Openstelling POP 3 Samenwerking voor innovaties biodiversiteit 2021

 

Gedeputeerde Staten van Drenthe;

 

gelet op artikel 1.3 en paragraaf 2.10 van de Verordening subsidies Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 (Verordening POP3-subsidies provincie Drenthe), hierna te noemen de Verordening

 

overwegende dat;

 

Gedeputeerde Staten samen met de landbouw- en natuurorganisaties in de Agenda Boer, Burger en Biodiversiteit samenwerken om de transitie van de landbouw te stimuleren, en de biodiversiteit en de landschappelijke kwaliteit te verbeteren;

 

Gedeputeerde Staten toe willen werken naar een systeem met kritische prestatie indicatoren waarbij boeren op duurzaamheids- en biodiversiteitsdoelen worden gestimuleerd en beloond, het vakmanschap van de boer meer centraal wordt gesteld en minder op het voorschrijven van regels en maatregelen wordt gestuurd;

 

 

BESLUITEN:

 

het openstellingsbesluit POP 3 Samenwerking voor innovaties biodiversiteit 2021 vast te stellen.

 

 

Dit besluit treedt in werking op de 1 oktober 2021.

 

 

Gedeputeerde Staten voornoemd,

 

mevrouw drs. J. Klijnsma, voorzitter

W.F. Brenkman MSc, secretaris

 

 

Assen, 28 september 2021

Kenmerk 5.8/2021001681

 

 

Uitgegeven: 30 september 2021

 

 

 

Artikel 1 Openstelling en subsidieplafond

 

  • 1.

    De maatregel Samenwerking voor innovaties biodiversiteit 2021, zoals opgenomen in hoofdstuk 2, paragraaf 10, van de Verordening, wordt opengesteld van vrijdag 1 oktober 2021 9.00 uur tot en met dinsdag 30 november 2021 17.00 uur.

  • 2.

    Het subsidieplafond bedraagt € 1.900.000,-- en bestaat voor 50% uit Europese middelen (ELFPO) en 50% uit provinciale cofinancieringsmiddelen.

  • 3.

    De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten.

 

Artikel 2 Begripsbepalingen

 

In aanvulling op artikel 1.1 van de Verordening wordt in dit besluit verstaan onder:

 

  • a.

    SNN: Samenwerkingsverband Noord-Nederland;

  • b.

    Gecertificeerd agrarisch collectief: vereniging met volledige rechtsbevoegdheid bestaande uit landbouwers en andere grondgebruikers van landbouwgrond, die beschikt over een geldig certificaat collectief agrarisch natuurbeheer, verleend door Gedeputeerde Staten van de provincie op wier grondgebied haar werkgebied is gelegen;

  • c.

    Samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband zoals omschreven in artikel 1.6 van de Verordening.

 

Artikel 3 Doelgroep

 

  • 1.

    De subsidie wordt verleend aan een samenwerkingsverband dat bestaat uit één of meer gecertificeerde agrarische collectieven samen met onder andere landbouwers, producentengroeperingen, coöperaties of brancheorganisaties.

  • 2.

    Samenwerkingsverbanden als bedoeld in het eerste lid komen slechts voor subsidie in aanmerking indien:

    • a.

      een deelnemende natuurlijke persoon geen eigenaar is van of zeggenschap heeft over een deelnemende rechtspersoon, en

    • b.

      een deelnemende rechtspersoon niet dezelfde eigenaar heeft als een andere deelnemende rechtspersoon.

 

Artikel 4 Subsidiabele activiteiten

 

Subsidie kan worden verstrekt voor:

 

  • a.

    het formuleren van een regionaal of sectoraal plan voor het bereiken van toekomstgerichte landbouw als uitwerking van de Agenda Boer, Burger en Biodiversiteit;

  • b.

    de uitvoering van proefprojecten ter uitvoering van het regionale of sectorale plan als uitwerking van de Agenda Boer, Burger en Biodiversiteit

  • c.

    monitoring van en gegevensverzameling over de uitvoering en opbrengsten van de proefprojecten.

 

Artikel 5 Subsidievereisten

 

  • 1.

    Om voor subsidie als bedoeld in artikel 4 in aanmerking te komen moet worden voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project wordt geheel of grotendeels uitgevoerd in de provincie Drenthe en de resultaten worden verspreid door kennisbijeenkomsten, experimenten, demovelden of studiegroepen;

    • b.

      subsidie wordt alleen verstrekt voor kosten voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van het project;

    • c.

      het project is gericht op het praktijkrijp maken van kennis en innovatie alsmede één of meerdere van de volgende thema’s:

      • a.

        maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik of een meer gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlaktewater en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen;

      • b.

        klimaatmitigatie;

      • c.

        klimaatadaptatie;

      • d.

        behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit.

    • d.

      de activiteiten dragen bij aan:

      • a.

        het vergroten van draagvlak in het gebied of de sector waar het project op is gericht, of

      • b.

        het uitproberen van nieuwe samenwerkingsvormen tussen de partijen die betrokken zijn bij de uitvoering van het project.

2. Onverminderd het eerste lid, liggen aan het project ten grondslag:

    • a.

      een projectplan conform format SNN;

    • b.

      een begroting van de kosten en inkomsten van het project conform format SNN;

    • c.

      een toelichting op de begroting;

    • d.

      een sluitend financieringsplan van de kosten van de activiteit, met inbegrip van een opgave van subsidies of vergoedingen die voor dezelfde activiteiten bij andere bestuursorganen, private organisaties of personen zijn aangevraagd, onder vermelding van de stand van zaken daarvan;

    • e.

      een verkenning naar de mogelijke negatieve omgevingseffecten van de investering, indien de aanvraag betrekking heeft op een investering en de investering naar waarschijnlijkheid leidt tot negatieve omgevingseffecten.

  • 3.

    Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend bij Gedeputeerde Staten, via het SNN. De aanvraag kan ingediend worden via het webportal op www.snn.nl/pop3.

 

Artikel 6 Weigeringsgronden

 

  • 1.

    Subsidie wordt niet verstrekt indien het subsidiebedrag na beoordeling lager is dan € 800.000,--.

  • 2.

    In overeenstemming met artikel 2.10.4 van de Verordening, wordt subsidie geweigerd:

    • a.

      indien er voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele kosten reeds op grond van hoofdstuk 3 van de Verordening (LEADER) subsidie is verstrekt;

    • b.

      voor kosten gericht op de reguliere bedrijfsvoering van bestaande reguliere samenwerkingsactiviteiten;

    • c.

      indien steun niet wordt aangevraagd voor een proefproject of de ontwikkeling van nieuwe producten, praktijken, processen of technieken in de landbouw-, de voedingsmiddelen- of de bosbouwsector;

    • d.

      indien de aanvraag niet wordt gedaan door een pas opgericht samenwerkingsverband of netwerk of het niet gaat om een activiteit die nieuw is voor een reeds bestaand samenwerkingsverband of netwerk.

 

Artikel 7 Aanvraag

 

In overeenstemming met artikel 2.10.3 van de Verordening bevat de aanvraag:

  • a.

    een beschrijving van het uit te voeren innovatieve project, inclusief een beschrijving van het te ontwikkelen, te testen of aan te passen product, proces of procedure;

  • b.

    een beschrijving van de verwachte resultaten en van de bijdrage aan de doelstelling om de productiviteit en het duurzame beheer van hulpbronnen te verbeteren;

  • c.

    een uitwerking van de beoogde activiteiten voor kennisverspreiding van de resultaten met gebruik van de hiertoe geëigende netwerken;

  • d.

    een beschrijving van de interne procedures van het samenwerkingsverband waarmee transparante werking en besluitvorming gegarandeerd wordt en waarmee belangenconflicten worden voorkomen.

 

Artikel 8 Subsidiabele kosten

 

  • 1.

    Voor het formuleren van een regionaal of sectoraal plan wordt subsidie verstrekt voor de volgende kosten:

    • a.

      kosten voor het werven van deelnemers;

    • b.

      kosten voor het netwerken om het project goed te definiëren;

    • c.

      kosten voor het opstellen van een regionaal of sectoraal plan en de samenwerkingsovereenkomst;

    • d.

      kosten voor projectmanagement en projectadministratie.

  • 2.

    Voor de uitvoering van proefprojecten wordt subsidie verstrekt voor de volgende kosten:

    • a.

      coördinatiekosten van het samenwerkingsverband;

    • b.

      kosten voor het verspreiden van resultaten van de proefprojecten;

    • c.

      operationele kosten direct verbonden aan de uitvoering van de proefprojecten;

    • d.

      kosten voor projectmanagement en projectadministratie. Indien voor de uitvoering van de proefprojecten een fysieke investering wordt gedaan, wordt subsidie verstrekt voor:

      • a.

        kosten voor bouw of verbetering van onroerende zaken;

      • b.

        kosten voor verwerving of leasing van onroerende zaken;

      • c.

        kosten voor aankoop van grond;

      • d.

        kosten van de koop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;

      • e.

        algemene kosten als bedoeld in artikel 1.12a van de Verordening.

  • 3.

    In afwijking van artikel 1.12 van de Verordening kunnen de subsidiabele kosten genoemd in lid 1 slechts bestaan uit de volgende kostentypen:

    • a.

      personeelskosten voor zover zij zijn berekend overeenkomstig artikel 1.9 of 1.9a van de verordening;

    • b.

      kosten derden: kosten waarvoor een factuur of document met gelijkwaardige bewijskracht kan worden overgelegd.

 

Artikel 9 Selectiecriteria, weging en selectie

 

  • 1.

    In aanvulling op artikel 1.15a van de Verordening worden de projecten gerangschikt op volgorde van het aantal behaalde punten, van hoog naar laag;

  • 2.

    In het geval het subsidieplafond zal worden overschreden door een aanvraag waarbij het gevraagde subsidiebedrag hoger is dan het resterende bedrag van het subsidieplafond of indien het subsidiebedrag wordt overschreden door meerdere aanvragen en de onderlinge rangschikking tussen de aanvragen is gelijk, kunnen Gedeputeerde Staten besluit dat het subsidieplafond wordt verhoogd met het bedrag dat nodig is om de projecten die zorgen voor de overschrijding van het subsidieplafond te subsidiëren.

  • 3.

    Een door Gedeputeerde Staten ingestelde adviescommissie stelt een prioriteitenlijst op door middel van een rangschikking door het toekennen van punten op grond van de selectiecriteria, zoals opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit.

 

Artikel 10 Bevoorschotting op basis van realisatie (tussentijdse betaling)

 

  • 1.

    In aanvulling op artikel 1.23 van de Verordening kan twee keer per kalenderjaar een aanvraag om een voorschot (deelbetaling) worden ingediend.

  • 2.

    De aanvraag om een voorschot heeft betrekking op minimaal 25% van de verleende subsidie of minimaal € 50.000,-- aan subsidie.

 

Artikel 11 Realisatie van het project

 

In overeenstemming met artikel 1.27, eerste lid, van de Verordening, dient het verzoek tot vaststelling van de subsidie uiterlijk op 1 juli 2024 te zijn ingediend.

 

Artikel 12 Inwerkingtreding en horizonbepaling

 

  • 1.

    Dit besluit treedt in werking op 1 oktober 2021.

  • 2.

    Dit besluit vervalt van rechtswege op 31 december 2025.

 

 

Bijlage 1 Scoretabel

 

In onderstaande tabel staan de vier criteria voor de beoordeling uitgewerkt. Voor elk criterium geldt dat er maximaal 5 punten worden toegekend:

0 punten: zeer geringe bijdrage

1 punt: geringe bijdrage

2 punten: matige bijdrage

3 punten: voldoende bijdrage

4 punten: goede bijdrage

5 punten: zeer goede bijdrage

 

 

a. Effectiviteit

In samenhang worden de volgende aspecten bezien:

 

  • meerwaarde beoogde innovatie voor een of meerdere doelen van het programma Toekomstgerichte Landbouw, specifiek de Agenda Boer, Burger en Biodiversiteit;

  • bijdrage project aan duurzame nieuwe samenwerkingsverbanden – heeft het project voorbeeldwerking, levert het ervaringen op waarmee andere groepen hun voordeel kunnen doen;

  • mate van geschiktheid van de beoogde innovatie voor brede toepasbaarheid/uitrol - is er goede kans op snelle vertaling naar de praktijk;

  • kwaliteit communicatieplan ten behoeve van kennisdeling tijdens het innovatietraject en ten behoeve van verspreiding van de resultaten – is er blijk van actieve beoogde koppeling van wetenschappelijke en praktijkkennis, bevat de begroting ruimte voor actieve kennisdeling?;

  • ook wordt de hoogte van het gevraagde subsidiebedrag in ogenschouw genomen.

Maximale punten: 5

Wegingsfactor: 4

Totaal maximaal 20 punten

 

b. Kans op succus/haalbaarheid

In samenhang worden de volgende aspecten bezien:

 

  • kwaliteit procesplan voor samenwerking en/of ontwikkeling innovatie – zijn alle randvoorwaarden goed in beeld gebracht en vertaald naar beheermaatregelen, is er goed nagedacht over ruimte voor procesmanagement, is er goed nagedacht over risicomanagement, zijn er goede kwaliteitseisen gesteld aan de trekker van het project?;

  • blijk van oriëntatie op (technische) haalbaarheid en voor handen kennis – geeft de groep er blijk van zicht te hebben georiënteerd of te gaan oriënteren op bestaande kennis, aanbevelingen, best practices en dergelijke rond het beoogde innovatiedoel?

  • blijk van oriëntatie op businessmodel en marktpotentieel – heeft de groep de probleemstelling of kans die ten grondslag ligt aan de beoogde innovatie scherp voor ogen en kijken de aanvragers naar hoe de innovatie in praktijk gebracht worden?

  • kwaliteit i.r.t. breedte samenstelling, kennisniveau en werkafspraken samenwerkingsverband – past de samenstelling van de groep bij de ambitie?

  • kennisdeling – zegt de groep toe kennis uit te wisselen en is er blijk van een actieve opstelling hierbij.

Maximale punten: 5

Wegingsfactor: 3

Totaal maximaal 15 punten

 

c. Innovativiteit

In samenhang worden de volgende aspecten bezien:

 

  • technisch of sociaal grensverleggend karakter van de innovatie – idee (product, procedé, techniek, concept, aanpak) - hoe bijzonder is het idee?

  • transitie karakter van de innovatie – draagt de innovatie bij aan realisatie van de toekomstbestendige “duurzame landbouw”, d.w.z. inzet op beoogde transitie van benadering kostenreductie en/of verhoogde volumes naar benadering meerwaardecreatie, circulaire bedrijfsvoering/productie en/of sector-overstijgende toepassing (cross-over)?

  • innovatieve waarde van het samenwerkingsverband – ontstaat er nieuwe ketensamenwerking of cross-over samenwerking?

  • toepassingsgebied – is er al een oplossing maar wordt deze niet toegepast en is het project erop gericht om belemmeringen weg te nemen?

  • innovatie infrastructuur – waar wordt de innovatie feitelijk ontwikkeld, geproduceerd en gereed gemaakt voor installatie? Zijn hierbij de ondernemers uit eigen regio/land aan zet? Beogen zij de leiding te nemen bij uitrol elders?

Maximale punten: 5

Wegingsfactor: 2

Totaal maximaal 10 punten

 

d. Efficiëntie

De efficiëntie wordt bepaald door in samenhang te kijken naar de volgende aspecten:

 

  • redelijkheid van kosten – staat de begroting (uren en tarieven) in een reële verhouding tot de geplande prestatie? Hoe is dit aannemelijk gemaakt? Hierbij wordt gelet op:

    • -

      omvang van de totale subsidiabele projectkosten in relatie tot de innovatieopgave

    • -

      potentiële toepassingsbereik van de innovatie binnen de agrarische sector

  • relevantie van de kosten – wordt de gevraagde bijdrage aan de juiste zaken besteed?

  • efficiënt gebruik van kennis, kunde en arbeid – in hoeverre wordt bestaande kennis goed benut, staat de overhead van het project in redelijke verhouding tot de prestatie?

Maximale punten: 5

Wegingsfactor: 2

Totaal maximaal 10 punten

 

In totaal maximaal 55 punten te behalen. Ondergrens (minimale score) is 33 punten (60%)

 

Toelichting bij het Openstellingsbesluit Samenwerking voor innovaties biodiversiteit

 

Met het GLB zorgt de Europese Unie voor duurzaam, voedzaam, veilig en betaalbaar voedsel in Europa. De Europese Verordening nr. 1305/2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling (hierna: VO (EU) 1305/2013) kent verschillende maatregelen om landbouwers te ondersteunen. Op grond van deze openstelling kan subsidie worden verleend voor de uitvoering van proefprojecten om de landbouw verder te vergroenen en de biodiversiteit te versterken door bijvoorbeeld kringlooplandbouw te versterken en/of meer natuurinclusief te maken. De GLB-doelstellingen die hierbij centraal staan zijn:

  • matiging van en aanpassing aan klimaatverandering en duurzame energie;

  • het bevorderen van duurzame ontwikkeling en efficiënt beheer van natuurlijke hulpbronnen zoals water, bodem en lucht; en

  • het bijdragen tot de bescherming van de biodiversiteit, versterken van ecosysteemdiensten en in stand houden van leefgebieden en landschappen.

 

Vanwege de impact die deze omslag kan hebben op agrariërs is het van belang om samen met agrariërs en andere belanghebbenden te toetsen en demonstreren wat wenselijke en haalbare activiteiten zijn die agrariërs in hun bedrijfsvoering op kunnen nemen. Met deze proefprojecten willen we vanuit Drenthe hier een bijdrage aan leveren.

 

Grondslag voor deze openstelling is artikel 35 van VO (EU) 1305/2013 inzake samenwerking, op grond waarvan steun kan worden verleend ter bevordering van samenwerkingsvormen waarbij ten minste twee organisaties betrokken zijn.

 

In Drenthe staan ons de komende jaren in het landelijk gebied grote opgaven te wachten.

 

De landbouwsector zelf én de samenleving vragen om een verdere vermaatschappelijking van de landbouw. Het belang van een economisch rendabele landbouw staat buiten kijf. In toenemende mate stellen de keten, de samenleving en de overheid ook eisen op het gebied van duurzaamheid, biodiversiteit, landschap en dierenwelzijn. De landbouw staat samen met heel Drenthe voor de uitdaging om de economische waarde te verenigen met maatschappelijke waarden, zoals een gezond milieu, een rijke natuur en een mooi landschap. Kortom, het binnen bereik halen van de natuurinclusieve landbouw.

 

Op dit moment staan de biodiversiteit en de kwaliteit van het landschap ook in Drenthe onder druk. Bovendien is ruimte een steeds schaarser goed. Er zijn forse inspanningen nodig om de neergaande lijn om te buigen naar een opwaartse lijn. Ook de klimaatopgave (waterbeheer, verdroging) gaat een stevige inspanning vergen.

 

Er zijn al veel plannen en initiatieven, landelijk, regionaal en lokaal. Maar hoe landen al die plannen op het boerenerf? En wie doet er mee? Hoe zorgen we er met elkaar voor dat onze boeren voldoende inkomen verwerven én actief kunnen bijdragen aan herstel en verbetering van de biodiversiteit en de kwaliteit van het landschap in Drenthe? Hoe voorkomen we dat mensen met goede ideeën en initiatiefnemers van mooie projecten verdwalen in voorwaarden, regelingen, subsidiemogelijkheden, gebiedsprocessen en -projecten, individuele en collectieve arrangementen?

 

Daarom hebben landbouw- en natuurorganisaties en de provincie Drenthe de handen ineengeslagen. Eerste stap was de Agenda Boer, Burger en Biodiversiteit, die in 2019 is gepresenteerd. De agenda is door het College van GS omarmd.

 

Onze ambities richten zich op veehouderijbedrijven en akkerbouwbedrijven die kringlooplandbouw willen combineren met een bijdrage aan het vergroten van biodiversiteit en het verbeteren van de landschapskwaliteit. De focus ligt op de melkveehouderij en de akkerbouw. Onze inzet is erop gericht dat in 2030 rendabele Drentse veehouderij- en akkerbouwbedrijven, met goede marktcondities tot de natuurinclusieve koplopers van Nederland behoren en dus investeren wij samen in natuurinclusieve landbouw.

 

In de samenwerking zijn de kennis, kunde en gedrevenheid gebundeld van LTO Noord, Agrarische Natuur Drenthe, Drents Agrarisch Jongeren Kontakt, Natuur en Milieufederatie Drenthe, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, Het Drentse Landschap, Landschapsbeheer Drenthe en de provincie Drenthe.

 

Natuurinclusieve landbouw betekent voor ons een economisch rendabele landbouw die optimaal beheer van natuurlijke hulpbronnen duurzaam integreert in de bedrijfsvoering. Dat betekent: inclusief de zorg voor ecologische functies, de biodiversiteit op en om het bedrijf en de kwaliteit van het landschap. Er wordt veel gesproken over definities van wat natuurinclusief is. Wij volgen de omschrijving van het Louis Bolk Instituut en Wageningen University & Research en richten onze ambitie op het bereiken van natuurinclusieve landbouw op de niveaus 2 en 3 en dus op het verleiden van de Drentse boer om zich in die richting te ontwikkelen:

 

 

De gezamenlijke inzet en focus is biodiversiteitsherstel. De niveaus 2 en 3 van natuurinclusieve landbouw tonen de uiteindelijke inspanning die daarmee combineert. De samenwerkingspartners ondersteunen en omarmen koplopers en innovators, maar wij richten ons ook en bovenal op het meekrijgen van de grote groep. In elk van de groepen zitten immers succesvolle voorbeelden die inspirerend zijn voor anderen en daarmee ontwikkelingen kunnen helpen versnellen. In de aanpak wordt geprobeerd om grondeigenaren die interesse hebben in natuurinclusieve landbouw (of die al bezig zijn met agrarisch natuurbeheer) te verleiden tot extra stappen. De aanpak kenmerkt zich door ruimte te geven aan initiatief van onderop.

 

Artikel 1 Openstelling en subsidieplafond

Deze openstelling is gericht op vergroening en biodiversiteit. Het gaat hier om niet-productieve investeringen. In artikel 1.1, sub g, van de Verordening wordt dit gedefinieerd. Een niet-productieve investering heeft betrekking op natuur, landschap, water, milieu en klimaat. Niet-productieve investeringen zijn die investeringen die geen aanmerkelijke stijging van de waarde of rentabiliteit van het landbouwbedrijf tot gevolg hebben. Niet-productieve investeringen dragen bijvoorbeeld bij aan het milieu en ondersteunen aanpassing aan klimaatverandering (zoals regenwaterbuffers, stuwen, inrichting landschapselementen en verbeteren biodiversiteit). Een investering die gedaan wordt door een onderneming die ofwel daar meer inkomsten mee behaalt ofwel minder kosten gaat maken, heeft betrekking op een productieve investering. Het verhoogt de rentabiliteit van de onderneming en/of de waarde.

 

Artikel 3 Doelgroep

Alleen een samenwerkingsverband komt in aanmerking voor subsidie op grond van deze openstelling. De zogenoemde agrarische collectieven spelen hierbij een rol. Daarnaast is het voor de samenwerking in de transitie in de landbouw van belang dat landbouw-, natuurorganisaties en overheden met elkaar samenwerken om de boeren te ondersteunen in de transitie van de landbouw waarbij aandacht is voor het verbeteren van de functionele agrobiodiversiteit, de biodiversiteit van soorten, de kwaliteit van het landschap en de onderlinge samenwerking op gebiedsniveau. Het samenwerkingsverband van de Agenda Boer, Burger en Biodiversiteit is een samenwerkingsverband waarin deze organisaties en boeren met elkaar samenwerken.

 

Artikel 4 Subsidiabele activiteit

Met deze openstelling wordt specifiek invulling gegeven aan de innovatieontwikkeling biodiversiteit en vergroening in de provincie Drenthe. Projecten dienen daarom uitvoering te geven aan de uitwerking van een of meerdere doelen in het programmaplan van de Agenda Boer, Burger en Biodiversiteit.

 

De onderdelen a en b bepalen dat subsidie kan worden verleend aan het in gezamenlijkheid ontwikkelen, toetsen en demonstreren van activiteiten die een tweeledig doel dienen. In de eerste plaats dienen zij bij te dragen aan de doelen op het gebied van klimaataanpassing en duurzame energie, een duurzame ontwikkeling en beheer van natuurlijke hulpbronnen en biodiversiteit, het versterken van ecosysteemdiensten en het in stand houden van leefgebieden en landschappen. In de tweede plaats dienen de activiteiten bij te dragen aan het vergroten van draagvlak bij de boeren in het gebied of de sector of het uitproberen van nieuwe samenwerkingsvormen.

 

Deze openstellingen dragen ook bij aan de GLB-doelstellingen. Deze doelstellingen zijn:

  • matiging van en aanpassing aan klimaatverandering en tot duurzame energie;

  • het bevorderen van duurzame ontwikkeling en efficiënt beheer van natuurlijke hulpbronnen zoals water, bodem en lucht; en

  • het bijdragen tot de bescherming van de biodiversiteit, versterken van ecosysteemdiensten en in stand houden van leefgebieden en landschappen.

 

Artikel 5 Subsidievereisten

In dit artikel wordt het kader gegeven voor de activiteiten waarop het innovatieproject betrekking moet hebben.

 

Omdat dit een openstelling voor de provincie Drenthe betreft, is het van belang dat het project in Drenthe met Drentse boeren uitgevoerd wordt. Daarom is een van de vereisten dat de opgedane kennis en resultaten van het innovatieproject breed in Drenthe gedeeld worden. Dit kan via kennisbijeenkomsten, demonstraties, studiegroepen. Er moet een duidelijk beeld zijn op welke manier aan dit vereiste voldaan zal worden.

 

Een project moet minimaal betrekking hebben op een van de thema's zoals genoemd in lid 1, onder c. Het betrekken van een samenstel van de genoemde thema's zorgt ervoor dat een project bijdraagt aan de verduurzaming van de landbouwsector, op het gebied van mens en milieu.

 

Voor het doen van de aanvraag moet gebruik gemaakt worden van een door het SNN verstrekt aanvraagformulier. Dit is te vinden op www.snn.eu/pop3. Een aanvraag dient (bij voorkeur digitaal) via het SNN ingediend te worden bij de provincie.

 

Artikel 6 Weigeringsgronden

Projecten moeten een bepaalde (financiële) omvang hebben om de administratieve kosten (per project) beheersbaar te houden. Vandaar dat een drempelbedrag is vastgesteld. Het doel is om zoveel mogelijk subsidiegeld te laten landen daar waar het behoort te landen.

 

Artikel 9 Selectiecriteria, weging en selectie

De selectiecriteria zijn een belangrijk sturingsinstrument waarmee in het POP3-programma accenten kunnen worden aangebracht om in te spelen op de regionale en lokale context. De selectiecriteria zijn meetbaar en verifieerbaar en garanderen een gelijke en transparante behandeling van aanvragen. De criteria dragen bij aan een zo goed mogelijk gebruik en doelbereik van de beschikbare financiële middelen.

 

De aanvragen worden geselecteerd op basis van een aantal categorieën van criteria. Deze criteria zijn opgenomen in de scoretabel van bijlage 1 en zijn voorzien van een eigen toelichting. Op basis van de gescoorde punten worden projecten gerangschikt. Projecten die scoren beneden de drempel van 33 punten worden niet gehonoreerd.

 

Bij het selectiecriterium effectiviteit gaat het om de bijdrage die het project levert aan de beleidsdoelstellingen. Bij de beoordeling van de te bereiken doelstellingen wordt ook de hoogte van het gevraagde subsidiebedrag in ogenschouw genomen. Daarbij kunnen ook andere elementen worden meegewogen, zoals de bijdrage aan het realiseren van de doelen uit de Agenda Boer, Burger en Biodiversiteit en hoe agrariërs en andere belanghebbenden bij het project worden betrokken. Levert het project ervaringen op waar anderen hun voordeel mee kunnen doen? Kan het resultaat snel breed worden toegepast?

 

Bij het selectiecriterium haalbaarheid gaat het om de kans dat het project succesvol uitgevoerd kan worden en/of succesvol kan worden toegepast binnen de Drentse en Nederlandse landbouw. Daarbij is dus zowel de kwaliteit en haalbaarheid van het projectplan van belang, als de haalbaarheid van het verspreiden van de innovatieve maatregelen in het projectplan naar een grotere groep landbouwers en andere belanghebbenden. Is het plan voor innovatie en samenwerking voldoende uitgewerkt? Is binnen het project voldoende kennis geborgd? Hoe wordt omgegaan met kennisdeling naar agrariërs en andere belanghebbenden, zowel nationaal als internationaal?

 

De projecten moeten daarnaast zo efficiënt mogelijk uitgevoerd worden. Om dit te kunnen beoordelen, wordt in het algemeen gekeken naar de input (geld, kennis, kunde, overige middelen) die wordt ingezet om de output te kunnen realiseren. Wordt de subsidie aan de juiste zaken besteed? Wordt efficiënt gebruik gemaakt van kennis, kunde en arbeid?

 

Het selectiecriterium innovatie heeft betrekking op zowel de mate van bijdrage aan de genoemde doelstellingen als het samenwerkingsproces als zodanig. Draagt de innovatie bij aan realisatie van een toekomstbestendige landbouw, aan een beoogde transitie zoals circulaire landbouw en/of natuurinclusieve landbouw? Leidt het tot een toekomstbestendig boerenlandschap? Is er sprake van sectoroverstijgende toepassing, waarbij innovatief wordt samengewerkt tussen partijen? Zijn agrariërs aan zet, samen met belanghebbenden in hun regio, worden hun innovatieve ideeën uitgewerkt en toegepast?

 

Of alle projecten die 33 punten of meer scoren ook voor subsidie in aanmerking komen, is onder andere afhankelijk van het beschikbare budget. Wanneer het totale bedrag van de aanvragen met 33 punten of meer een hoger is dan de beschikbare middelen subsidieplafond, dan krijgen de aanvragen met de meeste punten voorrang (ranking).

 

De beoordeling van projecten aan de hand van de scoretabel wordt gedaan door een onafhankelijke Adviescommissie ingesteld door Gedeputeerde Staten.

 

Nadat de adviescommissie de projecten heeft beoordeeld op de bijdrage aan de selectiecriteria, volgen een subsidie technische toets, een financiële toets en een EU-conformiteitstoets.

 

 

 

Naar boven