Provinciaal blad van Drenthe

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
DrentheProvinciaal blad 2019, 6912Overige besluiten van algemene strekking



Openstellingsbesluit Samenwerking voor innovaties Biodiversiteit Veenkoloniën 2019

 

Besluit van Gedeputeerde Staten van Drenthe van 15 oktober 2019, kenmerk 5.1/2019002220, team Plattelandsontwikkeling, tot bekendmaking van hun besluit tot vaststelling van het Openstellingsbesluit Samenwerking voor innovaties Biodiversiteit Veenkoloniën 2019

 

 

Gedeputeerde Staten van Drenthe;

 

gelet op artikel 1.3 en paragaaf 2.10 van de Verordening subsidies Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 (Verordening POP3-subsidies provincie Drenthe) (hierna: de Verordening);

 

overwegende dat het wenselijk is dat gecertificeerde agrarische collectieven in de Veenkoloniën in de komende jaren extra activiteiten kunnen uitvoeren, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de verbetering van milieu, klimaatbestendigheid, landschap, ruimtelijke kwaliteit of biodiversiteit en die aansluiten bij de doelen van het Innovatieprogramma Landbouw Veenkoloniën, specifiek voor de onderdelen met betrekking tot de vergroening;

 

 

BESLUITEN:

 

het Openstellingsbesluit Samenwerking voor innovaties Biodiversiteit Veenkoloniën 2019 vast te stellen.

 

 

Dit besluit treedt in werking op de dag na publicatie in het Provinciaal Blad en eindigt van rechtswege op 31 december 2023.

 

Gedeputeerde Staten voornoemd,

 

mevrouw drs. J. Klijnsma, voorzitter

W.F. Brenkman MSc, secretaris

 

 

 

Uitgegeven: 17 oktober 2019

 

 

 

Artikel 1 Openstelling en subsidieplafond

  • 1.

    De maatregel Samenwerking voor innovaties biodiversiteit 2019 Veenkoloniën, zoals opgenomen in hoofdstuk 2, paragraaf 10, van de Verordening, wordt opengesteld van maandag 28 oktober 9.00 uur tot en met vrijdag 15 november 2019 17.00 uur.

  • 2.

    Het subsidieplafond bedraagt € 1.472.096,-- en bestaat voor 100% uit Europese middelen (ELFPO).

 

Artikel 2 Begripsbepalingen

In aanvulling op artikel 1.1 van de Verordening wordt in dit besluit verstaan onder:

  • a.

    SNN: Samenwerkingsverband Noord-Nederland;

  • b.

    Veenkoloniën: het grondgebied van de gemeenten Aa en Hunze, Borger-Odoorn, Coevorden, Emmen, Midden-Drenthe, Tynaarlo, Midden-Groningen, Pekela, Stadskanaal, Veendam en Westerwolde;

  • c.

    gecertificeerd agrarisch collectief: vereniging met volledige rechtsbevoegdheid bestaande uit landbouwers en andere grondgebruikers van landbouwgrond, die beschikt over een geldig certificaat collectief agrarisch natuurbeheer, verleend door Gedeputeerde Staten van de provincie op wier grondgebied haar werkgebied is gelegen;

  • d.

    samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband zoals omschreven in artikel 1.6 van de Verordening.

 

Artikel 3 Doelgroep

  • 1.

    Subsidie op grond van deze openstelling kan worden aangevraagd door:

    • a.

      een gecertificeerd agrarisch collectief;

    • b.

      een samenwerkingsverband van twee of meer gecertificeerde agrarische collectieven; of

    • c.

      een samenwerkingsverband dat bestaat uit een of meerdere gecertificeerde agrarische collectieven samen met landbouwer, producentengroeperingen, coöperaties of brancheorganisatie.

  • 2.

    Samenwerkingsverbanden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, komen slechts voor subsidie in aanmerking indien:

    • a.

      een deelnemende natuurlijke persoon geen eigenaar is van of zeggenschap heeft over een deelnemende rechtspersoon, en

    • b.

      een deelnemende rechtspersoon niet dezelfde eigenaar heeft als een andere deelnemende rechtspersoon.

  • 3.

    Indien de subsidie wordt aangevraagd door een samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, dient een gecertificeerd agrarisch collectief dat deelneemt aan het samenwerkingsverband penvoerder te zijn.

 

Artikel 4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor de activiteiten zoals genoemd in artikel 2.10.1, lid 1, van de Verordening.

 

Artikel 5 Subsidievereisten

  • 1.

    Om voor subsidie als bedoeld in artikel 4 in aanmerking te komen moet worden voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project wordt geheel of grotendeels uitgevoerd in de Veenkoloniën en de resultaten worden verspreid door kennisbijeenkomsten, experimenten, demovelden of studiegroepen;

    • b.

      subsidie wordt alleen verstrekt voor kosten voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van het project;

    • c.

      het project heeft als doel het ontwikkelen, valideren en verfijnen van innovaties met betrekking tot minimaal een van de onderstaande thema’s:

      • i.

        maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht, grondwater en oppervlaktewater en vermindering van uitputting van hulpbronnen en grondstoffen;

      • ii.

        klimaatmitigatie;

      • iii.

        klimaatadaptatie;

      • iv.

        behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit;

      • undefined

         

    • d.

      de activiteiten dragen bij aan:

      • i.

        het streven dat de GLB-steun eenvoudiger wordt en prestaties levert;

      • ii.

        het vergroten van draagvlak bij de boeren in het gebied of de sector waar het project op is gericht, of

      • iii.

        het uitproberen van nieuwe samenwerkingsvormen tussen de partijen die betrokken zijn bij de uitvoering van het project;

  • 2.

    Onverminderd het eerste lid, liggen aan het project ten grondslag:

    • a.

      een projectplan conform format SNN;

    • b.

      een begroting van de kosten en inkomsten van het project conform format SNN;

    • c.

      een toelichting op de begroting;

    • d.

      een sluitend financieringsplan van de kosten van de activiteit, met inbegrip van een opgave van subsidies of vergoedingen die voor dezelfde activiteiten bij andere bestuursorganen, private organisaties of personen zijn aangevraagd, onder vermelding van de stand van zaken daarvan;

    • e.

      een verkenning naar de mogelijke negatieve omgevingseffecten van de investering, indien de aanvraag betrekking heeft op een investering en de investering naar waarschijnlijkheid leidt tot negatieve omgevingseffecten.

  • 3.

    Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend bij Gedeputeerde Staten, via het SNN. De aanvraag kan ingediend worden via het webportal op www.snn.nl/pop3.

 

Artikel 6 Subsidiabele kosten

De subsidiabele kosten genoemd in artikel 2.10.5 van de Verordening komen in aanmerking voor subsidie.

 

Artikel 7 Hoogte subsidie

Subsidie wordt niet verstrekt indien het subsidiebedrag na beoordeling lager is dan € 150.000,--.

 

Artikel 8 Selectiecriteria, weging en selectie

  • 1.

    In aanvulling op artikel 1.15 van de Verordening worden de projecten gerangschikt op volgorde van het aantal behaalde punten, van hoog naar laag.

  • 2.

    In het geval het subsidieplafond zal worden overschreden door een aanvraag waarbij het gevraagde subsidiebedrag hoger is dan het resterende bedrag van het subsidieplafond of indien het subsidiebedrag wordt overschreden door meerdere aanvragen en de onderlinge rangschikking tussen de aanvragen is gelijk, kunnen Gedeputeerde Staten besluiten dat het subsidieplafond wordt verhoogd met het bedrag dat nodig is om de projecten die zorgen voor de overschrijding van het subsidieplafond te subsidiëren.

  • 3.

    Een door Gedeputeerde Staten ingestelde adviescommissie stelt een prioriteitenlijst op middels een rangschikking door het toekennen van punten op grond van de selectiecriteria, zoals opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit.

 

Artikel 9 Bevoorschotting op basis van realisatie (tussentijdse betaling)

  • 1.

    In aanvulling op artikel 1.23 van de Verordening kan vier keer per kalenderjaar een aanvraag om een voorschot (deelbetaling) worden ingediend.

  • 2.

    De hoogte van dit bedrag is in afwijking van artikel 1.23, lid 4, van de Verordening minimaal € 25.000,--.

 

Artikel 10 Realisatie van het project

In afwijking van artikel 1.27, eerste lid, van de Verordening, dient het verzoek tot vaststelling van de subsidie uiterlijk op 31 december 2021 te zijn ingediend.

 

Artikel 11 Inwerkingtreding en horizonbepaling

  • 1.

    Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin het wordt geplaatst.

  • 2.

    Dit besluit vervalt van rechtswege op 31 december 2023.

 

 

 

Bijlage 1 Scoretabel

 

In onderstaande tabel staan de vier criteria voor beoordeling uitgewerkt. Voor elk criterium geldt dat er maximaal 5 punten worden toegekend:

0 punten: zeer geringe bijdrage

1 punt: geringe bijdrage

2 punten: matige bijdrage

3 punten: voldoende bijdrage

4 punten: goede bijdrage

5 punten: zeer goede bijdrage

 

a. Effectiviteit

 

In samenhang worden de volgende aspecten bezien:

  • 1.

    Meerwaarde beoogde innovatie voor doelen van de InnovatieVeenkoloniën – betreft de aanvraag een goede oplossing voor de in de openstelling omschreven doelen van de InnovatieVeenkoloniën, specifiek voor het onderdeel vergroening en biodiversiteit?

  • 2.

    Bijdrage project aan duurzame nieuwe samenwerkingsverbanden – heeft het project voorbeeldwerking, levert het ervaringen op waarmee andere groepen hun voordeel kunnen doen

  • 3.

    Mate van geschiktheid van de beoogde innovatie voor brede toepasbaarheid/uitrol – is er goede kans op snelle vertaling naar de praktijk

  • 4.

    Kwaliteit communicatieplan t.b.v. kennisdeling tijdens het innovatietraject en t.b.v. verspreiding van de resultaten – is er blijk van actieve beoogde koppeling van wetenschappelijke en praktijkkennis, bevat de begroting ruimte voor actieve kennisdeling?

  • 5.

    Ook wordt de hoogte van het gevraagde subsidiebedrag in ogenschouw genomen.

Maximale punten: 5

Wegingsfactor: 4

Totaal maximaal 20 punten

 

b. Kans op succes/haalbaarheid

 

Bij dit criterium wordt in samenhang gekeken naar de volgende aspecten:

  • 1.

    Kwaliteit procesplan voor samenwerking en/of ontwikkeling innovatie – zijn alle randvoorwaarden goed in beeld gebracht en vertaald naar beheermaatregelen, is er goed nagedacht over ruimte voor procesmanagement, is goed nagedacht over risicomanagement, zijn er goede kwaliteitseisen gesteld aan de trekker van het project?

  • 2.

    Blijk van oriëntatie op (technische) haalbaarheid en voor handen kennis – geeft de groep er blijk van zich te hebben georiënteerd of te gaan oriënteren op bestaande kennis, aanbevelingen, best practices en dergelijke rond het beoogde innovatiedoel?

  • 3.

    Blijk van oriëntatie op businessmodel en marktpotentieel – heeft de groep de probleemstelling of kans die ten grondslag ligt aan de beoogde innovatie scherp voor ogen en kijken de aanvragers naar hoe de innovatie in praktijk gebracht kan worden?

  • 4.

    Kwaliteit i.r.t. breedte samenstelling, kennisniveau en werkafspraken samenwerkingsverband – past de samenstelling van de groep bij de ambitie?

  • 5.

    Kennisdeling – zegt de groep toe kennis uit te wisselen en is er blijk van een actieve opstelling hierbij.

Maximale punten: 5

Wegingsfactor: 3

Totaal maximaal 15 punten

 

 

c. Innovativiteit

 

In samenhang worden de volgende aspecten bezien:

  • 1.

    Technisch of sociaal grensverleggend karakter van het innovatie – idee (product, procedé, techniek, concept, aanpak) – hoe bijzonder is het idee?

  • 2.

    Transitie karakter van de innovatie – draagt de innovatie bij aan realisatie van de toekomstbestendige “duurzame landbouw”, d.w.z. inzet op beoogde transitie van benadering kostenreductie en/of verhoogde volumes naar benadering meerwaardecreatie, circulaire bedrijfsvoering/productie en/of sector-overstijgende toepassing (cross-over)?

  • 3.

    Innovatieve waarde van het samenwerkingsverband – ontstaat er nieuwe ketensamenwerking of cross-over samenwerking?

  • 4.

    Toepassingsgebied – is er al een oplossing maar wordt deze niet toegepast en is het project erop gericht om belemmeringen weg te nemen?

  • 5.

    Innovatie infrastructuur – waar wordt de innovatie feitelijk ontwikkeld, geproduceerd en gereed gemaakt voor installatie? Zijn hierbij de ondernemers uit eigen regio/land aan zet? Beogen zij de leiding te nemen bij uitrol elders?

Maximale punten: 5

Wegingsfactor: 2

Totaal maximaal 10 punten

 

 

d. Efficiëntie

 

De efficiëntie wordt bepaald door in samenhang te kijken naar de volgende aspecten:

  • 1.

    Redelijkheid van kosten - staat de begroting (uren en tarieven) in een reële verhouding tot de geplande prestatie? Hoe is dit aannemelijk gemaakt? Hierbij wordt gelet op:

    • -

      Omvang van de totale subsidiabele projectkosten in relatie tot de innovatieopgave

    • -

      Potentiële toepassingsbereik van de innovatie binnen de agrarische sector

  • 2.

    Relevantie van de kosten – wordt de gevraagde bijdrage aan de juiste zaken besteed?

  • 3.

    Efficiënt gebruik van kennis, kunde en arbeid - in hoeverre wordt bestaande kennis goed benut, staat de overhead van het project in redelijke verhouding tot de prestatie?

Maximale punten: 5

Wegingsfactor: 2

Totaal maximaal 10 punten

 

In totaal maximaal 55 punten te behalen. Ondergrens (minimale score) is 33 punten (60%)

 

Toelichting

 

De landbouw in de Veenkoloniën kenmerkt zich door een intensief bouwplan met eens in de twee jaar zetmeelaardappelen, suikerbieten één op vier en als laatste gewas in de rotatie graan, uien of ander gewas. De overgang van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) van inkomenstoeslagen naar een flat rate ha-toeslag impliceert met name voor de telers van zetmeelaardappelen een forse teruggang in inkomen. Om deze negatieve inkomensgevolgen zoveel mogelijk te beperken, werken de provincies Groningen en Drenthe samen aan een innovatieprogramma in de Veenkoloniën. Belangrijke thema’s in dit programma zijn vergroening, verduurzaming en verhogen van de biodiversiteit in het gebied. Deze openstelling is er dan ook op gericht om nieuwe manieren van bedrijfsvoering te bedenken, te onderzoeken en geaccepteerd te krijgen, die enerzijds aan de programmaeisen voldoen maar anderzijds ook de landbouw perspectief bieden.

 

Op de thema’s biodiversiteit, verduurzaming en circulaire landbouw kunnen de Agrarische Natuurcollectieven een belangrijke en verbindende rol spelen en kan deze openstelling een bijdrage leveren aan de vergroening van de Veenkoloniën.

 

Met het GLB zorgt de Europese Unie voor duurzaam, voedzaam, veilig en betaalbaar voedsel in Europa. De Europese Verordening nr. 1305/2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling (hierna: VO (EU) 1305/2013) kent verschillende maatregelen om landbouwers te ondersteunen. Op grond van deze openstelling in het kader van het GLB kan subsidie worden verleend voor de uitvoering van proefprojecten om de landbouw met het oog op het nieuwe GLB in de Veenkoloniën verder te vergroenen en de biodiversiteit te versterken door bijvoorbeeld kringlooplandbouw te versterken en/of meer natuurinclusief te maken. De GLB-doelstellingen die hierbij centraal staan zijn:

  • matiging van en aanpassing aan klimaatverandering en duurzame energie;

  • het bevorderen van duurzame ontwikkeling en efficiënt beheer van natuurlijke hulpbronnen zoals water, bodem en lucht; en

  • het bijdragen tot de bescherming van de biodiversiteit, versterken van ecosysteemdiensten en in stand houden van leefgebieden en landschappen.

 

Vanwege de impact die deze omslag kan hebben op agrariërs is het van belang om samen met agrariërs en andere belanghebbenden te toetsen en demonstreren wat wenselijke en haalbare activiteiten zijn die agrariërs in hun bedrijfsvoering op kunnen nemen. Deze activiteiten kunnen een onderdeel vormen van het toekomstig GLB, zoals te formuleren in het Nationale strategisch plan. Dit is het plan waarin alle interventies worden beschreven die met de toekomstige GLB-middelen worden gefinancierd. Met deze proefprojecten willen we vanuit de Veenkoloniën alternatieven aanbieden.

 

Grondslag voor deze openstelling is artikel 35 van VO (EU) 1305/2013 inzake samenwerking, op grond waarvan steun kan worden verleend ter bevordering van samenwerkingsvormen waarbij ten minste twee organisaties betrokken zijn.

 

Artikel 3 Doelgroep

Er komen drie categorieën van aanvragers in aanmerking voor subsidie op grond van deze openstelling. In alle categorieën spelen de zogenoemde agrarische collectieven een centrale rol: zij kunnen zelf een aanvraag indienen (onderdeel a) of zij kunnen onderdeel zijn van een samenwerkingsverband tussen meerdere agrarische collectieven (onderdeel b) of van een samenwerkingsverband tussen één of meer agrarische collectieven en anderen (onderdeel c).

 

Deze centrale rol van de agrarische collectieven vloeit voort uit de centrale rol die deze collectieven hebben in het agrarisch natuur- en landschapsbeheer, dat een belangrijk instrument in het plattelandsbeleid vormt.

 

Artikel 4 Subsidiabele activiteit

Met deze openstelling wordt specifiek invulling gegeven aan de innovatieontwikkeling biodiversiteit en vergroening in de Veenkoloniën. Projecten dienen daarom in voldoende mate aan te sluiten bij de uitgangspunten zoals beschreven in het innovatieprogramma van de Innovatie Veenkoloniën.

 

De onderdelen a en b bepalen dat subsidie kan worden verleend aan het in gezamenlijkheid ontwikkelen, toetsen en demonstreren van activiteiten die een tweeledig doel dienen. In de eerste plaats dienen ze bij te dragen aan de doelen op het gebied van klimaataanpassing en duurzame energie, een duurzame ontwikkeling en beheer van natuurlijke hulpbronnen en biodiversiteit, het versterken van ecosysteemdiensten en het in stand houden van leefgebieden en landschappen. In de tweede plaats dienen de activiteiten bij te dragen aan het vergroten van draagvlak bij de boeren in het gebied of de sector of het uitproberen van nieuwe samenwerkingsvormen.

 

Bij deze openstelling staat centraal het onderzoeken en demonstreren hoe agrariërs/agrarische collectieven tegen eerlijke voorwaarden kunnen bijdragen aan de GLB-doelstellingen. Deze doelstellingen zijn:

  • matiging van en aanpassing aan klimaatverandering en tot duurzame energie;

  • het bevorderen van duurzame ontwikkeling en efficiënt beheer van natuurlijke hulpbronnen zoals water, bodem en lucht; en

  • het bijdragen tot de bescherming van de biodiversiteit, versterken van ecosysteemdiensten en in stand houden van leefgebieden en landschappen.

 

Artikel 5 Subsidievereisten

In dit artikel wordt het kader gegeven voor de activiteiten waarop het innovatieproject betrekking moet hebben.

 

Omdat dit een openstelling voor de Veenkoloniën betreft, is het van belang dat een project grotendeels in de Veenkoloniën uitgevoerd wordt. Daarnaast moet de Veenkoloniën profijt hebben van de uitvoering van het project. Daarom is een van de vereisten dat de opgedane kennis en resultaten van het innovatieproject breed in de Veenkoloniën gedeeld worden. Dit kan via kennisbijeenkomsten, demonstraties, studiegroepen. Er moet een duidelijk beeld zijn op welke manier aan dit vereiste voldaan zal worden.

 

Een project moet minimaal betrekking hebben op een van de thema's zoals genoemd in lid 1, onder c. Het betrekken van een samenstel van de genoemde thema's zorgt ervoor dat een project bijdraagt aan de verduurzaming van de landbouwsector, op het gebied van mens en milieu.

 

Voor het doen van de aanvraag moet gebruik gemaakt worden van een door het SNN verstrekt aanvraagformulier. Dit is te vinden op www.snn.eu/pop3. Een aanvraag dient (bij voorkeur digitaal) via het SNN ingediend te worden bij de provincie.

 

Artikel 7 Hoogte subsidie

Projecten moeten een bepaalde (financiële) omvang hebben om de administratieve kosten (per project) beheersbaar te houden. Vandaar dat een drempelbedrag is vastgesteld. Het doel is om zoveel mogelijk subsidiegeld te laten landen daar waar het behoort te landen.

 

Deze openstelling is gericht op vergroening en biodiversiteit. Het gaat hier om niet-productieve investeringen. In artikel 1.1, sub g, van de Verordening wordt dit gedefinieerd. Een niet-productieve investering heeft betrekking op natuur, landschap, water, milieu en klimaat. Niet-productieve investeringen zijn die investeringen die geen aanmerkelijke stijging van de waarde of rentabiliteit van het landbouwbedrijf tot gevolg hebben. Niet-productieve investeringen dragen bijvoorbeeld bij aan het milieu en ondersteunen aanpassing aan klimaatverandering (zoals regenwaterbuffers, stuwen, inrichting landschapselementen en verbeteren biodiversiteit). Een investering die gedaan wordt door een onderneming die ofwel daar meer inkomsten mee behaalt ofwel minder kosten gaat maken, heeft betrekking op een productieve investering. Het verhoogt de rentabiliteit van de onderneming en/of de waarde.

 

Artikel 8 Selectiecriteria, weging en selectie

De selectiecriteria zijn een belangrijk sturingsinstrument waarmee in het POP3-programma accenten kunnen worden aangebracht om in te spelen op de regionale en lokale context. De selectiecriteria zijn meetbaar en verifieerbaar en garanderen een gelijke en transparante behandeling van aanvragen. De criteria dragen bij aan een zo goed mogelijk gebruik en doelbereik van de beschikbare financiële middelen.

 

De aanvragen worden geselecteerd op basis van een aantal categorieën van criteria. Deze criteria zijn opgenomen in de scoretabel van bijlage 1 en zijn voorzien van een eigen toelichting. Op basis van de gescoorde punten worden projecten gerangschikt. Projecten die scoren beneden de drempel van 33 punten worden niet gehonoreerd (zie artikel 5).

 

Bij het selectiecriterium effectiviteit gaat het om de bijdrage die het project levert aan de beleidsdoelstellingen. Bij de beoordeling van de te bereiken doelstellingen wordt ook de hoogte van het gevraagde subsidiebedrag in ogenschouw genomen. Bij dit criterium is met name van belang hoe het project bijdraagt aan de doelstelling voor het nieuwe GLB. Daarbij kunnen ook andere elementen worden meegewogen, zoals de bijdrage aan het realiseren van de doelen uit het programma van de Innovatie Veenkoloniën en hoe agrariërs en andere belanghebbenden bij het project worden betrokken. Levert het project ervaringen op waar anderen hun voordeel mee kunnen doen? Kan het resultaat snel breed worden toegepast?

 

Bij het selectiecriterium haalbaarheid gaat het om de kans dat het project succesvol uitgevoerd kan worden en/of succesvol kan worden toegepast binnen de Veenkoloniale en Nederlandse landbouw. Daarbij is dus zowel de kwaliteit en haalbaarheid van het projectplan van belang, als de haalbaarheid van het verspreiden van de innovatieve maatregelen in het projectplan naar een grotere groep landbouwers en andere belanghebbenden. Is het plan voor innovatie en samenwerking voldoende uitgewerkt? Is binnen het project voldoende kennis geborgd? Hoe wordt omgegaan met kennisdeling naar agrariërs en andere belanghebbenden, zowel nationaal als internationaal?

 

De projecten moeten daarnaast zo efficiënt mogelijk uitgevoerd worden. Om dit te kunnen beoordelen, wordt in het algemeen gekeken naar de input (geld, kennis, kunde, overige middelen) die wordt ingezet om de output te kunnen realiseren. Wordt de subsidie aan de juiste zaken besteed? Wordt efficiënt gebruik gemaakt van kennis, kunde en arbeid?

 

Het selectiecriterium innovatie heeft betrekking op zowel de mate van bijdrage aan de GLB-doelstellingen als het samenwerkingsproces als zodanig. Draagt de innovatie bij aan realisatie van een toekomstbestendige landbouw in het GLB, aan een beoogde transitie zoals circulaire landbouw en/of natuurinclusieve landbouw? Leidt het tot een toekomstbestendig boerenlandschap? Is er sprake van sectoroverstijgende toepassing, waarbij innovatief wordt samengewerkt tussen partijen? Zijn agrariërs aan zet, samen met belanghebbenden in hun regio, worden hun innovatieve ideeën uitgewerkt en toegepast?

 

Of alle projecten die 33 punten of meer scoren ook voor subsidie in aanmerking komen, is onder andere afhankelijk van het beschikbare budget. Wanneer het totale bedrag van de aanvragen met 33 punten of meer een hoger is dan de beschikbare middelen subsidieplafond, dan krijgen de aanvragen met de meeste punten voorrang (ranking).

 

De beoordeling van projecten aan de hand van de scoretabel wordt gedaan door een onafhankelijke Adviescommissie ingesteld door Gedeputeerde Staten.

 

Nadat de adviescommissie de projecten heeft beoordeeld op de bijdrage aan de selectiecriteria, volgen een subsidietechnische toets, een financiële toets en een EU-conformiteitstoets.