Provinciaal blad van Zuid-Holland

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Zuid-HollandProvinciaal blad 2019, 4317Overige besluiten van algemene strekking



Rectificatie van het Besluit van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland van 8 januari 2019, PZH-2018-671299077 (DOS-2015-0007878), houdende het toekennen van mandaat en machtiging aan de directeur van de Omgevingsdienst Midden-Holland (Mandaatbesluit van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland voor de Omgevingsdienst Midden-Holland 2019).

[Deze publicatie betreft een rectificatie vanwege kennelijke verschrijvingen]

 

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,

 

gelet op:

afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht;

de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Midden-Holland;

 

besluiten:

vast te stellen het Mandaatbesluit van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland voor de Omgevingsdienst Midden-Holland 2019.

 

Artikel 1 Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • Bureauhoofd: hoofd van het bureau Milieu van de provinciale organisatie Zuid-Holland

  • Basistaken Brzo-inrichtingen: de taken en activiteiten, bedoeld in artikel 7.1, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht, voor zover deze betrekking hebben op de categorieën van inrichtingen, bedoeld in artikel 5.3, vierde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, met inbegrip van de daaraan verbonden bevoegdheid tot het nemen van besluiten;

  • Directeur Omgevingsdienst: directeur van de Omgevingsdienst Midden-Holland;

  • Geografisch gebied van de Omgevingsdienst: gebied behorende tot de gemeenten van de deelnemers als bedoeld in artikel 1, onderdeel i jo. j, van de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Midden-Holland;

  • Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland;

  • Inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer;

  • Omgevingsdienst: Omgevingsdienst Midden-Holland;

  • Portefeuillehouder: lid van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland dat zich bezig houdt met het betreffende beleidsterrein;

  • Provinciale Staten: Provinciale Staten van Zuid-Holland;

  • Secretaris: secretaris van de provincie Zuid-Holland.

Artikel 2 Mandaat en ondermandaat

  • 1.

    Aan de directeur Omgevingsdienst wordt mandaat verleend overeenkomstig de bij dit besluit behorende mandaatlijst, op voorwaarde dat het dagelijks bestuur van de Omgevingsdienst, zo nodig met terugwerkende kracht, daarmee instemt.

  • 2.

    Het mandaat heeft betrekking op het geografisch gebied van de Omgevingsdienst, tenzij in dit besluit of de bij dit besluit behorende mandaatlijst anders is bepaald.

  • 3.

    Het mandaat heeft geen betrekking op de basistaken Brzo-inrichtingen.

  • 4.

    De directeur Omgevingsdienst kan het hem verleende mandaat eenmaal ondermandateren aan leidinggevenden die onder zijn verantwoordelijkheid vallen, tenzij dat ten aanzien van een concreet mandaat in de mandaatlijst is uitgesloten.

  • 5.

    Het mandaat houdt zowel een beslissings- als een ondertekeningsmandaat in.

  • 6.

    De algemene mandaten zoals omschreven in de mandaatlijst, kunnen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van besluiten die voortvloeien uit of verband houden met een ander besluit waartoe de directeur Omgevingsdienst bevoegd is krachtens dit mandaatbesluit.

  • 7.

    Indien ten gevolge van wijziging van wet- en regelgeving bevoegdheden als bedoeld in dit besluit en de bij dit besluit behorende mandaatlijst gaan strekken ter uitvoering van andere wet- en regelgeving dan waarvan zij ten tijde van het in werking treden van dit besluit strekten, dan wel indien in de uitoefening ten gevolge van een dergelijke wijziging veranderingen optreden, blijven zij, voor zover hun strekking en omvang door die wijziging niet wezenlijk veranderen, behoren tot de bevoegdheden zoals genoemd in dit besluit en de bij dit besluit behorende mandaatlijst, die aan de Omgevingsdienst zijn opgedragen.

Artikel 3 Machtiging

  • 1.

    De directeur Omgevingsdienst, alsmede de functionarissen aan wie overeenkomstig artikel 2, vierde lid, ondermandaat is gegeven, alsmede door de directeur Omgevingsdienst aangewezen niet-leidinggevende medewerkers, zijn gemachtigd om namens Gedeputeerde Staten aan de gemandateerde bevoegdheden gelieerde feitelijke handelingen te verrichten, zijnde handelingen die geen rechtsgevolg hebben.

  • 2.

    Onder het eerste lid wordt mede verstaan het uitoefenen van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, alsmede het bepaalde bij of krachtens de in artikel 5.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht genoemde wetten, juncto artikel 5.2 van die wet.

Artikel 4 Kaders en beleid

  • 1.

    De directeur Omgevingsdienst betrekt bij de uitoefening van de aan hem opgedragen bevoegdheden de relevante, door Provinciale Staten vastgestelde kaders alsmede het door Gedeputeerde Staten gehanteerde beleid en de door Gedeputeerde Staten gehanteerde bestendige gedragslijn(en).

  • 2.

    Het bureauhoofd zorgt ervoor dat de directeur Omgevingsdienst over alle benodigde informatie, noodzakelijk voor de uitoefening van de bevoegdheden, kan beschikken.

  • 3.

    Het bureauhoofd treedt bij voorgenomen nieuw beleid of beleidswijzigingen in overleg met de directeur Omgevingsdienst over uitvoeringsaspecten.

  • 4.

    De directeur Omgevingsdienst treedt in overleg met het bureauhoofd, indien hij het noodzakelijk acht, af te wijken van de in het eerste lid bedoelde kaders of beleid.

 

Artikel 5 Informatieplicht

  • 1.

    De directeur Omgevingsdienst informeert het bureauhoofd en de portefeuillehouder indien de uitoefening van een gemandateerde bevoegdheid naar verwachting politieke of maatschappelijke gevolgen kan hebben of indien een besluit tot consequentie kan hebben dat de provincie of Gedeputeerde Staten aansprakelijk worden gesteld of anderszins aangesproken worden. In de gevallen bedoeld in de vorige volzin verschaft de directeur Omgevingsdienst tijdig vooraf alle benodigde informatie en voert hij overleg met het bureauhoofd en de portefeuillehouder alvorens de bewuste bevoegdheid uit te oefenen.

  • 2.

    Van een situatie zoals bedoeld in het eerste lid is in ieder geval sprake bij de volgende besluiten en/of situaties:

    • a.

      Bij overschrijden van de wettelijke beslistermijn bij vergunningverleningsprocedures zonder wederzijdse overeenstemming over termijnverlenging;

    • b.

      Een vergunningverleningsprocedure bij een aandachtsbedrijf, een nieuw te vestigen bedrijf of een uitbreiding waardoor er meer milieugebruiksruimte wordt aangevraagd dan reeds vergund;

    • c.

      Wob- en/of informatieverzoeken vanuit de media;

    • d.

      Wanneer tijdens een vergunningverleningsproces er een samenloop is met andere overheden die negatieve invloed heeft op de procesgang;

    • e.

      Bij risico op ernstige gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu;

    • f.

      Bij onderwerpen waarvan het redelijkerwijs voorzienbaar is dat deze op de agenda komen te staan van de Tweede Kamer of van Provinciale Staten;

    • g.

      Bij situaties met mediagevoelige casuïstiek;

    • h.

      Bij mogelijke financiële aansprakelijkheidsstelling of andere niet voorziene kosten voor de provincie.

  • 3.

    De directeur Omgevingsdienst pleegt altijd vooroverleg met het bureauhoofd en de portefeuillehouder bij toepassing van mandaten die door de directeur Omgevingsdienst niet in ondermandaat mogen worden gegeven aan onder zijn verantwoordelijkheid vallende leidinggevenden, tenzij dat ten aanzien van een concreet mandaat in de mandaatlijst anders is bepaald.

  • 4.

    Van een situatie zoals bedoeld in het derde lid is in ieder geval sprake bij de volgende besluiten en/of situaties:

    • a.

      Bij bezwaar- en beroepsprocedures waarbij Gedeputeerde Staten op voorhand een (overwogen) bestuurlijke risicoafweging maken;

    • b.

      Het opleggen last onder dwangsom en/of het, na het bedrijf gehoord te hebben (hoorbrief), besluit tot afzien van opleggen last onder dwangsom;

    • c.

      Het voornemen tot opleggen en het opleggen van een last onder bestuursdwang

    • d.

      Het vaststellen van een gedoogbeschikking;

    • e.

      De voortgang van bezwaar- en beroepsprocedures, inclusief mediationgesprekken.

  • 5.

    De directeur Omgevingsdienst en de secretaris, of hun plaatsvervangers, overleggen minimaal twee keer per jaar over de uitvoering en voortgang van de opgedragen taken, de toepassing van de mandaten, het budget en de werkzaamheden in het kader van dit besluit.

  • 6.

    De directeur Omgevingsdienst en de secretaris, of diens plaatsvervanger, overleggen minimaal één keer per jaar over de samenwerking tussen de omgevingsdienst en de provincie.

  • 7.

    De directeur Omgevingsdienst brengt drie keer per jaar schriftelijk verslag uit aan Gedeputeerde Staten over de gebruikmaking van de in mandaat uitgeoefende bevoegdheden. Hierbij wordt gerapporteerd over alle mandaten die niet ondergemandateerd mogen worden, met een toelichting over elk onbevoegd genomen besluit, de (mogelijke) financiële en/of juridische risico’s hiervan, de genomen maatregelen ter reparatie van het besluit, alsmede de genomen maatregelen om herhaling te voorkomen.

    Tevens wordt gerapporteerd over alle overige mandaten; waarbij een a-selecte steekproef van 5% met een minimum van één besluit per mandaatnummer wordt genomen. Indien hierbij onbevoegd genomen besluiten worden geconstateerd, wordt een toelichting gegeven over de (mogelijke) financiële en/of juridische risico’s, de genomen maatregelen ter reparatie van het besluit, alsmede de genomen maatregelen om herhaling in de toekomst (idem) te voorkomen. Voor deze rapportages wordt gebruik gemaakt van door Gedeputeerde Staten verstrekte formulieren.

Artikel 6 Ondertekening

  • 1.

    Indien een besluit wordt genomen op grond van artikel 2, eerste lid, wordt voor de ondertekening het volgende model gebruikt:

    Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,

    namens dezen, gevolgd door de ondertekening en naam van de directeur,

    directeur van de Omgevingsdienst Midden-Holland.

  • 2.

    Indien een besluit wordt genomen krachtens artikel 2, vierde lid, wordt voor de ondertekening het volgende model gebruikt:

    Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,

    namens dezen,

    gevolgd door de ondertekening en naam van de functionaris,

    hoofd [naam organisatie-eenheid] van de Omgevingsdienst Midden-Holland.

Artikel 7 Intrekking

Het Mandaatbesluit van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland voor de Omgevingsdienst Midden-Holland van 12 december 2017, PZH-2017-623604455 (Provinciaal blad 2017, 5853) wordt ingetrokken.

 

Artikel 8 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin het wordt geplaatst.

 

Artikel 9 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland voor de Omgevingsdienst Midden-Holland 2019.

 

 

 

 

Den Haag, 8 januari 2019

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,

Drs. H.M.M. Koek, secretaris

Drs. J. Smit, voorzitter

MANDAATLIJST Omgevingsdienst Midden-Holland 2019

 

 

BEVOEGDHEDEN/BESLUITEN

TOELICHTING/VOORWAARDEN

 

Algemeen

 

 

 

 

RAA01

Besluiten in bestuursrechtelijke procedures:

N.b. Op een verzoek om toepassing van rechtstreeks beroep kan op grond van art. 10:3 Awb niet worden beslist door degene die het besluit waartegen een bezwaar zich richt in mandaat heeft genomen.

 

-    Proceshandelingen in bestuursrechtelijke procedures zoals het voeren van verweer, indien het besluit in mandaat is genomen door de directeur Omgevingsdienst of een onder zijn verantwoordelijkheid vallende leidinggevende.

 

 

-    Besluiten inzake verzoeken om toepassing van rechtstreeks beroep (art. 7:1a Awb).

 

 

 

 

 

 

 

RAA02

Besluiten op grond van:

 

 

a.     art. 4:5 en 4:6, Awb (vereenvoudigde wijze van afdoen en afdoen herhaalde aanvraag);

 

 

b.     art. 4.7 en 4:8, Awb (horen);

 

 

c.     afdeling 4.1.3, Awb (opschorten beslistermijn);

 

 

d.     besluiten over dwangsommen bij niet tijdig beslissen;

 

 

e.     titel 4.4, Awb (bestuursrechtelijke geldschulden) met uitzondering van. afdeling 4.4.4, Awb (aanmaning en invordering bij dwangbevel);

 

 

f.      art. 8:51a, 8:51b, 8:51c, 8:80a en 8:80b, Awb (bestuurlijke lus en tussenuitspraak);

 

 

g.     afdeling 3.4 Awb (openbare voorbereidingsprocedure van toepassing verklaren).

 

 

 

 

 

 

 

RAA03

- Het eenmalig danwel doorlopend machtigen van medewerkers of externe adviseurs om Gedeputeerde Staten te vertegenwoordigen in bestuursrechtelijke procedures.

Kan niet in ondermandaat worden gegeven.

 

- Het eenmalig dan wel doorlopend machtigen van medewerkers of externe adviseurs om namens Gedeputeerde Staten ter zitting, binnen de grenzen van het geschil en het daarmee gepaarde gaande financiële belang, mee te werken aan finale geschillenbeslechting en toezeggingen ten aanzien daarvan te doen.

 

 

 

Artikel 5, derde lid van het mandaatbesluit is niet van toepassing.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

RAA04

-    Het aanwijzen van functionarissen voor het voeren van mediationgesprekken en voor het aangaan en ondertekenen van mediationovereenkomsten.

Vaststellingsovereenkomsten als resultaat van mediationgesprekken mogen alleen in mandaat worden aangegaan en ondertekend, indien het conflict zijn oorsprong vindt in een besluit dat is genomen door de directeur Omgevingsdienst of een onder zijn verantwoordelijkheid vallende leidinggevende.

 

-    Het maken van afspraken en het aangaan en ondertekenen van vaststellingsovereenkomsten naar aanleiding van mediationgesprekken.

 

 

 

 

 

 

Kan niet in ondermandaat worden gegeven.

 

 

 

 

 

Artikel 5, derde lid van het mandaatbesluit is voor wat betreft het aanwijzen van functionarissen voor het voeren van mediationgesprekken niet van toepassing.

 

 

 

 

 

 

RAA05

Besluiten op bezwaarschriften op grond van de Awb conform advies van de bezwarencommissie (art. 7:11, Awb) indien het primaire besluit genomen is door een onder de verantwoordelijkheid van de directeur Omgevingsdienst vallende leidinggevende.

Omvat mede besluiten in het kader van de voorbereiding, zoals toepassing van art. 2:2 (weigeren raadsman of vertegenwoordiger) en 7:10 (verdagen beslistermijn), Awb.

 

 

 

 

 

Kan niet in ondermandaat worden gegeven.

 

 

 

 

 

Artikel 5, derde lid van het mandaatbesluit is niet van toepassing.

 

 

 

 

 

 

RAA06

Het aanwijzen van personen belast met het houden van toezicht.

 

 

 

 

 

 

 

RAA07

Het aanvragen en verantwoorden van subsidies op basis van regelingen van andere overheidsorganen, het Rijk en de Europese Unie, alsmede het aangaan van uitvoeringsovereenkomsten ter verkrijging van deze subsidies.

De uitgezonderde besluiten blijven voorbehouden aan Gedeputeerde Staten.

 

 

 

 

Het mandaat heeft geen betrekking op:

Kan niet in ondermandaat worden gegeven.

 

-   het besluit om als leadpartner op te treden en daarmee (mede) de verantwoordelijkheid te dragen voor de uitvoering van projecten door derden;

 

 

-   het besluit om Gedeputeerde Staten te committeren aan het vaststellen van een subsidieregeling.

 

 

 

 

 

 

 

RAA08

Besluiten in het kader van het beheren van een zekerheidstelling.

 

 

 

 

 

 

 

RAA09

Het uitoefenen van de bevoegdheden op grond van de Wet Bibob, met uitzondering van het verwerken van het advies “ernstig gevaar” van het Landelijk Bureau Bibob.

Het vragen van advies aan het Landelijk Bureau Bibob en het verwerken van dit advies kan niet in ondermandaat worden gegeven.

 

 

 

 

 

Artikel 5, derde lid van het mandaatbesluit is niet van toepassing op het vragen van advies.

 

 

 

 

 

NB. Het mandaat omvat mede het, voorafgaand aan het vragen van advies aan het Landelijk Bureau Bibob, uit te voeren eigen onderzoek. Het verwerken van het advies “ernstig gevaar” van het Landelijk Bureau Bibob is voorbehouden aan Gedeputeerde Staten.

 

 

 

 

 

 

RAA10

Het uitoefenen van bevoegdheden op grond van de Wob.

Het mandaat omvat zowel de bevoegdheid tot het nemen van besluiten en het verrichten van handelingen strekkend tot passieve openbaarmaking (art. 3 Wob), als tot het nemen van besluiten en het verrichten van handelingen strekkend tot actieve openbaarmaking (art. 8 Wob).

 

 

 

 

 

Uitoefening van het mandaat vindt plaats met inachtneming van een door het college van Gedeputeerde Staten te geven werkinstructie Wob, alsmede met inachtneming van de door het college van Gedeputeerde Staten vastgestelde beleidsregels inzake actieve openbaarheid, zoals deze op het moment waarop het onderhavige mandaat wordt uitgeoefend geldend zijn.

 

 

 

 

 

Onverminderd het bepaalde in artikel 5, eerste en derde lid van het mandaatbesluit, zendt de directeur van de omgevingsdienst in de eerste week van elke kalendermaand een overzicht aan Gedeputeerde Staten van alle bij de omgevingsdienst ingediende verzoeken om passieve openbaarheid, alsmede informatie over de stand van zaken van in de behandeling zijnde verzoeken.

 

 

 

 

BEVOEGDHEDEN/BESLUITEN

TOELICHTING/VOORWAARDEN

 

Vergunningverlening

 

 

 

 

RMV01

Besluiten omtrent:

Betreft:

 

a.  vergunningen op grond van de Wabo, tenzij sprake is van besluiten op grond van art 3.1 Bor of besluiten die strijdig zijn met een provinciaal ruimtelijk belang;

- procedurestappen;

 

b.  het stellen van nadere voorwaarden na een gebruiksmelding brandveilig gebruik of sloopmelding op grond van het Bouwbesluit 2012;

- ontwerpbesluit;

 

c.  maatwerkvoorschriften en besluiten op gelijkwaardigheidsverzoeken op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

- besluit.

 

 

Daaronder vallen zowel vergunningverlening als intrekking van de vergunning.

 

Geldt niet voor besluiten op grond van:

 

 

- art. 3 Wet Bibob;

 

 

- hoofdstuk 2 van de Wabo met betrekking tot provinciale wegen, en voor zover betrekking hebbend op omgevingsvergunningen voor wegaansluitingen op provinciale wegen, reclame-uitingen op gebouwen, beplantingen en enkelvoudige uitwegen (enkelvoudige omgevingsvergunning).

 

 

 

 

 

Het mandaat geldt eveneens niet met betrekking tot inrichtingen waarop het Brzo van toepassing is of waartoe een installatie behoort voor een industriële activiteit in categorie 4 van Bijlage 1 van de RIE.

 

 

 

 

 

 

 

RMV02

Besluiten op grond van de Wabo:

Daaronder vallen zowel de verklaring van geen bedenkingen voor één onderdeel van de omgevingsvergunning als de verklaring van geen bedenkingen voor het totaal van de onderdelen van de omgevingsvergunning.

 

- een wettelijk advies op grond van art. 2.26, Wabo;

 

 

- een verklaring van geen bedenkingen op grond van art. 2.27 of 2.28, Wabo, aan het bevoegd gezag voor een onderdeel van de omgevingsvergunning zoals bedoeld in de artikel 6.8 Bor, behoudens als het wettelijk verplicht advies uitsluitend betrekking heeft op een provinciale weg;

 

 

- een verzoek aan de gemeente tot wijziging of intrekking van een door de gemeente afgegeven omgevingsvergunning, voor zover dit verzoek betrekking heeft op één of meerdere provinciale taken, behoudens als deze taak uitsluitend betrekking heeft op het provinciale wegbeheer.

 

 

 

 

 

Besluiten op grond van artikel 11 Interimwet stad-en-milieubenadering.

 

 

 

 

 

Geldt niet voor besluiten op grond van artikel 6.5 lid 4 en art 6.6 lid 1 Bor.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

RMV04

Besluiten op grond van hetgeen is bepaald bij of krachtens hoofdstuk 8, 10, 13, 14, 17 en 19 Wm.

NB: de vergunningverlenende taak op grond van artikel 10:63 Wm is opgedragen aan Omgevingsdienst Midden-Holland voor het gehele grondgebied van de provincie. 

 

 

 

 

Het mandaat geldt niet met betrekking tot inrichtingen waarop het Brzo van toepassing is of waartoe een installatie behoort voor een industriële activiteit in categorie 4 van Bijlage 1 van de RIE.

 

 

 

 

 

 

 

RMV06

Besluiten op grond van hetgeen is bepaald bij of krachtens het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen.

Betreft het verlenen van ontheffing voor bepaalde afvalstoffen.

 

 

 

 

 

 

RMV09

Besluiten op grond van het Vuurwerkbesluit.

 

 

 

 

 

 

 

RMV11

Besluiten op grond van art. 10.63, tweede lid, Wm.

Betreft mede slootdempingen met houtachtig materiaal.

 

 

 

 

Geldt voor het gehele grondgebied van Zuid-Holland.

 

 

 

 

 

 

 

RMV13

Besluiten in het kader van de MER, niet zijnde plannen en structuurvisies (hoofdstuk 7 Wm).

Betreft mede:

 

 

- procedurestappen;

 

Het mandaat geldt niet met betrekking tot inrichtingen waarop het Brzo van toepassing is of waartoe een installatie behoort voor een industriële activiteit in cat.4 van Bijlage 1 van de RIE.

- advies reikwijdte en detailniveau MER;

 

 

- besluit MER-beoordeling;

 

 

- aanvaardbaarheidsverklaring (op grond van overgangsregels).

 

 

 

 

 

Ingeval het besluit betrekking heeft op een activiteit die plaatsvindt op het grondgebied van meerdere omgevingsdiensten, geldt het mandaat voor de gehele activiteit. In dat geval wordt in overleg tussen de betrokken omgevingsdiensten en het bureauhoofd van de provincie bepaald wie het besluit in mandaat neemt.

 

 

 

 

 

 

RMV14

Besluiten op grond van hetgeen is bepaald bij of krachtens de Whvbz.

 

 

 

 

 

Geldt voor het gehele grondgebied van Zuid-Holland.

 

 

 

 

 

 

 

 

BEVOEGDHEDEN/BESLUITEN

TOELICHTING/VOORWAARDEN

 

Toezicht en Handhaving

 

 

 

 

RH01

Besluiten omtrent gedoogbeschikkingen.

Kan niet in ondermandaat worden gegeven.

 

 

 

 

 

 

RH02

Besluiten betreffende het uitoefenen van toezicht op naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet- en regelgeving zoals gemandateerd in dit besluit in de mandaatnummers RMV01 t/m RMV14

Betreft mede:

 

 

a.   voorwaarschuwingsbrief;

 

 

b.   accepteren van een melding of beoordelen van rapportages op grond van vergunningvoorschriften;

 

 

c.    nemen van goedkeuringsbesluiten op basis van vergunningvoorschriften;

 

 

d.   beoordelen van milieujaarverslagen overeenkomstig de bij of krachtens titel 12.3 Wm gestelde regels;

 

 

e.   vorderingen om informatie in het kader van de controle op de naleving van regelgeving, alsmede de reacties op de in dit verband toegezonden informatie (art. 5.16, Awb).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

RH02A

Het naar aanleiding van de kenbaar gemaakte zienswijze(n) afzien van bestuursrechtelijk handhavend optreden.

Kan niet in ondermandaat worden gegeven.

 

 

 

 

 

 

RH03

Besluiten op verzoeken van derden om bestuursrechtelijk handhavend op te treden.

 

 

 

 

 

 

 

RH04

Besluiten op grond van Titel 5.3 en Titel 5.4, Awb (herstelsancties en bestuurlijke boete).

Betreft mede het besluit tot het opleggen van een spoedeisende last onder bestuursdwang, dan wel het toepassen van spoedeisende bestuursdwang, conform art. 5.31, Awb juncto 5.17, Wabo, dan wel de schriftelijke bekrachtiging van de mondelinge aanzegging daartoe.

 

 

 

 

Voor zover het overtredingen van de WHVBZ betreft, geldt dit mandaat voor het gehele grondgebied van Zuid-Holland.

De verplichting tot het plegen van vooroverleg, als bedoeld in artikel 5, eerste en derde lid, is niet van toepassing bij een direct gevaar voor de menselijke gezondheid, dan wel dreiging daarvan, dan wel bij aanmerkelijke gevolgen voor het milieu. In dat geval worden de portefeuillehouder en het bureauhoofd van de provincie zo spoedig mogelijk door de directeur Omgevingsdienst geïnformeerd over de toepassing van het mandaat.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Besluiten tot het opleggen van een last onder dwangsom en tot het opleggen van een last onder bestuursdwang kunnen niet in ondermandaat worden gegeven.

 

 

 

 

 

 

RH05

Besluiten op grond van hetgeen is bepaald bij of krachtens de Wabo.

 

 

 

 

 

Het mandaat geldt niet met betrekking tot inrichtingen waarop het Brzo van toepassing is of waartoe een installatie behoort voor een industriële activiteit in categorie 4 van Bijlage 1 van de RIE.

 

 

 

 

 

 

 

RH05A

Besluiten op grond van hetgeen is bepaald bij of krachtens de Whvbz.

Betreft mede:

 

 

a.  op verzoek om ontheffing op grond van artikel 5 Whvbz;

 

Geldt voor het gehele grondgebied van Zuid-Holland.

b.  tot het stellen van nadere voorschriften als bedoeld in art. 7, eerste lid, Whvbz;

 

 

c.  inzake negatief zwemadvies;

 

 

d.  inzake zwemverbod op grond van Whvbz;

 

 

e.  op grond van art. 12, eerste lid, art. 2a, zevende lid en art. 37 Bhvbz;

 

 

f.   verzoek op grond van art. 2b, zesde lid en art. 2c, derde lid Bhvbz en het, indien nodig, horen hieromtrent;

 

 

g   voorwaarschuwingen en hoorbrieven in het kader van deze besluiten.

 

 

 

 

 

 

RH06

Besluit op grond van hetgeen is bepaald bij of krachtens het Vuurwerkbesluit.

 

 

 

 

 

 

 

RH07

Besluiten op grond van hetgeen is bepaald bij of krachtens artikel 1.1a, hoofdstuk 8, 10, 13, 14, 17 en 19 Wm.

Bij ongewone voorvallen en gevallen waarbij de stabiliteit van afvalvoorzieningen in het geding is, zal in spoedeisende gevallen voorafgaand vooroverleg niet altijd mogelijk zijn. Artikel 5, eerste en derde lid, is dan niet van toepassing. In dat geval worden portefeuillehouder en bureauhoofd van de provincie zo spoedig mogelijk geïnformeerd over de toepassing van het mandaat.

 

 

 

 

Het mandaat geldt niet met betrekking tot inrichtingen waarop het Brzo van toepassing is of waartoe een installatie behoort voor een industriële activiteit in categorie 4 van Bijlage 1 van de RIE.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

RH08

Besluiten op grond van hetgeen is bepaald bij of krachtens:

 

 

-    de Ontgrondingenwet;

 

 

-    de PMV;

 

 

-    het Besluit geluidproductie sportmotoren.

 

 

 

 

 

 

 

RH09

1. Toezicht/handhaving op het aanwezig hebben van een begeleidingsbrief bij het vervoer van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

Betreft een mandaat op grond van art. 18.2c Wm (taak om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de bij of krachtens hoofdstuk 10 gestelde verplichtingen, voor zover zij betrekking hebben op het aanwezig hebben van een begeleidingsbrief bij het vervoer van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 10.44 Wm).

 

2. Vorderingen om informatie in het kader van de controle op de naleving van regelgeving, alsmede de reacties op de in dit kader toegezonden informatie.

 

 

 

Dit mandaat heeft met name betrekking op vervoer tussen bedrijven.

 

 

 

 

 

 

RH10

Besluiten in het kader van omgevingsvergunningen voor zover het betreft de PMV, waarbij Gedeputeerde Staten niet het bevoegd gezag zijn.

Betreft mede:

 

 

-    het verzoek om handhaving bij een gemeente als bedoeld in art. 5.20, eerste lid, Wabo (Indien na ambtelijk/bestuurlijk overleg door de gemeente geen gevolg wordt gegeven aan het handhavingsadvies kan een formeel verzoek om handhaving worden ingediend bij de gemeente);

 

 

-    het ingebreke stellen van een gemeente indien niet tijdig wordt besloten op het handhavingsverzoek (Alvorens tot ingebrekestelling wordt overgegaan, dient eerst nog ambtelijk/bestuurlijk overleg plaats te vinden).

 

 

 

 

 

Kan niet in ondermandaat worden gegeven.

 

 

 

 

 

 

 

BEVOEGDHEDEN/BESLUITEN

TOELICHTING/VOORWAARDEN

 

Bodem

 

 

Onderzoeksfase bodemsaneringsprojecten

 

 

 

 

RBS01

Besluiten op grond van art. 48 en 49, Wbb.

Betreft het uitvoeren van onderzoek en van saneringen, alsmede stakings- en gedoogbevelen

 

 

 

 

Besluiten op basis van de Wet bodembescherming

 

 

 

 

RBS02

Besluiten op grond van art. 30, 32, Wbb, met betrekking tot het treffen van maatregelen bij ongewone voorvallen

Kan niet in ondermandaat worden gegeven.

 

 

 

 

 

 

RBS03

Het uitvoeren van maatregelen bij ongewone voorvallen als bedoeld in de art. 30, 32, Wbb, die zijn genomen met behulp van RBS02

Omvat niet de besluiten tot het nemen van maatregelen bij ongewone voorvallen als bedoeld in de art. 30en 32, Wbb

 

 

 

 

 

 

RBS04

Besluiten in het kader van meldingen nieuwe verontreinigingen en historische verontreinigingen voor wat betreft:

Omvat niet de besluiten tot inzet van het bevelsinstrumentarium.

 

a. procedurestappen;

 

 

b. ontwerpbesluiten;

 

 

c. definitieve besluiten.

 

 

 

 

RBS05

Besluiten op grond van art. 43 Wbb, met betrekking tot de inzet van het bevelsinstrumentarium.

Kan niet in ondermandaat worden gegeven.

 

 

 

 

 

 

RBS06

Het voorbereiden en uitvoeren van besluiten op grond van art. 43 Wbb, met betrekking tot de inzet van het bevelsinstrumentarium, die zijn genomen met RBS05.

Omvat niet de besluiten tot de inzet van het bevelsinstrumentarium.

 

 

 

 

 

 

RBS06A

Besluiten op grond van de art. 55ab en 55b, Wbb (handhaving onderzoeksplicht en saneringsplicht).

Kan niet in ondermandaat worden gegeven.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

RBS07

Besluiten op grond van de art. 70 en 71, Wbb (gedogen van onderzoek en inzet middelen).

Kan niet in ondermandaat worden gegeven.

 

 

 

 

 

 

RBS08

Het voorbereiden en uitvoeren van besluiten op grond van art. 70 en 71, Wbb (gedogen van onderzoek en inzet middelen), die zijn genomen met behulp van RBS07.

Omvat niet de besluiten tot het gedogen van onderzoek en inzet middelen

 

 

 

 

 

 

RBS09

Besluiten op grond van art. 50, lid 1, Wbb (vordering van gebruik of eigendom onroerende zaken of beperkte rechten).

Kan niet in ondermandaat worden gegeven.

 

 

 

 

 

 

 

Besluit Verbond/Bsb

 

 

 

 

RBS10

Besluiten in het kader van de uitvoering van het besluit Verbond c.q. Bsb-operatie met uitzondering van de in RBS11 bedoelde besluiten.

 

 

 

 

 

 

 

RBS11

Ontwerpaanwijzing ex. Besluit verplicht bodemonderzoek bedrijfsterreinen op grond van verkennend onderzoek van art. 4, Besluit Verbond.

Kan niet in ondermandaat worden gegeven.

 

 

 

 

Overig

 

 

 

 

RBS12

Vaststellen/aanpassen meldingsformulier als bedoeld in art. 6.2, PMV.

 

 

 

 

 

 

 

RBS13

Besluiten inzake subsidieverstrekking voor de sanering van bedrijfsterreinen, zoals bedoeld in het Besluit financiële bepalingen bodemsanering tot een bedrag van max.

 

 

€ 100.000.

 

 

 

 

 

 

 

RBS13A

Besluiten inzake subsidieverstrekking voor de sanering van bedrijfsterreinen zoals bedoeld in het Besluit financiële bepalingen bodemsanering waarbij een bedrag boven de € 100.000 is gevraagd/toegekend, voor zover het betreft:

 

 

-    verlenging beslistermijn;

 

 

-    wijziging uitvoeringstermijn;

 

 

-    vaststelling subsidie;

 

 

-    wijzigingen van ondergeschikt belang.

 

 

 

 

 

 

 

RBS14

Besluiten omtrent het afstand doen van recht van kostenverhaal op grond van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging artikel 75 lid 6 Wet bodembescherming.

 

 

 

 

 

 

 

RBS15

Besluiten op grond van de Wet bodembescherming in het kader van de nazorg van gesaneerde bodemsaneringslocaties.

Betreft:

 

 

-    meldingen en adviesaanvragen;

 

 

-    verzoek om toestemming voor bodemonderzoek, monitoring en nazorgmaatregelen;

 

 

-    aanmeldingen schademelding bij verzekeraar of schade-expert.

 

 

 

 

 

 

Lijst van afkortingen

Art.: artikel

Awb: Algemene wet bestuursrecht

Bhvbz: Besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden

Bibob: bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur

Bor: Besluit omgevingsrecht

Brzo: Besluit risico's zware ongevallen 2015

B sb : Bodemsanering bedrijfsterreinen

MER: Milieueffectrapportage

PMV: Provinciale milieuverordening Zuid-Holland

RIE: Richtlijn industriële emissies

Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Wbb: Wet bodembescherming

Whbvz: Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden

Wm: Wet milieubeheer

Wob: Wet openbaarheid bestuur

 

 

 

Toelichting

 

Algemeen

Wat is mandaat?

Om te voorkomen dat een bestuursorgaan alle besluiten zelf moet nemen is in de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geregeld dat besluiten ook namens het bestuursorgaan kunnen worden genomen. Deze bevoegdheid om namens een bestuursorgaan een besluit te nemen staat bekend als mandaat. Onder besluit dient op grond van artikel 1:3, eerste lid, Awb te worden verstaan, een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Dit laatste betekent dat de schriftelijke beslissing gericht moet zijn op een rechtsgevolg. Indien de handeling van of namens een bestuursorgaan niet is gericht op rechtsgevolg, dan is er sprake van een feitelijke handeling. De bevoegdheid om namens iemand anders een feitelijke handeling en een privaatrechtelijke rechtshandeling te verrichten heet machtiging, respectievelijk volmacht. De overkoepelende term voor al deze figuren is (evenzeer) machtiging.

Kenmerkend voor mandaat is dat er geen overdracht van bevoegdheden plaatsvindt. De uitoefening van het mandaat geschiedt namens en dus onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan dat het mandaat verleent. Het bestuursorgaan, in dit geval dus Gedeputeerde Staten, behoudt ondanks de mandaatverlening altijd de bevoegdheid om zelf de besluiten te nemen. Overigens is het altijd mogelijk dat Gedeputeerde Staten een mandaat voor een speciale aangelegenheid verlenen, een zogenaamd ad hoc mandaat. Is een mandaat daarentegen structureel bedoeld, dan is opname in de bij dit algemeen mandaatbesluit behorende mandaatlijsten aangewezen.

Kaders

Gelet op het feit dat het mandaat wordt uitgeoefend namens Gedeputeerde Staten, is besluitvorming conform regelgeving, beleid en gedragslijnen van Gedeputeerde Staten geboden. Onder beleid wordt tevens verstaan een bestendige gedragslijn die via individuele besluiten wordt geformaliseerd en kenbaar gemaakt.

In dat licht is eveneens van belang dat Gedeputeerde Staten, en derhalve dus ook hum mandatarissen zich houden aan de procedures en termijnen die gelden voor afdoening van besluiten. Dit houdt in dat Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (uniforme openbare voorbereidingsprocedure) slechts daar wordt toegepast waar dat voorgeschreven is, tenzij Gedeputeerde Staten in individuele gevallen anders besluiten.

Indien de uitoefening van een bevoegdheid naar verwachting politieke of maatschappelijke gevolgen kan hebben dan wel tot consequentie kan hebben dat de provincie aansprakelijk wordt gesteld, dan dient voorafgaande aan de uitoefening van die bevoegdheid vooroverleg plaats te vinden met het bureauhoofd en de portefeuillehouder. Dit vooroverleg houdt verband met een van de functies van de omgevingsdienst: het zijn van de oren en ogen van Gedeputeerde Staten in de Zuid-Hollandse samenleving.

Gedeputeerde Staten hechten zeer aan zo adequaat mogelijke informatievoorziening vanuit de omgevingsdiensten; met name indien er sprake is van de uitoefening van gemandateerde bevoegdheden met mogelijk politieke, maatschappelijke of financiële gevolgen. Daarom is de informatieplicht in deze mandaatregeling verder gepreciseerd om zo de nauwe betrokkenheid van Gedeputeerde Staten bij de uitvoering te blijven garanderen.

Tenslotte moet nog worden opgemerkt dat voorzien is dat in 2019 een nieuwe Omgevingsverordening van kracht zal worden die gedeeltelijk de huidige PMV zal vervangen. Hiermee verandert de grondslag voor een aantal gemandateerde bevoegdheden in het kader van dit besluit. Bij gelijktijdige besluitvorming zal dan ook de mandaatregeling hierop moeten worden aangepast. Daarom zal de aanpassing van de mandaatregeling in dezelfde besluitvorming als vaststelling van de Omgevingsverordening worden meegenomen.

Het mandaatsysteem

Het mandaatsysteem is te typeren als een gesloten systeem. Alleen wat daadwerkelijk is benoemd of ingesloten kan in mandaat worden afgedaan. Op grond van artikel 10.4 Awb moet de mandaatnemer instemmen met het ontvangen mandaat; een dergelijke instemming kan ook impliciet worden gegeven.1

Werkingsgebied

Het werkingsgebied is in beginsel geografisch bepaald en betreft het grondgebied van de gemeenten die zijn aangesloten bij de desbetreffende omgevingsdienst.

De zogenaamde geconcentreerde taken zijn ondergebracht bij één bepaalde omgevingsdienst, maar betreffen het hele grondgebied van de provincie Zuid-Holland.

De algemene mandaten (mandaten beginnend met “RAA”) betreffen uitsluitend de bevoegdheden die samenhangen met de opgedragen taken, te weten handhaving (mandaten beginnend met “RH”), vergunningen (mandaten beginnend met “RMV) en bodemsanering (mandaten beginnend met “RBS”). De algemene mandaten ‘liften’ dus als het ware mee met de specifieke mandaten (artikel 2, vijfde lid).

Ambtelijk mandaat = besluitvorming + ondertekening

Gedeputeerde Staten geven mandaat aan de directeur van de omgevingsdienst. In de bij het mandaatbesluit behorende lijst (bijlage) staan de besluiten opgesomd, die namens Gedeputeerde Staten kunnen worden genomen.

Het mandaat betreft zowel een beslissingsmandaat als een ondertekeningsmandaat. Met andere woorden, degene die namens Gedeputeerde Staten mag beslissen, is tevens bevoegd het betreffende besluit, alsmede uitgaande brieven namens Gedeputeerde Staten te ondertekenen. Concreet betekent dat dat besluitvorming en ondertekening in één hand liggen.

Ondermandaat

Deze regeling biedt in het algemeen de mogelijkheid aan de directeur het verkregen mandaat onder te mandateren, tenzij dit uitdrukkelijk is uitgesloten in een specifiek mandaat.

Het verlenen van ondermandaat dient altijd schriftelijk te geschieden en te worden gepubliceerd.

Machtiging

Zoals hiervoor is aangegeven, houdt mandaat in de bevoegdheid om namens een bestuursorgaan een besluit te nemen. Indien de handeling van of namens een bestuursorgaan niet is gericht op rechtsgevolg, dan is er sprake van een feitelijke handeling. In artikel 3 is geregeld dat tevens de aan de mandaatbevoegdheden gelieerde feitelijke handelingen in het mandaat zijn inbegrepen. Daarmee zien de mandaten niet alleen op de vergunningverlening, ontheffingverlening of hoe ook genaamd sec, maar ook op de hieraan verbonden uitoefening van wettelijk voorgeschreven taken en bevoegdheden die geen rechtsgevolg hebben.

Vertegenwoordiging

In de mandaatlijst is een bepaling opgenomen ten aanzien van de mogelijkheid tot vertegenwoordiging van Gedeputeerde Staten in rechte (RAA04). In praktijk gaat het om vertegenwoordiging van het Gedeputeerde Staten bij bestuursrechtelijke procedures. Het kan zowel om een algemene als om een incidentele machtiging gaan.

Rapporteren over mandaten

Gedeputeerde Staten zullen hiertoe een format verstrekken.

Leeswijzer mandaatlijsten

De RAA-nummers betreffen algemene mandaten waarvan alle gemandateerden binnen hun reguliere werkzaamheden gebruik kunnen maken.

De daaropvolgende mandaten (RMV, RH, RBS,) betreffen specifiek belegde mandaten. De rubricering binnen de mandaatlijst is een aanwijzing binnen welk organisatieonderdeel de mandaten kunnen worden uitgeoefend.

De reikwijdte van het mandaat behoort in beginsel duidelijk te zijn uit de tekst in de linkerkolom. De mandaten zijn in de linkerkolom zo kernachtig mogelijk geformuleerd, waarbij in beginsel de meest verstrekkende bevoegdheid is aangeduid: wie het meerdere mag, mag ook het mindere. Om niet alle besluitmogelijkheden te moeten benoemen is hierbij veelal gebruik gemaakt van “besluiten omtrent”. In principe houdt “omtrent” dus alle besluiten in, tenzij expliciet anders opgenomen.

Daar waar “betreft mede” is gebruikt, is bedoeld desalniettemin een niet limitatieve opsomming als voorbeeld te noemen.

Daar waar “besluiten tot” is gebruikt, heeft dat alleen betrekking op het onmiddellijk hierop volgende. In de rechterkolom kan wel, als daaraan behoefte bestaat, (de omvang van) het mandaat worden toegelicht. Naast een toelichting is de rechterkolom tevens bedoeld voor het opnemen van voorwaarden bij het mandaat, bij voorbeeld een periodieke rapportageverplichting. Tevens staat in de rechterkolom aangeduid wanneer het mandaat is voorbehouden aan de directeur en er dus geen ondermandaat kan worden verleend.