Provinciaal blad van Zeeland

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
ZeelandProvinciaal blad 2020, 6129Beleidsregels



Besluit van gedeputeerde staten van de provincie Zeeland tot vaststelling van beleidsregels voor de uitvoering van Vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) Wabo-BRIKS bij Bouwen, Reclame, Inritten, Kappen en Slopen

Gedeputeerde staten van de Provincie Zeeland;

 

gelezen het voorstel van 25 augustus 2020, kenmerk 20023511;

 

overwegende dat,

  • De omgevingsdiensten DCMR en RUD Zeeland vanaf 1 januari 2021 de BRIKS-taken voor provinciale bedrijven gaan uitvoeren. Om tot een kwalitatief goede en eenduidige werkwijze voor vergunningverlening, toezicht en handhaving te komen zijn de kaders en afspraken hiervoor vastgelegd in het Uitvoeringskader VTH Wabo-BRIKS;

  • Het uitgangspunt het wettelijk kader is aan de hand waarvan praktische uitvoeringsafspraken zijn gemaakt.

besluiten vast te stellen het navolgende ‘Uitvoeringskader VTH Wabo-BRIKS; Vergunningverlening, toezicht en handhaving bij Bouwen, Reclame, Inritten, Kappen en Slopen’;

 

 

1. Inleiding

1.1 Algemeen

In Zeeland zijn twee omgevingsdiensten actief. Zij zijn onder andere verantwoordelijk voor de behandeling van aanvragen voor omgevingsvergunningen op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de behandeling van meldingen op grond van het Bouwbesluit 2012 in opdracht van de Provincie Zeeland. Het uitvoeringskader Wabo-BRIKS 1 is bedoeld als nadere uitwerking van het Programma VTH+S (2018). Voor het in ontvangst nemen van vergunnings- aanvragen en meldingen en voor het uitoefenen van toezicht en handhaving op BRIKS-gebied.

Dit uitvoeringskader is alleen van toepassing op bedrijven waarvoor Gedeputeerde Staten bevoegd gezag zijn, de zogenaamde provinciale bedrijven 2. In alle overige gevallen zijn gemeenten (Burgemeester en Wethouders) of het Rijk bevoegd voor de verlening en handhaving van omgevingsvergunningen en hebben Gedeputeerde Staten slechts een signalerende taak in het kader van de 'oog en oor functie'.

 

1.2 Doel

Het doel van dit uitvoeringskader is het bevorderen van een zoveel mogelijk eenduidige en kwalitatief goede uitvoering van de Wabo-BRIKS taken door de omgevingsdiensten. De bij deze taken horende werkzaamheden zijn, met de bijbehorende vergoedingen, beschreven in de Wabo-BRIKS Productencatalogus 2021 van de Provincie Zeeland.

 

1.3 Toetsingskader

Het uitvoeringskader Wabo-BRIKS onderscheidt binnen de BRIKS-activiteiten vier belangrijke fasen, te weten:

  • 1.

    De toetsing van aanvragen voor vergunningen en van meldingen. Dit wordt beschreven in hoofdstuk 2. Nieuwe aanvragen van provinciale bedrijven voor een omgevingsvergunning of een verzoek voor het in behandeling nemen van een melding, waar BRIKS-activiteiten onderdeel van uitmaken, worden getoetst aan de respectievelijke toetsingskaders c.q. weigeringsgronden. De toetsingskaders voor Wabo-BRIKS-activiteiten wordt deels gevormd door landelijke voorschriften (Bouwbesluit 2012, Wabo) en deels door regionale en lokale voorschriften (ruimtelijk kader, provinciale en gemeentelijke verordeningen, zoals de Omgevingsverordening Zeeland en Algemeen plaatselijke verordeningen (APV)).

  • 2.

    Het toezicht op verleende vergunningen en aan vergunningen gekoppelde voorschriften, beschreven in hoofdstuk 3. Dit wordt in de Nota VTH en in het uitvoeringskader Wabo-BRIKS toezicht (in de) realisatiefase genoemd. De Wabo verbiedt uitvoering van een activiteit in afwijking van een vergunning of de daaraan gekoppelde voorschriften. In deze fase vindt toezicht plaats op de naleving van de vergunning(voorschrift(en)).

  • 3.

    Het toezicht op de normatieve voorschriften (rechtstreeks werkende voorschriften). Dit is zowel van toepassing op activiteiten die zonder vergunning zijn toegestaan, mits aan bepaalde voorschriften wordt voldaan (het gaat hier om vergunningvrij bouwen en brandveilig gebruik), als voor het instandhouden van bouwwerken en het uitvoeren van overige activiteiten (kappen, reclame, etc.) die onder (lokale) voorwaarden niet gekoppeld zijn aan een toestemmingsplicht (zie paragraaf 3.3 Toezicht gebruiksfase).

  • 4.

    De handhaving bij overtredingen van de onder 2 en 3 genoemde aspecten volgens de landelijke handhavingsstrategie. Dit wordt beschreven in hoofdstuk 4.

1.4 Relevante ontwikkelingen

De wetgeving op het gebied van vergunningen, toezicht en handhaving binnen de fysieke leefomgeving is sterk in ontwikkeling. De taken, rollen en verantwoordelijkheden van het bevoegd gezag zijn aan verandering onderhevig door onder andere de komst van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb3 ) en de Omgevingswet4 . Op het moment dat deze wetten in werking treden, zal het uitvoeringskader Wabo-BRIKS hierop aangepast worden.

De Omgevingswet integreert 26 wetten op het gebied van de fysieke leefomgeving. De belangrijkste onderdelen van deze wet zijn nieuwe instrumenten, integratie van vakgebieden, een stevige inzet op digitalisering van de dienstverlening, alsmede een gedragsverandering en cultuuromslag. In de uitvoering vraagt dit een meer dienstverlenende en faciliterende houding, door meer integraal te denken en te werken.

Het nieuwe stelsel van kwaliteitsborging voor het bouwen – dat ingevoerd wordt als de Wkb in gaat – legt de verantwoordelijkheid voor de bouwkwaliteit nadrukkelijker dan voorheen bij de bouwer en initiatiefnemers. Hierdoor verschuift de bouwplantoetsing en het toezicht op de bouw van het bevoegd gezag naar de private markt.

 

1.5 Leeswijzer

In de navolgende tekst is gebruik gemaakt van letterlijk overgenomen wetteksten, deze zijn dan cursief vermeld.

 

2. Vergunningen en meldingen

2.1 Algemeen

Gedeputeerde Staten (hierna: de provincie) zijn op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen en meldingen van inrichtingen die vallen onder het Besluit Risico’s Zware Ongevallen en/of onder de Richtlijn Industriële Emissies, categorie 4, alsmede voor een (beperkt) aantal andere categorieën inrichtingen. Het gaat daarbij niet alleen om de milieu-activiteiten van (aanvragen voor) een omgevingsvergunning of melding bij deze inrichtingen, maar ook om de (eventuele) BRIKS-activiteiten.

De omgevingsdiensten voeren de hieraan gerelateerde taken voor de provincie uit. Indien zij voor de beoordeling van Wabo-BRIKS-activiteiten niet zelf de deskundigheid in huis hebben, kunnen zij hiervoor externen inschakelen. Zij hebben echter de eindverantwoordelijkheid en integreren de ontvangen beoordelingen (adviezen) in de door hen – namens de provincie – te nemen besluiten inzake de melding of vergunningsaanvraag.

Bij de beoordeling van BRIKS-activiteiten wordt getoetst aan alle van toepassing zijnde actuele wet- en regelgeving, toetsings- en beleidskaders, inclusief die van andere overheden.

 

2.2 Meldingen

De meldingen die hier worden bedoeld, zijn de meldingen opgenomen in hoofdstuk 1 van het Bouwbesluit 2012, te weten de sloopmelding en de melding brandveilig gebruik bouwwerken (ook wel gebruiksmelding genaamd). Het Bouwbesluit is een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) en betreft rechtstreeks werkende regels, wat betekent dat te allen tijde dient te worden voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit. Dit geldt ook in situaties, waarbij een inrichting op grond van de Wabo niet in het bezit hoeft te zijn van een omgevingsvergunning brandveilig gebruik, noch een formele melding brandveilig gebruik hoeft te doen. De inrichting is dan (in allebei de situaties) zelf verantwoordelijk voor het voldoen aan de voorschriften. Alleen in situaties waarbij het bevoegd gezag voldoende vermoedens/ aanwijzingen heeft dat niet voldaan wordt aan de voorschriften, kan handhavend worden opgetreden.

Tot slot wordt opgemerkt dat de melder voor het doen van een melding geen leges verschuldigd is, aangezien de provincie bij het afhandelen van een melding geen dienst jegens de melder verricht.

 

2.2.1 Gebruiksmelding (melding brandveilig gebruik bouwwerken)

Op grond van artikel 1.18 van het Bouwbesluit 2012 is het verboden om zonder of in afwijking van een gebruiksmelding:

  • 1.

    een bouwwerk in gebruik te nemen of te gebruiken indien:

    • a.

      daarin meer dan 50 personen tegelijk aanwezig zullen zijn, of

    • b.

      toepassing is gegeven aan artikel 1.3 in verband met een in hoofdstuk 6 of 7 uit het oogpunt van brandveiligheid gegeven voorschrift, en

  • 2.

    een woonfunctie in gebruik te nemen of te gebruiken voor kamergewijze verhuur.

Er staan ook andere verboden in artikel 1.18 Bouwbesluit 2012, maar die (alsmede de bovengenoemde kamergewijze verhuur) zullen bij provinciale inrichtingen zelden tot nooit aan de orde zijn en daarom wordt er in dit uitvoeringskader niet verder op ingegaan. Wel relevant kan zijn artikel 1.18, vierde lid Bouwbesluit 2012): “Bij het veranderen van een bouwwerk of van het gebruik daarvan, indien er eerder een gebruiksmelding is gedaan en er door het veranderen een afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens”, moet de gebruiker dit opnieuw melden bij het bevoegd gezag.

 

Artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012 biedt de mogelijkheid om van een in de hoofdstukken 2 tot en met 7 gestelde prestatie-eis af te wijken. Het staat de aanvrager, melder of gebruiker vrij om te kiezen uit een of meer (andere) bouwtechnische, gebruikstechnische of organisatorische oplossingen of combinaties daarvan. Bij een beroep op gelijkwaardigheid moet ten genoegen van het bevoegd gezag worden aangetoond dat het bouwwerk of het gebruik daarvan ten minste eenzelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid of milieu biedt als is beoogd met het betrokken voorschrift. Als de voorgestelde oplossing gelijkwaardig is, dan zal het bevoegd gezag het beroep op gelijkwaardigheid honoreren.

 

Het systeem van gelijkwaardigheid bij het gebruik van een bouwwerk werkt hetzelfde als het systeem van gelijkwaardige bouwkundige oplossingen. Wanneer de gebruiker bijvoorbeeld een brandgevaarlijke stof op een andere manier opslaat dan in dit besluit is voorgeschreven, levert dit geen overtreding van dat voorschrift op, indien die andere wijze van opslag dezelfde mate van brandveiligheid biedt als bedoeld is in dit besluit. Er moet daarvoor uiteraard wel een beroep op de gelijkwaardigheidsbepaling worden gedaan. Ook is het bijvoorbeeld zo, dat wanneer de eigenaar/verhuurder van een gebouw beschikt over een certificaat waarmee de brandveiligheid van het gebruik van het bouwwerk voldoende wordt geborgd, dit certificaat kan worden gebruikt om aannemelijk te maken dat sprake is van een gelijkwaardige oplossing.

 

In bijlage A is aangegeven wanneer een bedrijf een gebruiksmelding moet indienen, dan wel een omgevingsvergunning brandveilig gebruik dient aan te vragen.

Bij de gebruiksmelding gaat het om het toetsen van een bestaand bouwwerk of een nog niet in gebruik genomen nieuwbouwpand op brandveilig gebruik. Vervolgens wordt bij het reguliere toezicht nagegaan of bestaande, eerder goedgekeurde (brandveiligheids-)voorzieningen op het vereiste niveau aan de geldende voorschriften blijven voldoen.

Er kunnen zich twee situaties voordoen wanneer een gebruiksmelding wordt ingediend:

  • 1.

    Er is een omgevingsvergunning voor de activiteit bouw afgegeven.

  • 2.

    Er is geen omgevingsvergunning voor de activiteit bouw noodzakelijk. Dit is onder andere het geval bij verandering van gebruik.

De provincie hanteert de volgende kaders bij toetsing van een melding brandveilig gebruik:

  • De gebruiksmelding moet 4 weken voor ingebruikname door of namens de gebruiker van het bouwwerk ingediend worden bij het bevoegd gezag. De verantwoordelijkheid voor het tijdig indienen van een melding ligt bij de gebruiker van het pand.

  • De wijze van omgaan met een melding is gebaseerd op de klasse 1 t/m 4 van de PREVAP 5 prioriteitsklassen (zie Tabel 1).

  • Naar aanleiding van een ingediende melding brandveilig gebruik wordt een ontvangstbevestiging gestuurd.

  • Er moet worden gecontroleerd of stukken compleet zijn aangeleverd en of zij overeenkomen met de eventueel aangevraagde of verleende omgevingsvergunning bouw.

 

Prioriteitsklassen PREVAP

Omgevingsvergunning

Bouw

Geen

Omgevingsvergunning Bouw

Klassen 1, 2 en 3

Stukken voor ingebruikname controleren en eventueel aanvullende voorwaarden stellen6 .

Stukken voor ingebruikname inhoudelijk controleren aan het Bouwbesluit 2012 en eventueel aanvullende voorwaarden stellen7 .

1e fysieke controle binnen 1 jaar na ingebruikname.

1e fysieke controle voor ingebruikname.

Klasse 4

Alleen ontvangst bevestiging zenden.

  

Tabel 1. Prioriteitsklassen PREVAP

 

Daarnaast moet gecontroleerd worden of wordt voldaan aan het Bouwbesluit 2012. Het moet op basis van de aanwezige stukken voldoende aannemelijk zijn, dat voldaan wordt of voldaan kan worden aan de geldende wet- en regelgeving. Mocht dit niet het geval zijn, dan mag het bouwwerk (nog) niet in gebruik genomen worden.

Is de melding niet compleet, dan wordt aan de melder schriftelijk meegedeeld dat de melding niet voldoet aan de indieningsvereisten en dat hij een nieuwe, wel volledige melding moet indienen. In voorkomende gevallen kan aan de melder, bij wijze van service, worden aangeboden dat hij de bestaande melding kan aanvullen.

 

2.2.2 Sloopmeldingen

Op grond van artikel 1.26 van het Bouwbesluit 2012 is het verboden om zonder of in afwijking van een sloopmelding:

  • 1.

    Te slopen indien daarbij asbest wordt verwijderd of de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 zal bedragen.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een voornemen tot slopen dat uitsluitend bestaat uit het in het kader van de uitoefening van een bedrijf geheel of gedeeltelijke verwijderen van asbesthoudende 8 :

    • a.

      geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;

    • b.

      beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen;

    • c.

      rem- en frictiematerialen;

    • d.

      pakkingen uit verbrandingsmotoren, en

    • e.

      pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen van ten hoogste 2.250 kW.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      het slopen van een seizoensgebonden bouwwerk, en

    • b.

      het slopen ingevolge een besluit op grond van artikel 13 van de wet dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.

Bij verbouwingswerkzaamheden aan een gebouw met een redelijk vermoeden dat asbest aanwezig zou kunnen zijn – doorgaans gebouwen van vóór 1994 – is er een plicht om een asbestinventarisatie te laten maken. Dit kunnen kleine verbouwingen zijn. Als er asbest is ontdekt middels de asbestinventarisatie, dan moet een sloopmelding volgen.

Veel aannemers/brancheverenigingen zijn zich hier niet van bewust. Er is sinds juli 2017 dan ook meer kans, dat eenvoudige verbouwingswerkzaamheden in panden van vóór 1994 kunnen en worden stilgelegd door de omgevingsdiensten.

 

De provincie hanteert de volgende kaders bij toetsing van een sloopmelding:

  • Een sloopactiviteit waarvoor een meldingsplicht geldt, moet ten minste vier weken voor aanvang van de (sloop)werkzaamheden door of namens de initiatiefnemer schriftelijk bij het bevoegd gezag worden gemeld. In plaats van ten minste vier weken, kan de sloopmelding tot vijf werkdagen voor aanvang van het uitvoeren van de sloopwerkzaamheden worden gedaan. Dit maakt het mogelijk om op korte termijn asbest te verwijderen uit in gebruik zijnde woningen of andere gebouwen, zodat het gebruiksgenot daarvan zo min mogelijk wordt beperkt.

  • Afwijken van de sloopmelding termijn kan voor die gevallen, waarin het slopen naar het oordeel van het bevoegd gezag onmiddellijk en in ieder geval binnen vier weken moet plaatsvinden. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het geval dat een bouwwerk na een calamiteit direct moet worden gesloopt.

  • Is de melding niet compleet, dan wordt aan de melder schriftelijk meegedeeld dat de melding niet voldoet aan de indieningsvereisten en hij een nieuwe, wel volledige melding moet indienen. In voorkomende gevallen kan aan de melder, bij wijze van service, worden aangeboden dat hij de bestaande melding aan kan vullen.

  • Er moet worden gecontroleerd of stukken compleet zijn aangeleverd conform artikel 1.26, zesde lid Bouwbesluit.

  • Het moet op basis van de aanwezige stukken voldoende aannemelijk zijn, dat voldaan wordt of kan worden voldaan aan de geldende wet- en regelgeving. Mocht dit niet het geval zijn, dan mag het bouwwerk (nog) niet gesloopt worden.

Bij de uitvoering van de taken kan gebruik worden gemaakt van de onderstaande handreiking.

 

Handreiking Slopen & Handhaving bij illegale asbestsloop (juli 2019)

Deze handreiking is opgesteld op initiatief van de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland en dient als leidraad voor de procedure rondom de behandeling van de sloopmelding c.q. omgevingsvergunning voor het verwijderen van asbest en het bouwkundig slopen. Daarnaast behandelt de handreiking de procedure rond de illegale sloop en asbestverwijdering.

Deel 1 ziet op de sloopmelding (niet alleen m.b.t. asbest), deel 2 asbest (i.c. alle aspecten die gemoeid zijn bij het verwijderen van asbesthoudende materialen) en deel 3 op de handhaving bij illegale asbestsloop.

De handreiking is hier te raadplegen: Handreiking Slopen & Handhaving bij Illegale Asbestsloop

 

2.3 Vergunningen Wabo-BRIKS

De vergunningen hier bedoeld, zijn de vergunningen op basis van de Wabo, artikel 2.1, eerste lid onder a, b, c, d, f, g, h en artikel 2.2, eerste lid onder b t/m k. Dit betreffen alle activiteiten, uitgezonderd milieu. Dit uitvoeringskader is een aanvulling op de Wabo-BRIKS Productencatalogus 2017 van de Provincie Zeeland. In de productencatalogus wordt de beoogde kwaliteit van de producten (vergunningen, meldingen, adviezen, etc.) benoemd. De provincie heft leges op de vergunningen uit dit uitvoeringskader, conform de provinciale legesverordening. De Omgevingsdiensten dienen de voor de heffing benodigde gegevens aan de provincie aan te leveren.

 

2.3.1 Omgevingsvergunning voor bouwen

Op grond van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

De omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien er strijd is met artikel 2.10 Wabo:

  • a.

    voorschriften uit het Bouwbesluit 2012 en geldende internationale verplichtingen;

  • b.

    de gemeentelijke bouwverordening;

  • c.

    het geldende ruimtelijke kader;

  • d.

    redelijke eisen van welstand (indien van toepassing op het bouwwerk en de betreffende locatie);

  • e.

    het advies van de Commissie voor de tunnelveiligheid in geval er sprake is van een wegtunnel.

Aandachtspunten bij de vergunningverlening voor de activiteit ‘bouwen’ zijn:

  • Het tweede lid van artikel 2.10 bepaalt dat een verzoek om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, tevens een verzoek inhoudt om een omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden en bouwwerken in strijd met de planologische bepalingen van artikel 2.1 onder c van de Wabo. Als er strijdigheid is, moet worden beoordeeld of planologische medewerking volgens artikel 2.12 van de Wabo mogelijk is. Zie voor het uitvoeringskader inzake deze procedure paragraaf 2.3.3.

  • De aanvrager van een omgevingsvergunning moet er volgens artikel 2.7 van de Wabo voor zorgen dat hij alle activiteiten die voor de vergunning van belang zijn en er onlosmakelijk aan verbonden zijn, tegelijk aanvraagt. In het kader van de activiteit bouwen geldt dit met name voor (bouwen en) monumenten en (bouwen en) milieu. Deze activiteiten moeten tegelijkertijd worden aangevraagd. Fasering van een aanvraag met onlosmakelijke activiteiten is wel mogelijk.

 

Met “onlosmakelijk” wordt bedoeld dat een activiteit als bedoeld in de Wabo, automatisch een andere activiteit als bedoeld in de Wabo is. Zo is het verbouwen van een monument ‘bouwen’ en automatisch met dezelfde handeling ook ‘veranderen van een monument’. Dit moet tweezijdig het geval zijn, anders is er geen sprake van onlosmakelijkheid: het bouwen van een schuur op de plaats van een boom is niet onlosmakelijk: voor het bouwen van de schuur moet de boom weg, maar de boom kan ook gekapt worden zonder de schuur te bouwen. “Kappen” is dus niet automatisch ook de activiteit ‘bouwen’ als bedoeld in de Wabo.

 

De provincie hanteert de volgende kaders bij toetsing van een omgevingsvergunning bouwen:

  • Iedere aanvraag omgevingsvergunning moet voor wettelijk advies op grond van de Wabo gezonden worden aan de gemeente op wiens grondgebied het project wordt uitgevoerd. De gemeenten dienen in de gelegenheid gesteld te worden zelf invulling te geven aan de toetsingskaders voor wat betreft de gemeentelijke bouwverordening, welstand en het bestemmingsplan.

  • Voor de toetsing aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012 wordt aangesloten bij de landelijke kwaliteitseisen voor vergunningverlening, toezicht en handhaving, zoals ontwikkeld door de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van de zogenaamde BRIStoets . Dit is een online toetsprogramma waarmee plantoetsers bouwplannen op eenduidige manier en transparant kunnen toetsen aan het Bouwbesluit. In BRIStoets is het protocol van de Vereniging BWT Nederland geïntegreerd, waardoor kwaliteit en verantwoording zijn geborgd. Het toetsen gebeurt aan de hand van de Landelijke Toetsmatrix Bouwbesluit 2012 (voorheen CKB-matrix). Het landelijke niveau voor toetsing en toezicht wordt hierbij gehanteerd. De matrix die ten grondslag ligt aan toetsing aan het Bouwbesluit 2012 en toezicht op die onderdelen staat hieronder bij tabel 2.

  • Met betrekking tot de toetsing aan het geldende ruimtelijk kader, redelijke eisen van welstand en de gemeentelijke bouwverordening wordt aangesloten bij lokaal geldend beleid.

 

Nr.

Hoofdonderwerp

Wonen

Publiek

Bedrijf

Anders

1

Constructieve veiligheid

3

3

3

2

2

Brandveiligheid

3

3

3

2

3

Bouwfysica

2

2

2

1

4

Installatievoorzieningen

1

1

1

1

Tabel 2. Landelijke Toetsmatrix Bouwbesluit 2012

 

De matrix op hoofdlijnen in Figuur 2 stuurt een tabel aan met toetsniveaus voor alle onderdelen van het Bouwbesluit 2012 voor ieder van de 12 gebruiksfuncties. Bij toepassing van de methodiek is sprake van integrale toetsing van een aanvraag, maar wel met een verschil in intensiteit c.q. diepgang, al naar gelang het onderwerp en het daarmee samenhangende risico. De getallen 1 tot en met 4 staan in Tabel 3 voor de diepgang van toetsing.

 

 

Soort Toets

Omschrijving werkwijze

1

Sneltoetsen

Kloppen de uitgangspunten, is er voldoende informatie aanwezig voor toetsing?

2

Visueel toetsen

Kloppen de uitgangspunten, is er voldoende informatie aanwezig voor toetsing?

3

Representatief toetsen

Controle van de belangrijkste onderdelen.

4

Integraal toetsen

Alles controleren en narekenen.

Tabel 3: Toets niveaus Landelijke Toetsmatrix Bouwbesluit 2012

 

Aandachtspunt bij de vergunningverlening voor de activiteit ’bouwen’:

  • De Provincie Zeeland schrijft geen specifieke hulpmiddelen voor, dus ook andere hulpmiddelen, gebaseerd op een vergelijkbare risicobenadering, kunnen worden toegepast.

 

2.3.2 Omgevingsvergunning voor het aanleggen van een werk (aanlegvergunning)

Op grond van artikel 2.1, eerste lid onder b van de Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

 

het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening , exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald. De omgevingsvergunning wordt geweigerd indien er strijd is met artikel 2.11 Wabo:

  • 1.

    Indien het werk of de werkzaamheid in strijd is met de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

  • 2.

    Indien sprake is van strijd met de regels, bedoeld in het eerste lid, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

De provincie hanteert het volgende kader bij toetsing van een aanvraag omgevingsvergunning voor ‘het uitvoeren van een werk’:

  • De aanvraag wordt integraal getoetst aan het lokaal geldende ruimtelijk kader, zoals bijvoorbeeld het bestemmingsplan.

 

Aandachtspunten bij de vergunningverlening voor de activiteit ’uitvoeren van een werk’:

  • Indien afwijking van het ruimtelijk kader noodzakelijk is, omdat het uitvoeren van het werk in strijd is met de regels van bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit, wordt de gemeente op wiens grondgebied het werk zal worden uitgevoerd om advies gevraagd.

  • Deze activiteit kan zorgen voor een onlosmakelijke samenhang tussen bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor het vellen of te doen vellen van houtopstanden (kappen). Dit doet zich voor wanneer het kappen van de boom ook graafwerkzaamheden met zich meebrengt voor het verwijderen van de wortels.

 

2.3.3 Omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het ruimtelijk kader

Op grond van artikel 2.1, eerste lid onder c van de Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit, voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet .

 

De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met artikel 2.12 Wabo. De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit niet in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

  • 1.

    met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking;

  • 2.

    in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

  • 3.

    in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

 

Het lokaal geldende ruimtelijke kader wordt, voor zover van toepassing, gevormd door:

  • -

    het bestemmingsplan;

  • -

    een beheersverordening;

  • -

    een exploitatieplan;

  • -

    een provinciale verordening;

  • -

    een AMvB als bedoeld in artikel 4.3, lid 3 van de Wro.

 

De provincie hanteert het volgende kader bij toetsing van een aanvraag omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het ruimtelijk kader:

  • De aanvraag wordt integraal getoetst aan het lokaal geldende ruimtelijk kader.

 

Aandachtspunt bij de vergunningverlening voor de activiteit ‘het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het ruimtelijk kader’:

  • Het lokale beleid wordt gerespecteerd bij toepassing van de ontheffingsmogelijkheden; indien in de concrete situatie wordt geconstateerd dat afgeweken dient te worden van het lokale beleid, wordt in overleg getreden met het bevoegd gezag van dit beleid.

 

2.3.4 Omgevingsvergunning voor het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk met het oog op de brandveiligheid (brandveilig gebruik)

Op grond van artikel 2.1, eerste lid onder d van de Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk in met het oog op de brandveiligheid bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen. Artikel 2.2 van het Besluit Omgevingsrecht regelt welke categorieën dit betreft (zie ook bijlage A):

  • 1.

    het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk waarin bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft aan meer dan 10 personen, dan wel het in afwijking daarvan bij de bouwverordening, bedoeld in artikel 8 van de Woningwet, bepaalde aantal personen;

  • 2.

    het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk waarin dagverblijf zal worden verschaft aan:

    • meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of

    • meer dan 10 lichamelijk of verstandelijk gehandicapte personen.

Aangezien dit bij provinciale bedrijven hooguit in bijzondere gevallen voor zal komen, wordt dit verder niet behandeld.

 

2.3.5 Omgevingsvergunning voor het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument

Op grond van artikel 2.1, eerste lid onder f van de Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

 

het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een rijksmonument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

 

De omgevingsvergunning wordt op grond van artikel 2.15 Wabo geweigerd, indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen verzet. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het gebruik van het monument.

 

De provincie hanteert het volgende kader bij toetsing van een aanvraag omgevingsvergunning voor het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument:

  • De aanvraag wordt getoetst aan het lokaal geldende kader, met in achtneming van het in de respectievelijke weigeringsgronden bepaalde.

 

Aandachtspunt bij de vergunningverlening voor de activiteit ‘het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument’:

  • Beoordeling vindt veelal plaats door een monumentencommissie, op basis van de redengevende omschrijving (wat is beschermd en waarom?) en de algemene uitgangspunten van de Erfgoedwet.

 

2.3.6 Omgevingsvergunning voor het slopen

Op grond van artikel 2.1, eerste lid onder g en h van de Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

 

het slopen van een bouwwerk in gevallen waarin dat in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is bepaald” en “ het slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- en dorpsgebied’’.

 

De omgevingsvergunning moet worden geweigerd op grond van artikel 2.16 Wabo, indien naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

 

De provincie hanteert het volgende kader bij toetsing van een aanvraag omgevingsvergunning voor het ‘slopen’:

  • De aanvraag wordt getoetst aan het lokaal geldende kader, met in achtneming van het in de respectievelijke weigeringsgronden bepaalde.

 

Aandachtspunt bij de vergunningverlening voor de activiteit het ‘slopen’:

  • De afgifte van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid onder g en h laat onverlet de verplichting voor het melden van een sloopactiviteit, conform artikel 1.26 van het Bouwbesluit 2012, waarbij naar redelijke inschatting de hoeveelheid sloopafval meer dan 10 m³ zal bedragen of waarbij asbest wordt verwijderd (zie paragraaf 2.2.2).

 

2.3.7 Omgevingsvergunning voor activiteiten op grond van lokale toetsingskaders

De Wabo bepaalt in artikel 2.2, eerste lid, dat wanneer een vergunning of een ontheffing in een gemeentelijke of provinciale verordening is voorgeschreven, het niet is toegestaan zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning:

  • a.

    [Red: vervallen,]

  • b.

    een monument als bedoeld in een zodanige verordening:

    1°. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of

    2°. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht,

  • c.

    een bouwwerk te slopen in een krachtens een zodanige verordening aangewezen stads- of dorpsgezicht,

  • d.

    een weg aan te leggen of verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg, voor zover daarvoor tevens een verbod geldt als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b,

  • e.

    een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen,

  • f.

    in, op of aan een onroerende zaak een alarminstallatie te hebben die een voor de omgeving opvallend geluid of lichtsignaal kan produceren,

  • g.

    houtopstand te vellen of te doen vellen,

  • h.

    op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats,

  • i.

    als eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van een onroerende zaak toe te staan of te gedogen dat op of aan die onroerende zaak handelsreclame wordt gemaakt of gevoerd met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats,

  • j.

    in een daarbij aangewezen gedeelte van de provincie of de gemeente roerende zaken op te slaan of

  • k.

    als eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van een onroerende zaak in een daarbij aangewezen gedeelte van de provincie of de gemeente toe te staan of te gedogen dat daar roerende zaken worden opgeslagen,

 

Of een dergelijke vergunning kan worden verleend is, zoals gesteld in artikel 2.18 van de Wabo, afhankelijk van de gronden die zijn gegeven in de betrokken verordening.

 

De provincie hanteert het volgende kader bij toetsing van een aanvraag omgevingsvergunning op grond van lokale toetsingskaders:

  • De aanvragen worden getoetst aan het lokaal geldende kader (lokale verordeningen), met in achtneming van het in de respectievelijke weigeringsgronden bepaalde.

 

Aandachtspunt bij de vergunningverlening voor de activiteiten:

  • Het lokale beleid wordt gerespecteerd bij toepassing van de ontheffingsmogelijkheden; indien in de concrete situatie wordt geconstateerd dat afgeweken dient te worden van het lokale beleid, wordt in overleg getreden met het bevoegd gezag van dit beleid.

 

2.4 Tijdelijke bouw

Voor een bouwwerk dat tijdelijk wordt geplaatst, is een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid onder a Wabo nodig. In de meeste gevallen zal een aanvraag vallen onder de reguliere procedure, die is beschreven in artikel 3.7 t/m 3.9 van de Wabo, en zal deze dus de reguliere voorbereidingsprocedure volgen.

 

Tijdelijke bouw valt uitsluitend nog onder de uitgebreide procedure, indien ook een vergunning nodig is voor brandveilig gebruik (dit is bij provinciale inrichtingen hooguit in bijzondere gevallen aan de orde) of wanneer sprake is van een milieuvergunningplichtige activiteit en dit geen omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) of milieuneutrale wijziging betreft. Als de tijdelijke bouw niet past binnen de voorschriften van het bestemmingsplan, kan worden meegewerkt aan een zogeheten planologische ontheffing, die we een 'kruimelgeval' noemen. Deze staat beschreven in artikel 2.12 lid 1.a onder 2 'in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen'. Deze gevallen zijn vervolgens genoemd in artikel 4 van bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht. Past een aanvraag binnen deze zogeheten 'kruimelgevallen', dan is de planologische afwijkingsprocedure regulier en dus maximaal 8 weken.

 

De provincie hanteert de volgende kaders bij toetsing van een aanvraag omgevingsvergunning met een bepaalde instandhoudingstermijn (tijdelijke bouw):

  • Een tijdelijk bouwwerk voldoet minimaal aan de voorschriften in de hoofdstukken 2 tot en met 6 van het Bouwbesluit 2012 voor tijdelijke bouw (feitelijk vaak het niveau bestaande bouw, maar bijvoorbeeld bij geluidseisen een specifiek niveau). Alleen voor zover dat in een bepaalde afdeling expliciet voor een bepaalde gebruiksfunctie is aangegeven, kan hiervan afgeweken worden.

  • In verband met de lagere Bouwbesluit-eisen die voor tijdelijke bouwwerken gelden, is bepaald dat een bouwwerk, dat na vijftien jaar als een permanent bouwwerk gaat fungeren, alsnog in overeenstemming moet worden gebracht met de nieuwbouweisen voor te bouwen bouwwerken. Hiermee worden de reguliere nieuwbouweisen bedoeld, dus niet de veelal lagere eisen die worden gesteld bij toepassing van de verbouwvoorschriften. Het bouwwerk zal dan dus in zijn geheel alsnog moeten voldoen aan de nieuwbouweisen. Zo kan bijvoorbeeld een noodkantoor of een bouwkeet als tijdelijk bouwwerk nooit langer aanwezig zijn dan vijftien jaar, indien het gebouwd is met toepassing van de voorschriften voor tijdelijke bouw.

  • Voorbeelden van een tijdelijk bouwwerk zijn een bouwkeet, een noodkantoor en een romneyloods . Er zijn ook tijdelijke bouwwerken die vallen onder de vergunningvrije bouwmogelijkheden (zie paragraaf 2.5).

Bij de uitvoering van de taken kan gebruik worden gemaakt van de in onderstaand kader aangegeven handreiking.

 

Handreiking tijdelijke bouw

De handreiking tijdelijke bouw is tot stand gekomen op initiatief van de vereniging van Verplaatsbare Accommodaties (VVVA) e de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland (VBWTN). De handreiking, dient als leidraad voor de procedure rondom de behandeling, controle en handhaving van de aanvraag om tijdelijke bouw al dan niet in combinatie met een tijdelijk gebruik en uiteraard het vergunningvrij plaatsen van tijdelijke bouwwerken. De handreiking is geschreven voor aanvragers van tijdelijke bouw (met name de leden van de Vereniging voor verplaatsbare accommodaties) en voor toetsers en toezichthouders die aanvragen voor tijdelijke bouw behandelen, beoordelen en er toezicht op houden. De handreiking is hier te raadplegen: Handreiking tijdelijke bouw

 

2.5 Omgevingsvergunningvrij bouwen en slopen

De activiteiten bouwen en slopen kunnen ook omgevingsvergunningvrij worden uitgevoerd. Het omgevingsvergunningvrij bouwen kan van toepassing zijn op onder andere:

  • gewoon onderhoud;

  • (rijks)monumenten;

  • archeologische monumenten;

  • bouwen binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht.

 

Het omgevingsvergunningvrij bouwen staat beschreven in Bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht (Bor). In artikel 2.6 van het Bor staat dat in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder g en h, van de wet geen omgevingsvergunning vereist is voor het slopen van:

  • bouwwerken waarvoor ingevolge artikel 2.3 geen vergunning voor het bouwen daarvan is vereist;

  • seizoensgebonden bouwwerken.

 

Omgevingsvergunningvrij slopen staat los van de mogelijk benodigde sloopmelding op grond van paragraaf 2.2.2. Dus wanneer sprake is van de sloop van asbest en/of meer dan 10m3 sloopafval, blijft een sloopmelding op grond van het Bouwbesluit 2012 vereist.

 

3. Toezicht

3.1 Algemeen

Dit hoofdstuk beschrijft het toezichtskader voor de BRIKS-activiteiten bij provinciale bedrijven. Bij toezicht met betrekking tot BRIKS-activiteiten dient onderscheid gemaakt te worden tussen de realisatiefase (zie paragraaf 3.2) en de gebruiksfase (zie paragraaf 3.3). De omgevingsdiensten voeren deze taken voor de provincie uit bij de inrichtingen waarvoor de provincie op grond van de Wabo bevoegd gezag is.

Het toezicht op BRIKS-activiteiten vindt plaats met in acht neming van alle van toepassing zijnde actuele wet- en regelgeving, toetsings- en beleidskaders, inclusief die van andere overheden.

 

3.2 Realisatiefase

In de realisatiefase vindt risicogericht toezicht plaats op de uitvoering van BRIKS-activiteiten volgens de hiervoor verleende vergunningen en/of geaccepteerde meldingen naar oordeel en deskundigheid van de inspecteur.

 

Hieronder valt onder andere het toezicht op de (bouwtechnische) eisen van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, het toezicht ten aanzien van de voorwaarden opgenomen in de omgevingsvergunning voor de activiteit kappen etc. Ook het toezicht op sloopwerkzaamheden, waarvan de melding door de provincie is geaccepteerd, vallen hieronder.

 

Naast het toezicht of de werkzaamheden uitgevoerd worden conform de verleende omgevingsvergunningen (bouw en/of sloop) of geaccepteerde sloopmelding, wordt toezicht gehouden conform hoofdstuk 8 van het Bouwbesluit 2012. Dit ziet op het voorkomen van onveilige situaties en het beperken van hinder (zoals van stof en geluid) tijdens het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden en bij het scheiden van (sloop)afval.

 

3.3 Gebruiksfase

In de gebruiksfase vindt signaaltoezicht plaats op BRIKS-activiteiten door (milieu)inspecteurs tijdens het reguliere (milieu)toezicht. Tijdens de gebruiksfase is er sprake van het ‘rechtens verkregen niveau’ met als ondergrens het niveau ‘bestaande bouw conform Bouwbesluit 2012’. Ook kunnen er tijdens de gebruiksfase illegale werkzaamheden (kap, sloop, bouw, etc. ) geconstateerd worden. Het signaaltoezicht is nader uitgewerkt in paragraaf 3.3.1. Uitzondering hierop is de controle brandveilig gebruik, die in paragraaf 3.3.2 verder is beschreven.

 

3.3.1 Signaaltoezicht

Het signaal toezicht vanuit de 'zender' (toezichthouder) bekeken is als volgt te omschrijven: Een toezichthouder geeft signalen aan collega's in de eigen organisatie, of aan toezichthouder(s) van andere organisatie(s) met toezicht- en beheertaken, om zijn/haar werk goed uit te voeren.

 

Het signaaltoezicht wordt op twee verschillende manieren vormgegeven:

  • 1.

    Signaaltoezicht ongepland

    Toezicht door een collega uit een ander vakgebied en/of in een ander kader, die tijdens zijn/haar toezichtsbezoek gebruik maakt van zijn/haar ‘ogen en oren en ‘gezonde verstand, en daardoor zaken constateert die (mogelijk) niet in orde zijn op andere vakgebieden. Vervolgens word(t)en betreffende collega(‘s) geïnformeerd. (o.i.d.) Deze vorm van signaaltoezicht vindt altijd plaats tijdens de uitvoering van reguliere (milieu)controles. Illegale situaties, waaronder het niet vergund en/of gemeld gebruik van gebouwen, bouwwerken en terreinen, zullen zodoende aan het licht moeten komen.

  • 2.

    Signaaltoezicht gepland

    Het uitvoeren van signaaltoezicht met behulp van een checklist. De toezichthouder heeft bij voorkeur enige kennis en affiniteit met het vakgebied waarvoor signaaltoezicht wordt uitgevoerd.

 

Geconstateerde (mogelijke) overtredingen worden gemeld bij vakinhoudelijke collega’s.

 

Op vergunningvrij bouwen en slopen wordt in beginsel geen actief toezicht gehouden. Het wordt meegenomen als signaaltoezicht bij het reguliere milieutoezicht. Indien er klachten binnenkomen over illegale bouw- of sloopactiviteit en/of als er een verzoek om handhaving wordt ontvangen, vindt wel actief toezicht plaats.

 

3.3.2 Toezicht brandveilig gebruik

Een gebouw waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend, moet (na realisering) voor het beoogde gebruik van het gebouw voldoen aan de brandveiligheidsvoorschriften van het Bouwbesluit 2012. Het gebouw moet beschikken over de vereiste brandveiligheidsvoorzieningen en het beoogde gebruik van het gebouw moet brandveilig kunnen geschieden. De melding brandveilig gebruik is mede bedoeld om de brandveiligheidsvoorzieningen te controleren wanneer het gebouw in gebruik is. Alle bouwkundige en installatietechnische voorzieningen dienen op een juiste wijze gebruikt en onderhouden te worden om de juiste mate van veiligheid te kunnen garanderen, bijvoorbeeld het vrijhouden van vluchtwegen en het periodiek laten keuren van vluchtwegaanduidingen.

 

Tijdens de gebruiksfase is de gebruiker van het pand verantwoordelijk voor een deugdelijk gebruik van zijn pand. De brandveiligheid maakt hier onderdeel vanuit. De provincie9 als bevoegd gezag toetst in deze fase aan de gebruiksvoorschriften van het Bouwbesluit 2012.

 

Voor brandveilig gebruik zal op de volgende wijze risicogerichte toezicht worden toegepast:

  • Op brancheniveau zijn de risico’s bepaald aan de hand van de PREVAP-methodiek, die een indeling kent in prioriteitsklasses 1 t/m 4 (zie bijlage B).

  • Op inrichtingsniveau wordt aangesloten op de bepalingsmethode vanuit milieutoezicht en vindt de verdere risicoafweging plaats op basis van houding en naleefgedrag van het betreffende bedrijf (goed, redelijk of slecht presterende inrichting). Aan de hand hiervan wordt de toezichtfrequentie bepaald.

 

Ook blijft het mogelijk om beleidsprioriteiten te bepalen op basis van landelijke en provinciale speerpunten en ontwikkelingen in het werkveld. Hierbij worden de risico's afgewogen om te komen tot jaarlijkse prioriteiten, die gericht kunnen zijn op het gehele werkveld Toezicht en handhaving.

 

De controlefrequenties wijken af van het PREVAP en sluiten aan op de risicomethodiek die vanuit milieutoezicht bij inrichtingen wordt gebruikt. Er wordt een grote mate van eigen verantwoordelijkheid bij de gebruiker van het pand gelegd. Een bedrijf dat laat zien dat het de wetgeving goed naleeft, zal minder vaak gecontroleerd worden, dan een bedrijf dat de naleving van wetgeving niet zo nauw neemt.

 

Voor de methodiek gelden de volgende uitgangspunten:

  • Periodiek toezicht dat wordt uitgevoerd door bouwinspecteurs 10 aan de hand van een uitgebreide checklist.

  • Risicogericht toezicht (op grond van houding en naleefgedrag), dat wordt uitgevoerd tijdens het reguliere (milieu)toezicht conform de methodiek uit de Nota VTH, waarbij tevens wordt aangesloten op de tabel in figuur 4 (PREVAP) met gebruikmaking van een (korte) checklist brandveilig gebruik. Daarbij wordt door de toezichthouder in ieder geval (ook) nagevraagd of er bouwkundige aanpassingen hebben plaatsgevonden en ‘rondgekeken’ of hem/haar zaken opvallen die kunnen wijzen op overtredingen.

  • Met de controlefrequentie wordt aangesloten bij de methodiek van risicogericht toezicht, zoals vermeld in tabel 4.

 

Prioriteisklassen PREVAP

Klasse 1

Klasse 2

Klasse 3

Klasse 4

Toezichtslast

 

 

Goed

1x/2jr

1x/2jr

1x/4jr

1x/4jr

Redelijk

1x/2jr

1x/2jr

1x/4jr

1x/4jr

Slecht

1x/1jr

1x/1jr

1x/3jr

1x/3jr

Tabel 4: Controlefrequentie brandveilig gebruik

 

4. Handhaving

 

Inrichtingen die niet in het bezit zijn van de benodigde omgevingsvergunning of die een melding niet (tijdig) hebben gedaan, zullen door middel van de landelijke handhavingsstrategie worden gemotiveerd om de vergunning aan te vragen, dan wel de melding in te dienen.

 

De Wabo verbiedt uitvoering van een activiteit in afwijking van een vergunning of de daaraan gekoppelde voorschriften. Er wordt toegezien op de naleving en waar nodig handhavend opgetreden. In eerste instantie zal gekeken worden of de overtreding in overeenstemming is te brengen met de omgevingsvergunning. Is dit niet mogelijk of niet gewenst, dan zal nagegaan moeten worden of er een wijziging op deze omgevingsvergunning verleend kan worden, waardoor de overtreding gelegaliseerd kan worden.

 

Omdat er bij slopen sprake is van een onomkeerbare situatie, is het mogelijk om handhavend op te treden in situaties waarin voorbereidende werkzaamheden voor het slopen worden getroffen, maar niet is voldaan aan de sloopmelding, dan wel omgevingsvergunning voor de activiteit slopen. Het bevoegd gezag kan optreden middels een zogenoemde (preventieve) herstelsanctie (artikel 5:7 Algemene wet bestuursrecht). Op grond van artikel 122 van de Provinciewet is het mogelijk om met toepassing van bestuursdwang, of op grond van artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met een last onder dwangsom, handhavend op te treden tegen het zonder of in afwijking van een vereiste sloopmelding slopen of het verwijderen van asbest, door middel van het stilleggen van deze werkzaamheden. Het feit dat zonder of in afwijking van een vereiste sloopmelding wordt gesloopt, is in beginsel voldoende aanleiding om spoedshalve bestuursdwang toe te passen overeenkomstig artikel 5:31, tweede lid van de Awb.

 

Overtredingen conform hoofdstuk 8 van het Bouwbesluit 2012, het voorkomen van onveilige situaties en het beperken van hinder tijdens het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden en zorg voor een juiste afvalscheiding, zullen volgens de landelijke handhavingsstrategie worden aangepakt.

 

Als tijdens het toezicht een overtreding wordt geconstateerd, start de handhaving. De provincie hanteert daarbij de landelijke handhavingsstrategie.

 

Bij het uitvoeren van de handhavingsstrategie hanteert de provincie de volgende uitgangspunten:

  • iedere bevinding krijgt een passende interventie;

  • de handhavingsstrategie wordt strikt toegepast:

    • eenduidige proces- en besluitvorming;

    • gelijke gevallen gelijk behandelen;

    • bewaken van de termijnen en tijdig de vervolgstappen in gang zetten;

    • gebruikmaken van standaardbrieven voor alle fasen in het proces;

  • wettelijke eisen worden in acht genomen;

  • het naleefgedrag bepaalt mede welk handhavingsinstrument het beste past.

 

Aldus vastgesteld door gedeputeerde staten van Zeeland in de vergadering van 25 augustus 2020.

Drs. J.M.M. Polman, voorzitter

A.W. Smit, secretaris

Uitgegeven 4 september 2020

De secretaris, A.W. Smit

Bijlage A: Melding of vergunning brandveilig gebruik

 

 

 

 

 

Stroomschema bij 2.2.1. Gebruiksmelding (melding brandveilig gebruik bouwwerken)

 

In dit stroomschema is aangegeven wanneer een bedrijf een gebruiksmelding moet indienen, dan wel een omgevingsvergunning brandveilig gebruik dient aan te vragen.

 

Bij de gebruiksmelding gaat het om het toetsen van een bestaand bouwwerk of een nog niet in gebruik genomen nieuwbouwpand op brandveilig gebruik. Vervolgens wordt bij het reguliere toezicht nagegaan of bestaande, eerder goedgekeurde (brandveiligheids-)voorzieningen op het vereiste niveau aan de geldende voorschriften blijven voldoen.

 

Er kunnen zich twee situaties voordoen wanneer een gebruiksmelding wordt ingediend:

  • 1.

    Er is een omgevingsvergunning voor de activiteit bouw afgegeven.

  • 2.

    Er is geen omgevingsvergunning voor de activiteit bouw noodzakelijk. Dit is onder andere het geval bij verandering van gebruik.

 

Bijlage B: PREVAB

Binnen het toetsingskader Wabo-BRIKS is gekozen voor de systematiek van het PREVAP (PREVentieAcitiveitenPlan) voor de omgevingsvergunning brandveilig gebruik. Dit plan kent Risicofactoren A, B, C en D, respectievelijk prioriteitsklasse 1, 2, 3 en 4 (zie tabel 5). PREVAP is geen voorgeschreven wetgeving maar een aanbeveling van de Programmaraad Risicobeheersing, welke veel in het land gebruik wordt. Onderstaande tabel toont de indeling in prioriteitsklasse met de daarbij behorende risicofactor en geeft de handhavingsprioriteit weer. Hierbij is rekening gehouden met het aantal aanwezigen, de zelfredzaamheid van de aanwezigen, de kans op brand en de frequentie van gebruik van het object.

 

Prioriteitsklasse (PREVAP)

Risicofactor (Handr.

Gebruiksbesluit)

Aard risico

Aard actie

1

A

Zeer hoog risico

Direct noodzakelijk

2

B

Hoog risico

Noodzakelijk

3

C

Gemiddeld risico

Zeer gewenst

4

D

Beperkt risico

Niet direct noodzakelijk

Tabel 5: Risicofactoren PREVAP

 

Het Bouwbesluit 2012 onderscheidt 12 soorten gebruiksfuncties. Het PREVAP volgt deze indeling.

 

Hieronder een verdere uitwerking van tabel 5, waarbij dikgedrukt de gebruiksfuncties zijn welke het meest zullen voorkomen bij de provinciale inrichting. De indeling gaat uit van het aantal personen dat in één gebouw aanwezig is.

 

Klasse A - prioriteitsklasse 1 (Controle 2x per jaar)

  • Woonfunctie voor kamergewijze verhuur voor meer dan 10 personen

  • Onderwijsfunctie voor personen ouder dan 12 jaar en met meer dan 500 personen

  • Kantoorfunctie voor meer dan 500 personen

  • Industriefunctie voor meer dan 500 personen

  • Bijeenkomstfunctie voor meer dan 500 personen

  • Sportfunctie voor meer dan 1000 personen

  • Winkelfunctie voor meer dan 1000 personen

 

Klasse B - prioriteitsklasse 2 (Controle 1x per jaar)

  • Woonfunctie voor kamergewijze verhuur voor 4 t/m 10 personen

  • Onderwijsfunctie voor personen ouder dan 12 jaar en met 250 t/m 500 personen

  • Kantoorfunctie voor 250 t/m 500 personen

  • Industriefunctie voor 250 t/m 500 personen

  • Bijeenkomstfunctie voor 250 t/m 500 personen

  • Sportfunctie voor 250 t/m 1000 personen

  • Winkelfunctie voor 500 t/m 1000 personen

 

Klasse C - prioriteitsklasse 3 (Controle 1x per 2 jaar)

  • Onderwijsfunctie voor personen ouder dan 12 jaar en met 50 t/m 250 personen

  • Gezondheidszorgfunctie met zelfredzame gebruikers (gezondheidsdiensten)

  • Kantoorfunctie voor 50 t/m 250 personen

  • Industriefunctie voor 50 t/m 250 personen

  • Bijeenkomstfunctie hoge bezetting voor 50 t/m 250 personen

  • Sportfunctie voor 50 t/m 250 personen

  • Winkelfunctie voor 250 t/m 500 personen

  • Industriefunctie voor minder dan 50 personen met gebruikmaking van beheersbaarheid van brand

 

Klasse D - prioriteitsklasse 4 (Incidentele controle)

  • Woongebouw

  • Bijeenkomstfunctie lage bezetting voor 50 t/m 250 personen

  • Winkelfunctie voor 50 t/m 250 personen