Provinciaal blad van Zeeland

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
ZeelandProvinciaal blad 2019, 3162Overige besluiten van algemene strekking



Openstellingsbesluit van gedeputeerde staten van Zeeland houdende Openstelling Samenwerking voor innovatie Zeeland 2019

Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland, van 9 april 2019, kenmerk 19010637, tot openstelling van de regeling als bedoeld in paragraaf 7 van hoofdstuk 2 Samenwerking voor innovaties uit de Verordening subsidies Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 (POP-3) Zeeland.

 

Gedeputeerde staten van Zeeland;

  • Gelet op artikel 1.3 van Hoofdstuk 1 en paragraaf 7 van Hoofdstuk 2 van de Verordening subsidies plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 (POP-3) Zeeland (hierna te noemen; de Verordening)

Besluiten:

  • I.

    Open te stellen de regeling Samenwerking voor innovaties Zeeland van de Verordening POP-3 voor de periode van 6 mei 2019, 09.00 uur, tot en met 2 september 2019, 17:00 uur.

  • II.

    Vast te stellen dat het subsidieplafond € 1 mln. is en dat het bedrag volledig afkomstig is uit middelen van het ELFPO.

  • III.

    Vast te stellen dat de ELFPO-middelen met eenzelfde bedrag aan nationale overheidsmiddelen aangevuld moeten worden.

  • IV.

    Vast te stellen dat de verdeling van de middelen plaatsvindt op grond van artikel 1.15 van de Verordening op grond van een rangschikking van de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen.

  • V.

    De volgende nadere regels vast te stellen:

 

Artikel 1 Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Subsidie kan worden verstrekt voor:

    • a.

      De oprichting van een projectmatig samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.6 lid 1 en, het gezamenlijk formuleren van een integraal projectplan gericht op een innovatie, zoals de transitie naar een meer volhoudbare landbouw/bedrijfsvoering en/of

    • b.

      De uitvoering van een innovatieproject.

  • 2.

    De activiteiten zijn gericht op het praktijkrijp maken van kennis en bijdragen aan het realiseren van een transitie naar een meer volhoudbare landbouw en/of het bevorderen van de biodiversiteit in het agrarisch gebied alsmede één of meerdere van de volgende thema’s:

    • a.

      Verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaarde strategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie;

    • b.

      Beter beheer van productierisico’s, versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen of het verminderen van marktfalen;

    • c.

      Maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik of een meer gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlaktewater en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen;

    • d.

      Klimaatmitigatie;

    • e.

      Klimaatadaptatie;

    • f.

      Verbetering van dierenwelzijn of diergezondheid en verminderd risico voor de volksgezondheid bij de interactie tussen mens en dier;

    • g.

      Behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit.

Artikel 2 Samenwerkingsverband

Het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1, eerste lid, bestaat ten minste uit twee partijen die van belang zijn voor het verwezenlijken van de doelstelling van de projectvraag. Minstens één van deze partijen is landbouwer of een organisatie die één of meerdere landbouwers vertegenwoordigt.

 

Artikel 3 Aanvrager

Subsidie kan worden verstrekt aan de deelnemers van het samenwerkingsverband of de initiatiefnemer van het samenwerkingsverband in wording.

 

Artikel 4 Aanvraag

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 van de Verordening bevat de aanvraag:

  • a.

    Indien de samenwerking is gericht op de uitvoering van een integraal innovatieproject een beschrijving van dat uit te voeren project, inclusief een beschrijving van het te ontwikkelen, te testen of aan te passen product, project, procedé of andere ontwikkeling;

  • b.

    Een beschrijving van de verwachte resultaten en van de bijdrage aan de doelstelling om de productiviteit en het duurzame beheer van hulpbronnen te verbeteren;

  • c.

    Een uitwerking van de beoogde activiteiten voor kennisverspreiding van de resultaten met gebruik van de hiertoe geëigende netwerken;

  • d.

    Een beschrijving van de interne procedures van het samenwerkingsverband waarmee transparante werking en besluitvorming gegarandeerd en waarmee belangenconflicten worden voorkomen;

  • e.

    Een opgave van opgave van subsidies of vergoedingen die voor dezelfde activiteiten bij andere bestuursorganen, private organisaties of personen op een door het college van gedeputeerde staten beschikbaar gesteld formulier.

Artikel 5 Weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie geweigerd:

  • a.

    Indien er voor dezelfde activiteit en/of subsidiabele kosten reeds op grond van andere regelingen subsidie is aangevraagd of verstrekt:

  • b.

    Voor kosten gericht op de reguliere bedrijfsvoering van bestaande reguliere samenwerkingsactiviteiten;

  • c.

    Indien steun niet wordt aangevraagd voor een proefproject of de ontwikkeling van nieuwe producten, praktijken, processen of technieken in de landbouw- de voedingsmiddelen- of de bosbouwsector;

  • d.

    Indien de aanvraag niet wordt gedaan door een pas opgericht samenwerkingsverband of netwerk of het niet gaat om een activiteit die nieuw is voor een reeds bestaand samenwerkingsverband of netwerk.;

  • e.

    de aangevraagde subsidie minder bedraagt dan € 50.000,--;

  • f.

    het gewogen aantal behaalde punten, zoals berekend op basis van de artikelen 8 en 9, lager is dan 33, wat overeenkomt met 60% van het maximaal aantal punten.

Artikel 6 Subsidiabele kosten

  • 1.

    De volgende bepalingen gelden aanvullend aan artikel 1.12 van de Verordening subsidies Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 (POP-3) Zeeland (hierna: de Verordening), d.d. 12 april 2019.

  • 2.

    Voor de oprichting van een projectmatig samenwerkingsverband en het gezamenlijk formuleren van een integraal projectplan, wordt subsidie verstrekt voor de volgende kosten:

    • a.

      Kosten voor het werven van deelnemers;

    • b.

      Kosten voor het netwerken om het project goed te definiëren;

    • c.

      Kosten voor het opstellen van een projectplan en de samenwerkingsovereenkomst;

    • d.

      Kosten voor projectmanagement en projectadministratie.

  • 3.

    Voor de uitvoering van een innovatieproject, wordt subsidie verstrekt voor de volgende kosten:

    • a.

      Coördinatiekosten van het samenwerkingsverband;

    • b.

      Kosten voor het verspreiden van resultaten van het project;

    • c.

      Operationele kosten direct verbonden aan de uitvoering van het innovatieproject;

    • d.

      Kosten voor projectmanagement en projectadministratie.

  • 4.

    Indien voor de uitvoering van een innovatieproject een fysieke investering wordt gedaan, wordt subsidie verstrekt voor:

    • a.

      Kosten van de bouw of verbetering van onroerende zaken;

    • b.

      Kosten voor de verwerving of leasing van onroerende zaken;

    • c.

      Kosten voor aankoop van grond;

    • d.

      Kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;

    • e.

      Algemene kosten als bedoeld in artikel 1.12a

  • 5.

    In aanvulling op het derde lid en voor zover verband houdend met een fysieke investering in het kader van het project kunnen in het openstellingsbesluit de volgden kosten subsidiabel worden gesteld:

    • a.

      Kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;

    • b.

      Kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken;

    • c.

      Kosten de koop van tweedehands machines en installaties tot maximaal de waarde van de activa;

    • d.

      Voorbereidingskosten als bedoeld in artikel 1.12, lid 3 en 4 van de Verordening.

  • 6.

    In afwijking van artikel 1.12, derde lid van de Verordening, wordt geen subsidie verstrekt voor de voorbereidingskosten die worden gemaakt voor indiening van een aanvraag met betrekking tot de oprichting van een projectmatig samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.6 lid 1, en het gezamenlijk formuleren van een projectplan gericht op innovatie.

Artikel 7 Subsidiehoogte

  • 1.

    Indien de activiteit betrekking heeft op de voortbrenging van landbouwproducten of handel in landbouwproducten bedraagt de hoogte van subsidie:

    • a.

      Voor kosten als bedoeld in artikel 2.7.6 lid 1 van de Verordening: 100% van de subsidiabele kosten;

    • b.

      Voor kosten als bedoeld in artikel 2.7.6 lid 2 van de Verordening: 70% van de kosten;

    • c.

      Voor kosten als bedoeld in artikel 2.7.6 lid 3 en 4 van de Verordening:

      • i.

        40% van de subsidiabele kosten voor productieve investeringen

      • ii.

        100% van de subsidiabele kosten voor niet-productieve investeringen

  • 2.

    Indien de activiteit geen betrekking heeft op handel en de voortbrenging van landbouwproducten bedraagt de hoogte van subsidie:

    • a.

      25% van de subsidiabele kosten indien de subsidieontvanger een grote onderneming is;

    • b.

      35% van de subsidiabele kosten indien de subsidieontvanger een middel grote onderneming is;

    • c.

      45% van de subsidiabele kosten indien de subsidieontvanger een kleine onderneming is.

  • 3.

    De percentages genoemd in tweede lid, aanhef en onder a tot en met c kunnen worden verhoogd met 15% indien:

    • a.

      Het samenwerkingsverband bestaat uit tenminste één kleine of middelgrote onderneming als omschreven in bijlage1 bij Vo (EU) 651/2014 en geen van de partijen meer dan 70% van de kosten draagt, en

    • b.

      Een onderzoeks- of onderwijsinstelling aan het samenwerkingsverband deelneemt en deze instelling minimaal 10% van de kosten draagt.

  • 4.

    Een aanvraag komt niet voor subsidie in aanmerking indien de subsidieaanvraag minder bedraagt dan €50.000,--.

Artikel 8 Beoordelingscriteria en puntenmethodiek

Gedeputeerde staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15 van de Verordening de volgende criteria:

  • 1.

    Effectiviteit

    In samenhang worden de volgende aspecten bezien:

    • 1.

      Meerwaarde van de beoogde innovatie voor het doel van het innovatiethema / urgentie – betreft de aanvraag een goede oplossing voor de in de openstelling omschreven behoefte;

    • 2.

      Bijdrage van het project aan duurzame nieuwe samenwerkingsverbanden – heeft het project voorbeeldwerking, levert het ervaringen op waarmee andere groepen hun voordeel kunnen doen;

    • 3.

      Mate van geschiktheid van de beoogde innovatie voor brede toepasbaarheid / uitrol – is er goede kans op snelle vertaling naar de praktijk.

  • Ook wordt de hoogte van het gevraagde subsidiebedrag in ogenschouw genomen.

     

    Voor de bijdrage aan het bereiken van het beleidsdoelstelling wordt als volgt punten toegekend:

    0 punten: zeer geringe bijdrage

    1 punt: geringe bijdrage

    2 punten: matige bijdrage

    3 punten: voldoende bijdrage

    4 punten: goede bijdrage

    5 punten: zeer goede bijdrage

     

  • 2.

    Kosteneffectiviteit

    De kosteneffectiviteit wordt bepaald door in samenhang te kijken naar de volgende aspecten:

    • 1.

      redelijkheid van kosten - staat de begroting (uren en tarieven) in een reële verhouding tot de geplande prestatie ? Hoe is dit aannemelijk gemaakt? Hierbij wordt gelet op:

      • a.

        de omvang van de totale subsidiabele projectkosten in relatie tot de innovatieopgave

      • b.

        het potentiële toepassingsbereik van de innovatie binnen de agrarische sector

    • 2.

      Relevantie van de kosten – wordt de gevraagde bijdrage aan de juiste zaken besteed?

    • 3.

      Efficiënt gebruik van kennis, kunde en arbeid - in hoeverre wordt bestaande kennis goed benut, staat de overhead van het project in redelijke verhouding tot de prestatie ?

  • Voor de kosteneffectiviteit wordt als volgt punten toegekend:

    0 punten: onvoldoende kosteneffectiviteit

    1 punt: geringe kosteneffectiviteit

    2 punten: matige kosteneffectiviteit

    3 punten: voldoende kosteneffectiviteit

    4 punten: goede kosteneffectiviteit

    5 punten: zeer goede kosteneffectiviteit

     

  • 3.

    Haalbaarheid/kans op succes

    De wijze waarop de kans op succes/haalbaarheid wordt gemeten is afhankelijk van het soort aanvraag waarover een oordeel geveld moet worden:

    • 1.

      Oprichting samenwerkingsverband en de ontwikkeling van een projectplan;

    • 2.

      Ontwikkelen innovatie.

  • Bij dit criterium wordt in samenhang gekeken naar de volgende aspecten:

    • 1.

      Kwaliteit procesplan voor samenwerking en/of ontwikkeling innovatie

    • 2.

      Blijk van oriëntatie op (technische) haalbaarheid en voor handen kennis

    • 3.

      Blijk van oriëntatie op businessmodel en marktpotentieel

    • 4.

      Kwaliteit irt breedte samenstelling, kennisniveau en werkafspraken samenwerkingsverband

  • Voor de haalbaarheid/kans op succes wordt als volgt punten toegekend:

    0 punten: zeer geringe kans op succes

    1 punt: geringe kans op succes

    2 punten: matige kosteneffectiviteit

    3 punten: voldoende kans op succes

    4 punten: goede kans op succes

    5 punten: zeer goede kans op succes

 

4. Innovativiteit

In samenhang worden de volgende aspecten bezien:

  • 1.

    Technisch of sociaal grensverleggend karakter van de innovatie

  • 2.

    Transitiekarakter van de innovatie

  • 3.

    Innovatieve waarde van het samenwerkingsverband

  • 4.

    Toepassingsgebied

Voor de innovativiteit wordt als volgt punten toegekend:

0 punten: zeer geringe innovativiteit

1 punt: geringe innovativiteit

2 punten: matige innovativiteit

3 punten: voldoende innovativiteit

4 punten: goede innovativiteit

5 punten: zeer goede innovativiteit

Artikel 9 Wegingsfactoren

Gedeputeerde Staten wegen de punten die zijn behaald op grond van de onder artikel 8 benoemde selectiecriteria als volgt mee voor de rangschikking van aanvragen:

  • a.

    Effectiviteit van de activiteit: wegingsfactor 4.

  • b.

    Kosteneffectiviteit : wegingsfactor 2.

  • c.

    Kans op succes / haalbaarheid: wegingsfactor 3.

  • d.

    Innovativiteit: wegingsfactor 2.

 

Indien het beschikbare subsidieplafond ontoereikend is voor alle voor subsidie in aanmerking komende

projecten, worden de projecten gerangschikt naar score. Ingeval van gelijke score prevaleren projecten die hoger scoren op het hoogste onderscheidende criterium, dus in de volgorde effectiviteit – kans op succes/haalbaarheid - kosteneffectiviteit – innovativiteit. Als ook dit geen onderscheid oplevert, vindt de keuze plaats door middel van loting.

Artikel 10 Adviescommissie

Gedeputeerde Staten stellen voor de rangschikking van de subsidieaanvragen als bedoeld in artikel 9 een adviescommissie in als bedoeld in artikel 1.14 van de Verordening.

 

Artikel 11 Citeertitel en inwerkingtreding

Dit besluit wordt aangehaald als Openstelling Samenwerking voor innovatie Zeeland 2019 en treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin het wordt geplaatst.

 

 

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van gedeputeerde staten van Zeeland van 9 april 2019.

Drs. J.M.M. Polman, voorzitter

A.W. Smit, secretaris

Uitgegeven 29 april 2019

De secretaris, A.W. Smit

Toelichting bij het Openstellingsbesluit Regeling “samenwerken voor innovatie Zeeland”

 

Algemeen POP-3

Op 16 februari 2015 heeft de Europese Commissie het derde Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 goedgekeurd (POP-3). Dit is een Europees subsidieprogramma dat gericht is op de versterking van het Nederlandse platteland en wordt gefinancierd vanuit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO).

 

Provinciale Staten van Zeeland hebben op 11 maart 2016 de Verordening subsidies Plattelands¬ontwik-kelingsprogramma 2014-2020 (POP-3) Zeeland (hierna: de Verordening) vastgesteld. De Verordening is nadien op onderdelen gewijzigd. De Verordening bevat zowel algemene bepalingen, die voor alle POP-3-openstellingen gelden, als specifieke bepalingen voor concrete openstellingen. De algemene bepalingen van de Verordening zijn onverkort van kracht tenzij in een concreet openstellingsbesluit nadrukkelijk anders is bepaald.

 

Openstelling

Binnen het POP-3 wordt nu de regeling “samenwerking voor innovatie Zeeland” opengesteld. Op grond van deze regeling kunnen partijen subsidie aanvragen om te investeren in samenwerkingsverbanden voor de ontwikkeling van nieuwe kennis in Zeeland. Om voor subsidie in aanmerking te komen moet een project een directe link met de landbouw hebben.

Het subsidiepercentage is afhankelijk van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd en van de partners in het samenwerkingsverband.

De openstellingsperiode loopt van 6 mei 2019, 09.00 uur, tot en met 2 september 2019, 17.00 uur. In deze periode kunnen aanvragen worden ingediend bij de Provincie Zeeland.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 1 Subsidiabele activiteiten

Voor de bevordering van de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw zijn bruggen nodig tussen kennis en technologie met betrekking tot het onderzoek enerzijds en landbouwers, bosbeheerders, plattelandsgemeenschappen, bedrijven, ngo's en adviesdiensten anderzijds. Daarbij gaat het om innovatie en modernisering van de agrarische sector rond de in dit artikel genoemde thema’s.

Om dit te realiseren heeft de provincie Zeeland met een aantal partijen, waaronder de ZLTO (de Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie), een Agenda landbouw en natuur vastgesteld. Centraal uitgangspunt van deze (uitvoerings-)agenda is de transitie naar een meer volhoudbare landbouw, waarvoor ingezet wordt op grondgebonden landbouw, biologische landbouw en aquacultuur met behoud van omgevingskwaliteit, behoud van biodiversiteit, beperken van de milieubelasting, minder uitstoot van broeikasgassen en levering van grondstoffen voor de biobased industrie. De thema’s bodem, beheer (zoet)water en biodiversiteit zijn daarbij centraal gesteld als onderdelen van een volhoudbare bedrijfsvoering, die voor een zo groot mogelijke doelgroep bereikbaar gemaakt wordt.

Met de POP-3-maatregel “samenwerking voor innovatie” worden middelen beschikbaar gesteld om de oprichting van projectgerichte samenwerkingsverbanden te bevorderen. Anders dan voor de Europese Innovatie Partnerships (kortweg EIP-groepen, paragraaf 8 van de Verordening) is het voor deze samenwerkingsverbanden niet verplicht om deel te nemen aan het Europese EIP-netwerk voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw. De resultaten van de (integrale) projecten dienen echter wel altijd gedeeld te worden via de, in het kader van de EIP, vormgegeven structuren.

De samenwerkingsverbanden werken op projectbasis aan een integrale innovatieopgave die een antwoord moet geven aan een concrete vraag of kans uit de praktijk. De integrale projecten moeten bijdragen aan het realiseren van een transitie naar een meer volhoudbare landbouw en/of het bevorderen van de biodiversiteit in het agrarisch gebied. Daarbij gaat het dus om de uitvoering van het gezamenlijke innovatieproject door het samenwerkingsverband. Het betreft met name het verder ontwikkelen, valideren en verfijnen van kennis en innovaties, met als doel dat die uiteindelijk deel uit gaan maken van een groter ontwikkelingsproces dat gericht is op grootschalige toepassing ervan in de praktijk. Dit proces kan bijvoorbeeld gestart worden door kleine actieve samenwerkingsverbanden (living labs) met een schil van koplopers (early adapters). Zolang de activiteiten nog gericht zijn op het praktijkrijp maken van de kennis en innovatie, vallen ze onder deze maatregel. Waar wanneer het gaat om het doelgericht communiceren over en demonstreren van reeds praktijkrijpe (geheel beproefde) innovaties vallen ze onder paragraaf 1.

 

Artikel 2 Samenwerkingsverband

Deze maatregel richt zich op samenwerkingsverbanden met de focus op het ontwikkelen en valideren van praktische kennis en technologie, die met name resulteert in technische innovatie, productinnovatie, procesinnovatie, organisatie-innovatie, innovatie in businessconcepten en/of uiteindelijk in systeeminnovatie. Hierbij is een voorkeur voor innovatie, passend binnen de Agenda landbouw en natuur.

 

Artikel 3 Aanvrager

In sommige gevallen kan een subsidie worden verstrekt aan een samenwerkingsverband. Indien een samenwerkingsverband, niet zijnde een formeel samenwerkingsverband in de vorm van een rechtspersoon, subsidie wenst aan te vragen, zijn er aan het samenwerkingsverband eisen gesteld die in artikel 1.6 van de Verordening worden benoemd. Naast de in dit artikel benoemde vereisten, kunnen ook in de artikelen in hoofdstuk 2 of 3 van de Verordening én in dit openstellingsbesluit aanvullende eisen aan samenwerkingsverbanden zijn gesteld.

Bij een bestaand samenwerkingsverband (al of niet met rechtspersoonlijkheid) wordt de subsidie overgemaakt naar het samenwerkingsverband, zoals aangegeven bij de aanvraag. Bij een samenwerkings-verband in wording/oprichting kan de subsidie worden aangevraagd door (en wordt de subsidie betaald aan) de initiatiefnemer.

 

Artikel 4 Aanvraag

In artikel 1.7, lid 2, van de Verordening is bepaald dat de aanvraag tenminste de kostenbegroting en een toelichting daarop bevat, alsmede een financieringsplan, een opgave van subsidies of vergoedingen voor dezelfde activiteit, een overzicht van inkomsten en een projectplan. Met het volledige projectplan wordt dus o.a. inzicht gegeven in de inkomende financiële middelen, waaronder de aangevraagde subsidies.

Ter ondersteuning van de aanvragers worden op https://www.zeeland.nl/subsidie-aanvragen/pop3 de formulieren aangeboden die in ieder geval gebruikt moeten worden: het format projectplan en het format co-financieringsverklaring.

 

Artikel 5 Weigeringsgronden

In artikel 1.8 van de Verordening zijn algemeen geldende weigeringsgronden opgenomen. De bepalingen in de Verordening zijn onverkort van kracht tenzij in het onderhavige openstellingsbesluit nadrukkelijk anders is bepaald. Ook de in art. 4:35 Algemene wet bestuursrecht bepaalde weigeringsgronden gelden onverkort.

 

De provincie wenst alleen omvangrijke, integrale samenwerkingsprojecten voor subsidie in aanmerking te laten komen. Geen subsidie wordt verleend indien de aangevraagde subsidie minder bedraagt dan €50.000,- ELFPO-middelen.

Na sluiting van de indieningstermijn worden alle aanvragen beoordeeld. Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen moet de aanvraag minstens 33 punten behalen (60% van het maximaal te behalen aantal van 55 punten).

Om stapeling van subsidie te voorkomen is in art. 1.8 van de Verordening bepaald dat een aangevraagde subsidie wordt geweigerd indien voor dezelfde activiteit binnen dezelfde openstelling een subsidie is aangevraagd, voor dezelfde activiteit reeds een andere Europese subsidie is verstrekt of dezelfde activiteiten reeds anderszins met financiële middelen van de Europese Unie (geheel of gedeeltelijk) gefinancierd zijn.

De Wet Bibob heeft als doel om de integriteit te bevorderen bij o.a. aanvragers van subsidies. Als gevolg van deze wet bestaat de mogelijkheid om de integriteit van een aanvrager te (laten) toetsen en om het resultaat van een dergelijke toets als grond te gebruiken voor afwijzing van de gevraagde subsidie.

 

Artikel 6 Subsidiabele kosten

In art. 2.7.6 van de Verordening is bepaald welke kosten subsidiabel zijn voor:

  • 1.

    de oprichting van een projectmatig samenwerkingsverband en het gezamenlijk formuleren van een projectplan;

  • 2.

    de uitvoering van een innovatieproject;

  • 3.

    een fysieke investering in het kader van de uitvoering van een innovatieproject.

Hiermee wordt, specifiek voor deze openstelling, ingevuld wat de subsidiabele kosten zijn. In artikel 1.12 lid 1 van de Verordening zijn voor alle POP3-openstellingen de subsidiabele kosten bepaald, te weten personeels¬kosten, kosten van derden, bijdragen in natura en afschrijvingskosten. Verder zijn in artikel 1.13 van de Verordening de niet-subsidiabele kosten benoemd. Het benoemen van subsidiabele kosten in dit openstellingsbesluit stelt de bepalingen in de Verordening nadrukkelijk niet buiten werking, de desbetreffende bepaling (artikel 6) heeft een aanvullend karakter.

 

In het openstellingsbesluit is aanvullend bepaald dat geen subsidie wordt verstrekt voor de voorbereidingskosten die worden gemaakt voor indiening van een aanvraag voor subsidie voor een integraal samenwerkingsproject.

 

Artikel 7 Subsidiehoogte

Met dit artikel komt tot uiting dat de financiële steun vooral bedoeld is voor plattelandsontwikkelling en verduurzaming van de agrarische bedrijfsvoering. Dat verklaart de verschillen tussen de verschillende categorieën van activiteiten en subsidiepercentages.

Uitgangspunt bij dit openstellingsbesluit zijn de Europese (ELFPO-)middelen. Dat uitgangspunt werkt door in o.a. de verplichting voor aanvrager om de aanvullende co-financiering van een Nederlandse overheid na te gaan c.q. aan te vragen. Ook betekent het dat het bedrag dat als ondergrens voor de subsidie is genoemd, alleen het subsidiegedeelte vanuit de ELFPO-middelen betreft.

 

Artikel 8 Beoordelingscriteria en puntenmethodiek

Conform de Verordening is gekozen voor een selectie van de projecten op basis van de criteria

  • effectiviteit van de activiteiten

  • kosteneffectiviteit

  • haalbaarheid/kans op succes

  • innovativiteit

Bij voorkeur zoekt het college van gedeputeerde staten naar integrale projecten die uitwerking geven aan meerdere van de in artikel 1 genoemde thema’s. Een concrete gebiedsgerichte uitwerking en invulling vormt daarbij een pre.

 

Effectiviteit van de activiteiten

Bij het selectiecriterium “effectiviteit” wordt in samenhang gekeken naar drie deelaspecten. Met elkaar geven deze deelaspecten inzicht in de effectiviteit van de activiteiten. Daarbij wordt ruime uitleg gegeven aan het begrip “effectiviteit”. In samenhang met het gevraagde subsidiebedrag wordt uiteindelijk een score toegekend voor het geheel van het criterium effectiviteit.

 

Kosteneffectiviteit

De beste projecten moeten zo efficiënt mogelijk uitgevoerd worden. Om dit te kunnen beoordelen wordt in het algemeen gekeken naar de input (geld, kennis, kunde, overige middelen) die wordt ingezet om de output te kunnen realiseren. Daarbij wordt bezien of de opgevoerde kosten passend zijn (worden de resultaten met de juiste middelen gehaald?), wordt gekeken in hoeverre de proceskosten die in het project gemaakt worden in verhouding staan tot de feitelijke projectkosten én wordt bezien of binnen het project op een goede manier gebruik gemaakt wordt van reeds bestaande kennis en kunde.

 

Kans op succes / haalbaarheid

De kans op succes is gerelateerd aan de kwaliteit van het projectplan en de concrete omstandigheden. Uitgangspunt is dat de haalbaarheid van een project groter is, als in het projectplan eisen worden gesteld aan de kwaliteit (deskundigheid, ervaring) van de projectleider alsmede van de organisatie die de aanvraag doet, als het projectplan realistisch is, als de relevante partijen bij de uitvoering van het plan zijn betrokken, als planning, opzet en begroting realistisch zijn en als het project snel in uitvoering kan worden genomen. Het kunnen overleggen van opleidingsniveau en -richting van de projectleider(s), aantonen van de vervangbaarheid van de projectleider binnen de organisatie en het overleggen van referentieprojecten zullen bij dit criterium een rol spelen.

 

In de fase van oprichting van het samenwerkingsverband en ontwikkeling van het (integrale) projectplan wordt de “kans op succes” gedefinieerd als de kans dat de partijen er in slagen een werkbare en vruchtbare samenwerking tot stand te brengen, inclusief goede afspraken over taken en verantwoordelijkheden en over lasten en lusten met betrekking tot de beoogde innovatie en er in slagen om de beoogde innovatie goed scherp te krijgen in termen van technische en organisatorische haalbaarheid en in termen van marktmogelijkheden (behoefte). Of hierover goed is nagedacht blijkt uit de kwaliteit van het projectplan en van het beoogde samenwerkingsverband zelf: het aantal deelnemers dat aan de samenwerking meewerkt, de verdeling van die deelnemers over de verschillende ketenpartijen, de ‘kwaliteit’ van de deelnemers in relatie tot het innovatie-idee. Deze onderdelen worden in onderlinge samenhang bezien.

 

In de ontwikkelfase van een innovatie wordt de “kans op succes” gedefinieerd als de kans dat de partijen er in slagen het innovatie-idee uit te werken. Dit betekent niet dat het innovatieproject ook moet slagen. Het samenwerkingsverband bestaat al en heeft een haalbare innovatie geïdentificeerd. Activiteiten betreffen uitwerking naar technische specificaties, bouwen, uitwerken businessplan, proefopstelling. Ook onderdelen die betrekking hebben op inrichting van een demonstratie-inrichting en/of activiteiten kennisoverdracht en/of marktintroductie (eerste uitrol) kunnen onderdeel zijn van de aanvraag. De aanvrager levert een goed onderbouwd plan van aanpak hiervoor. In de fase “ontwikkelen innovatie” mag men resultaten van voorwerk verwachten, bij een gecombineerde aanvraag is aan te raden in de openstelling te eisen dat de aanvraag een go – no go moment bevat voor de ontwikkelfase.

 

Innovativiteit

De innovativiteit wordt afgemeten aan het vernieuwende en verfrissende karakter van het projectidee.

Het gaat dus niet aan een reeds beproefde aanpak op een andere plaats en/of op een andere schaal

toe te passen. Dat betekent niet dat men geen gebruik kan maken van reeds beproefde technieken,

concepten of methodieken. Het betekent juist dat een vernieuwend conceptueel karakter leidt tot een hogere score. Daarnaast wordt bij de beoordeling gekeken naar de transitiewaarde van het betreffende projectplan. Een aanvraag scoort hoger naarmate hij potentieel bijdraagt tot een fundamenteel andersoortige landbouwpraktijk en bestaande belemmeringen voor verduurzaming daarvan vermindert.

 

Artikel 9 Wegingsfactoren

De selectie van de projecten zal plaatsvinden via een zogenaamde ‘tender-methode’. Alle ingediende aanvragen worden, indien ze voldoen aan de subsidievoorwaarden, beoordeeld en er zal een puntentoekenning plaatsvinden. Indien de score tenminste gelijk is aan het minimum aantal punten (artikel 9) komen de projecten voor subsidie in aanmerking. De projecten worden vervolgens aflopend (hoog naar laag aantal punten) gerangschikt aan de hand van het puntentotaal.

Is het beschikbare subsidieplafond ontoereikend voor alle voor in subsidie in aanmerking komende projecten, dan worden de projecten gerangschikt op hoogte van de score. Bij meerdere projecten met gelijke score prevaleren projecten die hoger scoren op het criterium “effectiviteit van de activiteit”. Voor zover dit onvoldoende onderscheidend is zal loting plaatsvinden.

 

Het aantal behaalde punten per selectiecriterium wordt vermenigvuldigd met de wegingsfactor. Dit leidt tot het totaal aantal punten (maximaal 55) dat wordt toegekend aan de aanvraag.

Een aanvraag komt voor subsidie in aanmerking indien hij minimaal 60% van het maximaal te behalen aantal punten scoort, dus 33 punten.

Indien het beschikbare subsidieplafond ontoereikend is voor alle voor subsidie in aanmerking komende

projecten, worden de projecten gerangschikt naar score. Ingeval van gelijke score prevaleren projecten die hoger scoren op het hoogste onderscheidende criterium, dus in de volgorde effectiviteit – kans op succes/haalbaarheid - kosteneffectiviteit – innovativiteit. Als ook dit geen onderscheid oplevert, vindt de keuze plaats door middel van loting.