Wijziging Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Gelderland 2016

Bekendmaking van het besluit van 14 juli 2020 – 2020-008710 tot wijziging van een regeling

 

Gedeputeerde Staten van Gelderland

Gelet op artikel 1.10 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Gelderland 2016,

 

Besluiten

Artikel I

 

A.

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    In onderdeel e wordt na ‘en maximale vergoedingen’ ingevoegd: Agrarisch natuur- en landschapsbeheer.

  • 2.

    Onderdeel n vervalt;

  • 3.

    De onderdelen o tot en met t worden verletterd tot n tot en met s.

  • 4.

    Onderdeel n komt te luiden:

  • leefgebied: in het natuurbeheerplan begrensde landbouwgronden waarop planten of dieren voorkomen of voor kunnen komen die bepaalde eisen stellen aan de inrichting, het beheer en het gebruik van hun omgeving;

  • 5.

    In onderdeel o vervalt de zinsnede ‘of de landbouwgrond met uitzondering van metingen in het kader van natuur- en landschapsbeheer’.

  • 6.

    Na onderdeel s natuurterrein wordt een nieuw onderdeel t ingevoegd, luidende:

  • normbedrag: bedrag voor de monitoringstoeslag, schapentoeslag, openstellingsbijdrage of de vaartoeslag, dat op grond van artikel 1.2, tweede lid, onder f wordt opgenomen in het openstellingsbesluit;

  • 7.

    In onderdeel v vervalt het woord ‘opengesteld’.

    • a.

      Onderdeel x komt te luiden:

      tarief: tarief voor de in artikel 2.2 genoemde subsidiabele activiteiten, dat op grond van artikel 1.2, tweede lid, onder e wordt opgenomen in het openstellingsbesluit;

  • 8.

    In onderdeel aa vaartoeslag wordt na ‘vergoeding voor’ ingevoegd: transportkosten in verband met.

B.

In artikel 1.5, derde lid, worden de woorden ‘het eerste lid’ vervangen door: het tweede lid.

 

C.

In artikel 2.1, tweede lid, vervallen de woorden ‘en in afwijking van artikel 2.3’.

 

D.

Artikel 2.3 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    Het eerste lid, onderdeel d, vervalt.

  • 2.

    Het tweede lid komt te luiden:

  • Subsidie kan worden geweigerd indien het natuurterrein aan de subsidieontvanger is overgedragen door:

    • a.

      een gemeente;

    • b.

      een samenwerkingsverband als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen waaraan in meerderheid gemeenten deelnemen;

    • c.

      het Rijksvastgoedbedrijf van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

    • d.

      een waterschap; of

    • e.

      een waterleidingmaatschappij.

E.

In artikel 2.4a wordt na ‘steun toegekend krijgt’ ingevoegd: voor de kosten waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

 

F.

Artikel 2.5, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    in onderdeel b wordt na ‘kosten voor monitoring’ ingevoegd: van een natuurterrein.

  • 2.

    In onderdeel d wordt de zinsnede ‘kosten die verband houden met’ vervangen door: kosten voor het transport in verband met.

G.

Artikel 2.6 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    In de aanhef van het tweede lid worden de woorden ‘het tarief’ vervangen door: de subsidie.

  • 2.

    In het tweede lid, wordt na onderdeel c, een nieuw onderdeel d ingevoegd, die luidt:

  • het normbedrag voor de vaartoeslag, vermenigvuldigd met het aantal hectares, elk vermenigvuldigd met zes jaar.

  • 3.

    Het derde lid komt te luiden: Het tarief bedoeld in het eerste lid en de normbedragen bedoeld in het tweede lid, worden verhoogd met de opslag voor de prijsstijging.

H.

Artikel 2.13 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    In het tweede lid, onderdeel a wordt na de woorden ‘uitgezonderd het eerste lid’ een komma ingevoegd.

  • 2.

    In het derde lid wordt het woord ‘toeslagen’ vervangen door: normbedragen.

I.

Artikel 3.13 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    In het eerste lid wordt het woord ‘waarin’ vervangen door: waarvoor.

  • 2.

    Het derde lid komt te luiden:

  • Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om, overeenkomstig de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, de beschikking tot subsidieverlening te wijzigen voor de resterende looptijd van de subsidie voor zover:

    • a.

      de aanvraag voldoet aan de subsidievereisten genoemd in artikel 3.4;

    • b.

      die wijziging leidt tot een verhoging van minimaal € 1.200; en

    • c.

      de vergroting maximaal 20 procent bedraagt van de totale maximale oppervlakte waarvoor reeds een beschikking is afgegeven.

  • 3.

    Na het zesde lid wordt een nieuw zevende lid ingevoegd, die luidt:

  • Het percentage, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, kan met terugwerkende kracht worden gewijzigd ter verkrijging van de goedkeuring van de Europese Commissie.

Artikel II

A.

In Bijlage 1 Index landschap, komt de alinea onder het kopje ‘beheertypen’ te luiden:

 

Dit natuurtype omvat de volgende beheertypen:

  • L01.01 Poel en klein historisch water

  • L01.02 Houtwal en houtsingel

  • L01.03 Elzensingel

  • L01.04 Bossingel en bosje (vervallen)

  • L01.05 Knip- en scheerheg

  • L01.06 Struweelhaag

  • L01.07 Laan

  • L01.08 Knotboom

  • L01.09 Hoogstamboomgaard

  • L01.10 Struweelrand

  • L01.11 Hakhoutbosje

  • L01.12 Griendje

  • L01.13 Bomenrij en solitaire boom

  • L01.14 Rietzoom en klein rietperceel

  • L01.15 Natuurvriendelijke oever

  • L01.16 Bossingel (nieuw per 1-1-2017)

B.

Bijlage 2 Index Natuur en Landschap wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    De alinea onder het kopje ‘Index natuur en landschap’ komt te luiden:

  • Onderdeel natuurbeheertypen.

  • Versie 0.7 12 juni 2016

  • 2.

    Na de alinea met het kopje ‘T.a.v. versie 0.5’ wordt een nieuwe alinea ingevoegd, luidende:

  • t.a.v. versie 0.7

  • In versie 0.7 zijn ten opzichte van versie 0.6 de natuurbeheertypen 05.03 (Veenmoeras) en 05.04 (Dynamisch moeras) toegevoegd. Het natuurbeheertype 05.01 (Moeras) vervalt per 1 januari 2021.

  • 3.

    In de alinea onder het kopje ‘1 natuurbeheertypen’ wordt ’47 beheertypen’ steeds vervangen door: 49 beheertypen.

  • 4.

    Bij het natuurbeheertype N05 Moerassen komt de tekst onder het kopje ‘beheertypen’ te luiden:

  • Dit natuurtype omvat vier beheertypen:

    • N05.01 Moeras (vervallen per 1 januari 2021)

    • N05.02 Gemaaid rietland

    • N05.03 Veenmoeras (nieuw per 1 januari 2021)

    • N05.04 Dynamisch moeras (nieuw per 1 januari 2021)

  • Bij alle typen wordt riet gemaaid, maar met verschillende doelstellingen. In geval van Moeras, Veenmoeras en Dynamisch moeras gebeurt dit vooral om de soortenrijkdom te bewaren, in het geval van Gemaaid rietland ligt de nadruk op de oogst van riet.

  • 5.

    De titel van het natuurbeheertype N05.01 Moeras komt te luiden: N01.05 Moeras (vervallen per 1 januari 2021).

  • 6.

    Na het natuurbeheertype N05.02 Gemaaid rietland worden nieuwe natuurbeheertypen ingevoegd, luidende:

  •  

    N05.03 Veenmoeras (nieuw per 1 januari 2021)

  •  

    Algemene beschrijving

  • Veenmoerassen komen voor op de overgang van water naar land. Ze zijn gelegen in historisch laag- en eventueel hoogveengebieden. Kenmerkend voor deze moerassen is dat ze in de huidige situatie zeer nat zijn, maar een geringe waterdynamiek kennen. Soms is er zelfs sprake van een omgekeerd peil. Hierdoor neemt de snelheid van verbossing en verzuring toe. Om het moeras in stand te houden is daarom intensief beheer nodig.

  •  

  • Typische moerasplanten zijn hoge grassen als riet en rietgras, grote zeggen, biezen en galigaan. Veenmoeras is van groot belang voor vogels, libellen, vissen, amfibieën en enkele zoogdieren als otter, noordse woelmuis en waterspitsmuis. Goed ontwikkelde moerassen behoren tot de soortenrijkste levensgemeenschappen in Nederland, en zijn daarom van groot belang voor de Nederlandse natuur.

  • Veenmoeras omvat open begroeiingen van riet, lisdodde en biezen in water; rietlanden en rietruigten. Hierin weerspiegelt zich de overgang van water naar land. Aan de waterkant vormen losgeslagen planten drijftillen met waterscheerling, zeggen, galigaan en slangenwortel. Het rietland kan vrij open zijn met poeltjes waarin waterplanten groeien, kruidenrijk met diverse orchideeën en blauwe knoop of mosrijk met blad- en levermossen of al ouder met hoog opgaand riet die geleidelijk overgaan in ruigten met moerasspirea of poelruit. Door de grote stapeling van organisch materiaal in oude rietlanden en ruigten kunnen deze vegetaties (tijdelijk) overgaan in een grasrijke vegetatie. De kruidenrijke of mosrijke fase met vrij open riet kan duiden op een wat lagere voedselrijkdom in combinatie met matig zure omstandigheden. In dit milieu kunnen veenmossen zich vestigen. Een deel van de rietlanden wordt gemaaid, maar niet jaarlijks (overjarig riet).

  •  

  • De Nederlandse moerassen zijn vrijwel volledig ontgonnen of verveend geweest; de grote menselijke invloed is in de laagveenmoerassen te herkennen aan het verveningspatroon. Een groot deel wordt bedreigd door vermesting, verdroging en verbossing.

  • Voor een goede kwaliteit en duurzame instandhouding is een fluctuerend waterpeil en een goede waterkwaliteit essentieel. Doordat deze factoren vaak ontbreken is veelal sprake van gebrek aan nieuwvorming en successie waardoor extra beheer nodig is om voldoende oppervlak en kwaliteit te behouden.

  • Veenmoeras kan een voorstadium vormen voor Veenmosrietland en moerasheide en uiteindelijk overgaan in Hoogveen. Ruigte en bosvorming (afhankelijk van peilregime en aanwezigheid van grote herbivoren en beheer) kunnen na verloop van tijd de overhand nemen.

  •  

  • Afbakening

    • Het beheertype Veenmoeras omvat verlandingsvegetaties zoals riet- en biezenvegetaties, natte ruigte en grote zeggenvegetaties.

    • Veenmoeras kan tot 20% uit open water bestaan en tot 10% uit struweel. De zomersituatie geldt hier als referentiepunt.

    • De gemiddelde grondwaterstand in het najaar zakt maximaal tot 40 cm. onder het maaiveld, behoudens eventuele periodieke droogteperioden.

    • Droge rietruigten vallen niet onder dit beheertype maar onder het beheertype Ruigteveld.

    • In de nattere delen varieert de grondwaterstand tussen 0 en -20 cm.

    • Gebieden waar de waterstanddymaniek groot is (meer dan 20 cm verschil tussen zomer en winter) en/of waar regelmatig (gemid. minimaal 1 keer jaar) overstroming met oppervlaktewater plaatsvindt, vallen onder het type N05.04 Dynamisch Moeras.

    • Gebieden die onderdeel uitmaken van het natuurtype Grootschalige dynamische natuur: N01.03 Rivier- en Moeraslandschap, vallen niet onder het type Veenmoeras.

  •  

  • Subsidieverplichtingen

  • Voor natuurbeheerders geldt een algemene beheerverplichting. Dit betekent dat de beheerder het beheertype in stand moet houden. De manier waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf.

  •  

  • Voorbeeldgebieden

  • Onderdelen van Wieden, onderdelen van Weerribben, Rottige Meenthe, Naardermeer, Oostelijke vechtplassen, Botshol en delen van de Nieuwkoopse Plassen.

  •  

  • N05.04 Dynamisch Moeras (nieuw per 1 januari 2021)

  •  

  • Algemene beschrijving

  • Dynamische moerassen zijn moerassen met een hoge waterstand en een dynamisch waterpeil. Ze worden periodiek overstroomd met oppervlakte water. Hierdoor is er minder sprake van verzuring en verbossing, waardoor de beheerintensiteit in deze gebieden lager is dan in veenmoerassen.

  • Deze moerassen’ zijn gesitueerd langs grote wateren en rivieroevers, in oude rivierbeddingen, op (voormalige) buitendijkse gronden, en vaak ook op middels een natuurontwikkelingsproject omgevormde voormalige landbouwgronden, waar een dynamisch peilbeheer kan worden gerealiseerd.

  •  

  • Dynamische Moerassen komen voor op de overgang van water naar land. Het lage deel van Nederland is vrijwel volledig ontstaan als moeras. Het zwaartepunt van de verspreiding ligt in de klei- en riviergebieden van Nederland. Dynamisch moeras ontstaat in voedselrijk water achter de duinen, in overstromingsvlakten van rivieren en beken. De bodems zijn zeer nat, voedselrijk en matig zuur tot neutraal.

  •  

  • Typische moerasplanten zijn hoge grassen als riet en rietgras, grote zeggen en biezen. Dynamisch Moeras is van groot belang voor vogels, vissen, amfibieën en enkele zoogdieren als bever, otter, noordse woelmuis en waterspitsmuis. Moeras omvat open begroeiingen van riet, lisdodde en biezen in water; rietlanden en rietruigten. Hierin weerspiegelt zich de overgang van water naar land. Het rietland kan vrij open zijn met poeltjes waarin waterplanten groeien of al ouder met hoog opgaand riet die geleidelijk overgaan in ruigten met moerasspirea of poelruit. Een deel van de rietlanden wordt gemaaid, maar niet jaarlijks (overjarig riet).

  •  

  • De Nederlandse moerassen zijn vrijwel volledig ontgonnen of verveend; het resterende deel wordt bedreigd door vermesting, verdroging en verbossing. Daarnaast zijn er ook recent moerassen aangelegd. Veel van deze moerassen komen slechts geïsoleerd op een kleine oppervlakte voor en staan onder grote menselijke invloed. Hierdoor zijn er toch beperkingen aan de voor dit type noodzakelijke dynamiek. Ze kunnen daarom geen onderdeel vormen van Grootschalig Rivier en Moeraslandschap (N01.03). In voedselrijke gebieden kunnen ruigte en bosvorming (afhankelijk van peilregime en aanwezigheid van grote herbivoren en beheer) na verloop van tijd de overhand nemen.

  •  

  • Voor een goede kwaliteit en duurzame instandhouding is een natuurlijk fluctuerend waterpeil en een goede waterkwaliteit essentieel. Thans is er veelal sprake van gebrek aan nieuwvorming en versnelde successie waardoor extra beheer nodig is om voldoende oppervlak en kwaliteit te behouden.

  •  

  • Afbakening

    • Het beheertype Dynamisch Moeras omvat verlandingsvegetaties zoals riet- en biezenvegetaties, natte ruigte en grote zeggenvegetaties.

    • Moeras kan tot 20% uit open water bestaan en tot 10% uit struweel. De zomersituatie geldt hier als referentiepunt.

    • De gemiddelde grondwaterstand in het najaar zakt maximaal tot 40 cm onder het maaiveld, behoudens eventuele periodieke droogteperioden.

    • Gebieden waar de waterstanddymaniek beperkt is (minder dan 20 cm verschil tussen zomer en winter) en/of waar niet regelmatig (minimaal 1 keer per jaar) overstroming met oppervlaktewater plaatsvindt, vallen onder het type N05.03 Veenmoeras.

    • Droge rietruigten vallen niet onder dit beheertype maar onder het beheertype Ruigteveld.

    • In de nattere delen varieert de grondwaterstand tussen 0 en -20 cm.

    • Gebieden die onderdeel uitmaken van het natuurtype Grootschalige dynamische natuur: N01.03 Rivier- en Moeraslandschap, vallen niet onder het type Dynamisch Moeras.

       

  • Subsidieverplichtingen

  • Voor natuurbeheerders geldt een algemene beheerverplichting. Dit betekent dat de beheerder het beheertype in stand moet houden. De manier waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf.

  •  

  • Voorbeeldgebieden

  • Moeraslocaties in de Oude Rijnstrangen/Oevers van het Zwarte Meer, het Lauwersmeer, Harderbroek, De Groene Jonker (Nieuwkoopse Plassen), de Onlanden in Noord-Drenthe.

 

  • 7.

    De titel van N16.01 Droog bos met productie [vervalt per 01-01-2018] komt te luiden: N16.01 Droog bos met productie [vervallen per 01-01-2018].

  • 8.

    De tekst onder de titel N16.01 Droog bos met productie komt te vervallen.

  • 9.

    De titel van N16.02 Vochtig bos met productie [vervalt per 01-01-2018] komt te luiden: N16.01 Vochtig bos met productie [vervallen per 01-01-2018].

  • 10.

    De tekst onder de titel N16.02 Droog bos met productie komt te vervallen.

C.

 

In bijlage 3 Koppeltabel wordt ‘artikel 1.1, onderdeel f’ vervangen door: artikel 1.1, onderdeel e.

Artikel III.

Dit wijzigingsbesluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

Gedeputeerde Staten van Gelderland

John Berends

Commissaris van de Koning

Pieter Hilhorst

Secretaris

Gepubliceerd te Arnhem

Gedeputeerde Staten van Gelderland

J.C.G.M. Berends - Commissaris van de Koning

P.G.G. Hilhorst - secretaris

Naar boven