Provinciaal blad van Noord-Holland

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Noord-HollandProvinciaal blad 2020, 8427Verordeningen



Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland houdende nadere regels omtrent de uitvoering en indieningsvereisten behorende bij meldingen, ontheffingen en vergunningsaanvragen (Omgevingsregeling NH2020)

Gedeputeerde Staten van Noord-Holland;

 

Gelet op de Omgevingsverordening NH2020,

 

Besluiten vast te stellen:

 

Omgevingsregeling NH2020

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Afdeling 1.1 Begrippen

Artikel 1.1 Begrippen

Bijlage 1 bij deze regeling bevat begrippen en definities voor de toepassing van deze regeling en de daarop berustende bepalingen.

Hoofdstuk 2 Nadere regels

Afdeling 2.1 Varend ontgassen

Artikel 2.1 Toepassingsbereik

Deze afdeling is gereserveerd voor het stellen van nadere regels, zoals bedoeld in artikel 4.72 van de verordening.

 

Afdeling 2.2 Vaarwegen

Artikel 2.2 Toepassingsbereik

Deze afdeling is gereserveerd voor de nadere regels omtrent de inhoud van de onderhoudsverplichting, zoals bedoeld in artikel 4.75, tweede lid, van de verordening.

 

Afdeling 2.3 Natuur- en landschapscompensatie

Artikel 2.3 Toepassingsbereik

Deze afdeling bevat de nadere regels zoals bedoeld in artikel 6.43, achtste lid en artikel 6.46, tiende lid, van de verordening.

Artikel 2.4 Compensatie algemeen

  • 1.

    Voor zover een ruimtelijk plan voorziet in een nieuwe activiteit overeenkomstig artikel 6.43, vijfde lid, of een nieuwe ontwikkeling overeenkomstig artikel 6.46, achtste lid, van de verordening, maakt dat ruimtelijk plan mogelijk dat de initiatiefnemer daarvan fysieke maatregelen neemt ter compensatie van de schade aan het Natuurnetwerk Nederland, een natuurverbinding of aan een Bijzonder provinciaal landschap.

  • 2.

    Voor zover de fysieke maatregelen als bedoeld in het eerste lid niet in het ruimtelijk plan mogelijk kunnen worden gemaakt, blijkt uit de toelichting van het ruimtelijk plan hoe en wanneer de fysieke maatregelen dan wel planologisch worden geregeld en dat het bevoegde gezag daaraan medewerking zal verlenen.

  • 3.

    In het geval de fysieke maatregelen ter compensatie van schade aan het Natuurnetwerk Nederland als bedoeld in het eerste lid worden genomen binnen het Natuurnetwerk Nederland, dient daarnaast in het ruimtelijk plan op eenzelfde oppervlak als verloren gaat door de activiteit, dat nog niet is aangewezen als Natuurnetwerk Nederland, de ontwikkeling van natuur planologisch mogelijk te worden gemaakt. Voor zover dit niet mogelijk is in het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, blijkt uit de toelichting van dat ruimtelijk plan hoe en wanneer deze ontwikkeling van natuur dan wel planologisch wordt geregeld en dat het bevoegd gezag daaraan medewerking zal verlenen.

  • 4.

    Uit de toelichting van het ruimtelijk plan als bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de fysieke maatregelen ter compensatie van de aantasting van een natuurverbinding zodanig plaatsvinden dat de functie van de natuurverbinding, zoals omschreven in de wezenlijke kenmerken en waarden in een bijlage van de verordening, in stand blijft.

  • 5.

    In afwijking van het eerste lid en tweede lid, kan de schade aan het Natuurnetwerk Nederland of de schade aan een Bijzonder provinciaal landschap waar de kernkwaliteit habitat voor weidevogels van toepassing is, voorafgaand aan de ontwikkeling financieel worden gecompenseerd indien:

    • a.

      fysieke maatregelen niet mogelijk zijn, of;

    • b.

      het gebied dat wordt aangetast door een activiteit als bedoeld in het eerste lid niet groter is dan:

      • i.

        0,5 hectare in het geval van Natuurnetwerk Nederland, of;

      • ii.

        5 hectare in het geval van een Bijzonder provinciaal landschap, voor zover de kernkwaliteit habitat voor weidevogels van toepassing is.

  • 6.

    In aanvulling op het vijfde lid dient bij financiële compensatie in het kader van het Natuurnetwerk Nederland op eenzelfde oppervlak als verloren gaat door de activiteit, dat nog niet is aangewezen als Natuurnetwerk Nederland, de ontwikkeling van natuur planologisch mogelijk te worden gemaakt. Indien dat niet mogelijk is in het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, blijkt uit de toelichting van dat ruimtelijk plan hoe en wanneer dat dan wel planologisch wordt geregeld en dat het bevoegd gezag daaraan medewerking zal verlenen.

  • 7.

    Financiële compensatie als bedoeld in het vijfde lid vindt plaats in de vorm van een bijdrage zoals bepaald in artikel 2.9 aan de provincie Noord-Holland die wordt gestort in de provinciale reserve Groen of de reserve Landschap.

Artikel 2.5 Compensatie Natuurnetwerk Nederland en natuurverbindingen

Uit de toelichting op een ruimtelijk plan als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, blijkt dat de fysieke maatregelen ter compensatie van de aantasting van het Natuurnetwerk Nederland:

 

  • a.

    plaatsvinden buiten het werkingsgebied Natuurnetwerk Nederland op een locatie die bijdraagt aan de versterking van de samenhang van het netwerk, of, indien aannemelijk is dat fysieke maatregelen buiten het Natuurnetwerk Nederland niet mogelijk zijn, in nog niet gerealiseerde delen van het Natuurnetwerk Nederland;

  • b.

    plaatsvinden in de nabijheid van het aangetaste gebied tenzij aantoonbaar is dat dit niet mogelijk is;

  • c.

    plaatsvinden in een gebied dat minimaal gelijk is aan de oppervlakte van het aangetaste gebied;

  • d.

    de aangetaste wezenlijke kenmerken en waarden compenseren; en

  • e.

    tenminste de inrichting van het gebied ten behoeve van de ontwikkeling van de gewenste natuur en ontwikkelingsbeheer van die natuur voor een duur van tenminste 5 jaar, en in geval van bos 10 jaar, omvatten.

Artikel 2.6 Compensatie Bijzonder provinciaal landschap

  • 1.

    Uit de toelichting op een ruimtelijk plan als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, blijkt dat de fysieke maatregelen ter compensatie van de aantasting van de kernkwaliteit habitat voor weidevogels in Bijzonder provinciaal landschap:

    • a.

      plaatsvinden in een Bijzonder provinciaal landschap waar de kernkwaliteit habitat voor weidevogels van toepassing is;

    • b.

      plaatsvinden in de nabijheid van het aangetaste gebied tenzij wordt aangetoond dat dit niet mogelijk is;

    • c.

      inrichtingsmaatregelen of actief weidevogelbeheer omvatten voor een bedrag gelijk aan de kosten voor beheer in een gebied dat minimaal gelijk is aan de oppervlakte van de aangetaste habitat voor weidevogels rekening houdende met een jaarlijkse rustperiode in de nestfase waarin agrarische werkzaamheden niet zijn toegestaan van 1 april tot en met 15 juni, voor een periode van 30 jaar.

  • 2.

    Uit de toelichting op een ruimtelijk plan als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, blijkt dat fysieke maatregelen ter compensatie van de aantasting van de overige kernkwaliteiten in Bijzonder provinciaal landschap:

    • a.

      plaatsvinden in Bijzonder provinciaal landschap, bij voorkeur in hetzelfde deelgebied als waar de aantasting plaatsvindt; en,

    • b.

      leiden tot een landschapsverbetering die in kwaliteit en omvang proportioneel is ten opzichte van de aantasting van de kernkwaliteit.

Artikel 2.7 Compensatieplan

De toelichting op een ruimtelijk plan als bedoeld in artikel 2.4, eerste tot en met vierde lid, waarin fysieke maatregelen worden bepaald, omvat een compensatieplan dat voldoet aan de volgende eisen:

 

  • a.

    het plan bevat een kaart van een schaalniveau niet groter dan 1:10.000 waarop de locatie waar de fysieke maatregelen plaatsvinden staat aangegeven;

  • b.

    de fysieke maatregelen zijn concreet beschreven;

  • c.

    in het plan is aangegeven op welke momenten Gedeputeerde Staten de voortgang kunnen beoordelen;

  • d.

    het plan bevat een tijdschema voor realisatie van de compensatie waaruit blijkt dat initiatiefnemer de compensatie uiterlijk binnen twee jaar na de start van de uitvoering van de compensatieplichtige activiteit realiseert, tenzij in een compensatieovereenkomst als bedoeld in artikel 2.8 anders wordt bepaald; en

  • e.

    het plan beschrijft het jaarlijkse beheer van het gebied en de voorwaarden waaraan een beheerder moet voldoen.

Artikel 2.8 Compensatieovereenkomst

  • 1.

    Een ruimtelijk plan als bedoeld in artikel 2.4, eerste tot en met zesde lid, bevat als bijlage een compensatieovereenkomst die is aangegaan tussen de initiatiefnemer en de provincie.

  • 2.

    In een compensatieovereenkomst als bedoeld in het vorige lid is ten minste opgenomen:

    • a.

      welke rollen en verantwoordelijkheden de betrokken partijen hebben;

    • b.

      een financiële onderbouwing waaruit blijkt dat de uitvoering van de fysieke maatregelen is zeker gesteld en niet wordt gefinancierd uit middelen die beschikbaar zijn op grond van een subsidieregeling;

    • c.

      de termijn waarbinnen de uitvoering van compensatie moet zijn afgerond;

    • d.

      een boeteclausule die van toepassing is bij het niet, niet tijdig of onvolledig uitvoeren van de compensatie tenzij sprake is van een overeenkomst tussen overheden;

    • e.

      de verplichting om te melden wanneer de uitvoering van de compensatiemaatregelen starten;

    • f.

      de verplichting om Gedeputeerde Staten jaarlijks te informeren over de voortgang.

  • 3.

    Voor het verschuldigd zijn van een boete als bedoeld in het vorige lid is geen ingebrekestelling nodig.

  • 4.

    Het boetebedrag wordt gestort in de provinciale reserve Groen of de reserve Landschap. Het boetebedrag is op het moment van vaststelling ten minste gelijk aan 150 procent van alle directe en indirecte kosten die samenhangen met de betrokken compensatie.

Artikel 2.9 Financiële compensatie

  • 1.

    Financiële compensatie als bedoeld in artikel 2.4, vijfde lid, omvat voor het Natuurnetwerk Nederland de volgende kostenelementen:

    • a.

      kosten van de aanschaf van vervangende grond;

    • b.

      kosten van de basisinrichting;

    • c.

      kosten van ontwikkelingsbeheer gedurende de ontwikkelingstijd, afhankelijk van het type natuur dat wordt ontwikkeld;

    • d.

      kosten voor de planontwikkeling en planuitvoering, deze zijn bepaald op 20 procent van de kosten genoemd bij a, b en c.

  • 2.

    Financiële compensatie als bedoeld in artikel 2.4, vijfde lid, omvat voor een Bijzonder provinciaal landschap, voor zover daar de kernkwaliteit habitat voor weidevogels van toepassing de volgende kostenelementen:

    • a.

      de kosten voor 30 jaar actief weidevogelbeheer voor een gebied dat minimaal gelijk is aan de oppervlakte van het aangetaste weidevogelleefgebied rekening houdende met een jaarlijkse rustperiode in de nestfase waarin agrarische werkzaamheden niet zijn toegestaan jaarlijks van 1 april tot en met 15 juni;

    • b.

      de kosten voor de planontwikkeling en planuitvoering, deze zijn bepaald op 20 procent van de kosten genoemd bij a.

Afdeling 2.4 Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde

Artikel 2.10 Toepassingsbereik

Deze afdeling is gereserveerd voor het stellen van nadere regels zoals bedoeld in artikel 6.49, zevende lid, van de verordening.

 

Afdeling 2.5 Regionale afspraken nieuwe stedelijke ontwikkelingen en kleinschalige ontwikkelingen

Artikel 2.11 Toepassingsbereik

Deze afdeling bevat de nadere regels zoals bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, en artikel 6.10, zesde lid, van de verordening.

Artikel 2.12 Woningbouw

  • 1.

    De afspraken als bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, en artikel 6.10, eerste lid, van de verordening over de ontwikkeling, transformatie en herstructurering van woningbouwlocaties, bestaan uit regionale afspraken en woonakkoorden.

  • 2.

    Regionale afspraken:

    • a.

      betreffen in ieder geval de te ontwikkelen, transformeren en herstructureren woningbouwlocaties in kwantiteit, kwaliteit en tijdsfasering per gemeente;

    • b.

      zijn gebaseerd op de door de provincie vastgestelde bevolkingsprognose;

    • c.

      zijn onderwerp van monitoring;

    • d.

      kunnen worden bijgesteld wanneer daar aanleiding voor is; en

    • e.

      worden overeengekomen door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten in de regio.

  • 3.

    Woonakkoorden:

    • a.

      bevatten de uitgangspunten van het regionaal woonbeleid;

    • b.

      zijn in overeenstemming met het provinciale woonbeleid;

    • c.

      bevatten een overzicht en een kaart van de woningbouwplannen in landelijk gebied;

    • d.

      bevatten een afspraak vanaf welke omvang binnenstedelijke woningbouwontwikkelingen in de betreffende Woonakkoord-regio regionaal afgestemd dienen te worden;

    • e.

      gelden voor minimaal 5 jaar met de mogelijkheid om tussentijds bij te stellen; en

    • f.

      worden overeengekomen door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten in de regio en door Gedeputeerde Staten.

Artikel 2.13 Bedrijventerreinen en kantoorlocaties

  • 1.

    Regionale afspraken kunnen worden gemaakt over de ontwikkeling, transformatie en herstructurering van bedrijventerreinen en kantoorlocaties.

  • 2.

    Regionale afspraken:

    • a.

      betreffen in ieder geval de te ontwikkelen, transformeren en herstructureren terreinen en locaties in kwantiteit, kwaliteit en tijdsfasering per gemeente;

    • b.

      maken op kaart duidelijk om welke terreinen en locaties het gaat;

    • c.

      worden overeengekomen door de colleges van burgemeester en wethouders de gemeenten in de regio;

    • d.

      zijn onderwerp van monitoring, en;

    • e.

      kunnen worden bijgesteld wanneer daar aanleiding voor is.

  • 3.

    Regionale afspraken zijn gebaseerd op een visie van de regio die:

    • a.

      de uitgangspunten weergeeft van het regionaal bedrijventerreinen- en kantorenbeleid;

    • b.

      in overeenstemming is met het provinciale bedrijventerreinen- en kantorenbeleid;

    • c.

      is gebaseerd op de door de provincie vastgestelde behoefteraming;

    • d.

      in het geval dat er sprake is van transformatie van bedrijventerreinen een verantwoording geeft over de wijze waarop in het verlies aan bedrijventerrein wordt voorzien zowel wat betreft oppervlakte als beschikbaarheid van voldoende terrein voor specifieke milieubelastende bedrijvensoorten;

    • e.

      aangeeft op welke wijze de regio de herstructurering en/of transformatie mogelijk wil maken;

    • f.

      geldt voor minimaal 5 jaar met de mogelijkheid om tussentijds bij te stellen, en;

    • g.

      is vastgesteld door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten in de regio.

Artikel 2.14 Detailhandel

  • 1.

    Regionale afspraken kunnen worden gemaakt over te ontwikkelen, transformeren en herstructureren detailhandelslocaties.

  • 2.

    Regionale afspraken zijn:

    • a.

      in overeenstemming met een regionale detailhandelsvisie; en

    • b.

      voorzien van een advies van de regionale adviescommissie

      • i.

        als het gaat om nieuwe detailhandel groter dan 1500 m2 winkelvloeroppervlak (wvo), of;

      • ii.

        als het gaat om winkelgebieden die groter zijn dan 25.000 m2 wvo en de nieuwe detailhandel groter dan 3.000 m2 wvo moet zijn.

  • 3.

    Een regionale detailhandelsvisie:

    • a.

      geeft de uitgangspunten weer van het regionaal detailhandelsbeleid;

    • b.

      is in overeenstemming met het provinciale detailhandelsbeleid;

    • c.

      is gebaseerd op het in opdracht van de provincie uitgevoerde marktruimte- en koopstromenonderzoek;

    • d.

      wordt ter advisering voorgelegd aan de regionale adviescommissie;

    • e.

      geldt voor minimaal 5 jaar met de mogelijkheid om tussentijds bij te stellen, en;

    • f.

      is vastgesteld door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten in de regio.

  • 4.

    Een regionale detailhandelsvisie beschrijft:

    • a.

      de bestaande detailhandelsstructuur in de regio;

    • b.

      de demografische ontwikkeling van de regio;

    • c.

      de marktruimte in de regio;

    • d.

      een analyse van de leegstand, waaronder ontwikkeling van leegstand en specifieke probleemlocaties;

    • e.

      het beleid ten aanzien van herstructurering en eventueel transformatie van bestaande winkelcentra;

    • f.

      de aanwezige planvoorraad;

    • g.

      de gewenste detailhandelsstructuur in de regio;

    • h.

      de uitbreidingen die de regio de komende vijf jaar binnen de bestaande marktruimte wil mogelijk maken;

    • i.

      hoe de regiogemeenten de planvoorraad en leegstand gaan monitoren, en;

    • j.

      het beleid ten aanzien van volumineuze detailhandel, grootschalige detailhandel en afhaalpunten voor internetaankopen.

Artikel 2.15 Overige stedelijke voorzieningen

Regionale afspraken tussen de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten in een regio over overige stedelijke voorzieningen, niet zijnde woningbouw, bedrijventerreinen, kantorenlocaties of detailhandel, kunnen worden beperkt tot werkafspraken over de wijze van afstemming bij overige stedelijke voorzieningen.

 

Afdeling 2.6 Windenergie

Artikel 2.16 Toepassingsbereik

Deze afdeling bevat de nadere regels, zoals bedoeld in artikel 4.100, derde lid, en artikel 6.27, vijfde lid, van de verordening.

Artikel 2.17 Windturbines binnen herstructureringsgebieden MRA

Bij de ruimtelijke inpassing van windturbines als bedoeld in artikel 6.27, tweede lid, onder h, van de verordening kan het bevoegd gezag, onverminderd het bepaalde in artikel 6.59 van de verordening het Noord-Hollands perspectief op de Regionale Energiestrategieën betrekken.

Artikel 2.18 Windenergiegebieden binnen de MRA

  • 1.

    Een verzoek als bedoeld in artikel 6.27, vierde lid, van de verordening bevat ten minste de volgende gegevens:

    • a.

      de geografische ligging van het aan te wijzen gebied;

    • b.

      een omschrijving van in ieder geval ruimtelijke, gebiedsspecifieke en energetische belangen die in het gebied spelen, alsook de belangen op grond waarvan het verzoek wordt gedaan; en

    • c.

      een participatiedocument waarin wordt beschreven of en hoe inwoners en stakeholders zijn betrokken bij het.

  • 2.

    Ingeval het verzoek ziet op een gebied in het werkingsgebied herstructureringsgebied binnen de MRA dient in het verzoek ook te worden aangegeven:

    • a.

      de reden waarom van welke criteria als bedoeld in artikel 6.27, tweede lid, dient te worden afgeweken.

  • 3.

    Het verzoek tot aanwijzing van een windenergiegebied wordt ter advisering voorgelegd aan de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling (ARO).

  • 4.

    Bij de beoordeling van het verzoek tot aanwijzing van een windenergiegebied kunnen Gedeputeerde Staten het Noord-Hollands Perspectief op de Regionale Energiestrategieën betrekken.

  • 5.

    Gedeputeerde Staten kunnen voorschriften verbinden aan de aanwijzing tot windenergiegebied.

  • 6.

    De aanwijzing tot windenergiegebied vervalt indien niet binnen twee jaar na de aanwijzing een ruimtelijk plan is vastgesteld ten behoeve van de plaatsing van windturbines in het aangewezen windenergiebied.

Artikel 2.19 Windturbine van maximaal 15 meter ashoogte

Bij de ruimtelijke inpassing als bedoeld in artikel 6.27, derde lid, van de verordening wordt door het bevoegd gezag in ieder geval betrokken:

  • a.

    het Noord-Hollands Perspectief op de Regionale Energiestrategieën;

  • b.

    de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie; en

  • c.

    eventueel aanwezige provinciale monumenten op het aan de windturbine gekoppelde bouwperceel.

Artikel 2.20 Vervanging windturbine

Van vervanging van een windturbine als bedoeld in artikel 4.100 van de verordening is sprake als binnen een jaar na de dag waarop de te vervangen windturbine is gesloopt een omgevingsvergunningsaanvraag voor een vervangende windturbine bij het bevoegd gezag is ingediend.

 

Afdeling 2.7 Zonne-energie

Artikel 2.21 Toepassingsbereik

Deze afdeling bevat de nadere regels, zoals bedoeld in artikel 6.30, vijfde en zesde lid, van de verordening.

Artikel 2.22 De locatie en omvang van de opstelling voor zonne-energie

  • 1.

    De locatie voor de opstelling voor zonne-energie is aan minimaal één zijde aansluitend op bestaand stedelijk gebied of een dorpslint.

  • 2.

    De omvang van de opstelling voor zonne-energie is:

    • a.

      op een locatie die aan één zijde aansluitend is op bestaand stedelijk gebied of een dorpslint: maximaal 5 hectare;

    • b.

      op een locatie die aan minimaal één zijde aansluitend is op bestaand stedelijk gebied of een dorpslint en daarnaast aan nog een andere zijde aansluitend op bestaand stedelijk gebied of een dorpslint, een rijksweg, provinciale weg of spoorweg: maximaal 10 hectare, of;

    • c.

      op een locatie die aan minimaal één zijde aansluitend is op bestaand stedelijk gebied of een dorpslint en daarnaast aan nog twee andere zijden aansluitend op bestaand stedelijk gebied of een dorpslint, een rijksweg, provinciale weg of spoorweg: maximaal 25 hectare;

    met dien verstande dat van de maximale oppervlakten genoemd onder a tot en met c, kan worden afgeweken tot niet meer dan 10% van die oppervlakten indien dat noodzakelijk is uit overwegingen van ruimtelijke kwaliteit.

  • 3.

    De locatie voor de opstelling voor zonne-energie is niet aansluitend op een reeds bestaande opstelling voor zonne-energie, tenzij sprake is van het aanvullen van een bestaande opstelling voor zonne-energie tot de maximale oppervlakte als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 2.23 Eisen aan de inpassing van de opstelling voor zonne-energie

  • 1.

    De hoogte van een opstelling voor zonne-energie bedraagt niet meer dan 1,50 meter gemeten vanaf het gemiddelde straatpeil van de omliggende openbare wegen.

  • 2.

    Van het bepaalde in het eerste lid kan worden afgeweken indien deze afwijking aantoonbaar:

    • a.

      bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit, of;

    • b.

      anderszins substantiële meerwaarde oplevert voor de fysieke leefomgeving.

  • 3.

    De bodem onder de opstelling wordt niet verhard of verdicht en wordt zoveel mogelijk ecologisch ingericht en beheerd.

  • 4.

    De terreinafscherming en rand van de opstelling voor zonne-energie zijn passend in de omgeving en worden zoveel mogelijk ecologisch ingericht en beheerd.

  • 5.

    De afstand tussen de opstelling voor zonne-energie en woonbebouwing bedraagt minimaal 50 meter.

Artikel 2.24 Stimuleringsgebieden zonne-energie

  • 1.

    Onverminderd artikel 2.23 kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek als bedoeld in het tweede lid of ambtshalve, gehoord de commissie, stimuleringsgebieden zonne-energie aanwijzen waar kan worden afgeweken van het gestelde in artikel 2.22.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente binnen wiens grondgebied het aan te wijzen gebied is gelegen kan Gedeputeerde Staten verzoeken om een aanwijzing tot stimuleringsgebied.

  • 3.

    Een verzoek als bedoeld in het tweede lid bevat ten minste de volgende gegevens:

    • a.

      de geografische ligging van het aan te wijzen gebied;

    • b.

      een onderbouwing waarom in het gebied bedoeld onder sub a kan worden afgeweken van criteria als bedoeld in artikel 2.22 met in ieder geval een toelichting op:

      • i.

        de wijze waarop het aan te wijzen stimuleringsgebied aansluit op gebiedsspecifiek ruimtelijk- en energiebeleid, en/of;

      • ii.

        de wijze waarop de opstelling voor zonne-energie een bijdrage levert aan opgaven in de fysieke leefomgeving;

    • c.

      een omschrijving van de wijze waarop aan artikel 2.23. wordt voldaan;

    • d.

      een participatiedocument waarin wordt beschreven of en hoe inwoners en stakeholders zijn betrokken bij het.

  • 4.

    Het verzoek tot aanwijzing van een stimuleringsgebied zonne-energie kan door Gedeputeerde Staten worden voorgelegd aan de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling (ARO).

  • 5.

    Bij de beoordeling van het verzoek tot aanwijzing van een stimuleringsgebied kunnen Gedeputeerde Staten onder meer betrekken:

    • a.

      het Noord-Hollands Perspectief op de Regionale Energiestrategieën (PS, 3 februari 2020);

    • b.

      de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (GS, 10 april 2018);

    • c.

      de Kwaliteitsimpuls Zonneparken (2019);

    • d.

      de in het aan te wijzen gebied geldende provinciale beschermingsregimes;

    • e.

      de in het aan te wijzen gebied aanwezige ruimtelijk relevante belangen;

    • f.

      eventueel ARO advies.

  • 6.

    De aanwijzing voor een stimuleringsgebied vervalt indien binnen drie jaar na aanwijzing van het stimuleringsgebied nog geen omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van een opstelling voor zonne-energie.

     

Afdeling 2.8 Voorschriften toetsen op veiligheid en leidraden voor het ontwerpen en verbeteren van regionale waterkeringen

Artikel 2.25 Toepassingsbereik

Deze afdeling bevat:

  • a.

    de voorschriften, zoals bedoeld in artikel 5.3, derde lid, van de verordening; en

  • b.

    de technische leidraad, zoals bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, van de verordening.

Artikel 2.26 Voorschriften beoordeling veiligheid regionale waterkeringen

Voor de beoordeling van de veiligheid van regionale waterkeringen gelden de volgende, door Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA) uitgegeven publicaties als voorschriften:

 

Addendum op de leidraad toetsen op veiligheid regionale waterkeringen betreffende de boezemkaden

STOWA 2010-22 ORK2

2010

Materiaalfactoren boezemkaden

STOWA 2009-05 ORK

2009

Leidraad toetsen op veiligheid regionale waterkeringen

STOWA 2015-15

2015

Compendium Leidraad Toetsen op Veiligheid Regionale waterkeringen

STOWA 2015-15a

2015

Kwaliteitsindicatoren veiligheidstoetsing: Meetbare en controleerbare indicatoren voor de kwaliteit van de veiligheidstoetsing regionale waterkeringen

STOWA 2007-01 ORK

2007

Promotor gebruikshandleiding versie 4.1

STOWA, voorjaar 2017

2017

Artikel 2.27 Leidraden ontwerpen en verbeteren regionale waterkeringen

Voor het ontwerpen en verbeteren van regionale waterkeringen gelden de volgende, door Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA) uitgegeven publicaties, als technische leidraad:

 

Handreiking ontwerpen & verbeteren waterkeringen langs regionale rivieren

STOWA 2009-07-ORK

2009

Handreiking ontwerpen & verbeteren boezemkaden

STOWA 2009-06-ORK

2009

Leidraad waterkerende kunstwerken in regionale waterkeringen

STOWA 2011-15

2011

Richtlijnen normering compartimenteringskeringen

STOWA 2007-02

2007

Handreiking Risicogestuurd beheer en onderhoud van waterkeringen

STOWA 2018-59

2018

 

Afdeling 2.9 Bestuurlijke afwegingsruimte

Artikel 2.28 Toepassingsbereik

Deze afdeling bevat de nadere regels zoals bedoeld in artikel 13.3, vierde lid, van de verordening.

Artikel 2.29 Begrenzing toepassing

Bij toepassing van artikel 13.3 van de verordening kan worden afgeweken van:

  • a.

    Paragraaf 4.2.1 van de verordening;

  • b.

    Afdelingen 4.6, 4.9, 4.10 en 4.12 van de verordening; en

  • c.

    Hoofdstuk 6 van de verordening, met uitzondering van paragraaf 6.4.1 en 6.4.3

Artikel 2.30 Tijdsduur experimenten

Bij toepassing van artikel 13.3 van de verordening ten behoeve van experimenten geldt een maximale tijdsduur van het experiment van 10 jaar, tenzij wordt gemotiveerd dat een langere tijdsduur noodzakelijk is voor de haalbaarheid van het experiment.

Artikel 2.31 Evaluatie toepassing

Bij toepassing van artikel 13.3 wordt een evaluatieplan vastgesteld door Gedeputeerde Staten, waarbij in ieder geval sprake is van een evaluatiemoment binnen twee jaar en van een evaluatie binnen tien jaar na de start van het experiment of de activiteit.

Afdeling 2.10 Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling

Artikel 2.32 Toepassingsbereik

Deze afdeling bevat de nadere regels zoals bedoeld in artikel 8.1, tweede lid, van de verordening.

Artikel 2.33 Taken en bevoegdheden

  • 1.

    De adviescommissie adviseert over nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot ruimtelijke kwaliteit, inclusief de locatieafweging en de ruimtelijke inpassing.

  • 2.

    De adviescommissie brengt gevraagd advies uit aan colleges van burgemeester en wethouders, dagelijks besturen van waterschappen en Gedeputeerde Staten.

Artikel 2.34 Samenstelling

  • 1.

    De adviescommissie bestaat uit een onafhankelijk voorzitter en uit leden.

  • 2.

    De voorzitter heeft geen stemrecht.

  • 3.

    De voorzitter en de leden zijn niet in dienst van de provincie Noord-Holland.

  • 4.

    De leden zijn deskundig op ten minste één of meer van de volgende kennisvelden: landschapsarchitectuur, stedenbouw, cultuurhistorie, duurzaamheid, water, natuur, economie en landbouw.

  • 5.

    Een lid is niet tevens: lid van een gemeenteraad, burgemeester, wethouder, lid van Provinciale Staten, gedeputeerde, commissaris van de Koning, lid van het algemeen bestuur of het dagelijks bestuur van een waterschap.

  • 6.

    De voorzitter en de leden worden op persoonlijke titel door Gedeputeerde Staten benoemd voor een periode van twee jaar en kunnen maximaal twee maal worden herbenoemd.

  • 7.

    De adviescommissie benoemt uit haar midden een plaatsvervangend voorzitter, die de voorzitter vervangt bij afwezigheid.

  • 8.

    De adviescommissie wordt bijgestaan door een secretaris. De secretaris is een ambtenaar in dienst van de provincie en heeft geen stemrecht.

  • 9.

    Het voorzitterschap en het lidmaatschap van de adviescommissie eindigt:

    • a.

      op het moment dat de termijn van benoeming is verstreken;

    • b.

      indien niet meer wordt voldaan aan het derde of vijfde lid;

    • c.

      door het nemen van ontslag van het lid; of

    • d.

      door een daartoe strekkend besluit van Gedeputeerde Staten.

Artikel 2.35 Werkwijze

  • 1.

    De voorzitter besluit, in overleg met de secretaris, over voorstellen tot het houden van bijeenkomsten over een adviesaanvraag.

  • 2.

    De secretaris draagt zorg voor het opstellen van een agenda voor een bijeenkomst van de adviescommissie.

  • 3.

    De secretaris verstuurt de agenda en de stukken ten minste 7 dagen voor de bijeenkomst aan de leden.

  • 4.

    De voorzitter kan besluiten dat ten aanzien van de toezending van bepaalde stukken de termijn voor de toezending korter is.

  • 5.

    De secretaris bewaakt, in overleg met de voorzitter, dat bij een bijeenkomst de deskundigheid beschikbaar is over de kennisvelden die van belang zijn voor de betrokken adviesaanvraag.

  • 6.

    De secretaris houdt van elke bijeenkomst van de adviescommissie een presentielijst bij.

  • 7.

    De voorzitter of een lid dat een rechtstreeks belang heeft bij het onderwerp van advies, meldt dit aan de secretaris en onthoudt zich van deelname aan de bijeenkomst en het advies.

  • 8.

    Een bijeenkomst is in beginsel openbaar. De voorzitter kan besluiten dat een bijeenkomst besloten is.

  • 9.

    De adviescommissie kan haar werkwijze nader uitwerken in een huishoudelijk reglement. Een afschrift van het huishoudelijk reglement wordt gezonden aan Gedeputeerde Staten en wordt gepubliceerd op de website van de provincie.

Artikel 2.36 Advisering

  • 1.

    Na de behandeling van een adviesaanvraag in een bijeenkomst stelt de secretaris namens de adviescommissie een concept advies op.

  • 2.

    Na vaststelling door de adviescommissie wordt dit concept advies definitief.

  • 3.

    Bij de advisering betrekt de adviescommissie in ieder geval de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie.

  • 4.

    Een advies is schriftelijk en wordt verzonden aan de aanvrager.

  • 5.

    Van het advies wordt een afschrift verzonden aan het college van burgermeester en wethouders van de gemeente waarop het advies betrekking heeft en aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 2.37 Vergoeding

De voorzitter en de leden ontvangen een vergoeding conform het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Deze vergoeding geldt per bijeenkomst.

Artikel 2.38 Verslaglegging en jaarverslag

  • 1.

    De secretaris draagt zorg voor een verslag van de bijeenkomst. Dit verslag wordt vastgesteld door de adviescommissie.

  • 2.

    De adviescommissie brengt elk jaar een jaarverslag uit, waarin zij haar werkzaamheden beschrijft. Dit verslag wordt opgesteld door de secretaris en vastgesteld door de adviescommissie.

  • 3.

    Het jaarverslag wordt verzonden aan de colleges van burgemeester en wethouders, de dagelijks besturen van de waterschappen, Gedeputeerde Staten en Provinciale staten.

Hoofdstuk 3 Indieningsvereisten

Afdeling 3.1 Algemene indieningsvereisten

Artikel 3.1 Algemene indieningsvereisten

 

Als algemene indieningsvereisten gelden de volgende gegevens en bescheiden:

  • a.

    naam, adres en contactgegevens van de aanvrager of melder;

  • b.

    indien de aanvrager of melder niet de beoogde exploitant of gebruiker is: naam, adres en contactgegevens van de beoogde exploitant of gebruiker;

  • c.

    een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd;

  • d.

    het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop het verzoek of de melding betrekking heeft;

  • e.

    de begrenzing van de locatie waarop het verzoek of de melding betrekking heeft;

  • f.

    de eigendomssituatie van de locatie waarop het verzoek of de melding betrekking heeft; en

  • g.

    de voorgenomen tijdplanning.

Afdeling 3.2 Gesloten stortplaatsen

Artikel 3.2 Toepassingsbereik

Deze afdeling is gereserveerd voor de indieningsvereisten zoals bedoeld in artikel 4.53, vierde lid, van de verordening.

 

Afdeling 3.3 Regionale luchtvaart

Artikel 3.3 Toepassingsbereik

Deze afdeling bevat de nadere regels zoals bedoeld in artikel 7.1, tweede lid, en artikel 7.2, tweede lid, van de verordening.

Artikel 3.4 Indieningsvereisten aanvragen luchthavenbesluit

Bij een aanvraag tot wijziging van de verordening ten behoeve van een luchthavenbesluit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de algemene indieningsvereisten zoals genoemd in artikel 3.1;

  • b.

    de eigendomssituatie met betrekking tot van het terrein, en voor zover de aanvrager niet de eigenaar is, een verklaring van de eigenaar dat deze instemt met het voorgenomen gebruik als luchthaven;

  • c.

    de planologische situatie van het luchthaventerrein en het beperkingengebied rondom dat terrein;

  • d.

    een of meer tekeningen waaruit de beoogde ruimtelijke indeling van het gebied van en rond de luchthaven blijkt, met inbegrip van maximale hoogte van object;

  • e.

    een plan voor het gebruik van de luchthaven voor een periode in de eerste vijf jaar na inwerkingtreding van het luchthavenbesluit. In het plan dienen tenminste de volgende gegevens te zijn opgenomen:

    • i.

      locatie-aanduiding;

    • ii.

      baanaanduiding;

    • iii.

      kaart met luchthavengebied;

    • iv.

      geluidsbelasting;

    • v.

      typen vliegtuigen;

    • vi.

      tijden;

    • vii.

      dagen waarop gevlogen gaat worden;

    • viii.

      aantal vliegbewegingen; en

    • ix.

      circuit;

  • f.

    de wijze waarop in naderingsluchtverkeersleiding zal worden voorzien;

  • g.

    de voor het beoogde gebruik noodzakelijke berekeningen als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Regeling burgerluchthavens en artikel 8.44, derde lid van de Wet luchtvaart met betrekking tot het bepalen van de geluidsbelasting, het externe-veiligheidsrisico van het luchthavenluchtverkeer en de lokale luchtverontreiniging;

  • h.

    een bij het voornemen passende beschrijving van de mogelijke effecten op het milieu; en

  • i.

    een verklaring waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde bepalingen van de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen.

Artikel 3.5 Indieningsvereisten aanvragen luchthavenregeling

Bij een aanvraag tot vaststelling van een luchthavenregeling worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de algemene indieningsvereisten zoals genoemd in artikel 3.1;

  • b.

    de eigendomssituatie met betrekking tot van het terrein, en voor zover de aanvrager niet de eigenaar is, een verklaring van de eigenaar dat deze instemt met het voorgenomen gebruik als luchthaven;

  • c.

    de planologische situatie van het luchthaventerrein en het beperkingengebied rondom dat terrein;

  • d.

    een of meer tekeningen waaruit de beoogde ruimtelijke indeling van het gebied van en rond de luchthaven blijkt, met inbegrip van maximale hoogte van object;

  • e.

    een plan voor het gebruik van de luchthaven voor een periode in de eerste vijf jaar na inwerkingtreding van het luchthavenbesluit. In het plan dienen tenminste de volgende gegevens te zijn opgenomen: locatie-aanduiding, baanaanduiding, kaart met luchthavengebied, geluidsbelasting, typen vliegtuigen, tijden, dagen waarop gevlogen gaat worden, aantal vliegbewegingen, circuit;

  • f.

    de wijze waarop in naderingsluchtverkeersleiding zal worden voorzien;

  • g.

    de voor het beoogde gebruik noodzakelijke berekeningen als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Regeling burgerluchthavens en artikel 8.44, derde lid van de Wet luchtvaart met betrekking tot het bepalen van de geluidsbelasting, het externe-veiligheidsrisico van het luchthavenluchtverkeer en de lokale luchtverontreiniging;

  • h.

    een bij het voornemen passende beschrijving van de mogelijke effecten op het milieu; en

  • i.

    een verklaring waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde bepalingen van de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen.

Afdeling 3.4 Ontgrondingen

Artikel 3.6 Toepassingsbereik

Deze afdeling bevat de nadere regels zoals bedoeld in artikel 7.8 van de verordening.

Artikel 3.7 Indieningsvereisten aanvragen ontgrondingenvergunning

Bij een aanvraag om verlening of wijziging van een ontgrondingenvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de algemene indieningsvereisten zoals genoemd in artikel 3.1;

  • b.

    een tekening waarop de situatie van de ontgronding met de directe omgeving binnen een straal van ten minste 1.000 meter gerekend vanuit de ontgronding staat aangegeven, bijvoorbeeld een topografische kaart met een schaal van 1:10.000 of 1:25.000, met noordpijl, of daarmee vergelijkbaar;

  • c.

    een tekening waarop dwarsprofielen van de tegenwoordige en de toekomstige hoogten van het/de te ontgronden perce(el)(en) en/of de te verlagen bodem(s) van de waterpartijen, alsmede de ligging van dit/deze terrein(en) in ruimere omgeving, schaal 1:100 of 1:250, staan aangegeven;

  • d.

    een tekening waarop de kadastrale gegevens van de te ontgronden percelen of perceelsgedeelte(n) met de aangrenzende percelen staan aangegeven, alsmede een uittreksel uit het kadastrale register van elk perceel waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • e.

    een bodemonderzoek, in het kader van de Wet bodembescherming, op basis van de NEN 5725, NEN 5740 en NEN 5707;

  • f.

    een rapport van een erkend archeologisch bureau waarin de archeologische waarde van het te ontgronden terrein wordt vastgesteld; en

  • g.

    een onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde diersoorten en/of planten als bedoeld in de Wet natuurbescherming.

Afdeling 3.5 Schade bij ontgrondingen

Artikel 3.8 Toepassingsbereik

Deze afdeling bevat de nadere regels zoals bedoeld in artikel 10.6, tweede lid, van de verordening.

Artikel 3.9 Indieningsvereisten verzoek tot schadevergoeding bij ontgrondingen

Bij een indiening van een verzoek tot schadevergoeding bij ontgrondingen worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de algemene vereisten als bedoeld in artikel 3.1;

  • b.

    een aanduiding van het besluit dat de schade naar het oordeel van verzoeker heeft veroorzaakt;

  • c.

    een opgave van de aard en omvang van de schade, alsmede een specificatie van het bedrag van de schade; en

  • d.

    een omschrijving van de wijze waarop de schade naar het oordeel van verzoeker dient te worden vergoed en, zo een vergoeding in geld wordt gewenst, een opgave van het schadebedrag dat naar het oordeel van verzoeker vergoed dient te worden.

Afdeling 3.6 Varend ontgassen

Artikel 3.10 Toepassingsbereik

Deze afdeling is gereserveerd voor de indieningsvereisten zoals bedoeld in artikel 4.72 van de verordening.

Afdeling 3.7 Bescherming waterwinning

Artikel 3.11 Toepassingsbereik

Deze afdeling bevat de nadere regels zoals bedoeld in artikel 7.16, eerste lid, van de verordening.

Artikel 3.12 Indieningsvereisten melding en grondwaterbeschermingsgebied

Bij een melding van in artikel 4.33 en 4.35 van de verordening bedoelde activiteiten worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de algemene indieningsvereisten zoals genoemd in artikel 3.1; en

  • b.

    op welke wijze aan de bodem beschermende voorschriften wordt voldaan.

Afdeling 3.8 Houtopstanden

Artikel 3.13 Toepassingsbereik

Deze afdeling bevat de indieningsvereisten zoals bedoeld in artikel 4.13, derde en vierde lid, van de verordening.

Artikel 3.14 Indieningsvereisten melding vellen houtopstanden

Bij een melding van in artikel 4.13, eerste lid, van de verordening bedoelde activiteiten worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de algemene indieningsvereisten zoals genoemd in artikel 3.1;

  • b.

    Oppervlakte te kappen bos in aren en aantal te kappen bomen;

  • c.

    Specificatie van boomsoorten en leeftijd; en

  • d.

    een overzichtskaart van minimaal schaal 1: 25000 en een detailkaart van een schaal tussen 1:1000 en 1:5000, met daarop duidelijk aangegeven de locatie van de betreffende houtopstand.

Afdeling 3.9 Stiltegebieden

Artikel 3.15 Toepassingsbereik

Deze afdeling is gereserveerd voor de indieningsvereisten zoals bedoeld in artikel 4.27, derde lid, van de verordening.

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

Artikel 4.1 Overgangsbepaling

Onverminderd artikel 4.2 gelden regelingen vastgesteld op grond van de in artikel 13.10 van de verordening genoemde verordeningen als regelingen op grond van de verordening.

Artikel 4.2 Overgangsbepaling woonakkoorden

Zolang geen woonakkoord als bedoeld in artikel 2.12 tot stand is gekomen, gelden tot 1 juli 2021 de regionale afspraken op grond van artikel 2 van de Uitvoeringsregeling regionale afspraken nieuwe stedelijke ontwikkelingen 2017 als woonakkoord.

Artikel 4.3 Intrekken regelingen

De volgende regelingen en besluiten worden ingetrokken:

 

  • a.

    Uitvoeringsregeling natuurcompensatie Noord-Holland;

  • b.

    Uitvoeringsregeling opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied Noord-Holland 2019;

  • c.

    Uitvoeringsregeling regionale afspraken nieuwe stedelijke ontwikkelingen 2017;

  • d.

    Voorschriften toetsen op veiligheid en leidraden voor het ontwerpen en verbeteren van regionale waterkeringen Hollands Noorderkwartier;

  • e.

    Voorschriften toetsen op veiligheid en leidraden voor het ontwerpen en verbeteren van regionale waterkeringen Amstel, Gooi en Vecht 2011; en

  • f.

    Uitvoeringsregeling verdeelprocedure herstructurering Wind op Land.

Artikel 4.4 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de verordening in werking treedt.

Artikel 4.5 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Omgevingsregeling NH2020.

 

Haarlem, 3 november 2020

Gedeputeerde Staten van Noord-Holland,

A.Th.H. van Dijk, voorzitter

R.M. Bergkamp, provinciesecretaris

Bijlage 1 – Begrippen

Voor de toepassing van deze regeling wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:

 

  • 1.

    regio: een aantal gemeenten binnen de provincie Noord-Holland waartussen regionale afspraken worden gemaakt;

  • 2.

    verordening: Omgevingsverordening NH2020.

Bijlage 2 – Stimuleringsgebieden Zonne-energie

  • A.

    Stimuleringsgebied zonne-energie Groene Hoek

  •  

     

Toelichting Omgevingsregeling NH2020

Inleiding

De Omgevingsregeling NH2020 bundelt en harmoniseert de regels uit bestaande provinciale uitvoeringsregelingen en bouwt voort op de systematiek van de Omgevingsverordening NH2020 (hierna; de omgevingsverordening). Hiermee draagt de regeling bij aan de inzichtelijkheid, voorspelbaarheid en gebruiksvriendelijkheid van het provinciale omgevingsrecht. Daarnaast draagt de regeling bij aan een samenhangende benadering van de leefomgeving en aan snellere en betere besluitvorming. De omgevingsregeling bevat nadere regels met betrekking tot de uitvoering en indieningsvereisten behorende bij meldingen, ontheffingen en vergunningsaanvragen. Deze toelichting hoort bij de Omgevingsregeling NH2020.

 

Afdeling 2.3 Natuur- en landschapscompensatie

 

Algemeen

Afdeling 2.3 van de omgevingsregeling geeft aan hoe gecompenseerd moet worden als er aantasting is van het Natuurnetwerk Nederland (hierna; NNN) en de Natuurverbindingen. Voorheen werden deze aangeduid als de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en ecologische verbindingszones. Deze afdeling is ook van toepassing op de wijze van compensatie in geval van een aantasting van het Bijzonder provinciaal landschap (hierna; BPL). In de omgevingsverordening is aangegeven wanneer aantastingen toegestaan zijn en gecompenseerd moeten worden. De omgevingsregeling is dus een uitwerking van de omgevingsverordening.

 

Het compensatiebeginsel is vooral bedoeld om het NNN, de natuurverbindingen en het BPL tegen aantasting te beschermen. Eén van de hoofddoelstellingen van het provinciaal beleid is om de biodiversiteit in Noord-Holland niet verder achteruit te laten gaan en bij voorkeur te verbeteren. De aanleg en het behoud van het NNN, natuurverbindingen en habitat voor weidevogels binnen BPL dragen bij aan die doelstelling. Al deze gebieden zijn belangrijk om de biodiversiteit in Noord-Holland te behouden. Een andere hoofddoelstelling is het benoemen, behouden en waar mogelijk te versterken van de landschappen die aardkundig, ecologisch of cultuurhistorisch van bijzondere waarde zijn. De bescherming van de kernkwaliteiten in het BPL draagt bij aan deze doelstelling. Is een ingreep in deze gebieden vanuit andere belangen toch noodzakelijk, dan is in de omgevingsverordening opgenomen onder welke voorwaarden een ingreep toch kan plaatsvinden. Is de aantasting toelaatbaar dan is het de bedoeling om de compensatie zo effectief mogelijk in te zetten. Voor de verschillende categorieën natuur en landschap gelden verschillende vormen van compensatie. De compensatie en de afspraken hierover worden vastgelegd in het ruimtelijk plan dat gekoppeld is aan de ingreep in een compensatieplan en een compensatieovereenkomst tussen de initiatiefnemer en de provincie. In alle gevallen mag de compensatie uiteraard niet leiden tot aantasting van andere in de verordening ruimtelijk beschermde waarden.

 

Deze afdeling heeft drie doelen:

 

  • 1.

    Concrete uitvoeringsregels voor natuur- en landschapscompensatie in Noord-Holland;

  • 2.

    Gemeenten en initiatiefnemers duidelijk maken in welke situaties, op welke wijze zij het compensatiebeginsel moeten toepassen;

  • 3.

    Aangeven op welke criteria Gedeputeerde Staten compensatieplichtige plannen en onderliggende documenten beoordelen.

De koppeling tussen de uitvoeringsregels in afdeling 2.3 en de verordening

Een initiatiefnemer moet de natuur- of landschapswaarden die verloren gaan door een ruimtelijke ingreep op eigen kosten compenseren. Dit uitgangspunt noemen Gedeputeerde Staten het ‘compensatiebeginsel’. De omgevingsverordening bepaalt of en onder welke voorwaarden een ingreep mag plaatsvinden. Deze afdeling geeft aan op welke manier de initiatiefnemer de compensatie vorm moet geven.

Het beschermingsregime voor het NNN heeft het Rijk vastgelegd in de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) heeft het Rijk de verplichting opgenomen voor de provincies om bij verordening regels te stellen die ervoor zorgen dat de provincie het NNN planologisch beschermt. De ligging en begrenzing van het NNN, natuurverbindingen en BPL geven Gedeputeerde Staten weer in de kaarten die horen bij de verordening. Het NNN geldt volgens het Barro niet voor de Noordzee, de Waddenzee en het IJsselmeergebied (inclusief Markermeer en IJmeer) en de randmeren. Voor de Waddenzee en het IJsselmeergebied stelt het Barro eigen regels waarbij het Rijk bevoegd gezag is. Voor militaire terreinen geldt het compensatiebeginsel niet omdat ze geen onderdeel zijn van het NNN.

 

Wanneer is deze afdeling van toepassing?

Deze afdeling is van toepassing als sprake is van compensatie zoals bedoeld in artikel 6.43 en artikel 6.46 van de omgevingsverordening. Voordat kan worden overgegaan tot compensatie, moet eerst worden vastgesteld of de ingreep toelaatbaar is in het kader van het ruimtelijk beleid. Hiervoor geldt het afwegingskader van de omgevingsverordening bij ruimtelijk plannen of daaraan verwante plannen. Op provinciale inpassingsplannen, Rijksinpassingsplannen, Tracébesluiten en Dijkverzwaringsplannen is de omgevingsverordening niet van toepassing. Wel geldt dat het NNN [door het rijk] beschermd is en dat de genoemde plannen in compensatie dienen te voorzien. Bij de opstelling en beoordeling van de in die plannen voorziene compensatie betrekken Gedeputeerde Staten deze afdeling.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 2.4

Het uitgangspunt bij natuur- en landschapscompensatie is dat de schade die door ontwikkelingen plaatsvindt fysiek en het liefst in de nabijheid van de ontwikkeling wordt gecompenseerd. De gemeenteraad dient de compensatie in het ruimtelijk plan vast te leggen (verbeelding en regels), in het geval van NNN met een passende (natuur)bestemming. Bij het ruimtelijk plan hoort het compensatieplan en de overeenkomst. De toelichting (of het compensatieplan) dient in te gaan op het groot openbaar belang dat de ontwikkeling rechtvaardigt en op de effecten van de ingreep op het NNN of het BPL. Hiermee maakt het ruimtelijk plan inzichtelijk wat verdwijnt en wat terugkomt.

 

Bij aantastingen van NNN die kleiner zijn dan 0.5 ha en aan habitat voor weidevogels binnen BPL die kleiner zijn dan 5 ha, bestaat de mogelijkheid van financiële compensatie in plaats van fysieke compensatie. Fysieke compensatie over genoemde relatief kleine oppervlakten is niet kosteneffectief. Bij compensatie voor NNN-gebieden groter dan 0.5 ha en bij habitat voor weidevogels binnen BPL groter dan 5 ha is financiële compensatie alleen mogelijk als fysieke compensatie aantoonbaar niet mogelijk is. Financiële compensatie voor andere kernkwaliteiten van het BPL dan habitat voor weidevogels is niet mogelijk. Reden daarvoor is dat bij deze kernkwaliteiten niet goed mogelijk is om een aantasting in financiële waarde uit te drukken.

 

Bij financiële compensatie voor NNN dient altijd, ongeachte de grootte van de aantasting, op eenzelfde oppervlak als verloren gaat door de activiteit, dat nog niet is aangewezen als NNN, de ontwikkeling van natuur planologisch mogelijk te worden gemaakt in het bijbehorende ruimtelijk plan.

 

Uitgangspunt bij de toepassing van financiële compensatie blijft dat uiteindelijk fysieke compensatie plaatsvindt, zij het door de provincie zelf. Door storting van de financiële compensatie in de Reserve Groen (voor het NNN) of in de Reserve Landschap (voor Habitat voor weidevogels) wordt deze door Gedeputeerde Staten benut voor de realisatie van het NNN en het nemen van inrichtingsmaatregelen ten gunste van weidevogels. Via het Programma Natuurontwikkeling zullen Gedeputeerde Staten rapporteren over de besteding van de compensatiemiddelen.

 

Ook gedeeltelijke financiële compensatie is een optie, als fysieke compensatie niet voor 100% mogelijk blijkt, bijvoorbeeld als niet op tijd voldoende compensatiegrond gevonden kan worden.

 

Het zal niet altijd mogelijk blijken de compensatie te realiseren binnen hetzelfde ruimtelijk plan dat de ingreep regelt of binnen dezelfde gemeente waarin de ingreep plaatsvindt. Voor zover dit niet mogelijk is in het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, blijkt uit de toelichting van dat ruimtelijk plan hoe en wanneer deze ontwikkeling van natuur dan wel planologisch wordt geregeld en dat het bevoegd gezag daaraan medewerking zal verlenen. Indien de compensatie in een andere gemeente plaatsvindt, dan moet er tenminste een besluit door het college van Burgemeesters en Wethouders van de betreffende gemeente zijn over wanneer en in welk ruimtelijk plan de compensatie dan wél wordt vastgelegd. Gedeputeerde Staten kunnen bestuurlijke druk uit oefenen om te voorkomen dat de besluitvorming in de gemeente waar de ingreep plaats vindt, vertraging oploopt.

 

Artikel 2.5

Natuurwaarden die verloren gaan, moet de initiatiefnemer fysiek compenseren, door realisatie van vervangend areaal bij NNN of door het nemen van inrichtingsmaatregelen bij de natuurverbinding. Als vuistregel geldt dat het oppervlak van het compensatiegebied minimaal gelijk is aan het vernietigde oppervlak. Als een ingreep het NNN-gebied niet geheel vernietigt, maar – ondanks de afgesproken mitigerende maatregelen- verstoort of versnippert, of de functionaliteit aantast, zal de compensatie moeten zorgen voor het opheffen van de effecten daarvan. In de praktijk betekent dat meestal ook realisatie van extra areaal NNN. De omvang van de compensatie verschilt, afhankelijk van de locatie en de ingreep. Het bepalen van de omvang van de compensatie is maatwerk. Per ingreep moet daarom de initiatiefnemer het specifieke effect onderzoeken.

 

De wezenlijke kenmerken en waarden zijn in elk gebied gedefinieerd als de in een gebied aanwezige natuurwaarden en tevens de potentiële natuurwaarden, de daarvoor vereiste bodem- en watercondities en de voor het gebied kenmerkende landschapsstructuur, aardkundige en belevingswaarden. Concreet betekent dit dat wij bij een ingreep in het NNN en natuurverbindingen beoordelen of sprake is van een significant effect op de wezenlijke kenmerken en waarden door:

 

  • de toename van verstoring en het effect daarvan op de in een gebied aanwezige soorten. De verstoring kan bestaan uit verstoring door mensen of verkeer, verstoring door meer licht of verstoring door een toename van geluid;

  • het effect dat de ingreep heeft op de bodem en watercondities, die belangrijk zijn voor het handhaven van de natuurkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan invloed op het waterpeil, een toename van verzilting of verzoeting van het grondwater of oppervlaktewater, of een toename van de bemesting van de bodem;

  • het directe effect dat de ingreep door oppervlaktebeslag heeft op het verdwijnen van de in het gebied aanwezige natuurwaarden; of

  • het effect dat de ingreep heeft op de beleving van het landschap of op de aardkundige waarden.

De mate waarin een ingreep effect heeft op het NNN of natuurverbindingen hangt erg af van het gebied. Per gebied verschillen de wezenlijke kenmerken en waarden. Zo zal verstoring door verlichting of toename van recreatie in een bos een kleinere impact hebben dan in een open weidelandschap. Ook zijn bepaalde soorten gevoeliger voor verstoring dan andere. Daarom is maatwerk vereist. De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor het beschrijven van de actuele wezenlijke kenmerken en waarden op de locatie van de ingreep en het effect van de ingreep ligt bij de initiatiefnemer. Wij verwachten een eigen inschatting van de wezenlijke kenmerken en waarden op een locatie.

 

De beschrijvingen van de wezenlijke kenmerken en waarden moeten in ieder geval gebruikt worden bij de beschrijving van de effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN en de natuurverbindingen.

 

Daarnaast wordt beoordeeld of een effect optreedt op de samenhang van het NNN of de natuurverbinding. Bij natuurverbindingen is dit een negatief effect wanneer door een ingreep een barrière voor dieren wordt opgeworpen om langs de natuurverbinding te reizen of als de barrièrewerking toeneemt. In het NNN is het effect vooral afhankelijk van de locatie van de ingreep en de grootte en breedte van het NNN op die plek.

 

Bij natuurverbindingen geldt dat de werking van de natuurverbinding gelijk moet blijven of moet verbeteren. Het verdwijnen van stapstenen, rustplaatsen voor dieren langs natuurverbindingen, vergt compensatie in oppervlakte. Maar voor het overige gaat het vooral om het nemen van inrichtingsmaatregelen die het negatieve effect van de ingreep weer opheffen. Ook hier geldt dat geen algemene leidraad voor de omvang en de vorm van de compensatie kan worden gegeven, maar dat het afhankelijk is van de locatie en de mogelijkheden.

 

Artikel 2.6

Dit artikel ziet op compensatie bij een aantasting van het BPL. Het eerste lid heeft betrekking op de specifieke kernkwaliteit habitat voor weidevogels. De kernkwaliteit habitat voor weidevogels geldt voor omvangrijke aaneengesloten deelgebieden in het BPL die zich kenmerken door openheid en het ontbreken van verstoring. Bij bescherming van habitat voor weidevogels binnen BPL gaat het erom de sleutelfactoren die van belang zijn voor weidevogels (rust, openheid, de aanwezigheid van micro-reliëf, graslandareaal en een relatief hoog waterpeil) te handhaven. Het gaat daarbij niet alleen om de actuele waarde die een gebied heeft voor weidevogels, maar ook om de potentiële waarde die een gebied heeft. Dat kan betekenen dat op de locatie van de ingreep op dat moment geen weidevogels broeden of foerageren, maar dat er toch compensatie moet plaatsvinden.

 

Bij het bepalen van de te compenseren oppervlakte, gaat het om de extra verstoring die door de ingreep wordt veroorzaakt. Het gaat dus niet alleen om het verdwenen areaal door de ingreep, maar ook om de verstoring die daarvan uitgaat door geluid, licht, bebouwing etc. Zie hiervoor het rapport “onderbouwing verstoringsafstanden werkplan weidevogels in Fryslân” (2011, A&W rapport 1624 / Alterrra rapport 2184).

 

Compensatie van de kernkwaliteit habitat voor weidevogels kan bestaan uit inrichtingsmaatregelen of actief weidevogelbeheer omvatten voor een bedrag gelijk aan de kosten voor weidevogelbeheer voor een periode van 30 jaar. Compensatie voor activiteiten ter plaatse van de kernkwaliteit habitat voor weidevogels vindt plaats in een gebied waar ook de kernkwaliteit habitat voor weidevogels aanwezig is. In deze gebieden zijn de compensatiemaatregelen het meest effectief, omdat hier is aangetoond dat deze gebieden geschikt zijn voor weidevogels. De besteding van de middelen moet zinvol zijn. Om te voorkomen dat op een gebied beheer wordt vastgelegd voor een lange termijn, terwijl de omstandigheden kunnen veranderen kan in de overeenkomst een clausule worden opgenomen om de maatregelen te evalueren en tussentijds aan te passen.

 

Het tweede lid gaat over compensatie in het geval van een aantasting van een andere kernkwaliteit dan de kernkwaliteit habitat voor weidevogels. Uit artikel 2.4 volgt dat het bij deze kernkwaliteiten altijd gaat om fysieke compensatiemaatregelen. Financiële compensatie is niet toegestaan.

 

Aan de fysieke compensatie voor kernkwaliteiten niet zijnde habitat voor weidevogels worden de volgende eisen gesteld:

 

  • a.

    De fysieke compensatie moet plaatsvinden binnen BPL en bij voorkeur binnen hetzelfde deelgebied als waar de aantasting plaatsvindt. Hiervoor wordt gekozen omdat kernkwaliteiten binnen een BPL-deelgebied veelal nauw met elkaar samenhangen en samen de waarde van het deelgebied bepalen. Een aantasting van een kernkwaliteit is in principe dus een waardevermindering voor het BPL-deelgebied en kan daarom het best hierbinnen gecompenseerd worden. Als dat niet mogelijk is, kunnen de compenserende maatregelen elders in BPL (dus in een ander deelgebied) worden getroffen, het liefst zo nabij mogelijk.

 

  • b.

    De fysieke compensatie moet leiden tot een landschapsverbetering die in kwaliteit en omvang proportioneel is ten opzichte van de aantasting van de kernkwaliteit. Er is gekozen voor een proportionele compensatie omdat de kernkwaliteiten sterk in aard verschillen en ook niet altijd een meetbaar oppervlak betreffen. Gekozen is voor een breed begrip als “landschapsverbetering” om passende en creatieve of innovatieve oplossingen voor compensatie mogelijk te maken. Op voorhand is immers niet goed te bedenken waaraan de compensatie exact moet voldoen en waar het BPL-deelgebied het meest bij is gebaat. De wijze van compensatie betreft dus maatwerk en is steeds afhankelijk van de specifieke activiteit en de situatie ter plaatse. Het is dus mogelijk dat compensatie van een aangetaste kernkwaliteit wordt gerealiseerd in de versterking van een andere kernkwaliteit.

Artikel 2.7

Het compensatieplan dient het gemeentebestuur bij het ruimtelijk plan te voegen. Het maakt deel uit van de toelichting op het ruimtelijk plan dat de ingreep vastlegt. Het opstellen van het compensatieplan is de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer. Het compensatieplan bevat een beschrijving van de ruimtelijke afweging, het verlies van waarden en de manier waarop de initiatiefnemer die compenseert. Uiteindelijk wordt het plan als bijlage bij de compensatieovereenkomst gevoegd, zodat de uitvoering van de compensatie geborgd is. De gemeenteraad mag het ruimtelijk plan inclusief het compensatieplan en de compensatieovereenkomst alleen vaststellen als het voldoet aan deze afdeling.

 

Om beoordeling en handhaving van het plan mogelijk te maken is het belangrijk dat de initiatiefnemer de te nemen maatregelen zo concreet mogelijk in het plan zet. Voor NNN valt daarbij te denken aan de verschillende te realiseren natuurbeheertypen en het oppervlak daarvan. Als natuurvriendelijke oevers een onderdeel zijn van de compensatie, gaat het ook om de specifieke helling van het talud etc. Daarnaast zijn begrippen met vage hoeveelheden, zoals “zoveel mogelijk” en het “merendeel”, ongewenst. Bij financiële compensatie is het van belang om de verloren waarden te kwantificeren, om de hoogte van de financiële compensatie te bepalen. De initiatiefnemer heeft de taak te zorgen voor het (laten) opstellen en tijdig (laten) uitvoeren van het compensatieplan. Hiertoe dient hij de benodigde informatie over de ingreep, de effecten, de voorgestelde compensatie en de kosten daarvan, te leveren. Gedeputeerde staten zullen het compensatieplan beoordelen aan de hand van deze afdeling. Als de provincie zelf initiatiefnemer is, dan dienen Gedeputeerde Staten een besluit te nemen waarin de compensatie wordt vastgelegd waarmee de uiterste datum van uitvoering en de kwaliteit kan worden geborgd.

 

Ditzelfde geldt voor de saldobenadering in het NNN, maar dan zal uit het compensatieplan eerder de samenhang van de verschillende maatregelen en de onderbouwing waarom deze activiteiten uiteindelijk een positief effect hebben op het NNN.

 

Artikel 2.8

In de compensatieovereenkomst staan de rollen en verantwoordelijkheden van de betrokken partijen, evenals een financiële onderbouwing waaruit blijkt dat de realisatie van de compensatiemaatregelen, inclusief ontwikkelingsbeheer, is geborgd. Een format voor een compensatieovereenkomst is op te vragen bij de provincie. De uiterste termijn van realisatie wordt in de overeenkomst vastgelegd, met een boetebeding dat van toepassing is bij het niet tijdig uitvoeren van de maatregelen.

 

Mocht de initiatiefnemer zijn compensatieverplichtingen niet nakomen, dan neemt de provincie de uitvoering hierna over op kosten van de initiatiefnemer. Dit kan dan dezelfde vorm van compensatie zijn of gelijkwaardige compensatie elders, afhankelijk van wat de mogelijkheden zijn. Omdat de intensieve bestuurlijke relaties tussen overheden voldoende mogelijkheden bieden om nakoming van gemaakte afspraken te toetsen, kan een boetebeding achterwege blijven als het gaat om een overeenkomst tussen provincie en een andere overheid.

 

Artikel 2.9

Bij compensatie van NNN dient de initiatiefnemer te (laten) berekenen wat het vervangend aanleggen van het vernietigde natuurtype op dezelfde locatie zou kosten, uitgaande van de volgende posten:

 

Maatregel

Toelichting

Verwerving

Gemiddelde taxatieprijs op die locatie

Basisinrichting

Afhankelijk van het natuurtype en de benodigde maatregelen, te berekenen volgens de standaardkosten die ook in het Programma Natuurontwikkeling zijn opgenomen.

Ontwikkelingsbeheer

Afhankelijk van het type dat wordt ontwikkeld. 5 jaar (bos: 10 jaar) reguliere beheerkosten voor het betreffende natuurtype, te berekenen volgens de normkosten van SNL (Subsidiestelsel Natuur en Landschapsbeheer). De subsidies die via het SNL beschikbaar zijn voor natuurbeheer zijn een percentage van de normkosten. Dit percentage wisselt jaarlijks en wordt door Gedeputeerde Staten vastgesteld.

Uitvoeringskosten

20% van het totaal (alleen bij financiële compensatie).

 

Bij compensatie van de kernkwaliteit voor weidevogels dient de initiatiefnemer te (laten) berekenen wat het vervangend aanleggen van het vernietigde gebied waarop de kernkwaliteit voor weidevogels van toepassing is op dezelfde locatie zou kosten, uitgaande van de volgende posten:

 

Maatregel

Toelichting

30 jaar beheer

De kosten voor een gemiddeld beheerregime bestaande uit een pakket weidevogelgrasland met rustperiode 1 april t/m 15 juni (zie www.bij.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-en-landschap/agrarische-natuurtypen)

Uitvoeringskosten

20% van het totaal (alleen bij financiële compensatie).

 

Afdeling 2.5 Regionale afspraken nieuwe stedelijke ontwikkelingen en kleinschalige ontwikkelingen

 

Ladder voor duurzame verstedelijking

De regeling over de regionale afspraken nieuwe stedelijke ontwikkeling is bedoeld als aanvulling op de Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder), zoals is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De provinciale aanvulling op de Ladder is gericht op het voeren van regionale afstemming over nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

De regionale afspraken betreffen nieuwe stedelijke ontwikkelingen van woningbouw, bedrijventerreinen en kantoorlocaties, detailhandel en overige stedelijke voorzieningen.

Voor het borgen van het provinciale hoofdbelang van duurzaam ruimtegebruik worden aan de regionale afspraken via nadere regels inhoudelijke en procedurele voorwaarden gesteld. Deze regels zorgen er voor dat vooraf duidelijk is waaraan de regionale afspraken moeten voldoen.

 

Doel van deze afdeling van de omgevingsregeling.

De omgevingsregeling stelt eisen aan de regionale afstemming in de vorm van regionale afspraken. Het doel van het laten maken van regionale afspraken is dat gemeenten gezamenlijk werken aan een sterke(re) regio en dat wordt voorkomen dat gemeenten individueel een koers varen die de kracht van buurgemeenten en/of de regio niet ten goede komt of aantast.

 

De essentie van de regeling

  • 1)

    De te maken regionale afspraken voor woningbouw, bedrijventerreinen en kantoren en detailhandel moeten zijn gebaseerd op de regionale visies en waarbij deze visies moeten zijn gebaseerd op het provinciaal beleid en op de door de provincie vastgestelde prognoses en behoefteramingen.

  • 2)

    De regionale afspraken moeten expliciet minimaal de instemming hebben van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten in de regio.

‘Ladderproof’

Er staan geen regels in de omgevingsverordening over het aantonen van nut en noodzaak en het benutten van binnenstedelijke mogelijkheden. De regionale afspraken moeten wel nut en noodzaak aantonen en inzicht geven in de binnenstedelijke (on)mogelijkheden voordat uitleglocaties aan de orde kunnen komen. De regionale afspraken en de daaruit voortvloeiende ruimtelijk plannen moeten namelijk voldoen aan de wet (in casu met name het Besluit ruimtelijke ordening), dat wil zeggen ‘Ladderproof’ zijn.

Evenals de Ladder gaat de provincie uit van een ‘ja, mits’ voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Verantwoordelijkheid en afwegingsruimte ligt bij de regio. De gemeenten in de regio moeten het gezamenlijk eens worden over de gemeentegrens overschrijdende nieuwe stedelijke ontwikkelingen. De verantwoordelijkheid en de afwegingsruimte liggen bij de regio. Dit is in lijn met de gedachte van de Omgevingswet, waarbij de verantwoordelijkheid zo decentraal mogelijk wordt belegd.

De regionale afspraken worden bij voorkeur op visie- en programmaniveau gemaakt, zodat wordt voorkomen dat pas in een laat planstadium, bijvoorbeeld bij het voorontwerp van een ruimtelijk plan duidelijk wordt of wordt voldaan aan de wetgeving.

 

Geen instemming door Gedeputeerde Staten

Bij het uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid en de afwegingsruimte binnen het ruimtelijk spoor bij de regio ligt, past geen expliciete goedkeuring van, of instemming met, de uitkomsten van het proces in een vorm van een afrondend besluit door Gedeputeerde Staten. De samenwerkende gemeenten zijn er zelf verantwoordelijk voor dat de regionale afspraken voldoen aan de inhoud en bedoelingen van het Bro, de omgevingsverordening en nadere regels. Gedeputeerde Staten gaan er vanuit dat gemeenten op een zorgvuldige manier de afspraken tot stand laten komen, daarbij de provinciale regels in acht nemen en rekening houden met het provinciale beleid. De betrokken gemeenten hebben hier ook belang bij, omdat afspraken die niet voldoen aan de omgevingsverordening of andere provinciale regelgeving leiden tot een afbreukrisico bij de projecten die worden gebaseerd op die afspraken. Gedeputeerde Staten willen de verantwoordelijkheid voor de afspraken ook bij de gemeenten laten en niet overnemen door het nemen van een instemmingsbesluit. Een dergelijke manier van werken past goed in het stelsel van de Omgevingswet.

Het ontbreken van een juridisch besluit door Gedeputeerde Staten over de regionale afspraken betekent uiteraard niet dat Gedeputeerde Staten niet betrokken wil zijn op bestuurlijk en ambtelijk niveau bij de totstandkoming van de regionale afspraken. Gedeputeerde Staten gaan er vanuit dat dergelijk overleg wordt gevoerd en door de betrokken medeoverheden de waarde van deze beleidsafstemming en samenwerking wordt ingezien.

 

Aandachtspunt is de kenbaarheid van gemaakte afspraken, ook voor derden. Gedeputeerde Staten gaan ervan uit dat de gemeenten gemaakte regionale afspraken beschikbaar zullen stellen op hun websites. Bij ruimtelijk plannen waarbij gebruik wordt gemaakt van de regionale afspraken, zal in de toelichting ook inzicht moeten worden geboden in de inhoud en totstandkoming van deze afspraken.

Ook de betrokkenheid van burgers (ondernemers, omwonenden, belangengroepen) en de gemeenteraden is een belangrijk aspect bij het maken van de regionale afspraken. Dit is de verantwoordelijkheid van de betrokken colleges van burgemeester en wethouders, die hier door hun gemeenteraden zo nodig op kunnen worden aangesproken. De manier waarop deze betrokkenheid wordt vormgegeven, zal per situatie kunnen verschillen. Zonder deze betrokkenheid bestaat het risico dat de afspraken onvoldoende draagvlak hebben, hetgeen bijvoorbeeld bij de besluitvorming over concrete projecten tot discussies kan leiden.

 

Handreiking

Ter bevordering van een goede toepassing van de Ladder en regionale afspraken is een Handreiking regionale afspraken beschikbaar op de provinciale website (https://www.noord-holland.nl/Onderwerpen/Bouwen_wonen/Woonbeleid)

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Regio

Bij de Ladder wordt onder de regio verstaan het ‘marktgebied’ of ‘verzorgingsgebied’ van de betreffende nieuwe stedelijke ontwikkeling. Voor het bepalen van de behoefte waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet is de marktregio van belang. De inhoudelijke onderbouwing van nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet zich dus richten op het markt- of verzorgingsgebied.

 

De marktregio kan echter per stedelijke ontwikkeling verschillen. Om te voorkomen dat voor elk individueel ruimtelijk plan dat gemeentegrensoverschrijdende effecten heeft een overleg moet worden ingesteld tussen de betrokken gemeenten kunnen gemeenten al bestaande regionale overlegverbanden hiervoor benutten.

 

Bij de regio indeling is het vooral een zoeken van een balans tussen een goede inhoudelijk gerichte indeling van marktgebieden en het zoveel mogelijk aansluiten op efficiënte (bestaande) bestuurlijke overlegverbanden.

 

Regio- en provinciegrensoverschrijdende nieuwe stedelijke ontwikkelingen

Bij nieuwe stedelijk ontwikkelingen die de grens van een regio overschrijden heeft de provincie de rol van intermediair tussen de regio’s. Dat geldt ook voor provinciegrensoverschrijdende nieuwe stedelijke ontwikkelingen.

 

Artikel 2.12 Woningbouw

Het artikel is geformuleerd als een ‘kunnen’ bepaling, om aan te geven dat het maken van de regionale afspraken een verantwoordelijkheid is van de gemeenten in de regio zelf. Het maken van regionale afspraken is geen verplichting, maar dergelijke afspraken zijn wel nodig om nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk te maken.

Regionale afspraken over woningbouw kunnen in meerdere documenten worden vastgelegd. In de praktijk ontwikkelen gemeenten in regioverband doorgaans de volgende producten die op elkaar aansluiten:

 

  • 1.

    een regionale woonvisie voor 10 jaar met een doorkijk;

  • 2.

    een regionaal woonakkoord als uitvoeringsagenda voor 5 jaar; en,

  • 3.

    een regionale woningbouwprogrammering voor 5 tot 10 jaar met een methodiek om nieuwbouw en transformatieplannen af te wegen en een projectenlijst. De woningbouwprogrammering kan al dan niet onderdeel uitmaken van het woonakkoord. De producten worden indien gewenst tussentijds bijgesteld en zijn onderwerp van monitoring.

Regionale afspraken

De regionale afspraken hebben betrekking op woonakkoorden en de regionale woningbouwprogrammering.

 

Woonakkoorden

De regio’s in Noord-Holland stellen als uitwerking van het provinciaal woonbeleid regionale woonakkoorden op. De woonakkoorden dienen in overeenstemming te zijn met de provinciale Omgevingsvisie en de uitgangspunten, speerpunten, richtinggevende principes van de provinciale Woonagenda.

 

In een woonakkoord tussen provincie en regio worden tenminste afspraken over potentiële bouwlocaties in landelijk gebied opgenomen, zodat gemeenten aan de voorkant duidelijkheid hebben of er provinciale ruimtelijke beschermingsregimes op de locatie aan de orde zijn. De betreffende locaties in landelijk gebied worden op een kaart aangegeven. Het opnemen van deze locaties in een woonakkoord gaat vooraf aan de toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking, waarbij wordt getoetst of realisatie binnen bestaand stedelijk gebied mogelijk is.

 

Programmering

De regionale woningbouwprogrammering blijft een regionaal-gemeentelijke verantwoordelijkheid en zien we als bijlage bij de te sluiten woonakkoorden. Dit deel van de ‘regionale afspraken’ wordt door de regio zelf vastgesteld en bevat afspraken over de kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwprogrammering voor de komende 5 jaar met een doorkijk naar 10 jaar. Hierbij kan tevens worden afgesproken vanaf welke omvang binnenstedelijke woningbouwontwikkelingen in de betreffende Woonakkoord-regio regionaal afgestemd worden of alleen opgenomen in de programmering, zonder deze eerst regionaal af te stemmen. De programmering moet inzicht geven in de te ontwikkelen, transformeren en herstructureren locaties in kwantiteit, kwaliteit en tijdsfasering per gemeente (oftewel een projectenlijst).

 

Prognoses

De regionale woningbouwprogrammering is gebaseerd op de regionale indicatieve woningbehoefte uit de door de provincie vastgestelde bevolkingsprognose. Er kan gemotiveerd worden afgeweken van de prognoses, als bijvoorbeeld de uitkomst van de monitoring daarvoor aanleiding geeft.

 

Overgangsbepaling woonakkoorden

Artikel 4.2 bevat een overgangsbepaling voor de periode tot 1 juli 2021.

 

Artikel 2.13 Bedrijventerreinen en kantoorlocaties

Het artikel is geformuleerd als een ‘kunnen’ bepaling, om aan te geven dat het maken van de regionale afspraken een verantwoordelijkheid is van de gemeenten in de regio zelf. Het maken van regionale afspraken is geen verplichting, maar dergelijke afspraken zijn wel nodig om nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk te maken. De markt van bedrijventerreinen en kantoorlocaties is een regionale markt. Daarom staat regionale samenwerking en afstemming centraal in het provinciaal bedrijventerreinen- en kantorenbeleid.

 

Hoewel in artikel 2.13 onderscheid wordt gemaakt in enerzijds regionale afspraken over ontwikkeling, transformatie en herstructurering en anderzijds het opstellen van een regionale visie, kunnen beide onderdelen samengevoegd zijn in één document.

Basis voor zowel de visie als de afspraken is de door provincie in samenwerking met gemeenten en bedrijfsleven opgestelde behoefteraming. Daarin worden vraag en aanbod aan bedrijventerreinen en kantoorlocaties in kaart gebracht. Daarbij gaat het niet alleen om omvang in hectaren, dan wel vloeroppervlakte, maar ook om kwalitatief te onderscheiden locaties die invulling geven aan de vraag van bepaalde marktsegmenten.

Transformatie biedt mogelijkheden om overaanbod aan bedrijventerreinen en kantorenlocaties te verminderen. Echter, voorkomen moet worden dat daardoor bedrijven in problemen komen doordat zij gedwongen worden zich te verplaatsen terwijl er voor deze bedrijven onvoldoende alternatieve vestigingsmogelijkheden zijn, dan wel dat er onvoldoende uitbreidingsmogelijkheden zijn. Regionale afstemming over transformatieplannen is dan ook essentieel.

 

De herstructurering van verouderde bedrijventerreinen en kantorenlocaties is een middel om efficiënter gebruik van bestaande terreinen te maken en de toekomstvastheid en kwaliteit van bedrijventerreinen te behouden. Daarom is het ook onderdeel van een regionaal bedrijventerreinen- en kantorenbeleid.

 

Artikel 2.14 Detailhandel

Het artikel is geformuleerd als een ‘kunnen’ bepaling, om aan te geven dat het maken van de regionale afspraken een verantwoordelijkheid is van de gemeenten in de regio zelf. Het maken van regionale afspraken is geen verplichting, maar dergelijke afspraken zijn wel nodig om nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk te maken.

 

Bij detailhandel zijn de regionale afspraken gebaseerd op regionale detailhandelsvisies.

Ruimtelijk plannen die voorzien in detailhandel met een regionale impact (> 1500 m2), evenals de regionale detailhandelsvisies, worden voorgelegd aan de regionale adviescommissie detailhandel (RAC). Er zijn twee RAC’s ingesteld, het RAC Noord-Holland Noord en de Adviescommissie Detailhandel Zuid (ADZ).

In de ruimtelijk plannen moet worden toegelicht of advies van een RAC is ingewonnen en hoe dit advies luidde. De RAC brengt gevraagd en ongevraagd advies uit aan gedeputeerde staten.

 

De detailhandelsstructuur is één geheel en uitbreidingen kunnen niet los van elkaar worden gezien. Alle plannen groter dan 1.500 m2 moeten worden afgestemd (lid 1b I) met uitzondering van plannen voor ontwikkelingen in winkelgebieden die reeds groter zijn dan 25.000 m2 wvo (lid 1b II). Voor deze grote winkelcentra moeten detailhandelsplannen groter dan 3.000 m2 voor advisering aan de regionale adviescommissies worden voorgelegd.

Deze grote winkelcentra zijn alle hoofdwinkelcentra, te weten de binnenstadcentra van Alkmaar, Amstelveen, Amsterdam, Beverwijk, Bussum, Den Helder, Haarlem, Heerhugowaard, Hilversum, Hoofddorp, Hoorn, Purmerend, Schagen en Zaandam en de grote ondersteunende centra welke ook groter zijn dan 25.000 m2 wvo, te weten Amsterdam Buikslotermeerplein en Amsterdam Amsterdamse Poort.

De genoemde grootte van winkelplannen (1.500 m2 en 3.000 m2) geldt voor de totale ontwikkeling in een winkelgebied (en dus niet per winkel) en voor een tijdsperiode van twee jaar. Deze periode is gekozen om te voorkomen dat grote plannen in kleinere delen worden opgeknipt om verplichte advisering te omzeilen.

 

Artikel 2.15 Overige stedelijke voorzieningen

In het bestuurlijk overleg Noord-Holland Noord hebben gedeputeerde staten op 31 augustus 2016 toegezegd dat de regio’s zelf in de gelegenheid worden gesteld om werkafspraken te maken over de wijze van regionale afstemming bij ‘overige stedelijke voorzieningen’, zoals bijvoorbeeld een crematorium, bioscoop of theater. Het gaat hierbij dus om stedelijke voorzieningen, niet zijnde woningbouw, bedrijventerreinen, kantoorlocaties of detailhandel.

Het artikel is geformuleerd als een ‘kunnen’ bepaling, om aan te geven dat het maken van de regionale afspraken een verantwoordelijkheid is van de gemeenten in de regio zelf. Het maken van regionale afspraken is geen verplichting, maar dergelijke afspraken zijn wel nodig om nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk te maken.

 

Afdeling 2.6 Windenergie

 

Algemeen

Met de vaststelling van de omgevingsverordening NH2020 hebben gedeputeerde staten krachtens artikel 6.27 respectievelijk 4.100 de mogelijkheid gekregen om nadere regels te stellen ten aanzien van:

 

  • -

    Het toetsingskader voor een omgevingsvergunning voor het bouwen of opschalen van windturbines in de herstructureringsgebieden binnen de MRA. Dit toetsingskader heeft onder andere betrekking op de ruimtelijke kwaliteitseis zoals bedoeld in sub g.

  • -

    de aanwijzing van windenergiegebieden in de MRA waarmee kan worden afgeweken van het verbod op het bouwen van windturbines

  • -

    Windturbines met een ashoogte van maximaal 15 meter

  • -

    Vervanging van windturbines

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 2.16 Toepassingsbereik

In dit artikel wordt aangegeven op grond van welk artikel in de Omgevingsverordening NH2020 deze nadere regels zijn opgesteld.

 

Artikel 2.17 windturbines binnen herstructureringsgebieden MRA

Bij de ruimtelijke inpassing van windturbines als bedoeld in artikel 6.27, tweede lid, onder h, van de verordening kan het bevoegd gezag het Noord-Hollands perspectief op de Regionale Energiestrategieën (PS, februari 2020) betrekken. Het Noord-Hollands perspectief brengt het provinciale vertrekpunt in de RES in beeld. In dit document worden de provinciale uitgangspunten voor de RES beschreven die volgen uit vastgestelde of lopende beleidstrajecten. De uitgangspunten uit het Noord-Hollandse perspectief op de RES zijn uitgewerkt in leidende principes en ontwerpprincipes voor de opwekking van onder andere windenergie. De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie wordt eveneens betrokken bij de ruimtelijke inpassing van windturbines wanneer deze ontwikkeling plaats vindt in het landelijk gebied. De ruimtelijke kwaliteitseisen ingeval van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied staan uiteengezet in artikel 6.59 van de verordening.

 

Artikel 2.18 windenergiegebieden binnen de MRA

In dit artikel wordt nader ingegaan op de aanwijzing van een windenergiegebied als bedoeld in artikel 6.27 lid 4 van de verordening.

In het eerste lid wordt beschreven welke gegevens Gedeputeerde Staten nodig hebben voor het maken van een afweging ten aanzien van het aanwijzen van een windenergiegebied binnen de MRA. Voor een goede beoordeling van een verzoek is het van belang dat met behulp van kaartmateriaal wordt aangegeven waar het voorgenomen windenergiegebied is gesitueerd (lid 1 sub a).

Bij een verzoek tot aanwijzing worden, zoals beschreven in het eerste lid onder sub b, bovendien alle relevante belangen in kaart gebracht. Het gaat hierbij om het belang van onder andere duurzame energie, woongenot van omwonenden, natuur, ruimtelijke kwaliteit de energie infrastructuur en het belang van de luchtvaart. Het inzichtelijk maken van deze belangen wordt waar mogelijk gestaafd aan uitgangspunten zoals opgenomen in (lokaal) beleid. Binnen de MRA ontstaan bij het wegvallen van het verbod op windturbines extra mogelijkheden buiten herstructureringsgebied alsook bij het wegvallen van de herstructureringscriteria binnen herstructureringsgebied. Een aanvullend milieueffectonderzoek in de vorm van een addendum bij het planMER Structuurvisie Wind op land geeft de milieugevolgen aan zodat op basis daarvan een onderbouwde keuze voor een windenergiegebied mogelijk is.

 

Een participatiedocument behoort ook tot de gegevens die nodig zijn voor het in behandeling nemen van een verzoek tot aanwijzing van een windenergiegebied (lid 1 sub c). Wij vinden participatie en acceptatie van groot belang voor de ruimtelijke inpassing en exploitatie van hernieuwbare energieopwekking.

 

Om die reden vragen Gedeputeerde Staten de gemeente om een participatiedocument waarin wordt beschreven of en hoe inwoners en stakeholders zijn betrokken bij de totstandkoming van het verzoek.

 

De uitgangspunten van het participatiedocument sluiten zoveel mogelijk aan op de huidige standaarden voor participatie. Hiervoor kan bijvoorbeeld gebruik gemaakt worden van het document Kader voor het vormgeven van participatie bij duurzame energieprojecten (2019) wat is opgesteld in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Op projectniveau kan financiële participatie wenselijk zijn voor het bevorderen van draagvlak: dit biedt burgers de mogelijkheid om ook financieel deel te nemen aan het project, of op een andere manier profijt te hebben van een tegemoetkoming. Voor bovenwettelijke financiële participatieopties kan de participatiewaaier worden geraadpleegd die in het kader van het klimaatakkoord is opgesteld (document). Momenteel worden ook de Regionale Energiestrategieën opgesteld waarin duidelijk wordt op welke plekken er draagvlak bestaat voor grootschalige energieopwekking. Echter, op dit moment is dit nog onvoldoende concreet voor een verzoek tot aanwijzing van een windenergiegebied.

 

In lid 2 staat nog een extra motiveringseis als het aan te wijzen windenergiegebied binnen een herstructureringsgebied ligt. In dat geval wordt gevraagd ook aan te geven waarom en van welke criteria als bedoeld in artikel 6.27, tweede lid, de wens bestaat om af te wijken.

 

Lid 3 bepaalt dat het verzoek tot aanwijzing van een windenergiegebied ter advisering wordt voorgelegd aan de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling (ARO).

 

In lid 4 wordt beschreven dat Het Noord-Hollands perspectief op de Regionale Energiestrategie (februari 2020) kan worden betrokken bij de aanwijzing van een windenergiegebied. Het Noord-Hollands perspectief brengt het provinciale vertrekpunt in de RES in beeld. In dit document worden de provinciale uitgangspunten voor de RES beschreven die volgen uit vastgestelde of lopende beleidstrajecten. De uitgangspunten uit het Noord-Hollandse perspectief op de RES zijn uitgewerkt in leidende principes en ontwerpprincipes voor de opwekking van onder andere windenergie.

 

Op grond van het vijfde lid kunnen Gedeputeerde staten voorschriften verbinden aan een aanwijzingsbesluit.

 

Lid 6 bepaalt dat de aanwijzing voor een windenergiegebied vervalt als niet binnen twee jaar na de aanwijzing een ruimtelijk plan is vastgesteld ten behoeve van de plaatsing van de windturbines binnen het aangewezen gebied.

 

Artikel 2.20 Vervanging windturbine

Dit artikel geeft aan wat onder vervanging van een windturbine als bedoeld in het eerste lid van artikel 4.100 van de verordening wordt verstaan. Van vervanging is nog sprake als binnen één jaar na de dag waarop de te vervangen windturbine is gesloopt een omgevingsvergunningsaanvraag voor een vervangende windturbine bij het bevoegd gezag is ingediend.

 

Afdeling 2.7 Zonne-energie

 

Algemeen

De Provincie Noord-Holland heeft opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied onder voorwaarden ruimtelijk mogelijk gemaakt in artikel 6.30 van de omgevingsverordening. Dit artikel bevat in het zesde lid een delegatiebepaling aan Gedeputeerde Staten om nadere regels te stellen over in ieder geval de locatie, omvang en inpassing van opstellingen voor zonne-energie. Gedeputeerde Staten hebben hieraan uitvoering gegeven met afdeling 2.7 van de omgevingsregeling. Beide regelingen tezamen vormen de ruimtelijke spelregels voor zonne-opstellingen in Noord-Holland.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 2.21

In dit artikel wordt het toepassingsbereik van afdeling 2.7 geregeld. Deze is alleen van toepassing op opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied als bedoeld in het eerste lid van artikel 6.30 eerste lid, van de omgevingsverordening. De regeling is niet van toepassing op opstellingen voor zonne-energie in het kader van meervoudig ruimtegebruik als bedoeld in artikel 6.30 derde lid, van de omgevingsverordening, te weten opstellingen voor zonne-energie op gronden met een bestemming voor nutsvoorzieningen, niet zijnde leidingtracés voor gas, water of elektriciteit, of voor infrastructuur voor weg, spoor, water en vliegverkeer.

 

Artikel 2.22

In dit artikel worden regels gesteld over de locatie en omvang van een opstelling voor zonne-energie. Doel is de karakteristieke openheid van het landschap te behouden, zoveel mogelijk aan te sluiten op de bestaande netinfrastructuur en de economische (agrarische) structuur van het landelijk gebied zo min mogelijk aan te tasten.

 

Een opstelling voor zonne-energie in het landelijk gebied is alleen toegestaan indien deze aan minimaal één zijde aansluit op bestaand stedelijk gebied of een dorpslint (lid 1). Onder bestaand stedelijk gebied wordt verstaan het bestaand stedelijk gebied als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onder h, van het Besluit ruimtelijke ordening.

 

Het tweede en derde lid bepalen de maximaal toegestane omvang van de opstelling.

Enerzijds wordt die bepaald door het aantal zijden van de opstelling dat aansluitend is op bestaand stedelijk gebied of bovenlokale infrastructuur (een rijksweg, provinciale weg of spoorweg). Daarbij geldt dat hoe meer een locatie aansluit op bestaand stedelijk gebied of de hiervoor genoemde infrastructuur, hoe groter de omvang van de opstelling mag zijn (lid 2).

 

Van de in het tweede lid genoemde maximaal toegestane omvang kan met maximaal 10% worden afgeweken. Hierbij gaat het om afwijkingen die nodig zijn uit overwegingen van ruimtelijke kwaliteit, zoals bijvoorbeeld veroorzaakt door afwijkende verkavelingspatronen of om te komen tot een betere aansluiting op de omgeving. De afwijkingsmogelijkheid dient dan om een betere landschappelijke inpassing te realiseren.

Anderzijds wordt in het derde lid de maximale omvang bepaald door de eisen van ruimtelijke kwaliteit als bedoeld in artikel 6.59 van de omgevingsverordening. Deze eisen kunnen de op grond van het tweede lid maximaal toegestane omvang beperken. Met andere woorden, het is mogelijk dat de opstelling vanwege de ruimtelijke kwaliteit minder hectare mag omvatten dan op grond van de aansluiting op bestaand stedelijk gebied en infrastructuur geldt. Ruimtelijke kwaliteitseisen kunnen er dus toe leiden dat de omvang van een opstelling voor zonne-energie met maximaal 10 % wordt verruimd dan wel dat de omvang wordt beperkt voor zover dat nodig is op grond van het bepaalde in artikel 6.59 van de omgevingsverordening.

 

Het vierde lid voorkomt dat na realisatie van een opstelling voor zonne-energie met de maximale oppervlakte als bedoeld in het tweede en derde lid, een nieuwe opstelling met de daarbij behorende maximale oppervlakte mogelijk kan worden gemaakt en op die manier de wenselijke maximale oppervlakte op een locatie wordt overschreden. Aansluiting op een reeds bestaande opstelling is wel toegestaan als met de bestaande opstelling de maximale oppervlakte nog niet is bereikt en deze wordt aangevuld tot de maximale oppervlakte als bedoeld in het tweede en derde lid. Een gefaseerde realisatie van een opstelling voor zonne-energie tot de maximaal toegestane oppervlakte is dus mogelijk.

 

Artikel 2.23

In dit artikel worden eisen gesteld aan de inrichting van een opstelling voor zonne-energie. Het artikel heeft als doel de bestaande ruimtelijke en ecologische kwaliteiten van het landelijk gebied op de locatie te behouden en zo mogelijk te versterken. De eisen vormen een aanvulling op het gestelde in artikel 6.59 van de omgevingsverordening en de Leidraad voor Landschap en Cultuurhistorie, specifiek voor opstellingen voor zonne-energie.

 

De hoogte-eis in het eerste lid is gesteld om te borgen dat een opstelling voor zonne-energie de openheid van het landschap ter plaatse niet onevenredig aantast. De technische inrichting van de locatie dient er in te voorzien dat de maximale hoogte van de opstellingen beperkt blijft tot maximaal 1 meter 50 gemeten vanaf het straatpeil van de omliggende openbare wegen. Het tweede lid regelt voor twee bijzondere situaties een afwijkmogelijkheid van deze hoogte-eis. Er kan worden afgeweken van de maximale hoogte als geregeld in het eerste lid, indien (a) een hogere hoogte ten goede komt aan de ruimtelijke kwaliteit of (b) een hogere hoogte een substantiële meerwaarde voor de fysieke leefomgeving oplevert. Bij de eerste afwijkmogelijkheid moet bijvoorbeeld worden gedacht aan ontwerpen waarbij hoogteverschillen bewust worden ingezet ten behoeve van de beleving. Bij de tweede afwijkmogelijkheid kan worden gedacht aan het koppelen van een opstelling voor zonne-energie aan andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals op het gebied van landbouw (bijvoorbeeld het combineren van zonnepanelen met akkerbouw), biodiversiteit (bijvoorbeeld het combineren van zonnepanelen met natuurontwikkeling) of klimaatadaptatie (bijvoorbeeld het combineren van zonnepanelen met waterberging). Er dient in een omgevingsvergunning nadrukkelijk onderbouwd te worden waarom de hoogte-afwijking noodzakelijk is voor de beoogde functie en waarom deze een substantiële meerwaarde oplevert voor de fysieke leefomgeving. De inzet van grazers ten behoeve van het beheer van de opstelling bijvoorbeeld, vormt op zichzelf genomen onvoldoende `substantiële meerwaarde voor de fysieke leefomgeving’.

 

In het derde lid zijn eisen opgenomen ten aanzien van het behoud van de bestaande bodemstructuur. Het is uit oogpunt van de bodemkwaliteit en waterhuishouding onwenselijk dat de ondergrond waarop de opstellingen worden gerealiseerd op enigerlei wijze wordt verhard of verdicht ten behoeve van bouw, ontsluiting, onderhoud of fundering daarvan. Voorts wordt de bodem zoveel mogelijk ecologisch ingericht en beheerd teneinde de bodemkwaliteit en biodiversiteit te bevorderen. Dat wil zeggen het waar mogelijk bedekken van de bodem met extensieve vegetatie zoals kruidenrijk grasland of braakvegetatie (afhankelijk van de lokale bodemomstandigheden en doelsoorten) in combinatie met een extensief beheer.

 

In het vierde lid zijn eisen opgenomen ten aanzien van de inrichting en het beheer van de terreinafscherming en rand van de opstelling van zonne-energie. Om de schade voor landschap en natuur tot een minimum te beperken en zo mogelijk positieve effecten te sorteren wordt als eis gesteld dat de terreinafscherming en rand van de zonne-energieopstelling zoveel mogelijk ecologisch worden ingericht en beheerd. Daarbij gaat het om het realiseren van een ecologische rand, aangepast op de lokale doelsoorten en ruimtelijke situatie (bijvoorbeeld met kruidenrijk grasland, braakvegetatie, struweel, hagen of sloten) en een passeerbaarheid van het hekwerk voor kleine zoogdieren, reptielen en amfibieën, maar ondoordringbaarheid voor grote predatoren.

 

Het vijfde lid ten slotte bepaalt dat er een afstand van minimaal 50 meter moet zijn tussen woonbebouwing en de rand van de opstelling voor zonne-energie, in het geval een locatie aan één of meer zijden aansluitend is op woonbebouwing. Deze eis dient om een acceptabele zichtafstand te garanderen ten behoeve van het woongenot.

 

Artikel 2.24

Artikel 6.30 van de omgevingsverordening is onverkort van toepassing. Dit betekent dat ook in een stimuleringsgebied zonne-opstellingen alleen via een omgevingsvergunning voor een periode van maximaal 25 jaar kunnen worden vergund.

 

Zoals in de beleidsnota `Perspectief voor Zon in Noord-Holland’ is aangekondigd, kunnen er op bepaalde locaties redenen zijn om van de locatie- en omvangregels uit artikel 2.22 af te wijken. Deze locaties worden stimuleringsgebieden zonne-energie genoemd. Het eerste lid beschrijft dat Gedeputeerde Staten de bevoegdheid hebben om deze gebieden aan te wijzen. De regels ten aanzien van de inpassing van de opstelling voor zonne-energie (artikel 2.23 van de omgevingsregeling) blijven van toepassing. Aangezien het gestelde in de Omgevingsverordening NH2020 zich richt op gemeentelijke bestemmings- of omgevingsplannen is het ook voor de aanwijzing van stimuleringsgebieden zonne-energie in beginsel aan een gemeente (college van burgemeester en wethouders) om een aanvraag in te dienen bij Gedeputeerde Staten voor de aanwijzing van een stimuleringsgebied. Gedeputeerde Staten leggen de locatie en de omvang van stimuleringsgebieden zonne-energie vast door geografische ligging van de locatie op te nemen in bijlage 1 bij deze omgevingsregeling. Dit gebeurt niet eerder dan nadat Provinciale Staten over dit voornemen zijn gehoord middels het horen van de desbetreffende Commissie .

 

Het definiëren van stimuleringsgebieden is een vorm van maatwerk en gebeurt in overleg met de betrokken gemeente. In het derde lid wordt beschreven welke gegevens Gedeputeerde Staten vragen voor het maken van een afweging ten aanzien van het aanwijzen van een stimuleringsgebied. Voor een goede beoordeling van een aanvraag is het ten eerste van belang dat met behulp van kaartmateriaal wordt aangegeven welk gebied aangewezen moet worden als stimuleringsgebied. Het is daarnaast van belang dat gemotiveerd wordt waarom wordt afgeweken van de locatie- en omvangregels zoals gesteld in artikel 2.22 uit de omgevingsregeling. In deze maatwerk-afweging moeten alle relevante gebiedsspecifieke ruimtelijke- en energiebelangen meegewogen worden. Voor gebiedsspecifieke ruimtelijke belangen speelt ruimtelijke kwaliteit een bepalende rol. Het gaat dan om de vraag of afwijkende opstellingen voor zonne-energie passend zijn bij het karakter van de betreffende locatie, gelet op de ambities en ontwikkelprincipes uit de Leidraad voor Landschap en Cultuurhistorie. Bij energiebelangen wordt bedoeld de bijdrage aan de energietransitie, maar ook het energetisch rendement, innovativiteit en de (on)mogelijkheden t.a.v. het elektriciteitsnetwerk. Hierbij kan ook het traject van de Regionale Energiestrategieën (RES) worden betrokken. Naast de ruimtelijke- en energiebelangen kan een onderbouwing voor het aanwijzen van een stimuleringsgebied ook bestaan uit een toelichting op de wijze waarop de opstelling voor zonne-energie bij kan dragen aan opgaven in de fysieke leefomgeving. Bijvoorbeeld op het gebied van landbouw, biodiversiteit of klimaatadaptatie.

 

Een participatiedocument behoort ook tot de gegevens die nodig zijn voor het in behandeling nemen van een verzoek tot aanwijzing van een stimuleringsgebied zonne-energie (lid 3 sub d). Wij vinden participatie en acceptatie van groot belang voor de ruimtelijke inpassing en exploitatie van hernieuwbare energieopwekking.

 

Om die reden vragen wij de gemeente om een participatiedocument waarin wordt beschreven of en hoe inwoners en stakeholders zijn betrokken bij het verzoek.

De uitgangspunten van het participatiedocument sluiten zoveel mogelijk aan op de huidige standaarden voor participatie. Hiervoor kan bijvoorbeeld gebruik gemaakt worden van het document Kader voor het vormgeven van participatie bij duurzame energieprojecten (2019) wat is opgesteld in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Op projectniveau kan financiële participatie wenselijk zijn voor het bevorderen van draagvlak: dit biedt burgers de mogelijkheid om ook financieel deel te nemen aan het project, of op een andere manier profijt te hebben van een tegemoetkoming. Voor bovenwettelijke financiële participatieopties kan de participatiewaaier worden geraadpleegd die in het kader van het klimaatakkoord is opgesteld (document). Momenteel worden ook de Regionale Energiestrategieën opgesteld waarin duidelijk wordt op welke plekken er draagvlak bestaat voor grootschalige energieopwekking. Echter, op dit moment is dit nog onvoldoende concreet voor een verzoek tot aanwijzing van een stimuleringsgebied.

Het vierde lid voorziet in de mogelijkheid om het verzoek tot aanwijzing van een stimuleringsgebied voor te leggen aan de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling. De borging van landschapskwaliteit op (boven)regionaal niveau is een belangrijke kerntaak van de provincie. Het gaat wat betreft de provincie dus niet alleen om de ruimtelijke kwaliteit van de afzonderlijke plannen zelf, maar vooral over hoe deze bijdragen aan de kwaliteit van het landschap. De provincie zet meerdere instrumenten voor ruimtelijke kwaliteit in. De onafhankelijke Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling (ARO) is er daar één van. Het kwaliteitsadvies van de ARO heeft de focus op concrete provinciale plannen buiten BSG; daarnaast kan de ARO ook voorzien in advies over gemeentelijke plannen buiten BSG. In beide gevallen heeft het advies niet alleen betrekking op de ruimtelijke kwaliteit of inpassing van de plannen zelf, maar vooral ook de bijdrage hiervan aan de kwaliteit van het landschap is van belang.

 

In het vijfde lid worden verschillende documenten beschreven die betrokken kunnen worden bij de beoordeling van het verzoek tot aanwijzing van een stimuleringsgebied zonne-energie. Deze lijst is niet uitputtend; ook andere informatie dan de hier genoemde documenten kan indien van belang bij de afweging worden betrokken. Het Noord-Hollands perspectief op de Regionale Energiestrategie (februari 2020) brengt het provinciale vertrekpunt in de RES in beeld. In dit document worden de provinciale uitgangspunten voor de RES beschreven die volgen uit vastgestelde of lopende beleidstrajecten. De uitgangspunten uit het Noord-Hollandse perspectief op de RES zijn uitgewerkt in leidende principes en ontwerpprincipes voor de opwekking van onder andere zonne-energie. De Leidraad Landschap & Cultuurhistorie is geborgd in artikel 6.59 van de Omgevingsverordening NH2020 en biedt handvatten voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing. In de brochure Kwaliteitsimpuls Zonneparken worden deze handvatten uitgewerkt en geïllustreerd aan de hand van voorbeelden. Daarnaast zullen Gedeputeerde Staten in de integrale afweging de regels die gelden op grond van de Omgevingsverordening NH2020, zoals de regels voor het Bijzonder Provinciaal Landschap, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en het Natuurnetwerk Nederland in acht nemen. Ook andere ruimtelijke relevante belangen zoals de circulaire economie, industrie of landbouw kunnen worden betrokken in de beoordeling. Tot slot kan ook het advies van de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling (ARO) betrokken worden bij de beoordeling.

 

Stimuleringsgebied zonne-energie Groene Hoek

Op 5 april 2017 heeft het college van de gemeente Haarlemmermeer per brief een verzoek tot stimuleringsgebied aangedragen voor de locatie “Groene Hoek”. Het plan voor een zonnepark op de locatie Groene Hoek, Hoofddorp stamt al uit 2015. In maart 2016 heeft de gemeente omgevingsvergunning verleend voor een ontwikkeling van een zonnepark van 26,5 hectare in dit gebied. Op dat moment was er nog geen formeel provinciaal afwegingskader. Later is de wens ontstaan voor een uitbreiding tot 50 hectare. Groene Hoek ligt in het dynamische deel van de Haarlemmermeer, tussen Schiphol, Rijksweg A4 en Hoofddorp. Vanuit de gemeente Haarlemmermeer is er brede steun voor deze locatie. Onder andere vanwege haar geïsoleerde ligging ten opzichte van ander landelijk gebied; in dezen het gemeentelijk aangewezen agrarisch kerngebied van de Haarlemmermeer. Bovendien past dit initiatief binnen de lokale en regionale ambities voor duurzame energie. De wijze waarop het plan zal worden gerealiseerd voldoet verder - op de hoogte van de opstelling na - aan de randvoorwaarden die de provincie aan zonneparken stelt. Bovendien is het plan onderbouwd met een uitgebreid landschapsplan waarin een goede ruimtelijke inpassing in de omgeving is voorzien. De hoogte van 2 meter is strikt genomen strijdig met het beleid voor zon, maar de initiatiefnemer geeft in het landschapsplan overtuigend aan dat door de specifieke verlaagde ligging van het perceel ten opzichte van de omliggende wegen en bebouwing het met de hoogtebeperking bedoelde effect wél wordt gerealiseerd. Doordat het veld zo’n 40 cm onder straatniveau van de Rijnlanderweg ligt, blijft vanuit de woningen het zicht over het veld op ooghoogte behouden.

 

Afdeling 2.8 Voorschriften toetsen op veiligheid en leidraden voor het ontwerpen en verbeteren van regionale waterkeringen

Ter uitvoering van artikel 5.3 van de omgevingsverordening dient door Gedeputeerde Staten nadere besluiten te worden genomen. Dat betreft besluiten tot a) het vaststellen van voorschriften voor de door het dagelijks bestuur te verrichten beoordeling van de veiligheid van regionale waterkeringen, b) het vaststellen van leidraden voor het ontwerp van regionale waterkeringen.

 

In de verordening zijn veiligheidsnormen vastgelegd voor de regionale keringen. Deze veiligheidsnormen dienen voor de dagelijkse praktijk geoperationaliseerd te worden. Dit geschiedt enerzijds in de vorm van een voorschrift voor de toetsing en anderzijds in de vorm van een technische leidraad voor het ontwerp en verbeteren van een regionale waterkering. Omdat het hierbij om een uitwerking van de veiligheidsnorm gaat, is de bevoegdheid tot vaststelling in handen van Gedeputeerde Staten gelegd.

 

In het kader van het Ontwikkelingsprogramma Regionale WaterKeringen (ORK) is onder leiding van de Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA) door de waterschappen en provincies gewerkt aan richtlijnen, handreikingen en leidraden voor het normeren, toetsen, ontwerpen & verbeteren en beheren & onderhouden en het inspecteren van de regionale keringen. Deze producten zijn als publicatie beschikbaar via de website van STOWA, www.stowa.nl

 

In 2008 is de eerste globale toetsronde afgerond door de waterschappen die vielen onder de oude “Verordening Waterkering West-Nederland”. Op basis van de ervaringen die zijn opgedaan bij deze werkzaamheden is in opdracht van de provincies Utrecht, Zuid-Holland en Noord-Holland een addendum op de bestaande “Leidraad Toetsen op waterveiligheid regionale keringen – katern boezemkaden” ontwikkeld en heeft er een verbetering plaatsgevonden van het rekenprogramma Promotor.

 

Het is van belang dat de toetsing van de actuele veiligheidssituatie door de beheerders op uniforme wijze tot stand komt. De gestelde regels hebben daarom het karakter van een bindend voorschrift. Afwijking hiervan is niet mogelijk. Dit betreft de in artikel 2.26 van de omgevingsregeling genoemde documenten en bijbehorende programmatuur.

 

Wat betreft het ontwerpen en verbeteren van de regionale keringen hebben de in artikel 2.27 genoemde documenten het karakter van een richtlijn. De nieuwe handreikingen geven een beeld van de mogelijkheden voor het ontwerpen en verbeteren van regionale keringen. Dat betreft de in artikel 2.27 genoemde handreikingen. Dat betekent dat de beheerder een bepaalde ruimte wordt gelaten om in verband met specifieke plaatselijke omstandigheden af te wijken. Een afwijking kan bijvoorbeeld wenselijk zijn om voor de langere termijn een optimum te realiseren tussen aanleg- en onderhoudskosten.

 

Afdeling 2.10 Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling

De Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling (hierna: ARO) is een onafhankelijk expertteam dat adviseert inzake de ruimtelijke kwaliteit van nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied, inclusief de locatieafweging en de ruimtelijke inpassing. De ARO is ingesteld door Gedeputeerde Staten. Colleges van burgemeester en wethouders, dagelijks besturen van waterschappen en Gedeputeerde Staten kunnen de ARO in een vroegtijdig stadium van planontwikkeling (initiatieffase, planontwikkelingsfase) om advies vragen.

 

De ARO bestaat uit een extern, onafhankelijk voorzitter en externe, onafhankelijke leden. De leden van de ARO zijn deskundigen op het gebied van ruimtelijke kwaliteit in de breedste zin van het woord. In ieder geval zijn deskundigen met kennis op een of meerdere van de volgende vakgebieden vertegenwoordigd: landschap, stedenbouw, cultuurhistorie, duurzaamheid, water, natuur/biodiversiteit, (plan)economie en landbouw.

 

Een advies van de ARO komt tot stand in een openbare bijeenkomst, waarbij de leden onderling en met een vertegenwoordiging van de aanvrager in gesprek gaan. De manier waarop, de locatie waar en de samenstelling waarin de ARO adviseert is flexibel en wordt afgestemd op de aard en complexiteit van de adviesvraag. Voorbeelden zijn een (plenaire) vergadering in Haarlem, een digitale bijeenkomst, een overleg in kleiner gezelschap bij een gemeente of een gesprek in combinatie met een locatiebezoek.

 

Met de ARO wil de provincie door het aanbieden van onafhankelijk en deskundig advies een extra impuls leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van ruimtelijke ontwikkelingen. Het gaat er hierbij vooral om hoe deze ontwikkelingen kunnen bijdragen aan de kwaliteit van het landschap. De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie vormt hierbij een belangrijke richtlijn en inspiratiebron. De ervaring leert dat het effect van een advies groter kan zijn, als advisering in een vroegtijdig stadium van de planvorming plaatsvindt. Het advies van de ARO is gericht aan de aanvrager, een college van B&W, het dagelijks bestuur van een waterschap of Gedeputeerde Staten. Een ARO advies is onafhankelijk. Het is geen weergave van het standpunt van GS of PS en staat los van de formele bevoegdheden van de provincie.