Provinciaal blad van Noord-Holland

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Noord-HollandProvinciaal blad 2019, 2810Overige besluiten van algemene strekking



Besluit van Provinciale Staten van de provincie Noord-Holland houdende regels omtrent Gedragscode voor statenleden, duocommissieleden, gedeputeerden en de commissaris van de Koning van de provincie Noord-Holland 2012

[Deze bekendmaking is slechts een tekstplaatsing. De oorspronkelijke bekendmaking is op 17 april 2013 beschikbaar via Provinciaal blad 2013.]

 

Provinciale Staten van Noord-Holland;

 

Gelet op de artikelen 15, derde lid, 40c, tweede lid, en 68, tweede lid, van de Provinciewet;

 

Overwegende dat de Provinciewet Provinciale Staten verplicht tot het opstellen van een gedragscode voor alle bestuurders van de provincie;

 

Overwegende dat Provinciale Staten op 17 november 2008 de gedragscode voor statenleden, duocommissieleden, gedeputeerden en de commissaris van de Koningin van de provincie Noord-Holland hebben vastgesteld;

 

Overwegende dat de Gedragscode voor statenleden, duocommissieleden, gedeputeerden en de commissaris van de Koningin aanpassing behoeft naar aanleiding van de wijzigingen in de modelgedragscode politiek ambtsdragers van de Handreiking integriteit van politiek ambtsdrager bij gemeenten, provincies en waterschappen;

 

Overwegende dat het wenselijk is omwille van de transparantie en uniformiteit dit landelijk model over te nemen, aangevuld met regels van de provincie Noord-Holland, o.a. op basis van de uitkomsten van de statenbijeenkomst over de concept Gedragscode op 11 juni 2012;

 

Overwegende dat het presidium van 4 februari 2013 en de Statencommissie Water, economie & Bestuur van 11 februari 2013 hierover advies hebben uitgebracht;

 

Gelezen de daartoe strekkende voordracht van Gedeputeerde Staten (bij brief d.d. 21 januari 2013);

 

Besluiten vast te stellen:

 

 

Gedragscode voor statenleden, duocommissieleden , gedeputeerden en de commissaris van de Koning van de provincie Noord-Holland 2012

 

Preambule

 

 

Kernbegrippen integriteit van politiek ambtsdragers

 

 

Denkt aleer gij doende zijt, en doende denkt dan nog. 1

 

De oud-minister van Binnenlandse zaken mevrouw I. Dales deed de niets aan onduidelijkheid overlatende uitspraak: “een beetje integer bestaat niet” en doelde daarmee op het grote belang dat de overheid moet hechten aan integer en transparant gedrag.

 

Integriteit is vooral een thema dat met houding, aanvoelen en “tussen de oren zitten” te maken heeft. Een integriteitsbeleid dat alleen op papier bestaat is slechts een dode letter. Daarom moeten wij regelmatig over de code maar vooral ook over de bedoeling, de geest en de naleving van deze afspraken worden gesproken.

 

De gedragscode is belangrijk als beoordelingskader en leidraad bij twijfel, vragen en discussies. Deze gedragscode is tot stand gekomen in overleg met statenleden. De reacties van statenleden op de concept- gedragscode zijn in deze gedragscode verwerkt.

De code bevat zowel normen over hoe in een bepaalde situatie te handelen als regels over procedures die moeten worden gevolgd. Omwille van uniformiteit en transparantie is de landelijke modelgedragscode gevolgd. In afwijking van de landelijke gedragscode is de gedragscode integriteit provincie Noord-Holland onder andere uitgebreid met deze preambule en een uitgebreide toelichting met betrekking tot financiële en zakelijke belangen.

Tevens is opgenomen dat voormalig statenleden niet eerder dan een jaar na beëindiging van het lidmaatschap van PS voorgedragen worden als kandidaat voor benoeming tot commissaris dan wel bestuurslid van een verbonden partij.

Voor gedeputeerden geldt dat het voornemen tot het voeren van besprekingen over een toekomstige andere werkkring eerst met de commissaris van de Koning wordt besproken. Bovendien worden oud-gedeputeerden niet eerder dan twee jaar na beëindiging van het lidmaatschap van gedeputeerde staten voorgedragen als kandidaat voor benoeming tot commissaris danwel bestuurslid van een verbonden partij.

 

Leden van Gedeputeerde Staten en Provinciale Staten stellen bij hun handelen de kwaliteit van het openbaar bestuur centraal. Integriteit van het openbaar bestuur is daarvoor een belangrijke voorwaarde. De belangen van de provincie, en in het verlengde daarvan die van de burgers, zijn het primaire richtsnoer.

Integriteit van politiek ambtsdragers houdt in dat de verantwoordelijkheid die met de functie samenhangt wordt aanvaard en dat er de bereidheid is om daarover verantwoording af te leggen. Verantwoording wordt afgelegd aan collega-bestuurders dan wel aan PS. Indirect wordt verantwoording afgelegd aan organisaties en burgers voor wie bestuurders en gekozen volksvertegenwoordigers hun functie vervullen.

 

Een respectvolle omgang tussen bestuurders onderling en tussen bestuurders en ambtelijke medewerkers is van groot belang. Een ieder moet vrij kunnen zeggen wat hij denkt, vindt en wil. Daar hoort een welwillende bejegening bij waarbij (een gevoel van) intimidatie niet aan de orde mag zijn.

 

Een aantal kernbegrippen is leidend en plaatst de integriteit van politieke ambtsdragers in een breder perspectief:

 

Dienstbaarheid

Het handelen van een politiek ambtsdrager is altijd en volledig gericht op het algemeen belang van en in de provincie.

 

Functionaliteit

Het handelen van een politiek ambtsdrager heeft een herkenbaar verband met de functie die hij vervult in het bestuur.

 

Onafhankelijkheid

Het handelen van een politiek ambtsdrager wordt gekenmerkt door onpartijdigheid, dat wil zeggen dat geen vermenging optreedt met oneigenlijke belangen en dat ook iedere schijn van een dergelijke vermenging wordt vermeden.

 

Openheid

Het handelen van een politiek ambtsdrager is transparant, opdat optimale verantwoording mogelijk is en de controlerende organen volledig inzicht hebben in het handelen van de politiek ambtsdrager en zijn beweegredenen daarbij.

 

Betrouwbaarheid

Op een politiek ambtsdrager moet men kunnen rekenen. Die houdt zich aan zijn afspraken. Kennis en informatie waarover hij uit hoofde van zijn functie beschikt, wendt hij aan voor het doel waarvoor die zijn gegeven.

 

Zorgvuldigheid

Het handelen van een politiek ambtsdrager is zodanig dat burgers, organisaties en mede politiek ambtsdragers op gelijke wijze en met respect worden bejegend en dat belangen van partijen op zorgvuldige en transparante wijze worden afgewogen.

 

Deze kernbegrippen zijn de toetssteen voor de nu volgende gedragsafspraken.

 

Gedragscode politiek ambtsdragers

1 Algemene bepalingen

  • 1.1

    Deze gedragscode geldt voor statenleden, duo-commissieleden, gedeputeerden en de commissaris van de Koning van de provincie Noord-Holland.

  • 1.2

    Onder duo-commissielid wordt verstaan: een door de voorzitter van provinciale staten benoemde en beëdigd plaatsvervangend commissielid, dat bij de vorige statenverkiezingen wel verkiesbaar was maar niet in Provinciale Staten is gekozen.

  • 1.3

    Onder nevenfunctie wordt verstaan een functie die bij een andere (publieke of private) rechtspersoon dan de provincie wordt vervuld.

  • 1.4

    In gevallen waarin de code niet voorziet of waarbij de toepassing niet eenduidig is vindt voor wat betreft statenleden en duo-commissieleden bespreking plaats in een vergadering van het presidium en voor wat betreft gedeputeerden of de commissaris van de Koning in een vergadering van gedeputeerde staten.

  • 1.5

    De code is openbaar en op toegankelijke wijze te raadplegen.

  • 1.6

    Statenleden, duo-commissieleden, gedeputeerden en de commissaris van de Koning ontvangen na het vaststellen van de Gedragscode en bij hun aantreden een exemplaar van de code.

  • 1.7

    Een statenlid, duocommissielid, gedeputeerde of de commissaris van de Koning is aanspreekbaar op de naleving van deze code.

  • 1.8

    Regelmatig zal in de verschillende bestuurlijke en politieke gremia aandacht geschonken worden aan het “levend” houden van de gedragscode.

2 Belangenverstrengeling

 

A. Statenleden

 

  • 2.1

    Een statenlid doet opgave van zijn relevante financiële en/ of zakelijke belangen 2 .

  • 2.2

    Bij privaat-publieke samenwerkingsrelaties voorkomt het statenlid (de schijn van) bevoordeling in strijd met eerlijke concurrentieverhoudingen.

  • 2.3

    Een oud-statenlid wordt het eerste jaar na de beëindiging van zijn ambtstermijn uitgesloten van het tegen beloning verrichten van werkzaamheden voor de provincie Noord-Holland.

  • 2.4

    Indien de onafhankelijke oordeelsvorming van een statenlid over een onderwerp in het geding kan zijn, geeft hij bij de besluitvorming daarover aan in hoeverre het onderwerp hem persoonlijk en/ of zakelijk aangaat.

  • 2.5

    Een statenlid die familie- of vriendschapsbetrekkingen of anderszins persoonlijke of zakelijke betrekkingen heeft met een aanbieder van diensten of zaken aan de provincie Noord-Holland, onthoudt zich van deelname aan de besluitvorming over de betreffende opdracht.

  • 2.6

    Een statenlid neemt van een aanbieder van diensten aan de provincie geen geschenken, faciliteiten of diensten aan die zijn onafhankelijke positie ten opzichte van de aanbieder kunnen beïnvloeden.

  • 2.7

    Een statenlid vervult geen nevenfuncties die een structureel risico vormen voor een integere invulling van de politieke functie.

  • 2.8

    Een statenlid geeft ten behoeve van de openbaarmaking van zijn nevenfuncties en q.q-nevenfuncties aan voor welke organisatie de functies worden verricht, wat het tijdsbeslag is en of de functies bezoldigd zijn.

  • 2.9

    Een statenlid behoudt geen inkomsten uit een q.q-nevenfunctie. De inkomsten komen ten goede aan de kas van de provincie Noord-Holland.

  • 2.10

    Voormalige statenleden worden niet eerder dan één jaar na beëindiging van het lidmaatschap van PS voorgedragen als kandidaat voor benoeming tot commissaris dan wel bestuurslid van een verbonden partij.

  •  

B. Duo-commissieleden

 

  • 2.11

    indien de onafhankelijke oordeelsvorming van een duo-commissielid over een onderwerp in het geding kan zijn, geeft hij bij de advisering daarover aan in hoeverre het onderwerp hem persoonlijk aangaat.

  • 2.12

    Een duo-commissielid doet opgave van zijn relevante financiële en/ of zakelijke belangen 3.

  • 2.13

    Een duo-commissielid dat familie- of vriendschapsbetrekkingen of anderszins persoonlijke betrekkingen heeft met een aanbieder van diensten of zaken aan de provincie Noord-Holland, onthoudt zich van deelname aan de advisering over de betreffende opdracht.

 

C. Gedeputeerden

 

  • 2.14

    Een gedeputeerde doet opgave van zijn relevante financiële en of zakelijke belangen 4. Indien financiële en/ of zakelijke belangen worden geconstateerd dient een gedeputeerde hiervoor tijdig een afdoende regeling te treffen, waardoor deze belangen op voldoende afstand van de persoon van de gedeputeerde en zijn directe gezinsleden, worden geplaatst.

  • 2.15

    Bij privaat-publieke samenwerkingsrelaties voorkomt de gedeputeerde (de schijn van) bevoordeling in strijd met eerlijke concurrentieverhoudingen.

  • 2.16

    Een oud-gedeputeerde wordt het eerste jaar na de beëindiging van zijn ambtstermijn uitgesloten van het tegen beloning verrichten van werkzaamheden voor de provincie Noord-Holland.

  • 2.17

    Indien de onafhankelijke oordeelsvorming van een gedeputeerde over een onderwerp in het geding kan zijn, geeft hij bij de besluitvorming daarover aan in hoeverre het onderwerp hem persoonlijk en/of zakelijk aangaat.

  • 2.18

    Een gedeputeerde die familie- of vriendschapsbetrekkingen of anderszins persoonlijke of zakelijke betrekkingen heeft met een aanbieder van diensten of zaken aan de provincie Noord-Holland, onthoudt zich van deelname aan de besluitvorming over de betreffende opdracht.

  • 2.19

    Een gedeputeerde neemt van een aanbieder van diensten aan de provincie geen geschenken, faciliteiten of diensten aan die zijn onafhankelijke positie ten opzichte van de aanbieder kunnen beïnvloeden.

  • 2.20

    Een gedeputeerde vervult geen nevenfuncties die een structureel risico vormen voor een integere invulling van de politieke functie.

  • 2.21

    Een gedeputeerde geeft ten behoeve van de openbaarmaking van zijn nevenfuncties en q.q-nevenfuncties aan voor welke organisatie de functies worden verricht, en of de functies bezoldigd zijn. Tevens geeft een gedeputeerde voor nevenfuncties aan wat het tijdsbeslag is.

  • 2.22

    Een gedeputeerde behoudt geen inkomsten uit een q.q-nevenfunctie. De inkomsten komen ten goede aan de kas van de provincie Noord-Holland.

  • 2.23

    Een gedeputeerde bespreekt het voornemen tot het voeren van besprekingen over een toekomstige werkkring eerst met de commissaris van de Koning. Hij handelt bij het aanvaarden van een functie zodanig dat daarmee niet de schijn wordt gewekt dat hij tijdens zijn ambtsuitoefening onzuiver heeft gehandeld, dan wel verkeerd omgaat met kennis die hij tijdens die periode heeft opgedaan. Deze gedragsregel wordt door de commissaris van de Koning onder de aandacht gebracht van kandidaat-gedeputeerden. Na afloop van het gesprek met de commissaris van de Koning bevestigt de kandidaat-gedeputeerde het besprokene schriftelijk door middel van een brief aan de commissaris van de Koning.

  • 2.24

    Oud-gedeputeerden worden niet eerder dan twee jaar na beëindiging van het lidmaatschap van gedeputeerde staten voorgedragen als kandidaat voor benoeming tot commissaris dan wel bestuurslid van een verbonden partij.

 

D. Commissaris van de Koning

 

  • 2.25

    De commissaris van de Koning doet opgave van zijn relevante financiële en of zakelijke belangen 5 . Indien financiële en/ of zakelijke belangen worden geconstateerd dient de commissaris van de Koning hiervoor tijdig een afdoende regeling te treffen, waardoor deze belangen op voldoende afstand van de persoon van de gedeputeerde en zijn directe gezinsleden, worden geplaatst.

  • 2.26

    Bij privaat-publieke samenwerkingsrelaties voorkomt de commissaris van de Koning (de schijn van) bevoordeling in strijd met eerlijke concurrentieverhoudingen.

  • 2.27

    De commissaris van de Koning wordt het eerste jaar na de beëindiging van zijn ambtstermijn uitgesloten van het tegen beloning verrichten van werkzaamheden voor de provincie Noord-Holland.

  • 2.28

    Indien de onafhankelijke oordeelsvorming van de commissaris van de Koning over een onderwerp in het geding kan zijn, geeft hij bij de besluitvorming daarover aan in hoeverre het onderwerp hem persoonlijk en/of zakelijk aangaat.

  • 2.29

    De commissaris van de Koning die familie- of vriendschapsbetrekkingen of anderszins persoonlijke of zakelijke betrekkingen heeft met een aanbieder van diensten of zaken aan de provincie Noord-Holland, onthoudt zich van deelname aan de besluitvorming over de betreffende opdracht.

  • 2.30

    De commissaris van de Koning neemt van een aanbieder van diensten aan de de provincie geen geschenken, faciliteiten of diensten aan die zijn onafhankelijke positie ten opzichte van de aanbieder kunnen beïnvloeden.

  • 2.31

    De commissaris van de Koning vervult geen nevenfuncties die een structureel risico vormen voor een integere invulling van de politieke functie.

  • 2.32

    De commissaris van de Koning geeft ten behoeve van de openbaarmaking van zijn nevenfuncties en q.q-nevenfuncties aan voor welke organisatie de functies worden verricht, wat het tijdsbeslag is en of de functies bezoldigd zijn.

  • 2.33

    De commissaris van de Koning behoudt geen inkomsten uit een q.q-nevenfunctie. De inkomsten komen ten goede aan de kas van de provincie Noord-Holland.

  • 2.34

    Een oud-commissaris van de Koning wordt niet eerder dan twee jaar na beëindiging van zijn functie voorgedragen als kandidaat voor benoeming tot commissaris dan wel bestuurslid van een verbonden partij.

3 Informatie

 

A. Statenleden

 

  • 3.1

    Een statenlid gaat zorgvuldig en correct om met informatie waarover hij uit hoofde van zijn ambt beschikt. Hij zorgt ervoor dat stukken met vertrouwelijke en geheime gegevens veilig worden opgeborgen en voor zover deze informatie digitaal wordt opgeslagen dat deze (privé) computerbestanden beveiligd zijn.

  • 3.2

    Een statenlid houdt geen voor de besluitvorming relevante informatie achter.

  • 3.3

    Een statenlid verstrekt aan derden geen informatie die vertrouwelijk of geheim is.

  • 3.4

    Een statenlid maakt niet ten eigen bate of ten bate van zijn persoonlijke betrekkingen gebruik van in de uitoefening van het ambt verkregen informatie.

  • 3.5

    Een statenlid gaat verantwoord om met de e-mail- en internetfaciliteiten alsmede met de sociale media van de provincie Noord-Holland.

 

B. Duocommissieleden

 

  • 3.6

    Een duo-commissielid gaat zorgvuldig en correct om met informatie waarover hij uit hoofde van zijn ambt beschikt. Hij zorgt ervoor dat stukken met vertrouwelijke en geheime gegevens veilig worden opgeborgen en voor zover deze informatie digitaal wordt opgeslagen dat deze (privé) computerbestanden beveiligd zijn.

  • 3.7

    Een duo-commissielid houdt geen voor de besluitvorming relevante informatie achter.

  • 3.8

    Een duo-commissielid verstrekt aan derden geen informatie die vertrouwelijk of geheim is.

  • 3.9

    Een duo-commissielid maakt niet ten eigen bate of ten bate van zijn persoonlijke betrekkingen gebruik van in de uitoefening van het ambt verkregen informatie.

  • 3.10

    Een duo-commissielid gaat verantwoord om met de e-mail- en internetfaciliteiten alsmede met de sociale media van de provincie Noord-Holland.

 

C Gedeputeerden

 

  • 3.11

    Een gedeputeerde gaat zorgvuldig en correct om met informatie waarover hij uit hoofde van zijn ambt beschikt. Hij zorgt ervoor dat stukken met vertrouwelijke en geheime gegevens veilig worden opgeborgen en dat voor zover deze informatie digitaal wordt opgeslagen deze (privé-) computerbestanden beveiligd zijn.

  • 3.12

    Een gedeputeerde houdt geen voor de besluitvorming relevante informatie achter.

  • 3.13

    Een gedeputeerde verstrekt aan derden geen informatie die vertrouwelijk of geheim is.

  • 3.14

    Een gedeputeerde maakt niet ten eigen bate of ten bate van zijn persoonlijke betrekkingengebruik van in de uitoefening van het ambt verkregen informatie.

  • 3.15

    Een gedeputeerde gaat verantwoord om met de e-mail- en internetfaciliteiten alsmede met de sociale media van de provincie Noord-Holland.

 

D Commissaris van de Koning

 

  • 3.16

    De commissaris van de Koning gaat zorgvuldig en correct om met informatie waarover hij uit hoofde van zijn ambt beschikt. Hij zorgt ervoor dat stukken met vertrouwelijke en geheime gegevens veilig worden opgeborgen en voor zover deze informatie digitaal wordt opgeslagen deze (privé) computerbestanden beveiligd zijn.

  • 3.17

    De commissaris van de Koning houdt geen voor de besluitvorming relevante informatie achter.

  • 3.18

    De commissaris van de Koning verstrekt aan derden geen informatie die vertrouwelijk of geheim is.

  • 3.19

    De commissaris van de Koning maakt niet ten eigen bate of ten bate van zijn persoonlijke betrekkingen gebruik van in de uitoefening van het ambt verkregen informatie.

  • 3.20

    De commissaris van de Koning gaat verantwoord om met de e-mail- en internetfaciliteiten alsmede met de sociale media van de provincie Noord-Holland.

4 Geschenken, diensten en uitnodigingen

 

A Statenleden

 

  • 4.1

    Een statenlid accepteert geen geschenken, faciliteiten of diensten indien zijn onafhankelijke positie hierdoor kan worden beïnvloed. In advies- of onderhandelingssituaties weigert hij door betrokken relaties aangeboden geschenken of andere voordelen.

  • 4.2

    Geschenken en giften die een statenlid uit hoofde van zijn functie ontvangt en die een geschatte waarde van meer dan € 50,- vertegenwoordigen moeten worden overgedragen aan de griffier en zijn eigendom van de provincie. Er wordt een provinciale bestemming voor gezocht.

  • 4.3

    Aanbiedingen voor privé-werkzaamheden of kortingen op privé-goederen worden door een statenlid niet geaccepteerd.

  • 4.4

    Geschenken en giften worden niet op het thuisadres ontvangen. Indien dit toch is gebeurd en de geschatte waarde is meer dan € 50,- , meldt een statenlid dit aan zijn fractievoorzitter en wordt dit overgedragen aan de griffier, die dit in het presidium meldt waarna een besluit over de bestemming van het geschenk wordt genomen.

 

B Duo-commissieleden

 

  • 4.5

    Een duo-commissielid accepteert geen geschenken, faciliteiten of diensten indien zijn onafhankelijke positie hierdoor kan worden beïnvloed. In adviessituaties weigert hij door betrokken relaties aangeboden geschenken of andere voordelen.

  • 4.6

    Geschenken en giften die een duo-commissielid uit hoofde van zijn functie ontvangt en die een geschatte waarde van meer dan € 50,- vertegenwoordigen moeten worden overgedragen aan de griffier en zijn eigendom van de provincie. Er wordt een provinciale bestemming voor gezocht.

  • 4.7

    Aanbiedingen voor privé-werkzaamheden of kortingen op privé-goederen worden door een duo-commissielid niet geaccepteerd.

  • 4.8

    Geschenken en giften worden niet op het thuisadres ontvangen. Indien dit toch is gebeurd en de geschatte waarde is meer dan € 50,-, meldt een duo-commissielid dit aan zijn fractievoorzitter en wordt dit overgedragen aan de griffier, die dit in het presidium meldt waarna een besluit over de bestemming van het geschenk wordt genomen.

 

C Gedeputeerden

 

  • 4.9

    Een gedeputeerde accepteert geen geschenken, faciliteiten of diensten indien zijn onafhankelijke positie hierdoor kan worden beïnvloed. In advies- of onderhandelingssituaties weigert hij door betrokken relaties aangeboden geschenken of andere voordelen.

  • 4.10

    Geschenken en giften die een gedeputeerde uit hoofde van zijn functie ontvangt worden onder gebruikmaking van een meldingsformulier aan de provinciesecretaris gemeld.

  • 4.11

    Geschenken en giften die een gedeputeerde uit hoofde van zijn functie ontvangt en die een geschatte waarde van meer dan € 50,- vertegenwoordigen zijn eigendom van de provincie. Er wordt een provinciale bestemming voor gezocht.

  • 4.12

    Aanbiedingen voor privé-werkzaamheden of kortingen op privé-goederen worden door een gedeputeerde niet geaccepteerd.

  • 4.13

    Geschenken en giften worden niet op het thuisadres ontvangen. Indien dit toch is gebeurd en de geschatte waarde is meer dan € 50,- , meldt een gedeputeerde dit in een plenaire vergadering van gedeputeerde staten, waarna een besluit over de bestemming van het geschenk wordt genomen.

  • 4.14

    Een gedeputeerde bespreekt in een plenaire vergadering van gedeputeerde staten uitnodigingen voor excursies en evenementen op kosten van derden uit hoofde van zijn functie als gedeputeerde, niet zijnde werkbezoeken of bezoeken aan andere overheden in het belang van de provincie, waarvan hij voornemens is gebruik te maken.

 

D Commissaris van de Koning

 

  • 4.15

    De commissaris van de Koning accepteert geen geschenken, faciliteiten of diensten indien zijn onafhankelijke positie hierdoor kan worden beïnvloed. In advies- of onderhandelingssituaties weigert hij door betrokken relaties aangeboden geschenken of andere voordelen.

  • 4.16

    Geschenken en giften die de commissaris van de Koning uit hoofde van zijn functie ontvangt worden door hem geregistreerd en aan de provinciesecretaris gemeld.

  • 4.17

    Geschenken en giften die de commissaris van de Koning uit hoofde van zijn functie ontvangt en die een geschatte waarde van meer dan € 50, - vertegenwoordigen zijn eigendom van de provincie. Er wordt een provinciale bestemming voor gezocht.

  • 4.18

    Aanbiedingen voor privé-werkzaamheden of kortingen op privé-goederen worden door de commissaris van de Koning niet geaccepteerd.

  • 4.19

    Geschenken en giften worden niet op het thuisadres ontvangen. Indien dit toch is gebeurd en de geschatte waarde is meer dan € 50,-, meldt de commissaris van de Koning dit in de plenaire vergadering van gedeputeerde staten, waarna een besluit over de bestemming van het geschenk wordt genomen.

  • 4.20

    De commissaris van de Koning bespreekt in de plenaire vergadering van gedeputeerde staten uitnodigingen voor excursies en evenementen op kosten van derden uit hoofde van zijn functie als commissaris van de Koning, niet zijnde werkbezoeken of bezoeken aan andere overheden in het belang van de provincie, waarvan hij voornemens is gebruik te maken.

5 Bestuurlijke uitgaven, onkostenvergoedingen, buitenlandse reizen en voorzieningen

 

A. Statenleden

 

  • 5.1

    Uitgaven worden uitsluitend vergoed als de hoogte en de functionaliteit ervan kunnen worden aangetoond. Een statenlid is terughoudend bij het in rekening brengen van uitgaven die zich op het grensvlak van privé en publiek bevinden.

  • 5.2

    Een statenlid declareert geen kosten die reeds op andere wijze worden vergoed zoals vastgelegd in de Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden Noord-Holland 2010.

  • 5.3

    Gebruik van provinciale eigendommen of voorzieningen voor privé-doeleinden is voor statenleden niet toegestaan tenzij het betreft de bruikleen van een computer c.a. die mede voor privé-doeleinden kunnen worden gebruikt.

  • 5.4

    Een statenlid dat het voornemen heeft uit hoofde van zijn functie een buitenlandse reis te maken dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in bij de statengriffier. De kosten komen voor rekening van de provincie als deelname naar het oordeel van de griffier van belang is in verband met de vervulling van het statenlidmaatschap. Een statenlid dat uit hoofde van zijn functie is uitgenodigd voor een buitenlandse reis of werkbezoek op kosten van een derde en het voornemen heeft daarvan gebruik te maken, heeft vooraf toestemming nodig van zijn of haar fractievoorzitter. Het provinciaal belang van de reis is doorslaggevend voor de besluitvorming. Het presidium wordt van de besluitvorming door de fractievoorzitter op de hoogte gesteld.

  • 5.5

    Het anderszins meereizen naar en in het buitenland van derden op kosten van de provincie is niet toegestaan. Het meereizen van derden op eigen kosten is in beginsel toegestaan en wordt in dat geval bij de besluitvorming betrokken.

 

B Duo-commissieleden

 

  • 5.6

    Uitgaven worden uitsluitend vergoed als de hoogte en de functionaliteit ervan kunnen worden aangetoond. Een duo-commissielid is terughoudend bij het in rekening brengen van uitgaven die zich op het grensvlak van privé en publiek bevinden.

  • 5.7

    Een duo-commissielid declareert geen kosten die reeds op andere wijze worden vergoed zoals vastgelegd in de Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden Noord-Holland 2010.

  • 5.8

    Gebruik van provinciale eigendommen of voorzieningen voor privé-doeleinden is voor duo-commissieleden niet toegestaan.

  • 5.9

    Een duo-commissielid dat uit hoofde van zijn functie is uitgenodigd voor een buitenlandse reis of werkbezoek op kosten van een derde en het voornemen heeft daarvan gebruik te maken, heeft vooraf toestemming nodig van zijn of haar fractievoorzitter.

    Het provinciaal belang van de reis is doorslaggevend voor de besluitvorming. Het presidium wordt van de besluitvorming door de fractievoorzitter op de hoogte gesteld.

  • 5.10

    Het anderszins meereizen naar en in het buitenland van derden op kosten van de provincie is niet toegestaan. Het meereizen van derden op eigen kosten is in beginsel toegestaan en wordt in dat geval bij de besluitvorming betrokken.

 

C Gedeputeerden

 

  • 5.11

    Uitgaven worden uitsluitend vergoed als de hoogte en de functionaliteit ervan kunnen worden aangetoond. Een gedeputeerde is terughoudend bij het in rekening brengen van uitgaven die zich op het grensvlak van privé en publiek bevinden.

  • 5.12

    Een gedeputeerde declareert geen kosten die reeds op andere wijze worden vergoed zoals vastgelegd in de Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden Noord-Holland 2010.

  • 5.13

    In geval van twijfel omtrent een declaratie of over het correct gebruik van een creditcard door een gedeputeerde, wordt dit voorgelegd aan de provinciesecretaris en zonodig ter besluitvorming aan gedeputeerde staten voorgelegd.

  • 5.14

    Gebruik van provinciale eigendommen of voorzieningen voor privé-doeleinden is voor gedeputeerden niet toegestaan tenzij het betreft de bruikleen van een mobiele telefoon en computer c.a. die mede voor privé-doeleinden kunnen worden gebruikt.

  • 5.15

    Een gedeputeerde die het voornemen heeft uit hoofde van zijn functie als gedeputeerde een buitenlandse reis te maken of is uitgenodigd voor een buitenlandse reis of werkbezoek op kosten van een derde, heeft vooraf toestemming nodig van gedeputeerde staten. Indien het gaat om een uitnodiging van een private partij dan betaalt de provincie de kosten van de gedeputeerde Het provinciaal belang van de reis is doorslaggevend voor de besluitvorming. Provinciale Staten ontvangen kort na de buitenlandse reis of het werkbezoek daarvan het verslag.

  • 5.16

    Een gedeputeerde meldt het voornemen tot een buitenlandse reis of een uitnodiging daartoe in een plenaire vergadering van gedeputeerde staten en verschaft daarbij informatie over het doel van de reis, de bijbehorende beleidsoverwegingen, de samenstelling van het gezelschap, de geraamde kosten en de wijze waarop van de reis verslag wordt gedaan. Het presidium wordt over voorgenomen buitenlandse reizen en werkbezoeken van een gedeputeerde geïnformeerd door toezending van het desbetreffende onderdeel uit de GS-besluitenlijst.

  • 5.17

    Het ten laste van de provincie meereizen van de partner van een gedeputeerde naar en in het buitenland is uitsluitend toegestaan wanneer dit gebeurt op uitnodiging van de ontvangende partij en het belang van de provincie daarmee gediend is. Het meereizen van de partner wordt bij de besluitvorming betrokken.

  • 5.18

    Het anderszins meereizen naar en in het buitenland van derden op kosten van de provincie is niet toegestaan. Het meereizen van derden op eigen kosten is in beginsel toegestaan en wordt in dat geval bij de besluitvorming betrokken.

  • 5.19

    Het verlengen van een buitenlandse dienstreisvoor privé-doeleinden is toegestaan, mits dit is betrokken bij de besluitvorming. De extra reis- en verblijfkosten komen volledig voor rekening van de gedeputeerde.

  • 5.20

    Gedeputeerde staten kunnen bepalen dat gedeputeerden voor hun dienstreizen gebruik maken van een dienstauto met chauffeur en dat van de dienstauto gebruik kan worden gemaakt voor woon-werkverkeer en voor de uitoefening van nevenfuncties.

 

D Commissaris van de Koning

 

  • 5.21

    Uitgaven worden uitsluitend vergoed als de hoogte en de functionaliteit ervan kunnen worden aangetoond. De commissaris van de Koning is terughoudend bij het in rekening brengen van uitgaven die zich op het grensvlak van privé en publiek bevinden.

  • 5.22

    De commissaris van de Koning declareert geen kosten die reeds op andere wijze worden vergoed zoals vastgelegd in het rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning.

  • 5.23

    In geval van twijfel omtrent een declaratie of over het correct gebruik van een creditcard door de commissaris van de Koning wordt dit voorgelegd aan de provinciesecretaris en zonodig ter besluitvorming aan gedeputeerde staten voorgelegd.

  • 5.24

    Gebruik van provinciale eigendommen of voorzieningen voor privé-doeleinden is voor de commissaris van de Koning niet toegestaan tenzij het betreft de bruikleen van een mobiele telefoon en computer c.a. die mede voor privé-doeleinden kunnen worden gebruikt.

  • 5.25

    De commissaris van de Koning die het voornemen heeft uit hoofde van zijn functie als commissaris van de Koning een buitenlandse reis te maken of is uitgenodigd voor een buitenlandse reis of werkbezoek op kosten van een derde, heeft vooraf toestemming nodig van gedeputeerde staten. Indien het gaat om een uitnodiging van een private partij dan betaalt de provincie de kosten van de commissaris van de Koning. Het provinciaal belang van de reis is doorslaggevend voor de besluitvorming. Provinciale staten ontvangen kort na de buitenlandse reis of het werkbezoek daarvan het verslag.

  • 5.26

    De commissaris van de Koning meldt het voornemen tot een buitenlandse reis of een uitnodiging daartoe in een plenaire vergadering van gedeputeerde staten en verschaft daarbij informatie over het doel van de reis, de bijbehorende beleidsoverwegingen, de samenstelling van het gezelschap, de geraamde kosten en de wijze waarop van de reis verslag wordt gedaan. Het presidium wordt over voorgenomen buitenlandse reizen en werkbezoeken van de commissaris van de Koning geïnformeerd door toezending van het desbetreffende onderdeel uit de GS-besluitenlijst.

  • 5.27

    Het ten laste van de provincie meereizen van de partner van de commissaris van de Koning naar en in het buitenland is uitsluitend toegestaan wanneer dit gebeurt op uitnodiging van de ontvangende partij en het belang van de provincie daarmee gediend is. Het meereizen van de partner wordt bij de besluitvorming betrokken.

  • 5.28

    Het anderszins meereizen naar en in het buitenland van derden op kosten van de provincie is niet toegestaan. Het meereizen van derden op eigen kosten is in beginsel toegestaan en wordt in dat geval bij de besluitvorming betrokken.

  • 5.29

    Het verlengen van een buitenlandse dienstreis voor privé-doeleinden is toegestaan, mits dit is betrokken bij de besluitvorming. De extra reis- en verblijfkosten komen volledig voor rekening van de commissaris van de Koning.

  • 5.30

    Gedeputeerde staten kunnen bepalen dat de commissaris van de Koning voor zijn dienstreizen gebruik maakt van een dienstauto met chauffeur en dat van de dienstauto gebruik kan worden gemaakt voor woon-werkverkeer en voor de uitoefening van nevenfuncties.

6 Slotbepalingen

  • 6.1

    De Gedragscode voor statenleden, duocommissieleden, gedeputeerden en de commissaris van de Koning van de provincie Noord-Holland wordt ingetrokken.

  • 6.2

    Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van het Provinciaal Blad waarin het wordt geplaatst.

Haarlem, 11 maart 2013

Provinciale staten van Noord-Holland,

J.W. Remkes, voorzitter.

J.J.M. Vrijburg, griffier.

Toelichting

 

1 Algemeen

 

Gedragscodes zijn voor de provincies verplicht op grond van de Provinciewet. Provinciale Staten stellen zowel voor de eigen leden als voor de bestuurders een gedragscode vast.

 

Na het gemeenschappelijke onderdeel “algemene bepalingen” is ervoor gekozen om per categorie provinciale (politieke) functievervullers te weten statenleden, duo-commissieleden, de gedeputeerden en de commissaris van de Koning rubrieksgewijs aan te geven welke bijzondere bepalingen op hen van toepassing zijn. De gedragscode gaat verder dan de Provinciewet verlangt door ook een aantal bepalingen van toepassing te verklaren op duocommissieleden. Doordat duo-commissieleden volwaardig meedraaien op commissieniveau en door hun gegroeide aantal 6 is er reden om ook op hen, zij het beperkt, bepalingen van toepassing te verklaren.

 

De inhoud van de gedragscode is niet voorgeschreven. Qua rechtskarakter is de gedragscode een interne regeling die bij schending afhankelijk van de ernst van politiek-morele betekenis is. Er is al landelijke en provinciale wet- en regelgeving die integriteitsbepalingen voor politieke ambtsdragers bevat. Te denken valt met name aan de Provinciewet, de Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden Noord-Holland 2010 en het Reglement van Orde voor provinciale statencommissies in Noord-Holland 2007.

 

In de code wordt in hoofdstuk 1 aangegeven dat in gevallen waarin de code niet voorziet of waarbij de toepassing niet eenduidig is voor statenleden en duo-commissieleden bespreking plaats vindt in een vergadering van het presidium. Voor gedeputeerden of de commissaris van de Koning vindt dit plaats in een vergadering van gedeputeerde staten. Wanneer het plenair bespreken van een kwestie een te zwaar middel lijkt te zijn is het altijd aan te bevelen contact op te nemen met de commissaris van de Koning.

 

Hieronder wordt per hoofdstuk verder ingegaan op de onderwerpen waar zich de belangrijkste integriteitsrisico’s voordoen. De teksten zijn gebaseerd op de Provinciewet.

De tekst is grotendeels ontleend aan de handreiking integriteit van politiek ambtsdragers bij gemeenten, provincies en waterschappen. De volledige brochure “Handreiking integriteit van politiek ambtsdragers bij gemeenten, provincies en waterschappen” is te raadplegen op: http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/brochures/2011/04/14/handreiking-integriteit-van-politieke-ambtsdragers-bij-gemeenten-provincies-en-waterschappen.html

 

2 Belangenverstrengeling

 

Van belangenverstrengeling is sprake als het publiek belang wordt vermengd met het persoonlijk belang van een politiek ambtsdrager of dat van derden, zoals familieleden of vrienden. Hierdoor is een zuiver besluiten of handelen in het publiek belang niet langer gewaarborgd. Niet alleen feitelijke belangenverstrengeling, maar ook de schijn ervan moet worden vermeden.

 

Het risico van belangenverstrengeling kan bijvoorbeeld ontstaan als een bestuurder een nevenfunctie vervult die raakvlakken heeft met de uitoefening van het politieke ambt. Dit geldt ook voor een nevenfunctie waarin de bestuurder qualitate qua is benoemd: de zogenoemde q.q.-nevenfunctie. Een voorbeeld is het commissariaat van een overheidsbedrijf. Ook bij een q.q.-nevenfunctie kunnen immers de belangen van de provincie en die van de organisatie waarvoor de functie wordt vervuld, niet altijd dezelfde zijn.

 

Het onafhankelijk handelen van politiek ambtsdragers staat zowel in de eed of belofte, als in een aantal wettelijke bepalingen. De Provinciewet verbiedt in dit verband:

 

  • uitoefening van met het ambt onverenigbare functies

Als een politiek ambtsdrager andere functies uitoefent naast zijn politieke ambt, kan dit leiden tot belangenverstrengeling. Dat kan de ambtsdrager in kwestie bij zijn onafhankelijk oordeel in de weg staan. Daarom is voor alle groepen politiek ambtsdragers op vrijwel dezelfde wijze vastgelegd welke functies hoe dan ook onverenigbaar zijn met het politieke ambt. Bij het onderzoek naar de geloofsbrieven wordt dit gecontroleerd.

 

  • bepaalde handelingen van politiek ambtsdragers

Om de verhouding tussen politiek ambtsdrager en bestuursorgaan zuiver te houden, zijn bepaalde handelingen, vooral in de economische sfeer, verboden. Welke dat zijn en op wie dit verbod betrekking heeft, staat in de Provinciewet.

Het gaat hierbij bijvoorbeeld om werkzaamheden als advocaat of adviseur voor het provinciebestuur of voor de tegenpartij daarvan. Ook is het verboden om een derde te vertegenwoordigen of te adviseren die met het bestuursorgaan een bepaalde overeenkomst sluit, bijvoorbeeld voor de verkoop of verhuur van onroerend goed of het aannemen van werk.

 

  • deelname van bestuurders en volksvertegenwoordigers aan stemming in bepaalde gevallen

Soms moet een politiek ambtsdrager stemmen over een onderwerp waar hij direct of indirect persoonlijk bij betrokken is. De Provinciewet noemt dat ‘een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken’, of ‘de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welks bestuur hij behoort’. In deze gevallen mag de betrokkene niet deelnemen aan de stemming. De verantwoordelijkheid daarvoor legt de Provinciewet allereerst bij de betrokkene zelf. In een reglement van orde kunnen nadere bepalingen hierover worden opgenomen. Daarnaast bepaalt de Algemene wet bestuursrecht (art. 2:4) dat het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid dient te vervullen. Het bestuursorgaan moet ervoor waken dat tot het bestuursorgaan behorende personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden. De mogelijkheid bestaat niet om personen van besluitvorming uit te sluiten.

Zaken die de bestuurder of volksvertegenwoordiger direct of indirect aangaan, zijn bijvoorbeeld familierelaties, eigendommen, bestuurslidmaatschappen van gesubsidieerde instellingen, of relevante financiële belangen. Dit laatste begrip wordt in deze paragraaf nog nader toegelicht.

 

Belangenverstrengeling ontstaat bijvoorbeeld als een gedeputeerde beslist over het verlenen van een vergunning of subsidie aan zichzelf of iemand uit zijn persoonlijke omgeving.

Een ander voorbeeld is het statenlid dat stemt over de gunning van een bouwopdracht terwijl hij familiebanden heeft met een van de meedingende aannemingsbedrijven. In zo’n geval mag het betrokken lid niet aan de stemming deelnemen; noch aan de hoofdelijke, noch aan de schriftelijke stemming.

 

Het zal niet altijd meteen duidelijk zijn of de bestuurder of volksvertegenwoordiger zich bij de besluitvorming door zijn eigen belangen laat leiden, dan wel of de schijn daarvan wordt gewekt. Een en ander hangt af van de feiten en omstandigheden. Het bestuursorgaan kan de bestuurder of volksvertegenwoordiger in kwestie, in elk geval nooit verbieden om te stemmen. Het betrokken lid beslist te allen tijde zelf of hij al of niet aan de besluitvorming deelneemt. Wel is het verstandig dat een bestuurder of volksvertegenwoordiger, als een mogelijk persoonlijk belang aan de orde is, dit in de discussie aangeeft. Door daar open over te zijn, kan worden voorkomen dat een besluit wordt vernietigd of dat de zaak achteraf in een kwade reuk komt te staan.

 

Net als in de Provinciewet (‘stemmen zonder last’), staat ook in de Awb een bepaling over onafhankelijke besluitvorming door het openbaar bestuur. Artikel 2:4 bepaalt dat het bestuursorgaan zijn taak vervult zonder vooringenomenheid. Het bestuursorgaan moet ervoor waken dat personen die er deel van uitmaken of ervoor werken, de besluitvorming beïnvloeden doordat zij een persoonlijk belang bij een besluit hebben. De Awb gaat hier verder in dan de artikelen over deelname aan stemming in de Gemeentewet en Provinciewet.

Het begrip ‘persoonlijk belang’ in artikel 2:4 Awb betekent ‘ieder belang dat niet behoort tot de belangen die het bestuursorgaan behoort te behartigen’. Het begrip ‘beïnvloeding van de besluitvorming’ gaat niet alleen over de stemming, maar over het gehele proces van besluitvorming. Dit betekent dat zowel de politiek ambtsdrager zelf, als het gehele bestuursorgaan, elk een eigen verantwoordelijkheid heeft. Zij moeten afwegen of de onafhankelijke besluitvorming (of de schijn daarvan) van de betrokken ambtsdrager in het geding is. Het bestuursorgaan heeft de plicht om de nodige voorzorgsmaatregelen te treffen. In het licht van art. 2:4 Awb kunnen de voorzitter en de griffier trachten te voorkomen dat een volksvertegenwoordiger die een persoonlijk belang heeft bij een stemming deelneemt aan een stemming. Er is evenwel geen wettelijke regeling voor het ontnemen van het stemrecht in die gevallen.

 

De vraag daarbij is hoe deze verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan zich verhoudt tot de individuele beslissingsbevoegdheid van een politiek ambtsdrager. Het gaat hierbij met andere woorden om de verhouding tussen artikel 2:4 Awb en artikel 28 van de Provinciewet. De bestuursrechter heeft zich hier meerdere malen over uitgesproken. In de uitspraak ‘Winsum’ van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 augustus 2002, werd een besluit van een gemeenteraad vernietigd omdat het in strijd was met artikel 2:4 Awb. De rechter betoogde dat de gemeenteraad, vanwege de door een raadslid gewekte schijn van belangenverstrengeling, had moeten voorkomen dat over de desbetreffende zaak een besluit werd genomen met de kleinst mogelijke meerderheid, waarbij de stem van het bewuste raadslid doorslaggevend had kunnen zijn. De uitspraak wordt bevestigd in latere jurisprudentie (bijvoorbeeld zie rechtspraak.nl onder LJN-nummer BQ8863).

 

Politieke ambtsdragers zijn tegelijkertijd ook burgers: zij maken deel uit van het economische en sociale leven in de gemeenschap die ze besturen. Net als iedere andere burger zijn zij afnemer van diensten, lid van verenigingen en wijkbewoner.

 

  • nevenfuncties waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van de politieke functie.

Overigens heeft het verbod op het vervullen van dergelijke nevenfuncties niet uitsluitend te maken met het al dan niet onafhankelijk handelen van de politiek ambtsdrager. Het kan hier bijvoorbeeld ook gaan om imagobeschadiging van het ambt.

 

Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ten slotte, moet een bestuursorgaan ervoor waken dat de besluitvorming wordt beïnvloed door persoonlijke belangen.

 

Naast hun politieke ambt hebben veel politiek ambtsdragers nevenfuncties, betaald of onbetaald. Voor bestuurders zijn nevenfuncties in het algemeen positief te waarderen: uit maatschappelijk, bestuurlijk en persoonlijk oogpunt. Er zit echter ook een risico aan nevenfuncties. In een (semi-) publieke functie dient men zich goed te realiseren dat aan nevenfuncties risico’s kunnen zitten die het aanzien van het publiek domein kunnen schaden. Nevenfuncties kunnen het onafhankelijk oordeel van de ambtsdrager in gevaar brengen, het aanzien van het ambt schaden en de ambtsdrager belemmeren om optimaal te functioneren.

 

Wettelijk is bepaald dat de gedeputeerden en de commissaris van de Koning geen nevenfuncties vervullen waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van het politieke ambt.

 

Bij het aanvaarden van nevenfuncties zijn de volgende afwegingen van belang:

  • 1.

    Tussen het ambt en de nevenfunctie mag geen belangenverstrengeling optreden of de schijn daarvan worden gewekt.

  • 2.

    Het vervullen van de nevenfunctie mag geen afbreuk doen aan het aanzien van het ambt.

  • 3.

    De nevenfunctie mag niet zoveel tijd kosten dat het functioneren als politiek ambtsdrager in het geding komt.

  • 4.

    De (hoogte van de) honorering van de nevenactiviteiten mag geen aanleiding geven tot discussies.

 

De beslissing om een nevenfunctie te aanvaarden of aan te houden is primair de verantwoordelijkheid van de politiek ambtsdrager zelf, maar hij moet er wel open over zijn en zich erover verantwoorden. Er zij op gewezen dat de politieke ambtsdrager (gedeputeerden en de commissaris van de Koning) een voornemen om een nevenfunctie te aanvaarden moet melden aan provinciale staten c.q. het presidium (zie hierna). Hij moet zijn nevenfuncties zelf openbaar maken alsmede de inkomsten daaruit en de manier van verrekening van die inkomsten.

Het plaatsnemen in een comité van aanbeveling is geen nevenfunctie. Bij een comité van aanbeveling verleent een bestuurder zijn of haar goede naam aan een comité dat zich beijvert voor een goed doel en te goede naam en faam bekend staat.

 

Voordat een politiek ambtsdrager een nevenfunctie accepteert bij of zijn naam, via een comité van aanbeveling, verbindt aan een ‘onbekende organisatie’ dient deze organisatie te worden gescreend. Niet elke ‘onbekende organisatie’ hoeft direct een zware toets te doorstaan. Voor de politiek ambtsdrager die zijn naam verbindt aan een ‘onbekende organisatie’ is het van belang om in ieder geval duidelijkheid te hebben of te krijgen over de volgende aspecten van de organisatie:

 

  • Wat is het profiel van de organisatie?

  • Is de doelstelling van de organisatie helder?

  • Past het profiel / de doelstelling bij de functie van de bestuurder en de provincie Noord-Holland?

  • Zijn de bestuurders en/of eigenaren van de organisatie bekend?

  • Is de organisatie transparant over:

    • De organisatiestructuur;

    • De bestuurders;

    • (Overige) leden van raad van commissarissen;

    • (Overige) leden van de raad van toezicht;

    • (Overige) leden van de comité van aanbeveling;

    • De (voornaamste) financiers?

  • Zijn er tegenstrijdige belangen inzake de doelstellingen van de ‘onbekende organisatie’, de provincie Noord-Holland, de portefeuille van de bestuurder en overige nevenfuncties van de bestuurder?

  • Heeft de organisatie andere belangen bij de provincie, zoals:

    • Vergunningen, subsidies of overheidsopdrachten.

    • Afhankelijk van de provincie bij de bedrijfsvoering van de organisatie.

    • Grondposities.

    • Is de organisatie werkzaam in een branche die recent in opspraak is geraakt of een sector die extra oplettendheid van de bestuurder vereist?

 

Bovenstaande aspecten zijn doorgaans te achterhalen aan de hand van jaarverslagen, jaarrekeningen en websites van de ‘onbekende organisatie’ gecombineerd met kennis van de actualiteit. In het geval de organisatie bovenstaande gegevens niet kan of wil overleggen of er onduidelijkheden / twijfels bestaan over een of meer aspecten is het verkieslijk een grondige analyse te maken van de organisatie, de structuur, financiering, betrokkenen en het verleden om zo het risico te bepalen voor een politiek ambtsdrager in het geval hij zijn naam aan de ‘onbekende organisatie’ verbindt. Bij twijfel kan de Eenheid SBA worden ingezet.

 

Qualitate qua-nevenfuncties

Sommige nevenfuncties vervullen bestuurders en in mindere mate volksvertegenwoordigers, uit hoofde van hun politieke functie. Dat zijn de nevenfuncties waarin zij ‘qualitate qua’ zijn benoemd.

 

Melding en openbaarmaking nevenfuncties

Bestuurders (gedeputeerden en de cdK) hebben een wettelijke meldplicht (art. 40b en 66, lid 2 van de Provinciewet) als zij het voornemen hebben om een nevenfunctie te aanvaarden. Zij melden dit aan Provinciale Staten c.q. het presidium. Provinciale staten kunnen zelf besluiten of zij er behoefte aan hebben om een opvatting over het voornemen kenbaar te maken. Indien provinciale staten van mening zijn dat de uitoefening van de nevenfunctie ongewenst is met het oog op het vervullen van het ambt dan ligt het in de rede, dat betrokkene zal afzien van het aanvaarden daarvan. Alle politiek ambtsdragers, waaronder dus behalve de bestuurders ook statenleden en duo-commissieleden zijn wettelijk verplicht om hun (neven)functies openbaar te maken.

Bestuurders hoeven hun q.q.-functies wettelijk niet te melden of openbaar te maken, maar het wordt wel raadzaam geacht.

 

Inkomsten uit nevenfuncties en q.q.-nevenfuncties

Sinds kort moeten alle bestuurders ook de inkomsten uit hun nevenfuncties openbaar maken. Die verplichting is het gevolg van de wetgeving die voortkomt uit de voorstellen van de commissie Dijkstal. Op statenleden en duo-commissieleden is de verplichting om inkomsten uit andere functies openbaar te maken, niet van toepassing.

 

Inkomsten uit q.q.-nevenfuncties mogen niet worden behouden. Bij wet is geregeld dat de gedeputeerde en de commissaris van de Koning geen vergoedingen, in welke vorm dan ook, geniet voor q.q.-nevenfuncties. Er bestaat een stortingsplicht wanneer de vergoeding voor werkzaamheden een beloningselement bevat. Onkostenvergoedingen hoeven in principe niet in de provinciale kas te worden gestort. Dit geldt bijvoorbeeld voor reis- en verblijfkosten.

 

Bij bestuurders die het ambt voltijds uitoefenen worden de inkomsten verrekend uit nevenfuncties die niet behoren bij het ambt. Voor hen geldt dezelfde verrekeningssystematiek als voor leden van de Tweede Kamer. Dit houdt in dat een vrijstelling geldt van 14% van de bezoldiging (dit is salaris inclusief toelagen en vakantiegeld).

Boven deze 14% wordt de bezoldiging verminderd met de helft van de inkomsten uit de niet-ambtsgebonden nevenfuncties (maar nooit meer dan 35% van de bezoldiging).

 

Relevante financiële en/ of zakelijke belangen

 

Belangenverstrengeling ligt op de loer als een politiek ambtsdrager relevante financiële en/ of zakelijke belangen heeft bij organisaties of ondernemingen die een relatie met de overheid hebben of kunnen krijgen, en waarover de betreffende overheid besluiten neemt.

Voorbeelden zijn besluiten over aanbesteding, subsidieverstrekking, steunverlening, verstrekking van leningen en verlening van advies- en onderzoeksopdrachten. Politiek ambtsdragers zouden in de verleiding kunnen komen om zich bij het nemen van functionele beslissingen mede te laten leiden door persoonlijk financieel belang.

 

Het begrip ‘relevant financieel belang’ moet ruim worden opgevat. Een (relevante) deelneming in een bedrijf of onderneming valt er uiteraard onder, maar ook het (relevante) bezit van effecten, bepaalde aandelen, onroerend goed in de provincie of een vorderingsrecht. Zulke financiële belangen kunnen een rol gaan spelen bij besluiten over bijvoorbeeld bestemmingsplannen of grondverkopen. Ook negatieve financiële belangen, zoals schulden uit hypothecaire vorderingen, kunnen in verband met mogelijke belangenverstrengeling relevant zijn. Een vorderingsrecht van een organisatie of ondernemer op een politiek ambtsdrager kan worden gerangschikt onder ‘relevant financieel belang’, zij het van de omgekeerde orde. Waakzaamheid is geboden als er sprake is van bezit van bouwgrond en het aankopen van grond of onroerend goed binnen de provincie door politiek ambtsdragers.

 

Ten aanzien van financiële en/ of zakelijke belangen van bestuurders geldt dat iedere schijn vermeden dient te worden dat er geen sprake zou zijn van objectieve besluitvorming. Daarbij is niet slechts het beleidsterrein relevant waarvoor een bestuurder direct verantwoordelijk is.

Een bestuurder is immers betrokken bij de besluitvorming over alle onderwerpen die in de vergaderingen van Gedeputeerde Staten en/ of Provinciale Staten aan de orde komen. Systematisch moet worden nagegaan of betrokkene zeggenschapsrechten heeft inzake relevante financiële en/ of zakelijke belangen. Waar dat het geval is dient betrokkene hiervoor tijdig een afdoende regeling te treffen, waardoor deze belangen op voldoende afstand van de persoon van gedeputeerde of commissaris van de Koning en zijn directie gezingsleden worden geplaatst. Als bijlage is bijgevoegd een niet-limitatief overzicht van gehanteerde richtlijnen aangaande financiële en/ of zakelijke belangen en tot nu toe geaccepteerde mogelijke oplossingen ingeval er sprake is van een risico van schijnbare belangenverstrengeling opgenomen.

Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat financiële en/ of zakelijke belangen van een partner, meerderjarig kinderen en andere familieleden in de regel niet relevant worden geacht. De motivering hiervoor is dat in de huidige maatschappij mensen als zelfstandige individuen worden beschouwd die geacht worden economisch onafhankelijk te zijn. Het past daarbij niet om van de partner of familieleden van een politiek ambtsdrager te eisen dat zij ingrijpende financiële of zakelijke veranderingen aanbrengen in hun leven. De grens van relevante financiële en of zakelijke belangen wordt in principe gelegd bij die belangen waarover de bestuurder persoonlijk medezeggenschap heeft. Vandaar dat de financiële en/ of zakelijke belangen van minderjarige kinderen en de partner in geval van een huwelijk in gemeenschap van goederen wel relevant worden geacht. Die afbakening laat onverlet dat tijdens de bestuursperiode een politiek ambtsdrager zelf de verantwoordelijkheid draagt om niet deel te nemen aan de besluitvorming over zaken die de partner, kinderen, andere familieleden, zakenrelaties, (ex-)belangen of vroegere functies raken, voor zover deelneming in strijd zou kunnen komen met een goede ambtsuitoefening.

In geval mogelijk onverenigbare financiële en/ of zakelijke belangen worden geconstateerd is het de verantwoordelijkheid van de politiek ambtsdrager om daarvoor, rekening houdend met de richtlijnen in de bijlage, tijdig een adequate regeling te treffen. De verantwoordelijkheid voor de gekozen oplossingsrichting en de juiste uitvoering daarvan blijft volledig rusten bij de politieke ambtsdrager. Dit geldt temeer wanneer er grote persoonlijke financiële belangen in het geding kunnen zijn, zodat alleen de betrokkene voor zichzelf de voor- en nadelen van de mogelijke oplossingsrichtingen kan afwegen.

 

Zorgvuldigheid, openheid en controleerbaarheid zijn hier sleutelwoorden. Het melden van relevante financiële belangen - voor bestuurders in het dagelijks bestuur, voor volksvertegenwoordigers in het algemeen bestuur - is wettelijk niet verplicht.

In de praktijk blijkt dat integriteitsincidenten zich vaak voordoen in het domein van de ruimtelijke ordening en grond- en bouwzaken. Daarom is het raadzaam om niet alleen actueel grondbezit te melden, maar ook voorgenomen vastgoedtransacties.

 

Ook oud-bestuurders kunnen in een situatie geraken dat (de schijn van) financiële belangenverstrengeling ontstaat.

Als een gedeputeerde na afloop van zijn ambtsperiode een functie aanvaardt, kan daarmee de schijn worden gewekt dat hij tijdens zijn ambtsuitoefening onzuiver heeft gehandeld, dan wel verkeerd omgaat met kennis die hij tijdens die periode heeft opgedaan. Daarom dient een gedeputeerde het voornemen tot het voeren van besprekingen over een toekomstige werkkring eerst met de commissaris van de Koning te bespreken. Per geval wordt dan een genuanceerde afweging worden gemaakt. Deze gedragsregel wordt door de commissaris van de Koning onder de aandacht gebracht van kandidaat-gedeputeerden, waarna het besprokene schriftelijk door de kandidaat-gedeputeerde wordt bevestigd.

Aan hetgeen in artikel 2.23 is geregeld zitten twee kanten. Enerzijds de wens tot transparantie met betrekking tot het handelen van een gedeputeerde tijdens zijn ambtstermijn wanneer het gaat over toekomstige functies, anderzijds de wens om oud gedeputeerden niet (onnodig) te beperken in het aanvaarden van nieuwe functies waardoor de wachtgeldkosten beperkt kunnen blijven.

 

Bij verbonden partijen is van belang dat de vertegenwoordiger zoveel mogelijk onafhankelijk is. Op grond van het Burgerlijk Wetboek dienen commissarissen zonder last of ruggespraak het belang van de NV te behartigen. Daarom wordt de gedragslijn geïntroduceerd dat voormalige provinciebestuurders niet eerder dan één jaar (statenleden) dan wel twee jaar (gedeputeerden en de commissaris van de Koning) na beëindiging van het lidmaatschap van provinciale of gedeputeerde staten kunnen worden voorgedragen als kandidaat voor benoeming tot commissaris dan wel bestuurslid van een verbonden partij. Voor statenleden wordt een andere termijn gehanteerd omdat zij een beduidend ruimere afstand tot provinciale verbonden partijen hebben dan gedeputeerden.

Na de genoemde periode van één dan wel twee jaar wordt de beoogde onafhankelijkheid geacht aanwezig te zijn. Met de termijn van twee jaar wordt aangesloten bij de termijn die is opgenomen in de Modelgedragscode integriteit Rijk. Ook andere provincies hanteren een termijn van twee jaar voor gedeputeerden (Flevoland, Groningen).

 

3 Informatie

 

Politiek ambtsdragers beschikken over veel informatie. Gaan zij daar verkeerd mee om, dan wordt al snel de geloofwaardigheid van zowel henzelf als van hun organisatie aangetast. Daarom geldt een aantal basisregels voor hoe een integer politiek ambtsdrager met informatie moet omgaan:

  • 1.

    Ga zorgvuldig en correct om met informatie waarover u uit hoofde van uw ambt beschikt.

  • 2.

    Verstrek geen onjuiste informatie.

  • 3.

    Gebruik informatie die u hebt gekregen bij de uitoefening van het ambt niet ten eigen bate of ten bate van derden.

  • 4.

    Verstrek geen geheime informatie.

 

Oneigenlijk gebruik van niet-openbare informatie

De integriteit van een politiek ambtsdrager komt in gevaar als hij informatie die nog niet openbaar is, gebruikt om er zichzelf of anderen mee te bevoordelen. Het kan dan gaan om informatie waar hij vanuit zijn ambt over beschikt, of die hem ongevraagd wordt toegespeeld door relaties. De verleiding kan groot zijn om in de privésfeer melding te maken van informatie die voor anderen van direct belang is. Soms is dat informatie die weliswaar ooit openbaar wordt, maar waarbij voordeel ontstaat door het eerder verkrijgen ervan. Voorbeelden zijn de aan- en verkoop van een huis of een stuk grond, de gunning van opdrachten, etc.

 

Een bijzondere vorm van oneigenlijk gebruik van informatie is het lekken daarvan naar ‘de media’, om zo politieke doelen te bereiken. Dit is uitdrukkelijk niet toegestaan. Verder dienen stukken met vertrouwelijke c.q. geheime gegevens veilig opgeborgen te worden (‘clean desk policy’), en moeten computerbestanden beveiligd zijn. Het open laten staan van een beeldscherm als de computer tijdelijk onbeheerd is, kan eveneens een risico inhouden.

 

Geheime of vertrouwelijke informatie

In de Provinciewet staan regels over de beslotenheid van vergaderingen en de geheimhouding over wat in een vergadering is behandeld. Uiteraard mag de mogelijkheid om in beslotenheid te vergaderen, niet worden misbruikt om burgers in onwetendheid te laten over bepaalde zaken. Wettelijk is voorgeschreven dat er onderwerpen zijn die nooit in beslotenheid mogen worden behandeld, zoals de begroting en de jaarrekening, evenals de invoering, wijziging en afschaffing van een belasting.

 

Het feit dat een zaak in een besloten vergadering wordt behandeld en de notulen niet openbaar zijn, betekent niet zonder meer dat de leden verplicht zijn tot geheimhouding.

Deze moet nadrukkelijk worden opgelegd. Op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) 3, kan geheimhouding worden voorgesteld door:

  • Provinciale Staten of (de voorzitter van) een statencommissie;

  • Gedeputeerde Staten;

  • de commissaris van de Koning.

 

Het schenden van een geheimhoudingsplicht is een misdrijf in de zin van het Wetboek van Strafrecht. Dit geldt ook voor vertrouwelijke informatie; als ‘hij die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren’, dat geheim schendt.

 

E-mail- en internetgebruik; sociale media

Al niet meer zo heel nieuw is de opkomst van de sociale media. Dat is een verzamelnaam voor alle internettoepassingen waarmee informatie kan worden gedeeld op een snelle en gebruiksvriendelijke manier. Het is voor politiek ambtsdragers een van de mogelijkheden om de dialoog met burgers aan te gaan. Toch moet er nog de nodige ervaring worden opgedaan hoe, ook als politiek ambtsdrager, correct en verstandig kan worden omgegaan met deze nieuwe media.

Basisregels zijn:

  • Je blijft zelf verantwoordelijk. Bij twijfel, plaats dan geen bericht.

  • Blijf alert bij het mixen van je persoonlijke leven met je zakelijke activiteiten en opvattingen.

  • Geef nooit vertrouwelijke informatie van gemeente, provincie of waterschap.

  • Realiseer je dat internet blijvend is; publicaties blijven altijd vindbaar.

  • Leg vast wat je doet als je de overheid vertegenwoordigt; online verklaringen hebben ook juridische gevolgen, net als dat bij de traditionele media het geval is.

  • Reageer niet impulsief op elk bericht.

 

Het privacyreglement e-mail en internetgebruik van de provincie richt zich tot degenen die bij de provincie werkzaam zijn en aan wie de provincie e-mail- en internetfaciliteiten beschikbaar heeft gesteld om met behulp daarvan hun functie uit te oefenen. In het reglement zijn naast regels voor e-mail- en internetgebruik eveneens regels opgenomen voor het vastleggen en monitoren van dit gebruik. Het reglement geldt voor medewerkers in dienst van de provincie en voor personen die werkzaamheden voor de provincie verrichten, anders dan in ambtelijk dienstverband.

 

4 Geschenken, diensten en uitnodigingen

 

Voor statenleden en duo-commissieleden is er een regeling opgenomen die erin voorziet dat zij

ontvangen geschenken en giften die een geschatte waarde van minimaal € 50,- vertegen-woordigen overgedragen aan de griffier die dit meldt in het presidium. Vervolgens wordt zo’n melding en eventuele afspraken hierover geregistreerd. Geschenken met een geschatte waarde van minder dan € 50,- worden niet gemeld en geregistreerd. Hierbij geldt uiteraard wel een eigen verantwoordelijkheid.

Het is onverstandig om geschenken en giften op het thuisadres te ontvangen, dit dient voorkomen te worden. Dit geldt ook voor geschenken met een geschatte waarde van minder dan € 50,-.

 

Met betrekking tot gedeputeerden geldt een regeling in de Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden Noord-Holland 2010 (art. 27 vijfde lid) die luidt: Alle ontvangen relatiegeschenken en aangenomen diensten van zakelijke relaties moeten worden gemeld aan de secretaris of de door hem aangewezen ambtenaar van de provincie onder gebruikmaking van een meldingsformulier. De geschenken zijn eigendom van de provincie.

 

Geschenken met een geschatte waarde onder de € 50,- kunnen worden behouden. De waarde betreft de (geschatte) waarde in het economische verkeer.

 

5 Bestuurlijke uitgaven, onkostenvergoedingen, buitenlandse reizen en voorzieningen

 

Benoemde politiek ambtsdragers bevinden zich juist als het gaat over ‘vergoeding van kosten’ of ‘gebruik maken van voorzieningen’, in een glazen huis. Ze moeten zich voortdurend bewust zijn van het feit dat ze niet alleen verantwoord met publieke middelen moeten omgaan, maar – omdat het uitgaven betreft die samenhangen met de uitvoering van hun ambt - ook helder moeten zijn over de hoogte van de door hen in dat verband gemaakte kosten. De voorbeelden hoe kwetsbaar hun positie is, liggen voor het oprapen.

 

Politiek ambtsdragers maken gebruik van voorzieningen die de organisatie hun ter beschikking stelt en ze maken uiteraard kosten bij de uitoefening van hun ambt. In de Provinciewet staat dat gedeputeerden geen inkomsten ten laste van de provincie ontvangen, in welke vorm dan ook buiten hetgeen de wet is toegekend. De hoofdregel is dus dat ‘het alleen kan als het is geregeld’. Dit betekent dat alleen de voorzieningen die in de genoemde regelgeving staan, worden vergoed. Alle andere kosten komen voor rekening van de ambtsdrager zelf.

 

Bij de afweging of kosten al of niet worden vergoed, moet de politiek ambtsdrager zich realiseren dat alles wat mag, niet vanzelfsprekend ook hóeft. Van politiek ambtsdragers mag een zekere soberheid worden verwacht. Hoe het ook wordt vergoed, het gaat immers steeds om besteding van publieke middelen.

De politiek ambtsdrager heeft daarnaast ook een voorbeeldfunctie. Hoe kan hij of zij in bijvoorbeeld economisch moeilijke tijden, geloofwaardig een beroep op de soberheid van burgers doen als hij of zij daar zelf niet naar handelt? Vooral bestuurders zitten zeker dan in een kwetsbare positie. Zij dragen vaak immers zelf de verantwoordelijkheid voor het niveau van een bepaalde voorziening of verstrekking. Uitgaven die ogenschijnlijk van ondergeschikt belang zijn, kunnen in de publiciteit breed worden uitgemeten en grote schade aanrichten.

 

Discussie over vergoedingen is nooit helemaal uit te sluiten. Als belangrijke uitgangspunten voor het vergoeden van voorzieningen voor politiek ambtsdragers zijn te noemen:

 

  • Bij uitgaven voor voorzieningen van politiek ambtsdragers gaat het uitsluitend om functionele kosten om het ambt te kunnen vervullen. Er moet een directe relatie zijn tussen de uitgave en de taken van de provincie.

  • De functionaliteit van de uitgave moet aantoonbaar zijn of ten minste aannemelijk worden gemaakt.

  • Als met de uitgave geen duidelijk belang van de provincie is gediend, blijven de kosten voor eigen rekening.

  • Kosten die een bestuurder uit hoofde van een (q.q.-)nevenfunctie maakt, worden vergoed door de instantie waar de nevenfunctie wordt uitgeoefend.

  • Voorzieningen en bestuurskosten worden zo veel mogelijk direct door het

  • bestuursorgaan zelf betaald. De bestuurder dient alleen bij hoge uitzondering zelf een declaratie in.

  • Bestuurders dienen verantwoord om te gaan met publieke middelen.

 

Relevante en noodzakelijke bestuurskosten die vallen onder de regelgeving kunnen natuurlijk worden gedeclareerd. De declaraties worden eens per kwartaal via internet bekend gemaakt.

 

Dienstreizen buitenland

 

Artikel 8, lid 2 van de Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden Noord-Holland 2010 bepaalt, dat het statenlid dat wil deelnemen aan een cursus, congres,

seminars of symposia dat niet door of namens de provincie wordt aangeboden of verzorgd, daartoe een gemotiveerde aanvraag bij de griffier dient in te dienen. Dit heeft ook betrekking op in het buitenland gehouden cursussen, congressen, seminars of symposia. De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de provincie als deelname naar het oordeel van de griffier van belang is in verband met de vervulling van het statenlidmaatschap.

Een soortgelijke bepaling ontbreekt (bewust) voor duo-commissieleden. Een duo-commissielid kan niet uit hoofde van zijn functie en op kosten van de provincie een buitenlandse reis of werkbezoek afleggen. Hiervan dient te worden onderscheiden de situatie dat het duo-commissielid als lid van een statencommissie met die commissie een buitenlandse dienstreis aflegt. Alsdan kan hij met de commissie een buitenlandse dienstreis of werkbezoek afleggen.

 

Voor gedeputeerden bepaalt artikel 21, lid 1 van de Verordening rechtspositie: Voor een reis in het provinciaal belang buiten Nederland, niet zijnde een reis naar een Europese instelling, is vooraf toestemming van gedeputeerde staten vereist. Provinciale staten kunnen aan deze toestemming voorschriften verbinden.

 

De Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden Noord-Holland 2010 ziet niet op de rechtspositie van de commissaris van de Koning. In de gedragscode is de gedragslijn voor gedeputeerden ook overgenomen voor de commissaris van de Koning.

Bijlage

 

Financiële en/ of zakelijke belangen

(opsommingen zijn geen van alle limitatief)

 

A. Geen sprake van een risico van (schijnbare) belangenverstrengeling

  • 1.

    Liquide middelen;

  • 2.

    Roerende en onroerende goederen die niet commercieel worden geëxploiteerd;

  • 3.

    Roerende en onroerende goederen die commercieel worden geëxploiteerd zonder dat betrokkene invloed heeft op beheer en exploitatie;

  • 4.

    Obligaties;

  • 5.

    Aandelen in openbare beleggingsfondsen;

  • 6.

    Niet-risicodragende participaties in ondernemingen;

  • 7.

    Opties op aandelen die pas na de ambtsperiode kunnen worden uitgeoefend;

  • 8.

    Aandelen in ondernemingen in het kader van een beleggingshypotheek in verband met onroerend goed.

 

 

B. Wel sprake van een risico van (schijnbare) belangenverstrengeling

  • 1.

    Aandelen of risicodragende participaties/investeringen in individuele beursgenoteerde én niet-beursgenoteerde ondernemingen, voor zover de gecumuleerde waarde hiervan op het moment van aanvaarding van het politieke ambt hoger ligt dan € 25.000 7 ;

  • 2.

    Roerende en onroerende goederen die commercieel worden geëxploiteerd, waarbij de betrokkene invloed heeft op het beheer en de exploitatie, en voor zover de gecumuleerde netto opbrengst op jaarbasis hoger ligt dan € 4410,- 8 ;

  • 3.

    Opties op aandelen die tijdens de ambtsperiode kunnen worden uitgeoefend;

  • 4.

    Terugkeeroptie of "nul-uren contract" bij een werkgever;

  • 5.

    Financiële en zakelijke belangen van een partner indien er sprake is van een huwelijk in gemeenschap van goederen.

 

C. Geaccepteerde oplossingsrichtingen om het risico van (schijnbare) belangenverstrengeling weg te nemen

  • 1.

    Vervreemding van het eigendom, c.q afstand doen van het optierecht c.q. van de terugkeeroptie of van een "nul-uren contract" bij een werkgever;

  • 2.

    Omzetten van aandelen in individuele ondernemingen in aandelen in openbare beleggingsfondsen (niet aanvaardbaar voor de gedeputeerde financiën);

  • 3.

    Het op afstand plaatsen van de zeggenschap en het beheer over het eigendom, zodanig dat tijdens de bestuursperiode hierop geen enkele invloed kan worden uitgeoefend. Een geaccepteerde vorm hiervoor is het onderbrengen van het eigendom in een beheersstichting waarvan onafhankelijke derden het bestuur vormen (niet zijnde familieleden);

  • 4.

    Het vastleggen (door middel van een schriftelijke verklaring aan de commissaris van de Koning) dat aandelen of participaties niet zullen worden verhandeld tijdens de bestuursperiode.