Gedeputeerde Staten van Utrecht;
gelet op de artikelen 13, 27, 28, 29, 37 en 38 van de Wet bodembescherming;
gelet op het Besluit bodemkwaliteit;
gelet op de Richtlijn voor het omgaan met niet-genormeerde stoffen (bijlage 6 bij de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013);
gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
Overwegende
dat Gedeputeerde Staten van Utrecht bevoegd gezag zijn in het kader van de Wet bodembescherming;
dat PFOS, in het kader van de Wet bodembescherming en aanverwante regelgeving, een niet-genormeerde stof is;
dat PFOS veelvoorkomende toepassingen kent die tot bodemverontreiniging kunnen hebben geleid dan wel kunnen leiden;
dat PFOS een zogenaamd persistente stof is, die niet afbreekt in bodem en/of water en die op kan hopen in voedselketens
dat het Rijk geen normen of beleid heeft opgesteld voor PFOS als een stof die bodemverontreiniging kan veroorzaken;
dat de toepassing van de Wet bodembescherming complex is vanwege het ontbreken van landelijke normen en beleid voor PFOS;
dat door het ontbreken van normen en beleid voor PFOS er een kans is op een onjuiste inschatting van milieuhygiënische risico’s van in de bodem of waterbodem aanwezige PFOS, hetgeen tot een overschatting of onderschatting van de aanpak van een PFOS verontreiniging kan leiden met risico’s voor mens, dier en plant;
dat Gedeputeerde Staten van Utrecht het vanwege deze overwegingen van belang vinden en wenselijk achten dat er op een milieuhygiënisch verantwoorde en eenduidige wijze met PFOS-verontreinigingen wordt omgegaan;
dat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) op verzoek van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland milieukwaliteitswaarden voor PFOS heeft afgeleid waarbij het RIVM zoveel mogelijk dezelfde methoden heeft gehanteerd die het RIVM hanteert bij het bepalen van waarden ten behoeve van door het Rijk vast te stellen normen voor stoffen;
dat de rapporten van het RIVM uit 2016 over de milieukwaliteitswaarden voor PFOS het uitgangspunt vormen voor deze beleidsregel;
dat in het kader van de zorgplicht van artikel 13 Wet bodembescherming het uitgangspunt geldt dat verontreinigingen of aantastingen van de bodem geheel ongedaan worden gemaakt, voor zover dat redelijkerwijs kan worden gevergd;
dat het bevoegd gezag Wet bodembescherming met inachtneming van de Richtlijn voor het omgaan met niet-genormeerde stoffen (bijlage 6 bij de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013) een besluit over ernst, spoed en sanering in de zin van de artikelen 29, 37 en 38 Wet bodembescherming van een geval van bodemverontreiniging met niet-genormeerde stoffen kan nemen;
dat Gedeputeerde Staten van Utrecht het van belang achten om, met inachtneming van de bovenstaande overwegingen, tijdelijke beleidsregels vast te stellen omtrent de wijze waarop met een door PFOS veroorzaakte bodemverontreiniging moet worden omgegaan;
dat deze beleidsregel van toepassing is op alle locaties binnen het grondgebied van de Provincie Utrecht waar zich een nieuwe bodemverontreiniging dan wel een historische bodemverontreiniging met PFOS bevindt en met betrekking tot welke Gedeputeerde Staten van Utrecht bevoegd gezag in de zin van de Wet bodembescherming zijn;
dat het tijdelijke beleid vervalt wanneer er een landelijk normenkader voor het saneren van bodemverontreiniging met PFOS is vastgesteld.