Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân d.d. 29 juni 2021 houdende regels omtrent de subsidiering van zowel vestigings- als diversificatieprojecten die leiden tot economische groei in harmonie met de omgeving zodanig dat de brede welvaart in de provincie Fryslân wordt verhoogd doordat ze een bijdrage leveren aan een circulaire economie (Subsidieregeling vestiging en circulair ondernemerschap Fryslân 2021-2022)

Gedeputeerde Staten van Fryslân,

 

Gelet op de Algemene subsidieverordening provincie Fryslân 2013;

 

Gelet op Verordening (EG) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU L 352/1);

 

Overwegende dat het in het kader van de beleidsnota ‘samen met ondernemend Fryslân naar een brede welvaart’ wenselijk is te investeren in vestigings- en diversificatieprojecten van bedrijven die een bijdrage leveren aan de circulaire economie zodanig dat de brede welvaart in de regio wordt verhoogd;

 

Besluiten vast te stellen de:

 

Subsidieregeling vestiging en circulair ondernemerschap Fryslân 2021-2022.

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    ASV: Algemene subsidieverordening provincie Fryslân 2013.

  • b.

    Awb : Algemene wet bestuursrecht.

  • c.

    afstand tot de arbeidsmarkt: een persoon die niet of lastig in aanmerking komt voor een reguliere arbeidsplaats als gevolg van een arbeidsbeperking of langdurige werkloosheid.

  • d.

    circulaire economie: economisch systeem van gesloten kringlopen waarin grondstoffen, onderdelen en producten hun waarde zo min mogelijk verliezen, hernieuwbare energiebronnen worden gebruikt en systeemdenken centraal staat.

  • e.

    de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in Verordening (EG) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, met inbegrip van eventueel in de toekomst vast te stellen wijzigingen.

  • f.

    diversificatie: de ontwikkeling en implementatie van een nieuw product, nieuwe dienst of nieuw productieproces binnen de vestiging van de onderneming van de aanvrager. Het nieuwe product of dienst wordt na de ontwikkeling en implementatie afgezet op een nieuwe markt. Het nieuwe productieproces wordt na de ontwikkeling en implementatie ingezet voor productie voor een nieuwe markt.

  • g.

    duurzame bedrijfsuitrusting: investering die wordt geactiveerd op de balans van de vestiging van de onderneming van de aanvrager en die niet binnen twee jaar wordt afgeschreven alsmede bedrijfsuitrusting waarvan de investeringskosten op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 vrij kunnen worden afgeschreven.

  • h.

    externe deskundige: onafhankelijk persoon die op grond van opleiding en ervaring gekwalificeerd moet worden geacht om een opdracht uit te voeren in het kader van een op grond van deze regeling gesubsidieerd project.

  • i.

    FTE: fulltime-equivalent. Een FTE is één volledige arbeidsplaats c.q. functie binnen een onderneming die wordt ingevuld door een persoon die fulltime in dienst is, dan wel door meerdere personen die gezamenlijk de volledige arbeidsplaats vervullen. Het aantal uren van één FTE is, afhankelijk van de onderneming in kwestie 36, 38 of 40 uur, maar nooit minder dan 36 uur.

  • j.

    gesloten grondstoffenketen: keten waarbij reststromen direct 100% worden gebruikt. In een gesloten grondstoffenketen bestaat geen afval en wordt verspilling en waardeverlies geminimaliseerd.

  • k.

    grote onderneming: onderneming die niet voldoet aan de vastgestelde criteria in Bijlage I van de Verordening (EG) Nr. 651/2014 van de commissie van 17 juni 2014.

  • l.

    hernieuwbare energie: energie afkomstig van natuurlijke bronnen die constant worden aangevuld. Hernieuwbare energie wordt ook wel duurzame of groene energie genoemd.

  • m.

    loondienst: werkzaam zijn op basis van een vaste of tijdelijke arbeidsovereenkomst waarin de duur, het aantal uren en het loon is vastgelegd.

  • n.

    MKB-onderneming: kleine onderneming, middelgrote of micro-onderneming in de zin van Bijlage I van de Verordening (EG) Nr. 651/2014 van de commissie van 17 juni 2014.

  • o.

    pand: bouwwerk dat bouwkundig gezien een zelfstandige eenheid is en in zowel constructief als functioneel opzicht te onderscheiden is van de naastgelegen bouwwerken. Dat wil zeggen dat het bouwwerk bouwkundig gezien gescheiden moet zijn van aangrenzende bebouwing, een eigen toegang moet hebben en afzonderlijk moet zijn te gebruiken;

  • p.

    prestatiesubsidie: subsidie die wordt verleend voor het realiseren van een specifieke prestatie dan wel activiteit, waarbij een subsidiebedrag per eenheid prestatie of activiteit wordt verstrekt. Subsidie die verleend wordt voor een activiteit als omschreven in paragraaf 2.1 en paragraaf 2.2 betreft een prestatiesubsidie. Subsidie die verleend wordt voor een activiteit als omschreven in paragraaf 2.3 daarentegen, betreft een kostensubsidie in de vorm van een bijdrage in de werkelijke kosten voor het realiseren van deze activiteit.

  • q.

    verband van ondernemingen: een groep van met elkaar „Verbonden ondernemingen” of „Partnerondernemingen” als bepaald in artikel 3 van de Verordening (EG) Nr. 651/2014 van de commissie van 17 juni 2014.

  • r.

    verbonden ondernemingen: ondernemingen die met elkaar banden onderhouden als bepaald in artikel 3, derde lid, van de Verordening (EG) Nr. 651/2014 van de commissie van 17 juni 2014.

  • s.

    vestiging: een afzonderlijk gelegen fabriek, werkplaats, winkel, kantoor of andere bedrijfsruimte van een onderneming met een rechtsvorm van een B.V. of N.V. in een pand, waaruit ondernemingsactiviteiten worden uitgevoerd. De vestiging heeft een uniek vestigingsnummer dat geregistreerd staat bij de Kamer van Koophandel.

  • t.

    zelfstandige onderneming: elke onderneming die niet als partneronderneming in de zin van lid 2 of als verbonden onderneming in de zin van lid 3 van de Verordening (EG) Nr. 651/2014 van de commissie van 17 juni 2014 wordt aangemerkt.

Artikel 1.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze regeling wordt uitsluitend verstrekt aan:

  • a)

    een MKB-onderneming met een B.V. of N.V. als rechtsvorm, niet zijnde een holding; of

  • b)

    een grote onderneming met een B.V. of N.V. als rechtsvorm, niet zijnde een holding.

Artikel 1.3 Aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag voor subsidie voor een project als omschreven in deze regeling wordt ingediend door middel van een door Gedeputeerde Staten beschikbaar gesteld aanvraagformulier en gaat vergezeld van de daarin genoemde bescheiden.

  • 2.

    Aan een aanvrager of aan het verband van ondernemingen waartoe de aanvrager behoort en waarmee zij verbonden is, kan eenmaal een subsidie worden verstrekt op grond van deze regeling.

Artikel 1.4 Aanvraagperiode

  • 1.

    Een aanvraag voor subsidie voor een project als omschreven in deze regeling, kan van 12 juli 2021 tot en met 31 december 2022 worden ingediend.

  • 2.

    Een aanvraag wordt geacht tijdig te zijn ingediend, indien deze is ontvangen door Gedeputeerde Staten binnen de in het vorige lid genoemde indieningstermijn.

Artikel 1.5 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen een subsidieplafond vast ter uitvoering van deze regeling.

Artikel 1.6 Verdeelsystematiek

  • 1.

    Subsidie wordt verdeeld op volgorde van datum van ontvangst van de subsidieaanvragen, waarbij de datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van ontvangst.

  • 2.

    Voor zover door verstrekking van subsidie voor volledige aanvragen, die op dezelfde dag zijn ontvangen, het subsidieplafond wordt overschreden, wordt de onderlinge rangschikking van die aanvragen vastgesteld door middel van loting.

Artikel 1.7 Staatssteun

  • 1.

    Subsidies in het kader van deze regeling worden verleend met toepassing van de reguliere de-minimisverordening.

  • 2.

    De aanvrager vult een de-minimisverklaring in om te bepalen of de subsidie met toepassing van de-minimissteun kan worden verleend.

Artikel 1.8 Bevoorschotting en betaling

  • 1.

    In het geval van een subsidieverlening onder opschortende voorwaarde, wordt na het voldoen aan de opschortende voorwaarde ambtshalve 80% van het verleende subsidiebedrag als voorschot uitbetaald.

  • 2.

    In het geval van een subsidieverlening die niet onder opschortende voorwaarde wordt verleend, wordt bij de subsidieverlening ambtshalve 80% van het verleende subsidiebedrag als voorschot uitbetaald.

  • 3.

    Bij de subsidievaststelling kan het nog resterende subsidiebedrag van 20% worden vastgesteld en worden uitbetaald.

Artikel 1.9 Intrekking en terugvordering

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in afdeling 4.2.6 van de Awb wordt een beschikking tot subsidieverlening die op grond van deze paragraaf is afgegeven door Gedeputeerde Staten ingetrokken en kan een op basis daarvan uitbetaald bedrag worden teruggevorderd, indien:

    • a.

      het gesubsidieerde project niet conform de aanvraag wordt gerealiseerd of is gerealiseerd;

    • b.

      de subsidieontvanger op enig moment gedurende de realisatie van het gesubsidieerde project niet of niet meer beschikt over de benodigde operationele en financiële capaciteit voor de uitvoering hiervan;

    • c.

      niet voldaan wordt aan de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen.

  • 2.

    Intrekking van de subsidieverlening op grond van het eerste lid, onderdeel a, vindt niet plaats, indien de afwijking van de bij de subsidieaanvraag verstrekte informatie vooraf aan Gedeputeerde Staten is voorgelegd en laatstgenoemde daarmee schriftelijk heeft ingestemd. Voor zover Gedeputeerde Staten niet met afwijking heeft ingestemd, verricht de subsidieontvanger de projectactiviteiten voor eigen rekening en risico.

  • 3.

    Door Gedeputeerde Staten onverschuldigde betaalde subsidiebedragen worden overeenkomstig artikel 4:57 van de Awb teruggevorderd bij de subsidieontvanger.

Hoofdstuk 2 Subsidiabele activiteiten

Paragraaf 2.1 Oprichten van een nieuwe vestiging in Fryslân door een bestaande Friese onderneming

Artikel 2.1.1 Doel

De prestatiesubsidie heeft tot doel om nieuwe structurele FTE te creëren in op te richten Friese ondernemingen die bijdragen aan de transitie naar een circulaire economie in Fryslân.

.

Artikel 2.1.2 Subsidiabele activiteit

Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag een prestatiesubsidie verstrekken voor een project dat ziet op het oprichten van een nieuwe onderneming met een vestiging in Fryslân, door de onderneming van de aanvrager, waarbij minimaal 5 nieuwe FTE in deze vestiging wordt aangenomen.

Artikel 2.1.3 Toetsingscriteria

Om voor een prestatiesubsidie in aanmerking te komen voor een project als omschreven in artikel 2.1.2, wordt voldaan aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager of een onderneming binnen het verband waarvan de aanvrager deel uitmaakt, heeft

    op het moment van ontvangst van de aanvraag tenminste één bestaande

    fysieke vestiging in Fryslân van waaruit ondernemingsactiviteiten worden uitgevoerd;

  • b.

    de aanvrager toont aan dat op het moment van ontvangst van de aanvraag binnen haar

    onderneming dan wel het verband van ondernemingen waarvan de aanvrager deel uitmaakt,

    minimaal 5 FTE in dienst zijn;

  • c.

    de aanvrager maakt in zijn aanvraag, naar het oordeel van Gedeputeerde Staten, aannemelijk dat

    in de nieuw op te richten onderneming met een vestiging, ondernemingsactiviteiten

    worden uitgevoerd die bijdragen aan ten minste een van de volgende punten:

    • een meer gesloten grondstoffenketen;

    • het aanbieden van een product of nieuw productieproces dat circulair wordt geproduceerd;

    • het aanbieden van een product of nieuw productieproces met meer inzet van hernieuwbare

      energie.

  • d.

    de aanvrager maakt in zijn aanvraag aannemelijk dat binnen de realisatietermijn van het project

    minimaal 5 nieuwe FTE wordt aangenomen binnen de nieuw op te richten

    onderneming met een vestiging;

  • e.

    de aanvrager maakt in zijn aanvraag aannemelijk dat elke FTE wordt ingevuld op basis van

    arbeidsovereenkomsten met een gezamenlijke omvang van tenminste 36 uren per week en met

    een looptijd van minimaal 12 maanden per arbeidsovereenkomst;

  • f.

    de FTE worden niet ingevuld door personen die in de 12 maanden die vooraf zijn gegaan aan de

    datum van ontvangst van de aanvraag werkzaam zijn geweest bij de onderneming van de

    aanvrager noch bij het verband van ondernemingen waarvan de aanvragende onderneming deel

    uitmaakt, in wat voor functie dan ook;

  • g.

    de aanvrager maakt in zijn aanvraag aannemelijk dat de totale kosten die verband houden met het

    realiseren van het project, minimaal € 500.000,- zullen bedragen.

Artikel 2.1.4 Weigeringsgronden

In aanvulling op hetgeen is bepaald in artikel 2.7 van de ASV, wordt de prestatiesubsidie geweigerd indien:

  • a.

    met het project is gestart vóór ontvangst van de aanvraag;

  • b.

    de aanvraag of het project waarvoor een prestatiesubsidie is aangevraagd niet in overeenstemming is met het bepaalde in deze regeling;

  • c.

    de rechtsvorm van de aanvrager actief is in de primaire productie van landbouwproducten of in de visserij- en aquacultuursector;

  • d.

    het project niet voldoet aan een of meer van de toetsingscriteria zoals omschreven in artikel 2.1.3;

  • e.

    wanneer het project waarvoor een prestatiesubsidie wordt aangevraagd ziet op het verhuizen van een reeds bestaande vestiging van de aanvrager in Fryslân naar een ander adres of locatie;

  • f.

    de aanvraag wordt ontvangen buiten het in artikel 1.4, eerste lid, genoemde tijdvak;

  • g.

    het project ziet op het oprichten van een datacenter.

Artikel 2.1.5 Opschortende voorwaarde

  • 1.

    Indien de subsidieontvanger op het moment van ontvangst van de aanvraag niet beschikt over de benodigde vergunningen om het project te kunnen starten, wordt de prestatiesubsidie onder de opschortende voorwaarde verleend dat binnen één jaar na de verzenddatum van het subsidieverleningsbesluit de benodigde vergunningen zijn afgegeven, onherroepelijk zijn geworden en kopieën hiervan door Gedeputeerde Staten zijn ontvangen.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de subsidieontvanger eenmalig besluiten de in het eerste lid genoemde periode te verlengen met maximaal een half jaar, mits hiervoor naar het oordeel van Gedeputeerde Staten gegronde redenen kunnen worden aangevoerd door de subsidieontvanger die dit uitstel rechtvaardigen.

  • 3.

    Een verzoek om uitstel als in het tweede lid omschreven dient te allen tijde voor het verstrijken van de termijn waarbinnen de aan de opschortende voorwaarde moet worden voldaan, te worden ontvangen door Gedeputeerde Staten.

  • 4.

    Indien niet binnen de in de gestelde termijn als aangegeven bij de subsidieverlening is voldaan aan de opschortende voorwaarde, wordt de prestatiesubsidie op nihil vastgesteld.

Artikel 2.1.6 Subsidiehoogte

De prestatiesubsidie die kan worden verleend, bedraagt € 10.000,- per nieuw aangenomen FTE in het project, met een maximum van € 100.000,-.

Artikel 2.1.7 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1.

    Onverminderd de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 2.13 en 2.14 van de ASV, is de subsidieontvanger verplicht om:

    • a.

      het project conform de aanvraag en de subsidieverleningsbeschikking uit te voeren;

    • b.

      uiterlijk binnen een jaar na de verzenddatum van het subsidieverleningsbesluit te starten met de realisatie van het gesubsidieerde project;

    • c.

      het gesubsidieerde project uiterlijk binnen twee jaar na de start hiervan te realiseren;

    • d.

      jaarlijks een projectvoortgangsrapportage te overleggen;

    • e.

      het subsidieverleningsbesluit en de daaruit voortvloeiende voorwaarden en verplichtingen gedurende de realisatie van het gesubsidieerde project niet over te dragen aan een derde;

    • f.

      binnen de realisatietermijn van het project minimaal 5 nieuwe FTE in dienst te nemen door de nieuw op te richten onderneming met een vestiging;

    • g.

      elke gesubsidieerde FTE in te vullen op basis van een of meer arbeidsovereenkomsten met een gezamenlijke omvang van tenminste 36 uren per week en met een looptijd van minimaal 12 maanden per arbeidsovereenkomst;

    • h.

      de gesubsidieerde FTE in te vullen door personen die in de 12 maanden die vooraf zijn gegaan aan de datum van ontvangst van de aanvraag, niet werkzaam zijn geweest bij de onderneming van de aanvrager of het verband van ondernemingen waarvan de aanvragende onderneming deel uitmaakt, in wat voor functie dan ook;

    • i.

      zich in te spannen om één gesubsidieerde FTE geheel of deels in te vullen door een persoon met een afstand tot de arbeidsmarkt;

    • j.

      desgevraagd, na het verstrijken van de einddatum van het project of na het realiseren van het project, medewerking te verlenen aan een door Gedeputeerde Staten gevorderde controle van de administratie, monitoringstraject of ander onderzoek naar gegevens die in het kader van de subsidieverstrekking van belang kunnen worden geacht en verleent daartoe inzage in zijn administratie en verstrekt de inlichtingen die hiervoor van belang zijn.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de subsidieontvanger eenmalig besluiten de in het eerste lid genoemde periode onder onderdeel b te verlengen met maximaal een half jaar, mits hiervoor naar het oordeel van Gedeputeerde Staten gegronde redenen kunnen worden aangevoerd door de subsidieontvanger die dit uitstel rechtvaardigen.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de subsidieontvanger eenmalig besluiten de in het eerste lid genoemde periode onder onderdeel c te verlengen met maximaal een jaar, mits hiervoor naar het oordeel van Gedeputeerde Staten gegronde redenen kunnen worden aangevoerd door de subsidieontvanger die dit uitstel rechtvaardigen.

  • 4.

    Een verzoek om uitstel als in het tweede en derde lid omschreven dient te allen tijde voor het verstrijken van de realisatietermijn van het gesubsidieerde project te worden ontvangen door Gedeputeerde Staten.

  • 5.

    Indien niet voldaan wordt aan de verplichtingen als omschreven in de onderdelen e, f en j van het eerste lid, wordt de prestatiesubsidie in elk geval op nihil vastgesteld of wordt de subsidieverleningsbeschikking ingetrokken.

Artikel 2.1.8 Vaststelling en prestatieverantwoording

  • 1.

    Een prestatiesubsidie die verleend wordt op grond van deze paragraaf wordt vastgesteld na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling.

  • 2.

    Bij de aanvraag tot vaststelling dient in elk geval te worden overgelegd:

    • a.

      een activiteitenverslag waaruit genoegzaam blijkt dat het project waarvoor subsidie is verstrekt overeenkomstig het besluit tot subsidieverlening is verricht en aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

    • b.

      kopieën van de in het project overeengekomen arbeidsovereenkomsten inzake de gesubsidieerde FTE, waarover verzocht wordt de prestatiesubsidie vast te stellen.

  • 3.

    Bij de vaststelling wordt de prestatiesubsidie naar rato van het aantal gesubsidieerde FTE, voor zover deze FTE conform de in artikel 2.1.7 omschreven verplichtingen zijn gerealiseerd, vastgesteld.

     

Paragraaf 2.2 Oprichten van een nieuwe vestiging in Fryslân of het verplaatsen van een bestaande vestiging naar Fryslân door een onderneming van buiten Fryslân

Artikel 2.2.1 Doel

De prestatiesubsidie heeft tot doel om bestaande ondernemingen een nieuwe onderneming met vestiging in Fryslân op te laten richten of om hun bestaande vestiging naar Fryslân te verplaatsen. Hiermee wordt beoogd nieuwe structurele FTE te creëren en de circulaire economie in Fryslân te stimuleren.

Artikel 2.2.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag een prestatiesubsidie verstrekken voor een project dat ziet op:

  • a.

    het oprichten van een nieuwe onderneming met vestiging in Fryslân, door een onderneming die reeds een vestiging heeft buiten Fryslân, waarbij minimaal nieuwe 5 FTE in de nieuwe vestiging wordt aangenomen;

  • b.

    het verplaatsen van een bestaande onderneming met vestiging van buiten Fryslân, naar Fryslân toe, waarbij minimaal 5 nieuwe FTE in de te verplaatsen vestiging worden aangenomen.

Artikel 2.2.3 Toetsingscriteria

Om voor een prestatiesubsidie in aanmerking te komen voor een project als omschreven in artikel 2.2.2, wordt voldaan aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager heeft op het moment van ontvangst van de aanvraag een fysieke vestiging buiten

    Fryslân en voert vanuit deze vestiging ondernemingsactiviteiten uit;

  • b.

    de aanvrager toont aan dat op het moment van ontvangst van de aanvraag binnen haar

    onderneming dan wel het verband van ondernemingen waarvan de aanvrager deel uitmaakt,

    minimaal 5 FTE in dienst zijn;

  • c.

    de aanvrager maakt in zijn aanvraag, naar het oordeel van Gedeputeerde Staten, aannemelijk dat

    vanuit de nieuw op te richten onderneming met een vestiging, of de te verplaatsen vestiging,

    ondernemingsactiviteiten worden uitgevoerd die bijdragen aan tenminste een van de volgende

    punten:

    • een meer gesloten grondstoffenketen;

    • het aanbieden van een product of nieuw productieproces dat circulair wordt geproduceerd;

    • het aanbieden van een product of nieuw productieproces met meer inzet van hernieuwbare

      energie.

  • d.

    de aanvrager maakt in zijn aanvraag aannemelijk dat binnen de realisatietermijn van het project

    minimaal 5 nieuwe FTE wordt aangenomen binnen de nieuw op te richten onderneming met

    vestiging of de te verplaatsen vestiging;

  • e.

    de aanvrager maakt in zijn aanvraag aannemelijk dat elke FTE wordt ingevuld

    op basis van een of meer arbeidsovereenkomst met een gezamenlijke omvang van tenminste 36

    uren per week en met een looptijd van minimaal 12 maanden per arbeidsovereenkomst;

  • f.

    de FTE worden niet ingevuld door personen die in de 12 maanden die vooraf zijn gegaan aan de

    datum van ontvangst van de aanvraag werkzaam zijn geweest bij de onderneming

    van de aanvrager noch het verband van ondernemingen waarvan de aanvragende onderneming deel uitmaakt, in wat voor functie dan ook;

  • g.

    de aanvrager maakt in zijn aanvraag aannemelijk dat de totale kosten die verband houden met het

    realiseren van het project, minimaal € 500.000,- zullen bedragen;

  • h.

    in het geval van een project als omschreven in artikel 2.2.2 aanhef en onder b: de aanvrager maakt

    in zijn aanvraag aannemelijk dat met het verplaatsen van de vestiging naar Fryslân, alle

    bedrijfsactiviteiten van de voormalige vestiging volledig worden gestaakt.

Artikel 2.2.4 Weigeringsgronden

In aanvulling op hetgeen is bepaald in artikel 2.7 van de ASV, wordt de prestatiesubsidie geweigerd indien:

  • a.

    met het project is gestart vóór ontvangst van de aanvraag;

  • b.

    de aanvraag of het project waarvoor een prestatiesubsidie is aangevraagd niet in overeenstemming is met het bepaalde in deze regeling;

  • c.

    de rechtsvorm van de aanvrager actief is in de primaire productie van landbouwproducten of de visserij- en aquacultuursector;

  • d.

    het project niet voldoet aan een of meer van de toetsingscriteria zoals omschreven in artikel 2.2.3;

  • e.

    de aanvraag wordt ontvangen buiten het in artikel 1.4, eerste lid, genoemde tijdvak;

  • f.

    het project ziet op het oprichten of verplaatsen van een datacenter.

Artikel 2.2.5 Opschortende voorwaarde

  • 1.

    Indien de subsidieontvanger op het moment van ontvangst van de aanvraag niet beschikt over de benodigde vergunningen om het project te kunnen starten, wordt de prestatiesubsidie onder de opschortende voorwaarde verleend dat binnen één jaar na de verzenddatum van het subsidieverleningsbesluit de benodigde vergunningen zijn afgegeven, onherroepelijk zijn geworden en kopieën hiervan door Gedeputeerde Staten zijn ontvangen.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de subsidieontvanger eenmalig besluiten de in het eerste lid genoemde periode te verlengen met maximaal een half jaar, mits hiervoor naar het oordeel van Gedeputeerde Staten gegronde redenen kunnen worden aangevoerd door de subsidieontvanger die dit uitstel rechtvaardigen.

  • 3.

    Een verzoek om uitstel als in het tweede lid omschreven dient te allen tijde voor het verstrijken van de termijn waarbinnen de aan de opschortende voorwaarde moet worden voldaan, te worden ontvangen door Gedeputeerde Staten.

  • 4.

    Indien niet binnen de in de gestelde termijn als aangegeven bij de subsidieverlening is voldaan aan de opschortende voorwaarde, wordt de prestatiesubsidie op nihil vastgesteld.

Artikel 2.2.6 Subsidiehoogte

  • 1.

    De prestatiesubsidie die kan worden verleend voor een project bedraagt € 10.000,- per nieuw aan te nemen FTE in het project, met een maximum van € 100.000,-.

  • 2.

    Het minimaal te verlenen prestatiesubsidiebedrag voor een project bedraagt € 50.000,-.

Artikel 2.2.7 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1.

    Onverminderd de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 2.13 en 2.14 van de ASV, is de subsidieontvanger verplicht om:

    • a.

      het gesubsidieerde project conform de aanvraag en de subsidieverleningsbeschikking uit te voeren;

    • b.

      uiterlijk binnen een jaar na de verzenddatum van het subsidieverleningsbesluit te starten met de realisatie van het gesubsidieerde project;

    • c.

      het gesubsidieerde project uiterlijk binnen twee jaar na de start hiervan te realiseren;

    • d.

      jaarlijks een projectvoortgangsrapportage te overleggen;

    • e.

      het subsidieverleningsbesluit en de daaruit voortvloeiende voorwaarden en verplichtingen gedurende de realisatie van het gesubsidieerde project niet over te dragen aan een derde;

    • f.

      binnen de realisatietermijn van het project minimaal 5 nieuwe FTE in dienst te nemen binnen de nieuw opgerichte onderneming met vestiging of de te verplaatsen vestiging;

    • g.

      elke gesubsidieerde FTE in te vullen op basis van een of meer arbeidsovereenkomsten met een gezamenlijke omvang van tenminste 36 uren per week en met een looptijd van minimaal 12 maanden per arbeidsovereenkomst;

    • h.

      de gesubsidieerde FTE in te vullen door personen die in de 12 maanden die vooraf zijn gegaan aan de datum van ontvangst van de aanvraag, niet werkzaam zijn geweest bij de onderneming van de aanvrager of het verband van ondernemingen waarvan de aanvragende onderneming deel uitmaakt, in wat voor functie dan ook;

    • i.

      in het geval van een project als omschreven in artikel 2.2.2 aanhef en onder b: ervoor te zorgen dat alle bedrijfsactiviteiten die voorheen in de vestiging buiten Fryslân plaatsvonden, te hebben gestaakt op het moment dat het project voltooid is;

    • j.

      zich in te spannen om één gesubsidieerde FTE geheel of deels in te vullen door een persoon met een afstand tot de arbeidsmarkt;

    • k.

      desgevraagd, na het verstrijken van de einddatum van het project of na het realiseren van het project, medewerking te verlenen aan een door Gedeputeerde Staten gevorderde controle van de administratie, monitoringstraject of ander onderzoek naar gegevens die in het kader van de subsidieverstrekking van belang kunnen worden geacht en verleent daartoe inzage in zijn administratie en verstrekt de inlichtingen die hiervoor van belang zijn.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de subsidieontvanger eenmalig besluiten de in het eerste lid genoemde periode onder onderdeel b te verlengen met maximaal een half jaar, mits hiervoor naar het oordeel van Gedeputeerde Staten gegronde redenen kunnen worden aangevoerd door de subsidieontvanger die dit uitstel rechtvaardigen.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de subsidieontvanger eenmalig besluiten de in het eerste lid genoemde periode onder onderdeel c te verlengen met maximaal een jaar, mits hiervoor naar het oordeel van Gedeputeerde Staten gegronde redenen kunnen worden aangevoerd door de subsidieontvanger die dit uitstel rechtvaardigen.

  • 4.

    Een verzoek om uitstel als in het tweede en derde lid omschreven dient te allen tijde voor het verstrijken van de realisatietermijn van het project te worden ontvangen door Gedeputeerde Staten.

  • 5.

    Indien niet voldaan wordt aan de verplichtingen als omschreven in de onderdelen e, f, en k, van het eerste lid, wordt de prestatiesubsidie in elk geval op nihil vastgesteld of wordt de subsidieverleningsbeschikking ingetrokken.

Artikel 2.2.8 Vaststelling en prestatieverantwoording

  • 1.

    Een prestatiesubsidie die verleend wordt op grond van deze paragraaf wordt vastgesteld na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling.

  • 2.

    Bij de aanvraag tot vaststelling dient in elk geval te worden overgelegd:

    • a.

      een activiteitenverslag waaruit genoegzaam blijkt dat het project waarvoor subsidie is verstrekt overeenkomstig het besluit tot subsidieverlening is verricht en aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan;

    • b.

      kopieën van de in het project overeengekomen arbeidsovereenkomsten inzake de gesubsidieerde FTE, waarover verzocht wordt de prestatiesubsidie vast te stellen.

  • 3.

    Bij de vaststelling wordt de prestatiesubsidie naar rato van het aantal gesubsidieerde FTE, voor zover deze FTE conform de in artikel 2.2.7 omschreven verplichtingen zijn gerealiseerd, vastgesteld.

  • 4.

    Het niet voldoen aan het bepaalde in het tweede lid van dit artikel, leidt in ieder geval tot een vaststelling van de verleende prestatiesubsidie op nihil en tot terugvordering van het vastgestelde subsidiebedrag bij de subsidieontvanger.

     

Paragraaf 2.3 Circulaire diversificatie in een bestaande vestiging in Fryslân

Artikel 2.3.1 Doel

De subsidie heeft tot doel bedrijfsontwikkelingen van Friese ondernemingen te stimuleren op het gebied van circulaire economie.

Artikel 2.3.2 Subsidiabele activiteit

Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag subsidie verstrekken voor het realiseren van een project dat ziet op een diversificatie binnen een bestaande vestiging van de onderneming van de aanvrager in Fryslân, die bijdraagt aan de transitie naar een circulaire economie in Fryslân.

Artikel 2.3.3 Toetsingscriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen voor een project als omschreven in artikel 2.3.2, wordt voldaan aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager heeft op het moment van ontvangst van de aanvraag tenminste één bestaande fysieke vestiging in Fryslân van waaruit ondernemingsactiviteiten worden uitgevoerd;

  • b.

    de aanvrager toont aan dat op het moment van ontvangst van de aanvraag binnen haar onderneming dan wel het verband van ondernemingen waarvan de aanvrager deel uitmaakt, minimaal 5 FTE in dienst zijn;

  • c.

    het project is aantoonbaar gericht op het ontwikkelen en implementeren van een nieuw commercieel product of proces voor de vestiging van de onderneming van de aanvrager;

  • d.

    de aanvrager maakt in zijn aanvraag, naar het oordeel van Gedeputeerde Staten, aannemelijk dat het project bijdraagt aan tenminste een van de volgende punten:

    • een meer gesloten grondstoffenketen;

    • het aanbieden van een product of nieuw productieproces dat circulair wordt geproduceerd;

    • het aanbieden van een product of nieuw productieproces met meer inzet van hernieuwbare energie.

  • e.

    de kosten voor het uitvoeren dan wel laten uitvoeren van het project zelf te maken.

Artikel 2.3.4 Weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 2.7 van de ASV, wordt subsidie geweigerd indien:

  • a.

    ter zake van de subsidiabele kosten van het project vóór ontvangst van de aanvraag verplichtingen zijn aangegaan of met het project is gestart vóór ontvangst van de aanvraag;

  • b.

    de aanvraag of het project waarvoor een subsidie is aangevraagd niet in overeenstemming is met het bepaalde in deze regeling;

  • c.

    de rechtsvorm van de aanvrager actief is in de primaire productie van landbouwproducten of in de visserij- en aquacultuursector;

  • d.

    het project niet voldoet aan een of meer van de toetsingscriteria zoals omschreven in artikel 2.3.3;

  • e.

    de aanvraag wordt ontvangen buiten het in artikel 1.4, eerste lid, genoemde tijdvak.

Artikel 2.3.5 Opschortende voorwaarde

  • 1.

    Indien de subsidieontvanger op het moment van ontvangst van de aanvraag niet beschikt over de benodigde vergunningen om het project te kunnen starten, wordt subsidie onder de opschortende voorwaarde verleend dat binnen één jaar na de verzenddatum van het subsidieverleningsbesluit de benodigde vergunningen zijn afgegeven, onherroepelijk zijn geworden en kopieën hiervan door Gedeputeerde Staten zijn ontvangen.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de subsidieontvanger eenmalig besluiten de in het eerste lid genoemde periode te verlengen met maximaal een half jaar, mits hiervoor naar het oordeel van Gedeputeerde Staten gegronde redenen kunnen worden aangevoerd door de subsidieontvanger die dit uitstel rechtvaardigen.

  • 3.

    Een verzoek om uitstel als in het tweede lid omschreven dient te allen tijde voor het verstrijken van de termijn waarbinnen de aan de opschortende voorwaarde moet worden voldaan, te worden ontvangen door Gedeputeerde Staten.

  • 4.

    Indien niet binnen de in de gestelde termijn als aangegeven bij de subsidieverlening is voldaan aan de opschortende voorwaarde, wordt de subsidie op nihil vastgesteld.

Artikel 2.3.6 Subsidiabele kosten

  • 1.

    Als subsidiabele kosten komen uitsluitend de volgende kosten in aanmerking voor subsidie voor zover redelijk en ten behoeve van het realiseren van het project als omschreven in artikel 2.3.2:

    • a.

      kosten voor het verbouwen van de vestiging om deze geschikt te maken voor de diversificatie;

    • b.

      kosten voor het inhuren van externe deskundigen voor advies-, onderzoeks-, ontwikkelings-, bouw- en engineeringswerkzaamheden;

    • c.

      kosten van de aanschaf van materialen die noodzakelijk zijn om het project te kunnen realiseren;

    • d.

      kosten van de aanschaf van duurzame bedrijfsuitrusting die noodzakelijk is om het project te kunnen realiseren.

  • 2.

    De in het vorige lid genoemde kosten zijn subsidiabel voor zover deze gemaakt zijn binnen de subsidiabel gestelde projectperiode als aangegeven in de subsidieverlening.

Artikel 2.3.7 Subsidiehoogte

  • 1.

    De subsidie die kan worden verleend aan een onderneming voor een project als omschreven in artikel 2.3.2 bedraagt ten hoogste 25% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 100.000,- exclusief BTW.

  • 2.

    Het minimaal te verlenen subsidiebedrag bedraagt € 50.000,- exclusief BTW.

Artikel 2.3.8 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1.

    Onverminderd de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 2.13 en 2.14 van de ASV, is de subsidieontvanger verplicht om:

    • a.

      het gesubsidieerde project conform de aanvraag en de subsidieverleningsbeschikking uit te voeren;

    • b.

      uiterlijk binnen een jaar na de verzenddatum van het subsidieverleningsbesluit te starten met de realisatie van het gesubsidieerde project;

    • c.

      het gesubsidieerde project uiterlijk binnen twee jaar na de start hiervan te realiseren;

    • d.

      jaarlijks een projectvoortgangsrapportage te overleggen;

    • e.

      de kosten voor het uitvoeren van het project zelf te maken;

    • f.

      het subsidieverleningsbesluit en de daaruit voortvloeiende voorwaarden en verplichtingen gedurende de realisatie van het project niet over te dragen aan een derde;

    • g.

      desgevraagd, na het verstrijken van de einddatum van het project of na het realiseren van het project, medewerking te verlenen aan een door Gedeputeerde Staten gevorderde controle van de administratie, monitoringstraject of ander onderzoek naar gegevens die in het kader van de subsidieverstrekking van belang kunnen worden geacht en verleent daartoe inzage in zijn administratie en verstrekt de inlichtingen die hiervoor van belang zijn.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de subsidieontvanger eenmalig besluiten de in het eerste lid genoemde periode onder onderdeel b te verlengen met maximaal een half jaar, mits hiervoor naar het oordeel van Gedeputeerde Staten gegronde redenen kunnen worden aangevoerd door de subsidieontvanger die dit uitstel rechtvaardigen.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de subsidieontvanger eenmalig besluiten de in het eerste lid genoemde periode onder onderdeel c te verlengen met maximaal een jaar, mits hiervoor naar het oordeel van Gedeputeerde Staten gegronde redenen kunnen worden aangevoerd door de subsidieontvanger die dit uitstel rechtvaardigen.

  • 4.

    Een verzoek om uitstel als in het tweede en derde lid omschreven dient te allen tijde voor het verstrijken van de realisatietermijn van het project te worden ontvangen door Gedeputeerde Staten.

  • 5.

    Indien niet voldaan wordt aan de verplichtingen als omschreven in onderdelen f en g, wordt de subsidie in elk geval op nihil vastgesteld of wordt de subsidieverleningsbeschikking ingetrokken.

Artikel 2.3.9 Vaststelling en prestatieverantwoording

  • 1.

    Een subsidie die verleend wordt op grond van deze paragraaf wordt vastgesteld op een in de subsidieverleningsbeschikking aangegeven datum.

  • 2.

    Bij de aanvraag tot vaststelling dient in elk geval te worden overgelegd:

    • a.

      een activiteitenverslag waaruit genoegzaam blijkt dat het project waarvoor subsidie is verstrekt overeenkomstig het besluit tot subsidieverlening is verricht en aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan;

    • b.

      een verklaring ex artikel 3.6 van de ASV inzake werkelijke uitgaven en inkomsten van het project.

  • 3.

    Indien uit de aanvraag tot subsidievaststelling blijkt dat het gesubsidieerde project is verricht en aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan, wordt de subsidie naar rato van de werkelijk gemaakte subsidiabele kosten vastgesteld.

  • 4.

    Het niet voldoen aan het bepaalde in het tweede lid van dit artikel, leidt in ieder geval tot een vaststelling van de verleende subsidie op nihil en tot terugvordering van het vastgestelde subsidiebedrag bij de subsidieontvanger.

Hoofdstuk 3 Slotbepalingen

Artikel 3.1 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 3.2 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling vestiging en circulair ondernemerschap Fryslân 2021-2022.

Aldus vastgesteld in de vergadering van Gedeputeerde Staten van Fryslân van 29 juni 2021.

Voorzitter drs. A.A.M. Brok

Secretaris R.E. Bouius – Riemersma, MBA MCM

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 1.1, aanhef en onder h

Indien er een deskundige wordt ingeschakeld om (een deel van) de gesubsidieerde activiteit in opdracht van de aanvrager uit te voeren, dient deze deskundige op grond van opleiding en ervaring gekwalificeerd te zijn deze opdracht uit te voeren. Voor de beoordeling kan worden gekeken naar de ondernemingsactiviteiten van het bedrijf dat wordt ingehuurd en/of de aantoonbare kennis en ervaring van de persoon die de opdracht uitvoert. Een deskundige dient tevens onafhankelijk te zijn. Dit houdt in dat de deskundige onafhankelijk de gegeven opdracht dient uit te kunnen voeren waarbij geen sprake mag zijn van enige vorm van belangenverstrengeling. Het gaat er ook om dat de schijn van belangenverstrengeling moet worden vermeden. In dit kader wordt onder andere in de volgende situaties geoordeeld dat er geen sprake is van onafhankelijkheid:

  • de deskundige heeft een (financieel) belang in de onderneming van de aanvrager;

  • de aanvrager heeft een (financieel) belang in de onderneming van de deskundige;

  • een bestuurder of directeur van de onderneming van de aanvrager is ook bestuurder of directeur van de onderneming van de deskundige;

  • de (onderneming van de) aanvrager heeft met de deskundige samen een ander bedrijf, zijn vennoten in dat bedrijf, zijn collega’s in een ander bedrijf, zijn getrouwd/levenspartners en/of zijn tegelijkertijd in een andere setting gelijkwaardige zakenpartners;

  • in het geval er sprake is van familierelaties in de eerste en tweede graad (ouder/kind broer/zuster) tussen de aanvrager en de deskundige.

Deze opsomming is niet limitatief.

 

Artikel 1.1, aanhef en onder k

Een onderneming wordt in elk geval als grote onderneming aangemerkt en niet als MKB-onderneming, wanneer:

  • (het verband van) de onderneming(en) van de aanvrager meer dan 250 medewerkers (FTE) heeft;

  • de jaaromzet van (het verband van) de onderneming(en) van de aanvrager, meer dan € 50 miljoen bedraagt;

  • het balanstotaal van (het verband van) de onderneming(en) van de aanvrager meer dan € 43 miljoen bedraagt.

Artikel 1.1, aanhef en onder n

Conform de door de Europese Commissie vastgestelde definitie van kleine, middelgrote, en micro-ondernemingen in bijlage I van de Verordening (EU) nr. 651/2014 van 17 juni 2014 behoren tot de categorie kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (KMO’s), ondernemingen waar minder dan 250 personen (FTE) werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet € 50 miljoen of het jaarlijkse balanstotaal € 43 miljoen niet overschrijdt.

 

Artikel 1.2

Uitsluitend MKB-ondernemingen en grote ondernemingen met een rechtsvorm zoals aangegeven in dit artikel, niet zijnde een holding (of houdstermaatschappij), komen binnen deze regeling voor subsidie in aanmerking. Indien de onderneming van de aanvrager niet binnen de doelgroep valt, wordt de aanvraag geweigerd.

 

Artikel 1.4

Aanvragen voor subsidie in het kader van de regeling kunnen worden ingediend vanaf 12 juli 2021 tot en met 31 december 2021 en moeten ook binnen dit tijdvak zijn ontvangen om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Aanvragen die worden ontvangen buiten voornoemd tijdvak, worden geweigerd.

 

Artikel 1.5 eerste lid

De verdeelsystematiek vindt plaats op basis van het principe ‘’wie het eerst komt, wie het eerst maalt’’. De datum waarop de aanvraag als volledig wordt aangemerkt, is de feitelijke datum waarop de aanvraag mee gaat tellen voor het beslag op het subsidieplafond.

Na ontvangst van een volledige aanvraag wordt de aanvraag inhoudelijk beoordeeld aan de hand van de regeling en zal worden beoordeeld of de aanvraag voor een (prestatie)subsidie in aanmerking komt.

Voor zover het subsidieplafond dat voor deze regeling van 12 juli 2021 tot en met 31 december 2021 beschikbaar is gesteld door een aanvraag wordt overschreden, wordt deze aanvraag geweigerd. Ook al voldoet de aanvraag aan de vereisten om voor een (prestatie)subsidie in aanmerking te komen.

 

Artikel 1.5 tweede lid

Uitgegaan wordt van een stelsel waarin de beschikbare bedragen worden verdeeld naar volgorde van ontvangst van een volledige aanvraag. Niet uitgesloten is dat op dezelfde dag meerdere subsidieaanvragen binnenkomen en dat honorering van al deze aanvragen tot een overschrijding van het beschikbaar gestelde subsidieplafond zou leiden. Daarom is een voorziening opgenomen om voor die situatie een nadere rangorde aan te kunnen brengen in de aanvragen van de desbetreffende dag. Deze rangorde wordt bepaald door middel van loting van volledige aanvragen. De loting bepaalt de volgorde waarin de subsidieaanvragen worden behandeld; niet de datum of het tijdstip van ontvangst. Alle aanvragen die op dezelfde dag zijn ontvangen, maken gelijke kans om voor subsidie in aanmerking te komen. Het maakt niet uit hoe laat de aanvraag op de desbetreffende dag is ontvangen. Ook het indienen van meerdere aanvragen beïnvloedt de loting niet: per aanvragende onderneming wordt slechts één subsidieaanvraag voor een activiteit die valt onder de omschrijving in artikel 2.1.2, artikel 2.2.2 of artikel 2.3.2, in behandeling genomen. Indien een aanvraag dient te worden aangevuld wegens onvolledigheid, geldt voor de verdeelsystematiek de datum van ontvangst van de aanvulling, als datum van ontvangst van de aanvraag.

 

Artikel 1.7

Steunmaatregelen die onder een de-minimisverordening vallen, worden geacht het handelsverkeertussen de lidstaten niet ongunstig te beïnvloeden en de mededinging niet te vervalsen of dreigen te vervalsen. Zulke maatregelen voldoen hierdoor niet aan alle cumulatieve criteria van het staatssteunverbod (art. 107 lid 1 VWEU) en leveren derhalve geen staatssteun op.

 

Om overschrijding van het de-minimisplafond te voorkomen, moet de aanvrager een de-minimisverklaring overleggen bij de aanvraag. Hierin moet de aanvrager alle steun en de-minimis opgeven die over de twee voorgaande belastingjaren en in het lopende belastingjaar is verstrekt.

 

Onder de reguliere de-minimisverordening kan aan aanvragers tot € 200.000,- aan steun verstrekt worden zonder dat er sprake is van staatssteun. Dit bedrag (steunplafond) geldt per aanvrager over een periode van driebelastingjaren. Ten aanzien van aanvragers die voor rekening van derden goederenvervoer over de weg verrichten, geldt hierbij een steunplafond van € 100.000,-.

 

Artikel 2.1.2

De onderneming die de subsidie aanvraagt (en ontvangt na toekenning van de aanvraag), richt gedurende de realisatie van het project een nieuwe B.V. of N.V. met vestiging op bij de Kamer van Koophandel, waarbij minimaal 5 FTE in de voornoemde vestiging worden aangenomen.

 

Artikel 2.1.3, artikel 2.2.3, artikel 2.3.3

Om voor subsidie in aanmerking te komen voor een subsidiabele activiteit (project) als omschreven in artikel 2.1.2, artikel 2.2.2 of artikel 2.3.2, gelden een aantal toetsingscriteria. Indien niet voldaan wordt aan een of meer van deze criteria komt de subsidieaanvraag niet in aanmerking voor subsidie en levert dit een (dwingende) weigeringsgrond op voor subsidie.

 

Artikel 2.1.4, aanhef en onder a, artikel 2.2.4, aanhef en onder b

Om voor subsidie in aanmerking te komen, mag er vóór ontvangst van de aanvraag nog niet gestart zijn met het project. Indien vóór de ontvangst van de aanvraag is gestart met feitelijke werkzaamheden van het project dan wordt ervan uitgegaan dat er (te vroeg) gestart is met het project. Met het bovenstaande wordt de stimulerende werking van de regeling gewaarborgd.

 

Hieronder een aantal niet-limitatieve voorbeelden van situaties waarin in elk geval geoordeeld wordt dat er (te vroeg) gestart is met feitelijke werkzaamheden voor het project:

  • wanneer er vóór ontvangst van de aanvraag een koopovereenkomst is gesloten tussen de aanvrager en een derde partij inzake een kavel of pand waarop of waarin een nieuwe vestiging wordt gehuisvest;

  • wanneer vóór ontvangst van de aanvraag de nieuwe onderneming en/of vestiging waarbinnen de in het project aan te wenden FTE in dienst zal worden genomen, reeds is opgericht bij de Kamer van Koophandel;

  • wanneer er vóór ontvangst van de aanvraag gestart is met de fysieke verplaatsing van de bedrijfsinventaris van de bestaande vestiging buiten Fryslân naar de nieuwe vestiging in Fryslân.

Gedeputeerde Staten kunnen na ontvangst van een aanvraag in geval van twijfel aangaande de door de aanvrager verstrekte informatie over de start van (feitelijke werkzaamheden van) het project hier nader onderzoek naar doen, al dan niet op locatie.

 

Artikel 2.2.2 aanhef en onder a

De onderneming die de subsidie aanvraagt (en ontvangt na toekenning van de aanvraag), richt gedurende de realisatie van het project een nieuwe B.V. of N.V. op met vestiging op bij de Kamer van Koophandel, waarbij minimaal 5 FTE in deze voornoemde vestiging worden aangenomen.

 

Artikel 2.2.2 aanhef en onder b

De onderneming die de subsidie aanvraagt (en ontvangt na toekenning van de aanvraag), verplaatst gedurende de realisatie van het project haar bestaande onderneming met vestiging naar Fryslân, waarbij minimaal 5 nieuwe FTE in de te verplaatsen vestiging wordt aangenomen.

 

Artikel 2.3.2

De feitelijke productie van een nieuw product of dienst die plaatsvindt na realisatie van een diversificatie(project), valt niet onder de subsidiabele activiteit omschrijving. Louter de fase van ontwikkeling en implementatie van een nieuw product of dienst.

De feitelijke inzet van een nieuw productieproces na realisatie van een diversificatie(project), valt eveneens niet onder de subsidiabele activiteit omschrijving. Louter de fase van ontwikkeling en implementatie van een nieuw productieproces.

 

Artikel 2.3.3, aanhef en onder e

Met dit criterium wordt voorgeschreven dat de kosten voor het realiseren van het project waarvoor subsidie is aangevraagd door de aanvragende onderneming zelf moeten worden gemaakt. Dit betekent dat de facturen die voortvloeien uit de opdrachten die de aanvrager verstrekt aan derden voor het daadwerkelijk laten uitvoeren van (een deel van) het gesubsidieerde project in rekening moeten worden gebracht bij de onderneming van de aanvrager.

 

Artikel 2.3.4, aanhef en onder a

Om voor subsidie in aanmerking te komen, mogen ter zake van de subsidiabele kosten van het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd, nog geen verplichtingen zijn aangegaan vóórdat de subsidieaanvraag is ontvangen. Daarnaast mag er vóór ontvangst van de aanvraag nog niet gestart zijn met het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Met het bovenstaande wordt de stimulerende werking van de regeling gewaarborgd.

 

Indien een verplichting is aangegaan vóór ontvangst van de aanvraag wordt geen subsidie verstrekt en wordt de gehele aanvraag geweigerd. Ook wanneer er ter zake van een deel van de begrote subsidiabele kosten van het project een verplichting is aangegaan vóór ontvangst van de aanvraag.

Onder het aangaan van verplichtingen wordt bijvoorbeeld verstaan het voor akkoord ondertekenen van een offerte van een externe deskundige, het ondertekenen van een (voorlopige) koopovereenkomst, maar ook het (mondeling) bevestigen van een opdracht aan een externe deskundige.

 

Indien vóór de ontvangst van de aanvraag is gestart met feitelijke werkzaamheden voor het project dan wordt ervan uitgegaan dat er (te vroeg) gestart is met het project. Hieronder een aantal niet-limitatieve voorbeelden van situaties waarin in elk geval geoordeeld wordt dat er (te vroeg) gestart is met feitelijke werkzaamheden voor het project:

  • wanneer er vóór ontvangst van de aanvraag een koopovereenkomst is gesloten tussen de aanvrager en een derde partij inzake een kavel of pand waarop of waarin een nieuwe vestiging wordt gehuisvest;

  • wanneer er vóór ontvangst van de aanvraag gestart is met (ver)bouwwerkzaamheden in de vestiging van de aanvrager in verband met de diversificatie;

  • wanneer er vóór ontvangst van de aanvraag gestart is met de fysieke verplaatsing van de bedrijfsinventaris van de bestaande vestiging buiten Fryslân naar de nieuwe vestiging in Fryslân.

Gedeputeerde Staten kunnen na ontvangst van een aanvraag in geval van twijfel aangaande de door de aanvrager verstrekte informatie over de start van de feitelijke werkzaamheden hier nader onderzoek naar doen, al dan niet op locatie.

 

Artikel 2.3.6, eerste lid onder a

Onder de kosten voor het verbouwen kunnen tevens de kosten van nieuwbouw worden verstaan.

 

Artikel 2.3.6, eerste lid onder b

De (advies)kosten van het inhuren van externe deskundigen voor marketing- of communicatiewerkzaamheden, vallen hier niet onder.

 

Artikel 2.1.7, eerste lid onder e, artikel 2.2.7, eerste lid, onder e, artikel 2.3.8, eerste lid, onder f

De onderneming waar de subsidie aan is verstrekt, is verplicht de subsidieverleningsbeschikking gedurende de realisatie van het project niet over te dragen aan een derde noch aan andere onderneming die deel uitmaakt van zijn verband van ondernemingen. Dit betekent dat een verzoek tot wijziging van de tenaamstelling van de subsidieverlening c.q. overdracht van de subsidie niet wordt gehonoreerd.

Naar boven