Provinciaal blad van Gelderland

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
GelderlandProvinciaal blad 2021, 3346Overige besluiten van algemene strekking



Besluit van de Teammanager Programmering, Vitaal Platteland van de provincie Gelderland houdende regels omtrent de openstelling voor het aanvragen van subsidie Innovatie Kalverhouderij (Openstellingsbesluit Innovatie Kalverhouderij Gelderland, 2021)

Bekendmaking van het besluit van 20 april 2021- zaaknummer 2021-005281 tot vaststelling van een regeling

 

Teammanager Programmering, Vitaal Platteland

 

Gelet op artikel 1.3 van Hoofdstuk 1 en paragraaf 7 van hoofdstuk 2 van de Verordening POP3 Gelderland, mei 2018;

Besluit(en)

  • I.

    Vast te stellen het Openstellingsbesluit Innovatie kalverhouderij Gelderland 2021.

  • II.

    Het subsidieplafond bedraagt € 10.680.000 waarvan € 680.000 bestaat uit ELFPO-middelen en € 10.000.000 uit provinciale middelen.

  • III.

    Aanvragen om subsidie kunnen worden ingediend vanaf 3 mei 2021 09.00 uur tot en met 12 juli 2021 17.00 uur.

  • IV.

    In Bijlage 1 zijn de nadere regels opgenomen die voor dit besluit gelden.

  • V.

    Dit besluit wordt aangehaald als Openstellingsbesluit Innovatie Kalverhouderij Gelderland, 2021”.

  • VI.

    Dit besluit treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin het wordt geplaatst en vervalt op 13 juli 2021, met dien verstande dat het zijn werking behoudt op de aanvragen die gedaan zijn tijdens de openstellingsperiode.

namens Gedeputeerde Staten van Gelderland,

Isabelle Wouters

Teammanager Programmering, Vitaal Platteland

Gepubliceerd te Arnhem

namens Gedeputeerde Staten van Gelderland,

Isabelle Wouters

Teammanager Programmering, Vitaal Platteland

Bijlage 1, Nadere regels Innovatie Kalverhouderij Gelderland, 2021

Artikel 1 Begripsomschrijving

In aanvulling op de definities in artikel 1.1 van de Verordening wordt in deze nadere regels verstaan onder:

 

  • a.

    brongerichte verduurzaming: het zo veel mogelijk voorkomen van emissies van ammoniak vanuit het stalsysteem naar de omgeving;

  • b.

    bovenwettelijke investeringen: investeringen die worden uitgevoerd zonder dat dit in wet- en regelgeving verplicht is;

  • c.

    stalsysteem: mest- en voeropslag, mestkelder, mestbewerkingsinstallatie of dierenverblijven, of een combinatie hiervan, die zich bevindt respectievelijk die zich bevinden op een vleeskalverhouderij;

  • d.

    Verordening: Verordening POP3 subsidies provincie Gelderland, mei 2018

  • e.

    vleeskalverhouderij: vestiging van een veehouderijonderneming waarin vleeskalveren worden gehouden voor de primaire productie van vlees.

 

Artikel 2 Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Op grond van artikel 2.7.1, eerste lid, van de Verordening wordt subsidie verstrekt voor de uitvoering van een innovatieproject dat bestaat uit de volgende fases:

    • a.

      het aanschaffen van fysieke investeringen waarbij sprake is van bovenwettelijke investeringen in een stalsysteem; en

    • b.

      het meten van het effect dat de investeringen hebben op de stalemissies vanuit een vleeskalverhouderij.

  • 2.

    De uitvoering van een innovatieproject kan ook uitsluitend bestaan uit het meten van het effect dat de investeringen hebben op de stalemissies vanuit een vleeskalverhouderij.

  • 3.

    Op grond van artikel 2.7.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c zijn de activiteiten gericht op maatregelen die kunnen leiden tot een brongerichte verduurzaming van een vleeskalverhouderij.

 

Artikel 3 Maximale subsidiehoogte

  • 1.

    De subsidie voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder a, bedraagt maximaal € 300.000 per vleeskalverhouderij, met een maximum van € 1.200.000 per aanvraag.

  • 2.

    De subsidie voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder b, bedraagt maximaal € 120.000 per vleeskalverhouderij, met een maximum van € 480.000 per aanvraag.

 

Artikel 4 Subsidiabele kosten

  • 1.

    Op grond van artikel 1.12, eerste lid, van de Verordening kan alleen subsidie worden verstrekt voor de volgende kosten:

    • a.

      personeelskosten; voor zover zij zijn berekend overeenkomstig artikel 1.9

    • b.

      kosten derden: kosten waarvoor een factuur of document met gelijkwaardige bewijskracht kan worden overgelegd;

    • c.

      bijdragen in natura; voor zover zij voldoen aan het bepaalde in artikel 1.11.

  • 2.

    Op grond van artikel 2.7.6, tweede lid, kan voor de uitvoering van een innovatieproject alleen subsidie worden verstrekt voor:

    • a.

      kosten voor het verspreiden van resultaten van het project;

    • b.

      operationele kosten direct verbonden aan de uitvoering van het innovatieproject;

    • c.

      kosten voor projectmanagement en projectadministratie;

    • d.

      niet-verrekenbare btw.

  • 3.

    Op grond van artikel 2.7.6, derde lid kan, als voor de uitvoering van een innovatieproject een fysieke investering wordt gedaan, alleen subsidie worden verstrekt voor:

    • a.

      kosten voor bouw of verbetering van onroerende zaken;

    • b.

      kosten voor verwerving of leasing van onroerende zaken;

    • c.

      kosten van de koop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;

    • d.

      niet-verrekenbare btw.

  • 4.

    Op grond van artikel 2.7.6, derde lid en artikel 1.12a van de Verordening kan, als voor de uitvoering van een innovatieproject een fysieke investering wordt gedaan, alleen subsidie worden verstrekt voor:

    • a.

      kosten van architecten, ingenieurs en adviseurs;

    • b.

      kosten van adviezen over duurzaamheid op milieu- en economisch gebied;

    • c.

      kosten van haalbaarheidsstudies;

    • d.

      niet-verrekenbare btw.

  • 5.

    Op grond van artikel 2.7.6, vierde lid, van de Verordening kan voor de uitvoering van een fysieke investering in het kader van het project alleen subsidie worden verstrekt voor:

    • a.

      kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;

    • b.

      kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken;

    • c.

      kosten van de koop van tweedehands machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;

    • d.

      niet-verrekenbare btw.

 

Artikel 5 Aanvrager

  • 1.

    Subsidie wordt verstrekt aan de deelnemers van het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.6 en 2.7.2 van de Verordening.

  • 2.

    Het samenwerkingsverband bestaat tenminste uit een vleeskalverhouderij, die ook eindgebruiker is van de fysieke investeringen, en een andere partij die van belang is voor het verwezenlijken van de doelstellingen van het project.

 

Artikel 6 Selectiecriteria, weging en selectie

  • 1.

    Gedeputeerde Staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 2.7.9 en 1.15a van de Verordening de selectiecriteria:

    • a.

      effectiviteit;

    • b.

      haalbaarheid/kans op succes;

    • c.

      innovativiteit;

    • d.

      efficiëntie.

  • 2.

    Per selectiecriterium kunnen nul tot en met vijf punten worden behaald.

  • 3.

    De selectiecriteria hebben de volgende wegingsfactoren:

    • a.

      effectiviteit heeft een wegingsfactor van 3;

    • b.

      haalbaarheid/kans op succes heeft een wegingsfactor van 2;

    • c.

      innovativiteit heeft een wegingsfactor van 2;

    • d.

      efficiëntie heeft een wegingsfactor van 1;

  • 4.

    Om voor subsidie in aanmerking te komen, moeten minstens 24 punten behaald zijn.

  • 5.

    Geen subsidie wordt verleend als op één of meer van de selectiecriteria nul punten wordt behaald.

  • 6.

    Bij een gelijk aantal punten van verschillende projecten is doorslaggevend welk project het hoogst scoort op het onderdeel effectiviteit. Bij een gelijk aantal punten voor effectiviteit is doorslaggevend welk project gemiddeld het hoogst scoort op de onderdelen haalbaarheid en innovativiteit. Zijn er ook na toepassing van deze regels gelijk scorende projecten, dan zal overgegaan worden tot loting. De loting zal worden uitgevoerd door een beëdigd notaris.

 

Artikel 7 Adviescommissie

Als uitwerking van artikel 1.14, tweede lid van de Verordening worden aanvragen, die voor subsidie in aanmerking komen, voorgelegd aan een door Gedeputeerde Staten ingestelde adviescommissie.

 

Artikel 8 Verplichtingen

Voor het meten van het effect van de innovatie wordt gebruik gemaakt van het Protocol voor meting van ammoniakemissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij 2013a of een gelijkwaardige meetmethode.

 

TOELICHTING bij de Nadere regels Innovatie Kalverhouderij 2021

 

I ALGEMEEN DEEL

 

1.1 Kader

 

Op 31 december 2020 liep de oorspronkelijke programmaperiode van POP3 2014-2020 af. Vanwege vertraging in de Brusselse besluitvorming kon het nieuwe GLB nog niet van start gaan op 1 januari 2021. Om de continuïteit in de financiering en uitvoering van POP3 te waarborgen heeft de Europese Commissie de mogelijkheid geboden om het huidige Plattelandsontwikkelingsprogramma te verlengen. Gelderland heeft besloten om van deze mogelijkheid gebruik te maken ter overbrugging tussen het huidige POP3 en het nieuwe GLB. De overbruggingsperiode noemen we transitieperiode, het programma noemen we POP3plus. De transitieperiode beslaat de jaren 2021 en 2022. De financiering van de transitie-jaren komt uit het nieuwe GLB. Inhoudelijk wordt het principe van ‘oude regels, nieuw geld’ gehanteerd. Dit houdt in dat dit openstellingsbesluit evenals voorgaande jaren past binnen de Verordening POP3 subsidies Gelderland.

 

Nederland heeft ervoor gekozen om in het POP3plus een accentverschuiving aan te brengen, waarbij de inhoudelijke focus meer dan voorheen komt te liggen op de actuele maatschappelijke thema’s klimaat, biodiversiteit/bodem en kringlooplandbouw (incl. stikstof).

 

In het programma Gelderse Maatregelen Stikstof (GMS) werkt de provincie samen met partners uit de bouw, industrie, landbouw, mobiliteit, natuur, waterschappen en gemeentelijke regio’s aan structurele verlaging van de stikstofneerslag, natuurherstel en verduurzaming van sectoren. Vanuit dit programma zetten we gezamenlijk stappen om stikstof te reduceren, de natuur sterker te maken en meer ruimte voor Gelderse initiatieven te creëren. Een van de acties betreft de openstelling Innovatie Kalverhouderij.

 

1.2 De Verordening

 

Dit openstellingbesluit betreft een nadere uitwerking van de Verordening. Voor zaken die niet specifiek benoemd zijn in dit openstellingsbesluit is de Verordening van toepassing. Het gaat daarbij met name om hoofdstuk 1 en paragraaf 7 van hoofdstuk 2.

 

Bijvoorbeeld artikel 1.7 (wijze van indienen van een aanvraag), artikel 1.17 (verplichtingen), artikel 2.7.4 (aanvraag) en artikel 2.7.5 weigeringsgronden van de Verordening zijn onverkort van toepassing al worden ze in dit openstellingsbesluit niet herhaald.

 

1.3 Tendersystematiek

 

Subsidieaanvragen kunnen slechts in een beperkte periode worden ingediend. Op de sluitingsdatum van de tender moet alle inhoudelijke informatie (dus ook alle verplichte bijlagen en een duidelijke toelichting op de begroting) die bij een aanvraag hoort, ontvangen zijn. Deze sluitingsdatum wordt strikt gehanteerd. Als de aanvraag minimaal tien werkdagen voor de sluitingsdatum wordt ontvangen, wordt de aanvraag gecontroleerd op volledigheid van verplichte bijlagen en wordt bij een eventuele onvolledigheid hierover aan de aanvrager teruggekoppeld. Na de sluitingsdatum is aanvullen van de aanvraag niet meer mogelijk. Een onafhankelijke adviescommissie gaat vervolgens de aanvragen beoordelen aan de hand van de beschikbare informatie. Met behulp van selectiecriteria worden de projecten gerangschikt. Het kan voorkomen dat vanwege het subsidieplafond niet alle projecten gehonoreerd kunnen worden. De projecten met de meeste punten worden als eerste gehonoreerd. De criteria waarop de aanvragen worden beoordeeld, staan beschreven in artikel 6 van de dit openstellingsbesluit en de toelichting bij dat artikel.

 

1.4 Beginnen met een project

 

Kosten zijn alleen subsidiabel als zij zijn gemaakt na de aanvraag om subsidie. Kosten die voor de aanvraag om subsidie zijn gemaakt, komen niet voor subsidie in aanmerking. Uitdrukkelijk zij vermeld dat het ondertekenen van een offerte - voor de datum van indiening van de aanvraag – zonder dat daarin een voorbehoud is gemaakt over het aanvragen of ontvangen van subsidie – uitgelegd wordt als start met de uitvoering van de activiteit.

De ervaring wijst uit dat veel initiatiefnemers met de start van hun project wachten totdat de beschikking ontvangen is. Dat hoeft niet. Kosten kunnen subsidiabel zijn vanaf het moment van indienen van de aanvraag. De beschikking geeft zekerheid over de subsidiabiliteit van de kosten. Kosten maken na het indienen van de aanvraag en voor ontvangst van de beschikking betekent dus een zeker risico nemen.

 

In de subsidieverleningsbeschikking wordt de startdatum van de activiteit opgenomen.

 

1.5 Aanbestedingen

 

Als een gemeente of waterschap (of een andere aanbestedende dienst) betrokken is bij het samenwerkingsverband kunnen de aanbestedingsregels van toepassing zijn. Bij betaalverzoeken wordt gecontroleerd of de aanbestedingsregels zijn nageleefd. Het niet naleven van aanbestedingsregels leidt 7tot een korting op de subsidie. De hoogte van de korting is afhankelijk van de overtreding.

 

1.6 Meer informatie

 

Meer informatie over de subsidiemogelijkheden, de voorwaarden en relevante informatie en tips vindt u op de website https://www.gelderland.nl/Subsidies. Ook kan het Handboek voor aanvragers POP3 subsidie worden geraadpleegd. Het handboek is te vinden op www.netwerkplatteland.nl.

 

II ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING

 

Deze punten komen verderop in de toelichting terug, maar zijn zo belangrijk dat wij ze vooraf willen benadrukken.

 

Het project dient te zijn afgerond en de vaststelling dient te worden ingediend voor 1 april 2025. Dit in verband met het einde van de looptijd van POP3. Wanneer de vaststelling niet tijdig is ingediend, kunnen Gedeputeerde Staten ambtshalve vaststellen. Wanneer de vaststelling wel tijdig is ingediend maar het project nog niet geheel is afgerond, hebben Gedeputeerde Staten de bevoegdheid de subsidie lager vast te stellen omdat de activiteiten niet geheel zijn uitgevoerd.

 

Aanvrager moet onderbouwen of de fysieke investeringen in de stalsystemen wel of niet productief zijn. Afhankelijk van dat antwoord is het subsidiepercentage 40 of 100%. Wij verlenen alleen 100% subsidie als de investering niet-productief is.

 

Fysieke investeringen zijn alleen subsidiabel als ze zijn gericht op ammoniakreductie. Investeringen gericht op duurzaamheid, dierenwelzijn of minder methaan zorgen voor een hogere beoordeling van het project en dus meer kans op subsidie, maar zijn zelf niet subsidiabel.

 

 

Artikel 1.

Sub a

Brongericht betekent dat de uitstoot van ammoniak zoveel mogelijk wordt voorkomen, namelijk door de emissies bij de bron aan te pakken. Bijvoorbeeld door het snel uit de stal afvoeren en scheiden van urine en mest. Hiermee wordt de uitstoot van ammoniak en daarmee ook de depositie op stikstofgevoelige natuur verminderd. Tevens kan gedacht worden aan innovatieve technieken die voorkomen dat emissies die in de mestkelder ontstaan de stalruimte bereiken, waardoor het stalklimaat substantieel verbetert voor mens en dier. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan (gedeeltelijke) luchtafzuiging onder de roosters. De brongerichte aanpak verschilt van end of pipe maatregelen, waarbij de emissies eerst ontstaan, de stalruimte bereiken en vervolgens pas uit de lucht worden verwijderd voordat de lucht de stal verlaat.

 

Artikel 2 Subsidiabele activiteiten

De doelstelling van deze openstelling is innovatie door het toepassen en meten van investeringen die kunnen leiden tot brongerichte verduurzaming in bestaande stallen of nieuw te ontwikkelen en te bouwen type stallen (proefstallen) en stikstofreductie. Bij bewezen effectiviteit kunnen deze uiteindelijk kunnen worden toegevoegd aan de lijst van de Regeling ammoniak en veehouderij (of de opvolger onder de Omgevingswet) als bewezen innovaties.

 

Het subsidieproject wordt in twee stappen uitgevoerd. Ten eerste de aanschaf van het stalsysteem in de proefstal en ten tweede het laten meten van de emissies. Voor beide onderdelen stellen Gedeputeerde Staten subsidie beschikbaar. Het is niet mogelijk om alleen de eerste fase (aanschaf stalsysteem) uit te voeren.

Het is wel mogelijk om alleen de tweede fase (metingen) uit te voeren. In dat geval bestaat het subsidieproject dus alleen uit de metingen. De metingen maken onderdeel uit van het innovatieproject, omdat het noodzakelijk is om tot een bewezen systeem te komen. Het meten betreft dus de uitvoering van het innovatieproject en moet zijn gericht op het praktijkrijp maken van kennis en innovatie op het gebied van de vermindering van ammoniakuitstoot als gevolg van de toepassing van bepaalde stalsystemen.

 

Onder de aanschaf stalsysteem wordt ook verstaan de installatie en het zodanig inrichten van de stallen dat deze geschikt zijn voor de metingen.

 

Het realtime meten van emissies wordt gezien als een systeem dat in de toekomst het vooraf meten van innovatieve stallen geheel of gedeeltelijk zou kunnen vervangen. Op dit moment worden gedurende het jaar een aantal metingen uitgevoerd en op basis daarvan wordt de emissie bepaald. Met sensoren worden continue de feitelijke emissies gemeten. Op dit moment is het uitvoeren van realtime meten op grond van de wetgeving nog niet toegestaan. Om die reden kan daar nu ook nog geen subsidie voor worden aangevraagd.

 

Het uitvoeren van de activiteiten draagt zowel bij aan de gezondheid en het welzijn van mens en dier als aan realisatie van klimaat- en milieudoelen.

 

Een voorwaarde is dat sprake moet zijn van bovenwettelijke investeringen in een stalsysteem. Een stalsysteem is gedefinieerd als mest- en voeropslag, mestkelder, mestbewerkingsinstallatie of dierenverblijven, of een combinatie hiervan, die zich bevindt respectievelijk die zich bevinden op een veehouderijlocatie. Bovenwettelijk betekent dat de maatregelen verder gaan dan volgens de wet- en regelgeving verplicht is, bijvoorbeeld op het gebied van diergezondheid of de KWIN-normen. In het projectplan dient een onderbouwing te worden gegeven van het bovenwettelijk karakter van de investering.

 

Deze innovatie-subsidie betreft een inspanningsverplichting wat betreft de emissiemetingen. Ook wanneer uit de emissiemetingen blijkt dat de emissiereductie lager is dan verwacht, wordt voldaan aan het doel van deze openstelling, mits de metingen goed zijn uitgevoerd.

 

Artikel 3. Subsidie hoogte

De subsidie voor de emissiemetingen bedraagt maximaal € 120.000 per locatie. In totaal subsidiëren wij maximaal vier locaties, dus komen de maximale kosten per aanvraag voor de metingen uit op € 480.000. In de praktijk zullen de maximale kosten niet uitkomen op dit bedrag omdat de kosten niet evenredig toenemen bij metingen op meerdere locaties.

De kosten voor het stalsysteem (fysieke investeringen) bedragen maximaal € 300.000 per locatie. In totaal subsidiëren wij maximaal vier locaties, dus komen de maximale kosten per aanvraag voor de fysieke investeringen uit op € 1.200.000. Afhankelijk van het aantal locaties per samenwerkingsverband subsidiëren wij maximaal € 420.000 tot € 1.680.000 per aanvraag.

 

Artikel 4. Subsidiabele kosten

Zie ook de informatie op de website van de Provincie Gelderland met onder andere de checklist verplichte bijlagen en meer informatie over het onderbouwen van de kosten en de eisen die aan het onderbouwen van de begroting worden gesteld.

 

Wat betreft de hoogte van de subsidie is artikel 2.7.8 van de verordening van toepassing. De kosten met betrekking tot de metingen betreffen uitvoering van het innovatieproject en zijn dus voor 70% subsidiabel. De kosten voor het stalsysteem (fysieke investeringen) zijn voor 40% subsidiabel als het gaat om productieve investeringen of 100% subsidiabel als het gaat om niet-productieve investeringen.

 

Een niet-productieve investering leidt niet tot een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van het landbouwbedrijf of een andere onderneming. Een investering moet om als niet-productief aangemerkt te kunnen worden dus primair gericht zijn op het behalen van de agromilieuklimaatdoelstellingen, waarbij eventuele productieve elementen slechts “bijvangst” zijn.

Wanneer een proefstalstatus is verkregen, wordt een bijzondere emissiefactor toegekend aan de kalverhouderij. Deze bijzondere emissiefactor is gebaseerd op de verwachte ammoniakreductie. Bij bewezen innovatie kan het stalsysteem aan de Rav-lijst worden toegevoegd. Voor vragen over de exacte voorwaarden en relatie van de proefstal en de bijzondere emissiefactor op de relevante vergunningen (waaronder de Wet natuurbescherming) kan contact worden opgenomen met de bevoegde gezagen. Wij merken de investeringen in beginsel aan als productief (40% subsidie) omdat deze zijn gericht op vermindering van ammoniakuitstoot. Minder ammoniakuitstoot levert het bedrijf een economisch voordeel op met betrekking tot uitbreidingsruimte. Wij merken de investering aan als niet-productief (100% subsidie) als wordt aangetoond dat de waarde van de onderneming niet aanzienlijk stijgt als gevolg van de innovatie, in dat geval moet worden aangetoond dat de uitbreidingsruimte zich nu en in de toekomst niet kan voordoen. Aanvrager zal dit moeten onderbouwen waarbij hij in ieder geval aantoont 1) dat hij nu als gevolg van de innovatie niet uitbreidt qua dieraantal en 2) dat hij zijn Wnb-vergunning na de emissiemetingen zonder tegenprestatie zal bijstellen zodat de feitelijke ammoniakemissie van de proefstal het nieuwe emissieplafond zal worden, waardoor uitbreiding in de toekomst ook niet mogelijk is. Alleen onder deze voorwaarden is de investering niet-productief omdat de agrariër dan geen economisch voordeel kan halen uit de investering. Om dit te borgen zal in de subsidiebeschikking een verplichting hiertoe worden opgenomen. Aanvullend daarop kan in de beschikking worden verplicht een privaatrechtelijke overeenkomst af te sluiten om dit te borgen. Bij twijfel merken wij de investering aan als productief.

Wat betreft de fysieke investeringen zijn zowel de aanschaf als de noodzakelijke installatiekosten subsidiabel. Hieronder wordt ook verstaan de installatie en het zodanig inrichten van de stallen dat deze geschikt zijn voor de metingen.

 

Artikel 5. Aanvrager

Subsidie wordt alleen verstrekt aan het samenwerkingsverband. Op het moment van de subsidieaanvraag moet dit samenwerkingsverband zijn opgericht. De eisen gesteld aan het samenwerkingsverband staan in artikel 1.6 van de POP-verordening. In het samenwerkingsverband zitten in elk geval de vleeskalverhouderij die eindgebruiker is en een andere partij. Met de eindgebruiker wordt bedoeld de veehouderijonderneming die de ontwikkelde technologie gaat toepassen op zijn veehouderij. Wij stellen geen voorwaarden aan de andere partij in het samenwerkingsverband, behalve dat die van belang moet zijn voor het verwezenlijken van het project. Onderbouwd moet dus worden wat de toegevoegde waarde is van de samenwerkingspartner aan het project. Dit is bijvoorbeeld een andere vleeskalverenhouder die op dezelfde wijze innoveert, een stalbouwer of een organisatie die de emissies meet. Het toevoegen van een symbolische partner volstaat niet. Let op: belangrijk is dat deelnemers aan het samenwerkingsverband hun kosten alleen kunnen inbrengen zonder winstopslag (artikel 1.13, eerste lid, onderdeel l van de POP-verordening). Het inbrengen van een offerte / factuur waar een winstopslag over is berekend is bijvoorbeeld niet toegestaan.

 

 

Artikel 6. Rangschikking

Subsidieverlening verloopt via een tendersysteem. Dat wil zeggen dat gedurende een beperkte periode subsidieaanvragen kunnen worden ingediend. De aanvragen die voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in art. 6 en als beste gerangschikt zijn komen in aanmerking voor subsidie.

Projecten waarbij uitsluitend subsidie wordt aangevraagd voor emissiemetingen worden op dezelfde manier beoordeeld als projecten waar zowel voor de aanschaf van stalsystemen als voor emissiemetingen subsidie wordt aangevraagd.

 

De aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen worden gerangschikt op basis van vier selectiecriteria. Voor elk selectiecriterium kunnen 0 tot en met 5 punten worden behaald. Indien een aanvraag minder dan 24 punten behaalt, dan wordt de aanvraag afgewezen. Ook als voor één of meerdere selectiecriteria 0 punten wordt behaald wordt de aanvraag afgewezen.

 

De volgende selectiecriteria worden gehanteerd:

 

Selectiecriterium effectiviteit

Dit criterium heeft een wegingsfactor 3. De effectiviteit wordt bepaald door het effect te relateren aan de doelstellingen zoals beschreven in deze openstelling. De belangrijkste doelstelling van deze openstelling (die daarom het zwaarst weegt in de puntenscore) is ammoniakreductie. Er kunnen echter ook punten gescoord worden voor brede duurzame toepassingen, bijvoorbeeld als een duurzaamheidsplan voor de vleeskalverhouderij is opgesteld en bij de aanvraag wordt meegestuurd. Dit duurzaamheidsplan hoeft geen relatie te hebben met het innovatieproject en is ook niet subsidiabel. Er kunnen ook punten gescoord worden als het innovatieproject leidt tot meer dierenwelzijn (bijvoorbeeld vachthygiëne) en brandveiligheid en minder methaan. Ook deze toepassingen zijn op zichzelf niet subsidiabel maar kunnen tot een hogere score leiden. De nadruk in de beoordeling zal echter liggen op onderdeel 1a en 2.

 

De adviescommissie hanteert in samenhang de volgende aspecten:

  • 1.

    meerwaarde beoogde innovatie voor doel innovatiethema. Betreft de aanvraag een goede oplossing voor de in de openstelling omschreven behoefte?

    • a.

      een hoger aantal punten naar mate het innovatieproject naar verwachting en onderbouwd met een meetplan leidt tot een hoger percentage ammoniakreductie.

    • b.

      een hoger aantal punten als:

      • i.

        een duurzaamheidsplan is opgesteld voor de vleeskalverhouderij en dit bij de aanvraag is gevoegd;

      • ii.

        het innovatieproject meer bijdraagt aan dierenwelzijn en brandveiligheid en reductie methaan op een veehouderijlocatie, onderbouwd in het projectplan.

  • 2.

    Mate van geschiktheid van de beoogde innovatie voor brede toepasbaarheid / uitrol – is er goede kans op snelle vertaling naar de praktijk?

 

0 punten als:

  • a.

    het innovatieproject naar verwachting resulteert in minder dan 50% emissiereductie.

  • b.

    door de uitvoering van het project de op grond van het Besluit emissiearme huisvesting veehouderij van toepassing zijnde maximale emissiewaarde wordt overschreden.

  • c.

    het innovatieproject naar verwachting leidt tot een verminderd niveau van dierenwelzijn en brandveiligheid.

1 punt als het project onvoldoende voldoet aan de aspecten;

2 of 3 punten als het project matig tot voldoende voldoet aan de aspecten;

4 of 5 punten als het project in hoge mate voldoet aan de aspecten.

 

Selectiecriterium Haalbaarheid / kans op succes

Dit criterium heeft een wegingsfactor 2.

De “kans op succes” wordt gedefinieerd als de kans dat de partijen er in slagen een werkbare en vruchtbare samenwerking tot stand te brengen, inclusief goede afspraken over taken en verantwoordelijkheden en over lasten en lusten met betrekking tot de beoogde innovatie en er in slagen om de beoogde innovatie goed scherp te krijgen in termen van technische en organisatorische haalbaarheid en in termen van marktmogelijkheden (behoefte). Of hierover goed is nagedacht blijkt uit:

  • 1.

    de kwaliteit van de projectaanvraag;

  • 2.

    de kwaliteit van de bij het project betrokken partijen. Bij de kwaliteit is van belang dat de instelling die de emissiemetingen verricht, hiervoor gecertificeerd is.

  • 3.

    vernieuwingen die economisch meer perspectief bieden voor toepassing op een kalverhouderijlocatie.

 

0 punten als geen van de aspecten in beeld zijn gebracht of het project onvoldoende voldoet aan de aspecten;

1 punt als één aspect voldoende scoort;

2 of 3 als indien de aspecten matig tot voldoende scoren;

4 of 5 als indien het project in hoge mate voldoet aan de aspecten.

 

Selectiecriterium innovativiteit

Met innovativiteit wordt gedoeld op het samenwerkingsproces als zodanig, op het onderwerp van de samenwerking of op beide. Centraal staat de vraag of het innovatieproject vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek.

Bij de beoordeling van de innovativiteit van het samenwerkingsproces wordt gekeken in hoeverre de voorgestelde samenwerking nieuwe verbanden / verbintenissen tot stand brengt. Hoe meer gangbaar de samenwerking tussen de partijen is, hoe minder punten er zullen worden toegekend.

Voor de beoordeling van het onderwerp van de samenwerking / de beoogde innovatie zelf geldt: het gaat om de meerwaarde die de innovatie heeft, in de zin dat het gaat om het verschil dat het product zelf te weeg kan brengen. Betreft de beoogde innovatie slechts een zeer geringe aanpassing van een bestaand product (of dienst, proces, procedé enz), dan wordt er geen punt toegekend. Betreft de beoogde innovatie bijvoorbeeld een geheel of vrijwel geheel nieuw product, dan zullen vier of vijf punten toegekend worden. Luchtwassers worden bijvoorbeeld niet aangemerkt als innovatief en scoren dus weinig punten. Innovaties die gericht zijn op het onderwerp van de samenwerking, scoren hoger dan innovaties die gericht zijn op het samenwerkingsproces.

 

In samenhang worden de volgende aspecten bezien:

  • 1.

    Technisch of sociaal grensverleggend karakter van het innovatie-idee (product, procedé, techniek, concept, aanpak) – hoe bijzonder is het idee?

  • 2.

    Transitie karakter van de innovatie – draagt de innovatie bij aan realisatie van de toekomstbestendige “duurzame landbouw”, dat wil zeggen inzet op beoogde transitie van benadering kostenreductie en/of verhoogde volumes naar benadering meerwaardecreatie, circulaire bedrijfsvoering / productie en/of sectoroverstijgende toepassing (cross-over)?

  • 3.

    Toepassingsgebied – is er al een oplossing maar wordt deze niet toegepast en is het project er op gericht om belemmeringen weg te nemen?

 

0 punten als er geen sprake is van een innovatie zoals bijvoorbeeld een bestaand idee toepassen op een andere manier.

1 punt als er geen sprake is van een bijzonder idee waardoor het grensverleggende karakter van de innovatie beperkt is.

2 of 3 punten als de innovatie op twee van de drie aspecten voldoende scoort.

4 of 5 punten als de innovatie op alle aspecten voldoende tot goed scoort.

 

Selectiecriterium efficiëntie

De efficiëntie wordt bepaald door in samenhang te kijken naar de volgende aspecten:

  • 1.

    Redelijkheid van kosten - staat de begroting (uren en tarieven) in een reële verhouding tot de geplande prestatie, hoe is dit aannemelijk gemaakt?

  • 2.

    Relevantie van de kosten – wordt de gevraagde bijdrage aan de juiste zaken besteed?

  • 3.

    Efficiënt gebruik van kennis, kunde en arbeid - in hoeverre wordt bestaande kennis goed benut, staat de overhead van het project in redelijke verhouding tot de prestatie?

 

0 punten als de verhouding tussen kosten en doelstelling naar het oordeel van de commissie onredelijk is.

1 punt als op 1 aspect voldoende wordt gescoord.

2 punten als op 2 aspecten voldoende wordt gescoord.

3 punten als op alle 3 de aspecten voldoende wordt gescoord.

4 punten als op 2 van de 3 voldoende en op 1 goed wordt gescoord.

5 punten als op alle aspecten goed wordt gescoord.