Provinciaal blad van Zeeland

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
ZeelandProvinciaal blad 2019, 4355Overige besluiten van algemene strekking



Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland houdende openstelling niet-productieve investeringen water 2019 (internationale doelen)

Besluit van Gedeputeerde Staten van Zeeland, van 18 juni 2019, kenmerk 19016948, tot openstelling van de regeling als bedoeld in paragraaf 6 van hoofdstuk 2 niet-productieve investeringen water (internationale doelen) uit de Verordening subsidies Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 (POP-3) Zeeland.

 

Gedeputeerde Staten van Zeeland;

Gelet op artikel 1.3 van Hoofdstuk 1 en paragraaf 6 van Hoofdstuk 2 van de Verordening subsidies plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 (POP-3) Zeeland (Verordening POP-3-subsidies Zeeland)

 

Besluiten:

  • I.

    Open te stellen de regeling niet-productieve investeringen water 2019 (internationale doelen) van de Verordening POP-3-subsidies Zeeland voor de periode van 24 juni 2019, 09.00 uur, tot en met 3 september 2019 , 17:00 uur.

  • II.

    Vast te stellen dat het subsidieplafond € 745.951,-- is en dat dit bedrag volledig bestaat uit ELFPO middelen.

  • III.

    Vast te stellen dat de verdeling van de middelen plaatsvindt op grond van artikel 1.15 van de Verordening POP-3-subsidies Zeeland op grond van een rangschikking van de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen.

  • IV.

    De volgende nadere regels vast te stellen:

 

Artikel 1 Begripsbepalingen

In aanvulling op de begripsbepalingen zoals genoemd in artikel 1.1. van de Verordening subsidies Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP3) 2014-2020 Zeeland wordt in dit besluit verstaan onder:

  • a.

    KRW: Kaderrichtlijn Water, de Europese richtlijn die tot doel heeft uiterlijk in 2027 een goede chemische en ecologische waterkwaliteit te bereiken in alle Europese oppervlaktewateren en grondwateren;

  • b.

    KRW-doelen: doelen gericht op een betere waterkwaliteit, waarmee voldaan wordt aan de vereisten van de Kaderrichtlijn Water. Er zijn ecologische doelen verwoord als goed ecologisch potentieel (GEP) en chemische doelen verwoord als goede chemische toestand (GCT);

  • c.

    KRW-maatregelen: maatregelen die bijdragen aan de realisatie van de Zeeuwse KRW-doelen; deze maatregelen worden beschreven (op hoofdlijnen) in de 'planherziening Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 Europese Kaderrichtlijn Water 2016-2021 en Richtlijn Overstromingsrisico's (ROR)' en het bijbehorende bijlagenrapport met factsheets per waterlichaam;

  • d.

    planherziening Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 Europese Kaderrichtlijn Water 2016-2021 en Richtlijn Overstromingsrisico's (ROR): In deze planherziening omschrijft de Provincie Zeeland de doelen en (op hoofdlijnen)de maatregelen voor de Kaderrichtlijn Water, voor de periode 2016-2021; de planherziening en het bijbehorende bijlagenrapport met factsheets zijn beide te vinden op: http://www.zeeland.nl/water/waterbeleid;

  • e.

    Omgevingsplan Zeeland 2018: Het Omgevingsplan Zeeland 2018 bevat de hoofdlijnen uit alle provinciale beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving. Het gaat over economie, ruimte, mobiliteit, natuur, cultuur, water en milieu. Het plan is integraal. Het Omgevingsplan Zeeland 2018 is gebaseerd op de geldende wet- en regelgeving

  • f.

    Natuurvriendelijke oevers: verbrede oever aanleggen met een gemiddelde breedte van 10 meter (10 meter breedte per km of 1 ha oeverbreedte per km). De oevers worden zodanig ingericht dat er op korte en lange termijn geen onderhoudsknelpunten zoals het afkalven of inzakken van oevers gaan optreden die kunnen leiden tot een toename van de exploitatiekosten;

  • g.

    Verordening POP3-Subsidies Zeeland: Verordening subsidies Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 (POP-3) Zeeland;

  • h.

    Chemische waterkwaliteit: de chemische waterkwaliteit is gericht op het behalen van de richtwaarden uit het 'Besluit kwaliteitseisen en monitoring water' (BKMW, 2009) en de ministeriële regeling monitoring KRW (MR, 2009) die leiden tot een goede chemische toestand van oppervlaktewateren;

  • i.

    Ecologische waterkwaliteit: de ecologische doelen van de waterkwaliteit zijn gericht op het bereiken van een bepaalde samenstelling van (oever)planten en dieren in het water, de bijbehorende milieukwaliteit en de inrichting en het beheer. Nutriënten zoals fosfor en stikstof maken deel uit van de ecologische waterkwaliteit;

  • j.

    Waterbodem: de waterbodem vormt een integraal onderdeel van het oppervlaktewatersysteem. Het verwijderen van de waterbodem kan nodig zijn om de kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen in de waterloop te behalen;

  • k.

    Diffuse bronnen: Zeeland kampt met een aantal stoffen in grond- en oppervlaktewater die niet voldoen aan de normen. De belangrijkste oorzaken zijn uiteenlopende en verspreide veroorzakers (diffuse bronnen). In het landelijk gebied gaat het vooral om emissies uit de landbouw bijvoorbeeld nutriënten en bestrijdingsmiddelen.

Artikel 2 Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Subsidie kan worden verstrekt voor niet-productieve investeringen in het landelijk gebied van Zeeland die betrekking hebben op de (her)inrichting, of transformatie en het beheer van het watersysteem voor landbouw-, water- en klimaatdoelen.

  • 2.

    Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor niet-productieve investeringen als bedoeld in het eerste lid, met een directe link met de landbouw.

Artikel 3 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf wordt alleen verstrekt aan:

  • a.

    waterschappen;

  • b.

    gemeenten;

  • c.

    provincie

  • d.

    samenwerkingsverbanden van een waterschap, provincie of gemeente met een of meer van de volgende partijen: waterschappen, gemeenten, landbouwers, grondeigenaren, grondgebruikers, landbouworganisaties, natuurorganisaties of landschapsorganisaties

Artikel 4 Subsidiehoogte

  • 1.

    De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten;

  • 2.

    De minimale subsidie bedraagt €400.000,-;

  • 3.

    De te verstrekken subsidie mag het subsidieplafond niet overschrijden.

Artikel 5 Subsidiabele kosten

  • 1.

    Subsidie kan worden verstrekt voor de volgende kosten:

    • a.

      de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende zaken;

    • b.

      de kosten van de koop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;

    • c.

      de kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs;

    • d.

      de kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en economisch gebied;

    • e.

      de kosten van haalbaarheidsstudies;

    • f.

      niet-verrekenbare of niet-compensabele BTW;

    • g.

      personeelskosten;

    • h.

      kosten van derden

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid komen voorbereidingskosten ook voor subsidie in aanmerking, met uitzondering van personeelskosten, indien zij gemaakt zijn binnen één jaar voordat de aanvraag om subsidie is ingediend.

  • 3.

    Andere kosten dan vermeld in artikel 5 lid 1 en 2. zijn niet subsidiabel.

Artikel 6 Beoordelingscriteria

Gedeputeerde staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15 van Verordening subsidies POP3 2014-2020 Zeeland de volgende criteria:

 

1. Mate van Effectiviteit

Met dit criterium wordt gekeken naar de effectiviteit van de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd. De investeringen dienen een bijdrage te leveren aan één of meer van de volgende doelen:

  • a.

    die opgenomen zijn in de planherziening Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 Europese Kaderrichtlijn Water 2016-2021 en Richtlijn Overstromingsrisico's (ROR).

  • b.

    die vastgesteld zijn in het Omgevingsplan Zeeland 2018 onder 6.3 . Waterkwaliteit. Maatregelen die bijdragen aan een goede kwaliteit van alle regionale wateren ecologisch en chemisch.

  • c.

    die vastgesteld zijn in het Omgevingsplan Zeeland 2018 onder 6.3 Waterkwantiteit. Het gaat hierbij om maatregelen die bijdragen aan een “Gewenst grond en oppervlaktewater Regime (GGOR).

  • d.

    die vastgesteld zijn in het Omgevingsplan Zeeland 2018 onder 6.5 klimaatadaptatie, hemelwater, gericht op WB21-normering. Het gaat hierbij om maatregelen die bijdragen aan Waterbeheer 21ste eeuw (WB-21) doelstellingen.

Score:

  • 0 punten: geen bijdrage. Het project draagt niet bij aan bovenstaande doelen.

  • 1 punt: geringe bijdrage. Het project draagt in geringe mate bij aan bovenstaande doelen, namelijk door een bijdrage aan slechts één doel.

  • 2 punten: matige bijdrage. Het project draagt matig bij aan bovenstaande doelen als het aan twee of meer doelen bijdraagt.

  • 3 punten: voldoende bijdrage. Het project draagt in voldoende mate bij aan bovenstaande doelen als het aan twee of meer doelen bijdraagt met de nadruk op waterkwaliteit.

  • 4 punten: goede bijdrage. De bijdrage van het project aan bovenstaande doelen is goed als het project aan drie doelen bijdraagt met de nadruk waterkwaliteit.

  • 5 punten. Zeer goede bijdrage. Een project scoort zeer goed op bovenstaande doelen als het project aan alle doelen in grote mate bijdraagt.

De aanvrager dient in zijn onderbouwing inzichtelijk, zowel woordelijk als geografisch, te maken in welke mate waarin wordt bijgedragen aan bovengenoemde doelen, en wel als volgt:

  • Op kaart aangegeven waar welke maatregelen worden uitgevoerd; en waarop tevens is aangegeven de ligging van het gebied waarbinnen de maatregel effect heeft.

  • Voor het desbetreffende gebied: een inschatting van de omvang van de problematiek en het verwachte effect van de maatregelen voor de landbouw.

  • Als de maatregelen ook bijdragen aan KRW-doelen:

    • °

      Een vermelding van de lengte van het traject waarlangs de watergang verbreed en/of natuurvriendelijk ingericht wordt, verifieerbaar op de kaart;

    • °

      Een vermelding van de extra oppervlakte aan verbrede en/of natuurvriendelijke oever die met de maatregelen wordt gerealiseerd, verifieerbaar op de kaart.

2. Haalbaarheid/kans op succes

Met dit criterium wordt naar de haalbaarheid van de investering gekeken. In samenhang worden de volgende aspecten bezien:

  • in projectplan opgenomen vereisten aan de kwaliteit (deskundigheid, ervaring) van de projectleider,

  • hoe realistisch is het projectplan,

  • zijn relevante partijen voldoende bij de uitvoering van het plan betrokken,

  • kent het project een realistische planning, opzet en begroting,

  • mate waarin het project al is voorbereid/snel in uitvoering kan worden genomen, waarbij wordt gekeken naar het al dan niet reeds verworven zijn van de benodigde grond, het draagvlak voor het plan en de mate waarin vergunningen reeds zijn verkregen.

Score:

  • 0 punten: geen van genoemde aspecten scoort voldoende

  • 1 punt: één van genoemde aspecten scoort voldoende

  • 2 punten: twee van genoemde aspecten scoren voldoende

  • 3 punten: drie van genoemde aspecten scoren voldoende

  • 4 punten: vier van genoemde aspecten scoren voldoende

  • 5 punten: vijf van genoemde aspecten scoren voldoende

 

3. Efficiëntie

Bij dit criterium wordt beoordeeld of de input (geld, kennis, kunde en overige middelen) efficiënt wordt ingezet om de gewenste output te realiseren. Daarbij wordt bezien of de opgevoerde kosten passend zijn (worden de resultaten met de juiste middelen gehaald?), wordt gekeken in hoeverre de proceskosten die in het project gemaakt worden in verhouding staan tot de feitelijke projectkosten én wordt bezien of binnen het project op een goede manier gebruik gemaakt wordt van reeds bestaande kennis en kunde.

De efficiëntie wordt bepaald door de redelijkheid van de projectkosten. Daarbij zal worden beoordeeld worden in hoeverre:

  • a.

    de begroting (uren en tarieven) zich reëel verhoudt tot de geplande prestatie,

  • b.

    de gevraagde bijdrage aan de juiste zaken besteed wordt,

  • c.

    efficiënt gebruik gemaakt wordt van beschikbare bronnen (kennis, kunde, middelen).

Score:

  • 0 punten: kosten zijn ondoelmatig en beschikbare bronnen worden niet benut

  • 1 punt: kosten zijn onvoldoende doelmatig en beschikbare bronnen worden onvoldoende benut

  • 2 punten: kosten zijn matig doelmatig en beschikbare bronnen worden matig benut

  • 3 punten: kosten zijn voldoende doelmatig en beschikbare bronnen worden voldoende benut

  • 4 punten: kosten zijn goed doelmatig en beschikbare bronnen worden goed benut

  • 5 punten: kosten zijn zeer doelmatig en beschikbare bronnen worden zeer goed benut

4. Urgentie

Bij dit criterium gaat het om de vraag in hoeverre de opgave(n) die aangepakt worden geïdentificeerd zijn als opgaven die noodzakelijk aangepakt dienen te worden en op welke termijn die aanpak noodzakelijk is.

  • 0 punten indien er sprake is van een opgave die die op grond van in het openstellingsbesluit weergegeven provinciale plannen noodzakelijk is, maar die op grond van die plannen pas op zeer lange termijn aangepakt hoeft, dat wil zeggen na 2027

  • 1 punt op basis van een op grond van in het openstellingsbesluit weergegeven provinciale plannen noodzakelijke opgave die op grond van die plannen pas op langere termijn aanpak hoeft, dat wil zeggen tussen 2024 en 2027

  • 2 punten op basis van een op grond van in het openstellingsbesluit weergegeven provinciale plannen noodzakelijke opgave die op grond van die plannen pas binnen afzienbare termijn aangepakt moet worden, dat wil zeggen in 2023

  • 3 punten op basis van een op grond van in het openstellingsbesluit weergegeven provinciale plannen noodzakelijke opgave die op grond van die plannen op korte termijn aangepakt moet worden, dat wil zeggen in 2022

  • 4 punten op basis van een op grond van in het openstellingsbesluit weergegeven provinciale plannen noodzakelijke opgave die op grond van die plannen snel aangepakt moet worden, dat wil zeggen in 2021

  • 5 punten indien er sprake is van een op grond van in het openstellingsbesluit weergegeven provinciale plannen noodzakelijk opgave, die op grond van die plannen onmiddellijk aangepakt moet worden, dat wil zeggen z.s.m., doch uiterlijk in 2020.

Artikel 7 Wegingsfactoren en Rangschikking

Na sluiting van de openstellingstermijn worden alle aanvragen beoordeeld op basis van de selectiecriteria uit artikel 6 gerangschikt naar score. Het puntentotaal per project wordt samengesteld uit de te behalen punten op basis van deze methodiek:

  • a.

    het criterium bedoeld in artikel 6 het eerste lid (Mate van effectiviteit), heeft een wegingsfactor 4;

  • b.

    het criterium bedoeld in artikel 6 het tweede lid (Haalbaarheid/kans op succes), heeft een wegingsfactor 2;

  • c.

    het criterium bedoeld in artikel 6 het derde lid (Efficiency), heeft een wegingsfactor 2;

  • d.

    het criterium bedoeld in artikel 6 het vierde lid (Urgentie), heeft een wegingsfactor 1.

Maximaal kunnen dus 45 punten behaald worden. Een aanvraag komt voor subsidie in aanmerking indien hij minimaal 60% van het maximaal te behalen aantal punten scoort, dus 27 punten.

 

Artikel 8 Rangschikking bij gelijke score en onvoldoende budget

Indien het beschikbare subsidieplafond ontoereikend is voor alle voor subsidie in aanmerking komende projecten die gelijk scoren, vindt in aanvulling op artikel 8 rangschikking op de volgende wijze plaats. Ingeval van gelijke score prevaleren projecten die hoger scoren op het hoogste onderscheidende criterium, dus in de volgorde 7.1 (Effectiviteit), 7.3 (Efficiëntie), 7.2 (Haalbaarheid), 7.4 (urgentie). Hoewel Efficiëntie een gelijke wegingsfactor kent als Haalbaarheid, prevaleert in de rangschikking het belang van Efficiëntie boven Haalbaarheid. Als ook dit geen onderscheid oplevert, vindt de keuze plaats door middel van loting.

 

Artikel 9 Adviescommissie

Gedeputeerde staten stellen voor de rangschikking van de subsidieaanvragen als bedoeld in artikel 8 van deze openstelling een adviescommissie in als bedoeld in artikel 1.14 van de verordening.

 

Artikel 10 Weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 van de verordening wordt subsidie geweigerd als:

  • a.

    de te verstrekken subsidie van het project lager is dan €400.000,-

  • b.

    het gewogen aantal behaalde punten, zoals berekend op basis van artikel 7, lager is dan 27.

  • c.

    indien de activiteit bedoeld is om aan een wettelijke verplichting te kunnen voldoen.

Artikel 11 Citeertitel en inwerkingtreding

Dit besluit wordt aangehaald als Openstellingsbesluit niet-productieve investeringen water 2019 (internationale doelen) en treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin hij wordt geplaatst.

 

 

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van gedeputeerde staten van Zeeland van 18 juni 2019.

Drs. J.M.M. Polman, voorzitter

A.W. Smit, secretaris

Uitgegeven 20 juni 2019

De secretaris A.W. Smit

Toelichting bij het Openstellingsbesluit

 

Algemeen

Schoon en ecologisch gezond water ontstaat niet vanzelf. Het water in Zeeland moet uiterlijk in 2027 voldoen aan de doelen van de Europese Kaderrichtlijn Water. De ecologische doelen zijn gericht op het bereiken van een bepaalde samenstelling van (oever)planten en dieren in het water, de bijbehorende milieukwaliteit en de inrichting en het beheer. De chemische waterkwaliteit is gericht op het behalen van de richtwaarden die leiden tot een goede chemische toestand van oppervlaktewateren. Bijvoorbeeld door emissies van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen te verminderen.

 

Via de volgende link is een overzicht van de KRW waterlichamen te vinden: https://zldgwb.zeeland.nl/geoloket/?Viewer=Kaderrichtlijn.

De doelen voor de KRW, met name de ecologische doelen van het waterbeleid worden nog slechts in beperkte mate gehaald en normen voor grond- en oppervlaktewater worden ook op veel plekken niet gehaald. Dit wordt mede veroorzaakt door de sterk op snelle afvoer gerichte watergangen in agrarisch gebied. De opgave is daarom het ecologisch functioneren van het watersysteem in het agrarisch gebied te verbeteren door bijvoorbeeld het herstel van de natuurlijke hydrologie en morfologie en door de emissies van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen te verminderen. Daarnaast is het van belang efficiënt om te gaan met onze hulpbronnen.

Op grond van dit openstellingsbesluit kunnen subsidies worden verstrekt voor niet-productieve investeringen in of nabij watersystemen. De investeringen moeten een bijdrage leveren aan de doelstellingen zoals beschreven in de Kaderrichtlijn Water en de 2e nota duurzame gewasbescherming. Zoals bijvoorbeeld het verminderen van emissies van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen door het aanleggen van natuurvriendelijke oevers en om het ecologisch functioneren van het watersysteem te verbeteren, of het aanleggen van een vispassage. De investeringen moeten tevens een directe relatie hebben met de landbouw.

Het openstellingsbesluit vormt samen met de Verordening subsidies Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP3) 2014-2020 Zeeland het kader waaraan aanvragen om subsidie moeten voldoen.

Het onderhavige besluit betreft de openstelling van een subsidieregeling met betrekking tot paragraaf 2.6 van de verordening, niet-productieve investeringen water. Subsidiëring is mogelijk voor projecten op het gebied van met name waterkwaliteit, zie de beoordelingscriteria

 

Artikel 2. Subsidiabele activiteiten

Lid 1. Het begrip niet-productieve investering (NPI) betekent dat de investering niet leidt tot een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van het landbouwbedrijf of een andere onderneming. Een investering moet om als NPI aangemerkt te kunnen worden dus primair gericht zijn op het behalen van de agromilieuklimaatdoelstellingen, waarbij eventuele productieve elementen slechts “bijvangst” zijn.

 

Lid 2. Link met de landbouw.

Projecten dienen een direct verband met landbouwactiviteiten te hebben. Dit verband moet expliciet beschreven worden in de subsidieaanvraag.

 

Artikel 3. Doelgroep

De doelgroep is een verenging van artikel 2.6.2. van de verordening. Voor indieners van een samenwerkingsverband verwijzen we naar artikel 1.6 van de Verordening subsidies Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP3) 2014-2020 Zeeland.

 

Artikel 4. Subsidiehoogte

Om projecten van enige omvang te verkrijgen, en aldus de uitvoeringskosten van de regeling te beperken, is ten aanzien van de het subsidiebedrag een minimumgrens opgenomen van 400.000 euro.

 

Artikel 5. Subsidiabele kosten

Lid 1. Kosten waarvoor subsidie kan worden verstrekt.

Het aantal subsidiabele kostencategorieën is minder dan de in artikel 2.6.3. lid 1 en lid 2 van de verordening genoemde lijst.

Er wordt geen subsidie verstrekt voor:

  • de kosten van koop van tweedehands installaties en machines tot maximaal de marktwaarde van de activa omdat de marktwaarde van deze goederen is zeer lastig vast te stellen;

  • de kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken, omdat de doelstelling van de regeling publiek van aard is, terwijl octrooien, licenties, auteursrechten en merken alle zijn aan te merken als privaat belang;

  • afschrijvingskosten, omdat zij zeer moeilijk zijn te becijferen. De bewijskosten zijn vaak hoger dan de POP3-opbrengsten in subsidiegeld, de kans op fouten en dus boetes is groot;

  • de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware. Deze zijn niet direct te relateren aan de doelstelling van de openstelling.

Artikel 6. Beoordelings criteria

De selectie van aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen zal plaatsvinden via een zogenaamde ‘tender-methode’: alle tijdig ingediende aanvragen worden, indien ze voldoen aan de voorwaarden om voor subsidie in aanmerking te komen, gescoord op basis van vier criteria.

 

Artikel 7. Wegingsfactoren

In dit artikel worden de gewichten aan de verschillende criteria toegekend. Aan het criterium ‘mate van effectiviteit’ wordt de hoogste wegingsfactor (vier) toegekend. De effectiefste activiteiten dragen het meeste bij aan de beleidsdoelen. Daarna volgt het criterium Efficiëntie (wegingsfactor twee). Het belang van dit criterium zit hem in de doelmatige besteding van beschikbaar budget. Het criterium Haalbaarheid kent tevens de wegingsfactor twee, om het belang van de realisatiekans te onderstrepen. Het criterium urgentie kent de laagste score (één) budget.

 

Artikel 8 Rangschikking

Indien de score tenminste gelijk is aan het minimum aantal punten (27 punten) komen de projecten voor subsidie in aanmerking. Is het beschikbare subsidieplafond ontoereikend dan gaan projecten met hogere scores voor.

In het geval er meerdere aanvragen op dezelfde plaats gerangschikt worden en vanwege het bereiken subsidieplafond niet al die aanvragen kunnen worden gehonoreerd wordt prioriteit gegeven aan de aanvraag met de hoogste score op het criterium ‘mate van effectiviteit’. Indien de aanvragen even hoog scoren op het criterium ‘mate van effectiviteit’, dan wordt prioriteit gegeven aan de aanvraag met de hoogste score op het criterium ‘efficiëntie’. Scoren de aanvragen ook op dit criterium even hoog, dan wordt prioriteit gegeven aan de aanvraag die het hoogst scoort op het criterium ‘haalbaarheid’. Scoren de aanvragen ook op dit criterium even hoog, dan wordt prioriteit gegeven aan de aanvraag die het hoogst scoort op het criterium ‘urgentie’. Scoren de aanvragen ook op dit punt even hoog, dan beslist het lot welke aanvraag wordt gehonoreerd.

 

Artikel 10

Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor bovenwettelijke activiteiten. In het Programmadocument POP3 is in het maatregelfiche ‘niet-productieve investeringen water’ opgenomen dat geen investeringen worden ondersteund om aan eisen te voldoen die direct voortvloeien uit de EU-richtlijnen. Omdat deze zin voor meer dan één uitleg vatbaar was, is in de notificatie POP3 deze passage scherper geformuleerd, namelijk: "Voor deze submaatregel is de investering er op gericht verder te gaan dan de eisen die direct en rechtstreeks voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water of 2e nota duurzame gewasbescherming, zoals beschreven in de basismaatregelen KRW (artikel 11, lid 3, onder a t/m l, KRW) en omschreven in de ‘Samenvatting maatregelprogramma’ Schelde 2016-2021.

 

De samenvatting maatregelenprogramma kent de volgende hoofdstukken:

Hoofdstuk 1. Communautaire waterbeschermingswetgeving. Dit betreft het implementeren van de Europese richtlijnen in de nationale wetgeving.

Hoofdstuk 2. Overige basismaatregelen. Dit betreft onder andere maatregelen die op basis van generiek beleid worden genomen, gericht op een duurzaam en efficiënt watergebruik, puntbronnen, diffuse bronnen, waterbeweging en hydromorfologie, directe lozing van stoffen in grondwater, prioritaire stoffen en ter voorkoming van calamiteiten.

Hoofdstuk 3. Aanvullende maatregelen, met onderscheid naar:

  • -

    Gebiedsgerichte maatregelen, die te herleiden zijn naar een specifieke locatie, op grond van artikel 11, lid 4 van de KRW.

  • -

    Extra maatregelen, waarmee wordt gedoeld op Maatregelen op grond van artikel 11, lid 5 van de KRW.

Hoofdstuk 4. Maatregelen voor specifieke knelpunten. Hieronder worden onder andere verstaan de aanpak van gewasbeschermingsmiddelen, nutriënten en aanpak van knelpunten in de inrichting van een watersysteem.

 

Van deze maatregelen komen alleen de maatregelen als bedoeld in hoofdstuk 3 en 4 voor POP3 subsidie in aanmerking. Hoofdstuk 1 en 2 zijn maatregelen die direct voortvloeien uit de EU-richtlijnen en zijn ‘wettelijk verplicht’. Ook activiteiten die op grond van een bijvoorbeeld de keur van het waterschap verplicht zijn, zoals mitigerende maatregelen, komen niet voor subsidie in aanmerking.

In de toetsing van aanvragen in het kader van de Uitvoeringsregeling POP3 zal hiermee rekening worden gehouden.