Provincie Zuid-Holland - verkeersbesluit - reguleren van het ligplaatsnemen - provinciaal vaarwegtraject 1

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,

overwegende, dat hun college op grond van het bepaalde in artikel 2 van de

Scheepvaartverkeerswet bevoegd is tot het nemen van de in die wet bedoelde verkeersbesluiten

ter regeling van het scheepvaartverkeer op de provinciale vaarwegen;

dat de Haagse Trekvliet (tussen km 24.56a en km 25.33a), het Rijn-Schiekanaal (tussen km 24.53 en km 31.33) en de Delftse Schie (tussen km 31.33 en km 40.15), hierna genoemd: “traject 1”, provinciale vaarwegen zijn die onder het beheer van de provincie Zuid-Holland vallen;

dat het beheer zich richt op het belang van de instandhouding en bruikbaarheid van de vaarweg voor de scheepvaart en het waarborgen van de vrijheid en de veiligheid van de scheepvaart (overeenkomstig artikel 3 van de Scheepvaartverkeerswet) en dat scheepvaart vlot en veilig gebruik moet kunnen maken van traject 1;

dat in het kader van deze belangen bij verkeersbesluit van 27 maart 2018 (met kenmerk PZH-2018-643659930) is besloten tot een ligplaatsverbod voor traject 1, alsmede het aanwijzen van meerdere ligplaatsvakken waar schepen voor bepaalde tijd een ligplaats kunnen innemen;

dat recent de volgende mutaties zijn opgetreden met betrekking tot dit verkeersbesluit:

  • -

    Op het Rijn-Schiekanaal is tussen km 30.76 en km 30.77 een ligplaatsvak gerealiseerd, bestemd voor het in- en uitstappen van bezoekers van de botanische tuin te Delft;

  • -

    Op de Delftse Schie was tussen km 36.95 en km 37.02 een afmeervoorziening aanwezig ten behoeven van een provinciaal opslagterrein. Dit opslagterrein is opgeheven waardoor ook de afmeervoorziening is komen te vervallen;

  • -

    Als als gevolg van de realisatie van de bochtafsnijding van de Delftse Schie te Overschie de overnachtingsplaats voor grote schepen (max 3 x 24 uur afmeren) tussen km 39.23 en km 39.33 is komen te vervallen;

  • -

    Dat door de bochtafsnijding van de Delftse Schie de ligging van de doorgaande vaarweg is aangepast waardoor vaarwegtraject 1 niet loopt tot km 40.15, maar tot km 39.93;

dat het hierboven genoemde verkeersbesluit op grond hiervan dient te worden geactualiseerd;

dat bij verkeersbesluit van 19 november 2019 (met kenmerk PZH-2019-716142826) een autoafzetplaats is gerealiseerd in de Delftse Schie ter hoogte van km 32.24;

dat het gewenst is om beide bovengenoemde besluiten samen te voegen tot één integraal verkeersbesluit waarin alle bepalingen rondom het ligplaatsnemen op traject 1 zijn vervat;

dat ter voorbereiding op het onderhavige besluit uitvoering is gegeven aan het bepaalde in artikel 6 van het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer;

dat gelet op het bepaalde in de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement (BPR), het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer, alsmede het door hun college vastgestelde Mandaatbesluit van Gedeputeerde Staten voor de provinciale organisatie 2021;

BESLUITEN:

  • I.

    in te trekken de besluiten van 27 maart 2018 (met kenmerk PZH-2018-643659930) en van 19   november 2019 (met kenmerk PZH-2019-716142826);

  • II.

    het volgende Verkeersbesluit te nemen ter regeling van het innemen van ligplaatsen op   traject 1, de Haagse Trekvliet (tussen km 24.56a en km 25.33a), het Rijn-Schie-kanaal (tussen   km 24.53 en km 31.33) en de Delftse Schie (km 31.33 - km 39.93);

  • 1.

    door plaatsing van verkeerstekens A.5, met aanvullende aanduidingen F.2, zoals bedoeld in   bijlage 7 van het BPR, een ligplaatsverbod in te stellen op traject 1;

  • 2.

     

    • a.

      te bepalen dat het in sub 1 bedoelde verbod niet van toepassing is op de met een   ontheffing (verleend door of namens Gedeputeerde Staten van de provincie   Zuid-Holland) aanwezige ligplaatsen voor vaartuigen;

    • b.

      dat het in sub 1 bedoelde verbod niet van toepassing is op de wachtplaatsen als bedoeld in art. 6.26 lid 2 BPR bij de bruggen over traject 1 welke worden aangeduid met de aanwijzingstekens E.7, met richting aanduidingen F.2, voorzien van een onderbord met de tekst ‘Wachtplaats, art. 6.26 lid 2 BPR’ eventueel aangevuld met   de tekst ‘groot schip (>20m)’ of ‘klein schip (<20m)’;

    • c.

      dat het in sub 1 bedoelde verbod niet van toepassing is op provinciale loswallen aangeduid met het bord E.7 met richting aanduidingen F.2, voorzien van een onderbord met de tekst ’Provinciale loswal Meldplicht VHF 18’, voor zover er

      toestemming is verleend door of namens GS van Zuid-Holland na melding via het ter plaatse aanwezige marifoonkanaal en afgemeerd wordt ten behoeve van het laden en lossen van goederen danwel het in en uit laten stappen van passagiers door passagiersschepen;

    • d.

      dat het in sub 1 bedoelde verbod niet van toepassing is op de wachtplaatsen nabij Abtswoudsebrug aangeduid met het bord A.7 met richting aanduidingen F.2, voorzien van een onderbord met de tekst ‘Uitzondering bij calamiteiten’(tussen km 31.89 en km 31.94) en ‘Wachtplaats art. 6.26 lid 2 BPR kleine schepen’ (<20m)’ (tussen km 32.05 en km 32.12);

  • 3.

    door plaatsing van aanwijzingstekens E.7 met richting aanduidingen F.2 zoals bedoeld in bijlage 7 van het BPR een ligplaatsvak in te stellen langs de noordoostelijke oever van het Rijn-Schiekanaal tussen km 28.42 en km 28.68, voorzien van een onderbord met de tekst ‘Grote schepen maximaal 3 x 24 uur’;

  • 4.

    door plaatsing van het bord A.7 met richting aanduidingen F.2 zoals bedoeld in bijlage 7 van het BPR een ligplaatsvak in te stellen ter regeling van het (kort) innemen van ligplaatsen langs:

    • a.

      de oostelijke oever van het Rijn-Schiekanaal tussen km 30.47 en km 30.49, voorzien van een onderbord met de tekst ‘M.u.v. kleine schepen (<20m) t.b.v. in- en uitstappen max. 15 minuten’;

    • b.

      de oostelijke oever van het Rijn-Schiekanaal tussen km 30.76 en km 30.77 voorzien van een onderbord met de tekst ‘M.u.v. kort afmeren t.b.v. van het in- en uitstappen bezoekers Botanische Tuin’;

    • c.

      de westelijke oever van de Delftse Schie tussen km 31.75 en km 31.79, voorzien van een onderbord met de tekst ‘M.u.v. kleine schepen (<20m) t.b.v. in- en uitstappen max. 15 minuten’;

    • d.

      de oostelijke oever van de Delftse Schie tussen km 32.08 en km 32.14, voorzien van een onderbord met de tekst ‘M.u.v. kleine schepen (<20m) t.b.v. in- en uitstappen max. 15 minuten’;

    • e.

      de westelijke oever van de Delftse Schie tussen km 32.70 en km 32.72, voorzien van een onderbord met de tekst ‘M.u.v. kleine schepen (<20m) t.b.v. in- en uitstappen max. 15 minuten’;

  • 5.

     door plaatsing van aanwijzingsteken E.7.1 aan de westelijke oever van de Delftse Schie, ter hoogte van km 32.23, een mogelijkheid te creëren voor het onmiddellijk van of aan boord zetten van een auto;

  • 6.

    door plaatsing van verbodsteken A.5 aan de westelijke oever van de Delftse Schie, ter hoogte van km. 32.24, voorzien van een onderbord met de tekst ‘M.u.v. kort afmeren t.b.v. autoafzetplaats’, het kort afmeren ten behoeve van het gebruik van de autoafzetplaats te reguleren;

  • 7.

    7. door plaatsing van verbodstekens A.7 met richtingaanduidingen F.2 en voorzien van een onderbord met de tekst ‘M.u.v. grote schepen max. 3 x 24 uur’ langs de westelijke oever van de Delftse Schie een ligplaatsvak in te stellen tussen km 32.33 en km 32.57 ten behoeve van het afmeren van grote schepen ter hoogte van de loswal Delft;

  • 8.

    8. te bepalen dat na afloop van de in de punt 3 en punt 7 genoemde maximale afmeerduur of een gedeelte daarvan gedurende een week niet nogmaals ligplaats mag worden ingenomen op traject 1;

  • 9.

    III. dit besluit ter openbare kennis te brengen door plaatsing in het Provinciaal Blad van Zuid-Holland;

 

Besluit vastgesteld op 19 juli 2021, kenmerk PZH-2021-781415169.

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,

voor dezen,

mr. D.P. Boddé

Hoofd Eenheid Juridische Expertise en Handhaving

Dienst Beheer Infrastructuur

Bezwaar maken

Tegen dit besluit kunnen belanghebbenden op grond van artikel 7.1 van de Algemene wet bestuursrecht binnen zes weken na de dag van verzending een gemotiveerd bezwaarschrift indienen.

Het bezwaarschrift moet worden gericht aan:

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland

t.a.v. het Awb-secretariaat

Postbus 90602

2509 LP Den Haag

In de linkerbovenhoek van de enveloppe vermeldt u “Awb-bezwaar”.

Het indienen van bezwaar betekent overigens niet dat het besluit niet geldt.

Voorlopige voorziening aanvragen

Indien u de inwerkingtreding van dit besluit wilt uitstellen, kunt u - als u tegen dit besluit bezwaar heeft gemaakt - bij de rechtbank om een voorlopige voorziening vragen op grond van artikel 8.81 van de Algemene wet bestuursrecht.

U kunt het verzoek richten aan:

de Voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag

sector Bestuursrecht

Postbus 20302

2500 EH Den Haag.

Meer informatie

Op de website https://loket.rechtspraak.nl/ vindt u meer informatie over de bezwaarprocedure en de aanvraag van een voorlopige voorziening. Ook leest u daar welke mogelijkheden er zijn om een bezwaar of een verzoek om een voorlopige voorziening digitaal in te dienen.

Naar boven