Provinciaal blad van Limburg

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
LimburgProvinciaal blad 2019, 3381Overige besluiten van algemene strekking



Nadere Subsidieregels Interreg V-A programma Euregio Maas-Rijn 2019-2022

Gedeputeerde Staten van de Provincie Limburg in de hoedanigheid van Managementautoriteit voor het Samenwerkingsprogramma Interreg V-A Euregio Maas-Rijn 2014-2020 conform het besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 25 juni 2016, nr. DGBI-I&K / 16083120, houdende aanwijzing van de managementautoriteit, de certificeringsautoriteit en het Comité voor het samenwerkingsprogramma Euregio Maas-Rijn 2014-2020;

 

Gelet op Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013, houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006;

 

Gelet op Verordening (EU) nr. 1299/2013 van Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling ‘Europese territoriale samenwerking’

 

Gelet op Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 481/2014 van de Commissie van 4 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot specifieke regels betreffende de subsidiabiliteit van de uitgaven voor samenwerkingsprogramma's (Pb EU 2014, L138);

 

Gelet op de EFRO Uitvoeringswet;

 

Gelet op de Regeling Europese EZ subsidies (REES) programmaperiode 2014-2020;

 

Overwegende dat het Comité van Toezicht op 28 juni 2016 ingestemd heeft met de uitgangspunten van de Nadere Subsidieregels;

 

Overwegende dat de Managementautoriteit verantwoordelijk is voor de uitvoering van het Samenwerkingsprogramma Euregio Maas-Rijn en de inzet van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling voor de ontwikkeling van de Euregio Maas-Rijn tot een moderne kennisregio en een technologische topregio met een concurrerende economie en een hoge levenskwaliteit in een inclusieve gemeenschap die banen schept;

 

Overwegende dat de subsidiabele activiteiten breed ingevuld kunnen worden en deze ruime invulling ten behoeve van een optimaal bereik van de doelstelling wordt beoogd, toetst de Managementautoriteit of het totaal aan overheidsbijdragen aan de subsidieontvanger niet meer bedraagt dan volgens Europeesrechtelijke bepalingen inzake staatssteun is toegestaan. In het bijzonder acht de Managementautoriteit in het kader van rechtvaardiging van staatssteun, de volgende steunmaatregelen van toepassing:

  • a.

    Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014;

  • b.

    Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb L 352/1 van 24 december 2013.

Besluiten op 30 april 2019 vast te stellen de volgende regeling:

 

NADERE SUBSIDIEREGELS INTERREG V-A PROGRAMMA EUREGIO MAAS-RIJN 2019 - 2022

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014;

  • b.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • c.

    Comité van Toezicht: het comité dat toezicht houdt op de uitvoering van het samenwerkingsprogramma (‘toezichtcomité’) conform artikel 47, 48 en 49 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 en aangewezen als Comité van Toezicht INTERREG V-A Euregio Maas-Rijn 2014 – 2020, zoals bedoeld in artikel 3, van het besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 25 juni 2016, nr. DGBI-I&K / 16083120, houdende aanwijzing van de managementautoriteit, de certificeringsautoriteit en het Comité voor het samenwerkingsprogramma Euregio Maas-Rijn 2014-2020;

  • d.

    De-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb EU L 352/9 van 24 december 2013, met inbegrip van eventueel in de toekomst vast te stellen wijzigingen;

  • e.

    De-minimisverordening: Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb EU L 352/9 van 24 december 2013;

  • f.

    EFRO: Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling;

  • g.

    Kostencatalogus: Catalogus met nadere uitwerking van subsidiabele en niet-subsidiabele kosten voor het Samenwerkingsprogramma opgesteld op grond van artikel 18, tweede lid, van verordening (EU) nr. 1299/2013 en goedgekeurd door het Comité van Toezicht op 28 juni 2016 en gepubliceerd op de website van het samenwerkingsprogramma (www.interregemr.eu);

  • h.

    Lead partner: een rechtspersoon, eenmanszaak of personenvennootschap die namens een samenwerkingsverband optreedt als subsidieaanvrager;

  • i.

    Managementautoriteit: Gedeputeerde Staten van de Provincie Limburg zijn aangewezen als Managementautoriteit, zoals bedoeld in artikel 123, eerste lid, van verordening (EU) nr. 1303/2013 voor het Samenwerkingsprogramma en zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 25 juni 2016, nr. DGBI-I&K / 16083120, houdende aanwijzing van de managementautoriteit, de certificeringsautoriteit en het Comité voor het samenwerkingsprogramma Euregio Maas-Rijn 2014-2020;

  • j.

    MKB-onderneming: kleine en middelgrote onderneming, zoals gedefinieerd in bijlage 1 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • k.

    Onderneming: eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd;

  • l.

    Outputindicatoren: indicatoren als bedoeld in artikel 27, vierde lid, onder b, van verordening (EU) nr. 1303/2013 en uitgewerkt in hoofdstuk 2 van het Samenwerkingsprogramma;

  • m.

    Programmagebied: grondgebied van de Euregio Maas-Rijn, zoals gedefinieerd in de bijlage van het Samenwerkingsprogramma Interreg V-A Euregio Maas-Rijn 2014-2020;

  • n.

    REES: Regeling Europese EZ subsidies (Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 28 juni 2015, nr. WJZ / 15083650, houdende vaststelling van subsidie-instrumenten in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen op het terrein van Economische Zaken (Regeling Europese EZ-subsidies); inclusief wijziging van de Regeling Europese EZ-subsidies in verband met het samenwerkingsprogramma Euregio Maas-Rijn van 25 juni 2016, nr. WJZ/16083058 of een opvolger van deze regeling;

  • o.

    Samenwerkingsprogramma: Interreg V-A Euregio Maas-Rijn 2014-2020 programma; gezamenlijk programma als bedoeld in artikel 96 van verordening (EU) nr. 1303/2013, goedgekeurd door de Europese Commissie op 9 december 2015 (2014TC16RFCB001); Dit programma is te vinden op de website www.interregemr.eu;

  • p.

    Verordening (EU) nr. 1299/2013 van Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling ‘Europese territoriale samenwerking’;

  • q.

    Verordening (EU) nr. 1303/2013: Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013, houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006, Pb L 347/320 van 20 december 2013.

Artikel 2 Doelstelling van de regeling

De regeling stelt subsidie beschikbaar voor projecten die bijdragen aan de doelstelling van het Samenwerkingsprogramma zoals in het Samenwerkingsprogramma beschreven en verwerkt:

“Het ondersteunen van projecten die bijdragen aan de ontwikkeling van de Euregio Maas-Rijn tot een moderne kennisregio en een technologische topregio met een concurrerende economie en een hoge levenskwaliteit in een inclusieve gemeenschap die banen schept.”

Artikel 3 Aanvrager en begunstigde

  • 1.

    Subsidie op grond van deze regeling kan worden aangevraagd door een lead partner.

  • 2.

    Rechtspersonen en personenvennootschappen in het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 4, eerste lid, sub b, zijn de begunstigden van de subsidie.

Hoofdstuk 2 Criteria

Artikel 4 Algemene subsidiecriteria

  • 1.

    Om voor subsidie in aanmerking te komen, gelden de volgende algemene criteria:

    • a.

      De resultaten van het project komen ten goede aan het programmagebied;

    • b.

      Er dient sprake te zijn van een samenwerkingsverband dat bestaat uit minimaal twee rechtspersonen uit twee verschillende lidstaten uit het programmagebied;

    • c.

      Het project draagt bij aan de doelstelling van het programma, zoals geformuleerd in artikel 2 en past binnen een van de prioritaire assen, zoals geformuleerd in artikel 5;

    • d.

      Het project scoort op één of meer van de outputindicatoren behorende tot de desbetreffende prioritaire as;

    • e.

      Het project mag maximaal drie jaar duren, de start- en einddatum worden in de verleningsbeschikking opgenomen;

    • f.

      Het project start niet eerder dan 1 januari 2020.

  • 2.

    Indien sprake is van staatssteun, moet, om voor subsidie in aanmerking te komen, het project:

    • a.

      passen binnen een van de artikelen van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voldoen aan de voorwaarden van het betreffende artikel en voldoen aan de algemene en procedurele bepalingen in Hoofdstuk I en II van de betreffende verordening; of

    • b.

      voldoen aan de voorwaarden genoemd in de de-minimisverordening; of

    • c.

      voldoen aan de voorwaarden van een andere vrijstelling.

Artikel 5 Specifieke deelterreinen

Subsidies kunnen worden ingediend voor projecten binnen een van de drie prioritaire assen van het Samenwerkingsprogramma:

  • 1.

    Prioritaire as 1: Innovatie 2020

  • 2.

    Prioritaire as 2: Economie 2020

  • 3.

    Prioritaire as 3: Sociale inclusie en opleiding

Een nadere uitwerking van de prioritaire assen is terug te vinden in hoofdstuk 1 en 2 van het Samenwerkingsprogramma.

Artikel 6 Selectie- en prioriteitscriteria

  • 1.

    Om voor een subsidie in aanmerking te komen, dient een subsidieaanvraag aan onderstaande selectiecriteria te voldoen:

    • a.

      Het project dient grensoverschrijdende samenwerking te versterken;

    • b.

      Het project levert een bijdrage aan de doelstellingen en resultaten van het Samenwerkingsprogramma;

    • c.

      Het project is haalbaar, duurzaam voor het programmagebied en heeft een meerwaarde voor andere projecten in het samenwerkingsprogramma;

    • d.

      De resultaten van het project staan in verhouding tot het benodigde budget voor de uitvoering van het project (‘value for money’);

  • 2.

    Subsidieaanvragen worden als volgt gerangschikt:

    • a.

      De mate waarin wordt voldaan aan elk selectiecriterium zoals gesteld in het eerste lid en de uitwerking in de toelichting op dit artikel, zal beoordeeld worden door het Comité van Toezicht aan de hand van de volgende scoreschaal:

       

      Waardering

      Score

      Uitstekend

      5

      Goed

      4

      Voldoende

      3

      Zwak

      2

      Onvoldoende

      1

    • b.

      Per aanvraag wordt een score toegekend per selectiecriterium.

    • c.

      De punten per selectiecriterium worden bij elkaar opgeteld en gedeeld door het aantal selectiecriteria om tot een totale gemiddelde score te komen.

    • d.

      De aanvragen worden op basis van de totale gemiddelde score per prioritaire as gerangschikt.

    • e.

      De totale gemiddelde score dient minimaal 3 te zijn.

  • 3.

    Indien er sprake is van subsidieaanvragen binnen dezelfde prioritaire as met een gelijke score, wordt voorrang gegeven aan subsidieaanvragen die bijdragen aan outputindicatoren met achterblijvende prestaties.

    De outputindicatoren per achterblijvende prestaties zijn hieronder per prioritaire as vermeld waarbij geldt dat a de hoogste prioriteit heeft, dan b en zo verder, dit naar het oordeel van het Comité van Toezicht na advies van de Managementautoriteit:

    Prioritaire as 1

    • a.

      PSI09 Aantal ondersteunde innovatiegerichte samenwerkingsprojecten tussen bedrijven

    • b.

      CO27 Onderzoek, innovatie: particuliere investeringen die gelijke tred houden met overheidssteun voor innovatie of O&O-projecten

    • c.

      CO06 Productieve investering: particuliere investeringen die zijn afgestemd op overheidssteun voor ondernemingen (subsidies)

    • d.

      CO02 Productieve investering: aantal ondernemingen dat steun ontvangt

    Prioritaire as 2

    • a.

      CO08 Productieve investering: toename werkgelegenheid in ondersteunde bedrijven

    • b.

      PSI05 Groei werkgelegenheid in ondersteunde KMO/MKB-bedrijven

    • c.

      PSI06 Aantal ondersteunde projecten gericht op efficiënte omgang met hulpbronnen in (KMO/MKB) bedrijven

    • d.

      PSI17 Aantal ondersteunde projecten gericht op het vergroten van energie-onafhankelijkheid in (KMO/MKB) bedrijven

    • e.

      CO02 Productieve investering: aantal ondernemingen dat steun ontvangt

    • f.

      PSI04 Aantal KMO/MKB-bedrijven dat subsidie ontvangt

    • g.

      PSI03 Aantal KMO/MKB-bedrijven dat steun ontvangt CO02 Productieve investering: aantal ondernemingen dat steun ontvangt

    • h.

      CO04 Productieve investering: aantal ondernemingen dat niet-financiële steun ontvangt

    • i.

      CO01 Productieve investering: aantal ondernemingen dat steun ontvangt

    • j.

      CO05 Productieve investering: aantal nieuwe ondernemingen dat ondersteund wordt

    Prioritaire as 3

    • a.

      PSI20 Aantal personen dat gebruik maakt van grensoverschrijdende sociale diensten

Artikel 7 Verplichtingen subsidieontvanger

Conform de artikelen 5.2.9 tot en met 5.2.13 van de REES gelden bij subsidieverlening de volgende verplichtingen:

  • 1.

    De subsidieontvanger voert het project uit overeenkomstig het projectplan waarop de subsidieverlening betrekking heeft en voltooit het uiterlijk op het bij de verlening bepaalde tijdstip.

  • 2.

    De in artikel 71, eerste lid, van verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde termijn van vijf jaar wordt in geval van het behoud van investeringen of van door het MKB gecreëerde werkgelegenheid, verkort tot drie jaar.

  • 3.

    De subsidieontvanger meldt aan de Managementautoriteit voorafgaand aan de wijziging van een project waarvoor subsidie wordt verstrekt, de voorgestelde wijziging betreffende

    • a.

      de subsidieontvanger,

    • b.

      de uit te voeren activiteiten of de te realiseren doelstellingen,

    • c.

      de financiering van het project, en/of

    • d.

      de planning of looptijd,

  • Deze wijzigingen behoeven de goedkeuring van de Managementautoriteit.

  • 4.

    De subsidieontvanger doet naast het gestelde in het derde lid onverwijld schriftelijk melding aan de Managementautoriteit zodra aannemelijk is dat niet, niet tijdig of geheel niet aan de aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

  • 5.

    De subsidieontvanger voert een administratie die zodanig is ingericht dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle door hem gemaakte en betaalde kosten en de aan het project toe te rekenen opbrengsten kunnen worden afgelezen en gespecificeerd, met dien verstande dat ter zake van de loonkosten een door middel van een inzichtelijke tijdschrijving controleerbare urenverantwoording per werknemer aanwezig dient te zijn, overeenkomstig de vereisten zoals vastgelegd in de Kostencatalogus.

  • 6.

    De subsidieontvanger is verplicht om medewerking te verlenen aan alle controles die voor de uitvoering van het programma noodzakelijk worden geacht.

  • 7.

    De Managementautoriteit kan ook andere verplichtingen verbinden aan de subsidie, waaronder rapportageverplichtingen over de inhoudelijke en financiële voortgang.

Artikel 8 Afwijzingsgronden

  • 1.

    Een aanvraag wordt afgewezen indien:

    • a.

      het project niet bijdraagt aan de doelstelling van het samenwerkingsprogramma, zoals gedefinieerd in artikel 2;

    • b.

      de subsidieaanvraag niet is ingediend door een aanvrager zoals gesteld in artikel 3, eerste lid en / of niet ten goede komt aan de begunstigde zoals genoemd in artikel 3, tweede lid;

    • c.

      het project niet past binnen één van de drie prioritaire assen zoals gesteld in artikel 5;

    • d.

      het project niet voldoet aan de algemene criteria in artikel 4.

    • e.

      de subsidieaanvraag minder scoort dan 3 zoals gesteld in artikel 6.

    • f.

      de subsidieaanvraag niet volledig is ontvangen of ontvangen is buiten de periode zoals vermeld in artikel 13;

    • g.

      de subsidieaanvraag betrekking heeft op activiteiten die gericht zijn op de continuïteit van een onderneming of instelling;

    • h.

      het project niet voldoet aan Europese regelgeving, bijvoorbeeld inzake staatssteun en / of aanbesteding;

    • i.

      de totale subsidiabele kosten van het project minder bedragen dan € 200.000;

    • j.

      de aanvrager een ondernemer is tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel a, van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het verdrag met de interne markt verenigbaar worden geacht (PbEU L 2014, 187);

    • k.

      er sprake is van een onderneming in moeilijkheden zoals bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 2.

    Onverminderd het gestelde in het eerste lid, kan de Managementautoriteit kan geheel of gedeeltelijk afwijzend beslissen op een aanvraag indien blijkt dat de beoogde financiering door de overige financiers geheel of gedeeltelijk niet zal worden verleend.

Hoofdstuk 3 Financiële aspecten

Artikel 9 Subsidieplafond

  • 1.

    Het Comité van Toezicht stelt voor de EFRO bijdrage het subsidieplafond per prioritaire as voor de indieningstermijn zoals vastgelegd in artikel 13 als volgt vast:

    -

    Prioritaire as 1: Innovatie 2020

    10,9 miljoen euro EFRO

    -

    Prioritaire as 2: Economie 2020

    13,4 miljoen euro EFRO

    -

    Prioritaire as 3: Sociale inclusie en opleiding

    8,7 miljoen euro EFRO

  • 2.

    Het Comité van Toezicht kan bij de beoordeling van de subsidieaanvragen besluiten om dit budget te verhogen met een bedrag dat vrijvalt als gevolg van het niet doorgaan van eerder goedgekeurde projecten dan wel een lagere vaststelling voor deze projecten.

  • 3.

    De verdeling van het subsidieplafond per prioritaire as over de subsidieaanvragen vindt plaats op basis van de mate waarin wordt voldaan aan de selectiecriteria zoals gesteld in artikel 6. De Managementautoriteit adviseert hierover aan het Comité van Toezicht dat vervolgens een besluit neemt over de verdeling van het subsidieplafond over de subsidieaanvragen. De Managementautoriteit neemt het besluit van het Comité van Toezicht over in de beslissing op de aanvraag, zoals bedoeld in artikel 14.

Artikel 10 Subsidiebedrag

  • 1.

    De hoogte van de EFRO subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten.

  • 2.

    Indien de aanvrager minder dan 50% van de subsidiabele kosten als bedoeld in het eerste lid, aanvraagt, wordt slechts het gevraagde percentage aan subsidie verstrekt.

  • 3.

    Indien sprake is van staatssteun en de activiteit voldoet aan een van de voorwaarden van artikel 4, lid 2 wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totaal aan overheidsbijdragen aan subsidieontvanger niet meer bedraagt dan volgens Europeesrechtelijke bepalingen inzake staatssteun is toegestaan is op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening, dan wel dat mogelijk is in het kader van de de-minimisverordening.

Artikel 11 Subsidiabele en niet subsidiabele kosten

  • 1.

    Ten aanzien van de subsidiabele en niet subsidiabele kosten gelden de regels en voorwaarden zoals vastgelegd in de Verordeningen (EU) nr. 1299/2013, (EU) nr. 1303/2013 en Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 481/2014. Deze regels zijn voor het Samenwerkingsprogramma uitgewerkt in de Kostencatalogus.

  • 2.

    Ingeval de inhoud van de Kostencatalogus tegenstrijdig is met de inhoud van de in het eerste lid genoemde Verordeningen, zijn de Verordeningen leidend bij het bepalen van de subsidiabele kosten.

  • 3.

    Indien sprake is van staatssteun en de steun wordt verleend onder toepassing van de algemene groepsvrijstellingsverordening dan wel een andere vrijstelling, dan zijn de kosten slechts subsidiabel die genoemd zijn in het van toepassing zijnde artikel van de algemene groepsvrijstellingsverordening, dan wel de andere vrijstelling, op basis waarvan de subsidie wordt verstrekt.

Hoofdstuk 4 Aanvraagprocedure

Artikel 12 Indienen aanvraag

  • 1.

    Een subsidieaanvraag voldoet in ieder geval aan de volgende vereisten:

    • a.

      een subsidieaanvraag wordt ingediend bij de Managementautoriteit;

    • b.

      een subsidieaanvraag kan alleen worden ingediend via het elektronisch systeem eMS met gebruikmaking van het daartoe door de Managementautoriteit vastgestelde aanvraagformulier (www.interregemr.eu);

    • c.

      een subsidieaanvraag bevat ten minste:

      • -

        het volledig ingevulde aanvraagformulier;

      • -

        een partnerschapsovereenkomst, ondertekend door alle leden van het samenwerkingsverband;

      • -

        een zelfbeoordelingsformulier staatssteun

      • -

        een verklaring over de juridische status van alle leden van het samenwerkingsverband waaruit tevens blijkt dat er in het samenwerkingsverband geen sprake is van onderneming(en) in moeilijkheden zoals bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 13 Termijn voor indienen aanvraag

  • 1.

    De subsidieaanvraag kan vanaf 7 mei 2019 worden ingediend en een subsidieaanvraag dient uiterlijk 11 juni 2019 om 16.00 uur volledig te zijn ontvangen door de Managementautoriteit.

  • 2.

    Voor de datum van ontvangst is de datum van ontvangst van een volledige subsidieaanvraag in het systeem eMS bepalend.

  • 3.

    Bij onbereikbaarheid van het elektronisch systeem eMS kan de indieningstermijn verlengd worden indien de oorzaak van de onbereikbaarheid gelinkt is aan een storing op de server van de Managementautoriteit. Hiervoor gelden de volgende bepalingen:

    • a.

      Bij onbereikbaarheid op 7 mei 2019 vanaf 0.00 uur tot 11 juni 2019 0.00 uur zal een verlenging enkel toegepast worden wanneer het systeem voor meer dan 8 ononderbroken uren onbereikbaar is.

    • b.

      Bij onbereikbaarheid op 11 juni 2019 vanaf 0.00 uur tot 15.00 uur zal een verlenging enkel toegepast worden wanneer het systeem voor meer dan 2 ononderbroken uren onbereikbaar is.

    • c.

      Bij onbereikbaarheid op 11 juni 2019 vanaf 15.00 uur tot 16.00 uur zal een verlenging enkel toegepast worden wanneer het systeem voor meer dan 30 minuten onbereikbaar is.

  • 4.

    De duur van een verlenging is steeds gelijk aan de duur van de onderbreking.

Artikel 14 Beslissing op aanvraag

Conform artikel 5.2.4 van REES geeft de Managementautoriteit binnen 26 weken na sluiting van de indieningstermijn een beschikking op een subsidieaanvraag.

Artikel 15 Betaling en bevoorschotting

  • 1.

    De Managementautoriteit verstrekt op een daartoe ingediende betalingsaanvraag als bedoeld in artikel 132 van verordening (EU) nr. 1303/2013, van de subsidieontvanger, voorschotten op het verleende subsidiebedrag van ten hoogste 90% van de toegekende subsidie.

  • 2.

    De subsidieontvanger dient twee keer per jaar een betalingsaanvraag in.

  • 3.

    Een betalingsaanvraag bevat ten minste de declaratie van de gemaakte kosten.

  • 4.

    Op de termijn van betaling is artikel 132 van verordening (EU) nr. 1303/2013 van toepassing, hetgeen betekent dat betaling aan de subsidieontvanger plaatsvindt uiterlijk binnen 90 dagen na indiening van de betalingsaanvraag.

  • 5.

    Voor de toepassing van artikel 132, eerste lid van verordening (EU) nr. 1303/2013 gaat, ingeval van onvoldoende beschikbaarheid van middelen uit de initiële en jaarlijkse voorfinanciering en tussentijdse betalingen uit het EFRO als bedoeld in artikel 132, eerste lid van verordening (EU) nr. 1303/2013, bij gelijk indienen van betalingsaanvragen door subsidieontvangers, betaling aan een MKB-onderneming voor op overige subsidieontvangers.

  • 6.

    Onverminderd het vijfde lid, gaan betalingen aan MKB ondernemers met een hoger bedrag op de betalingsaanvraag, voor op betalingen aan MKB ondernemers met een lager bedrag op de betalingsaanvraag.

Artikel 16 Vaststelling

  • 1.

    Binnen de in de beschikking tot subsidieverlening bepaalde termijn, dient de subsidieontvanger via het systeem eMS met gebruikmaking van het daartoe door de Managementautoriteit vastgestelde formulier, een aanvraag tot vaststelling in bij de Managementautoriteit.

  • 2.

    Bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, toont de subsidieontvanger aan dat:

    • a.

      de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht;

    • b.

      aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

  • 3.

    Bij het vaststellingsformulier zoals bedoeld in het eerste lid dienen de volgende bijlagen te worden toegevoegd:

    • a.

      een inhoudelijk eindverslag;

    • b.

      bewijsstukken ter onderbouwing van de gerapporteerde waarde of waarden voor de outputindicatoren;

    • c.

      een financieel verslag.

  • 4.

    Conform artikel 5.2.15 van REES beslist de Managementautoriteit binnen 26 weken op een aanvraag om subsidievaststelling.

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen

Artikel 17 Overgangsrecht

  • 1.

    Aanvragen die op basis van het Wijzigingsbesluit Nadere Subsidieregels Interreg V-A programma Euregio Maas-Rijn (PB 526, 19 januari 2018) zijn ingediend en waarover bij inwerkingtreding van deze regeling nog niet is beslist, worden afgehandeld op basis van het Wijzigingsbesluit Nadere Subsidieregels Interreg V-A programma Euregio Maas-Rijn (PB 526, 19 januari 2018) zoals deze gold vóór de inwerkingtreding van deze Nadere Subsidieregels Interreg V-A programma Euregio Maas-Rijn 2019-2022.

  • 2.

    Voor besluiten die zijn genomen vóór de inwerkingtreding van deze regeling blijven de bepalingen van het Wijzigingsbesluit Nadere Subsidieregels Interreg V-A programma Euregio Maas-Rijn (PB 526, 19 januari 2018) van kracht zoals deze golden vóór de inwerkingtreding van deze Nadere Subsidieregels Interreg V-A programma Euregio Maas-Rijn 2019-2022, ook voor de volgende stappen in het subsidietraject.

Artikel 18 Inwerkingtreding

  • 1.

    Dit besluit treedt in werking op 7 mei 2019.

  • 2.

    Deze regeling vervalt met ingang van 31 december 2022, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidieaanvragen die vóór die datum zijn ontvangen door Gedeputeerde Staten in hoedanigheid van Managementautoriteit en subsidiebesluiten die vóór die datum zijn genomen, ook voor de volgende stappen in het subsidietraject.

  • 3.

    Deze regeling kan worden aangehaald als “Nadere subsidieregels Interreg V-A programma Euregio Maas-Rijn 2019-2022”

     

Aldus besloten in de vergadering van Gedeputeerde Staten, gehouden op 30 april 2019.

Gedeputeerde Staten voornoemd

de voorzitter,

dhr. drs. Th.J.F.M. Bovens

secretaris

de heer drs. G.H.E. Derks MPA

Toelichting behorende bij “Nadere subsidieregels Interreg V-A programma Euregio Maas-Rijn 2019-2022”

Algemeen, juridisch kader

Artikel 125, derde lid van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bepaalt dat de Managementautoriteit ten aanzien van de selectie van concrete acties passende selectieprocedures en -criteria opstelt. Op Europees niveau is aldus het opstellen van regels om subsidie voor de EFRO-gelden te verstrekken neergelegd bij de Managementautoriteit.

 

Verordening (EU) nr. 1299/2013 is van kracht voor programma’s die zich richten op Europese Territoriale Samenwerking, waaronder ook het Interreg V-A programma Euregio Maas-Rijn. In aanvulling op de algemene Verordening (EU) nr. 1303/2013, kent de ETS verordening enkele specifieke bepalingen die van kracht zijn voor het Interreg V-A programma Euregio Maas-Rijn.

 

Gedelegeerde verordening (EU) nr. 481/2014 geeft specifieke regels voor Europese Territoriale Samenwerking, waaronder ook het Interreg V-A programma Euregio Maas-Rijn, op het gebied van subsidiabiliteit. Deze gedelegeerde verordening geeft het raamwerk welke kosten onder welke voorwaarden in aanmerking komen voor subsidie. De nadere invulling van dit raamwerk gebeurt per programma, in het geval van het EMR programma in de kostencatalogus,

 

Bij wijziging van 25 juni 2016 is de Regeling Europese EZ subsidies (REES) ook van toepassing verklaard voor de uitvoering van het Interreg V-A programma Euregio Maas-Rijn. Met name relevant voor het Samenwerkingsprogramma zijn de bepalingen in hoofdstuk 5 van de REES.

 

Indien uit de beoordeling van het project door de Managementautoriteit blijkt dat sprake is van staatssteun, dan moet het project c.q. de betreffende activiteiten in het project voldoen aan de voorwaarden uit de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (Verordening (EU) nr. 651/2014) of de de-minimis verordening (Verordening (EU) nr. 1407/2013) of een andere Europese vrijstelling.

Artikelsgewijs

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Onder f EFRO

Het EFRO is een van de Europese structuurfondsen waarmee het regionaal beleid van de EU wordt gerealiseerd ter zake convergentie, regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid en Europese territoriale samenwerking.

Onder g Kostencatalogus

De basis voor de regels omtrent subsidiabiliteit van kosten volgt uit Verordening (EU) nr. 1303/2013 en nr. 1299/2013 en gedelegeerde verordening (EU) nr. 481/2014. Op basis van deze regels heeft de Managementautoriteit van het Interreg V-A programma Euregio Maas-Rijn in samenwerking met de programmapartners een Kostencatalogus opgesteld, waarin een nadere uitwerking met diverse voorbeelden is gegeven van de subsidiabiliteitsregels. Hierbij is rekening gehouden met verschillen (in wetgeving) tussen de drie lidstaten bij het berekenen van diverse subsidiabele kosten. De kostencatalogus is vastgesteld door het Comité van Toezicht en te vinden op de website van het samenwerkingsprogramma: www.interregemr.eu.

Onder l Outputindicatoren

Het samenwerkingsprogramma kent vier prioritaire assen en binnen elke as een of meer investeringsprioriteiten. Deze zijn uitgewerkt in hoofdstuk 2 van het samenwerkingsprogramma. De aanvraag moet passen binnen een van de investeringsprioriteiten en subdoelstellingen. Voor elke investeringsprioriteit is een set outputindicatoren ontwikkeld. In de subsidieaanvraag dient u de indicatoren die van toepassing zijn op uw project te selecteren en te kwantificeren.

Artikel 3 Aanvrager en begunstigde

Een aanvrager is degene die namens het samenwerkingsverband de subsidie aanvraagt.

Een begunstigde is een rechtspersoon die ook daadwerkelijk de subsidie ontvangt. Aan een begunstigde wordt subsidie toegekend op basis van de goedgekeurde subsidieaanvraag. Iedere begunstigde moet, al of niet via de lead partner, rapporteren over de inhoudelijke en financiële voortgang.

Artikel 4 Algemene subsidiecriteria

Alle subsidieaanvragen moeten voldoen aan de algemene subsidiecriteria. Dit wordt beoordeeld door de Managementautoriteit.

Indien sprake is van staatssteun dan kan alleen subsidie worden verstrekt indien het project past binnen de algemene groepsvrijstellingsverordening of voldoet aan de voorwaarden van de de-minimisverordening of een ander Europese vrijstelling. De Managementautoriteit kan aanvullende informatie opvragen om te kunnen beoordelen of sprake is van staatssteun en zo ja, of deze is toegestaan op grond van een van deze vrijstellingen.

Artikel 5 Specifieke deelterreinen

Het samenwerkingsprogramma is opgebouwd rond vier centrale (inhoudelijke) prioritaire assen. Binnen elke prioritaire as zijn een of meer door de Europese Commissie voorgeschreven investeringsprioriteiten opgenomen. Aan de hand van deze investeringsprioriteiten zijn vervolgens specifieke doelstellingen geformuleerd. Subsidieaanvragen dienen te passen binnen één specifieke doelstelling van het programma.

Nadere informatie over deze prioritaire assen en specifieke doelstellingen, met een omschrijving van de uitdaging, voorbeeld acties en verwachte resultaten is te vinden in hoofdstuk 1 en 2 van het Samenwerkingsprogramma.

Artikel 6 Selectie- en prioriteitscriteria

Om te beoordelen of de aanvraag voldoet aan het samenstel van de genoemde criteria, worden onderstaande deelaspecten meegenomen in die beoordeling:

  • a.

    Het project dient grensoverschrijdende samenwerking te versterken:

    • -

      Bestaat het partnerschap uit partners uit verschillende regio's van ten minste twee en idealiter drie lidstaten? Als dat niet het geval is, is hiervoor een duidelijke reden?

    • -

      Is het werkplan van het project uitgewerkt rond grensoverschrijdende activiteiten?

    • -

      Beoogt het project kennis en resultaten over de grens te brengen en verspreiden?

    • -

      Zullen grensoverschrijdende netwerken, consortia of platformen worden gevormd door dit project? Zullen grensoverschrijdende producten, diensten of tools aangemaakt worden door het project?

    • -

      Is de toegevoegde waarde van grensoverschrijdende samenwerking voldoende beschreven?

    • -

      Hoe intensief zullen partners samenwerken om de beoogde verandering te leveren?

    • -

      Is de samenstelling van het partnerschap relevant voor het voorgestelde project?

    • -

      Is het partnerschap in staat en bevoegd om de beoogde verandering te leveren?

  • b.

    Het project levert een bijdrage aan de doelstellingen en resultaten van het samenwerkingsprogramma:

    • -

      Hoe goed is de noodzaak voor het project gerechtvaardigd?

    • -

      Is de aanpak die is gekozen door het project relevant en effectief?

    • -

      Draagt het project rechtstreeks bij aan de relevante resultaat- en outputindicator(en) van de gekozen specifieke doelstelling? Draagt het project bij tot de outputindicatoren waarop de lopende projecten nog niet (voldoende) gepresteerd hebben?

    • -

      Zijn de geselecteerde outputindicatoren relevant?

    • -

      Voldoet het project duidelijk aan de eisen van de beoogde doelgroep(en)?

    • -

      Is het project vernieuwend? Draagt het project bij aan innovatie in de economie of de sociale structuur van de EMR?

    • -

      Is het innovatieve karakter of aanpak van het project voldoende uitgewerkt en is het overtuigend?

    • -

      Zijn potentiële synergiën met en toegevoegde waarde in vergelijking met soortgelijke/vorige projecten verduidelijkt in het aanvraagformulier? Voor follow-up projecten, is de toegevoegde waarde duidelijk aangetoond in het bijzonder via het partnerschap, en/of het behandelde thema?

    • -

      Als partners van de prioritaire samenwerkingsgebieden betrokken zijn bij het project, levert hun deelname een meerwaarde aan het project en het programmagebied?

  • c.

    Het project is haalbaar, duurzaam voor het programmagebied en heeft een meerwaarde voor andere projecten in het samenwerkingsprogramma:

    • -

      Heeft het consortium een realistisch project gepresenteerd dat kan worden uitgevoerd binnen de financiële en tijdsgrenzen?

    • -

      Is duurzaamheid op lange termijn van het project na de projectperiode voldoende aangetoond?

    • -

      Zijn de beoogde activiteiten en outputs meetbaar, realistisch en haalbaar?

    • -

      Is het werkplan in verhouding met de begroting coherent en realistisch?

    • -

      Strookt het project met de horizontale beleidsmaatregelen van de EU (duurzame ontwikkeling, gelijke kansen en non-discriminatie en gelijkheid tussen mannen en vrouwen)?

    • -

      Zijn de managementregelingen duidelijke, realistisch en passend (WP management)?

    • -

      Zijn de communicatiestrategie en activiteiten van het project voldoende uitgewerkt? Zijn specifieke communicatiedoelstellingen gedefinieerd? Zijn specifieke doelgroepen en communicatieactiviteiten duidelijk gedefinieerd voor elke communicatiedoelstelling? Is de communicatiestrategie goed geïntegreerd in de algemene projectstrategie? Ondersteunt het duidelijk de verwezenlijking van de projectdoelstellingen? (WP Communicatie)

    • -

      Voor projecten met investeringen: hoe riskant is het project? Bestaat er een strategie voor risicobeheer en heeft het partnerschap de voornaamste risico's en relevante risico-beperkende maatregelen geïdentificeerd?

  • d.

    De resultaten van het project staan in verhouding tot het benodigde budget voor de uitvoering van het project (value for money):

    • -

      Is het project effectief, efficiënt en economisch bij het gebruiken van de beschikbare middelen?

    • -

      Is een voldoende deel van het budget toegeschreven aan activiteiten specifiek gericht op grensoverschrijdende samenwerking?

    • -

      Is het totale budget redelijk in vergelijking met de geplande activiteiten/outputs en de projectduur? Is het totale budget redelijk in vergelijking met het aantal betrokken partners?

    • -

      Omvat de verdeling van het budget voldoende detail (items opgenomen onder de verschillende budgetlijnen)?

    • -

      Overschrijden de kosten voor het werkpakket Management het door het programma toegestane maximale bedrag niet? (max 10% voor < 1,5 MEUR, max 8% voor 1,5-3 MEUR, max 6% voor > 3MEUR, en niet meer dan EUR 300.000)

    • -

      Is er een apart werkpakket gewijd aan eerstelijnscontrole (first level control)? Zijn de kosten voor de eerstelijnscontrole juist berekend (2% van het budget van het project, excl. FLC) en opgenomen onder de budgetlijn van externe expertise?

Artikel 9 Subsidieplafonds

De subsidieplafonds zijn door de Managementautoriteit vastgesteld op basis van het besluit van het Comité van Toezicht in haar vergadering van 24 mei 2018 om alle nog beschikbare EFRO middelen beschikbaar te stellen.

Lid 2 biedt het Comité van Toezicht de mogelijkheid om projecten die positief scoren op de diverse criteria, maar waarvoor het plafond zoals vermeld in artikel 1 ontoereikend zou zijn, toch goed te kunnen keuren.

De Managementautoriteit adviseert het Comité van Toezicht over de mate waarin de subsidieaanvragen voldoen aan de selectiecriteria. Het Comité van Toezicht neemt een beslissing over de subsidieaanvragen en daarmee de wijze van verdeling van de beschikbare middelen.

Artikel 10 Subsidiebedrag

Lid 1

Het Comité van Toezicht neemt alleen een besluit over de gevraagde EFRO bijdrage, niet over eventuele bijdragen van andere co-financiers.

Lid 3

Indien sprake is van staatssteun dan mag het totaal aan publieke steun (EFRO plus andere overheidsbijdragen) niet meer bedragen dan het maximum zoals gesteld in de van toepassing zijnde vrijstelling op basis waarvan de steun geoorloofd is.

Artikel 12 Indienen aanvraag

Voor het indienen van een aanvraag is een elektronisch systeem ontwikkeld. Het systeem voldoet aan de eisen van verordening (EU) nr. 1303/2013, met name de eisen in artikel 122, derde lid, dat de uitwisseling van alle informatie tussen de subsidieontvanger en de Managementautoriteit, certificeringsautoriteit en auditautoriteit door middel van elektronische systemen voor gegevensuitwisseling kan plaatsvinden. Aanvragen worden alleen in behandeling genomen als gebruik wordt gemaakt van dit systeem.

Artikel 15 Betaling en bevoorschotting

In artikel 132 van verordening (EU) nr. 1303/2013 is bepaald dat de Managementautoriteit uiterlijk 90 dagen na het indienen van de betalingsaanvraag van de begunstigde betaalt. Dit betreft de betaling van voorschotten op de subsidie op basis van de door de begunstigde gedeclareerde kosten. Op deze termijn is het voorbehoud gemaakt van beschikbaarheid van financiering vanuit EFRO. Indien meerdere betalingsaanvragen gelijktijdig worden ingediend en er zijn onvoldoende financiële middelen beschikbaar uit het EFRO, gaat betaling aan MKB-ondernemingen voor op betaling aan overige subsidieontvangers.

De bepaling laat onverlet de bevoegdheid van de Managementautoriteit de betalingstermijn op te schorten wegens onder andere gebrek aan gegevens om de betalingsaanvraag te beoordelen, conform artikel 132, tweede lid van verordening (EU) nr. 1303/2013. De bepaling laat onverlet om eerder dan 90 dagen uit te betalen, waarbij spoedige betaling een expliciet doel van de Nederlandse overheid is.

Artikel 16 Vaststelling

Lid 2

Projectcontroles door de auditautoriteit kunnen leiden tot een lagere subsidievaststelling. Indien de vaststellingsbeschikking door de MA wordt verleend voordat de laatste controle door de auditautoriteit heeft plaatsgevonden, wordt dit voorbehoud duidelijk aan de subsidieontvanger gecommuniceerd.