd wat betreft beheertype naar N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos. Het ambitietype is echter niet aangepast. Er wordt nu verzocht om ook het ambitietype te wijzigen naar N15.02. Daarnaast wordt verzocht een bosgebied N16.03 Droog bos met productie rondom een ven op perceel NNN00 C3909 op zowel de ambitiekaart als de beheertypenkaart te wijzigen naar N07.01 Droge heide. Het bos rondom het ven is enkele jaren geleden gekapt in het kader van venherstel.

 

Reactie GS:

Wij stemmen in met dit wijzigingsvoorstel. Wij nemen de bosgebieden ook op de ambitiekaart op als N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos. Het ven op perceel NNN00 C3909 is jaren geleden met provinciale subsidie hersteld. Het bos rondom het ven is destijds gekapt om een overgang te ontwikkelen van het ven, via vochtige heide naar droge heide. De heide heeft zich inmiddels goed ontwikkeld. Wij nemen het op als N07.01 Droge heide op de beheertypenkaart en de ambitiekaart.

 

Wij hebben de ambitiekaart en de beheertypenkaart gewijzigd.

 

Art. 1.17 (nr. 17) Gemeente Oss. Bosgroep Zuid Nederland. Wijziging beheertypenkaart en ambitiekaart natuurgebied zuidelijke geledingszone

 

Bosgroep Zuid Nederland verzoekt namens gemeente Oss om voor de gemeentelijke bossen in de zuidelijke geledingszone de ambitietypenkaart en de beheertypenkaart te wijzigen van N16.03 Droog bos met productie naar N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos. De bossen worden al beheerd met het oog op de ontwikkeling van een natuurlijker bos.

 

Reactie GS:

Wij stemmen in met dit wijzigingsvoorstel. Het beheer van de bossen is de afgelopen jaren al gericht op het verhogen van de natuurwaarden, variatie en inheemse boom- en struiksoorten. In het overgrote deel van de bospercelen is al een afwisseling van diverse boomsoorten en een mix van naald- en loofbomen aanwezig. Vrijwel alle percelen hebben een goede gelaagdheid ontwikkeld met een boomlaag, struiklaag, verjonging en kruidlaag en in enkele gevallen zelfs een tweede boomlaag. Daarnaast zijn er de afgelopen jaren in verschillende fasen inheemse schaduwboomsoorten en struiksoorten aangeplant, veelal met rijkstrooiselsoorten die een gunstige invloed hebben op de bodemontwikkeling en zuurgraad van de bodem. Ook zullen er nog maatregelen genomen worden zoals het toedienen van steenmeel om de bodem te verbeteren en de aanplant van inheemse rijkstrooiselsoorten voor revitalisering van het bos en om de bosontwikkeling richting een inheems climaxbos in gang te zetten.

 

Wij hebben de ambitiekaart en de beheertypenkaart gewijzigd.

 

Art. 1.18 (nr. 18) Gemeente Oss. Wijziging subsidiabiliteit perceel Meanderende Maas

 

In de Maasuiterwaarden is, binnen het project Meanderende Maas, een ruiling op minnelijke basis goedgekeurd door de provincie Noord-Brabant. Door deze ruiling kan perceel OSS00 Q71 als ingericht N01.03 Rivier- en moeraslandschap op de beheertypenkaart worden opgenomen.

 

Reactie GS:

De grondruil vindt plaats met gesloten beurs, er wordt natuur tegen natuur geruild. Door deze ruil worden verschillende projectdoelen gerealiseerd zoals extra rivier- en beekbegeleidend bos, dijkverbetering en kan een nevengeul aangelegd worden voor de KRW-doelstellingen. De aankoop betreft 2,45 ha (gedeelte OSS00 Q71) tegen verkoop van de deelpercelen OSS00 Q96 (1,67 ha) OSS00 Q104 (0,48 ha) en OSS00 Q105 (0,30 ha). De totale oppervlakte van de verkoop bedraagt eveneens 2,45 ha. Het aankoopperceel OSS00 Q71 komt door de aard van de ruiling in aanmerking voor beheersubsidie

 

Wij hebben de beheertypenkaart gewijzigd en het label subsidiabel ja aangebracht.

 

Art. 1.19 (nr. 19) Gemeente Reusel-de Mierden. Natuurcollectief Brabant. Project Natuurontwikkeling camping D’n Aanloop, inrichting gereed

 

Het Natuurcollectief Brabant verzoekt om de percelen MDE02 K1717 en K1759 als ingericht op de beheertypenkaart aan te geven. De percelen zijn ingericht als N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland, N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos en een L01.05 Knip- of scheerheg.

 

Reactie GS:

Wij stemmen in met de inrichting. De percelen liggen binnen Natte Natuurparel de Utrecht en grenzen aan het N2000 gebied Kempenland-west. Ze zijn gelegen in het beekdal van de Raamsloop, op de overgang tussen agrarisch gebied en natuur. Waterschap de Dommel heeft ten behoeve van beekherstel van de Reusel en de Raamsloop het grondwaterpeil op de betreffende percelen verhoogd en deze ingericht als Kruiden- en faunarijk grasland en bos. Hiermee vindt versterking van de natuurwaarden in het gebied plaats en wordt bijgedragen aan hydrologisch herstel van de Natte Natuurparel. Tevens wordt de agrarische structuur verbeterd, worden kansen voor toerisme en recreatie ontwikkeld en wordt de cultuurhistorie in het gebied behouden en beleefbaar gemaakt. De percelen en de knip- of scheerheg stellen wij open voor beheervergoeding.

Wij hebben de beheertypenkaart gewijzigd en het label subsidiabel ja aangebracht.

 

Art. 1.20 (nr. 20) Gemeente Vught. Bosgroep Zuid Nederland. Wijziging bostypen

 

Bosgroep Zuid Nederland verzoekt namens gemeente Vught om een aanpassing van de beheertypenkaart en de ambitiekaart van N16.03 Droog bos met productie naar N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos voor diverse bospercelen, onder andere rondom de IJzeren Man en het Kraaiengat.

 

Reactie GS:

Wij stemmen in met dit wijzigingsvoorstel. De bossen in de gemeente Vught worden natuurlijk beheerd. De laatste houtoogst heeft in 2014 plaatsgevonden. Sindsdien is het beheer gericht op het verhogen van de biodiversiteit, variatie, soortensamenstelling, structuur, leeftijd en gelaagdheid. Er is ruimte voor natuurlijke processen en het beheer is gericht op verhoging van het aandeel inheemse soorten.

 

Wij hebben de ambitiekaart en de beheertypenkaart gewijzigd.

 

Art. 1.21 (nr. 21) Gemeente Waalwijk. Natuurcollectief Brabant. Inrichting PAS-perceel gereed

 

Het Natuurcollectief Brabant verzoekt om delen van de percelen CPL02 H881 en H883 als ingericht op de beheertypenkaart op te nemen. De percelen zijn ingericht als N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland.

 

Reactie GS:

Het perceel maakt deel uit van Natte Natuurparel Westelijke Langstraat en grenst vrijwel aan het N2000 gebied de Westelijke Langstraat. De gehele Westelijke Langstraat is hydrologisch hersteld en deze percelen zijn ingericht conform het inrichtingsplan. Omdat het perceel onderdeel uitmaakt van de PAS-procedure en in het totale plan voldoende landschapselementen worden aangebracht is het akkoord dat er niet wordt voldaan aan de eis om minstens 5% nieuwe landschapselementen aan te leggen op Kruiden- en faunarijk grasland. Wij stellen de percelen open voor beheervergoeding.

 

Wij hebben de beheertypenkaart gewijzigd en het label subsidiabel ja aangebracht.

 

Art. 1.22 (nr. 22) Gemeente Waalwijk. Staatsbosbeheer. Waterdossier Tolweg 10 Sprang-Capelle

 

Staatsbosbeheer verzoekt om, vanwege de mogelijke verkoop van perceel CPL02 O408, het ambitietype van het perceel te wijzigen van N10.02 Vochtig hooiland naar N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. Gezien de inrichtingsmaatregelen die op het perceel hebben plaatsgevonden en de vereiste herstelmaatregelen in verband met de waterhuishouding is het streven naar vochtig hooiland op korte termijn niet realiseerbaar en realistisch.

 

Reactie GS:

Wij stemmen niet in met dit verzoek. Het perceel is gelegen binnen de Natte Natuurparel Langstraat en het grenst aan het N2000 gebied Langstraat. Het gehele gebied is onderzocht op haalbaarheid van natuurbeheertypen en deze zijn opgenomen in de ambitiekaart. Vochtig hooiland is hier in de toekomst te realiseren. Dat het op korte termijn niet haalbaar is door de uitgevoerde werkzaamheden vinden wij begrijpelijk, maar onvoldoende reden om de ambitiekaart te wijzigen naar een lager natuurbeheertype. Mocht het over een aantal jaren toch echt niet realistisch blijken te zijn om hier Vochtig hooiland te realiseren dan kan er opnieuw gekeken worden naar aanpassing van de ambitiekaart.

 

Wij hebben geen wijziging aangebracht.

Artikel II Wijziging van het natuurbeheertype op verzoek van het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB).

besluiten:

het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2023 overeenkomstig de bijbehorende stukken opgenomen als tekstbijlage en kaartbijlage gewijzigd vast te stellen.

 

Art. 2.1 (nr. 23) Gemeente Alphen-Chaam. GOB. Wijziging ambitiekaart Project natuurontwikkeling Ginderdoorboeren

 

Het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB) verzoekt om voor perceel CHA00 K1063 het natuurbeheertype op de ambitiekaart en de beheertypenkaart aan te passen. Nu zijn er drie verschillende natuurbeheertypen op het perceel aanwezig, namelijk N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland, N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos en N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos. Het GOB verzoekt dit terug te brengen tot twee natuurbeheertypen, N12.02 Kruiden- en faunrijk grasland en N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos. Verzocht wordt om het gehele perceel op de ambitiekaart op te nemen als N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos, omdat het een zeer nat perceel betreft.

 

Reactie GS:

Wij stemmen in met deze wijziging. Gezien de natte omstandigheden op dit perceel, gelegen langs een beek, is het ambitietype N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos het best passende type hier.

 

Wij hebben de ambitiekaart en de beheertypenkaart gewijzigd.

 

Art. 2.2 (nr. 24) Gemeente Boxtel. GOB. Project De Beekenekker , inrichting gereed

 

Het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB) verzoekt om de percelen LDE02 H247 en H712 als ingericht op de beheertypenkaart aan te geven. De percelen zijn ingericht als N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland.

 

Reactie GS:

Wij stemmen in met de inrichting. Perceel H247 grenst direct aan de Dommel. Inrichting als Kruiden- en faunarijk grasland is gezien de ligging in een overgangsgebied tussen landbouwpercelen en het Dommeldal logisch. Rondom de percelen zijn de laatste jaren reeds meerdere poelen en verlaagde stukken gegraven. Ook is er al een houtstruweel aanwezig op de percelen. Daarom is het GOB akkoord gegaan dat aanleg van 5% extra landschapselementen niet nodig is. Wij stellen de percelen open voor beheervergoeding.

 

Wij hebben de beheertypenkaart gewijzigd en het label subsidiabel ja aangebracht.

 

Art. 2.3 (nr. 25) Gemeente Breda. GOB. Project Natuurontwikkeling Nieuw bos Anneville , inrichting gereed

 

Het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB) verzoekt om de percelen GNK01 D3257, D5087 en D5088 als ingericht op de beheertypenkaart aan te geven. De percelen maken deel uit van het B5 bod van de gemeente Breda. De percelen zijn voor het grootste deel ingericht als N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos, met aan de rand N10.02 Vochtig hooiland en tevens een L01.01 Poel en een L01.02 Houtwal.

 

Reactie GS:

Wij stemmen in met de inrichting. Er is een gevarieerd bos aangelegd door het maaiveld te vergraven en hogere en lagere delen te creëren. Hierdoor kan de vegetatie zich aanpassen aan zowel droge als nattere omstandigheden. De oever van de sloot is eveneens afgegraven waardoor een gradiënt van nat naar droog is ontstaan en vochtige omstandigheden zijn gecreëerd, passend bij vochtig hooiland. In het vochtig hooiland is tevens een amfibieënpoel aangelegd voor soorten als de vinpootsalamander en de alpenwatersalamander die reeds in de omgeving aanwezig zijn. Het gebied vormt met deze inrichting een natuurlijke buffer tussen de bebouwing van Ulvenhout en de A58. De percelen en de landschapselementen zijn subsidiabel voor beheervergoeding

 

Wij hebben de beheertypenkaart gewijzigd en het label subsidiabel ja aangebracht.

 

Art. 2.4 (nr. 26) Gemeente Cranendonck. GOB. Ambitiekaart wijzigen conform kwalitatieve verplichting

 

Het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB) verzoekt om voor perceel BDL02 K1292 het natuurbeheertype op de ambitiekaart in overeenstemming te brengen met afspraken vastgelegd in de kwalitatieve verplichting. Het perceel staat nu op de ambitiekaart aangeduid als N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos, terwijl er voor dit perceel een KV gevestigd is voor N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland met een strookje N14.01.

 

Reactie GS:

Wij stemmen in met de door het GOB voorgestelde wijziging van de ambitiekaart voor het perceel BDL02 K1292. Wij herstellen hiermee een eerdere foutief doorgevoerde wijziging van het Natuurbeheerplan.

 

Wij hebben de ambitiekaart gewijzigd.

 

Art. 2.5 (nr. 27) Gemeente Etten-Leur. GOB. Project Vuchtschootseweg extra, inrichting gereed

 

Het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB) verzoekt om het perceel ETN01 Q1585 als ingericht op de beheertypenkaart aan te geven. Het perceel maakt deel uit van het B5 bod van de gemeente Breda en wordt ingericht als N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos.

 

Reactie GS:

Wij stemmen in met de inrichting. De inrichting van dit perceel maakt onderdeel uit van een grootschaliger inrichtingsplan dat gericht is op de ontwikkeling van schrale hooi- en weidevelden, houtwallen en goed ontwikkelde braamstruwelen. Met de ontwikkeling van Dennen-, eiken- en beukenbos wordt ecologisch en landschappelijk aangesloten op de reeds eerder ingerichte natuurterreinen.

 

Wij hebben de beheertypenkaart gewijzigd en het label subsidiabel ja aangebracht.

Art. 2.6 (nr. 28) Gemeente Gilze en Rijen. Kaartopschoning Molenschotse Heide

 

Het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB) geeft aan dat er geen opgave voor verwerving of inrichting ligt in de omgeving van Molenschotse heide. Op het perceel GZE00 H2421 ligt op kaart nog een opgave van ongeveer 78 m2. In werkelijkheid maakt dit strookje onderdeel uit van een bestaand bos

 

Reactie GS:

Wij stemmen in met dit wijzigingsvoorstel. Het strookje wordt toegevoegd als N16.03 Droog bos met productie aan het bosterrein van het omliggende natuurterrein. Wij zetten het deel van het perceel op de kaart als bestaande natuur en stellen het open voor beheervergoeding.

 

Wij hebben de beheertypenkaart en de ambitiekaart gewijzigd en het label subsidiabel ja aangebracht.

 

Art. 2.7 (nr. 29) Gemeente Goirle. GOB. Wijziging ambitiekaart Project Groenblauwe zone zuidrand Goirle

 

Het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB) verzoekt om een aanpassing van de ambitiekaart voor een deel van perceel GLE01 I274 van N00.01 zoekgebied 1 naar N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland.

 

Reactie GS:

Vanwege een omnummering van het betreffende perceel wordt de ambitiekaart gelijkgetrokken met het aangrenzende deel binnen het perceel dat reeds de ambitie N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland had.

 

Wij hebben de ambitiekaart gewijzigd.

 

Art. 2.8 (nr. 30) Gemeente Heeze-Leende. GOB. Inrichting gronden Leenderstrijp van de Kruis en Reijers gereed

 

Het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB) verzoekt om de percelen LDE01 H271, H273 en H974 als ingericht op de beheertypenkaart aan te geven. De percelen zijn ingericht als N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. Als landschapselementen zijn struweel en bomen aangelegd.

 

Reactie GS:

Wij stemmen in met de inrichting. Na herinrichting van het beekdal Oude Strijper Aa en realisatie van Natte Natuurparel Strijper Aa/Het Goor zijn de betreffende percelen ingericht als Kruiden- en faunarijk grasland en is invulling gegeven aan het zoekgebied op de ambitiekaart. De percelen stellen wij open voor beheervergoeding.

 

Wij hebben de ambitiekaart en de beheertypenkaart gewijzigd en het label subsidiabel ja aangebracht.

 

Art. 2.9 (nr. 31) Gemeente Heeze-Leende. GOB. Project GOB investeringsaanvraag de Poel Braakakkers, inrichting gereed

 

Het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB) verzoekt om de percelen HZE00 A5625, A6114 en A6115 als ingericht op de beheertypenkaart aan te geven. De percelen zijn ingericht als N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland en met de landschapselementen L01.06 Struweelhaag en L01.08 Knotboom.

 

Reactie GS:

Wij stemmen in met de inrichting. De percelen vormen de oostflank van de Groote Heide; een groot gebied met heide, bos en agrarische enclaves. De inrichting als Kruiden- en faunarijk grasland en landschapselementen levert een kleinschalig landschap op dat geschikt is voor insecten, vogels, kleine marterachtigen en amfibieën. Het sluit daarmee goed aan bij het project van Brabant Water en Brabants Landschap om de Groote Heide te ontwikkelen tot leefgebied en robuuste stapsteen voor prioritaire amfibiesoorten, insecten en marterachtigen. Wij stellen de percelen, de struweelhaag en de knotbomen open voor beheervergoeding.

 

Wij hebben de ambitiekaart en de beheertypenkaart gewijzigd en het label subsidiabel ja aangebracht.

 

Art. 2.10 (nr. 32) Gemeente Hilvarenbeek. GOB. Project Natuurontwikkeling Moleneind inrichting gereed

 

Het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB) verzoekt om perceel HVR00 Q392 als ingericht op de beheertypenkaart aan te geven. Het perceel is ingericht als N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland en N12.05 Kruiden- en faunarijke akker. Als landschapselementen zijn een L01.01 Poel, een L01.06 Struweelhaag en bosjes aangelegd.

 

Reactie GS:

Wij stemmen in met de inrichting. Het perceel valt binnen het beekherstelplan ‘Beekherstel Reusel Baarschot-Diessen’ van Waterschap de Dommel. Met de inrichting van het perceel wordt een divers landschap gecreëerd voor vogels, insecten, kleine zoogdieren en amfibieën en worden bestaande natuurpercelen met elkaar verbonden. Het perceel, de poel en de struweelhaag stellen wij open voor beheervergoeding.

 

Wij hebben de ambitiekaart en de beheertypenkaart gewijzigd en het label subsidiabel ja aangebracht.

 

Art. 2.11 (nr. 33) Gemeente Land van Cuijk. GOB. Project Bosaanleg de Rijtjes, inrichting gereed

 

Het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB) verzoekt om de percelen BMR00 Z3907, Z4789 en Z4790 als ingericht op de beheertypenkaart aan te geven. De percelen zijn ingericht als N16.03 Droog bos met productie en N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. In het Kruiden- en faunarijke grasland zijn als landschapselementen een L01.01 Poel en L01.06 Struweelhagen ingericht.

 

Reactie GS:

Wij stemmen in met de inrichting. De percelen sluiten aan op bestaande provinciale NNB-percelen en verbinden bestaande clusters met elkaar. De inrichting vult natuur aan rondom De Rijtjes bij natuurkern de Oeffelter Meent, volgens de ambitie voor het Maasheggengebied. De ingerichte percelen zorgen voor een toename van de landschappelijke en ecologische waarde en dragen bij aan instandhouding van het Maasheggengebied. Het nieuw ingerichte bos en het Kruiden- en faunarijke grasland stellen wij open voor beheervergoeding, evenals de poel en de struweelhagen. Het gedeelte bestaand bos op perceel BMR00 Z3907, dat al meer dan 20 jaar aanwezig is, stellen wij niet open voor beheervergoeding.

 

Wij hebben de beheertypenkaart gewijzigd en het label subsidiabel ja aangebracht.

 

Art. 2.12 (nr. 34) Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten. GOB. Project Subsidieaanvraag V.O.F. van Lankvelt-Raaijmakers inrichting gereed

 

Het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB) verzoekt om perceel NNN00 A3960 als ingericht op de beheertypenkaart aan te geven. Het perceel is ingericht als N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. Tevens wordt verzocht om voor dit perceel de ambitiekaart te wijzigen van deels N00.01 Zoekgebied 2 en deels N10.01 nat schraalland naar N12.02.

 

Reactie GS:

Wij stemmen in met deze wijziging. De abiotische omstandigheden op dit perceel maken het onmogelijk om nat schraalland te realiseren. Los van de aanwezige voedselrijke bouwvoor is de grondwaterstand (GWT V) veruit ontoereikend voor de ontwikkeling van nat schraalland. In de zuidwesthoek van het perceel zal een bosje tot ontwikkeling worden gebracht met de ambitie dit te laten ontwikkelen tot N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos. Hiermee wordt voldaan aan de 5% norm voor aan te brengen landschapselementen op een perceel Kruiden- en faunarijk grasland.

 

Wij hebben de ambitiekaart en de beheertypenkaart gewijzigd.

 

Art. 2.13 (nr. 35) Gemeente Oirschot. GOB. Paardendokter, inrichting gereed

 

Het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB) verzoekt om delen van de percelen MDB03 B1592 en B1714 als ingericht op de beheertypenkaart aan te geven. De percelen zijn ingericht als N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland, N11.01 Droog schraalland, N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos en met de landschapselementen L01.01 Poel en L01.02 Houtwal.

 

Reactie GS:

Wij stemmen in met de inrichting. De percelen liggen zeer dichtbij Natte Natuurparel Landgoed De Baest en ten westen van de percelen stroomt de Beerze. De inrichting van het gebied sluit aan op gelijksoortige percelen van Landgoed De Baest, welke voornamelijk bestaan uit vochtig bos met productie, droog bos met productie, kruiden- en faunarijk grasland en vochtig hooiland. De inrichting bestaat uit Kruiden- en faunarijk grasland met de aanplant van enkele (groepjes) solitaire bomen, de aanplant van enkele houtwallen en struweel (langs bosrand) en het aanleggen van een poel. De aanleg van de poel zorgt voor een voortplantingsbiotoop voor amfibieën. Solitaire bomen en groepen bomen en houtwallen zorgen voor afwisseling in het landschap en voor voedsel, beschuttingsmogelijkheden en uitkijkposten voor bijvoorbeeld roofvogels. Daarnaast versterkt het de belevingswaarde van het landschap. Wij stellen de percelen, de poel en de houtwal open voor beheervergoeding.

 

Wij hebben de ambitiekaart en de beheertypenkaart gewijzigd en het label subsidiabel ja aangebracht.

 

Art. 2.14 (nr. 36) Gemeente Oirschot. GOB. Project De Willekus, inrichting gereed

 

Het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB) verzoekt om perceel MDB03 F184 als ingericht op de beheertypenkaart aan te geven. Het perceel is ingericht als N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland, N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos en een 6 meter brede bos- en struweelrand rondom het perceel.

 

Reactie GS:

Wij stemmen in met de inrichting. Het perceel ligt tegen het N2000 gebied Kempenland-West aan. De invulling is afgestemd met Waterschap De Dommel en Brabants Landschap. Door deze inrichting naar Rivier- en beekbegeleidend bos en Kruiden- en faunarijk grasland profiteren soorten als Steenuil en Patrijs en wordt een goede invulling gegeven aan het NNB, grenzend aan de Grote Beerze. Wij nemen de rand bos- en struweel op als N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos, omdat we verwachten dat aanplant van een gemengd bos en struweel uiteindelijk een bos oplevert met struikvormers in de ondergroei. Wij stellen het perceel open voor beheervergoeding.

 

Wij hebben de beheertypenkaart gewijzigd en het label subsidiabel ja aangebracht.

 

Art. 2.15 ( nr. 37) Gemeente Sint-Michielsgestel . GOB. Natuurplan N279 omgeving Westakkers en Seldensate , inrichting gereed

 

Het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB) verzoekt om de percelen BLC00 L385 en L3998 als ingericht op de beheertypenkaart aan te geven. De percelen zijn ingericht als N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland met 5% invulling als landschapselementen.

 

Reactie GS:

Wij stemmen in met de inrichting. De inrichting van de percelen maakt onderdeel uit van het Natuurplan N279 waarmee invulling wordt gegeven aan de (bovenwettelijke) natuurcompensatie voor de opwaardering van de N279 tussen ’s-Hertogenbosch en Veghel.

 

Vanuit de streek, de provincie Noord-Brabant en het Waterschap Aa en Maas bestaat de wens een robuuste ecologische en landschappelijke verbinding in het gebied langs de N279 te creëren. Dit betekent het versterken en herstellen van het kleinschalige beekdallandschap van de Aa tussen Veghel en ’s-Hertogenbosch door het Natuurnetwerk Brabant uit te breiden met soortenrijke graslanden, natte natuurbosjes, poelen, oude beekmeanders en karakteristieke landschapselementen. Perceel BLC00 L3998 wordt ingezet om een verbinding te realiseren tussen landgoed Seldensate en de zone langs de N279 waarin diverse faunatunnels onder de N279 door uitkomen. Voor het perceel BLC00 L385 heeft De Stichting Landschapsbeheer Aadal (SLA) het initiatief genomen om enkele percelen in het gebied Westakkers te Berlicum in te richten voor de ontwikkeling van natuur en versterking van het landschap. Het plangebied van dit initiatief sluit aan bij de uitbreiding van natuurontwikkeling Hersend, Seldensate, Laar, Verbinding Middelrode en Kilsdonk.

 

Wij hebben de beheertypenkaart gewijzigd en het label subsidiabel ja aangebracht.

Art. 2.16 ( nr. 38) Gemeente Sint-Michielsgestel . GOB. Project De Kaatsche Plak Rijks NNB

 

Het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB) verzoekt om voor perceel MCG00 O306 het label Provinciaal NNB om te zetten naar Rijks NNB conform de door het GOB afgegeven beschikking.

 

Reactie GS:

Wij stemmen in met de aanpassing van het label Provinciaal NNB naar Rijks NNB conform de door het GOB afgegeven beschikking, ondanks dat op dit perceel slechts de natuurambitie N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland wordt nagestreefd. Het is niet wenselijk dat het Natuurbeheerplan afwijkt van de door het GOB afgegeven beschikking.

 

Wij hebben het label voor het betreffende perceel gewijzigd.

 

Art. 2.17 (nr. 39) Gemeente Tilburg. GOB. Prinsenvelden, inrichting gereed

 

Het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB) verzoekt om de percelen UDH00 F208 en F209 als ingericht op de beheertypenkaart aan te geven. De percelen zijn ingericht als N10.02 Vochtig hooiland.

 

Reactie GS:

Wij stemmen in met de inrichting. De percelen zijn onderdeel van N2000 gebied de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen en grenzen aan Natte Natuurparel de Brand. Aan de percelen grenzen meerdere percelen die ontwikkeld worden tot vochtig hooiland. Inrichting van deze betreffende percelen tot vochtig hooiland versterkt daarmee het hele gebied. Door de hoogteverschillen in de percelen ontstaan er gradiënten in hoeveelheid vocht en licht. Hierdoor kunnen er veel verschillende plantensoorten voorkomen waar weer veel insecten op af komen. Ook dagvlinders zoals het bont dikkopje profiteert van de combinatie van vochtig hooiland met omliggend bos. We stellen de percelen open voor beheervergoeding.

 

Wij hebben de beheertypenkaart gewijzigd en het label subsidiabel ja aangebracht.

 

Art. 2.18 (nr. 40) Gemeente Vught. GOB. Gehele perceel Rijks NNB

 

Het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB) verzoekt om het perceel HVT E1324 in zijn geheel als Rijks NNB subsidiabel te stellen voor verwerving en inrichting. Een klein deel van het perceel, 220 m2, staat als Provinciale NNB op de kaart. Deze splitsing is onlogisch.

 

Reactie GS:

Wij stemmen in met de aanpassing van de 220 m2 naar Rijks NNB. Op deze manier vormt het perceel een logisch geheel en kan het gehele perceel voor omvorming in aanmerking komen. Er is in dit geval sprake geweest van een kaartfout.

 

Wij hebben het label gewijzigd.

 

Art. 2.19 (nr. 41) Gemeente Waalwijk. GOB. Project Winterdijk 9 Natuurrealisatie PAS Westelijke Langstraat, inrichting gereed

 

Het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB) verzoekt om perceel SPR01 C3262 als ingericht op de beheertypenkaart aan te geven. Het perceel is ingericht als N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland.

 

Reactie GS:

Het perceel maakt deel uit van Natte Natuurparel Westelijke Langstraat en grenst vrijwel aan het N2000 gebied de Westelijke Langstraat. Het gebied heeft last van verdroging als gevolg van vergaande ontwatering ten behoeve van de landbouwgronden in de directe omgeving. Om het N2000 gebied te herstellen zijn inrichtingsmaatregelen genomen op o.a. perceel SPR01 C3262. Het waterschap heeft hier het waterpeil verhoogd. De eigenaren van het perceel willen het open karakter ervan accentueren en behouden. Daarom wordt er geen beplanting aangebracht. Omdat het perceel onderdeel uitmaakt van de PAS-procedure en in het totale plan voldoende landschapselementen worden aangebracht is het akkoord dat er niet wordt voldaan aan de eis om minstens 5% nieuwe landschapselementen aan te leggen op Kruiden- en faunarijk grasland. Wij stellen het perceel open voor beheervergoeding.

 

Wij hebben de beheertypenkaart gewijzigd en het label subsidiabel ja aangebracht.

 

Art. 2.20 (nr. 42) Gemeente Woensdrecht. GOB. Project afronding natuurherstel Jagersrust, inrichting gereed

 

Het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB) verzoekt om perceel OSD00 D5724 in zijn geheel en delen van de percelen OSD00 D5723 en D6901 als ingericht op de beheertypenkaart aan te geven. De percelen zijn ingericht als N11.01 Droog schraalgrasland.

 

Reactie GS:

Wij stemmen in met de inrichting. De inrichting van de drie percelen vormt het sluitstuk van het project Jagersrust, een (voormalige) landbouwenclave te midden van natuurgebieden die onderdeel uitmaken van het Grenspark Kalmthoutse Heide. Met het realiseren van droog schraalgrasland wordt het oude verkavelingspatroon versterkt. Pleksgewijze struweelvorming accentueert de voormalige kleinschalige percelen en vergroot de structuurvariatie in het gebied. Wij stellen de percelen open voor beheervergoeding.

 

Wij hebben de beheertypenkaart gewijzigd en het label subsidiabel ja aangebracht.

 

Art. 2.21 (nr. 43) Gemeente Woensdrecht. GOB. Project C2265285 Inrichting Cluster 41 Woensdrecht inrichting gereed

 

Het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB) verzoekt om de percelen WDT00 G2016, G2017 en G4499 als ingericht op de beheertypenkaart aan te geven. Het projectgebied is ingericht als N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland met hierin N04.02 Zoete plas en een strook N14.03 Haagbeuken- en essenbos en is hiermee in lijn met de natuurbeheertypen op de ambitiekaart

 

Reactie GS:

Wij stemmen in met de inrichting. Het GOB heeft de inrichting van genoemde percelen akkoord bevonden. De inrichting van de percelen vergroot het leefgebied voor o.a. N2000 doelsoorten van het Markiezaat en draagt bij aan versterking van de biodiversiteit in het gebied. Wij stellen de percelen open voor beheervergoeding.

 

Wij hebben de beheertypenkaart gewijzigd en het label subsidiabel aangebracht.

Artikel III Ambtshalve wijzigingen

besluiten:

het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2023 overeenkomstig de bijbehorende stukken opgenomen als tekstbijlage en kaartbijlage gewijzigd vast te stellen.

 

Art. 3.1 (nr. 44) Algemeen. Analyse SNL

 

Wij constateren dat er enkele fouten aanwezig zijn in de beheertypenkaart die een relatie hebben met de mogelijkheid tot het aanvragen van een SNL-beheersubsidie. In totaal gaat het om 29 fouten met een totale oppervlakte van 22 ha. Deze hebben wij in vijf categorieën verdeeld:

  • a.

    Een oppervlakte van 5,6 ha via het GOB gerealiseerde ONNB staat per abuis als NNB nieuwe natuur op de kaart. Dit is aangepast naar de NNB-status nieuwe natuur ONNB conform de GOB-beschikking. Deze percelen komen niet in aanmerking voor een SNL-beheersubsidie.

  • b.

    Op kaart staan twee percelen bestaande natuur enclave als ‘N00.01 Nog om te vormen landbouwgrond naar natuur (inrichting)’ terwijl deze in werkelijkheid uit bestaand bosterrein bestaan. Het gaat in totaal om een oppervlakte van 2,9 ha. Wij hebben deze aangepast naar N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos, het type dat aangrenzend aan de percelen voorkomt. Deze percelen komen niet in aanmerking voor een SNL-beheersubsidie, omdat er sprake is van reeds bestaande natuur zonder een registratie van een SN/SNL-contract uit het verleden.

  • c.

    Op de beheertypenkaart staat bij een tiental percelen foutief een N-type op locaties waar het GOB een beschikking heeft afgegeven voor een subsidie voor ONNB. Het gaat om een oppervlakte van 2,1 ha. Wij hebben de N-typen gewijzigd in B-typen, de typen die overeenkomen met de ONNB aanvragen. Deze percelen komen niet in aanmerking voor een SNL-beheersubsidie.

  • d.

    Op de ambitiekaart staat bij een perceel ten onrechte een N-type op een locatie waar het GOB een beschikking heeft afgegeven voor een subsidie voor ONNB. Het gaat om een oppervlakte van 0,01 ha. Wij hebben het N-type gewijzigd in een B-type, het type dat overeenkomt met de ONNB-aanvraag. Dit perceel komt niet in aanmerking voor een SNL-beheersubsidie.

  • e.

    Voor een vijftal percelen staat per abuis ‘N00.01 Nog om te vormen landbouwgrond naar natuur (inrichting)’ als beheertype op de kaart terwijl deze in werkelijkheid via een aanvraag bij het GOB zijn verworven en ingericht. Het betreft 11,4 ha. Deze hebben allen een N-type overeenkomstig de GOB-inrichtingsaanvraag gekregen op de beheertypenkaart. Deze percelen komen in aanmerking voor een SNL-beheersubsidie, omdat er een vaststelling van de inrichtingssubsidie heeft plaatsgevonden.

Deze kaartfouten worden met dit besluit hersteld.

 

Wij hebben de ambitiekaart en de beheertypenkaart gewijzigd en het label subsidiabel aangepast.

 

Art. 3.2 (nr. 45) Algemeen. Te ontwikkelen natuurtypen in het Dommeldal vanwege bodemverontreiniging met zware metalen

 

De Dommel is in het verleden belast met lozingen vanuit de zinkerts verwerkende industrie in Vlaanderen. Door natuurlijke inundaties van de Dommel zijn verontreinigde slibdeeltjes op percelen langs de Dommel afgezet, waardoor in het Dommeldal een diffuse bodemverontreiniging met zware metalen is ontstaan. Uit eerdere bodemonderzoeken is gebleken dat er een link is tussen de mate van verontreiniging en omgevingsfactoren zoals frequentie van overstroming, hoogteligging en landgebruik. Van humane risico’s (directe gezondheidsrisico’s voor mensen bij normaal gebruik van de grond) is geen sprake, wel kunnen er risico’s voor de voedselveiligheid aan de orde zijn als sprake is van consumptie van bepaalde gewassen die geteeld zijn op verontreinigde grond of bij consumptie van orgaanvlees van dieren die gehouden worden op deze verontreinigde grond. Onder de noemer van Actief Bodembeheer de Kempen heeft hierover destijds uitgebreide communicatie met de streek plaatsgevonden.

 

Naar de ecologische risico’s is in 2008 een uitgebreid onderzoek gedaan, het zogenaamde Triade-onderzoek. Hieruit zijn adviezen voortgekomen over het toepassen van risico reducerende beheersmaatregelen. Cruciale schakel in de ecologische keten blijken regenwormen te zijn. De belangrijkste beheermaatregelen zijn dan ook het toepassen van ofwel natte natuurbeheertypes (zoals moeras, rietland, vochtige bossen, e.d.) die de groei van regenwormen beperken, ofwel ruige/opgaande types (ruigtes en dichte begroeiingen) die het vangen van de regenwormen door andere dieren voorkomen. Beheertypen met begrazing of hooiland zijn niet gewenst.

 

Op basis van een vooronderzoek door Tauw is er voor het Dommeldal tussen Eindhoven en de Belgische grens een verwachtingenkaart bodemverontreiniging opgesteld. Deze verwachtingenkaart wordt met dit besluit als extra kaartlaag toegevoegd aan het Natuurbeheerplan. Hiermee is te controleren of het in te richten perceel behoort tot het risicogebied.

 

Voor percelen met het beheertype N00.01 Nog om te vormen landbouwgrond naar natuur die op deze kaartlaag binnen het risicogebied zijn gelegen, geldt, dat bij een inrichting tot een graslandbeheertype (N10.01 Nat schraalland, N10.02 Vochtig hooiland, N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland) of tot N12.05 Kruiden- en faunarijke akker, sprake kan zijn van ecologische risico’s.

In deze gevallen dient voorafgaand aan de inrichting en subsidieaanvraag een bodemonderzoek te worden uitgevoerd om de aanwezigheid van zware metalen in de bodem te onderzoeken. Bij de aanvraag van inrichtingssubsidie dient op basis van het bodemonderzoek aangetoond te worden dat realisatie van de hiervoor genoemde beheertypen mogelijk is, zonder dat daarbij ecologische risico’s optreden. Bij situaties van ernstige bodemverontreiniging dient momenteel gehandeld te worden volgens de werkwijze van de ODZOB (melding, beheerplan, beheersmaatregel, beschikking). Op het moment dat de omgevingswet van kracht wordt, wordt de gemeente bevoegd gezag en dient gehandeld te worden volgens de regelgeving van de betreffende gemeente.

Art. 3.3 (nr. 46) Gemeente Best. Gedeeltelijke verwijdering NNB ter plaatse van bestaande bedrijfsbestemming

 

Wij constateren dat op perceel BES00 F229 een gedeelte van het NNB samenvalt met een bedrijfsbestemming uit het vigerende bestemmingsplan. Wij werken de kaart bij op basis van de bestemmingsplangegevens en verwijderen dit deel van 1,1 ha N16.03 Droog bos met productie uit het NNB.

 

Wij hebben de ambitiekaart en de beheertypenkaart gewijzigd.

 

Art. 3.4 (nr. 47) Gemeente Bladel. GOB. Project Kranenburg GB, inrichting nog niet gereed

 

Wij hebben geconstateerd dat de percelen HGL04 K29, K31 en K578 ten onrechte als ingericht N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland op de beheertypenkaart staan. Waterschap de Dommel geeft aan dat deze percelen nog niet zijn ingericht. Wij wijzigen de beheertypenkaart dan ook naar N00.01 Nog om te vormen landbouwgrond naar natuur en stellen de percelen, tot de inrichting is voltooid, niet open voor beheervergoeding.

 

Wij hebben de beheertypenkaart gewijzigd en het label subsidiabel nee aangebracht.

 

Art. 3.5 (nr. 48) Gemeente Boxmeer. Project Zittersteeg West, wijziging beheertypenkaart en ambitiekaart

 

Wij constateren dat zowel het beheertype als het ambitietype voor de percelen BMR00 R470 en R949 in het ontwerp Natuurbeheerplan 2023 foutief op de kaart zijn komen te staan. Beide percelen zijn als ingericht L01.05 Knip- of scheerheg op de beheertypenkaart aangegeven en ook op de ambitiekaart staan ze als Knip- of scheerheg. Beide percelen zijn echter nog niet ingericht en bovendien is het ambitietype voor beide percelen N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. Wij herstellen deze kaartfout en wijzigen de beheertypenkaart naar N00.01 Nog om te vormen landbouwgrond naar natuur. De ambitiekaart wijzigen wij naar N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland.

 

Wij hebben de ambitiekaart en de beheertypenkaart gewijzigd.

 

Art. 3.6 (nr. 49) Gemeente Heeze-Leende. Bosgroep Zuid Nederland. Herstellen kaartfout

 

Bosgroep Zuid Nederland heeft ons op een fout op de beheertypenkaart en de ambitiekaart gewezen. Op perceel HZE00 C3124 staat een deel N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos als bestaande natuur op de kaart. Het betreft hier echter Nieuwe natuur N10.02 Vochtig hooiland. Daarnaast is er juist een deel N10.02 Vochtig hooiland op de kaart aangegeven wat N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos hoort te zijn. En tot slot staat er een deel Rivier- en beekbegeleidend bos als Bestaande natuur op de kaart terwijl het Nieuwe natuur hoort te zijn. Wij herstellen deze kaartfout in dit besluit.

 

Wij hebben de ambitiekaart en de beheertypenkaart gewijzigd.

 

Art. 3.7 (nr. 50) Gemeente Landerd. Verwijdering NNB verwijderen vanwege woonbestemming

 

Wij constateren dat op de percelen SCH03 K641 en K655 het NNB overlapt met de bestemming wonen uit het vigerende bestemmingsplan. Wij herstellen dat bij deze en verwijderen 287 m2 bestaande natuur N16.03 Droog bos met productie uit het NNB.

 

Wij hebben de ambitiekaart en de beheertypenkaart gewijzigd.

 

Art. 3.8 (nr. 51) Gemeente Meierijstad. GOB. Zienswijze voedselbos

 

Naar aanleiding van een zienswijze op het ontwerp Natuurbeheerplan 2023 zijn wij erop gewezen dat de percelen SDL00 O293, O144, K732, K733 en K734 onjuist op de beheertypenkaart staan. Deze percelen zouden als ingericht voedselbos Ondernemend Natuurwerk Brabant (ONNB) op de beheertypenkaart hebben moeten staan, zij zijn er echter als N00.01 Nog om te vormen landbouwgrond naar natuur op komen te staan. Wij herstellen dat bij deze en wijzigen de beheertypenkaart van N00.01 Nog om te vormen landbouwgrond naar natuur naar B16.03 Droog (voedsel)bos met productie. Realisatie als ONNB staat niet open voor beheervergoeding.

 

Wij hebben de beheertypenkaart gewijzigd en het raster voor ONNB aangebracht.

 

Art. 3.9 (nr. 52) Gemeente Rucphen. Herbegrenzing Omleiding Tracé Zuid

 

Wij constateren dat in de 2e partiele wijziging van het Natuurbeheerplan 2020 wijzigingen zijn benoemd die betrekking hebben op het bestemmingsplan ‘Omleiding Tracé Zuid’. In het betreffende besluit is NNB verwijderd ten behoeve van de aanleg van de randweg Rucphen. Het compensatiegebied ter grootte van 3,4 ha op perceel RPN00 U737 is destijds echter niet opgenomen op de beheertypenkaart. In dit besluit voegen wij deze Ecologische Verbindingszone toe als natuurcompensatie met beheertype N00.01 Nog om te vormen landbouwgrond naar natuur met de ambitietypen N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland, N16.03 Droog bos met productie en L01.01 Poel.

 

Wij hebben de beheertypenkaart en de ambitiekaart gewijzigd.

 

Art. 3.10 (nr. 53) Gemeente Vught. Landgoed Zwijnsbergen. Terugdraaien aanpassingen bestaande natuur en nieuwe natuur

 

Wij hebben geconstateerd dat wij op perceel HVT02 D2567 een bestaande L01.07 Laan en een deel van een bestaand N14.03 Haagbeuken- en essenbos op de beheertypenkaart hebben opgenomen als Nieuwe Natuur N00.01 Nog om te vormen landbouwgrond naar natuur met ambitietype N10.02 Vochtig hooiland. Ook hebben wij op perceel HVT02 D118 een deel opgenomen op de beheertypenkaart als Bestaande Natuur N14.03 Haagbeuken- en essenbos terwijl dit N00.01 Nog om te vormen landbouwgrond naar natuur moet zijn met ambitietype N10.02. Wij herstellen dat bij deze. De laan stellen wij niet open voor beheervergoeding, omdat deze oorspronkelijk ook niet was opengesteld. Het gedeelte bos stellen wij wel open voor beheervergoeding, omdat dit oorspronkelijk ook het geval was.

 

Wij hebben de ambitiekaart en de beheertypenkaart gewijzigd en zowel het label subsidiabel nee als ja aangebracht.

Artikel IV periodieke aanpassing Natuurbeheerplan aan grenswijzigingen in het ruimtelijke spoor.

besluiten:

het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2023, volgend op de wijziging van de Verordening ruimte 2014 of de Wijziging Interim Omgevingsverordening kaartaanpassingen 2022, overeenkomstig de bijbehorende stukken opgenomen als tekstbijlage en kaartbijlage gewijzigd vast te stellen.

 

Art. 4.1 (nr. 54) Gemeente Alphen-Chaam. Terugdraaien herbegrenzing Boswachterij Alphen-Chaam i.v.m. uitspraak Raad van State

 

In de 2e partiële wijziging van het Natuurbeheerplan 2020 heeft GS ingestemd met wijzigingen aan het NNB vanwege het bestemmingsplan Boswachterij Chaam. Het betrof de aanleg van een parkeerplaats behorend bij een nieuw te bouwen wellnesscentrum in de Chaamse bossen. Destijds is er 1,7 ha N16.03 Droog bos met productie op perceel CHA00 B1134 uit het NNB verwijderd. Ter compensatie is er 3,67 ha aan het NNB toegevoegd op de percelen CHA00 K751 en K1566 en ingericht als N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland en N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos. Door een uitspraak van de Raad van State gaat de aanleg van de parkeerplaats en het wellnesscentrum echter voorlopig niet door. Wij brengen daarom de beheertypenkaart en de ambitiekaart terug in de oorspronkelijke staat.

 

Wij hebben de ambitiekaart en de beheertypenkaart gewijzigd.

 

Art. 4.2 (nr. 55) Gemeente Altena. Herbegrenzing NNB vanwege plan Uitbreiding SRBT Giessen

 

Gemeente Altena wenst een wijziging door te voeren in verband met het bestemmingsplan ‘Uitbreiding SRBT Giessen’. Het bestemmingsplan voorziet in uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein De Rietdijk, ten zuidoosten van de kern Giessen. Het wordt een gemengd bedrijventerrein van ongeveer 10 ha. Tegelijkertijd met de ontwikkeling van het bedrijventerrein wordt er langs de noord-, oost- en zuidzijde van het terrein een Ecologische Verbindingszone aangelegd. Deze zal een belangrijke ontbrekende schakel vormen in de verbinding tussen de natuurgebieden Pompveld en Struikwaard. Er was reeds een EVZ gepland in het gebied, deze was echter westelijker gelegen. Herbegrenzing van de EVZ is dan ook noodzakelijk. Wij voegen de Ecologische verbindingszone, ter grootte van 3,6 ha, toe als Provinciale NNB met beheertype en ambitietype N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. Wij stellen de verbindingszone, conform de afspraken, niet open voor beheersubsidie.

Wij hebben de ambitiekaart en de beheertypenkaart gewijzigd.

 

Art. 4.3 (nr. 56) Gemeente Bergen op Zoom. Herbegrenzing NNB vanwege bestemmingsplan Snelfietsroute Bergen op Zoom-Roosendaal

 

Gemeente Bergen op Zoom wenst een wijziging door te voeren in verband met het bestemmingsplan ‘Snelfietsroute Bergen op Zoom-Roosendaal’. Het bestemmingsplan voorziet in de aanleg van een snelfietsroute van 3,2 kilometer lang tussen Bergen op Zoom en Roosendaal en is van groot grensoverschrijdend belang. Hiervoor wordt het bestaande fietspad in noordelijke richting tot 4 meter verbreed. Het bestaande fietspad ligt tegen de begrenzing van het NNB aan. Met de verbreding komt het fietspad deels door het NNB te lopen en verdwijnt er 387 m2 N16.03 Droog bos met productie. Dit leidt slechts tot een beperkte aantasting van het NNB. Er wordt voorzien in een financiële compensatie om het verlies van NNB-areaal te compenseren. Wij hebben hiermee ingestemd.

 

Wij hebben de beheertypenkaart en de ambitiekaart gewijzigd.

Art. 4.4 (nr. 57) Gemeente Boxtel. Terugdraaien herbegrenzing bestemmingsplan Keulsebaan i.v.m. uitspraak Raad van State

 

In de 1e partiële wijziging van het Natuurbeheerplan 2021 heeft GS ingestemd met wijzigingen aan het NNB vanwege het bestemmingsplan Keulsebaan. Het betrof verbreding van de bestaande weg Keulsebaan in Boxtel tussen de onderdoorgang onder het spoor en de A2. Destijds is er 0,6 ha bestaande natuur N16.04 Vochtig bos met productie uit het NNB verwijderd en is ter compensatie een perceel aan de Voetboog, langs de Dommel ten westen van de A2, ingericht als Ecologische verbindingszone. Door een uitspraak van de Raad van State gaat de verbreding van de Keulsebaan echter voorlopig niet door. Wij brengen daarom de beheertypenkaart en de ambitiekaart terug in de oorspronkelijke staat.

 

Wij hebben de beheertypenkaart en de ambitiekaart gewijzigd.

 

Art. 4.5 (nr. 58) Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten. Wijziging Interim omgevingsverordening vanwege fietspad Gulbergen Helmond-Eindhoven

 

De gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten wenst een wijziging door te voeren in verband met het bestemmingsplan ‘Landgoed Gulbergen 2018’. Metropool Regio Eindhoven (MRE) is bezig met de ontwikkeling van een doorgaande fietsroute die Helmond en Eindhoven met elkaar moet verbinden. Door gewijzigde inzichten is het ontwerp van het fietspad op enkele locaties aangepast, waarvoor een herziening van het bestemmingsplan nodig is. Door realisatie van het nieuwe fietspad zal over een lengte van 250 meter 582 m2 Natuurnetwerk verdwijnen tegen de buitenste grenzen van het NNB. Uit flora en fauna onderzoek blijkt dat er geen streng beschermde soorten voorkomen in het plangebied en is er nauwelijks sprake van aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB. Er wordt voorzien in een financiële compensatie om het verlies van NNB-areaal te compenseren. Wij hebben hiermee ingestemd.

 

Wij hebben de beheertypenkaart en de ambitiekaart gewijzigd.

 

Art. 4.6 (nr. 59) Gemeente Oirschot. Wijziging Interim omgevingsverordening i.v.m. plan Buitengebied, herziening Tregelaar 4, Oirschot

 

Gemeente Oirschot wenst een wijziging door te voeren in verband met het bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Tregelaar 4’. Het bestemmingsplan betreft een herziening van het vigerende bestemmingsplan waarbij een voormalige intensieve kwekerij wordt voorzien van een nieuwe ontwikkeling. Hiervoor dient de bestemming omgezet te worden van Agrarisch met waarden – natuur- en landschapswaarden naar de bestemming Bedrijf en Groen. Deze omzetting betekent dat een gebied ter grootte van 0,8 ha N00.01 Nog om te vormen landbouwgrond naar natuur uit het NNB wordt verwijderd. Het is gebleken dat de toevoeging van het perceel aan het NNB een fout betreft. In het bestemmingsplan voor het buitengebied is namelijk sprake van een agrarisch bouwvlak en is het ook daadwerkelijk benut om een agrarisch bedrijf op te richten. Gelet op deze geldende bestemming en inrichting had hier geen NNB opgenomen mogen worden. Omdat hier sprake is van correctie van een onjuistheid in de kaart hoeft hiervoor geen compensatie plaats te vinden.

 

Wij hebben de beheertypenkaart en de ambitiekaart gewijzigd.

 

Art. 4.7 (nr. 60) Gemeente Oisterwijk. Terugdraaien herbegrenzing NNB bestemmingsplan Nieuw Landgoed Reuseldal vanwege uitspraak Raad van State

 

In de 2e partiële wijziging van het Natuurbeheerplan 2020 heeft GS ingestemd met wijzigingen aan het NNB vanwege het bestemmingsplan Nieuw Landgoed Reuseldal. Het betrof de realisatie van drie landhuiskavels met een gezamenlijke oppervlakte van 0,95 ha, bijbehorende infrastructuur en 14,05 ha nieuwe natuur. Destijds is er 0,95 ha uit het NNB verwijderd en is 8,25 ha als natuurcompensatie aangewezen. 5,8 Ha zou gerealiseerd worden via subsidieverlening door het GOB. Door een uitspraak van de Raad van State gaat de realisatie van de landhuizen en de nieuwe natuur echter voorlopig niet door. Wij brengen daarom de beheertypenkaart en de ambitiekaart terug in de oorspronkelijke staat.

 

Wij hebben de beheertypenkaart en de ambitiekaart gewijzigd.

 

Art. 4.8 (nr. 61) Gemeente Tilburg. Wijziging Interim omgevingsverordening i.v.m. plan St. Elisabethziekenhuis e.o. 2009 Zorgcampus, Tilburg

 

De gemeente Tilburg wenst een wijziging door te voeren in verband met het bestemmingsplan ‘St Elisabethziekenhuis e.o. 2009 1e herz (Zorgcampus)’. Het bestemmingsplan voorziet in de herontwikkeling van het ziekenhuis met sloop en nieuwbouw van het gehele ziekenhuis, de realisatie van een ecologische zone, een veranderde parkeer- en verkeerssituatie en een verschuiving van de hoofdingang. Een deel van de herontwikkeling valt samen met het NNB. Een gebied ter grootte van 715 m2 wordt uit het NNB verwijderd. Deze aantasting is noodzakelijk en er zijn geen alternatieven. Compensatie zal plaatsvinden op een strook grond ten westen van de Hilvarenbeekseweg welke bestemd wordt tot natuur. Hier is een ecologische verbindingszone gepland. Binnen 3 jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan wordt deze compensatie uitgevoerd en wordt de grond als natuur beheerd. Hiervoor wordt een gebied ter grootte van 1,2 ha aan het NNB toegevoegd.

 

Wij hebben de beheertypenkaart en de ambitiekaart gewijzigd.

Artikel V Tekstuele aanpassing van het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2023.

De tekst van het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2023, vastgesteld bij besluit van 27 september 2022, wordt op het onderdeel Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer als volgt gewijzigd:

 

Art. 5.1 (nr. 62) Algemeen. Tekstuele aanpassing Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2023 bijlage 2 en bijlage 4 ( ANLb )

 

Voor het onderdeel Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer in het Natuurbeheerplan 2023 is een wijziging aan de orde. Het betreft een aanpassing van bijlage 2 en bijlage 4.

In bijlage 2 worden de doelsoorten voor botanisch beheer genoemd. De genoemde doelsoorten in het Natuurbeheerplan 2023 sloten niet aan bij de landelijke indicatorsoorten van BIJ12. Dat herstellen wij bij deze. Wij nemen de indicatorsoorten over uit de lijst met indicatorsoorten uit de Catalogus Groen Blauwe Diensten van BIJ12.

In bijlage 4 staan per leefgebied, binnen elke Regio, de specifieke instapcriteria genoemd waar het gebiedsplan aan moet voldoen. Bij het aandeel wintervoedsel binnen het leefgebied Open akkerland had in de regio’s Zeekleigebied, Brabantse Wal & De Baronie, Meijerij en Kempen, De Peel en in Maasheggen in het Natuurbeheerplan 2023 moeten staan dat het tenminste 20% van het totale oppervlakte beheer beslaat, er stond echter 50%. Met dit besluit herstellen wij dit en nemen wij voor de genoemde Regio’s 20% op.

 

Bijlage 2 Doelsoorten Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer

De soorten zijn overgenomen van de landelijke lijsten (www.bij12.nl). Waar extra soorten die prioritair zijn voor Brabant zijn toegevoegd, staat dit aangegeven.

 

Botanisch beheer

Achillea soorten, Blauw glidkruid, Blauwe knoop, Boerenwormkruid, Bosanemoon, boterbloemsoorten m.u.v. blaartrekkende boterbloem. Brunel, Campanulasoorten, Cichorei, Dopheide, Dotterbloem, Echte koekoeksbloem, Echte valeriaan, Ereprijssoorten, Gagel, Gele lis, Gele morgenster, Gewone engelwortel, Gewone margriet, Gewone reigersbek, Gewoon biggenkruid, Grasmuur, Grote kattenstaart, Hertshooisoorten, Hondsdraf, Hoornbloemsoorten, Hopklaver, Kale jonker, Karwij, Kervel, Klaversoorten, Klein vogelpootje, Knikkende distel, Knoopkruid, Koninginnekruid, Kruipwilg, Kruisdistel, Leeuwentandsoorten, Lidrus, Madeliefje, Moerasandoorn, Moerasspirea, Muizenoor, Ooievaarsbeksoorten, Orchissoorten, Paardenbloem, Pijptorkruid, Pinksterbloem, Poelruit, Potentilla soorten, primula-soorten, Ratelaarsoorten, Rolklaversoorten, Silenesoorten, Slangenkruid, Smalle weegbree, Streepzaadsoorten, Varkenskarwij, Veenwortel, Veldlathyrus, Veldsalie, Vergeet-mij-nietje soorten, Vleugeltjesbloem, Walstrosoorten, Watermunt, Wederiksoorten, Wikkesoorten, m.u.v voederwikke, Wilde marjolein, Wilde peen, Wilde tijm, Zandblauwtje, zuring soorten m.u.v. ridderzuring

 

Bijlage 4 Regio’s, instapcriteria en overige criteria voor effectiviteit

 

Regio

Zeekleigebied 

Algemene omschrijving, gebiedseigen-schappen

Het zeekleigebied ligt op de overgang van het dekzandplateau naar de RijnScheldedelta. De ondergrond bestaat uit zeeklei. Het bevat behalve de zeekleigronden van west Brabant ook het gebied van de Biesbosch.

 

In het zuiden komen pleistocene dekzanden aan de oppervlakte. Op de overgang van zand naar klei is sprake van een hoge kweldruk. Het zeekleigebied wordt doorsneden door kreeklopen van Mark, Dintel en Vliet en meerdere kleinere kreken. Buitendijks liggen onbedijkte slikken en schorren.

 

Het zeekleigebied is een open en rationeel ingericht landschap. Kenmerkend zijn de door dijken omgeven grootschalige polders. De dijken zijn stijl, hoog en beplant, waardoor ze manifest in het landschap aanwezig zijn. De buitendijkse slikken, schorren en de kreken zijn typerend voor de ligging in de Rijn-Schelde-delta.

 

Dit deltalandschap is rijk aan flora en fauna van open akker- en graslandgebieden, kreken, sloten, dijken en wegbermen. Daarnaast is typerende deltanatuur te vinden in de moerassen, brakke graslanden en grienden met oud hakhout van de buitendijkse gebieden. De vruchtbare bodem maakt het tot het belangrijkste akkergebied in Noord-Brabant. Grote rationele percelen en veel slapersdijken die voor een deel beplant zijn met bomen of anders bloemdijken zijn, meestal begraasd met schapen. Er lopen enkele riviertjes vanaf het zandgebied naar de Deltawateren. Oorspronkelijk waren de kreken omgeven door graslandzones maar deze zijn vrijwel verdwenen. Het gebied wordt relatief weinig doorsneden door infrastructuur en er zijn weinig dorpen of andere bebouwing. Hier en daar zijn windmolenparken, die een negatief effect hebben op het voorkomen van (akker-)vogels. De waterhuishouding is optimaal voor de landbouw.

Doelsoorten

De doelsoorten per leefgebied staan in Bijlage 2. Voor de regio worden benadrukt:

 

Open akker: blauwe kiekendief, veldleeuwerik, gele kwikstaartDooradering Biesbosch: kleine modderkruiper, grote modderkruiper, bittervoorn, wezelDooradering: bunzing, spotvogel

Doel

Synergie van doelen wordt behaald door opgaven voor agrarische biodiversiteit, waterdoelen en klimaatdoelen te combineren. Het primaat ligt bij het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden en het versterken van populaties. 

 

De oude dijken en kreken zijn hotspots in de omgeving die robuuster moeten worden.

 

De komende jaren wordt gekeken naar de mogelijkheden om het tegengaan van verzilting te koppelen aan ecologische opgaven in het gebied met name voor watervogels en flora.

Ecotopen

Sloten 

Het Brabantse zeeklei-akkergebied is doorsneden door kreken en riviertjes die evenwel buiten de begrenzing vallen en behoren tot de ecologische hoofdstructuur. Binnen de begrenzing zijn de akkers doorsneden door functionele sloten, waarin lokaal wel doelsoorten als grote modderkruiper en de rugstreeppad voorkomen. De waterspitsmuis komt voor op de overgang naar hogere gronden, waar een wisselend waterpeil is, en bij kwel een rijke en gevarieerde oevervegetatie te bereiken is met een natuurvriendelijke oever. De grote modderkruiper zit in smallere, dichtbegroeide sloten, die rijk zijn aan veel soorten waterplanten. Ook de oevers van dit type sloten zijn sterk begroeid met oeverplanten (helofyten). De rugstreeppad is een pionier soort en kan zich vestigen in pas geschoonde, ondiepe, snel opwarmende sloten met een zanderige bodem en niet te voedselrijk water, b.v. door kwel. Dit soort sloten kan worden voorzien van een (ondiepe)natuurvriendelijke oever. Daar waar deze soorten voorkomen en aansluitend op verspreidingskernen zijn doelgerichte maatregelen gewenst. Voor graspieper en gele kwikstaart is het gunstig wanneer slootoevers niet jaarlijks worden gemaaid en zich ruigte kan ontwikkelen. Optimale ontwikkeling van biodiversiteit gaat niet samen met een jaarlijkse maaien maar vereisen cyclisch beheer over liefst een jaar of vier. Afstemming van het maai- en baggerbeheer met het waterschap is noodzakelijk.

 

Akkers op klei

De Brabantse akkergebieden behoren niet meer tot het verspreidingsgebied van de meest kritische akkersoorten als grauwe kiekendief en de grauwe gors. Mochten meer fundamentele veranderingen zich voordoen, dan kan daar op ingesprongen worden, tot die tijd is perceelsgewijs beheer ecologisch en financieel niet efficiënt.

 

Akkerranden op klei

Graskruidenranden en graanranden zorgen voor soortenrijkdom aan broedende (akker)vogels. Graanranden blijken ook bijzonder effectief in de winter. De inzet wordt geconcentreerd in gebiedsdelen waar aan criteria voor effectiviteit kan worden voldaan. De collectieven geven aan waar ze maatregelen willen nemen voor de doelsoorten. Er wordt op gebiedsniveau samengewerkt en de inspanningen worden gecoördineerd. Ten behoeve van akkerflora kunnen akkerflora-randen aangelegd worden. Om effectief te zijn voor het voorbestaan van soorten moet dit op tenminste vijfhonderd meter rand per 100 ha plaatsvinden.

 

Rustgebieden voor wintergasten 

Lokaal komen de kleine zwaan en rotgans voor. De kleine zwanen maar ook ganzen foerageren op oogstresten en hebben vooral behoefte aan een zone waar het rustig is en waar niet gejaagd wordt. Doelgericht lokaal extra oogstresten achterlaten op het land is een goed hulpmiddel om de vogels te concentreren en van voedsel te voorzien.

 

Landschapselementen (Dijken & kreken)

De oude zeedijken, en kreken die vroeger in verbinding stonden met de zee, zijn nog altijd herkenbaar in het landschap en de hotspots in het zeekleigebied.

Criteria zoekgebieden

Zie bijlage 3.

Criteria voor effectiviteit

 

Algemeen

 

Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies

  • Voor het te beheren gebied wordt een integraal beheerplan gemaakt waarin verschillende ecotopen in dit leefgebied aan bod komen. Hierin wordt ook vermeld hoe aan de instapcriteria voldaan wordt; 

  • In de gebiedsaanvraag wordt een onderbouwing van de locatie en het type beheer gegeven. O.a. hoe deze samenhangt met het beheer in agrarische leefgebieden en hoe synergie wordt gevonden bij andere doelen als natuurgebieden en ecologische verbindingszones.

  • In dit landbouw intensieve gebied is het maken van keuzes belangrijk, zodat het beheer strategisch en goed afgestemd op elkaar wordt ingezet. Mogelijk dat zinvolle combinaties kunnen worden gezocht met de ecoregelingen en vernieuwde basis conditionaliteiten van het gemeenschappelijke landbouwbeleid.

Criteria voor effectiviteit

 

Leefgebied Open akkerland

 

Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies

  • Het werkgebied waarbinnen de maatregelen worden ingezet is tenminste 250 ha groot• De totale oppervlakte aan beheer beslaat tenminste 5% van het werkgebied, met een streven naar 10% aan het einde van de zesjarige beheerperiode;

    • -

      Het aandeel wintervoedsel (wintervoedselakker, veldleeuwerikrand, bloemenblok en natuurbraakstroken meerjarige vogelakker) beslaat tenminste 20% van het totale oppervlakte beheer

  • Maximaal 15% van het grondgebruik bestaat uit grasland of maïsteelt, met een streven naar 10%;

  • Bij akkerfloraranden minimaal 500 meter rand per 100 ha kerngebied en beheer afstemmen op akkerflora;

  • De gecontracteerde randen passen in een effectief beheerplan waarin de specificaties en afmetingen en het beheer zijn afgestemd op de lokale behoeften en waarvan de uitvoering wordt gecoördineerd

  • Het rustgebied voor de kleine zwaan is tenminste 100 ha groot, er verblijven minstens 50 exemplaren en er bevinden zich geen verstorende elementen (opgaande begroeiing, infrastructuur) binnen een straal van 150 meter van beheerde gebieden;

  • Er is voldoende voedsel aanwezig in de vorm van oogstresten of anderszins

Criteria voor effectiviteit

 

Leefgebied Dooradering

 

Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies

  • Maatregelen voor de doelsoorten worden alleen genomen op plekken waar de soort al aanwezig is, aansluitend op een verspreidingskern of aansluitend op EVZ’s voor deze soort;

  • Minimum schaal waarop de maatregelen worden genomen is een aaneengesloten netwerk van sloten binnen een gebied van 100 ha;

  • Voor zover maatregelen voor natte dooradering niet genomen worden in het kader van een beheerplan voor een gebied met kritische weidevogels wordt een apart beheerplan gemaakt;

  • (Doodlopende) watergangen ten behoeve van de grote modderkruiper zijn voorzien van:

    • -

      Randen om inspoelen van meststoffen te voorkomen.

    • -

      Een dichte gevarieerde waterplanten- en oeverplanten (helofyten)vegetatie.

    • -

      Kleinschalig in ruimte en tijd gefaseerd onderhoud, waarbij steeds slootvakken afgesloten blijven voor ander vissoorten die jonge grote modderkruipers eten.

    • -

      Een zo natuurlijk mogelijk waterpeil.

  • Sloten met natuurvriendelijke oevers zijn schoon en helder door maatregelen om instroom van meststoffen te beperken en worden uitgerasterd bij begrazing;

  • Sloten met natuurvriendelijke oevers hoeven niet jaarlijks te worden gemaaid maar worden planmatig, cyclisch en gefaseerd in ruimte en tijd onderhouden. Indien de vegetatiegroei dit toelaat niet vaker dan eens in de ongeveer vier jaren;

  • In sloten waarin de bittervoorn voorkomt worden bij het baggeren grote zwanenmossels teruggezet in de sloot. In de sloot houdt in dat dit op dezelfde hoogte is als waar de betreffende zoetwatermossel langs de sloot is gevonden. De zoetwatermossels mogen niet worden verzameld om vervolgens op het eind van de sloot te worden teruggegooid. Dit om te voorkomen dat de zoetwatermossels in een keer gepredeerd worden en er toch te weinig grote mossels overblijven.

Criteria voor effectiviteit

 

Categorie Water (W01)

 

Categorie Klimaat (K01)

In de gebiedsaanvraag wordt een onderbouwing van de locatie en het type beheer gegeven. O.a. hoe deze samenhangt met het beheer in agrarische leefgebieden en hoe synergie wordt gevonden bij andere doelen als natuurgebieden en ecologische verbindingszones.

 

Regio

Brabantse Wal & De Baronie

Algemene omschrijving, gebiedseigen-schappen

De Brabantse Wal, de West-Brabantse venen en de Baronie maken onderdeel uit van deze Regio. Dit gebied bestaat vooral uit heide-, veen- en broekontginningen op deels sterk doorlatende zandbodems. Het is een vrij open landschap maar overal zijn in meer of mindere mate bosjes, bomenrijen en wegbeplantingen aanwezig. De hoeveelheid bebouwing wisselt. Het grondgebruik is intensief met op de akkers overwegend maïs, maar ook aardappels en bieten. Overal zijn afvoersloten gegraven die ook allemaal gestuwd zijn. Er is een goede drooglegging voor de landbouw en in droge periodes vindt beregening plaats. Boomkwekerijcomplexen zijn ook buiten dit leefgebied gevallen. Naast verharde wegen liggen er nog behoorlijk wat zandwegen met laanbeplanting. Het zoekgebied voor open akkerlandschap op zandgronden ligt verspreid over de zandregio.

 

De Brabantse Wal is geomorfologisch zeer bijzonder vanwege het macroreliëf, vooral aan de westzijde met een hoogteverschil van ca. 20 m tussen de wal en het ernaast gelegen kleigebied. De overgang naar het landschap ten oosten van de wal is meer geleidelijk. De landbouw op de Brabantse Wal is kleinschalig en versnipperd, waardoor het in landbouwkundig opzicht geen belangrijk gebied is. Er zijn enkele intensief gebruikte graslandgebieden in kwelzones met rundveebedrijven en akkerbouw. Het nog aanwezige kleinschalige besloten landschap is van belang voor de natuurwaarden.

 

De West-Brabantse venen maken deel uit van het zwak golvende dekzandlandschap. Anders dan in Oost-Brabant waren hier geen beeklopen, waardoor de dekzandkommen een slechte ontwatering hadden. Hierdoor ontstond op grote schaal veen. Stormvloeden hebben grote delen van het West-Brabantse veen weggeslagen. Plaatselijk zijn er kleine glastuinbouwcomplexen te vinden. Kenmerkende natuur wordt binnen de West-Brabantse venen gevonden in halfopen cultuurlandschappen (ten zuiden van Etten-Leur) en besloten cultuurlandschappen (rondom de Rucphense bossen en de strook Kievitpolder/ Pannenhoef).

 

De Baronie bestaat uit een afwisselend zandlandschap met een grofmazig mozaïek van oude en jonge zandontginningen en bossen. Kenmerkend voor de oude zandontginningen zijn de akkercomplexen met aan- en omliggende buurtschappen en bijhorende groenstructuren. De besloten jonge zandontginningen worden gekenmerkt door bebouwing langs oude wegen, kleinschaligheid door de afwisseling van akkers en weiden met bosjes en losstaande bomen. Op de overgang van bos naar beekdal is een coulisselandschap ontstaan met transparante bomenrijen, gericht op de beek. Verder is een onregelmatig verkavelingspatroon met weinig bebouwing kenmerkend.

 

De open jonge ontginningen hebben een meer open, rationeel en rechtlijnig karakter. De enkele strakke opgaande beplantingselementen in de vorm van wegbeplanting zijn verschillend gericht. Het is een van de belangrijkste gebieden voor amfibieën in Brabant.

 

Een focus bij de Brabantse Wal ligt op de ontsnippering van natuurgebieden en het realiseren van natte natuur. Voor de West Brabantse Venen ligt de focus op de bescherming en ontwikkeling van bestaande landschapselementen en het verbinden van de natuur van zand en klei. De focus binnen de Baronie ligt op het versterken van het contrast tussen beken- en boslandschap en het robuuster maken van de groenstructuur van het landschap.

Doelsoorten

Open akker – broedvogel: patrijs, roodborsttapuit

 

Dooradering: gulden boterbloem, knoflookpad, poelkikker, boomkikker, bunzing, slanke sleutelbloem, zomertaling, ransuil grauwe klauwier

Doel

Synergie van doelen wordt behaald door opgaven voor agrarische biodiversiteit, waterdoelen en klimaatdoelen te combineren. Het primaat ligt echt bij het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden en de populaties van soorten te versterken.

 

Voor het bevorderen van infiltratie wordt gekeken naar mogelijkheden om water in een gebied langer vast te houden. De mogelijkheid om hierbij ecologische doelen te realiseren zit in de realisatie van poelen.

Daarnaast wordt er gekeken of het mogelijk is om, bij voorkeur op gebiedsniveau, veengronden te vernatten.

Ecotopen

Akker- en graslandranden

 

Patrijs, kneu en geelgors zijn akkersoorten die niet persé in de meest open landschappen voorkomen maar juist profiteren van randen, ruigtes en in het geval van de geelgors van opgaande begroeiing. Aan opgaande begroeiing is in dit leefgebied geen gebrek. Wel aan rustig gelegen extensief gebruikte bloemrijke randen, overhoekjes en ruigtes met voedsel in de vorm van insecten en zaden. Voor de beschikbaarheid van wintervoedsel op akkers zijn graanranden en voedselveldjes ideaal en in het huidige landschap is kunstmatig aanbod van wintervoedsel ook noodzakelijk. Het is niet mogelijk het hele leefgebied te voorzien van randenbeheer en ruigtes voor de doelsoorten. De inzet wordt daarom geconcentreerd in gebiedsdelen waar aan criteria voor effectiviteit kan worden voldaan. De collectieven geven aan waar ze maatregelen willen nemen in een integraal beheerplan.

 

Ruigte

 

Een groot deel van de Nederlandse roodborsttapuiten bewoont het Brabantse agrarische gebied. In het verleden vooral aansluitend op natuurgebieden met heide, tegenwoordig overal in het boerenland waar voldoende ruige bermen en greppels en andere ruigtes aanwezig zijn.

 

Landschapselementen

 

Het versterken van de ecologische waarden van het landschap door te sturen op te behouden of te ontwikkelen kenmerken van het landschap, waarbij kenmerkende plant- en diersoorten van het kleinschalig besloten landschap (bijv. alpenwatersalamander), sloot- en greppelkanten (bijv. heikikker, roodborsttapuit), perceelranden en kleine wateren (poelkikker) goede indicatoren zijn. Het versterken van de grote verscheidenheid aan bossen bij de verdere ontwikkeling en beheer van de boscomplexen van de Brabantse Wal. Dit kan door in te zetten op ontwikkeling van de natuur- en recreatiewaarde van de bossen in samenhang met het versterken van het eigen karakter van het betreffende boscomplex.

 

Graslandflora percelen Maasheggen

Graslanden specifiek gericht op graslandflora.

 

Poelen

 

Poelen dienen als leefgebied voor verschillende soorten amfibieën. In het algemeen dienen de poelen

gelegen te zijn op een plek met een zonnig en vochtige microklimaat in de nabijheid van moerasruigte, breed bramenstruweel en kleinschalig door opgaande begroeiing. Deze poelen mogen periodiek droogvallen om kolonisatie door vis tegen te gaan.

Criteria zoekgebieden

Zie bijlage 3

Criteria voor effectiviteit

 

Algemeen

 

Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies

  • Voor het te beheren gebied wordt een integraal beheerplan gemaakt waarin verschillende ecotopen in dit leefgebied aan bod komen. Hierin wordt ook vermeld hoe aan de instapcriteria voldaan wordt;

  • In de gebiedsaanvraag wordt een onderbouwing van de locatie en het type beheer gegeven. O.a. hoe deze samenhangt met het beheer in agrarische leefgebieden en hoe synergie wordt gevonden bij andere doelen als natuurgebieden en ecologische verbindingszones.

Criteria voor effectiviteit

 

Leefgebied Open akkerland

 

Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies

  • Het werkgebied waarbinnen de maatregelen worden ingezet is tenminste 250 ha groot

  • De totale oppervlakte aan beheer beslaat tenminste 5% van het werkgebied, met een streven naar 10% binnen de zesjarige beheerperiode;

  • Het aandeel wintervoedsel (wintervoedselakker, veldleeuwerikrand, bloemenblok en natuurbraakstroken meerjarige vogelakker) beslaat tenminste 20% van het totale oppervlakte beheer• De totale oppervlakte aan kruidenrijke randen inclusief extensief beheerde ruige bermen en ruigtes is tenminste 5% van het afgesloten akkerbeheer in een werkgebied. 

  • Het kerngebied waar de maatregelen worden ingezet is al rijk aan de doelsoorten of maximaal 2 kilometer verwijderd van andere kerngebieden;

  • Binnen het kerngebied dient minimaal 1 ha wintervoedselgewas of graanranden per 100 ha aanwezig te zijn;

  • De bloemrijke graslandranden met een extensief (1x per jaar) of zeer extensief (1x per 3 jaar) maaibeheer worden alleen gerealiseerd aan de zuidzijde van rustig gelegen opgaande begroeiing of langs sloten en zandwegen;

  • Tenminste twee kilometer extensief beheerde ruige bermen en greppels per 100 ha kerngebied.

Criteria voor effectiviteit

 

Leefgebied Dooradering

 

Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies

  • -

    Het werkgebied waar de maatregelen worden ingezet is tenminste 50 ha groot

     

    Vlakdekkend botanisch beheer is alleen mogelijk op percelen waar minimaal 8 plantensoorten uit de indicatorsoortenlijst (bijlage 2) voorkomen. Bij het beheer wordt tijdens de 1e maaibeurt aan de randen een zone van minimaal 4 meter niet gemaaid.

  • De dichtheid aan zo min mogelijk onderbroken, ecologisch beheerde lijnvormige opgaande begroeiing en bosranden is minimaal 2 kilometer per 100 ha of tenminste 4% van de oppervlakte in waarbij voor bosranden een breedte van 10 meter wordt gehanteerd;

     

    De totale oppervlakte kruidenrijke randen is minimaal 5% van het afgesloten akkerbeheer in een werkgebied

     

    Tenminste 25% van de lijnvormige landschapselementen is tenminste aan één kant, liefst aan de zuidkant, voorzien van randenbeheer om vermesting te voorkomen en de ontwikkeling van mantel en bloemrijke zoomvegetaties te bevorderen.

  • Maatregelen voor de doelsoorten worden alleen genomen op plekken waar de soort al aanwezig is, aansluitend op een verspreidingskern of aansluitend op EVZ’s voor deze soort;

     

    Clusters van tenminste drie poelen, maximaal 400 meter verwijderd van andere clusters en bezette poelen, liefst bronpopulaties in natuurgebieden;

  • Indien buiten 1 kilometer van bestaande populaties dan tussen de 5-10 poelen;

  • Voor de poelenclusters en de omgeving wordt een integraal beheerplan gemaakt waarbij wordt samengewerkt met andere terreineigenaren, ook in het NNN;

  • Poelen zijn niet verbonden met sloten of ander open water en er vindt geen instroom van mest- of gifstoffen plaats. De ondergrond van nieuw aan te leggen poelen is niet te zwaar verontreinigd met meststoffen (stikstof en fosfaat);

  • Planmatig, roulerend, cyclisch onderhoud eens in de drie jaren of als de vegetatiegroei dat toelaat minder vaak;

  • Precieze dimensies, expositie, ligging en omgevingskenmerken zijn afgestemd op soort specifieke eisen van de doelsoorten;

  • Het collectief spreekt bijvoorbeeld indien mogelijk met het waterschap af de waterkwaliteit te monitoren omdat vermesting een groot risico is;

  • Poelen die grenzen aan een begraasde eenheid worden grotendeels uitgerasterd. Indien nodig wordt dynamisch uitrasteren toegepast. Dit geldt niet voor boomkikkerpoelen bij zeer extensieve begrazing (paarden/pony’s).- Planmatig beheerde eenheden zijn minimaal 50 ha groot en binnen het zoekgebied samen tenminste 1000 ha met een streven naar 2500 ha;

  • -

    Indien geen andere biotopen worden beheerd in de eenheid wordt een apart beheerplan gemaakt;

  • - -

  • De totale oppervlakte akkerflorabeheer, graanranden en wintervoedselveldjes is minimaal 2% van de akkers in het kerngebied;

  • Akkerfloraranden, graanranden en wintervoedselveldjes hebben een minimale breedte van 12 meter

  • Een beoordeling van een deskundige van de locatie als geschikt voor botanisch hooilandbeheer;

  • De graslandranden in combinatie met de opgaande landschapselementen zijn tenminste 3 meter, overige graslandranden minimaal zes meter breed. De breedte wordt gemeten vanaf de gewasperceelgrens.

Criteria voor effectiviteit

 

Categorie Water (W01)

 

Categorie Klimaat (K01)

In de gebiedsaanvraag wordt een onderbouwing van de locatie en het type beheer gegeven. O.a. hoe deze samenhangt met het beheer in agrarische leefgebieden en hoe synergie wordt gevonden bij andere doelen als natuurgebieden en ecologische verbindingszones.

 

Regio

Meijerij en Kempen

Algemene omschrijving, gebiedseigen-schappen

De Meijerij en de Kempen vormen de identiteit van deze Regio. Het gebied valt samen met de begrenzing van Waterschap de Dommel.

 

De Meierij maakt onderdeel uit van het dekzandplateau en bestaat uit verschillende dekzandruggen, afgewisseld door dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. Aan de noordkant wordt het gebied begrensd door de grote en brede oostwest lopende dekzandrug tussen Oss en Waalwijk. In het centrale lage deel van het gebied (omgeving Oisterwijk) zijn in het verleden laagten ontstaan waar water op de lemige ondergrond stagneerde en vennen zich vormden die volgroeide met veen. De ontwatering was hier een probleem. Beken stroomden vanuit zuid naar het noordoosten richting de laagten van het huidige Dommeldal. In het oosten ligt het dal van de rivier de Aa. Door de grote variatie in het landschap kent het gebied ook een grote biodiversiteit. Zo komen er door de afwisseling van vochtige bossen, heiden, vennen en beekdalen veel amfibieën voor in de Meierij. I

 

De Kempen maakt onderdeel uit van het zwak golvende dekzandplateau dat doorsneden wordt door de bovenlopen van de beeksystemen Grote en Kleine Dommel, Beerze en Reusel. Het plateau bestaat uit dekzandvlakten en -ruggen. De dekzandruggen hebben een grofzandige en arme bodem waar regenwater infiltreert, dat in de beekdalen als kwel naar boven komt. Op plaatsen met leem in de ondergrond stagneert regenwater en lagen destijds kleinere veenkussens. Daar zijn veelal vennen ontstaan. Van noordwest naar zuidoost ligt een breuklijn die de westgrens vormt van de Centrale Slenk. Hierdoor maakt het noorden en oosten van de Kempen deel uit van de Centrale Slenk.

 

Belangrijke identiteitsdragers van het agrarische cultuurlandschap zijn de akkercomplexen met aanliggende buurtschappen en groenstructuren.

Doelsoorten

Open akker – overwinteraars: rietganzen, blauwe kiekendiefOpen akker – broedvogels: geelgors, roodborsttapuitDooradering: gulden boterbloem, knoflookpad, rugstreeppad, kleine modderkruiper

Doel

Synergie van doelen wordt behaald door opgaven voor agrarische biodiversiteit, waterdoelen en klimaatdoelen te combineren. Het primaat ligt echt bij het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden en de populaties van soorten te versterken en te doen groeien.

 

Meerwaarde ligt in het verbinden van natuurgebieden en in te zetten op de ontwikkeling van robuuste beeksystemen van de Dommel, de Aa en de Essche Stroom. Waarbij naast duurzame waterhuishouding (bijv. door inundatiezones) ook de landschappelijke kwaliteit van het watersysteem versterkt wordt. Dit kan mede gedaan worden door jonge ontginningslandschappen robuuster te maken met meer beplantingsstructuur. Voor het bevorderen van infiltratie wordt gekeken naar mogelijkheden om water in een gebied langer vast te houden. Bijvoorbeeld via natte dooradering, waarbij het mogelijk is om ecologische doelen mee te koppelen.

Ecotopen

Poelen

In dit leefgebied zijn verder vooral de aan poelen gebonden amfibieën belangrijk. Binnen de ecologische hoofdstructuur zijn al veel poelen aanwezig en de populaties van de daar aanwezige soorten kunnen aanzienlijk worden versterkt door aansluitend in het agrarisch gebied poelen doelgericht te beheren en aan te leggen. De poelen binnen en buiten het NNN kunnen een netwerk vormen dat als één geheel kan worden beheerd. Planmatig, roulerend, cyclisch onderhoud is gewenst om de kans op uitsterven door calamiteiten en gelijktijdig onderhoud van een groot aantal poelen te voorkomen. Poelen liggen het best in groepjes van drie of meer dicht bijeen zodat het uitsterfrisico kan worden beperkt. Clusters van poelen liggen maximaal 400 meter uiteen, dan wel verwijderd van bestaande bezette poelen. In het algemeen zijn er wel kenmerken te geven van voor afzonderlijke soorten geschikte poelen, maar het is beter te streven naar diversiteit en lokaal maatwerk.

 

Opgaande begroeiing

In dit leefgebied gaat het ook om vogels van bosjes, houtwallen, struikgewas en ruigten. Langs bosranden wordt indien mogelijk een mantel een bloemrijke zoomvegetatie ontwikkeld. Singels en houtwallen worden zodanig beheerd dat er in uitgegroeide vorm meerdere vegetatielagen aanwezig zijn: kruid-, struik- en boomlaag. Hakhoutwallen worden planmatig cyclisch beheerd. Gezien het belang van struwelen en opgaande begroeiing voor boomkikker en kamsalamander kan beheer van poelen en opgaande begroeiing vaak gecombineerd worden evenals opgaande begroeiing met akkerranden en graslandbeheer.

 

Akkers en akkerranden

Binnen dit leefgebied zijn op drogere plekken akkers aanwezig met potenties voor akkervegetaties. Voor die plekken is akkerflorabeheer een optie, indien mogelijk als rand. Lokaal zijn ook populaties van de geelgors aanwezig. Daar is akkerrandenbeheer beheer gewenst met een deel graanranden zodat er ook in de winter voedsel beschikbaar is.

 

Grasland en graslandranden

Het Groene Woud is een bekende locatie van de slanke sleutelbloem. Hier niet alleen gebonden aan beken maar aan botanisch grasland(randen) beheer. Deze botanische hooigraslanden zijn ook de biotoop van het bont dikkopje die ook opgaande begroeiing nodig heeft.

 

Akker- en graslandranden

Patrijs, kneu en geelgors zijn akkersoorten die niet persé in de meest open landschappen voorkomen maar juist profiteren van randen, ruigtes en in het geval van de geelgors van opgaande begroeiing. Aan opgaande begroeiing is in dit leefgebied geen gebrek. Wel aan rustig gelegen extensief gebruikte bloemrijke randen, overhoekjes en ruigtes met voedsel in de vorm van insecten en zaden. Voor de beschikbaarheid van wintervoedsel op akkers zijn graanranden en voedselveldjes ideaal en in het huidige landschap is kunstmatig aanbod van wintervoedsel ook noodzakelijk. Het is niet mogelijk het hele leefgebied te voorzien van randenbeheer en ruigtes voor de doelsoorten. De inzet wordt daarom geconcentreerd in gebiedsdelen waar aan criteria voor effectiviteit kan worden voldaan. De collectieven geven aan waar ze maatregelen willen nemen in een integraal beheerplan

 

Ruigte

Een groot deel van de Nederlandse roodborsttapuiten bewoont het Brabantse agrarische gebied. In het verleden vooral aansluitend op natuurgebieden met heide, tegenwoordig overal in het boerenland waar voldoende ruige bermen en greppels en andere ruigtes aanwezig zijn.

Criteria zoekgebieden

Zie bijlage 3

Criteria voor effectiviteit

 

Algemeen

 

Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies

  • Voor het te beheren gebied wordt een integraal beheerplan gemaakt waarin verschillende ecotopen in dit leefgebied aan bod komen. Hierin wordt ook vermeld hoe aan de instapcriteria voldaan wordt;

  • In de gebiedsaanvraag wordt een onderbouwing van de locatie en het type beheer gegeven. O.a. hoe deze samenhangt met het beheer in agrarische leefgebieden en hoe synergie wordt gevonden bij andere doelen als natuurgebieden en ecologische verbindingszones

Criteria voor effectiviteit

 

Leefgebied Open akkerland

 

Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies

  • Het werkgebied waarbinnen de maatregelen worden ingezet is tenminste 250 ha groot

  • De totale oppervlakte aan beheer beslaat tenminste 5% van het werkgebied, met een streven naar 10%;

  • -

    Het aandeel wintervoedsel (wintervoedselakker, veldleeuwerikrand, bloemenblok en natuurbraakstroken meerjarige vogelakker) beslaat tenminste 20% van het totale oppervlakte beheer

  • Het kerngebied waar de maatregelen worden ingezet is al rijk aan de doelsoorten of maximaal 2 kilometer verwijderd van andere kerngebieden;

  • Voor het te beheren gebied wordt een integraal beheerplan gemaakt waarin verschillende ecotopen in dit leefgebied aan bod komen;

  • Binnen het kerngebied dient minimaal 1 ha wintervoedselgewas of graanranden per 100 ha aanwezig te zijn;

  • De bloemrijke graslandranden met een extensief (1x per jaar) of zeer extensief (1x per 3 jaar) maaibeheer worden alleen gerealiseerd aan de zuidzijde van rustig gelegen opgaande begroeiing of langs sloten en zandwegen; • Tenminste twee kilometer extensief beheerde ruige bermen en greppels per 100 ha kerngebied.

Criteria voor effectiviteit

 

Leefgebied Dooradering

 

Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies

  • -

    Het werkgebied waarbinnen de maatregelen worden ingezet is tenminste 50 ha groot

     

    Vlakdekkend botanisch beheer is alleen mogelijk op percelen waar minimaal 8 plantensoorten uit de indicatorsoortenlijst (bijlage 2) voorkomen. Bij het beheer wordt tijdens de 1e maaibeurt aan de randen een zone van minimaal 4 meter niet gemaaid.

  • De dichtheid aan zo min mogelijk onderbroken, ecologisch beheerde lijnvormige opgaande begroeiing en bosranden is minimaal 2 kilometer per 100 ha of tenminste 4% van de oppervlakte in waarbij voor bosranden een breedte van 10 meter wordt gehanteerd;

  • De totale oppervlakte kruidenrijke randen is minimaal 5% van het afgesloten akkerbeheer in een werkgebied

     

Tenminste 25% van de lijnvormige landschapselementen is tenminste aan één kant, liefst aan de zuidkant, voorzien van randenbeheer om vermesting te voorkomen en de ontwikkeling van mantel en bloemrijke zoomvegetaties te bevorderen.

  • Maatregelen voor de doelsoorten worden alleen genomen op plekken waar de soort al aanwezig is, aansluitend op een verspreidingskern of aansluitend op EVZ’s voor deze soort;

  • Clusters van tenminste drie poelen, maximaal 400 meter verwijderd van andere clusters en bezette poelen, liefst bronpopulaties in natuurgebieden;

  • Indien buiten 1 kilometer van bestaande populaties dan tussen de 5-10 poelen;

  • Voor de poelenclusters en de omgeving wordt een integraal beheerplan gemaakt waarbij wordt samengewerkt met andere terreineigenaren, ook in het NNN;

  • Poelen zijn niet verbonden met sloten of ander open water en er vindt geen instroom van mest- of gifstoffen plaats. De ondergrond van nieuw aan te leggen poelen is niet te zwaar verontreinigd met meststoffen (stikstof en fosfaat);

  • Planmatig, roulerend, cyclisch onderhoud eens in de drie jaren of als de vegetatiegroei dat toelaat minder vaak;

  • Precieze dimensies, expositie, ligging en omgevingskenmerken zijn afgestemd op soort specifieke eisen van de doelsoorten;

  • Het collectief spreekt bijvoorbeeld indien mogelijk met het waterschap af de waterkwaliteit te monitoren omdat vermesting een groot risico is;

  • Poelen die grenzen aan een begraasde eenheid worden grotendeels uitgerasterd. Indien nodig wordt dynamisch uitrasteren toegepast. Dit geldt niet voor boomkikkerpoelen bij zeer extensieve begrazing (paarden/pony’s).- Planmatig beheerde eenheden zijn minimaal 50 ha groot en binnen het zoekgebied samen tenminste 1000 ha met een streven naar 2500 ha;

  • -

    Indien geen andere biotopen worden beheerd in de eenheid wordt een apart beheerplan gemaakt;

  • De totale oppervlakte akkerflorabeheer, graanranden en wintervoedselveldjes is minimaal 2% van de akkers in het kerngebied;

  • Akkerfloraranden, graanranden en wintervoedselveldjes hebben een minimale breedte van 12 meter• Een beoordeling van een deskundige van de locatie als geschikt voor botanisch hooilandbeheer;

  • De graslandranden in combinatie met de opgaande landschapselementen zijn tenminste 3 meter, overige graslandranden minimaal zes meter breed. De breedte wordt gemeten vanaf de gewasperceelgrens.

  • Minimum schaal waarop de maatregelen worden genomen is een aaneengesloten netwerk van sloten binnen een gebied van 100 ha;• (Doodlopende) watergangen ten behoeve van de grote modderkruiper zijn voorzien van:

    • -

      Randen om inspoelen van meststoffen te voorkomen.

    • -

      Een dichte gevarieerde waterplanten- en oeverplanten (helofyten)vegetatie.

    • -

      Kleinschalig in ruimte en tijd gefaseerd onderhoud waarbij steeds slootvakken afgesloten blijven voor ander vissoorten die jonge grote modderkruipers eten.

    • -

      Een zo natuurlijk mogelijk waterpeil.• Sloten met natuurvriendelijke oevers zijn schoon en helder door maatregelen om instroom van meststoffen te beperken en worden uitgerasterd bij begrazing;

  • Sloten met natuurvriendelijke oevers hoeven niet jaarlijks te worden gemaaid maar worden planmatig, cyclisch en gefaseerd in ruimte en tijd onderhouden. Indien de vegetatiegroei dit toelaat niet vaker dan eens in de ongeveer vier jaren;

  • In sloten waarin de bittervoorn voorkomt worden bij het baggeren grote zwanenmossels teruggezet in de sloot. In de sloot houdt in dat dit op dezelfde hoogte is als waar de betreffende zoetwatermossel langs de sloot is gevonden. De zoetwatermossels mogen niet worden verzameld om vervolgens op het eind van de sloot te worden teruggegooid. Dit om te voorkomen dat de zoetwatermossels in een keer gepredeerd worden en er toch te weinig grote mossels overblijven.

Criteria voor effectiviteit

Categorie Water (W01)

Categorie Klimaat (K01)

In de gebiedsaanvraag wordt een onderbouwing van de locatie en het type beheer gegeven. O.a. hoe deze samenhangt met het beheer in agrarische leefgebieden en hoe synergie wordt gevonden bij andere doelen als natuurgebieden en ecologische verbindingszones.

 

Regio

De Peel

Algemene omschrijving, gebiedseigen-schappen

Regio De Peel wordt gevormd door de landschappelijke eenheden Peelrand en Peelkern. Aan de oostzijde grenst de Maasvallei en westelijk is de begrenzing van Waterschap Aa en Maas met Waterschap de Dommel de afbakening.

 

De Peelrand maakt onderdeel uit van het dekzandplateau en vormt de flanken van de Peelhorst. De Maas heeft hier in het verleden grove zanden afgezet. Door het westelijk gedeelte van de Peelrand loopt van noordwest naar zuidoost de Peelrandbreuk. Langs de Peelrandbreuk vindt nog steeds beweging plaats. Aan het aardoppervlak leidt dit tot een hoogteverschil van enkele meters, zodat de breuklijn plaatselijk in het landschap te volgen is. Door vergravingen en dekzandafzettingen is het hoogteverschil veelal gemaskeerd. Langs deze breuklijn komt kwel aan de oppervlakte (wijst). Het bijzondere van wijst is dat de hoger gelegen kant van de breuk (de horst) nat is en het lagergelegen deel (de slenk) droog.

 

De Peelkern is het centrale gedeelte van het dekzandplateau van de Peelhorst. De Peelhorst tekent zich als een verhoging van enkele meters in het landschap. De slenken aan weerszijden van de horst liggen lager. Het voormalige uitgestrekte hoogveenmoerasgebied op de Horst werkte als een grote spons voor het neerslagwater. Na de ontginning resteerde een zandplateau dat grotendeels een inzijgingsgebied is dat afwatert via beekjes op de Maas. Alleen het zuidelijk deel rond de Groote Peel watert af op de Aa.

 

De Peelkern is grootschalig en primair landbouwgebied. Er is een afwisseling van uitgestrekte akkers met bebouwing (ontginningsdorpen) en grootschalige bebossingen.

Doelsoorten

Open akker – overwinteraars: blauwe kiekendief, Open akker – broedvogels: geelgors, roodborsttapuit, Dooradering: geelgors, knoflookpad, kamsalamander, bittervoorn, hermelijn, slanke sleutelbloem

Doel

Synergie van doelen wordt behaald door opgaven voor agrarische biodiversiteit, waterdoelen en klimaatdoelen te combineren. Het primaat ligt echt bij het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden en de populaties van soorten te versterken en te doen groeien

 

De focus ligt op de zandgronden, die liggen verspreid over de hele zandregio. Door ontwatering en verkaveling zijn de agrarische natuurwaarden zwaar onder druk gezet. Het doel is om via randenbeheer en dooradering, zowel in droge als natte omstandigheden doelsoorten van het gebied terug te winnen en waar nog aanwezig te versterken.

 

Voor het bevorderen van infiltratie wordt gekeken naar mogelijkheden om water in een gebied langer vast te houden. Door middel van natte dooradering waarbij het mogelijk is om ecologische doelen mee te koppelen. 

Ecotopen

Akker- en graslandranden

 

Patrijs, kneu en geelgors zijn akkersoorten die niet persé in de meest open landschappen voorkomen maar juist profiteren van randen, ruigtes en in het geval van de geelgors van opgaande begroeiing. Aan opgaande begroeiing is in dit leefgebied geen gebrek. Wel aan rustig gelegen extensief gebruikte bloemrijke randen, overhoekjes en ruigtes met voedsel in de vorm van insecten en zaden. Voor de beschikbaarheid van wintervoedsel op akkers zijn graanranden en voedselveldjes ideaal en in het huidige landschap is kunstmatig aanbod van wintervoedsel ook noodzakelijk. Het is niet mogelijk het hele leefgebied te voorzien van randenbeheer en ruigtes voor de doelsoorten. De inzet wordt daarom geconcentreerd in gebiedsdelen waar aan criteria voor effectiviteit kan worden voldaan. De collectieven geven aan waar ze maatregelen willen nemen in een integraal beheerplan

 

Ruigte

Een groot deel van de Nederlandse roodborsttapuiten bewoont het Brabantse agrarische gebied. In het verleden vooral aansluitend op natuurgebieden met heide, tegenwoordig overal in het boerenland waar voldoende ruige bermen en greppels en andere ruigtes aanwezig zijn.

 

Poelen

Vooral de aan poelen gebonden amfibieën zijn belangrijk. Binnen de ecologische hoofdstructuur zijn al veel poelen aanwezig en de populaties van de daar aanwezige soorten kunnen aanzienlijk worden versterkt door aansluitend in het agrarisch gebied poelen doelgericht te beheren en aan te leggen.

 

Opgaande begroeiing

Het gaat ook om vogels van bosjes, houtwallen, struikgewas en ruigten. Langs bosranden wordt indien mogelijk een mantel een bloemrijke zoomvegetatie ontwikkeld. Singels en houtwallen worden zodanig beheerd dat er in uitgegroeide vorm meerdere vegetatielagen aanwezig zijn: kruid-, struik- en boomlaag. Hakhoutwallen worden planmatig cyclisch beheerd. Gezien het belang van struwelen en opgaande begroeiing voor boomkikker en kamsalamander kan beheer van poelen en opgaande begroeiing vaak gecombineerd worden evenals opgaande begroeiing met akkerranden en graslandbeheer

 

Grasland (percelen) en graslandranden

Het Groene Woud is een bekende locatie van de slanke sleutelbloem. Hier niet alleen gebonden aan beken maar aan botanisch grasland(randen) beheer. Deze botanische hooigraslanden zijn ook de biotoop van het bont dikkopje die ook opgaande begroeiing nodig heeft

Criteria zoekgebieden

Zie bijlage 3.

Criteria voor effectiviteit

 

Algemeen

 

Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies

  • Voor het te beheren gebied wordt een integraal beheerplan gemaakt waarin verschillende ecotopen in dit leefgebied aan bod komen. Hierin wordt ook vermeld hoe aan de instapcriteria voldaan wordt;

  • In de gebiedsaanvraag wordt een onderbouwing van de locatie en het type beheer gegeven. O.a. hoe deze samenhangt met het beheer in agrarische leefgebieden en hoe synergie wordt gevonden bij andere doelen als natuurgebieden en ecologische verbindingszones

Criteria voor effectiviteit

 

Leefgebied Open akkerland

 

Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies

  • Het werkgebied waar de maatregelen worden ingezet is tenminste 250 ha groot

  • De totale oppervlakte aan beheer beslaat tenminste 5% van het werkgebied, met een streven naar 10%;

    Het aandeel wintervoedsel (wintervoedselakker, veldleeuwerikrand, bloemenblok en natuurbraakstroken meerjarige vogelakker) beslaat tenminste 20% van het totale oppervlakte beheer• Het kerngebied waar de maatregelen worden ingezet is al rijk aan de doelsoorten of maximaal 2 kilometer verwijderd van andere kerngebieden;

    Binnen het kerngebied dient minimaal 1 ha wintervoedselgewas of graanranden per 100 ha aanwezig te zijn;

  • De bloemrijke graslandranden met een extensief (1x per jaar) of zeer extensief (1x per 3 jaar) maaibeheer worden alleen gerealiseerd aan de zuidzijde van rustig gelegen opgaande begroeiing of langs sloten en zandwegen; • Tenminste twee kilometer extensief beheerde ruige bermen en greppels per 100 ha.

Criteria voor effectiviteit

Leefgebied Dooradering

Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies

  • Maatregelen voor de doelsoorten worden alleen genomen op plekken waar de soort al aanwezig is, aansluitend op een verspreidingskern of aansluitend op EVZ’s voor deze soort;

  • Clusters van tenminste drie poelen, maximaal 400 meter verwijderd van andere clusters en bezette poelen, liefst bronpopulaties in natuurgebieden;

  • Indien buiten 1 kilometer van bestaande populaties dan tussen de 5-10 poelen;

  • Voor de poelenclusters en de omgeving wordt een integraal beheerplan gemaakt waarbij wordt samengewerkt met andere terreineigenaren, ook in het NNN;

  • Poelen zijn niet verbonden met sloten of ander open water en er vindt geen instroom van mest- of gifstoffen plaats. De ondergrond van nieuw aan te leggen poelen is niet te zwaar verontreinigd met meststoffen (stikstof en fosfaat);

  • Planmatig, roulerend, cyclisch onderhoud eens in de drie jaren of als de vegetatiegroei dat toelaat minder vaak;

  • Precieze dimensies, expositie, ligging en omgevingskenmerken zijn afgestemd op soort specifieke eisen van de doelsoorten;

  • Het collectief spreekt bijvoorbeeld indien mogelijk met het waterschap af de waterkwaliteit te monitoren omdat vermesting een groot risico is;

  • Poelen die grenzen aan een begraasde eenheid worden grotendeels uitgerasterd. Indien nodig wordt dynamisch uitrasteren toegepast. Dit geldt niet voor boomkikkerpoelen bij zeer extensieve begrazing (paarden/pony’s).

     

    Voor opgaande begroeiing:

    • -

      Planmatig beheerde eenheden zijn minimaal 50 ha groot en binnen het zoekgebied samen tenminste 1000 ha met een streven naar 2500 ha;

    • -

      Indien geen andere biotopen worden beheerd in de eenheid wordt een apart beheerplan gemaakt;

    • -

      De dichtheid aan zo min mogelijk onderbroken, ecologisch beheerde lijnvormige opgaande begroeiing en bosranden is minimaal 2 kilometer per 100 ha of neemt tenminste 4% van de oppervlakte in;

    • -

      Tenminste 25% van de lijnvormige landschapselementen is tenminste aan één kant, liefst aan de zuidkant, voorzien van randenbeheer om vermesting te voorkomen en de ontwikkeling van mantel en bloemrijke zoomvegetaties te bevorderen.

  • De totale oppervlakte akkerflorabeheer, graanranden en wintervoedselveldjes is minimaal 2% van de akkers in het kerngebied;

  • Akkerfloraranden, graanranden en wintervoedselveldjes hebben een minimale breedte van 12 meter

  • Op maximaal vijf locaties per deelgebied vlakdekkend hooilandbeheer voor flora met in totaal maximaal 5 ha per deelgebied;

  • Een beoordeling van een deskundige van de locatie als geschikt voor botanisch hooilandbeheer;

  • De graslandranden in combinatie met de opgaande landschapselementen zijn tenminste 3 meter, overige graslandranden minimaal zes meter breed. De breedte wordt gemeten vanaf de gewasperceelgrens.

Criteria voor effectiviteit

 

Categorie Water (W01)

 

Categorie Klimaat (K01)

In de gebiedsaanvraag wordt een onderbouwing van de locatie en het type beheer gegeven. O.a. hoe deze samenhangt met het beheer in agrarische leefgebieden en hoe synergie wordt gevonden bij andere doelen als natuurgebieden en ecologische verbindingszones.

 

Regio

Maasheggen 

Algemene omschrijving, gebiedseigen-schappen

Kenmerkende landschapselementen voor de Maasvallei zijn: de open akkercomplexen met aanliggende buurtschappen en groen, de Maasheggen, de oude geulen en steilranden. De akkers vormen doorgaans een vrij open landschap, maar overal zijn in meer of mindere mate bosjes, bomenrijen en wegbeplantingen aanwezig. Oude stroomgeulen van de Maas, zoals de Vilt, zijn als geomorfologische relicten nog duidelijk herkenbaar in het landschap.

 

Langs de oostgrens van Brabant heeft de Maas zich ingesneden in het landschap. Van oost naar west liggen in dit deelgebied; rivierdal, maasterrasruggen, maasterrasvlakte.

 

De Maasheggen zijn kenmerkend voor het rivierdal. De Maasheggen nemen in Noord-Brabant een unieke plek in door de schaal waarop het zich voordoet. Eeuwenoude hagen omzomen kleine landbouwpercelen. Het leefgebied Maasheggen is gelegen op de Brabantse oever van de Maas van Maashees tot Cuijk. Het is en langgerekt smal leefgebied. Het is in wezen het onbedijkte overstromingsgebied van de Maas. ‘s Winters kan het bij hoogwater onder lopen. Vroeger was de afzetting van slib door de rivier een belangrijke bron van bodemvruchtbaarheid. In het gebied zijn rivierduintjes aanwezig die echter bijna allemaal in natuurgebieden liggen. De bodem is verder vrij kleiig hoewel lokaal ook zand wordt afgezet. Het landschapsaspect wordt bepaald door de aanwezigheid van een dicht netwerk van struweelhagen met hier en daar bomen en bosjes. Bij het gangbare beheer worden veel hagen smal en laag gehouden door ze vaak te klepelen. Ze nemen daardoor weinig ruimte in beslag maar hebben een geringe waarde voor behoud van biodiversiteit. Verspreid in de hagen of op de hoeken van percelen staan vaak bomen, soms zijn dat knotbomen. Het grondgebruik bestaat zowel uit akkers als grasland. Vroeger domineerden graslanden. Bebouwing en boomgaarden zijn heel beperkt aanwezig. Er lopen een paar beekjes dwars door het gebied richting Maas. Er waren poelen geschikt voor amfibieën, waaronder zelfs boomkikkers, maar die zijn verdwenen. Het deelgebied is begrensd op basis van de aanwezigheid van netwerken van de cultuurhistorisch bijzondere ‘maasheggen’ waaraan specifieke fauna gebonden is. Door de aanwezigheid van het microreliëf en de afwisseling tussen bosschages en open akkers is de Maasvallei een leefgebied voor de das.

 

Karakteristiek voor de Maasterrasrug zijn de oude bebouwingslinten van afzonderlijke dorpen, afgewisseld door open akkercomplexen.

 

Het versterken van de ecologische waarden van de Maasvallei is mogelijk door te sturen op te behouden of te ontwikkelen kenmerken van het landschap. Waarbij kenmerkende plant- en diersoorten van heggen en houtwallen (bijv. de nachtegaal, grasmus, patrijs en das), het kleinschalig besloten landschap (bijv. steenuil, grote lijster), het halfopen landschap en akkerranden (bijv. geelgors en akkerandoorn), perceelranden, wegbermen en waterlopen (bijv. roodborsttapuit, rapunzelklokje en drijvende waterweegbree) indicatoren zijn. Het behoud van het leefgebied voor de das is als een schakel tussen de leefgebieden in Brabant, Gelderland en Limburg.

Doelsoorten

De doelsoorten per leefgebied staan in Bijlage 2. Voor de Regio worden benadrukt:

 

Open akkerland: roodborsttapuit, blauwe kiekendiefDooradering: bunzing, wezel, boomkikker, kamsalamander, zomertortel, spotvogel, gekraagde roodstaart, gulden boterbloem, sleedoornpage

Doel

Synergie van doelen wordt behaald door opgaven voor agrarische biodiversiteit, waterdoelen en klimaatdoelen te combineren. Het primaat ligt echt bij het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden en de populaties van soorten, zoals de sleedoornpage, te versterken en te doen groeien.

 

De landschapskwaliteit van de Maasheggen zelf is een belangrijk doel, samen met de brede biodiversiteit die daarmee samenhangt. Op de zandgronden is het doel om waardevolle extensieve en rustige plekken te vinden/creëren. Het tegengaan van verdroging is zowel voor biodiversiteit, als water en klimaat een doel.

Ecotopen

Struweel Maasheggen

 

De struweelhagen met verspreid bomen vormen de belangrijkste biotoop van dit leefgebied. Voor behoud van biodiversiteit is het belangrijk dat het merendeel kan uitgroeien tot echte struweelhagen door een lange beheercyclus van liefst vijf jaar of meer.

 

Akkerflora percelen Maasheggen

 

Akkers specifiek gericht op akkerflora.

 

Graslandflora percelen Maasheggen

 

Graslanden specifiek gericht op graslandflora.

 

Akker- en graslandranden Maasheggen

Patrijs en geelgors zijn akkersoorten die niet persé in de meest open landschappen voorkomen maar juist profiteren van struwelen. Ideaal voor de rust en voedselbeschikbaarheid is wanneer de struwelen grenzen aan randenbeheer. Dat kunnen graskruidenranden zijn of iets minder ambitieuze randentypes (Maasheggenpakket) voor grasland, maar e moeten in ieder geval bloemrijk zijn. Akkerflora randen zijn een optie, bij geschiktheid van de locatie hiervoor. Voor de beschikbaarheid van wintervoedsel op akkers zijn graanranden en wintervoedselveldjes ideaal.

 

Poelen

 

In het verleden kwamen boomkikkers voor in de Maasheggen. Mochten zich in de toekomst in de nabijheid van bestaande populaties kansen voordoen voor deze soort, dan is het nemen van maatregelen het overwegen waard. Op hoofdlijnen dienen poelen voor boomkikkers groot en ondiep te zijn, gelegen op een plek met een zonnig en vochtige microklimaat in de nabijheid van moerasruigte, breed bramenstruweel en kleinschalig door opgaande begroeiing. Deze poelen mogen periodiek droogvallen, mits dit gebeurt nadat de larven gemetamorfoseerd zijn en als kleine boomkikkers het land op kruipen.

 

Het nemen van soort specifieke maatregelen is ook aan de orde voor de kamsalamander, maar dan is periodiek droogvallen niet gewenst. Maatwerk is dus van toepassing. Van maatregelen voor boomkikker en kamsalamander profiteert ook de poelkikker.

Criteria zoekgebieden

Zie bijlage 3.

Criteria voor effectiviteit

 

Algemeen

  • Voor het te beheren gebied wordt een integraal beheerplan gemaakt waarin verschillende ecotopen in dit leefgebied aan bod komen. Hierin wordt ook vermeld hoe aan de instapcriteria voldaan wordt;

  • In de gebiedsaanvraag wordt een onderbouwing van de locatie en het type beheer gegeven. O.a. hoe deze samenhangt met het beheer in agrarische leefgebieden en hoe synergie wordt gevonden bij andere doelen als natuurgebieden en ecologische verbindingszones

Criteria voor effectiviteit

 

Leefgebied Open akkerland

 

Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies

  • Minimum schaal waarop de maatregelen worden genomen is een kerngebied van 200 ha in een min of meer open landschap;

  • De totale oppervlakte aan beheer beslaat tenminste 5% van het werkgebied, met een streven naar 10%;

    • -

      Het aandeel wintervoedsel (wintervoedselakker, veldleeuwerikrand, bloemenblok en natuurbraakstroken meerjarige vogelakker) beslaat tenminste 20% van het totale oppervlakte beheer

  • Het kerngebied waar de maatregelen worden ingezet is al rijk aan de doelsoorten of maximaal 2 kilometer verwijderd van andere kerngebieden; • Binnen het kerngebied dient minimaal 1 ha wintervoedselgewas of graanranden per 100 ha aanwezig te zijn;

  • De bloemrijke graslandranden met een extensief (1x per jaar) of zeer extensief (1x per 3 jaar) maaibeheer worden alleen gerealiseerd aan de zuidzijde van rustig gelegen opgaande begroeiing of langs sloten en zandwegen;

  • De totale oppervlakte aan randen inclusief extensief beheerde ruige bermen en ruigtes is tenminste 5% van het beheerde areaal.

  • Tenminste twee kilometer extensief beheerde ruige bermen en greppels per 100 ha kerngebied.

Criteria voor effectiviteit

 

Leefgebied Dooradering

 

Instap criteria dikgedrukt, overige criteria zijn een advies

  • Maatregelen voor de doelsoorten worden alleen genomen op plekken waar de soort al aanwezig is, aansluitend op een verspreidingskern of aansluitend op EVZ’s voor deze soort; 

    Struweel Maasheggen

  • Minimum schaal van de maatregelen is een aaneengesloten gebied van 50 ha;

  • Voor het te beheren gebied wordt een integraal beheerplan gemaakt waarin verschillende ecotopen in dit leefgebied aan bod komen;

  • De dichtheid aan ecologisch goed beheerde struwelen is tenminste 2 kilometer met een streven naar 4 kilometer per 100 ha;

  • Tenminste 75% van de met een vergoeding beheerde hagen wordt voorzien van onderhoud met een beheercyclus van tenminste vijf jaren, bij voorkeur veel langer (12-18 jaar);

  • Jaarlijks wordt slechts een deel van de hagen afgezet volgens het beheerplan, zodat niet periodiek een grote kaalslag plaatsvindt;

  • Van de hagen met een vergoeding mag het aandeel knip- en scheerhagen (niet klepelen) met een cyclus van twee of drie jaar maximaal 10% zijn.

  • Tenminste 50% van de struwelen met beheer is tenminste eenzijdig, liefst aan de zuidkant (>75%), voorzien van een bloemrijke rand, of akkerrand.

Akkerflora-percelen Maasheggen

  • Een beoordeling van een deskundige van de locatie als geschikt. Deze zijn bij voorkeur droog en zandig

Graslandflora Maasheggen

  • Tenminste vijf locaties met een hooilandbeheer met in totaal maximaal 5 ha in dit leefgebied;

  • Een beoordeling van een deskundige van de locatie als geschikt

Akker- en graslandranden Maasheggen

  • Tenminste 75% van randen ligt langs een struweel;

  • 30% van de randen is een graanrand;

  • Graanranden en wintervoedselveldjes hebben een minimale breedte van 12 meter;

  • De randen in combinatie met maasheggen zijn tenminste 3 m, maar bij voorkeur 6 m, akkerfloraranden tenminste 12 m en andere randen 6 m breed. De breedte wordt gemeten vanaf de gewasperceelgrens.

Poelen Maasheggen

  • Clusters van tenminste drie poelen, maximaal 400 meter verwijderd van andere clusters en bezette poelen, liefst bronpopulaties in natuurgebieden;

  • Indien buiten 1 kilometer van bestaande populaties dan tussen de 5-10 poelen;

  • Voor de poelenclusters en de omgeving wordt een integraal beheerplan gemaakt waarbij wordt samengewerkt met andere terreineigenaren, ook in het NNN;

  • Poelen zijn niet verbonden met sloten of ander open water en er vindt geen instroom van mest- of gifstoffen plaats. De ondergrond van nieuw aan te leggen poelen is niet te zwaar verontreinigd met meststoffen (stikstof en fosfaat);

  • Planmatig, roulerend, cyclisch onderhoud eens in de drie jaren of als de vegetatiegroei dat toelaat minder vaak;

  • Precieze dimensies, expositie, ligging en omgevingskenmerken zijn afgestemd op soort specifieke eisen van de doelsoorten;

  • Het collectief spreekt bijvoorbeeld indien mogelijk met het waterschap af de waterkwaliteit te monitoren omdat vermesting een groot risico is;

  • Poelen die grenzen aan een begraasde eenheid worden grotendeels uitgerasterd. Indien nodig wordt dynamisch uitrasteren toegepast. Dit geldt niet voor boomkikkerpoelen bij zeer extensieve begrazing (paarden/pony’s).

Criteria voor effectiviteit

 

Categorie Water (W01)

 

Categorie Klimaat (K01)

In de gebiedsaanvraag wordt een onderbouwing van de locatie en het type beheer gegeven. O.a. hoe deze samenhangt met het beheer in agrarische leefgebieden en hoe synergie wordt gevonden bij andere doelen als natuurgebieden en ecologische verbindingszones.

Artikel VI Inwerkingtreding.

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel VII Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: 1e partiële wijziging Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2023.

’s-Hertogenbosch, 5 december 2022

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

de voorzitter,

mr. I.R. Adema

de secretaris,

drs. P.J. Buijtels

Bezwaar

Bezwaren tegen dit besluit kunnen binnen zes weken na de bekendmaking van dit besluit worden ingediend bij:

 

Het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant

Secretariaat van de hoor- en adviescommissie

Postbus 90151

5200 MC te ‘S HERTOGENBOSCH

 

Wij vragen u om op de linkerbovenhoek van de envelop het woord "bezwaarschrift" te vermelden.

 

Het bezwaarschrift moet zijn voorzien van een handtekening, naam en adres van de indiener, de dagtekening en ons kenmerk van het besluit. Ook dient u een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is en de gronden van het bezwaar hierin op te nemen.

 

Daarnaast vragen wij u vriendelijk om een kopie van dit besluit bij te voegen. Kunt u ons ook uw telefoonnummer geven? De provincie kan dan, mocht dit nodig zijn, u bellen om samen de beste aanpak van behandeling van uw bezwaarschrift te bespreken.

 

Meer informatie over de behandeling van bezwaarschriften vindt u op www.brabant.nl/bezwaar.

 

U kunt het secretariaat van de Hoor- en adviescommissie bereiken via telefoonnummer (073) 680 83 04, faxnummer (073) 680 76 80 en e mailadres bezwaar@brabant.nl.

 

Voorlopige voorziening

Bovenstaand besluit treedt in werking, ook al wordt een bezwaarschrift ingediend. Het is daarom mogelijk om gelijktijdig met of na het indienen van een bezwaarschrift een zogenaamde “voorlopige voorziening” te vragen bij: de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Oost-Brabant, sector Bestuursrecht, Postbus 90125, 5200 MA 's Hertogenbosch.

 

Een voorlopige voorziening is in feite het nemen van een tijdelijke maatregel, bijvoorbeeld het schorsen van het besluit gedurende de tijd die nodig is om de bezwaren te behandelen en daarop een besluit te nemen. Voorwaarde om zo’n voorlopige voorziening te vragen is, dat er sprake is van spoedeisend belang.

 

Voor het vragen van een voorlopige voorziening is griffierecht verschuldigd.

 

Toelichting wijzigingsverzoeken NNB

 

Beleidskader Natuurbeheerplan

 

Wij toetsen wijzigingsverzoeken aan de meerwaarde voor de kwaliteit van het Natuur Netwerk Brabant (NNB, voorheen EHS). Een eventueel nieuw verzoek tot uitbreiding van het NNB zal in principe vergezeld moeten gaan van een evenredig verzoek tot vermindering elders. Daarbij valt het toevoegen van NNB in principe in de categorie Provinciale NNB. Uitbreiding van het Rijksdeel van het NNB is maar beperkt mogelijk. Verder toetsen wij wijzigingsverzoeken op de hoogte van de (toekomstige) beheerkosten. Deze zullen realistisch dienen te zijn. De beschikbare middelen voor beheer dienen efficiënt door ons ingezet te worden.

 

Het Natuurbeheerplan omschrijft de actuele waarde en het kwaliteitsstreefbeeld voor de bestaande en nog te ontwikkelen natuurgebieden binnen de provincie Noord-Brabant. Dit plan vormt de basis voor verwerving en inrichting van het NNB en het gesubsidieerde Natuurbeheer in de provincie.

Ook geeft het Natuurbeheerplan inzicht in de mogelijkheden voor het gesubsidieerde agrarisch natuur- en landschapsbeheer in onze provincie.

Door middel van regelmatige wijzigingen, zoals via dit besluit, passen wij met name de bijbehorende kaarten van het Natuurbeheerplan aan.

 

Het provinciale beleid voor subsidies voor behoud en ontwikkeling van natuurgebieden en landschappen is te vinden in de “Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant 2016” (SNL 2016 van 11 november 2017). Het algemene beleid voor het natuurbeheer is te vinden in “Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2023”. Onderdelen van dit “Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2023” zijn de volgende:

 

De beheertypenkaart bevat de actueel voorkomende natuur in Brabant in het veld en vormt de grondslag voor de beheersubsidie in het kader van het subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). Aangezien veranderingen optreden door beheer en ontwikkeling moet de beheertypenkaart periodiek worden geactualiseerd. Het verkrijgen van beheervergoeding is mogelijk via collectieven of een individuele aanvraag van minimaal 200 ha.

 

De ambitiekaart geeft het gewenste eindbeeld (ambitie) van het NNB in Brabant aan. Ook in deze kaart kunnen wijzigingen optreden. Zoekgebieden zijn een onderdeel van de ambitiekaart. In dergelijke zoekgebieden bestaat de keuze uit (meestal) 3 mogelijke ambitietypen.

 

Het algemene beleid voor het agrarisch natuurbeheer is ook te vinden in “Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2023”. Per 2023 geeft de provincie nieuwe subsidiebeschikkingen af aan agrarische collectieven voor de uitvoering van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2023 geeft via teksten en kaarten kaders aan het agrarisch natuur- en landschapsbeheer.

 

Voor agrarisch natuurbeheer bestaan er diverse kaartlagen die aangeven welke subsidiemogelijkheden in welk gebied beschikbaar kunnen zijn. Deze mogelijkheden verlopen allen via een Agrarisch natuurcollectief.

 

Het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB) verleent functieveranderings- en inrichtingssubsidie ten behoeve van de realisatie van Nieuwe Natuur in het NNB. Het Groen Ontwikkelfonds Brabant heeft de bevoegdheid binnen een vastgesteld kader (zie de site van het GOB) functieveranderings- en inrichtingssubsidie te mogen verlenen voor een perceel met gewijzigde ambitie ten opzichte van het geldende Natuurbeheerplan. Tevens is het Groen Ontwikkelfonds Brabant bevoegd dergelijke subsidie te verlenen voor percelen tot 5 ha. aansluitend aan het rijksdeel van het NNB en voor percelen tot 25 ha. aansluitend aan het provinciale deel van het NNB. Wij voeren de wijzigingen volgend op de subsidieverlening door het Groen Ontwikkelfonds Brabant na beoordeling door in het Natuurbeheerplan (en in de Interim Omgevingsverordening (IOV), zie hiervoor artikel 2 en 3.

 

Indienen wijzigingsverzoek en subsidie voor beheer

 

De kaarten van het Natuurbeheerplan worden 3 keer per jaar aangepast. Het is voor eenieder mogelijk wijzigingsverzoeken in te dienen. De wijzigingsverzoeken zullen een ecologische of hydrologische onderbouwing moeten hebben.

De perioden van indienen zijn als volgt:

  • Indienen tot 1 januari van grenswijzigingen. Ontwerp besluit GS in april en definitief besluit GS in september. Beide besluiten zijn in samenhang met de Interim Omgevingsverordening.

  • Indienen tot 1 januari van wijziging natuurbeheertypen op de ambitiekaart en/of de beheertypenkaart. Besluit GS in april.

  • Indienen tot 1 mei van wijziging natuurbeheertypen op de ambitiekaart en/of de beheertypenkaart. Besluit GS in september.

  • Indienen tot 1 september van wijziging natuurbeheertypen op de ambitiekaart en/of de beheertypenkaart. Besluit GS in december.

Het GS besluit van september van ieder jaar is de basis voor het verlenen van beheersubsidie voor natuurbeheer in het daaropvolgende kalenderjaar. Het is mogelijk nog een latere wijziging door GS te laten vaststellen in december (met doorwerking voor de te verlenen subsidie), maar de samenloop met de aanvraagperiode voor beheersubsidie van half november tot eind december maakt het in dit geval nodig in vooroverleg met de provincie te treden.

Het verlenen van subsidie is afhankelijk van o.a. cumulatie van beheervergoeding, continuatie van beheervergoeding en het op subsidiabel ja staan van het perceel in het Natuurbeheerplan (een zogenaamd label). De regelgeving voor continuatie en cumulatie is te vinden in het genoemde SNL 2016 van de provincie.

 

Samenhang met de procedure Interim Omgevingsverordening

 

De Interim Omgevingsverordening biedt ons de mogelijkheid de begrenzing

van het NNB aan te passen ten einde de ecologische samenhang te verbeteren, ("wijziging op basis van ecologische gronden"). De ecologische beoordeling van verzoeken van derden die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op een wijziging (lees: uitbreiding of verkleining) van de begrenzing van het NNB vindt plaats in het Natuurbeheerplan. Daar waar aanleiding bestaat aan de verzoeken tegemoet te komen, wordt gelijktijdig besloten tot aanpassing van de grenzen van het NNB in de Interim Omgevingsverordening. Deze grenzen zijn te vinden op de themakaart “natuur en landschap” in deze Verordening en in de viewer van het Natuurbeheerplan in de map Overige kaarten en daarbinnen de kaartlaag Natuur Netwerk Brabant. Omdat aan het besluit tot wijziging van de Interim Omgevingsverordening vanuit wetgeving andere eisen worden gesteld is dit een apart besluit met een eigen procedure. De besluiten zijn inhoudelijk geheel op elkaar afgestemd. De wijzigingen in de NNB-begrenzing in de Interim Omgevingsverordening zijn dan ook direct overgenomen c.q. gehanteerd in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2023.

 

Voor alle duidelijkheid is in voorliggend besluit ook steeds vermeld of er sprake is van een wijziging in de Interim Omgevingsverordening. Dit biedt duidelijkheid aan belanghebbenden doordat er een op elkaar afgestemd standpunt in het kader van beide besluiten is. Het besluit tot wijziging van de NNB grens heeft daardoor zowel ruimtelijke betekenis als een bindende werking voor subsidie aanvragen. Het besluit leidt tot een grenswijziging op de themakaart “natuur en landschap”, behorende bij de Interim Omgevingsverordening en op de ambitiekaart in het Natuurbeheerplan.

 

Ondernemend Natuur Netwerk Brabant (ONNB)

 

Het Groen Ontwikkelfonds Brabant heeft de bevoegdheid om voor percelen functieveranderingssubsidie en inrichtingssubsidie te verlenen binnen het door de provincie vastgestelde kader voor Ondernemend Natuur Netwerk Brabant (ONNB). Een belangrijk onderdeel van dit kader is dat de functie van de grond in het NNB agrarisch blijft, met de toevoeging “natuur en landschapswaarden” en dus niet wordt omgezet naar de functie natuur. Een ander belangrijk aspect is dat de ONNB status bij het Kadaster in een Kwalitatieve Verplichting op het perceel wordt vastgelegd. Na het inrichten van het perceel bestaat geen mogelijkheid voor beheersubsidie. Doel van het ONNB dat er voor 50% natuurwaarden ontstaan en voor 50% landbouwkundige of andere economische productie plaatsvindt. De natuurwaarden geven wij aan in het passende natuurbeheertype op de ambitiekaart en de beheertypenkaart. Op de beheertypenkaart wordt een B-nummer opgenomen in plaats van een N-nummer. Door een B-nummer te gebruiken blijft recht bestaan op agrarische subsidies.

 

De overeenkomsten die het Groen Ontwikkelfonds Brabant onder de aanduiding ONNB voor percelen afsluit registreren wij in een aparte aanduiding in het Natuurbeheerplan, zie hiervoor de legenda. Daarmee zijn de percelen ingericht voor het NNB en is realisatie een feit.

 

Naar boven