Provinciaal blad van Gelderland

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
GelderlandProvinciaal blad 2021, 1556Overige besluiten van algemene strekking



Besluit van de Teammanager Programmering, Vitaal Platteland van de provincie Gelderland houdende regels omtrent de professionalisering van korte voorzieningsketens (Openstellingsbesluit Professionalisering Korte Voorzieningsketens Gelderland, april 2021)

Bekendmaking van het besluit van 19 februari 2021 - zaaknummer 2021-000375 tot vaststelling van een regeling

 

Teammanager Programmering, Vitaal Platteland

 

Gelet op artikel 1.3 van Hoofdstuk 1 en paragraaf 7 van Hoofdstuk 2 van de Verordening POP3 subsidies provincie Gelderland, mei 2018;

Besluit

  • I.

    Vast te stellen het openstellingsbesluit Professionalisering korte voorzieningsketens, april 2021.

 

  • II.

    Het subsidieplafond bedraagt € 980.000 waarvan € 490.000 bestaat uit ELFPO-middelen en € 490.000 uit provinciale middelen.

 

  • III.

    Aanvragen om subsidie kunnen worden ingediend vanaf 1 april 2021 09.00 uur tot en met 20 mei 2021 tot 17.00 uur.

 

  • IV.

    In Bijlage 1 zijn de nadere regels opgenomen die voor dit besluit gelden.

 

  • V.

    Dit besluit wordt aangehaald als “Openstellingsbesluit Professionalisering Korte Voorzieningsketens Gelderland, april 2021”.

 

  • VI.

    Dit besluit treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin het wordt geplaatst en vervalt op 21 mei 2021, met dien verstande dat het zijn werking behoudt op de aanvragen die gedaan zijn tijdens de openstellingsperiode.

     

namens Gedeputeerde Staten van Gelderland,

Isabelle Wouters

Teammanager Programmering, Vitaal Platteland

Bijlage 1, Nadere regels Professionalsering korte voorzieningsketens

 

Artikel 1 Begripsomschrijving

In aanvulling op de definities in artikel 1.1 van de Verordening wordt in deze nadere regels verstaan onder:

 

  • a.

    Afnemer: een rechtspersoon als schakel in de voorzieningsketen die landbouwproducten afneemt van de streekproducent;

  • b.

    Korte voorzieningsketen: een voorzieningsketen in een bepaalde streek met maximaal één schakel tussen de producent en de consument;

  • c.

    Streekproducent: een landbouwer in een korte voorzieningsketen;

  • d.

    Verordening: Verordening POP3 subsidies provincie Gelderland, mei 2018;

  • e.

    Voorzieningsketen: een keten die bestaat uit de schakels producenten, verwerkers, detailhandel en consumenten.

 

Artikel 2 Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    De subsidie op grond van artikel 2.7.1, eerste lid, van de Verordening wordt verstrekt voor:

    • a.

      het gezamenlijk formuleren van een projectplan gericht op innovatie door professionalisering van een bestaande korte voorzieningsketen, en/of;

    • b.

      de uitvoering van een innovatieproject gericht op professionalisering van een bestaande korte voorzieningsketen.

  • 2.

    Op grond van artikel 2.7.1, tweede lid, van de Verordening zijn de activiteiten gericht op het praktijkrijp maken van kennis en innovatie alsmede een of meerdere van de volgende thema’s:

    • a.

      verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaarde strategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie;

    • b.

      beter beheer van productierisico’s, versterking van de positie van de primaire producten in de handelsketen of het verminderen van marktfalen;

    • c.

      maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen;

    • d.

      behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit.

 

Artikel 3 Subsidiehoogte

  • 1.

    De subsidie voor uitsluitend het gezamenlijk formuleren van een projectplan, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, bedraagt maximaal:

    • a.

      € 70.000,- als 1 gemeente deelneemt aan het samenwerkingsverband;

    • b.

      € 80.000,- als 2 gemeenten deelnemen aan het samenwerkingsverband;

    • c.

      € 90.000,- als 3 gemeenten deelnemen aan het samenwerkingsverband;

    • d.

      €100.000,- als 4 gemeenten deelnemen aan het samenwerkingsverband.

  • 2.

    De subsidie voor uitsluitend de uitvoering van een innovatieproject, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, bedraagt maximaal:

    • a.

      € 80.000,- als 1 gemeente deelneemt aan het samenwerkingsverband;

    • b.

      € 100.000,- als 2 gemeenten deelnemen aan het samenwerkingsverband;

    • c.

      € 120.000,- als 3 gemeenten deelnemen aan het samenwerkingsverband;

    • d.

      € 140.000,- als 4 of meer gemeenten deelnemen aan het samenwerkingsverband.

  • 3.

    Als de aanvraag ziet op het gezamenlijk formuleren van een projectplan en op de uitvoering van een innovatieproject, dan is voor het bepalen van de hoogte van de subsidie het tweede lid van toepassing.

  • 4.

    Subsidie wordt niet verleend als deze minder bedraagt dan € 35.000,-.

 

Artikel 4 Subsidiabele kosten

  • 1.

    Op grond van artikel 1.12, eerste lid, van de Verordening kan subsidie worden verstrekt voor de volgende kosten:

    • a.

      personeelskosten;

    • b.

      kosten derden;

    • c.

      bijdragen in natura.

  • 2.

    Op grond van artikel 2.7.6, eerste lid, van de Verordening kan voor het gezamenlijk formuleren van een projectplan subsidie worden verstrekt voor:

    • a.

      kosten voor het netwerken om het project goed te definiëren;

    • b.

      kosten voor het opstellen van een projectplan en de samenwerkingsovereenkomst;

    • c.

      kosten voor het projectmanagement en projectadministratie;

    • d.

      niet-verrekenbare btw.

  • 3.

    Op grond van artikel 2.7.6, tweede lid, kan voor de uitvoering van een innovatieproject subsidie worden verstrekt voor:

    • a.

      coördinatiekosten van het samenwerkingsverband;

    • b.

      kosten voor het verspreiden van resultaten van het project;

    • c.

      operationele kosten direct verbonden aan de uitvoering van het innovatieproject;

    • d.

      kosten voor projectmanagement en projectadministratie;

    • e.

      niet-verrekenbare btw.

  • 4.

    Op grond van artikel 2.7.6, derde lid kan, als voor de uitvoering van een innovatieproject een fysieke investering voor gezamenlijke verwerking van landbouwproducten wordt gedaan, subsidie worden verstrekt voor:

    • a.

      kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;

    • b.

      algemene kosten als bedoeld in artikel 1.12a;

    • c.

      niet-verrekenbare btw.

  • 5.

    In aanvulling op het vierde lid kan op grond van artikel 2.7.6, vierde lid, van de Verordening voor de uitvoering van een fysieke investering voor gezamenlijke verwerking van landbouwproducten subsidie worden verstrekt voor:

    • a.

      kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;

    • b.

      kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken;

    • c.

      kosten van de koop van tweedehands machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;

    • d.

      voorbereidingskosten;

    • e.

      niet-verrekenbare btw.

 

Artikel 5 Aanvrager

  • 1.

    Subsidie wordt verstrekt aan het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.6 en 2.7.2 van de Verordening.

  • 2.

    Het samenwerkingsverband bestaat tenminste uit:

    • a.

      een streekproducent;

    • b.

      een gemeente, en

    • c.

      een afnemer.

 

Artikel 6 Selectiecriteria, weging en selectie

  • 1.

    Gedeputeerde Staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 2.7.9 en 1.15a van de Verordening de selectiecriteria:

    • a.

      effectiviteit;

    • b.

      haalbaarheid/kans op succes;

    • c.

      innovativiteit;

    • d.

      efficiëntie.

  • 2.

    Per selectiecriterium kunnen nul tot en met vijf punten worden behaald.

  • 3.

    De selectiecriteria hebben de volgende wegingsfactoren:

    • a.

      effectiviteit heeft een wegingsfactor van 2;

    • b.

      haalbaarheid/kans op succes heeft een wegingsfactor van 2;

    • c.

      innovativiteit heeft een wegingsfactor van 2;

    • d.

      efficiëntie heeft een wegingsfactor van 2.

  • 4.

    Om voor subsidie in aanmerking te komen, moeten minstens 24 punten behaald zijn.

  • 5.

    Als de situatie van artikel 1.15, vierde lid, van de Verordening zich voordoet, geldt dat bij ontoereikend subsidieplafond en gelijke score van twee of meer projecten, het project waar de meeste streekproducenten aan meedoen, voor gaat. Als na toepassing van de procedure genoemd in het vierde lid geen onderscheid te maken is tussen twee of meer projecten, dan gaat het project waar de meeste gemeenten aan meedoen voor.

  • 6.

    Als na toepassing van de procedure genoemd in het vijfde lid geen onderscheid te maken is tussen twee of meer projecten, dan vindt op grond van artikel 1.15, vijfde lid, van de Verordening rangschikking tussen die projecten plaats op basis van loting.

 

Artikel 7 Adviescommissie

Als uitwerking van artikel 1.14, tweede lid van de Verordening worden aanvragen, die voor subsidie in aanmerking komen, voorgelegd aan een adviescommissie.

 

TOELICHTING bij de Nadere regels Samenwerking voor Innovaties op lokaal niveau Profesionalisering korte voorzieningsketens april2021

 

TOELICHTING

 

I Algemeen deel

Op 31 december 2020 liep de oorspronkelijke programmaperiode van POP3 2014-2020 af. Vanwege vertraging in de Brusselse besluitvorming kon het nieuwe GLB nog niet van start gaan op 1 januari 2021. Om de continuïteit in de financiering en uitvoering van POP3 te waarborgen heeft de Europese Commissie de mogelijkheid geboden om het huidige Plattelandsontwikkelingsprogramma te verlengen. Gelderland heeft besloten om van deze mogelijkheid gebruik te maken ter overbrugging tussen het huidige POP3 en het nieuwe GLB. De overbruggingsperiode noemen we transitieperiode, het programma noemen we POP3plus. De transitieperiode beslaat de jaren 2021 en 2022. De financiering van de transitie-jaren komt uit het nieuwe GLB. Inhoudelijk wordt het principe van ‘oude regels, nieuw geld’ gehanteerd. Dit houdt in dat dit openstellingsbesluit evenals voorgaande jaren past binnen de Verordening POP3 subsidies Gelderland.

 

Het onderzoek Korte Ketens in Gelderland (J.W. van der Schans en D. van Wonderen, juli 2019) geeft aan het provinciaal innovatiebeleid zich moet richten op het korte ketencluster als geheel. Door de samenwerkingen te versterken wordt regionale verwerkingscapaciteit mogelijk en kunnen logistieke stromen gebundeld worden.

 

15 december 2020 hebben Gedeputeerde Staten het programma Agrifood 2021-2030 “Toekomst voor de Gelderse boer” vastgesteld. Daarin wordt onder meer aangegeven dat “om de korte keten verder te laten groeien is professionalisering van de logistiek en de marketing van belang”. Immers het is “uiteindelijk de consument die kiest of hij een product koopt waar de kosten van de maatschappelijke diensten onderdeel uitmaken van de prijs bij het product”. Om deze markt te stimuleren gaan we “samen met ketenpartners en mede-overheden ons inzetten om de afzet van korte keten producten te verhogen”. En om de gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken, “stelt de provincie subsidie beschikbaar via POP3plus voor de korte keten”.

 

Het Openstellingsbesluit Professionalisering Korte Voorzieningsketens maakt concrete activiteiten op de genoemde onderdelen mogelijk.

 

Kennisverspreiding

Via het Gelders Kennisnetwerk Voedsel organiseert de provincie Gelderland de verspreiding van kennis en ervaring over korte ketens zodat de verschillende initiatieven van elkaar kunnen leren en niet iedere keer het wiel opnieuw hoeven uit te vinden (http://www.gelderskennisnetwerkvoedsel.nl/). Daarnaast kan via advies op maat vragen gesteld worden aan het Gelders Kennisnetwerk Voedsel met betrekking tot voedsel en specifieke projectaanvragen in het kader van deze openstelling.

 

Ook op landelijk niveau worden ervaringen over korte ketens uitgewisseld zoals door de Taskforce Korte Ketens, Voedsel Anders, Nieuwe Boeren Families, de vereniging Toekomstboeren en het CSA Netwerk Nederland Momenteel wordt ook gewerkt om te komen tot een samenwerking op nationaal niveau met alle provincies, het ministerie van LNV en de Taskforce Korte Keten.

 

Om dit leren van elkaar te bevorderen zijn in dit Openstellingsbesluit kosten voor het verspreiden van resultaten van het project subsidiabel gesteld.

 

Beginnen met een project

De ervaring wijst uit dat veel projecten wachten met de start van het project op de beschikking. Kosten kunnen echter al subsidiabel zijn vanaf het moment van indienen van de aanvraag. Wel wordt er pas zekerheid gegeven over de subsidiabiliteit van de kosten in de verleningsbeschikking. Kosten maken na het indienen van de aanvraag en voor ontvangst van de beschikking betekent dus een zeker risico nemen.

 

Uitdrukkelijk zij vermeld dat het ondertekenen van een offerte - voor de datum van indiening van de aanvraag - zonder dat daarin een voorbehoud is gemaakt over het ontvangen van subsidie, uitgelegd wordt als start met de uitvoering van de activiteit. Als er gestart wordt met een activiteit voor de datum van indienen van de aanvraag zijn die kosten niet subsidiabel. De uitzondering hierop zijn de voorbereidingskosten. Deze kosten zijn subsidiabel bij fysieke investeringen voor de uitvoering van een innovatieproject. Deze kosten moeten binnen een jaar voor de aanvraag zijn gemaakt en kunnen uitsluitend bestaan uit kosten van architecten, ingenieurs en adviseurs, kosten van adviezen over duurzaamheid op milieu- en economisch gebied of kosten van haalbaarheidsstudies.

 

In de subsidieverleningsbeschikking wordt de startdatum van de activiteit opgenomen.

 

Andere mogelijkheden

Andere partijen zoals de Groeiversneller van Oost NL, LTO Projecten, Impactmakers Fund, Rabobank Food Forward, en Groenfonds bieden overigens ook mogelijkheden tot financiële ondersteuning. Ook kan gedacht worden aan crowd-funding of andere vormen om consumenten direct te verbinden met het landbouwbedrijf (zoals bij de initiatieven Burgerboerderijen of Herenboeren plaatsvindt).

 

Tendersystematiek

Subsidieaanvragen kunnen slechts in een beperkte periode worden ingediend. Op de sluitingsdatum van de tender moet alle inhoudelijke informatie (dus ook alle verplichte bijlagen en een duidelijke toelichting op de begroting) die bij een aanvraag hoort, ontvangen zijn. Deze sluitingsdatum wordt strikt gehanteerd. Als de aanvraag minimaal tien werkdagen voorafgaand aan de dag van de sluitingsdatum wordt ontvangen, wordt de aanvraag gecontroleerd op volledigheid van verplichte bijlagen. Na de sluitingsdatum is aanvullen van de aanvraag in beginsel niet meer mogelijk. Een ambtelijke adviescommissie gaat vervolgens de aanvragen beoordelen aan de hand van de beschikbare informatie. Met behulp van de selectiecriteria worden de projecten gerangschikt. Het kan voorkomen dat vanwege het subsidieplafond niet alle projecten gehonoreerd kunnen worden. De projecten met de meeste punten worden als eerste gehonoreerd.

 

Aanbesteding

De gemeente die in het samenwerkingsverband zit kan kosten maken voor het project. Een gemeente is aanbestedingsplichtig. Ook andere organisaties kunnen aanbestedingsplichtig zijn. Bij het aanbesteden dient de gemeente de regels van de Aanbestedingswet in acht te nemen. Bij een verzoek om deelbetaling of vaststelling controleren wij hierop. Een overtreding van de aanbestedingsregels kan tot gevolg hebben dat wij een korting moeten opleggen bij de deelbetaling of vaststelling conform de Beleidsregel verlagen subsidie POP.

 

Inspanningsverplichting

Bij deze openstelling gaat het om innovatie, en veelal om een procesaanpak. De uitkomst van dat proces is bij aanvang vaak niet duidelijk. Om die reden is er meer sprake van een inspanningsverplichting en dan van van een resultaatsverplichting. In de aanvraag dient het doel van de (concrete) inspanningen te worden beschreven, en ook de (concrete) processtappen die nodig zijn om dat doel te bereiken.

 

Wijzigingen in project

Het kan voorkomen dat na de start van het project dingen anders lopen dan gepland. Neem in dat geval contact op met de afdeling subsidieverlening van de provincie Gelderland. Er kan een wijzigingsverzoek worden ingediend, zie artikel 1.26 van de Verordening. Als een wijziging betrekking heeft op een of meerdere van de selectiecriteria, en de afdeling subsidieverlening beoordeelt dat de kans aanwezig is dat de score zo laag uitvalt dat het project in de gewijzigde vorm minder dan het minimaal vereiste aantal punten scoort, dan zal het wijzigingsvoorstel opnieuw worden voorgelegd aan de Adviescommissie. Een wijzigingsvoorstel kan leiden tot een verlaging van het subsidiebedrag.

 

Meer informatie

Meer informatie over de subsidiemogelijkheden, de voorwaarden en relevante informatie en tips vindt u op de website van provincie Gelderland. Via het kopje ‘subsidies’ kunt u kiezen voor ‘POP3 Professionalisering Korte Voorzieningsketens Gelderland, maart 2021’. Ook kan het Handboek voor aanvragers POP3 subsidie worden geraadpleegd. Het handboek is te vinden op de website https://www.netwerkplatteland.nl/.

 

II Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 1

Belangrijk is dat Gedeputeerde Staten alleen subsidie verlenen als er sprake is van een korte voorzieningsketen. Dat is een voorzieningsketen in een bepaalde streek met maximaal één schakel tussen de producent en de consument. Deze schakel mag een verwerker of detailhandel zijn, bijvoorbeeld een restaurant of een winkel. Bij een korte voorzieningsketen wordt gestreefd naar samenwerking in een streek. Door economische relaties te verbeteren tussen producenten, verwerkers, afnemers of consumenten wordt de economische en sociale ontwikkeling in die streek gestimuleerd.

 

Artikel 2

Deze subsidie is bedoeld voor innovatie door het professionaliseren van een bestaande samenwerking, voor het gezamenlijk formuleren van een projectplan en de uitvoering van dat plan waaronder fysieke investeringen die gericht zijn op gezamenlijke verwerkingscapaciteit. Het project wordt uitgevoerd binnen drie jaar.

 

Hierbij wordt opgemerkt dat deze openstelling niet gelezen moet worden als een verbod op het starten van een nieuwe samenwerking. Alleen kosten voor het opzetten van die nieuwe samenwerking zijn nu niet subsidiabel, waar ze dat voorheen wel waren, zie ook art. 4 openstellingsbesluit inzake de subsidiabele kosten

 

Ten eerste is van belang dat sprake is van een regionaal innovatie professionalisering. Het project dient niet alleen innovatief te zijn voor de betreffende samenwerking, maar ook voor de regio. Met andere woorden, als in de nabijheid al een verwerkingsmogelijkheid is, ligt het voor de hand om daar mee samen te werken en niet om een eigen verwerkingslijn op te zetten. De adviescommissie zal hierop ook beoordelen.

 

Ten tweede is van belang dat de professionalisering meer is dan een vervangingsinvestering of een reguliere investering. Dergelijke kosten zijn namelijk niet subsidiabel gesteld in artikel 1.13 en 2.7.5 lid 4 van de Verordening. Een vervangingsinvestering betreft vervanging van ‘versleten’ goederen door identieke goederen. Samengevat moet het dus gaan om activiteiten die nieuw zijn voor een samenwerkingsverband.

 

Voorbeelden van innovatie door professionalisering zijn:

  • -

    aanzienlijke opschaling, aanzienlijke versterking van de samenwerking, aansluiten van extra partijen en of andere schakels in de keten.

  • -

    sterke verbeteringsslagen in de bedrijfsvoering;

  • -

    het verwerven van machines die bijdragen aan de gezamenlijk verwerkingscapaciteit

  • -

    het opzetten van een lokale melkfabriek voor de bestaande korte voorzieningsketen.

  • -

    professionaliseren van een bestaande korte keten door middel van logistiek, organisatie, contracten, merkontwikkeling etc.

  • -

    Het samen met afnemers ontwikkelen van nieuwe marktinitiatieven, of aanbod voor specifieke deelmarkten.

  • -

    Het verbinden van boeren en burgers (van bewustwording tot gedragsverandering gericht verandering van keuzes bij de aankoop van eten uit de eigen regio)

  • -

    Samenwerking stimuleren tussen bestaande regionale initiatieven (veel meer gebruik maken van bestaande kennis/ervaring bijv. t.a.v. logistiek, bestel- en administratiesystemen, enz.).

  • -

    Regionale circulariteit, bijv. het gebruik van reststromen bij andere partijen in de keten (o.a. verwerkers, horeca, consumenten)

  • -

    Gezamenlijke verwerking, waarbij meerwaarde t.o.v. bestaande verwerkers van belang is, bijv. m.b.t. duurzaamheid.

 

Ten derde is van belang dat de adviescommissie de projecten zal beoordelen. Hoe innovatiever het project, hoe hoger het aantal punten. De absolute ondergrens is dat het gaat om nieuwe activiteiten (dus geen reguliere of vervangingsinvesteringen). Een nieuwe type machine ter vervanging van een al bestaande oudere machine zal – als al sprake is van een nieuwe activiteit – laag scoren bij de adviescommissie.

 

Samenvattend is van belang dat in het projectplan en begroting duidelijk onderscheid aangebracht wordt tussen de bestaande en mogelijk eerder gesubsidieerde c.q. reguliere activiteiten en echt nieuwe en innovatieve activiteiten.

 

Artikel 3 en 4

 

Subsidiepercentages

De subsidiabele kosten voor het gezamenlijk formuleren van een projectplan (die vallen onder artikel 2.7.6 lid 1 van de Verordening) kennen een subsidiepercentage van 100%. De kosten voor de uitvoering van een project – niet zijnde een fysieke investering – kennen een subsidiepercentage van 70%. De kosten voor een fysieke investering bij de uitvoering van een project zijn in beginsel voor 40% subsidiabel omdat deze gelet op de aard van de openstelling naar verwachting productief zijn, in de zin dat de fysieke investeringen winst op kunnen leveren. Als de aanvrager kan aantonen dat sprake is van een niet-productieve investering, dan is de investering voor 100% subsidiabel. Een investering is niet-productief als deze niet leidt tot een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van het landbouwbedrijf of een andere onderneming. Relevante vragen hierbij zijn: wat is de doelstelling van investering? Is het gericht op agromilieu- of klimaatdoelstellingen (bv. minder emissie) dan is dat een aanwijzing dat het om een niet-productieve investering gaat. Gaat het om een project met als eindresultaat een onderzoeksverslag, kennisdeling of bv. communicatiemiddelen? Ook dat is een aanwijzing dat het om een niet-productieve investering gaat. Ook moet worden beoordeeld of als gevolg van de investering de waarde of rentabiliteit van de onderneming zal zijn gestegen.

 

Om het inzichtelijk te maken zullen de kosten voor de uitvoering in de begroting apart in beeld gebracht moeten worden. Ook kosten voor de fysieke investering (inclusief de bijbehorende voorbereidingskosten) zullen apart in de begroting in beeld gebracht moeten worden, gezien de verschillende subsidiepercentages.

 

Fysieke investeringen

Kosten van machines zijn alleen subsidiabel als deze bestemd zijn voor gezamenlijke verwerking van landbouwproducten door het samenwerkingsverband. Een voorbeeld is het gezamenlijk aanschaffen van een was- of snijapparaat voor groenten. Met gezamenlijk wordt bedoeld dat meerdere streekproducenten hun landbouwproducten verwerken met de fysieke investering. Om voor fysieke investeringen in aanmerking te komen, moeten dus meerdere streekproducenten in het samenwerkingsverband zitten.

 

Kostenposten

De subsidie wordt toegekend aan een projectmatig samenwerkingsverband. De kosten voor inzet van menskracht voor het samenwerkingsverband zijn subsidiabel. Voor de kosten van een persoon in loondienst is artikel 1.9 van de Verordening van toepassing: de werkgever berekent de personeelskosten volgens de methode als beschreven in artikel 1.9 van de Verordening.

 

Reiskosten en communicatiekosten zijn subsidiabel mits deze worden gemaakt voor of het schrijven van een projectplan.

 

De loonkosten van de eigenaar van een bedrijf worden in beginsel aangemerkt als bijdragen in natura (zie artikel 1.11 van de Verordening). Dit geldt onder meer voor de houder van een eenmanszaak en voor de directeur grootaandeelhouder van een Besloten Vennootschap (BV). Als de directeur van een BV in loondienst is bij de BV, dan worden die kosten in beginsel aangemerkt als personeelskosten. Op grond van artikel 1.9 van de Verordening komen die kosten voor subsidie in aanmerking als daarvoor een onderbouwing wordt gegeven.

 

Bij een samenwerkingsverband van landbouwers/streekproducenten kan het voorkomen dat een van de deelnemers (zijnde een eigenaar van een van de deelnemende bedrijven) van het samenwerkingsverband een opdracht krijgt om bepaalde werkzaamheden voor het samenwerkingsverband uit te voeren. Die werkzaamheden worden aangemerkt als bijdrage in natura en zijn slechts subsidiabel als de werkelijke arbeidstijd voor de uitvoering van de activiteit gecontroleerd kan worden. Dat laatste betekent dat er een tijdschrijfsysteem moet worden bijgehouden. Als het samenwerkingsverband een opdracht geeft aan iemand die in loondienst is bij een van de deelnemers aan het samenwerkingsverband en deze opdracht wordt als onderdeel van de reguliere werkzaamheden van die persoon uitgevoerd, dan komen deze kosten als loonkosten op grond van artikel 1.9 voor subsidie in aanmerking.

 

Hoogte subsidie

Om de administratieve lasten te beperken voor de provincie en RvO wordt een minimum aan subsidiabele kosten gehanteerd van € 35.000,- per aanvraag. Het bedrag van de subsidie is mede afhankelijk van het aantal gemeenten dat meedoet op het moment van indienen van de aanvraag. Indien sprake is van een gemeentelijke herindeling, dan wordt bij de vaststelling van de subsidie uitgegaan van het aantal gemeenten zoals dat in de verleningsbeschikking is opgenomen. Tevens is bepaald dat er geen sprake kan zijn van stapeling van de maximale subsidie indien het project meerdere subsidiabele activiteiten omvat.

 

Artikel 5

De voorwaarden van artikel 1.6 van de Verordening zijn van toepassing op het samenwerkingsverband. Er dient onder andere een samenwerkingsovereenkomst te worden overgelegd, die door alle deelnemers moet zijn ondertekend. Een samenwerkingsverband kan gemeente overschrijdend werken. In dat geval worden meerdere gemeenten betrokken in het samenwerkingsverband. Als het samenwerkingsverband uit meerdere gemeenten bestaat, dan is een hoger bedrag subsidiabel.

 

Een samenwerkingsverband dient uit tenminste de volgende partijen te bestaan: een streekproducent, een gemeente en een afnemer. Een afnemer moet een rechtspersoon zijn, bijvoorbeeld een restaurant. De afnemer kan ook een vereniging of coöperatie zijn waar zowel streekproducenten als consumenten lid van zijn.

 

Let op: om in aanmerking te komen voor fysieke investeringen, moet sprake zijn van gezamenlijke verwerking. Daarvoor zijn minstens twee streekproducenten nodig.

 

Artikel 6

Het totaal aantal te behalen punten bedraagt 40. Daarvan 60% levert een rekenkundig getal op van 24.

 

De scores die gehanteerd worden zijn:

  • 0 punten. Zeer geringe bijdrage. Het project draagt slechts in zeer geringe mate bij aan het criterium.

  • 1 punt. Geringe bijdrage. Het project draagt in geringe mate bij aan het criterium.

  • 2 punten. Matige bijdrage. Het project draagt matig bij aan het criterium.

  • 3 punten. Voldoende bijdrage. Het project draagt in voldoende mate bij aan het criterium.

  • 4 punten. Goede bijdrage. De bijdrage van het project aan het criterium is goed.

  • 5 punten. De bijdrage van het project aan het criterium is heel goed.

 

a. Selectiecriterium effectiviteit

Bij dit selectiecriterium gaat het om het effect dat het project, waarvoor subsidie wordt gevraagd, levert aan de thema’s van het openstellingsbesluit. De mate van effectiviteit van het project is gerelateerd aan de thema’s / de doelstelling van de openstelling en het aantal betrokken (keten)partijen in het samenwerkingsverband. Bij de bepaling wat de bijdrage is die het ingediende project aan de doelstelling van de openstelling levert zal worden gelet op de volgende aspecten:

  • 1.

    De bijdrage die het project levert aan het bereiken van de verschillende beleidsdoelstellingen, of te wel de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de thema’s van de openstelling zoals weergegeven in artikel 2 lid 2 van het openstellingsbesluit,

  • 2.

    De meerwaarde van het project voor het verkorten van de voedselketen (streekproducent, verwerking, retail en consument),

  • 3.

    De mate waarin het samenwerkingsverband en realisatie van het innovatieproject na afloop van de subsidie kan worden voortgezet. Indien duidelijk nagedacht en beschreven is wat de verwachtingen zijn ten aanzien van voorzetting van het project nadat de subsidie is afgelopen en hoe daar rekening mee wordt gehouden, kan de voorgestelde activiteit effectiever worden.

  • 4.

    De mate waarin het project bijdraagt aan het vergroten van de afzet van streekproducten. Hierbij wordt geen complete studie naar de marktsituatie verlangd maar er wordt wel verwacht dat een globaal en realistisch inzicht wordt gegeven naar de groei van afzet(mogelijkheden) van streekproducten door het project.

  • 5.

    Het bereik van de activiteit. Hierbij wordt gekeken naar:

    • a.

      het aantal betrokken streekproducenten,

    • b.

      het aantal betrokken gemeenten.

    • c.

      het aantal betrokken afnemers

  • 6.

    Ook is het de vraag of het project een voorbeeldwerking heeft. En indien een samenwerkingsverband een goed beeld heeft van alle streekproducten in haar werkgebied, kan zij meer effect sorteren en of een grotere marktkracht bewerkstelligen. Of juist een onderbouwde focus aanbrengen en daarmee sterker opereren.

 

Bij dit criterium is het vooral van belang dat er goed over is nagedacht, bewuste keuzes gemaakt worden, dat die beschreven zijn en daarmee voor de beoordeling inzichtelijk worden gemaakt.

 

b. Selectiecriterium haalbaarheid/kans op succes

Kans op succes/haalbaarheid: kans dat het project succesvol uitgevoerd kan worden en/of succesvol zal zijn in het ‘verder gaan’. De “kans op succes” wordt gedefinieerd als de kans dat de partijen er in slagen het idee uit te werken c.q. uit te voeren. Bij dit criterium worden de genoemde aspecten in samenhang bekeken.

De volgende vragen worden daarbij gehanteerd:

  • 1.

    Deelt de groep een gezamenlijk beeld?

    • a.

      Geeft de groep er blijk van zich te hebben georiënteerd of te gaan oriënteren op bestaande kennis, aanbevelingen, best practices, verwerkingsmogelijkheden en dergelijke rond het beoogde doel?

    • b.

      Heeft de groep de probleemstelling of kans die ten grondslag ligt aan het beoogde doel scherp voor ogen en kijken de aanvragers naar hoe de innovatie in praktijk gebracht kan worden?

  • 2.

    Zijn de randvoorwaarden goed in beeld gebracht en vertaald naar beheermaatregelen?

  • 3.

    Zijn er goede kwaliteitseisen gesteld aan de trekker van het project?

  • 4.

    Is er goed nagedacht over ruimte voor procesmanagement?

  • 5.

    Is goed nagedacht over risicomanagement?

 

c. Selectiecriterium innovativiteit

Bij de beoordeling van de innovativiteit van de professionaliseringsslag wordt gekeken in hoeverre deze vernieuwend is. Voorbeelden van innovatie zijn genoemd bij de toelichting van artikel 2. Hoe meer gangbaar het project is, hoe minder punten er zullen worden toegekend. Voor de beoordeling van de beoogde innovatie zelf geldt: het gaat om de meerwaarde die de innovatie heeft, in de zin dat het gaat om het verschil dat het project te weeg kan brengen in de streek waar het project zich afspeelt.

 

d. Selectiecriterium efficiëntie

Efficiëntie wordt beoordeelt door de input (geld, kennis, kunde, overige middelen) te relateren aan de output van het project. Daarbij wordt bezien of de opgevoerde inzet en kosten passend zijn (worden de resultaten met de juiste middelen gehaald?), wordt gekeken in hoeverre de proceskosten die in het project gemaakt worden in verhouding staan tot de feitelijke projectkosten én wordt bezien of binnen het project op een goede manier gebruik gemaakt wordt van reeds bestaande kennis en kunde.

Onder efficiëntie wordt dus verstaan: gegeven de resultaten van het project, hoe redelijk zijn de opgevoerde kosten en in hoeverre wordt op een goede manier gebruik gemaakt van reeds bestaande bronnen (kennis, kunde, middelen).