Provinciaal blad van Flevoland

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
FlevolandProvinciaal blad 2019, 1850Verordeningen



Verordening van Provinciale Staten van de provincie Flevoland houdende regels omtrent fysieke leefomgeving, kwaliteit vergunningverlening en natuurbescherming Omgevingsverordening Provincie Flevoland

Provinciale Staten van Flevoland,

 

Overwegende dat het wenselijk is te anticiperen op de Omgevingswet,

 

Dat het om die reden wenselijk is de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012, de Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving provincie Flevoland en de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Flevoland 2016 te verwerken in een omgevingsverordening,

 

Dat met de indeling van de verordening beoogd is aan te sluiten bij de Omgevingswet,

 

Dat daarmee de regels eenvoudiger digitaal ontsloten worden voor burgers, bedrijven en overheden,

 

Gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten van 11 december 2018, nummer 2338994;

 

Gelet op het bepaalde in de Omgevingswet, de Wet bodembescherming, de Ontgrondingenwet, de Waterwet, de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet ruimtelijke ordening, de Wet natuurbescherming, de Wegenwet, de Wegenverkeerswet 1994, de Algemene wet bestuursrecht en de Provinciewet;

 

Besluiten:

 

Vast te stellen de navolgende verordening en de daarbij behorende bijlagen:

 

Omgevingsverordening Flevoland

 

HOOFDSTUK 1 SCHALIEGAS

Paragraaf 1.1 Algemeen

Artikel 1.1 (Oogmerk)

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het borgen dat bij het opsporen en winnen van schaliegas en schalieolie de provinciale belangen niet worden geschaad.

Artikel 1.2 (Begripsbepalingen)

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

bestemmingsplan: bestemmingsplan, inpassingsplan of beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening, wijziging of uitwerking als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a en b en c van de Wet ruimtelijke ordening, omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1° en onder 3°van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en een geval als bedoeld in artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en een activiteit als bedoeld in bijlage II artikel 4 onder 11 Besluit omgevingsrecht (tijdelijke afwijking tot 10 jaar- kruimelgevallen).

Paragraaf 1.2 Activiteiten

Artikel 1.3 (Verbod en ontheffing opsporing en winning van schaliegas en schalieolie)

  • 1.

    Het opsporen en winnen van schaliegas en schalieolie is alleen toegestaan als uit onderzoek onomstotelijk blijkt dat de provinciale belangen hiermee niet worden geschaad. Bij een dergelijk onderzoek moet in ieder geval worden ingegaan op de belangen genoemd in bijlage 1.

  • 2.

    Voor zover andere provinciale belangen aan de orde zijn dan ruimtelijke, is het opsporen of winnen van schaliegas en schalieolie alleen toegestaan met een ontheffing van gedeputeerde staten.

  • 3.

    Een aanvraag om een ontheffing bevat in ieder geval:

    • a.

      een beschrijving van de bestaande situatie en de ontwikkelingen waarvoor een ontheffing wordt aangevraagd;

    • b.

      een beschrijving van de mogelijke gevolgen van de ontheffing voor de provinciale belangen;

    • c.

      een of meer kaarten op een schaal van minimaal 1:10.000 dat een duidelijk beeld geeft van de plaats waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 4.

    Bij de beoordeling van de aanvraag om ontheffing als bedoeld in het derde lid, besluiten gedeputeerde staten gehoord de statencommissie Ruimte.

Paragraaf 1.3 Instructieregels

Artikel 1.4 (Instructie toedeling functies aan locaties opsporing en winning van schaliegas en schalieolie)

In een bestemmingsplan dat ziet op het toelaten van het opsporen of winnen van schaliegas en schalieolie wordt op basis van onderzoek gemotiveerd dat de ruimtelijke provinciale belangen niet worden geschaad. Bij een dergelijk onderzoek moet in ieder geval worden ingegaan op de belangen genoemd in bijlage 1.

HOOFDSTUK 2 DUURZAME ENERGIE

Titel 2.1 Wind

 

Afdeling 2.1.1 Algemeen

Artikel 2.1 (Oogmerk)

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het cyclisch opschalen en saneren van windmolens zodat steeds meer windenergie met minder molens kan worden opgewekt.

Artikel 2.2 (Begripsbepalingen)

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

 

beheer en onderhoud van een windmolen: het normale onderhoud en beheer, met dien verstande dat dit niet mag leiden tot een uiteindelijke (vrijwel) gehele vernieuwing of vervanging van de windmolen;

 

bestaande windmolen: een windmolen die bij inwerkingtreding van deze verordening feitelijk bestaat dan wel mag worden opgericht en gebruikt conform een reeds verleende omgevingsvergunning;

 

bestemmingsplan: een bestemmingsplan, inpassingsplan of

 

beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening, een wijziging of uitwerking als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a en b en c van de Wet ruimtelijke ordening en een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

 

nieuwbouw van een windmolen: het oprichten van een windmolen, waaronder ook wordt verstaan het zodanig vervangen van een bestaande windmolen dat (vrijwel) alle onderdelen van de windmolen uiteindelijk zijn vervangen door nieuwe onderdelen en/of vergroting van het bestaande vermogen van de windmolen;

 

opschalen: vervangen van een bestaande windmolen door een windmolen met een groter vermogen en/of grotere afmetingen;

 

opschalen en saneren: aanpak gericht op het opwekken van meer windenergie met significant minder windmolens binnen Flevoland;

 

plaatsingszone: door gedeputeerde staten aangewezen zone binnen een projectgebied voor het plaatsen van nieuwe windmolens en dat als zodanig is aangegeven op de kaart Plaatsingszones en projectgebieden wind;

 

projectgebied: door gedeputeerde staten aangewezen gebied waarbinnen voldoende perspectief voor een initiatiefnemer is om een project van opschalen en saneren in zijn geheel te realiseren en dat als zodanig is aangegeven op de kaart Plaatsingszones en projectgebieden wind;

 

projectplan: door initiatiefnemer opgesteld plan dat uitsluitsel geeft over de wijze en de gronden (gebied) waarop een initiatiefnemer een project voor opschalen en saneren wil realiseren;

 

saneren: het slopen en afvoeren van een bestaande windmolen tot minimaal een meter onder het maaiveld, waarbij de bestemmingsplanregeling zodanig is (gewijzigd) dat herbouw van de windmolen met hetzelfde of een lager vermogen op of nabij de locatie van de gesaneerde windmolen blijvend onmogelijk is gemaakt;

 

windgebied: gebied in de provincie waar nieuwe windmolens niet zijn uitgesloten en dat als zodanig is aangegeven op de kaart Windgebied;

 

windmolen: een turbine voorzien van rotorbladen geplaatst op een hoge mast, waarmee de bewegingsenergie van de lucht (wind) wordt omgezet in rotatie-energie voor het opwekken van elektriciteit, inclusief de bij dit bouwwerk behorende (infrastructurele) voorzieningen, met uitzondering van:

  • a.

    maximaal 12 prototypes van windmolens op de testlocatie te Lelystad als integraal onderdeel van het kennis- en ontwikkelcentrum voor duurzame energie;

  • b.

    solitaire windmolen op bedrijventerreinen in ‘hoofdkernen’ van het stedelijk gebied, zoals aangegeven op de kaart Stedelijk Gebied, indien de windmolen overwegend een ander doel dient dan de opwekking van energie;

  • c.

    kleine windmolen, waaronder wordt verstaan:

    • i.

      windmolen in het stedelijk gebied met (tip)hoogte van maximaal 5 meter ten opzichte van de grond of het dak waarop hij is geplaatst;

    • ii.

      windmolen met een tiphoogte van maximaal 15 meter ten opzichte van het maaiveld, voor zover hij in het landelijk gebied op een (voormalig agrarisch) bouwperceel staat.

Artikel 2.3 (Wijze van meten wind)

Bij de toepassing van de regels van dit hoofdstuk wordt als volgt gemeten:

  • a.

    de ashoogte van een windmolen: de afstand vanaf het aansluitende afgewerkte terrein tot het middelpunt van de as, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein gemeten wordt vanaf het niveau van het afgewerkte terrein dat direct aansluit op de dichtstbijzijnde weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994;

  • b.

    de rotorbladlengte van een windmolen: de afstand tussen de uiterste punt van een rotorblad en het middelpunt van de as.

Afdeling 2.1.2 Activiteiten

 

Paragraaf 2.1.2.1 Algemene regels

Artikel 2.4 (Tijdelijkheid van windmolens)

  • 1.

    Voor de realisatie van een nieuwe windmolen kan uitsluitend een omgevingsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend.

  • 2.

    Aan een omgevingsvergunning voor een nieuwe windmolen worden in ieder geval de volgende voorwaarden verbonden:

    • a.

      de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde aaneengesloten gebruiksperiode, die maximaal 25 jaar bedraagt.

    • b.

      na het verstrijken van de gebruiksperiode als bedoeld in onderdeel a wordt de vòòr de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld, dan wel moet de situatie in overeenstemming met het bestemmingsplan worden gebracht, inhoudende dat de windmolen wordt gesaneerd.

Paragraaf 2.1.2.2 Verbodsbepaling (bescherming tot aan vertaling instructies in bestemmingsplannen)

Artikel 2.5 (Verbodsbepaling wijziging bestaand gebruik windmolens)

 

    • 1.

      Het is verboden het gebruik – waaronder mede bouwen wordt verstaan - van een bestaande windmolen te wijzigen in een ander gebruik, waardoor het provinciaal grondgebied van Flevoland minder geschikt wordt voor het verwezenlijken van het beleid voor opschalen en saneren, inclusief ruimtelijke doelstellingen.

      Het verbod geldt niet voor gebruik dat nodig is vanwege het normale onderhoud en beheer.

    • 2.

      Onder een ander gebruik, als bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan een vorm van gebruik die op grond van het geldende bestemmingsplan bij recht, dan wel na ontheffing, wijziging of uitwerking van het bestemmingsplan, is toegestaan.

    • 3.

      Een ander gebruik dat het provinciaal grondgebied van Flevoland minder geschikt maakt voor het verwezenlijken van het beleid voor opschalen en saneren inclusief ruimtelijke doelstellingen omvat in ieder geval:

      • i.

        het wijzigen van de windmolen waardoor het vermogen, de levensduur en/of afmeting van de windmolen toeneemt (opschalen) zonder de daarbij behorende sanering;

      • ii.

        het vervangen van een bestaande windmolen door een nieuwe windmolen op dezelfde locatie danwel nabij die locatie zonder dat aangetoond is dat deze vervanging onderdeel uitmaakt van een project van opschalen en saneren. Daarbij maakt het niet uit of de nieuwe windmolen voor bepaalde of onbepaalde tijd is bedoeld.

Afdeling 2.1.3 Instructieregels

 

Paragraaf 2.1.3.1 Toedeling functies aan locaties wind en instructies voor bestemmingsplannen

Artikel 2.6 (Buiten een windgebied)

Een bestemmingsplan sluit uit dat buiten een windgebied nieuwe windmolens worden gerealiseerd of dat bestaande windmolens worden opgeschaald.

Artikel 2.7 (Binnen een windgebied - plaatsingszones)

  • 1.

    Binnen een windgebied voorziet een bestemmingsplan, binnen twee jaar na de goedkeuring door gedeputeerde staten van een projectplan, uitsluitend in nieuwe windmolens in een plaatsingszone binnen een projectgebied conform dat projectplan.

  • 2.

    Zodra de gebruikstermijn (maximaal 25 jaar) waarvoor de omgevingsvergunning geldt verstrijkt, mag het bestemmingsplan niet meer voorzien in windmolens.

Artikel 2.8 (Binnen een windgebied - projectgebieden)

Binnen een windgebied voorziet een bestemmingsplan, binnen twee jaar na de goedkeuring door gedeputeerde staten van een projectplan, in de sanering van alle windmolens binnen een projectgebied conform dat projectplan.

Artikel 2.9 (Binnen een windgebied - buiten projectgebieden)

Binnen een windgebied voorziet een bestemmingsplan in een regeling die tegengaat dat er buiten de projectgebieden nieuwe windmolens worden gerealiseerd of dat bestaande windmolens worden opgeschaald.

Paragraaf 2.1.3.2 Aanwijzing werkingsgebieden voor de instructies

Artikel 2.10 (Procedure aanwijzing en begrenzing projectgebieden)

  • 1.

    Gedeputeerde staten kunnen in de omgevingsverordening projectgebieden aanwijzen.

  • 2.

    Een aanvraag tot aanwijzing of aanpassing van de begrenzing van een projectgebied gaat vergezeld van een (voorstel tot aanpassing van het goedgekeurde) projectplan voor opschalen en saneren. Het (aangepaste) projectplan toont de noodzaak hiertoe aan. Daarbij dient te worden aangetoond dat de gewijzigde afbakening van het projectgebied geen onevenredig negatief effect heeft op de projecten voor opschalen en saneren binnen een eventueel resterend deel van het projectgebied en/of op binnen de andere aangewezen projectgebieden of op de omgeving.

  • 3.

    Een aangewezen projectgebied kan in de omgevingsverordening worden aangepast door gedeputeerde staten indien dit noodzakelijk is vanwege veranderende omstandigheden, ontwikkelingen in de techniek of regelgeving, bedrijfseconomische redenen en de uitvoeringspraktijk.

  • 4.

    Een aanvraag om de begrenzing van een projectgebied te wijzigen wordt afgewezen indien de gewijzigde afbakening een onevenredig negatief effect heeft op de projecten voor opschalen en saneren binnen andere aangewezen projectgebieden of op de omgeving.

Artikel 2.11 (Aanwijzing van plaatsingszones)

  • 1.

    Gedeputeerde staten kunnen in de omgevingsverordening plaatsingszones aanwijzen.

  • 2.

    Aangewezen plaatsingszones kunnen door gedeputeerde staten in de omgevingsverordening worden aangepast op basis van een (voorstel tot aanpassing van een goedgekeurd) projectplan voor opschalen en saneren. Het (aangepaste) projectplan toont de noodzaak hiertoe aan. De beslissing om de plaatsingszones aan te passen is gebaseerd op een integrale afweging en evenwichtige balans tussen de omgevingskwaliteit, het maatschappelijk draagvlak en het economisch perspectief.

Artikel 2.12 (Een projectplan per projectgebied)

  • 1.

    Per projectgebied wordt een goedgekeurd projectplan voor opschalen en saneren door een initiatiefnemer in zijn geheel uitgevoerd.

  • 2.

    De initiatiefnemer kan een samenwerkingsverband van meerdere partijen zijn.

Artikel 2.13 (Randvoorwaarden projectplan)

  • 1.

    Een projectplan bevat in ieder geval:

    • a.

      een voorstel voor een projectgebied en plaatsingszones;

    • b.

      een beschrijving van de ruimtelijke invulling van het plan;

    • c.

      inzicht in de haalbaarheid van het plan, waaronder compenserende maatregelen;

    • d.

      een planning, waaronder begrepen de fasering van opschalen en saneren;

    • e.

      inzicht in de invulling van de financiële participatie en de gebiedsgebonden bijdrage aan kwaliteitscompensatie;

    • f.

      het voorstel voor de planparticipatie.

  • 2.

    Gedeputeerde staten nemen een besluit over de goedkeuring of aanpassing van een ingediend projectplan.

Artikel 2.14 (Eisen aan ruimtelijke invulling in een projectplan)

  • 1.

    Een projectplan voldoet aan de volgende eisen inzake de ruimtelijke invulling:

    • a.

      windmolens worden geplaatst in een opstelling;

    • b.

      de rotorbladen draaien in eenzelfde richting;

    • c.

      de windmolens hebben eenzelfde verschijningsvorm;

    • d.

      de windmolens hebben een maximale ashoogte van 120 meter met daarbij steeds het maximaal haalbare vermogen per windmolen. Indien initiatiefnemer een hogere ashoogte wil voor een hoger vermogen (MW) dient te worden aangetoond dat het maximaal haalbare vermogen per turbine bij een windmolen met ashoogte van 120 meter ontoereikend is.

Artikel 2.15 (Eisen aan het projectplan inzake de bijdrage ten behoeve van het compenseren van de kwaliteit van het gebied)

  • 1.

    Een projectplan voldoet aan de volgende eisen inzake de bijdrage ten behoeve van het compenseren van de kwaliteit van het gebied:

    • a.

      het projectplan maakt inzichtelijk hoe de beoogde ruimtelijke ontwikkeling inzake windenergie gepaard gaat met het verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in of in de directe omgeving van het projectgebied.

    • b.

      de kwaliteitscompensatie kan zien op een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving.

    • c.

      het projectplan bevat een voorstel voor de wijze waarop de kwaliteitscompensatie financieel, juridisch en feitelijk wordt geborgd en beschrijft hoe die past binnen de hoofdlijnen van het te voeren ruimtelijk beleid voor het gebied.

  • 2.

    De waarde van de kwaliteitscompensatie bedraagt gedurende de gebruikstermijn jaarlijks gemiddeld € 1.050,-- per MW opgesteld vermogen in de betreffende plaatsingszone. Er wordt jaarlijks geïndexeerd. Indien een kwaliteitscompensatie als bedoeld in het eerste lid niet is verzekerd, wordt het bestemmingsplan slechts vastgesteld indien een passende financiële bijdrage in een windmolenparkfonds is verzekerd.

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen inzake de wijze waarop compensatie plaatsheeft, teneinde de ruimtelijke kwaliteit te garanderen.

Artikel 2.16 (Eisen aan de fasering van het opschalen en saneren in een projectplan)

Een projectplan voldoet aan de volgende eisen inzake opschalen en saneren:

  • a.

    Alle bestaande windmolens binnen het projectgebied worden gesaneerd;

  • b.

    De sanering wordt zeker gesteld met een bindende overeenkomst met de rechthebbende(n);

  • c.

    De sanering vindt plaats binnen een half jaar na de ingebruikname van de nieuwe windmolens in de plaatsingszones (saneringstermijn);

  • d.

    Indien uit het projectplan blijkt dat het vanwege de economische uitvoerbaarheid noodzakelijk is om af te wijken van de saneringstermijn van een half jaar, kan een te saneren windmolen gedurende een aaneengesloten periode van maximaal vijf jaar gelijktijdig met de nieuwe windmolens in werking blijven, onder de voorwaarde dat zekerheid is gesteld met een bindende overeenkomst waaruit blijkt dat de sanering van de bestaande windmolen binnen die termijn van uiterlijk vijf jaar na ingebruikname is verzekerd;

  • e.

    De sanering van de windmolens wordt vastgelegd in een uitvoeringsprogramma dat de locatie van de windmolens vermeldt en het tijdstip waarop deze uiterlijk worden gesaneerd;

  • f.

    Bij het bepalen van de volgorde van de sanering wordt door initiatiefnemer de beoogde landschappelijke verbetering meegewogen, waarbij het uitgangspunt is dat het saneren van de oudste windmolens en van de windmolens nabij de nieuwe opstelling voorrang krijgt boven het saneren van de jongere windmolens en van de windmolens die verder weggelegen zijn van de nieuwe windmolenopstelling. Het projectplan maakt de gemaakte afweging inzichtelijk.

Artikel 2.17 (Eisen aan financiële participatie in een projectplan)

  • 1.

    Een projectplan voldoet aan de volgende eisen inzake financiële participatie:

    • a.

      Het projectplan maakt inzichtelijk hoe de omgeving gelegenheid krijgt om financieel te participeren;

    • b.

      Het projectplan maakt inzichtelijk hoe die financiële participatie per fase op een eerlijke, eenvoudige en evenwichtige wijze wordt uitgewerkt;

  • 2.

    Ten aanzien van de financiële participatie gelden per fase de volgende eisen:

    • a.

      In de ontwikkel- en bouwfase biedt initiatiefnemer in ieder geval aan bewoners en ondernemers gevestigd in het projectgebied, de gelegenheid om vanaf de eerste risicodragende (ontwikkel-)fase financieel risicodragend te participeren bij de ontwikkeling van de nieuwe windmolens binnen dat projectgebied;

    • b.

      In de exploitatiefase biedt initiatiefnemer alle bewoners en ondernemers die gevestigd zijn in Zuidelijk en Oostelijk Flevoland gelegenheid om financieel te participeren in de exploitatie van de nieuwe windmolens (vanaf de fase vanaf ingebruikname);

      • i.

        Uitgangspunt is dat in de exploitatiefase minimaal 2,5% van de initiële totale investeringsomvang door middel van participatie wordt ingevuld;

      • ii.

        Van dit minimumpercentage van 2,5% wordt alleen afgeweken indien de initiatiefnemer kan aantonen dat er een gebrek aan belangstelling voor participatie bestaat dat niet te wijten is aan voldoende participatiemogelijkheden en/of communicatie daarover.

  • 3.

    Uitgangspunten bij de financiële participatie zijn in elke fase:

    • a.

      De risico’s en de verwachte financiële rendementen van de participatie worden helder in beeld gebracht;

    • b.

      Er wordt een redelijke vergoeding gegeven voor het risico in relatie tot de potentiele winstgevendheid;

    • c.

      Participaties zijn vrij verhandelbaar, eventueel na een lock-in periode van maximaal 2 jaar;

    • d.

      De initiatiefnemer legt de mogelijkheden voor bewoners en ondernemers tot financiële projectparticipatie vast in een overeenkomst met de gemeente;

Artikel 2.18 (Eisen aan planparticipatie in een projectplan)

Het projectplan maakt inzichtelijk hoe het draagvlak voor en burgerparticipatie bij het initiatief worden verzekerd en hoe de omgeving in een vroeg stadium van de planvorming actief wordt betrokken bij de uitwerking van het initiatief, daaronder in ieder geval doch niet limitatief begrepen de planvorming rond de nieuwe windmolenopstellingen en de mogelijke inrichting van plaatsingszones.

Paragraaf 2.1.3.3 Hardheidsclausule

Artikel 2.19 (Hardheidsclausule)

  • 1.

    Gedeputeerde staten kunnen – gehoord hebbende de statencommissie - ambtshalve of op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van een gemeente een of meer bepalingen van titel 2.1 buiten toepassing verklaren of daarvan afwijkingen toestaan voor zover toepassing daarvan gelet op het doel en het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard jegens een belanghebbende.

  • 2.

    Gedeputeerde staten doen een verzoek als bedoeld in het eerste lid af conform de procedure van afdeling 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht, met dien verstande dat gedeputeerde staten binnen 12 weken beslissen op het verzoek.

Titel 2.2 Zonne-energie

 

Paragraaf 2.2.1 Algemeen

Artikel 2.20 (Oogmerk)

De regels in deze titel zijn gesteld met het oog op het ruimte bieden voor de ontwikkeling van opstellingen voor grondgebonden zonne-energie in het landelijk gebied, waarbij de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied niet onevenredig wordt aangetast.

Artikel 2.21 (Begripsbepalingen)

In deze titel wordt verstaan onder:

 

bestemmingsplan: een bestemmingsplan, inpassingsplan of beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening, een wijziging of uitwerking als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a, b en c van de Wet ruimtelijke ordening en een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

 

grondgebonden opstelling voor zonne-energie: een samenstel van bouwwerken of een andere constructie voor het opwekken van elektriciteit of warmte door het opvangen van de straling van de zon, geplaatst op het maaiveld of op water.

 

landelijk gebied: landzijdig deel van Flevoland met uitzondering van bestaand stedelijk gebied, zoals aangegeven op de kaart Stedelijk Gebied.

Paragraaf 2.2.2 Activiteiten: ontwikkelruimte zonne-energie

Artikel 2.22 (Ontwikkelruimte zonne-energie)

  • 1.

    Voor de realisatie van grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied van de provincie Flevoland is maximaal 1000 hectare beschikbaar. Hiervan wordt de eerste 500 hectare onmiddellijk opengesteld.

  • 2.

    Na verzending van het evaluatieverslag als bedoeld in artikel 2.24 kunnen gedeputeerde staten besluiten over de openstelling van de tweede 500 hectare ontwikkelruimte voor de realisatie van grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied van de provincie Flevoland.

Artikel 2.23 (Beoordelingsregels omgevingsvergunning: tijdelijkheid grondgebonden opstelling voor zonne-energie)

  • 1.

    Voor de realisatie van een grondgebonden opstelling voor zonne-energie wordt uitsluitend een omgevingsvergunning voor een bepaalde aaneengesloten gebruiksperiode verleend, die maximaal 25 jaar bedraagt.

  • 2.

    Aan een omgevingsvergunning voor een grondgebonden opstelling voor zonne-energie verbindt het bevoegd gezag in ieder geval de volgende voorschriften:

    • a.

      De omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde aaneengesloten gebruiksperiode, die maximaal 25 jaar bedraagt;

    • b.

      Na het verstrijken van de gebruiksperiode als bedoeld in onderdeel a wordt de grondgebonden opstelling voor zonne-energie verwijderd.

Artikel 2.24 (Monitoring en evaluatie)

  • 1.

    Gedeputeerde staten monitoren de ontwikkeling van de in artikel 2.22, eerste lid, genoemde ontwikkelruimte en zenden provinciale staten hiervan uiterlijk binnen twee maanden na het vollopen ervan ter kennisname een evaluatieverslag.

  • 2.

    Het evaluatieverslag gaat in ieder geval in op het verloop van de besluitvormingsprocedures voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie, de locaties waar grondgebonden opstellingen voor zonne-energie worden gerealiseerd, de toetsing van grondgebonden opstellingen voor zonne-energie aan de bouwstenen van de Structuurvisie zon zoals opgenomen in het Omgevingsprogramma Flevoland en de vast te stellen dan wel vastgestelde nadere regels als bedoeld in artikel 2.25.

Artikel 2.25 (Nadere regels zonne-energie)

Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen over grondgebonden zonne-energie in het landelijk gebied.

Paragraaf 2.2.3 Instructies bestemmingsplan

Artikel 2.26 (Instructieregels bestemmingsplan)

  • 1.

    Vanaf inwerkingtreding van de Structuurvisie Zon mag een bestemmingsplan voorzien in grondgebonden opstellingen voor zonne-energie tot maximaal 500 hectare van het landelijk gebied van de provincie Flevoland.

  • 2.

    Vanaf inwerkingtreding van het besluit van gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 2.22, tweede lid, mag een bestemmingsplan nogmaals voorzien in grondgebonden opstellingen voor zonne-energie tot maximaal 500 hectare van het landelijk gebied van de provincie Flevoland.

  • 3.

    Gelet op het eerste en tweede lid mag vanaf inwerkingtreding van het besluit van gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 2.22, tweede lid, een bestemmingsplan voorzien in grondgebonden opstellingen voor zonne-energie tot maximaal 1000 hectare van het landelijk gebied van de provincie Flevoland.

  • 4.

    Een bestemmingsplan mag niet meer voorzien in een grondgebonden opstelling voor zonne-energie op een locatie, nadat de gebruiksperiode van de omgevingsvergunning voor de betreffende locatie is verstreken.

  • 5.

    In afwijking van het vierde lid mag een bestemmingsplan, nadat de gebruiksperiode van de omgevingsvergunning voor de betreffende locatie is verstreken, blijven voorzien in een grondgebonden opstelling voor zonne-energie, indien voor die locatie opnieuw een omgevingsvergunning wordt verleend voor het realiseren van een nieuwe grondgebonden opstelling voor zonne-energie.

HOOFDSTUK 3 BESCHERMING LANDSCHAP

Paragraaf 3.1 Algemeen

Artikel 3.1 (Oogmerk en toepassingsgebied)

  • 1.

    De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het belang van de bescherming van het landschapsschoon en zijn gericht op het behoud en de ontwikkeling van een specifiek en karakteristiek landschapspatroon.

  • 2.

    Dit hoofdstuk is alleen van toepassing buiten de bebouwde kom.

Artikel 3.2 (Begripsbepalingen)

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

 

bebouwde kom : bebouwde kom, vastgesteld krachtens artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

 

bestemmingsplan : bestemmingsplan, inpassingsplan of beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening met inbegrip van een wijzigingsplan of een uitwerkingsplan alsmede een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en een geval als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid onderdeel a, onder 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

 

borden: opschriften, aankondigingen, ver- of afbeeldingen, borden, vlaggen, spandoeken, bijbehorende constructies en kennelijk voor deze doeleinden gebezigde transportmiddelen en constructies, in welke vorm dan ook;

 

openbare weg: wegen die openbaar zijn in de zin van de Wegenwet met inbegrip van verhardingen, bermen, en bermsloten, met alle bijbehorende werken of op enigerlei wijze daarmee verbonden voorzieningen en begroeiingen;

 

ruimtelijk plan of besluit : een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3º van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken;

 

werk : een grondwerk, wegenbouwkundig werk, waterbouwkundig werk of bouwwerk.

Paragraaf 3.2 Activiteiten

Artikel 3.3 (Verbodsbepaling)

  • 1.

    Het is verboden zonder ontheffing één of meer borden te plaatsen, te doen plaatsen, geplaatst te houden, aan te brengen, te doen aanbrengen of aangebracht te houden op of aan een onroerende zaak.

  • 2.

    Het is de zakelijk gerechtigde of gebruiker van enige onroerende zaak verboden deze onroerende zaak te gebruiken of te laten gebruiken voor het plaatsen, doen plaatsen, geplaatst houden, aanbrengen, doen aanbrengen of aangebracht houden van één of meer borden.

Artikel 3.4 (Uitzonderingen op de verbodsbepaling)

  • 1.

    Het verbod geldt niet voor borden:

    • a.

      die niet zichtbaar zijn vanaf een openbare weg, een openbaar water, een spoorweg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats;

    • b.

      die betrekking hebben op enig beroep, enig bedrijf of enige dienst, en die borden zijn geplaatst of aangebracht op de bouwkavel waar dat beroep, bedrijf of die dienst wordt uitgeoefend of op of in de directe nabijheid van de inrit daarnaar toe;

    • c.

      die zijn geplaatst of aangebracht op, in of aan een wachtruimte bij een halteplaats voor het openbaar vervoer;

    • d.

      die op of aan een onroerende zaak zijn geplaatst of aangebracht ten behoeve van de verkoop, verhuur of verpachting van deze zaak, mits niet langer aanwezig dan voor de verkoop, verhuur of verpachting noodzakelijk is;

    • e.

      die ofwel zijn geplaatst of aangebracht op een terrein waar een grootschalige publieke gebeurtenis zoals een openbare wedstrijd, manifestatie, tentoonstelling of evenement, plaatsvindt, ofwel zijn geplaatst of aangebracht ter bekendmaking van of de bewegwijzering naar die gebeurtenis en mits:

      • i.

        die gebeurtenis niet behoort tot de gebruikelijke commerciële uitoefening van een beroep, bedrijf of dienst,

      • ii.

        op borden, die zijn geplaatst buiten het terrein waar de gebeurtenis plaats vindt, eventuele handelsreclame duidelijk ondergeschikt is aan de bekendmaking c.q. bewegwijzering en

      • iii.

        het bord niet langer aanwezig is dan gedurende één maand voor die gebeurtenis tot één week erna.

    • f.

      die zijn geplaatst of aangebracht op een overeenkomstig een bestemmingsplan in gebruik zijnde sportterrein, mits het bord dient ter bekendmaking van sponsoring van het sportterrein en niet zichtbaar is vanaf de openbare weg;

    • g.

      die zijn geplaatst of aangebracht op een overeenkomstig een bestemmingsplan in gebruik zijnde bedrijventerrein;

    • h.

      die betrekking hebben op een werk in uitvoering, waarvoor van overheidswege opdracht is gegeven, voor zover zij in de directe nabijheid van het werk zijn geplaatst of aangebracht en niet langer aanwezig zijn dan de uitvoering van het werk duurt;

    • i.

      die zijn geplaatst of aangebracht in een wegberm en kunnen worden beschouwd als een herdenkingsteken als bedoeld in artikel 15.8;

    • j.

      die vanwege of met toestemming van het bevoegd gezag zijn geplaatst of aangebracht ten behoeve van de verkeersveiligheid of de verkeersinformatie;

    • k.

      die zijn geplaatst of aangebracht op of aan zuilen, muren en andere constructies, die daarvoor door de overheid zijn aangewezen of ten aanzien waarvan gedeputeerde staten in een ander kader met het gebruik daarvoor hebben ingestemd;

    • l.

      die zijn geplaatst of aangebracht ter voldoening aan een wettelijke verplichting;

    • m.

      die dienen tot het openbaren van gedachten of gevoelens in de zin van artikel 7 van de Grondwet, mits niet meer dan één bord per onroerende zaak wordt aangebracht en mits dat bord niet langer dan drie maanden ter plaatse aanwezig is;

    • n.

      die dienen tot het aankondigen van verkiezingen voor een gemeenteraad, provinciale staten, de Tweede Kamer, de algemene vergadering of het Europees parlement en tot het presenteren van daaraan deelnemende politieke partijen, mits niet langer aanwezig dan gedurende één maand voor de verkiezing tot één week na die verkiezing;

    • o.

      die dienen ter aanduiding van gewassen, proefvelden, productinformatie of demonstratievelden, ter plaatse waar het product geteeld wordt, mits het bord geen merknaam bevat, niet verlicht of reflecterend is en het oppervlak niet groter is dan 3 m2;

    • p.

      die dienen ter bewegwijzering naar een verkooppunt van agrarische producten, naar een mini-camping of naar een andere, aan het agrarisch bedrijf gerelateerde nevenactiviteit, mits het bord niet verlicht of reflecterend is en het oppervlak niet groter is dan 3 m2;

    • q.

      die dienen ter bewegwijzering naar een natuurgebied, mits het bord niet is verlicht of reflecterend is en het oppervlak niet groter is dan 3 m2.

    • r.

      langs openbare wegen, niet zijnde openbare wegen in beheer van de provincie Flevoland en die zijn aangegeven op kaart Provinciale wegen, die een georganiseerd buurtinitiatief voor sociale veiligheid laten zien, mits:

      • i.

        het geen commercieel initiatief is;

      • ii.

        er maximaal twee van deze borden aan dezelfde weg staan;

      • iii.

        de borden door of vanwege de gemeente, in beginsel geclusterd met andere borden en aan de rechterzijde van de weg, worden geplaatst;

      • iv.

        het bord maximaal 0,6 bij 0,3 meter groot is en maximaal de laagste reflectieklasse heeft.

Artikel 3.5 (Beoordelingsregels)

Gedeputeerde staten verlenen de ontheffing alleen als het belang van de bescherming van het landschap en het belang van de verkeersveiligheid zich daartegen niet verzet.

Artikel 3.6 (Algemene regel)

Borden die zijn uitgezonderd van het verbod zijn deugdelijk geconstrueerd en verkeren in goede staat van onderhoud.

Artikel 3.7 (Gegevens en bescheiden)

De aanvraag van een ontheffing bevat de volgende gegevens en bescheiden:

  • a.

    de naam van degene die de zakelijk gerechtigde of de gebruiker is van de locatie waar het bord is beoogd en een verklaring van deze waaruit blijkt dat hij instemt met het plaatsen of het aanbrengen van het bord;

  • b.

    het adres, de kadastrale aanduiding en een tekening of plattegrond van de locatie waar het aanbrengen van het bord is beoogd;

  • c.

    een beschrijving van de vorm en de afmetingen van het bord en van het doel en de inhoud daarvan;

  • d.

    de voorgenomen duur van de plaatsing van het bord.

HOOFDSTUK 4 GRONDWATERONTTREKKINGEN

Titel 4.1 Algemeen

Artikel 4.1 (Oogmerk)

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het:

  • vrijstellen van kleine bodemenergiesystemen van de vergunning-, meet- en registratieplicht en

  • grondwaterregister.

Artikel 4.2 (Begripsbepalingen)

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

pompcapaciteit: het maximum wateropbrengend vermogen van een inrichting in kubieke meters per uur.

Titel 4.2 Activiteiten

Artikel 4.3 (Uitzondering vergunningplicht en meet- en registratieplicht)

  • 1.

    Een vergunning tot het onttrekken van grondwater ten behoeve van een open bodemenergiesysteem is niet vereist ten aanzien van onttrekkingsinrichtingen met een pompcapaciteit die niet meer bedraagt dan 10 m3 per uur.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing in een bij gemeentelijke of provinciale verordening aangewezen interferentiegebied.

  • 3.

    De in artikel 6.11 van het Waterbesluit genoemde verplichtingen met betrekking tot het meten en registreren van een grondwateronttrekking zijn niet vereist ten aanzien van onttrekkingsinrichtingen als bedoeld in het eerste lid waarbij het onttrokken water in een aaneengesloten systeem weer volledig wordt teruggebracht in hetzelfde watervoerende pakket als waaraan het is onttrokken.

Titel 4.3 Instructieregels

Paragraaf 4.3.1 Gedeputeerde staten

Artikel 4.4 (Grondwaterregister)

  • 1.

    Gedeputeerde staten houden een register bij waarin onttrekkingsinrichtingen worden ingeschreven met vermelding van de gegevens die op grond van het tweede lid en artikel 6.11 van het Waterbesluit worden verstrekt. Voorts worden daarin vermeld de vergunningen, krachtens welke het onttrekken van water of infiltreren van water plaatsvindt.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen een onttrekkingsinrichting die niet ingevolge artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit is gemeld, ambtshalve in het register inschrijven.

  • 3.

    Indien de ambtshalve inschrijving, genoemd in het tweede lid, plaatsvindt in de loop van een kalenderjaar, wordt als datum van de inschrijving aangehouden de datum waarop de onttrekking is aangevangen.

Paragraaf 4.3.2 Waterschap Zuiderzeeland

Artikel 4.5 (Gegevens verstrekking en grondwaterregister)

  • 1.

    De algemene vergadering regelt bij verordening voor de behartiging van de taken die het waterschap zijn opgedragen, dat tenminste degene die meer dan 10.000 m3 grondwater per jaar onttrekt en degene die water infiltreert voor andere doeleinden dan genoemd in artikel 6.4 van de Waterwet de gegevens bedoeld in artikel 6.11 van het Waterbesluit verstrekt aan het college van dijkgraaf en heemraden.

  • 2.

    Het college van dijkgraaf en heemraden verstrekt jaarlijks aan gedeputeerde staten de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit worden verkregen. Voorts wordt een overzicht verstrekt van de vergunningen en meldingen, krachtens welke het onttrekken van grondwater of infiltreren van water plaatsvindt.

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen aangaande het tijdstip en de wijze waarop de gegevens, bedoeld in het tweede lid, worden aangeleverd.

  • 4.

    Het college van dijkgraaf en heemraden maakt voor de uitvoering van het gestelde in het eerste lid gebruik van het Landelijk Grondwater Register (LGR) zoals dat is ondergebracht bij TNO/DINO.

HOOFDSTUK 5 GRONDWATERBESCHERMINGSGEBIEDEN

Titel 5.1 Algemeen

Artikel 5.1 (Oogmerk)

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het belang van de bescherming van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening.

Artikel 5.2 (Begripsbepalingen)

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

 

boorput: een door boring of verdringing gevormde kokervormige al dan niet opgevulde diepte;

 

reconstrueren : het aanbrengen van wijzigingen op of aan een weg, parkeergelegenheid, terrein voor zover dit –al dan niet tijdelijk- voor gemotoriseerd verkeer openstaat, waterweg of spoorweg, die verandering brengt in de bestaande of te verwachten risico’s voor de grondwaterkwaliteit, met uitzondering van het uitvoeren van de gebruikelijke onderhoudswerkzaamheden;

 

schadelijke stoffen : stoffen, combinaties van stoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm ook, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval kan worden verwacht dat ze - op of in de bodem gebracht of gerakend - de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen;

 

werk : een grondwerk, wegenbouwkundig werk, waterbouwkundig werk of bouwwerk.

Artikel 5.3 (Aanwijzing grondwaterbeschermingsgebieden)

  • 1.

    Grondwaterbeschermingsgebieden zijn de beschermingsgebieden, waterwingebieden en de boringsvrije zone die als zodanig zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende kaarten kaart Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland, kaart Grondwaterbeschermingsgebied Bremerberg, kaart Grondwaterbeschermingsgebied Fledite, kaart Grondwaterbeschermingsgebied Harderbroek en kaart Grondwaterbeschermingsgebied Spiekzand.

  • 2.

    Het begin en het eind van de grondwaterbeschermingsgebieden op de kaarten ‘Grondwaterbeschermingsgebied Bremerberg’ en ‘Grondwaterbeschermingsgebied Harderbroek’ en het waterwingebied op de kaart ‘Grondwaterbeschermingsgebied Fledite’ worden aangeduid door middel van borden, waarvan een model in bijlage 2 is opgenomen. De borden worden geplaatst langs alle openbare wegen en vaarwegen aan de buitengrens van de gebieden die worden doorkruist. De borden worden voorzien van een onderbord waarop is aangegeven waar bedreigingen ten aanzien van de grondwaterkwaliteit dienen te worden gemeld.

Artikel 5.4 (Zorgplicht)

  • 1.

    leder die in een grondwaterbeschermingsgebied handelingen verricht en weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen in dat gebied het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als grondwaterbeschermingsgebied is aangewezen, wordt of kan worden geschaad, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten -behoudens voor zover dat ingevolge deze verordening uitdrukkelijk is toegestaan- danwel, indien dat achterwege laten niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die schade te voorkomen, danwel indien die schade zich voordoet, deze zoveel mogelijk te beperken en de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      op handelingen verricht in inrichtingen, waarvoor het in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gestelde verbod geldt;

    • b.

      op de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, laatste volzin, van de Wet milieubeheer;

    • c.

      voorzover artikel 9.2.1.2 of artikel 10.1 van de Wet milieubeheer of artikel 13 van de Wet bodembescherming van toepassing is.

Artikel 5.5 (Meldplicht)

leder die kennis draagt van een voorval binnen een grondwaterbeschermingsgebied, waarbij aannemelijk is dat het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als grondwaterbeschermingsgebied is aangewezen, wordt of kan worden geschaad, is verplicht dat terstond te melden aan gedeputeerde staten.

Titel 5.2 Activiteiten

Afdeling 5.2.1 Verboden, uitzonderingen en beoordelingsregels

Paragraaf 5.2.1.1 Beschermingsgebied

Artikel 5.6 (Verbod tot oprichten en in werking hebben inrichting in een beschermingsgebied)

Het is verboden in een beschermingsgebied:

  • a.

    een inrichting op te richten, indien die inrichting behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen in bijlage 3;

  • b.

    een inrichting op te richten of in werking te hebben , die vergunningplichtig is op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor het onderdeel milieu

    • i.

      waarbinnen of waarin de opslag van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare vloeistoffen ondergronds plaatsvindt;

    • ii.

      waarbinnen energie-uitwisseling ondergronds plaatsvindt.

Artikel 5.7 (Verbod op bodemverstoring en gebruik bestrijdingsmiddelen in een beschermingsgebied)

  • 1.

    Het is verboden in een beschermingsgebied de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan de op de kaarten kaart Grondwaterbeschermingsgebied Bremerberg en kaart Grondwaterbeschermingsgebied Harderbroek aangegeven diepte:

    • a.

      binnen een inrichting type A en B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer en

    • b.

      buiten een inrichting.

  • 2.

    Het is verboden in een beschermingsgebied buiten inrichtingen bestrijdingsmiddelen, gewasbeschermingsmiddelen of biociden te gebruiken, tenzij uit de toelatingsbeschikking blijkt dat het middel in een met het oog op de bescherming van het grondwater aangewezen gebied mag worden toegepast.

Artikel 5.8 (Uitzondering verbod op bodemverstoring in een beschermingsgebied)

  • 1.

    Het verbod op bodemverstoring in een beschermingsgebied geldt niet voor:

    • a.

      het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van grondwateronttrekkingen, met het oog op de openbare drinkwaterproductie, waaronder inbegrepen het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten voor de grondwatermonitoring;

    • b.

      het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer door of op last van het college van dijkgraaf en heemraden of gedeputeerde staten;

    • c.

      het onderzoeken en saneren van de bodem dan wel het verrichten van handelingen ten gevolge waarvan een verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen gedeputeerde staten in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming hebben gegeven;

    • d.

      het verrichten van werkzaamheden ter uitvoering van een door gedeputeerde staten verleende ontgrondingenvergunning;

    • e.

      het slaan of hebben van betonnen heipalen, mits geen palen met verbrede voet en geen palen voor de uitwisseling van energie worden gebruikt;

    • f.

      het uitvoeren van sonderingen, waarbij na het trekken van de sondeerstangen het gehele sondeergat volledig wordt opgevuld met zwelklei met behulp van de “Naprikmethode” ;

    • g.

      onderhoudsbaggerwerkzaamheden.

  • 2.

    Het eerste lid vindt geen toepassing indien het werk of de handeling valt onder de in de artikelen 5.6 en 5.9 gestelde verboden.

Artikel 5.9 (Verboden werken en handelingen buiten inrichtingen in een beschermingsgebied)

  • 1.

    Het is verboden om zonder ontheffing in een beschermingsgebied buiten inrichtingen:

    • a.

      werken, daaronder begrepen leidingen en installaties, te maken of te houden met het kennelijke doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door of in de bodem mogelijk te maken met uitzondering van werken die voorzien in:

      • i.

        het vervoer van schadelijke stoffen ten behoeve van niet bedrijfsmatig gebruik;

      • ii.

        het doelmatig verwijderen van binnen het gebied vrijkomende schadelijke stoffen.

    • b.

      wegen, parkeergelegenheden, terreinen voor zover deze - al dan niet tijdelijk - voor gemotoriseerd verkeer openstaan, waterwegen of spoorwegen aan te leggen, te hebben of te reconstrueren;

    • c.

      kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen aan te leggen, te hebben, in exploitatie te nemen of te exploiteren;

    • d.

      een lozing op of in de bodem uit te voeren met uitzondering van lozingen waarop het Besluit lozen buiten inrichtingen, het Besluit lozing afvalwater huishoudens of artikel 1.10a van het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing is;

    • e.

      de bodem onder oppervlaktewater te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen met uitzondering van onderhoudsbaggerwerkzaamheden.

  • 2.

    Waar sprake is van oprichten, maken of aanleggen, wordt daaronder mede verstaan wijzigen of uitbreiden.

Paragraaf 5.2.1.2 Waterwingebied

Artikel 5.10 (Verbod tot oprichten inrichting in een waterwingebied)

  • 1.

    Het is verboden in een waterwingebied een inrichting die vergunningplichtig is op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor het onderdeel milieu op te richten.

  • 2.

    Het verbod geldt niet met betrekking tot inrichtingen ten behoeve van grondwateronttrekkingen gericht op de openbare drinkwaterproductie.

Artikel 5.11 (Verbod op bodemverstoring en gebruik bestrijdingsmiddelen in een waterwingebied)

  • 1.

    Het is verboden in een waterwingebied de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan de op de kaarten kaart Grondwaterbeschermingsgebied Bremerberg, Grondwaterbeschermingsgebied Fledite, kaart Grondwaterbeschermingsgebied Harderbroek en Grondwaterbeschermingsgebied Spiekzand aangegeven diepte:

    • a.

      binnen een inrichting type A en B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer en

    • b.

      buiten een inrichting.

  • 2.

    Het is verboden in een waterwingebied buiten inrichtingen bestrijdingsmiddelen, gewasbeschermingsmiddelen of biociden te gebruiken, tenzij uit de toelatingsbeschikking blijkt dat het middel in een met het oog op de bescherming van het grondwater aangewezen gebied mag worden toegepast.

  • 3.

    Het eerste lid vindt geen toepassing indien het werk of de handeling valt onder het in artikel 5.10 gestelde verbod.

Artikel 5.12 (Uitzondering verbod op bodemverstoring in een waterwingebied)

  • 1.

    Het verbod op bodemverstoring in een waterwingebied geldt niet voor:

    • a.

      het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van grondwateronttrekkingen, met het oog op de openbare drinkwaterproductie, waaronder inbegrepen het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten voor de grondwatermonitoring;

    • b.

      het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer door of op last van het college van dijkgraaf en heemraden of gedeputeerde staten;

    • c.

      het onderzoeken en saneren van de bodem dan wel het verrichten van handelingen ten gevolge waarvan een verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen gedeputeerde staten in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming hebben gegeven;

    • d.

      het verrichten van werkzaamheden ter uitvoering van een door gedeputeerde staten verleende ontgrondingenvergunning;

    • e.

      het slaan of hebben van betonnen heipalen, mits geen palen met verbrede voet en geen palen voor de uitwisseling van energie worden gebruikt;

    • f.

      het uitvoeren van sonderingen, waarbij na het trekken van de sondeerstangen het gehele sondeergat volledig wordt opgevuld met zwelklei met behulp van de “Naprikmethode”;

    • g.

      onderhoudsbaggerwerkzaamheden.

  • 2.

    Het eerste lid vindt geen toepassing indien het werk of de handeling valt onder de in de artikelen 5.10 en 5.13 gestelde verboden.

Artikel 5.13 (Verboden werken en handelingen buiten inrichtingen in een waterwingebied)

  • 1.

    Het is verboden om zonder ontheffing in een waterwingebied buiten inrichtingen:

    • a.

      werken, daaronder begrepen leidingen en installaties, te maken of te houden met het kennelijke doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door of in de bodem mogelijk te maken met uitzondering van werken die voorzien in:

      • i.

        het vervoer van schadelijke stoffen ten behoeve van niet bedrijfsmatig gebruik;

      • ii.

        het doelmatig verwijderen van binnen het gebied vrijkomende schadelijke stoffen.

    • b.

      wegen, parkeergelegenheden, terreinen voor zover deze - al dan niet tijdelijk - voor gemotoriseerd verkeer openstaan, waterwegen of spoorwegen aan te leggen, te hebben of te reconstrueren;

    • c.

      kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen aan te leggen, te hebben, in exploitatie te nemen of te exploiteren;

    • d.

      een lozing op of in de bodem uit te voeren met uitzondering van lozingen waarop het Besluit lozen buiten inrichtingen, het Besluit lozing afvalwater huishoudens of artikel 1.10a van het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing is;

    • e.

      de bodem onder oppervlaktewater te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen met uitzondering van onderhoudsbaggerwerkzaamheden.

  • 2.

    Waar sprake is van oprichten, maken of aanleggen, wordt daaronder mede verstaan wijzigen of uitbreiden.

Paragraaf 5.2.1.3 Boringsvrije zone

Artikel 5.14 (Verbod op bodemverstoring en gebruik bestrijdingsmiddelen in de boringsvrije zone)

  • 1.

    Het is verboden in de boringsvrije zone de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan de op de kaart Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland aangegeven diepte:

    • a.

      binnen een inrichting type A en B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer en

    • b.

      buiten een inrichting.

  • 2.

    Het is verboden in de boringsvrije zone buiten inrichtingen bestrijdingsmiddelen, gewasbeschermingsmiddelen of biociden te gebruiken, tenzij uit de toelatingsbeschikking blijkt dat het middel in een met het oog op de bescherming van het grondwater aangewezen gebied mag worden toegepast.

Artikel 5.15 (Uitzondering verbod op bodemverstoring in de boringsvrije zone)

  • 1.

    Het verbod op bodemverstoring in de boringsvrije zone geldt niet voor:

    • a.

      het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van grondwateronttrekkingen, met het oog op de openbare drinkwaterproductie, waaronder inbegrepen het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten voor de grondwatermonitoring;

    • b.

      het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer door of op last van het college van dijkgraaf en heemraden of gedeputeerde staten;

    • c.

      het onderzoeken en saneren van de bodem dan wel het verrichten van handelingen ten gevolge waarvan een verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen gedeputeerde staten in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming hebben gegeven;

    • d.

      het verrichten van werkzaamheden ter uitvoering van een door gedeputeerde staten verleende ontgrondingenvergunning;

    • e.

      het slaan of hebben van betonnen heipalen, mits geen palen met verbrede voet en geen palen voor de uitwisseling van energie worden gebruikt;

    • f.

      het uitvoeren van sonderingen, waarbij na het trekken van de sondeerstangen het gehele sondeergat volledig wordt opgevuld met zwelklei met behulp van de “Naprikmethode”;

    • g.

      onderhoudsbaggerwerkzaamheden.

Afdeling 5.2.2 Algemene regels en meldingen

 

Paragraaf 5.2.2.1 Beschermingsgebied

Artikel 5.16 (Algemene regels voor boorputten onttrekken grondwater en uitwisseling energie en voor het uitvoeren van sonderingen in een beschermingsgebied)

  • 1.

    Het is verboden in een beschermingsgebied een boorput op te richten of te wijzigen ondieper dan de op de kaarten kaart Grondwaterbeschermingsgebied Bremerberg en kaart Grondwaterbeschermingsgebied Harderbroek aangegeven diepte, die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie zonder dit ten minste twee weken voor het begin ervan te melden aan gedeputeerde staten.

  • 2.

    Het is verboden in een beschermingsgebied een sondering uit te voeren zonder dit ten minste twee weken voor het begin ervan te melden aan gedeputeerde staten.

  • 3.

    Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden.

Paragraaf 5.2.2.2 Waterwingebied

Artikel 5.17 (Algemene regels voor boorputten onttrekken grondwater en uitwisseling energie en voor het uitvoeren van sonderingen in een waterwingebied)

  • 1.

    Het is verboden in een waterwingebied een boorput op te richten of te wijzigen ondieper dan de op de kaarten kaart Grondwaterbeschermingsgebied Bremerberg, Grondwaterbeschermingsgebied Fledite, kaart Grondwaterbeschermingsgebied Harderbroek en Grondwaterbeschermingsgebied Spiekzand aangegeven diepte, die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie zonder dit ten minste twee weken voor het begin ervan te melden aan gedeputeerde staten.

  • 2.

    Het is verboden in een watergebied een sondering uit te voeren zonder dit ten minste twee weken voor het begin ervan te melden aan gedeputeerde staten.

  • 3.

    Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden.

Paragraaf 5.2.2.3 Boringsvrije zone

Artikel 5.18 (Algemene regels voor boorputten onttrekken grondwater of uitwisseling energie en voor het uitvoeren van sonderingen in de boringsvrije zone)

  • 1.

    Het is verboden in de boringsvrije zone een boorput op te richten of te wijzigen ondieper dan de op de kaart Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland aangegeven diepte, die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie zonder dit ten minste twee weken voor het begin ervan te melden aan gedeputeerde staten.

  • 2.

    Het is verboden in de boringsvrije zone een sondering uit te voeren zonder dit ten minste twee weken voor het begin ervan te melden aan gedeputeerde staten.

  • 3.

    Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden.

Paragraaf 5.2.2.4 Gegevens en bescheiden melding

Artikel 5.19 (Gegevens en bescheiden melding boorputten onttrekken grondwater of uitwisseling energie en melding het uitvoeren van sonderingen)

  • 1.

    Bij de melding als bedoeld in de artikelen 5.16, 5.17 en 5.18 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de begrenzing van de activiteit;

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Een melding voor een boorput geschikt voor de uitwisseling van energie bevat aanvullend:

    • a.

      de kadastrale aanduiding van de plaats van de boorput;

    • b.

      een beschrijving van het systeem waar de boorput deel vanuit maakt;

    • c.

      een beschrijving van de constructie van de boorput inclusief de materiaalkeuze en de te gebruiken vloeistoffen;

    • d.

      de wijze waarop de boorput wordt opgericht of gewijzigd;

    • e.

      de diepte van de boorput ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil respectievelijk maaiveld.

  • 3.

    Een melding voor het uitvoeren van een sondering bevat aanvullend:

    • a.

      gegevens en bescheiden over de uitvoerder;

    • b.

      de kadastrale aanduiding van de plaats van de sondering;

    • c.

      de coördinaten van de sondering(en).

  • 4.

    Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing als eerder verstrekte gegevens of bescheiden wijzigen.

Titel 5.3 Instructieregels

Artikel 5.20 (Waterschap Zuiderzeeland: grondwateronttrekkingen in grondwaterbeschermingsgebieden)

  • 1.

    De algemene vergadering regelt in de verordening voor de behartiging van de taken die het waterschap zijn opgedragen, dat het absoluut verboden is grondwater te onttrekken of water te infiltreren in de grondwaterbeschermingsgebieden zoals aangegeven op de kaarten kaart Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland, kaart Grondwaterbeschermingsgebied Bremerberg, kaart Grondwaterbeschermingsgebied Fledite, kaart Grondwaterbeschermingsgebied Harderbroek en kaart Grondwaterbeschermingsgebied Spiekzand, indien de onttrekking of infiltratie plaatsvindt op een grotere diepte dan gelet op die kaarten is toegestaan.

  • 2.

    De instructieregel als bedoeld in het eerste lid heeft geen betrekking op:

    • a.

      onttrekkingen ten behoeve van de grondwatermonitoring, met het oog op de openbare drinkwaterproductie;

    • b.

      onttrekkingen ten behoeve van het grondwaterbeheer door of op last van het college van dijkgraaf en heemraden of gedeputeerde staten;

    • c.

      onttrekkingen ten behoeve van het onderzoeken en saneren van de bodem danwel onttrekkingen ten behoeve van handelingen tengevolge waarvan een verontreiniging in de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming hebben gegeven.

Artikel 5.21 (Gedeputeerde Staten: beoordelingsregels werken en handelingen buiten inrichtingen in een beschermingsgebied of een waterwingebied)

Gedeputeerde staten verlenen de ontheffing voor werken en handelingen buiten inrichtingen als bedoeld in de artikelen 5.9 en 5.13 alleen indien het belang waartoe het betreffende grondwaterbeschermingsgebied is aangewezen zich daartegen niet verzet.

HOOFDSTUK 6 WATERSYSTEEM

Titel 6.1 Algemeen

Artikel 6.1 (Oogmerk)

De regels in dit hoofdstuk zijn deels gesteld in aanvulling op de Waterwet en deels met het oog het belang van het voorkomen van overstromingen en wateroverlast.

Artikel 6.2 (Begripsbepalingen)

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

 

bebouwde kom: bebouwde kom, vastgesteld krachtens artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

 

omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen: veiligheidsnormen als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid van de Waterwet voor regionale waterkeringen;

 

omgevingswaarden wateroverlast: normen als bedoeld in artikel 2.8 van de Waterwet;

 

regionale waterkering: een waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet, die beveiliging biedt tegen overstroming en die als zodanig is aangewezen in deze verordening;

Artikel 6.3 (Toedeling beheer waterschap)

Waterschap Zuiderzeeland is belast met het beheer van het watersysteem dat behoort tot de taak van het waterschap, zoals omschreven in artikel 4 van het Reglement voor Waterschap Zuiderzeeland 2008.

Artikel 6.4 (Toedeling vaarwegbeheer provincie)

De provincie Flevoland is belast met het vaarwegbeheer van de op de kaart Provinciale vaarwegen aangegeven regionale wateren.

Titel 6.2 Omgevingswaarden

 

Afdeling 6.2.1 Regionale waterkeringen

Artikel 6.5 (Aanwijzen regionale waterkeringen)

Deze afdeling is van toepassing op de regionale waterkeringen die zijn aangegeven op de kaarten in bijlage 4.

Artikel 6.6 (Omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen)

  • 1.

    Voor de veiligheid van regionale waterkeringen gelden de omgevingswaarden aangegeven in bijlage 4.

  • 2.

    De omgevingswaarden voor elke regionale waterkering worden aangegeven als gemiddelde overschrijdingskans per jaar.

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen in nadere regels een technische leidraad vaststellen voor het ontwerp van regionale waterkeringen. Deze strekt tot aanbeveling voor de beheerder.

  • 4.

    Gedeputeerde staten kunnen voorschriften vaststellen aan de door het college van dijkgraaf en heemraden te verrichten beoordeling van de veiligheid van regionale waterkeringen.

  • 5.

    Gedeputeerde staten stellen nadere regels vast inzake de hydraulische randvoorwaarden vast voor de door de beheerder te verrichten toetsing van regionale waterkeringen.

Artikel 6.7 (Tijdstip voldoen)

  • 1.

    De algemene vergadering draagt er zorg voor dat de regionale waterkeringen Almere Haven, Flevocentrale, Harderhaven, Haven Zeewolde, Havenkwartier Zeewolde, Langs Noordoostpolder achter Kadoelerkeersluis, Muiderzand, Parkhaven, Schokkerhaven, Urk en Zuiderzee op Zuid voldoen aan de in artikel 6.6 opgenomen omgevingswaarden.

  • 2.

    De algemene vergadering draagt er zorg voor dat de Knardijk uiterlijk vier jaar na de wijziging van de Waterwet in verband met de wettelijke verankering van de Deltabeslissing Waterveiligheid voldoet aan de in artikel 6.6 opgenomen omgevingswaarde.

Afdeling 6.2.2 Wateroverlast

 

Artikel 6.8 (Omgevingswaarden wateroverlast binnen bebouwde kom)

  • 1.

    Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied binnen de bebouwde kom, met uitzondering van onroerende zaken in de gebieden die zijn aangewezen op de kaart Gebieden zonder normering wateroverlast, een overstromingskans van ten hoogste 1/100 per jaar.

  • 2.

    De algemene vergadering draagt er zorg voor dat de oppervlaktewaterlichamen zijn ingericht volgens de in het vorige lid opgenomen omgevingswaarde.

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen voor bepaalde tijd ontheffing verlenen van de zorgplicht als bedoeld in het vorige lid.

Artikel 6.9 (Omgevingswaarde wateroverlast buiten bebouwde kom)

  • 1.

    Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied buiten de bebouwde kom, met uitzondering van onroerende zaken in de gebieden die zijn aangewezen op de kaart Gebieden zonder normering wateroverlast, een gemiddelde overstromingskans van ten hoogste 1/50 per jaar en gemiddeld per deelgebied 1/80 per jaar.

  • 2.

    De algemene vergadering draagt er zorg voor dat de oppervlaktewaterlichamen zijn ingericht volgens de in het vorige lid opgenomen omgevingswaarde.

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen voor bepaalde tijd ontheffing verlenen van de zorgplicht als bedoeld in het vorige lid.

Artikel 6.10 (Beoordelingsregels wateroverlast)

Gedeputeerde staten stellen nadere regels vast voor de door het college van dijkgraaf en heemraden te verrichten beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren.

Titel 6.3 Instructieregels

 

Afdeling 6.3.1 Gedeputeerde staten

Artikel 6.11 (Inhoud regionaal waterplan)

  • 1.

    Het regionaal waterplan bevat, onverminderd het bepaalde in artikel 4.4 van de Waterwet, één of meer kaarten met bijbehorende verklaring waarin de hoofdlijnen van het waterbeleid in beeld zijn gebracht.

  • 2.

    De ruimtelijke aspecten bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de Waterwet worden in het regionaal waterplan aangeduid.

Artikel 6.12 (Voorbereiding regionaal waterplan)

  • 1.

    Gedeputeerde staten voeren, ter voorbereiding van het regionaal waterplan, ten minste overleg met het college van dijkgraaf en heemraden, de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat Midden-Nederland en de colleges van burgemeester en wethouders van de binnen het plangebied liggende gemeenten.

  • 2.

    Gedeputeerde staten raadplegen ter voorbereiding van het regionaal waterplan de minister van Infrastructuur en Waterstaat en gedeputeerde staten van de aangrenzende provincies en de beheerder van de grensoverschrijdende dan wel grensvormende watersystemen.

  • 3.

    Op de voorbereiding van het regionaal waterplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

  • 4.

    Een ieder heeft de gelegenheid zijn zienswijze over het regionaal waterplan naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren te brengen.

Artikel 6.13 (Uitwerking regionaal waterplan)

  • 1.

    Voor zover het regionaal waterplan hierin voorziet, zijn gedeputeerde staten bevoegd het regionaal waterplan uit te werken.

  • 2.

    Een besluit van gedeputeerde staten, inhoudende een uitwerking van het regionaal waterplan, maakt deel uit van het plan.

  • 3.

    Artikel 6.12 is van overeenkomstige toepassing op de uitwerking van het regionaal waterplan.

  • 4.

    Zo spoedig mogelijk na vaststelling van de uitwerking brengen gedeputeerde staten de in artikel 6.12 genoemde bestuursorganen en provinciale staten op de hoogte van de vaststelling van de uitwerking.

Afdeling 6.3.2 Waterschap Zuiderzeeland

Paragraaf 6.3.2.1 Beheerplan

Artikel 6.14 (Inhoud beheerplan)

  • 1.

    Het beheerplan bevat onverminderd artikel 4.6 van de Waterwet tenminste:

    • a.

      een beschrijving van de bestaande toestand van het watersysteem waarover het beheer zich uitstrekt;

    • b.

      het beleid inzake het beheer van het watersysteem gericht op de aan het watersysteem toegekende functies en doelstellingen;

    • c.

      één of meer toelichtende kaarten waarop de bestaande en geplande waterstaatswerken zijn aangegeven en waarop een overzicht wordt gegeven van de bestaande en nagestreefde toestand van het watersysteem;

    • d.

      een omschrijving van de maatregelen die door de beheerder en/of door derden moeten worden genomen om de in het regionaal waterplan en in het beheerplan genoemde doelstellingen te bereiken, alsmede de fasering en prioriteitenstelling bij deze maatregelen;

    • e.

      een raming van de kosten van de maatregelen, voorzover deze gedurende de planperiode tot stand worden gebracht, een overzicht van de wijze waarop deze worden gedekt, alsmede een indicatie van de kosten van door derden te nemen maatregelen als gevolg van het plan.

  • 2.

    Het beheerplan gaat vergezeld van een toelichting waarin tenminste is opgenomen de aan het plan ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van verrichte onderzoeken.

Artikel 6.15 (Raadplegen)

Het college van dijkgraaf en heemraden raadpleegt bij de opstelling van het beheerplan ten minste de dagelijks besturen van de aangrenzende waterschappen, de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat Midden-Nederland, gedeputeerde staten en de colleges van burgemeester en wethouders in Flevoland.

Artikel 6.16 (Openbare voorbereiding)

  • 1.

    Op de voorbereiding van het beheerplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De stukken worden ter inzage gelegd in tenminste het kantoor van Waterschap Zuiderzeeland en in de gemeentehuizen van de gemeenten die zijn gelegen binnen het gebied waarop het beheerplan betrekking heeft.

  • 2.

    Een ieder heeft de gelegenheid zijn zienswijze over het beheerplan naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren te brengen.

  • 3.

    Het college van dijkgraaf en heemraden kan besluiten dat de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet wordt toegepast bij het actualiseren van het maatregelenprogramma als bedoeld in artikel 6.14, eerste lid, onder d indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de toepassing van die procedure geen behoefte bestaat.

  • 4.

    Een vastgesteld beheerplan wordt toegezonden aan de instanties als bedoeld in artikel 6.15 en aan de minister van Infrastructuur en Waterstaat.

Artikel 6.17 (Uitwerking beheerplan)

  • 1.

    In het beheerplan kan worden bepaald dat het college van dijkgraaf en heemraden het beheerplan of onderdelen daarvan moet of kan uitwerken volgens in het beheerplan gegeven regels.

  • 2.

    Alvorens het college van dijkgraaf en heemraden een besluit vaststelt met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid, worden de in artikel 6.15 bedoelde bestuursorganen in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen daarover kenbaar te maken.

  • 3.

    Het besluit van het college van dijkgraaf en heemraden tot uitwerking van het beheerplan maakt deel uit van het beheerplan.

  • 4.

    Artikel 6.16 is van overeenkomstige toepassing op het in het derde lid genoemde besluit.

Artikel 6.18 (Toezending aan gedeputeerde staten)

  • 1.

    Een besluit als bedoeld in artikel 6.16, derde lid wordt binnen vier weken na vaststelling aan gedeputeerde staten toegezonden.

  • 2.

    Een besluit ter uitvoering van de in artikel 6.17, eerste lid genoemde bevoegdheid, wordt binnen vier weken na vaststelling aan gedeputeerde staten toegezonden.

Artikel 6.19 (Algemene voortgangsrapportage)

  • 1.

    Het college van dijkgraaf en heemraden rapporteert tenminste eenmaal per jaar aan gedeputeerde staten over de voortgang van de uitvoering van het geldende beheerplan, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgestelde maatregelen.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen met betrekking tot de inhoud van de rapportage, gehoord het college van dijkgraaf en heemraden, nadere voorschriften stellen omtrent de inhoud van de rapportage.

Paragraaf 6.3.2.2 Peilbesluiten

Artikel 6.20 (Aanwijzing verplichte peilbesluiten)

  • 1.

    De algemene vergadering stelt voor de oppervlaktewaterlichamen onder zijn beheer één of meer peilbesluiten vast.

  • 2.

    Gedeputeerde staten verlenen op verzoek van het college van dijkgraaf en heemraden van het bepaalde in het eerste lid ontheffing ten aanzien van gebiedsdelen waar een regeling van de waterstand redelijkerwijs niet mogelijk is.

Artikel 6.21 (Inhoud van het peilbesluit)

  • 1.

    Het peilbesluit bevat onverminderd het bepaalde in artikel 5.2 van de Waterwet:

    • a.

      een kaart met de begrenzing van de gebieden waarbinnen oppervlaktewateren gelegen zijn waarop het peilbesluit betrekking heeft, en

    • b.

      de te handhaven waterstanden, aangegeven in hoogte ten opzichte van NAP, met daarbij aangegeven de perioden en de peilvakken waarvoor de waterstanden gelden.

  • 2.

    Het peilbesluit gaat vergezeld van een toelichting waarin tenminste zijn opgenomen:

    • a.

      de aan het besluit ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de verrichte onderzoeken;

    • b.

      de verwachte grondwaterstanden waarop de gekozen waterstanden gebaseerd zijn en de afwijking ten opzichte van het optimale grond- en oppervlaktewater regime.

Artikel 6.22 (Voorbereiding)

Op de voorbereiding van het peilbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 6.23 (Herziening)

Op een herziening en een wijziging van een peilbesluit zijn de artikelen 6.20 en 6.21 van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 6.3.2.3 Legger

Artikel 6.24 (Legger waterstaatswerken)

De legger bevat onverminderd het bepaalde in artikel 5.1, tweede lid van de Waterwet in ieder geval:

  • a.

    de dwarsprofielen van de regionale waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden;

  • b.

    een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de regionale waterkering, oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden.

Artikel 6.25 (Uitzondering leggerplicht)

Gedeputeerde staten kunnen voor waterstaatswerken vrijstelling verlenen van de leggerplicht indien deze waterstaatswerken zich naar hun aard of functie niet lenen voor omschrijving van die elementen dan wel van geringe afmetingen zijn.

Artikel 6.26 (Voorbereiding)

Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op voorbereiding van de legger.

Paragraaf 6.3.2.4 Meten en beoordelen

Artikel 6.27 (Verslag toetsing watersysteem)

  • 1.

    Het college van dijkgraaf en heemraden brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 6.6, eerste lid, iedere zes jaar verslag uit aan gedeputeerde staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen onder zijn beheer.

  • 2.

    Het verslag, bedoeld in het eerste lid, bevat een beoordeling van de veiligheid. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de omgevingswaarde, technische leidraad, hydraulische randvoorwaarden en voorschriften bedoeld in artikel 6.6 en de legger bedoeld in artikel 6.24.

  • 3.

    Het college van dijkgraaf en heemraden brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 6.8 en 6.9, iedere zes jaar verslag uit aan gedeputeerde staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale wateren onder zijn beheer.

  • 4.

    Het verslag, bedoeld in het derde lid, bevat een beoordeling van de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de omgevingswaarden en voorschriften bedoeld in afdeling 6.2.2 en de legger bedoeld in artikel 6.24.

  • 5.

    Indien de beoordeling daartoe aanleiding geeft, bevatten de verslagen bedoeld in het eerste en derde lid een omschrijving van de voorzieningen die op een daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht.

  • 6.

    Gedeputeerde staten stellen, na overleg met het college van dijkgraaf en heemraden, vast voor welk tijdstip de verslagen, bedoeld in het eerste en derde lid, voor de eerste maal worden uitgebracht.

  • 7.

    Gedeputeerde staten kunnen afwijken van het bepaalde in het eerste en derde lid.

Artikel 6.28 (Nadere voorschriften)

Gedeputeerde staten kunnen nadere voorschriften stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de verslagen, bedoeld in artikel 6.27.

Paragraaf 6.3.2.5 Projectprocedure voor waterstaatswerken

Artikel 6.29 (Projectprocedure)

  • 1.

    Paragraaf 2 van hoofdstuk 5 van de Waterwet is van toepassing op projectplannen tot aanleg, verlegging of versterking van regionale waterkeringen met de nummers 1, 7, 10, 11, 12, 13, 18, 19, 20, 21 en 23 als bedoeld in bijlage 4.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen paragraaf 2 van hoofdstuk 5 van de Waterwet van toepassing verklaren op:

    • a.

      projectplannen tot aanleg of wijziging van regionale waterkeringen met de nummers 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9, 14, 15, 16, 17, 22, 24, 25, 26 als bedoeld in bijlage 4;

    • b.

      projectplannen tot de aanleg of wijziging van bergingsgebieden in regionale watersystemen;

    • c.

      projectplannen tot de aanleg en wijziging van oppervlaktewaterlichamen.

Artikel 6.30 (Toezending projectplan voor primaire waterkeringen)

  • 1.

    Een aan gedeputeerde staten ter goedkeuring toegezonden projectplan dat betrekking heeft op een primaire waterkering die is gelegen op het grondgebied van een andere provincie of andere provincies wordt door het college van dijkgraaf en heemraden tevens toegezonden aan gedeputeerde staten van die andere provincie of provincies.

  • 2.

    Het eerste lid is van toepassing op projectplannen die zijn gericht op het grondgebied van twee of meer provincies.

Afdeling 6.3.3 Gemeenten

 

Artikel 6.31 (Gegevens en bescheiden aanvraag ontheffing zorgplicht)

De aanvraag om een ontheffing voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater dat vrijkomt bij de binnen het grondgebied van de gemeente gelegen percelen bevat:

  • a.

    het gemeentelijk rioleringsplan of, indien het plan nog niet is vastgesteld, een overzicht van de aanwezige voorzieningen en de overige gegevens, bedoeld in artikel 4.22, tweede lid, van de Wet milieubeheer, voor dat deel van de gemeente waarop de aanvraag om ontheffing betrekking heeft;

  • b.

    een overzicht van de lozingssituatie in dat deel van de gemeente waarop de aanvraag om ontheffing betrekking heeft;

  • c.

    het resultaat van een inventarisatie van percelen in dat deel van de gemeente waarop de aanvraag betrekking heeft en gelegen binnen de afstandscriteria, zoals bepaald in algemene maatregelen van bestuur op grond van de Wet milieubeheer, de Wet bodembescherming en de Waterwet;

  • d.

    een weergave van de gevolgen voor het milieu wanneer geen voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater worden getroffen;

  • e.

    een weergave van de alternatieve voorzieningen voor verwerking van het afvalwater van de betreffende percelen;

  • f.

    het advies of het resultaat van het overleg dat is gevoerd met de waterbeheerder.

HOOFDSTUK 7 NATUURNETWERK NEDERLAND

Paragraaf 7.1 Algemeen

Artikel 7.1 (Oogmerk en toepassingsgebied)

  • 1.

    Dit hoofdstuk geeft regels als bedoeld in artikel 4.1 en 4.3 van de Wet ruimtelijke ordening en hoofdstuk IX van de Provinciewet en geeft uitvoering aan titel 2.10 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.

  • 2.

    De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

    • a.

      het begrenzen, aanwijzen en beschermen van het op land gelegen Natuurnetwerk Nederland;

    • b.

      het aanwijzen en veiligstellen van de wezenlijke kenmerken en waarden van de begrensde gebieden;

    • c.

      het geven van een afwegingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen het Natuurnetwerk Nederland en voorwaarden voor herbegrenzing;

    • d.

      het instellen van een registratie voor planologische besluiten bij het wijzigen van het Natuurnetwerk Nederland.

  • 3.

    Het toepassingsgebied van dit hoofdstuk is vastgelegd op kaart Werkingsgebied Natuurnetwerk Nederland.

  • 4.

    Als het Natuurnetwerk Nederland zijn als zodanig aangewezen de begrensde gebieden zoals geometrisch vastgelegd op kaart Natuurnetwerk Nederland en op http://ehs.flevoland.nl/.

Artikel 7.2 (Begripsbepalingen)

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

bestemmingsplan: bestemmingsplan, inpassingsplan of beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening met inbegrip van een wijzigingsplan of een uitwerkingsplan alsmede een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en een geval als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid onderdeel a, onder 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

 

Natuurnetwerk Nederland (NNN): stelsel van natuurgebieden van internationaal of nationaal belang dat strekt tot de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten;

 

ruimtelijk plan of besluit: een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3º van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken;

 

wezenlijke kenmerken en waarden: aanwezige natuurwaarden en, voor gebieden die bestemd zijn voor natuur of zijn aangewezen voor natuurdoeleinden, tevens de potentiële natuurwaarden en de daarvoor vereiste milieucondities.

Paragraaf 7.2 Activiteiten

Artikel 7.3 (Wezenlijke kenmerken en waarden)

Gedeputeerde staten wijzen in bijlage 5 van de omgevingsverordening de wezenlijke kenmerken en waarden aan van het Natuurnetwerk Nederland..

Artikel 7.4 (Wijziging begrenzing)

  • 1.

    Provinciale staten kunnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland of de wezenlijke kenmerken en waarden wijzigen:

    • a.

      ten behoeve van andere activiteiten dan mogelijk gemaakt op grond van artikel 7.5, eerste lid, sub b indien:

      • i.

        een ingreep onvermijdelijk blijkt,

      • ii.

        er sprake is van een groot openbaar belang,

      • iii.

        er geen reële alternatieven zijn, en

      • iv.

        de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd.

    • b.

      ten behoeve van een combinatie van projecten of handelingen die tevens tot doel heeft om de kwaliteit of kwantiteit van het Natuurnetwerk Nederland op gebiedsniveau per saldo te verbeteren,

    • c.

      ten behoeve van de herijking van het Natuurnetwerk Nederland,

    • d.

      naar aanleiding van wijziging in hogere beleidskaders en wet en regelgeving.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland of de wezenlijke kenmerken en waarden wijzigen:

    • a.

      ten behoeve van een verbetering van de samenhang van het Natuurnetwerk Nederland, of een betere planologische inpassing van het Natuurnetwerk Nederland, voor zover:

      • i.

        de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland worden behouden, en

      • ii.

        de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland tenminste gelijk blijft.

    • b.

      ten behoeve van een kleinschalige ontwikkeling, voor zover:

      • i.

        de aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden en de samenhang van het Natuurnetwerk Nederland beperkt is,

      • ii.

        de ontwikkeling per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland en een vergroting van de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland,

    • c.

      ten behoeve van de aanwijzing compensatie NNN binnen het zoekgebied Oosterwold, zoals geometrisch vastgelegd op kaart Natuurnetwerk Nederland,

    • d.

      ten behoeve van de aanwijzing van het kiekendieffoerageergebied, zoals geometrisch vastgelegd op kaart Natuurnetwerk Nederland.

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen de wezenlijke kenmerken en waarden wijzigen naar aanleiding van natuurlijke ontwikkelingen in het gebied.

Artikel 7.5 (Bescherming)

  • 1.

    Een ruimtelijk plan of besluit, voor zover het betrekking heeft op een gebied binnen of nabij de aangewezen het Natuurnetwerk Nederland:

    • a.

      strekt mede tot bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van dat gebied;

    • b.

      maakt activiteiten alleen mogelijk als die ten opzichte van het ten tijde van de inwerkingtreding van deze titel van de verordening geldende bestemmingsplan, mits die per saldo niet leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden.

  • 2.

    Voor zover een bestemmingsplan strijdig is met de bescherming en de mogelijkheden bedoeld in het eerste lid stelt de gemeenteraad binnen drie jaar na het inwerkingtreden van deze titel dat plan opnieuw vast met inachtneming van de bepalingen in het eerste lid.

Paragraaf 7.3 Procedure

Artikel 7.6 (Algemene regels wijzigingen begrenzingen)

  • 1.

    Burgemeester en wethouders kunnen verzoeken de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland en de wezenlijke kenmerken en waarden te wijzigen ten behoeve van een activiteit genoemd in artikel 7.4, eerste lid, onderdeel a of een kleinschalige ontwikkeling als genoemd in artikel 7.4, tweede lid, onderdeel b.

  • 2.

    Een ruimtelijk plan of besluit ten behoeve waarvan het Natuurnetwerk Nederland wordt gewijzigd gaat vergezeld van een toelichting of onderbouwing waarin wordt aangetoond dat:

    • a.

      de uitvoervoering en langdurige instandhouding van de versterking of vergroting van het Natuurnetwerk Nederland is gewaarborgd,

    • b.

      de uitvoering van de versterking of vergroting uiterlijk aansluitend aan het realiseren van de kleinschalige ontwikkeling plaats vindt.

  • 3.

    De voorbereiding en bekendmaking van de besluiten tot het wijzigen van de verordening en het vaststellen van het ruimtelijk plan of besluit worden in voorkomend geval gecoördineerd.

  • 4.

    Wanneer de beoogde ontwikkeling of activiteit ten behoeve waarvan het Natuurnetwerk Nederland is gewijzigd niet of niet geheel plaats vindt verzoeken burgemeester en wethouders tot het geheel of gedeeltelijk intrekken van de wijziging.

Paragraaf 7.4 Instructieregels

Artikel 7.7 (Registratie)

  • 1.

    Gedeputeerde Staten houden een actuele en digitale registratie bij van de besluiten in verband met wijzigingen van het Natuurnetwerk Nederland.

  • 2.

    De registratie is gericht op het inzichtelijk maken van een sluitende compensatieboekhouding en het volgen van de uitvoering.

HOOFDSTUK 8 NATUURBESCHERMING

Titel 8.1 Algemeen

Artikel 8.1 (Begripsbepalingen)

In deze verordening wordt verstaan onder:

 

jacht: bemachtigen, opzettelijk doden of met het oog daarop opsporen van wild alsmede het doen van pogingen daartoe;

 

jachthouder: degene die krachtens artikel 3.23 van de wet gerechtigd is tot het uitoefenen van de jacht in een veld;

 

grondgebruiker: degene die gerechtigd is de grond te gebruiken krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;

 

schadesoorten: soorten als bedoeld in artikel 3.15, derde lid van de wet, die in de provincieschade veroorzaken en niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen;

 

BIJ12: uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke provincies, zijnde onderdeel van de Vereniging Interprovinciaal Overleg;

 

taxateur: een taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12;

 

boskern: aaneengesloten complex van houtopstanden met een gezamenlijke oppervlakte van tenminste 15 hectare.

Titel 8.2 Vrijstellingen

 

Paragraaf 8.2.1 Vrijstelling beweiden en bemesten

Artikel 8.2 (Vrijstelling vergunningplicht beweiden en bemesten bij Natura 2000 gebieden)

Het verbod bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, is niet van toepassing op de volgende handelingen:

  • a.

    het weiden van vee;

  • b.

    het gebruiken van meststoffen zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit gebruik meststoffen.

Paragraaf 8.2.2 Vrijstelling soorten

Artikel 8.3 (Schadesoorten)

  • 1.

    Als schadesoorten als bedoeld in artikel 3.15, derde lid van de Wet natuurbescherming worden in de provincie Flevoland aangewezen de soorten genoemd in bijlage 6 en bijlage 7.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen bijlagen 6, 7 en 8 in de omgevingsverordening wijzigen.

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen bij wijziging van bijlagen 6 en 7 van deze verordening bepalen dat een vrijstelling als bedoeld in 8.4 beperkt is tot een deel van de provincie, een periode in het jaar of nader omschreven gewassen of vee.

  • 4.

    De in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure is van toepassing op de voorbereiding van de in het tweede lid bedoelde wijziging.

Artikel 8.4 (Vrijstelling grondgebruiker voor bestrijding van schadeveroorzakende dieren)

  • 1.

    Ter voorkoming of bestrijding van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren veroorzaakt door de in bijlage 6 aangewezen diersoorten, is het de grondgebruiker toegestaan om op de door hem gebruikte gronden of in of aan door hem gebruikte opstallen handelingen te verrichten als bedoeld in artikel 3.1 vierde lid en artikel 3.5 tweede lid van de Wet natuurbescherming.

  • 2.

    Ter voorkoming of bestrijding van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren veroorzaakt door de in bijlage 7 aangewezen diersoorten is het de grondgebruiker toegestaan om op de door hem gebruikte gronden of in of aan door hem gebruikte opstallen handelingen te verrichten als bedoeld in artikel 3.1, eerste, tweede en vierde, artikel 3.5 eerste, tweede en vierde lid en artikel 3.10, eerste lid onder b van de Wet natuurbescherming.

  • 3.

    Vrijgestelde handelingen als bedoeld in het eerste en tweede lid moeten plaatsvinden overeenkomstig het faunabeheerplan.

  • 4.

    Indien de grondgebruiker in overeenstemming met artikel 3.15 zevende lid van de Wet natuurbescherming de vrijgestelde handelingen door een ander laat uitvoeren, dient die persoon gedurende die uitoefening de door de grondgebruiker afgegeven schriftelijke toestemming bij zich te dragen en op eerste vordering van een daartoe bevoegde ambtenaar ter inzage te geven.

Artikel 8.5 (Vrijstelling ruimtelijke inrichting of ontwikkeling, bestendig beheer of onderhoud)

Onverminderd het bepaalde in artikel 3.31, eerste lid van de Wet natuurbescherming gelden de verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid van de Wet natuurbescherming, met uitzondering van het verbod tot het opzettelijk doden, niet voor soorten genoemd in bijlage 8 ten aanzien van de belangen genoemd in onderdelen a, d, e, f en g van artikel 3.10, eerste lid van de Wet natuurbescherming.

Artikel 8.6 (Bescherming vogels tegen landbouwwerkzaamheden)

  • 1.

    De verboden, bedoeld in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming, gelden met uitzondering van het verbod tot doden, niet ten behoeve van activiteiten bestemt en geschikt voor de bescherming van vogels, hun nesten en eieren en hun niet vliegvlugge jongen tegen landbouwwerkzaamheden en vee.

  • 2.

    De op basis van het eerste lid gevangen niet vliegvlugge jongen worden onmiddellijk na afloop van de landbouwwerkzaamheden bedoeld in het eerste lid weer in vrijheid gesteld.

Artikel 8.7 (Veiligstelling amfibieën en ringslangen ter vrijstelling tegen verkeer)

  • 1.

    De verboden om in het wild levende dieren te vangen en opzettelijk te verstoren, bedoeld in artikel 3.5, eerste en tweede lid, van de Wet natuurbescherming, alsmede het verbod om amfibieën te vangen, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid van de Wet natuurbescherming, gelden niet ten aanzien van deze amfibieën en de ringslang indien de betrokken handelingen plaatsvinden ter veiligstelling van deze dieren tegen het verkeer.

  • 2.

    De in het eerste lid genoemde vrijstelling geldt slechts voor het vervoer van de dieren over een afstand van ten hoogste 50 meter vanaf de vangplaats en voor zover de dieren na het vervoeren onmiddellijk weer in vrijheid worden gesteld.

  • 3.

    De in het eerste lid genoemde vrijstelling geldt slechts voor het vervoer van de ringslang over een afstand van ten hoogste 100 meter vanaf de vangplaats en voor zover de dieren na het vervoeren onmiddellijk weer in vrijheid worden gesteld.

Artikel 8.8 (Vangen amfibieën en kleine zoogdieren van onderzoek en onderwijs)

  • 1.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming geldt het verbod op het vangen niet ten aanzien van de soorten: de meerkikker (Pelophylax ridibundus), de bastaardkikker (Pelophylax klepton esculenta), de bruine kikker (Rana temporaria) en de gewone pad (Bufo bufo), alsmede ten aanzien van het bemachtigen van eieren van deze soorten, voor zover dit geschiedt met het oog op gebruik van deze dieren of eieren van deze dieren bij onderzoek of onderwijs.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming geldt het verbod op het vangen niet ten aanzien van de soorten: meerkikker (Rana ridibunda), bastaardkikker (Rana kl. esculenta), bruine kikker (Rana temporaria), gewone pad (Bufo bufo), kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris), aardmuis (Microtus agrestis), bosmuis (Apodemus sylvaticus) egel (Erinaceus europeus), gewone bosspitsmuis (Sorex araneus), huisspitsmuis (Crocidura russula), rosse woelmuis (Clethrionomys glareolus), tweekleurige bosspitsmuis (Sorex coronatus), veldmuis (Microtus arvalis) en woelrat (Arvicola terrestris) alsmede ten aanzien van het bemachtigen van eieren van deze soorten, voor zover dit geschiedt met het oog op gebruik van deze dieren of eieren van deze dieren in het kader van wetenschappelijk onderzoek.

Artikel 8.9 (Vrijstelling bezits- en vervoersverbod braakballen, losse veren e.d.)

De verboden op het vervoeren en onder zich hebben, bedoeld in artikel 3.2, zesde lid en artikel 3.6, tweede lid van de Wet natuurbescherming gelden niet ten aanzien van keutels, braakballen, losse veren en sterrenschot als het vervoer of het onder zich hebben geschiedt met het oog op gebruik van deze producten bij onderzoek of onderwijs.

Artikel 8.10 (Vrijstelling verstoren van vogels in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer)

De verboden om vogels opzettelijk te verstoren, bedoeld in artikel 3.1,vierde lid van de Wet natuurbescherming, gelden niet ten aanzien van de verstoring van vogels op het terrein van Lelystad Airport.

Titel 8.3 Faunabeheereenheid

Artikel 8.11 (Doel faunabeheereenheid)

In een faunabeheereenheid werken jachthouders samen ten behoeve van het opstellen en uitvoeren van het faunabeheerplan.

Artikel 8.12 (Werkgebied en werkwijze faunabeheereenheid)

  • 1.

    Er is in Flevoland één faunabeheereenheid.

  • 2.

    Het werkgebied van de faunabeheereenheid omvat het gehele grondgebied van de provincie Flevoland.

Titel 8.4 Faunabeheerplan

Artikel 8.13 (Doelstelling faunabeheerplan)

Het faunabeheerplan is gericht op het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4°, artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° en artikel 3.10, tweede lid, onderdeel b tot en met d, van de Wet natuurbescherming en de uitoefening van de jacht.

Artikel 8.14 (Reikwijdte faunabeheerplan)

Het faunabeheerplan geldt voor het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid.

Artikel 8.15 (Geldigheidsduur faunabeheerplan)

  • 1.

    In het faunabeheerplan wordt aangegeven dat het plan een geldigheidsduur van ten hoogste 5 jaren heeft.

  • 2.

    De faunabeheereenheid kan het faunabeheerplan gedeeltelijk wijzigen gedurende het in het eerste lid genoemde tijdvak waarvoor het is vastgesteld.

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van de faunabeheereenheid de in het eerste lid genoemde geldigheidsduur van het faunabeheerplan met maximaal twaalf maanden verlengen.

Artikel 8.16 (Eisen aan faunabeheerplan)

  • 1.

    Het faunabeheerplan bevat ten minste de volgende algemene gegevens:

    • a.

      de omvang van het werkgebied van de faunabeheereenheid;

    • b.

      een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven.

  • 2.

    Het faunabeheerplan bevat voor wat betreft populatiebeheer en schadebestrijding ten minste de volgende nadere gegevens:

    • a.

      kwantitatieve gegevens over de populatieontwikkeling van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer en schadebestrijding noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar;

    • b.

      een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer en schadebestrijding waaronder een onderbouwde verwachting van de belangen als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4 °, artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, onder 1 ° tot en met 3 ° en artikel 3.10, tweede lid, onderdeel b tot en met d, van de Wet natuurbescherming die zouden worden geschaad indien niet tot beheer zou worden overgegaan;

    • c.

      een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel b bedoelde belangen in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad, inclusief de getroffen beheermaatregelen waaronder het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren;

    • d.

      de huidige en gewenste stand van de in onderdeel a bedoelde diersoorten;

    • e.

      per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld in onderdeel d, te bereiken en schade te voorkomen;

    • f.

      per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de periode, bedoeld in onderdeel c, zijn verricht om het schaden van de in onderdeel b bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen;

    • g.

      voor zover het plan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dieren alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen;

    • h.

      een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel e bedoelde handelingen zullen plaats vinden;

    • i.

      voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel e bedoelde handelingen;

    • j.

      een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald.

  • 3.

    Het faunabeheerplan bevat voor wat betreft de uitoefening van de jacht de volgende gegevens:

    • a.

      kwantitatieve gegevens over de populatieontwikkeling van de diersoorten waarop wordt gejaagd;

    • b.

      een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens per diersoort in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan.

Artikel 8.17 (Goedkeuring faunabeheerplan)

  • 1.

    Teneinde voor goedkeuring als bedoeld in artikel 3.12, zevende lid van de Wet natuurbescherming in aanmerking te komen, voldoet een faunabeheerplan aan de artikelen 8.12, 8.13 , 8.14, 8.15 en 8.16.

  • 2.

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een gehele of gedeeltelijke wijziging van het faunabeheerplan als bedoeld in artikel 8.15, tweede lid en een verzoek als bedoeld in artikel 8.15, derde lid.

Titel 8.5 Wildbeheereenheid

 

Paragraaf 8.5.1 Wildbeheereenheid

Artikel 8.18 (Omvang en begrenzing werkgebied)

  • 1.

    Er is in Flevoland maximaal vier wildbeheereenheden.

  • 2.

    Een wildbeheereenheid heeft een werkgebied met een duidelijke geografische begrenzing.

  • 3.

    De wildbeheereenheid publiceert de begrenzing van het werkgebied op het internet, eventueel door tussenkomst van de faunabeheereenheid.

Artikel 8.19 (Jachthouders met jachtakte en verenigd in een wildbeheereenheid)

  • 1.

    Jachthouders met een jachtakte, met een jachtveld dat met het geweer bejaagbaar is, gelegen in het gebied waarover zich de zorg van een wildbeheereenheid uitstrekt, zijn aangesloten bij deze wildbeheereenheid.

  • 2.

    De aansluiting zoals bedoeld in het eerste lid heeft de vorm van een lidmaatschap van de vereniging.

Artikel 8.20 (Vrijstelling aansluitplicht wildbeheereenheid)

De verplichting in artikel 8.19 is niet van toepassing op medewerkers van Staatsbosbeheer, de Vereniging Natuurmonumenten of Stichting Flevolandschap, wanneer het jachtveld in eigendom is van deze organisatie, op voorwaarde dat deze organisatie zich heeft aangesloten bij een faunabeheereenheid en op grond daarvan deelneemt aan de gegevensverzameling als bedoeld in artikel 8.22 en de uitvoering van het faunabeheerplan ten aanzien van wildsoorten.

Artikel 8.21 (Lidmaatschap en geschillen)

  • 1.

    Het lidmaatschap van een wildbeheereenheid kan worden opgezegd wanneer het lid bij de uitoefening van de jacht niet handelt conform het faunabeheerplan, dit ter beoordeling van het bestuur van de wildbeheereenheid, gehoord het bestuur van de faunabeheereenheid.

  • 2.

    De wildbeheereenheid stelt een geschillenregeling in die geschillen behandelt die voortkomen uit bestuursbesluiten zoals bedoeld in het eerste lid.

Artikel 8.22 (Rapportage)

De wildbeheereenheid neemt, in het kader van het faunabeheerplan, deel aan trendtellingen van diersoorten, afschotregistratie en de registratie van dood-gevonden dieren voor het gehele gebied waarover zich de zorg van de wildbeheereenheid uitstrekt.

Paragraaf 8.5.2 Valwild

Artikel 8.23 Valwild

  • 1.

    De Stichting Faunabeheer Flevoland kan in opdracht van de provincie de coördinatie van het valwild verzorgen. Dit betreft:

    • het ophalen en vervoeren van doodgereden dieren;

    • het indien noodzakelijk uit het lijden verlossen van aangereden dieren;

    • het in noodsituaties nazoeken zonder toestemming van de grondgebruiker;

    • het registreren van de afhandeling.

  • 2.

    Voornoemde opdracht geldt ook voor de medewerkers in dienst van Waterschap Zuiderzeeland (muskusratbestrijders) voor zover het dieren betreft die in het water zijn beland en er niet zonder hulp uit komen.

Titel 8.6 Houtopstanden

Artikel 8.24 (Eisen aan de melding van een velling)

Ter voldoening aan de meldingsplicht als bedoeld in artikel 4.2 tweede lid van de Wet natuurbescherming, stelt de melder bij een melding in ieder geval de volgende gegevens ter beschikking aan gedeputeerde staten:

  • a.

    Naam-, adres- en woonplaatsgegevens, contactgegevens en indien van toepassing bedrijfsgegevens van de melder. Indien de melder niet de eigenaar is, ook voorgenoemde gegevens van de eigenaar;

  • b.

    Gegevens over de te kappen houtopstand:

    • i.

      kaart met topografische locatie en kadastrale perceelnummers,

    • ii.

      de oppervlakte van de velling of, in het geval van rijbeplanting, het aantal bomen,

    • iii.

      de boomsoort,

    • iv.

      de leeftijd.

  • c.

    De reden van de velling.

Artikel 8.25 (Termijnen voor meldingen)

Een melding als bedoeld in artikel 4.2 eerste lid van de Wet natuurbescherming, wordt niet minder dan 6 weken voorafgaand aan de velling gedaan en niet langer dan 1 jaar voorafgaand aan de velling.

Artikel 8.26 (Wijze van melden)

Een melding als bedoeld in artikel 4.2 eerste lid van de Wet natuurbescherming wordt niet anders gedaan dan via een door gedeputeerde staten daartoe vastgesteld formulier of vastgestelde elektronische wijze.

Artikel 8.27 (Eisen aan herbeplantingen)

Een bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3 derde lid van de Wet natuurbescherming, voldoet in elk geval aan de volgende eisen:

  • a.

    De oppervlakte van de herplant is ten minste even groot als de gevelde oppervlakte;

  • b.

    De nieuwe houtopstand kan gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand;

  • c.

    De nieuwe houtopstand kan binnen een periode van 10 jaar een gesloten kronendak vormen;

  • d.

    Het gebruik van sierheesters, tuinsoorten, en soorten die naar oordeel van gedeputeerde staten een gevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit ter plaatse zijn niet toegestaan;

  • e.

    Herplant binnen Natura 2000 gebieden vindt plaats op een wijze en met soorten die geen schade toebrengen aan de instandhoudingsdoelstellingen als bedoeld in artikel 2.1 vierde lid van de Wet natuurbescherming;

  • f.

    De herplant kan op termijn tenminste vergelijkbare ecologische, en landschappelijke waarden vertegenwoordigen.

Artikel 8.28 (Eisen aan herplant op andere gronden)

  • 1.

    Herplant op andere grond wordt niet toegestaan als het één of meer van de volgende gevallen betreft:

    • a.

      Indien hierdoor de oppervlakte van een boskern kleiner wordt dan 15 hectare;

    • b.

      Indien de betreffende houtopstand deel uit maakt van een instandhoudingsdoel als bedoeld in artikel 2.1 vierde lid van de Wet natuurbescherming.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid wordt herplant op andere grond wel toegestaan als de houtopstand moet wijken om een werk overeenkomstig een bestemmingsplan mogelijk te maken. Hierbij gelden voor zo ver de houtopstand binnen het natuurnetwerk ligt tevens de vereisten van het Hoofdstuk 7 Natuurnetwerk Nederland.

  • 3.

    Herplant op andere grond voldoet tevens aan de volgende eisen:

    • a.

      de aanplant is bosbouwkundig verantwoord als bedoeld in artikel 8.27;

    • b.

      de andere grond is gelegen in de provincie Flevoland;

    • c.

      de andere grond is onbeplant en vrij van herplantplicht als bedoeld in artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming en vrij van (natuur-)compensatieverplichtingen uit hoofde van andere wet- en regelgeving;

    • d.

      beplanting van de andere grond, gaat niet ten koste van beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden.

  • 4.

    Gedeputeerde staten kunnen aan de ontheffing als bedoel in artikel 4.5 eerste lid van de Wet natuurbescherming eisen stellen aan de te gebruiken soorten, verschijningsvorm, locatie en oppervlakte.

  • 5.

    Op grond van bijzondere omstandigheden kunnen gedeputeerde staten afwijken van de in het tweede en derde lid genoemde vereisten. Hieraan kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

Artikel 8.29 (Vrijstellingen)

  • 1.

    Provinciale staten verlenen vrijstelling van het bepaald in artikel 4.2 eerste lid van de Wet natuurbescherming voor de volgende gevallen:

    • a.

      aan beheerders die meer dan 75 ha bos- en natuur in de provincie Flevoland beheren en beschikken over een certificaat natuurbeheer afgegeven door de Stichting Certificering SNL, indien de grond, waarop de te vellen houtopstand zich bevindt, binnen drie jaar op bosbouwkundig verantwoorde wijze wordt herbeplant;

    • b.

      de vrijstelling als bedoeld onder a is niet van toepassing indien:

      • i.

        een afzonderlijke voorgenomen velling groter is dan 3 hectare;

      • ii.

        de te vellen opstand niet ter plaatse wordt herplant.

    • c.

      een beheerder die gebruik maakt van de vrijstelling als bedoeld onder a verstrekken gedeputeerde staten voor 1 oktober een overzicht over het voorafgaande jaar met:

      • i.

        de omvang en ligging van de grond waarop herplantplicht rust per 1 oktober van het voorgaande jaar;

      • ii.

        de omvang en ligging van de grond waarop gedurende het voorgaande jaar herplant heeft plaatsgevonden;

      • iii.

        de omvang en ligging van de grond waarop gedurende het voorgaande jaar bos is geveld of anderszins is teniet gegaan.

    • d.

      het maximaal 1 keer per 4 jaar kappen van verjongingsgaten indien deze niet groter zijn dan 1,5 maal de boomhoogte en gezamenlijk niet meer oppervlakte beslaan dan 10% van het bosperceel.

  • 2.

    Provinciale staten verlenen vrijstelling van het bepaalde in artikel 4.3 eerste lid van de Wet natuurbescherming voor de volgende gevallen:

    • a.

      het vrijstellen van oevers van bestaande poelen en plassen over een breedte van 30 meter gerekend vanaf de bestaande gemiddelde voorjaarswaterlijn;

    • b.

      het door natuurlijke ontwikkelingen te niet gaan van houtopstanden in de volgende gevallen:

      • i.

        vernatting door natuurlijke processen en/of vernatting als onderdeel van anti-verdrogingsmaatregelen;

      • ii.

        op natuurlijke wijze te niet gaan van bossen op gronden die van nature geen bosvorming kennen;

      • iii.

        te niet gaan door vraat van bevers (Castor fiber).

Titel 8.7 Tegemoetkoming faunaschade

Artikel 8.30 (De aanvraag om tegemoetkoming)

  • 1.

    Gedeputeerde staten verstrekken een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming alleen op aanvraag.

  • 2.

    Een aanvraag om een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid wordt door de aanvrager bij BIJ12 ingediend binnen zeven werkdagen nadat hij de schade heeft geconstateerd, met gebruikmaking van een daartoe vastgesteld formulier met bijlagen of vastgestelde elektronische wijze.

  • 3.

    Schade welke niet binnen 7 werkdagen na constatering door de aanvrager op het in het tweede lid vermelde formulier met bijlagen bij BIJ12 is ingediend, komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.

Artikel 8.31 (Taxatie van de schade)

  • 1.

    De aanvrager zal het gewas, de teelt of de producten, waarop de aanvraag om tegemoetkoming betrekking heeft, niet eerder oogsten of anderszins van zijn bedrijf afvoeren, dan nadat de schade definitief is getaxeerd door de taxateur.

  • 2.

    Indien de aanvrager opmerkingen over het formulier ‘bevestiging taxatie grondgebruiker’ kenbaar wil maken, zendt hij zijn reactie binnen acht werkdagen per e-mail of per post naar BIJ12.

Titel 8.8 Bijzondere situaties

Artikel 8.32 (Hardheidsclausule)

Gedeputeerde staten kunnen in individuele gevallen bepalingen vastgesteld bij of krachtens Hoofdstuk 8 Natuurbescherming buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover de toepassing gelet op de betrokken belangen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

HOOFDSTUK 9 STILTEGEBIEDEN

Titel 9.1 Algemeen

Artikel 9.1 (Oogmerk)

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het belang van het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden.

Artikel 9.2 (Begripsbepalingen)

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

 

geluidsbron: inrichting, toestel, hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet geluidhinder en activiteit in het kader van de ontwikkeling of bestemming van de in een streek-, structuur-, bestemmings- en inpassingsplan begrepen gronden;

 

geluidsniveau: geluidsniveau gemeten en berekend volgens voorschriften gegeven bij of krachtens de Wet geluidhinder;

 

toestel: een toestel als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, waaronder in ieder geval wordt begrepen:

  • a.

    een airgun- en andere knalapparatuur en motorisch aangedreven werktuigen met bijbehorende transportmiddelen, te bezigen in het kader van seismologisch onderzoek en opsporingsonderzoek naar de ontginning van de in de bodem aanwezige stoffen;

  • b.

    een motorisch aangedreven werktuig, te bezigen in het kader van de aanleg van kabels en buisleidingen in of op de bodem;

  • c.

    een omroepinstallatie, sirene, hoorn en een ander daarmee vergelijkbaar toestel bestemd om geluid te versterken of voort te brengen;

  • d.

    een modelvliegtuig, modelboot of modelauto, indien deze wordt aangedreven door een verbrandingsmotor;

  • e.

    een muziekinstrument en een andere daarmee vergelijkbaar geluidsapparaat, al dan niet gekoppeld aan een geluidsversterker;

  • f.

    een vuurwapen.

Artikel 9.3 (Aanwijzing stiltegebieden)

  • 1.

    Stiltegebieden zijn de gebieden die als zodanig zijn aangegeven op de kaarten kaart Stiltegebied Horsterwold, kaart Stiltegebied Roggebotzand en kaart Stiltegebied Kuinderbos.

  • 2.

    Het begin en het eind van een stiltegebied wordt aangeduid door middel van borden, waarvan een model is opgenomen in bijlage 9. De borden worden geplaatst langs alle openbare wegen aan de buitengrens van de stiltegebieden die worden doorkruist. De borden worden voorzien van een onderbord waarop is aangegeven waar verstoringen van de stilte dienen te worden gemeld.

Artikel 9.4 (Zorgplicht)

leder die in een stiltegebied handelingen verricht en weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen in dat gebied het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als stiltegebied is aangewezen, wordt of kan worden geschaad, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten -behoudens voor zover dat ingevolge deze verordening uitdrukkelijk is toegestaan- danwel, indien dat achterwege laten niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die schade te voorkomen, dan wel indien die schade zich voordoet, deze zoveel mogelijk te beperken en de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.

Artikel 9.5 (Meldplicht)

leder die kennis draagt van een voorval binnen een stiltegebied, waarbij aannemelijk is dat het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als stiltegebied is aangewezen, wordt of kan worden geschaad, is verplicht dat terstond te melden aan gedeputeerde staten.

Titel 9.2 Omgevingswaarden

 

Paragraaf 9.2.1 Omgevingswaarde op het stiltegebied

Artikel 9.6 (Omgevingswaarde maximale geluidsbelasting op het stiltegebied)

  • 1.

    Als richtwaarde voor de maximale geluidsbelasting vanwege een geluidsbron binnen een straal van 1,5 kilometer buiten het stiltegebied zoals aangegeven op de kaarten kaart Stiltegebied Horsterwold, kaart Stiltegebied Roggebotzand en kaart Stiltegebied Kuinderbos geldt een geluidsniveau van 35 dB(A) gemiddeld per uur op 50 meter in het stiltegebied gerekend vanaf de grens van het stiltegebied.

  • 2.

    De omgevingswaarde als bedoeld in het eerste lid is een inspanningsverplichting.

Paragraaf 9.2.2 Omgevingswaarde binnen het stiltegebied

Artikel 9.7 (Omgevingswaarde maximale geluidsbelasting geluidsbron in het stiltegebied)

  • 1.

    Als richtwaarde voor de maximale geluidsbelasting vanwege een geluidsbron binnen het stiltegebied geldt een geluidsniveau van 35 dB(A) gemiddeld per uur op 50 meter van de geluidsbron.

  • 2.

    De omgevingswaarde als bedoeld in het eerste lid is een inspanningsverplichting.

Titel 9.3 Activiteiten

Artikel 9.8 (Verbod op verstoring van ervaring natuurlijke geluiden in een stiltegebied)

  • 1.

    Het is binnen stiltegebieden verboden zonder ontheffing van gedeputeerde staten buiten inrichtingen een toestel te gebruiken waardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden kan worden verstoord.

  • 2.

    Het is verboden zich met een motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen.

  • 3.

    Het is verboden een toertocht voor motorvoertuigen of bromfietsen te houden of aan een zodanige toertocht deel te nemen waarvoor geen ontheffing is verleend.

Artikel 9.9 (Uitzondering op verstoring van ervaring natuurlijke geluiden in een stiltegebied)

Het verbod op verstoring van de ervaring van de natuurlijke geluiden in een stiltegebied, geldt niet voor zover zij betrekking hebben op

  • a.

    een toestel dat wordt gebruikt voor de uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij of ten behoeve van het onderhoud van het gebied of van daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies;

  • b.

    een werktuig als bedoeld in artikel 9.2, onderdeel b van het begrip toestel, dat wordt gebruikt ten behoeve van directe woonaansluitingen;

  • c.

    het gebruik van een toestel als bedoeld in artikel 9.2, onderdeel c van het begrip toestel, indien dat noodzakelijk is ter afwending van dreigend gevaar of anderszins uit een oogpunt van algemene veiligheid;

  • d.

    een geluidsapparaat als bedoeld in artikel 9.2, onderdeel e van het begrip toestel, dat wordt gebruikt binnen 50 meter van een woonhuis en mits niet hoorbaar op een afstand van meer dan 50 meter van het apparaat;

  • e.

    een vuurwapen als bedoeld in artikel 9.2, onderdeel f van het begrip toestel, indien dat wordt gebruikt

    • i.

      door een persoon met opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie;

    • ii.

      in geval het een noodseinmiddel betreft: in geval van nood;

    • iii.

      voor de jacht met inachtneming van het bepaalde in de Wet natuurbescherming.

Artikel 9.10 (Beoordelingsregels ontheffing voor verstoring van ervaring natuurlijke geluiden in een stiltegebied)

Gedeputeerde staten verlenen de ontheffing voor het gebruik van een toestel als bedoeld in artikel 9.8, eerste lid, alleen indien het belang waartoe het stiltegebied is aangewezen zich daartegen niet verzet.

Titel 9.4 Instructieregels

Artikel 9.11 (Doorwerking omgevingswaarden)

  • 1.

    Bij het uitoefenen van de navolgende bevoegdheden wordt rekening gehouden met de in artikel 9.6 en 9.7 bedoelde omgevingswaarde:

    • a.

      de bevoegdheid als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorzover burgemeester en wethouders dan wel gedeputeerde staten bevoegd gezag zijn;

    • b.

      de bevoegdheden als bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2, 3.1, 3.6 en 3.26 van de Wet ruimtelijke ordening, de bevoegdheid te beslissen over een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 30, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken, alsmede de bevoegdheden als bedoeld in de artikel 3.10 en 3.27 van de Wet ruimtelijke ordening voor zover deze artikelen op grond van het in de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht opgenomen overgangsrecht van toepassing zijn;

    • c.

      de bevoegdheden als bedoeld in de Algemene Plaatselijke Verordeningen van de gemeenten als bedoeld in artikel 147 van de Gemeentewet;

    • d.

      de bevoegdheden tot het treffen van verkeersmaatregelen op basis van de Wegenverkeerswet 1994.

  • 2.

    Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien de genoemde bevoegdheden betrekking hebben op een toestel dat wordt gebruikt voor de uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij of ten behoeve van het onderhoud van het gebied of van daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies.

HOOFDSTUK 10 LUCHTVAART

Titel 10.1 Algemeen

Artikel 10.1 (Toepassingsgebied)

  • 1.

    Dit hoofdstuk is van toepassing op:

    • a.

      aanvragen tot het vaststellen of wijzigen van een luchthavenbesluit voor een luchthaven gelegen in de provincie Flevoland;

    • b.

      aanvragen tot het vaststellen of wijzigen van een luchthavenregeling voor een luchthaven gelegen in de provincie Flevoland.

  • 2.

    Een aanvraag tot vaststelling van een luchthavenbesluit kan door provinciale staten worden omgezet in en behandeld als een aanvraag tot vaststelling van een luchthavenregeling, indien provinciale staten dat op grond van de ingediende gegevens of uit beleidsmatige overwegingen aangewezen achten.

Titel 10.2 Luchthavenbesluit en luchthavenregeling

 

Paragraaf 10.2.1 Indieningsvereisten

Artikel 10.2 (Indieningsvereiste)

  • 1.

    Aanvragen tot vaststelling of wijziging van een luchthavenbesluit of luchthavenregeling worden ingediend bij gedeputeerde staten.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen voor de aanvragen bedoeld in het eerste lid een formulier vaststellen.

Paragraaf 10.2.2 Procedurebepalingen

Artikel 10.3 (Aanvraag tot vaststelling van een luchthavenbesluit of luchthavenregeling)

  • 1.

    Een aanvraag tot vaststelling van een luchthavenbesluit of luchthavenregeling bevat de volgende gegevens en bescheiden:

    • a.

      naam, adres, contactgegevens, rechtspersoonlijkheid, contactperso(o)n(en) en eventuele adviseurs van de aanvrager, en indien de aanvrager niet de (beoogde) exploitant is, tevens de genoemde gegevens van de (beoogde) exploitant;

    • b.

      een aanduiding van het terrein dat bestemd is om als luchthaven te worden ingericht, met een topografische kaart op een schaal van 1:10.000 en de kadastrale aanwijzing van het terrein;

    • c.

      de eigendomssituatie met betrekking tot het terrein, en voor zover de aanvrager niet de eigenaar is, een verklaring van de eigenaar of eigenaren dat deze instemt of instemmen met het voorgenomen gebruik als luchthaven;

    • d.

      de planologische situatie van het luchthaventerrein en het beperkingengebied rondom dat terrein;

    • e.

      een of meer tekeningen waaruit de beoogde ruimtelijke indeling van het gebied van en rond de luchthaven blijkt, met inbegrip van (maximale) hoogte van objecten;

    • f.

      een plan voor het gebruik van de luchthaven voor een periode in de eerste vijf jaar na inwerkingtreding van het luchthavenbesluit;

    • g.

      de wijze waarop in naderingsluchtverkeersleiding zal worden voorzien;

    • h.

      de voor het beoogde gebruik noodzakelijke berekeningen als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Regeling burgerluchthavens en artikel 8.44, derde lid van de Wet luchtvaart met betrekking tot het bepalen van de geluidsbelasting en het externe-veiligheidsrisico van het luchthavenluchtverkeer;

    • i.

      een bij het voornemen passende beschrijving van de mogelijke effecten op het milieu;

    • j.

      de wijze waarop in naderingsluchtverkeersleiding zal worden voorzien en de voor het beoogde gebruik noodzakelijke berekeningen als bedoeld in artikel 8.44, derde lid, van de Wet luchtvaart met betrekking tot de lokale luchtverontreiniging;

    • k.

      een onderbouwing voor de aanvraag van een luchthavenregeling;

  • 2.

    Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag tot wijziging van een luchthavenbesluit respectievelijk luchthavenregeling, met dien verstand dat de aanvrager:

    • a.

      alle gegevens indient die afwijken van de situatie die in het geldende besluit respectievelijk de geldende regeling is neergelegd, en

    • b.

      verklaart dat alle overige gegevens gelijkluidend zijn aan de gegevens in het geldende besluit respectievelijk de geldende regeling.

Artikel 10.4 (Aanvraag verklaring veilig gebruik luchtruim)

Gedeputeerde staten dienen de aanvraag in voor een verklaring van veilig gebruik van het luchtruim, als bedoeld in artikel 8.49 van de Wet luchtvaart.

Paragraaf 10.2.3 Bevoegd gezag

Artikel 10.5 (Gedeputeerde staten)

  • 1.

    Aanvragen tot vaststelling of wijziging van een luchthavenbesluit worden ingediend bij gedeputeerde staten.

  • 2.

    Gedeputeerde staten zijn belast met de voorbereiding van een voorstel over een aanvraag van een luchthavenbesluit voor provinciale staten, met inbegrip van het opstellen van een ontwerpvoorstel en het toepassing geven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen bij de voorbereiding van een voorstel toepassing geven aan artikel 3:18, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht.

HOOFDSTUK 11 ONTGASSEN BINNENVAART

Titel 11.1 Algemeen

Artikel 11.1 (Oogmerk)

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het zoveel mogelijk voorkomen en beperken van luchtverontreiniging, zodat een goede luchtkwaliteit wordt bereikt en de bescherming van de volksgezondheid.

Artikel 11.2 (Toepassingsgebied)

Dit hoofdstuk is van toepassing op de openbare vaarwegen binnen Flevoland.

Artikel 11.3 (Begripsbepalingen)

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

 

ladingtank : tank vast verbonden met een binnenvaartschip waarvan de wanden hetzij door de scheepsromp zelf, hetzij door van de scheepsromp onafhankelijke wanden zijn gevormd;

 

ontgassen : afvoeren van restladingdamp uit een ladingtank waarbij restladingdampen terecht komen in de open lucht;

 

openbare vaarweg : elk binnen de provincie gelegen water dat openstaat voor openbaar scheepvaartverkeer met alle bijbehorende werken, voorzieningen en begroeiingen;

 

restladingdamp : damp die na het lossen in de ladingtank achterblijft;

 

stoffen : chemische elementen, verbindingen daarvan dan wel mengsels van die elementen of verbindingen.

Titel 11.2 Activiteiten

 

Paragraaf 11.2.1 Verbodsbepaling

Artikel 11.4 (Verbodsbepaling)

  • 1.

    Het is de vervoerder en de schipper verboden binnen de openbare vaarwegen in Flevoland, zoals aangegeven op de kaart Buitendijkse openbare vaarwegen (de verlengde ARA [Antwerpen, Rotterdam, Amsterdam] route, de vaargeul Amsterdam-Lemmer en vice versa inclusief de route Randmeren), vanaf een binnenschip een ladingtank te ontgassen met restladingdampen van:

    • a.

      benzeen (UN-nummer 1114);

    • b.

      ruwe aardolie met meer dan 10% benzeen (UN-nummer 1267);

    • c.

      aardoliedestillaten N.E.G. met meer dan 10% benzeen of aardolieproducten N.E.G met meer dan 10% benzeen (UN 1268);

    • d.

      brandstof voor straalvliegtuigen met meer dan 10% benzeen (UN 1863);

    • e.

      brandbare vloeistoffen, N.E.G. met meer dan 10% benzeen (UN 1993), of

    • f.

      koolwaterstoffen, vloeibaar met meer dan 10% benzeen (UN 3295).

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen bij nadere regels aanvullend stoffen met ernstige gezondheidsschadelijke eigenschappen aanwijzen, waarvoor het in het eerste lid bedoelde verbod eveneens geldt.

Paragraaf 11.2.2 Afwijking van verbodsbepaling

Artikel 11.5 (Vrijstelling)

Gedeputeerde staten kunnen vrijstelling verlenen van het verbod, gesteld in artikel 11.4, eerste lid, voor daarbij aan te geven categorieën van gevallen.

Artikel 11.6 (Minimumconcentratie restladingsdampen)

  • 1.

    Van een restladingladingsdamp als bedoeld in artikel 11.4, eerste lid, is sprake bij een concentratie van die damp in de ladingtank groter dan of gelijk aan 10% van de onderste explosiegrens.

  • 2.

    Gedeputeerde staten zijn bevoegd het percentage, genoemd in het eerste lid, te verlagen.

Artikel 11.7 (Voorafgaande belading)

Het verbod, bedoeld in artikel 11.4, eerste lid, is niet van toepassing indien kan worden aangetoond dat de drie voorafgaande ladingen in de desbetreffende ladingtank niet bestonden uit stoffen als genoemd in artikel 11.4, eerste lid, of aangewezen krachtens het tweede lid van dat artikel, dan wel indien kan worden aangetoond dat de desbetreffende ladingtank bij de voorafgaande belading voor meer dan 95% gevuld was met een andere stof dan vermeld in artikel 11.6, eerste lid, of aangewezen krachtens het tweede lid van dat artikel.

Artikel 11.8 (Veiligheidsredenen)

Het in artikel 11.4, eerste lid, gestelde verbod is niet van toepassing, wanneer het ontgassen plaatsvindt:

  • a.

    om redenen van drukverevening die om redenen van veiligheid moet plaatsvinden;

  • b.

    tijdens of na een calamiteit met het binnenschip, indien het ontgassen om redenen van veiligheid noodzakelijk is.

Paragraaf 11.2.3 Ontheffing =verlening

Artikel 11.9 (Ontheffing)

Gedeputeerde staten kunnen met inachtneming van artikel 11.5 ontheffing verlenen van het verbod gesteld in artikel 11.4, eerste lid.

Titel 11.3 Nadere regels

Artikel 11.10 (Nadere regels)

Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de in dit hoofdstuk geregelde onderwerpen.

HOOFDSTUK 12 ACTIVITEITEN OP GESLOTEN STORTPLAATSEN

Paragraaf 12.1 Algemeen

Artikel 12.1 (Oogmerk)

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld in het belang van de bescherming van de nazorgvoorzieningen op gesloten stortplaatsen in aanvulling op de Wet milieubeheer en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 12.2 (Begripsbepalingen)

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

 

stoffen: chemische elementen, verbindingen daarvan dan wel mengsels van die elementen of verbindingen;

 

werk: een grondwerk, wegenbouwkundig werk, waterbouwkundig werk of bouwwerk.

Paragraaf 12.2 Activiteiten

Artikel 12.3 (Verbodsbepaling)

  • 1.

    Het is verboden zonder ontheffing van gedeputeerde staten een activiteit te verrichten in, op, onder of over een plaats waar de eeuwigdurende zorg met betrekking tot een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd door:

    • a.

      werken te maken of te behouden;

    • b.

      stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen;

    • c.

      andere dan de onder a of b bedoelde handelingen te verrichten indien die handelingen de uitvoering van de nazorgvoorzieningen en -maatregelen kunnen belemmeren, dan wel de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      het treffen van nazorgvoorzieningen en -maatregelen en de instandhouding daarvan conform een goedgekeurd nazorgplan;

    • b.

      een activiteit die vergunningplichtig is op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor het onderdeel milieu.

Artikel 12.4 (Beoordelingsregels)

Gedeputeerde staten verlenen de ontheffing alleen indien wordt gewaarborgd dat de activiteit op de gesloten stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt.

Artikel 12.5 (Gegevens en bescheiden)

De aanvraag om ontheffing bevat tenminste de volgende gegevens en bescheiden:

  • a.

    naam en adres van de aanvrager;

  • b.

    het voorgenomen gebruik van de gesloten stortplaats en van het gebied waarin nazorgvoorzieningen zijn gelegen;

  • c.

    het adres, de kadastrale aanduiding en een kadastrale kaart, die uiterlijk dertien weken voor de aanvraag van de ontheffing door het kadaster is afgegeven, waarop het grondgebied van het voorgenomen gebruik als bedoeld onder b is aangegeven;

  • d.

    de naam en het adres van een ieder die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied bedoeld onder c;

  • e.

    een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om het voorgenomen gebruik te kunnen realiseren;

  • f.

    de maatregelen die worden getroffen om:

    • i.

      de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen;

    • ii.

      aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen;

    • iii.

      anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren.

  • g.

    de wijze van evaluatie van en rapportage over de uitvoering van de onder f bedoelde maatregelen.

HOOFDSTUK 13 BODEMSANERING

Titel 13.1 Algemeen

Artikel 13.1 (Oogmerk)

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld in aanvulling op de Wet bodembescherming.

Artikel 13.2 (Begripsbepalingen)

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

grond(water)sanering: het verrichten van handelingen met het oogmerk het beperken en zoveel mogelijk ongedaan maken van verontreiniging en de directe gevolgen daarvan of van dreiging van verontreiniging van de bodem.

Titel 13.2 Activiteiten

 

Paragraaf 13.2.1 Inhoud plannen

Artikel 13.3 (Inhoud saneringsplan)

Onverminderd het bepaalde in artikel 39, eerste lid van de Wet bodembescherming bevat een saneringsplan, indien wordt gekozen voor een functiegerichte sanering in plaats van een multifunctionele sanering, in ieder geval een motivering voor de functiegerichte sanering in relatie tot de saneringsdoelstelling en de omgeving van de te saneren bodem.

Artikel 13.4 (Wijziging saneringsplan)

Een melding inzake wijziging van het saneringsplan als bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Wet bodembescherming bevat:

  • a.

    alle gegevens die afwijken van het saneringsplan, waarmee gedeputeerde staten op grond van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd;

  • b.

    de inhoud van de wijziging;

  • c.

    de reden van de wijziging;

  • d.

    de gevolgen van de wijziging voor de oorspronkelijk beoogde saneringsdoelstelling en de ter uitvoering daarvan te treffen saneringsmaatregelen.

Artikel 13.5 (Evaluatieverslag)

Degene die de bodem heeft gesaneerd dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming biedt uiterlijk dertien weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden het evaluatieverslag aan gedeputeerde staten aan.

Paragraaf 13.2.2 Meldingen

Artikel 13.6 (Wijze van melden saneringsplan, evaluatieverslag, nazorgplan etc.)

  • 1.

    Het rapport van het nader onderzoek als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming, het saneringsplan, het evaluatieverslag, het nazorgplan en de melding als bedoeld in artikel 28 van de Wet bodembescherming worden met de daarbij behorende stukken bij gedeputeerde staten ingediend op een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier.

  • 2.

    Bij de indiening van stukken, genoemd in het eerste lid, worden in ieder geval gegevens en bescheiden verstrekt over het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt, aangegeven op een kadastrale kaart die de actuele situatie weergeeft, met daarop ingetekend de I-contour(en) van de bodemverontreiniging.

  • 3.

    De melding, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming bevat, onverminderd het bepaalde in artikel 28, tweede lid, van de Wet bodembescherming, in ieder geval:

    • a.

      de naam en het adres van degene die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied, bedoeld in het tweede lid, alsmede van de gebruiker daarvan;

    • b.

      de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering zal plaatsvinden dan wel handelingen zullen worden verricht ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst.

Artikel 13.7 (Meldingsplichten saneringsuitvoering)

  • 1.

    Ten minste twee weken voor de feitelijke aanvang van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering verstrekt degene die de sanering feitelijk uitvoert op grond van een saneringsplan waarmee gedeputeerde staten op basis van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd, aan gedeputeerde staten gegevens en bescheiden over de aanvangsdatum alsmede een specificatie van de bij de uitvoering betrokken bedrijven en instanties.

  • 2.

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing als eerder verstrekte gegevens en bescheiden wijzigen.

  • 3.

    Indien bij de sanering ontgraving van verontreinigde grond plaatsvindt, stelt de in het eerste lid bedoelde persoon uiterlijk twee dagen voorafgaand aan het tijdstip waarop over het gehele gebied van de ontgraving de einddiepte bereikt zal worden en tot aanvulling van de ontgraving zal worden overgegaan gedeputeerde staten van dat tijdstip op de hoogte. Bij ontgraving en aanvulling in gedeeltes, geldt voornoemde verplichting tot melding per gedeelte.

  • 4.

    De in het eerste lid bedoelde persoon meldt de beëindiging van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering binnen een week na beëindiging ervan aan gedeputeerde staten.

  • 5.

    Indien sprake is van een grondsanering, respectievelijk grondwatersanering waarbij door gedeputeerde staten is ingestemd met een gefaseerde aanpak overeenkomstig artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming, wordt de beëindiging van iedere afzonderlijke fase op de in het vierde lid beschreven wijze gemeld.

  • 6.

    Indien de in het eerste lid bedoelde persoon niet degene is die het saneringsplan heeft ingediend, geldt een in het eerste, tweede, vierde en vijfde lid van dit artikel bedoelde verplichting tot melding niet indien degene die het saneringsplan heeft ingediend, die melding overeenkomstig het in het betreffende lid bepaalde heeft gedaan.

HOOFDSTUK 14 ONTGRONDINGEN

Titel 14.1 Algemeen

Artikel 14.1 (Oogmerk)

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het realiseren van de doelstellingen uit het ontgrondingenbeleid van de provincie.

Artikel 14.2 (Toepassingsgebied)

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden twee of meer uit te voeren ontgrondingen die in elkaars directe nabijheid liggen en een samenhangend geheel vormen als één ontgronding beschouwd.

Artikel 14.3 (Begripsbepalingen)

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

 

Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden: de gebieden Rivierduingebied Swifterbant, UNESCO-monument Schokland, Urk en omgeving en Omgeving Kuinderschans en Kuinderburcht die in het Omgevingsprogramma Flevoland zijn aangemerkt als Provinciaal Archeologische en Aardkundige Kerngebieden;

 

Top-10 Archeologische Locaties: de gebieden die een dwarsdoorsnede van de Flevolandse archeologie vertegenwoordigen en die in het Omgevingsprogramma Flevoland zijn aangemerkt als Top-10 Archeologische locatie.

Titel 14.2 Activiteiten

 

Paragraaf 14.2.1 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Artikel 14.4 (Aanwijzing vergunningvrije gevallen)

  • 1.

    Het verbod om zonder ontgrondingsvergunning te ontgronden geldt niet voor ontgrondingen waarbij niet meer dan 500 m2 wordt ontgrond en bovendien een diepte van 3 meter beneden maaiveld niet wordt overschreden.

  • 2.

    Het verbod om zonder ontgrondingsvergunning te ontgronden geldt niet voor:

    • a.

      het aanleggen, verbreden en verdiepen van watergangen voorzover de ontgronding niet leidt tot een watergang met een insteek breder dan 15 meter en een diepte van meer dan 3 meter beneden het maaiveld, en mits daaraan een geldig besluit van het college van dijkgraaf en heemraden ten grondslag ligt;

    • b.

      het verbreden en verdiepen van watergangen ten behoeve van de aanleg van duurzame of natuurvriendelijke oevers, mits niet dieper wordt ontgraven dan tot 3 meter beneden het maaiveldniveau direct buiten de insteek, en de insteek aan weerszijden niet meer wordt verbreed dan met:

      • i.

        5 meter voor watergangen met een breedte tot 20 meter op het moment van inwerking treden van deze verordening;

      • ii.

        10 meter voor watergangen met een breedte van meer dan 20 meter op het moment van inwerking treden van deze verordening.

    • c.

      het aanleggen, wijzigen of verwijderen van waterkeringen door of op last van het rijk, provincie of waterschap;

    • d.

      het maken of wijzigen van een bouwwerk krachtens een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het opruimen van een dergelijk bouwwerk;

    • e.

      het aanleggen, instandhouden, veranderen of verwijderen van wegen, spoorwegen, buizen, kabels, leidingen, en daarmee vergelijkbare of samenhangende werken, mits een diepte van 3 meter beneden maaiveld niet wordt overschreden, andere belangen niet of nauwelijks zijn betrokken, en mits dit plaatsvindt in overeenstemming met:

      • i.

        een in werking zijnd bestemmingsplan , of

      • ii.

        een in werking zijnd inpassingsplan van het rijk of de provincie, dat niet ouder is dan 10 jaar op het moment van ontvangst door gedeputeerde staten van de melding als bedoeld in artikel 14.5, of

      • iii.

        een in werking zijnde omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 30, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken, of

      • iv.

        een in werking zijnde vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening voor zover deze vrijstelling zijn gelding heeft behouden danwel op grond van het in de Invoeringswet ruimtelijke ordening opgenomen overgangsrecht nog van toepassing is, of

      • v.

        een in werking zijnd tracébesluit;

    • f.

      bodemsaneringen door of op last van het provinciaal bestuur;

    • g.

      het verwijderen of vervangen van een bestaande natuurlijke of kunstgrasmat voor nieuw natuurlijk of kunstgras voor sportvelden waarbij niet dieper wordt ontgrond dan 0,5 meter beneden maaiveld.

Artikel 14.5 (Melding)

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het daadwerkelijk ontgronden meldt degene die voornemens is een ontgronding uit te voeren die ingevolge artikel 14.4, tweede lid, is vrijgesteld van de vergunningplicht, dit aan gedeputeerde staten. De melding wordt gedaan op een door of namens gedeputeerde staten vastgesteld formulier.

  • 2.

    De verplichting tot melding is niet van toepassing op ontgrondingen waarbij de te ontgraven hoeveelheid minder is dan 1500 m3.

  • 3.

    Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het uitbreiden of wijzigen van de ontgronding die ingevolge artikel 14.4 tweede lid, is vrijgesteld van de vergunningplicht.

Paragraaf 14.2.2 Afwijking van aanwijzing vergunningvrije gevallen

Artikel 14.6 (Winnen van oppervlaktedelfstoffen)

De vrijstelling van de vergunningplicht, bedoeld in artikel 14.4, eerste lid en het tweede lid onder a en b geldt niet voor ontgrondingen die primair gericht zijn op het winnen van oppervlaktedelfstoffen.

Artikel 14.7 (Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden)

De vrijstelling van de vergunningplicht, bedoeld in artikel 14.4, eerste lid en het tweede lid onder a en b geldt niet voor ontgrondingen met een diepte van meer dan 0,3 meter beneden het maaiveld in de beschermingszone van de op de kaart Provinciale Archeologische een Aardkundige Kerngebieden aangewezen Provinciale Archeologische een Aardkundige Kerngebieden.

Artikel 14.8 (Top-10 Archeologische Locaties)

De vrijstelling van de vergunningplicht, bedoeld in artikel 14.4, eerste lid en het tweede lid onder a en b geldt niet voor ontgrondingen met een diepte van meer dan 0,3 meter beneden het maaiveld in de beschermingszone van de op de kaart Top-10 Archeologische Locaties aangewezen Top-10 Archeologische Locaties.

Paragraaf 14.2.3 Aanwijzing eenvoudige vergunningprocedure

Artikel 14.9 (Eenvoudige vergunningprocedure)

Het bepaalde in artikel 10, eerste en tweede lid, van de Ontgrondingenwet is niet van toepassing op:

  • a.

    ontgrondingen van eenvoudige aard waarbij de te ontgraven hoeveelheid minder is dan 20.000 m3, een diepte van 3 meter beneden maaiveld niet wordt overschreden en andere belangen niet of nauwelijks zijn betrokken;

  • b.

    het aanleggen van, onderhouden, wijzigingen en verwijderen van riolering, kabels, leidingen en werken ten behoeve van de waterdoorgang mits een diepte van 5 meter beneden het maaiveld niet wordt overschreden en andere belangen niet of nauwelijks zijn betrokken;

  • c.

    wijziging van een vergunning betreffende verlenging van de geldigheidstermijn of betreffende de tenaamstelling.

Artikel 14.10 (Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden)

Het bepaalde in artikel 10, eerste en tweede lid, van de Ontgrondingenwet is niet van toepassing op ontgrondingen van eenvoudige aard in de beschermingszone van de op de kaart Provinciale Archeologische een Aardkundige Kerngebiedenaangewezen Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden, mits de ontgronding plaats vindt ten behoeve van archeologisch onderzoek voortkomend uit zuiver wetenschappelijke motieven en andere belangen niet of nauwelijks zijn betrokken.

Artikel 14.11 (Top-10 Archeologische Locaties)

Het bepaalde in artikel 10, eerste en tweede lid, van de Ontgrondingenwet is niet van toepassing op ontgrondingen van eenvoudige aard in de beschermingszone van de op de kaart Top-10 Archeologische Locaties aangewezen Top-10 Archeologische locaties, mits de ontgronding plaats vindt ten behoeve van archeologisch onderzoek voortkomend uit zuiver wetenschappelijke motieven en andere belangen niet of nauwelijks zijn betrokken.

Paragraaf 14.2.4 Aanwijzing afwijking eenvoudige vergunningprocedure

Artikel 14.12 (Provinciale Arcehologische en Aardkundige Kerngebieden)

Artikel 14.9 onder a en b is niet van toepassing op ontgrondingen in de beschermingszone van de op de kaart Provinciale Archeologische een Aardkundige Kerngebieden aangewezen Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden indien het ontgrondingen betreft waarbij een diepte van 0,3 meter beneden maaiveld wordt overschreden en meer dan 500 m2 wordt ontgrond.

Artikel 14.13 (Top-10 Archeologische Locaties)

Artikel 14.9 onder a en b is niet van toepassing op ontgrondingen in de beschermingszone van de op de kaart Top-10 Archeologische Locatiesaangewezen Top-10 Archeologische Locaties indien het ontgrondingen betreft waarbij een diepte van 0,3 meter beneden maaiveld wordt overschreden en meer dan 500 m2 wordt ontgrond.

Paragraaf 14.2.5 Indieningsvereisten aanvraag vergunning

Artikel 14.14 (Indieningsvereisten)

  • 1.

    Een aanvraag tot verlening of wijziging van een ontgrondingsvergunning wordt schriftelijk in enkelvoud bij gedeputeerde staten ingediend.

  • 2.

    Indien de aanvrager niet de eigenaar is van de te ontgronden onroerende zaak, legt hij een verklaring van toestemming van de eigenaar over.

HOOFDSTUK 15 WEGEN EN VAARWEGEN

Titel 15.1 Algemeen

Artikel 15.1 (Oogmerk)

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    de instandhouding van de bij de provincie Flevoland in beheer zijnde openbare wegen en vaarwegen en ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik van die openbare wegen en vaarwegen;

  • b.

    de bescherming van landschappelijke, ecologische of andere natuurwetenschappelijke waarden van het gebied waarin de openbare weg of vaarweg is gelegen, doch enkel voor zover daarin niet is voorzien door een in of krachtens een andere wet gestelde bepaling.

Artikel 15.2 (Toepassingsgebied wegen)

Dit hoofdstuk is van toepassing op openbare wegen en de daarbij behorende kunstwerken en hetgeen verder naar de aard van de openbare weg daartoe behoort, in beheer bij de provincie Flevoland, zoals aangegeven op de kaart Provinciale wegen.

Artikel 15.3 (Toepassingsgebied vaarwegen)

Dit hoofdstuk is van toepassing op openbare vaarwegen en de daarbij behorende kunstwerken en hetgeen naar de aard van de openbare vaarweg daartoe behoort, in beheer bij de provincie Flevoland, zoals aangegeven op de kaart Provinciale vaarwegen.

Artikel 15.4 (Toepassingsgebied evenementen)

Dit hoofdstuk is van toepassing op evenementen buiten het areaal van de in artikelen 15.2 en 15.3 genoemde openbare wegen en vaarwegen.

Artikel 15.5 (Begripsbepalingen)

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

 

evenementen: tijdelijke, niet routegebonden activiteiten zoals feesten, markten en braderieën;

 

openbare vaarweg: elk binnen de provincie gelegen water dat openstaat voor openbaar scheepvaartverkeer met alle bijbehorende werken, voorzieningen en begroeiingen;

 

openbare weg: wegen die openbaar zijn in de zin van de Wegenwet met inbegrip van verhardingen, bermen, en bermsloten, met alle bijbehorende werken of op enigerlei wijze daarmee verbonden voorzieningen en begroeiingen;

 

stoffen : chemische elementen, verbindingen daarvan dan wel mengsels van die elementen of verbindingen;

 

uitweg: elke rechtstreekse, in de zin van de Wegenwet niet openbare, ontsluitingsmogelijkheid naar of vanaf een in deze verordening bedoelde openbare weg;

 

werk : een grondwerk, wegenbouwkundig werk, waterbouwkundig werk of bouwwerk.

Titel 15.2 Activiteiten

 

Paragraaf 15.2.1 Verboden

Artikel 15.6 (Verbodsbepaling)

  • 1.

    Het is verboden gebruik te maken van een openbare weg of vaarweg, anders dan waartoe deze is bestemd, door:

    • a.

      daarin, daarop, daaronder of daarboven werken te maken of te behouden;

    • b.

      daarin, daarop, daaronder of daarboven vaste stoffen of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen;

    • c.

      daarin, daarop, daaronder of daarboven op andere wijze dan vermeld onder a of b handelingen te verrichten.

  • 2.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor handelingen ten behoeve van het beheer en onderhoud van openbare wegen of vaarwegen door of in opdracht van gedeputeerde staten.

Paragraaf 15.2.2 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Artikel 15.7 (Algemene regels uitwegen)

  • 1.

    Het in artikel 15.6 gestelde verbod geldt niet voor het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het veranderen van het gebruik daarvan, indien en voor zover de voorgenomen uitweg voldoet aan het bepaalde in het tweede tot en met het vierde lid.

  • 2.

    De aanleg, de constructie en de aanwezigheid van de uitweg veroorzaken geen schade aan de openbare weg en zijn niet strijdig met het veilig en doelmatig gebruik van de openbare weg.

  • 3.

    Per woning of vestiging van een bedrijf wordt maximaal één uitweg aangelegd.

  • 4.

    De uitweg voldoet aan de volgende (technische) specificaties:

    • a.

      de afstand van de uitweg tot bestaande kruisingen, wegaansluitingen, oversteekplaatsen, in- en uitwegen en bochten bedraagt meer dan 200 meter;

    • b.

      de uitweg is dusdanig geconstrueerd dat het verkeer vooruitrijdend de kavel zonder nadere manoeuvres op en af kan rijden;

    • c.

      de uitweg heeft een gesloten of elementenverharding.

Artikel 15.8 (Algemene regels borden en herdenkingstekens)

  • 1.

    Het in artikel 15.6, eerste lid, gestelde verbod geldt niet voor het plaatsen van een bord of een herdenkingsteken in de berm van de openbare weg of in het talud van de openbare vaarweg, indien en voor zover het voorgenomen bord of herdenkingsteken voldoet aan het bepaalde in het tweede tot en met het vierde lid.

  • 2.

    De plaatsing, de constructie en de aanwezigheid van het bord of het herdenkingsteken veroorzaken geen schade aan de openbare weg of vaarweg en zijn niet strijdig met het veilig en doelmatig gebruik van de openbare weg of vaarweg.

  • 3.

    Het bord of herdenkingsteken voldoet aan de volgende (technische) specificaties:

    • a.

      het bord of herdenkingsteken is niet groter dan 0,8 meter bij 0,8 meter;

    • b.

      het bord of herdenkingsteken spiegelt niet, fluoresceert niet, is niet verlicht en heeft geen bewegende delen;

    • c.

      het bord of herdenkingsteken is minimaal 0,5 meter en maximaal 2 meter boven het maaiveld bevestigd;

    • d.

      het bord of herdenkingsteken is voldoende stevig in de grond verankerd;

    • e.

      het bord of herdenkingsteken staat meer dan 200 meter van bestaande kruisingen, wegaansluitingen, oversteekplaatsen, in- en uitwegen en bochten;

    • f.

      het bord of herdenkingsteken staat meer dan 50 meter voor of 50 meter voorbij bestaande bewegwijzering of verkeersborden;

    • g.

      het bord of herdenkingsteken staat meer dan 1,8 meter van de asfaltverharding;

    • h.

      het bord of herdenkingsteken staat niet in de middenberm.

  • 4.

    Degene die een bord of een herdenkingsteken heeft geplaatst, verwijdert dit bord of herdenkingsteken uiterlijk drie jaar na plaatsing en herstelt daarbij de berm of het talud in de oorspronkelijke staat.

Artikel 15.9 (Melding)

  • 1.

    Tenminste vier weken voor het begin van de activiteit meldt degene die voornemens is een uitweg aan te leggen conform het bepaalde in artikel 15.7 eerste lid of een bord of herdenkingsteken te plaatsen conform het bepaalde in artikel 15.8 eerste lid dit aan gedeputeerde staten.

  • 2.

    De melding bevat de volgende gegevens en bescheiden:

    • a.

      de naam en het adres van de melder;

    • b.

      het adres, de kadastrale aanduiding en een tekening of plattegrond van de betrokken locatie;

    • c.

      een tekening van de voorgenomen constructie en een opsomming van de te gebruiken materialen;

    • d.

      de duur van het voorgenomen gebruik van de openbare weg of vaarweg, anders dan waartoe deze is bestemd.

Paragraaf 15.2.3 Afwijking van aanwijzing vergunningvrije gevallen

Artikel 15.10 (Afwijking vergunningvrije gevallen)

  • 1.

    Artikel 15.7 geldt niet indien:

    • a.

      de voorgenomen uitweg uitkomt op de

      • i.

        N 301 (Nijkerkerweg);

      • ii.

        N 302 (Larserweg, Gooiseweg, Ganzenweg);

      • iii.

        N 305 (Waterlandseweg, Gooiseweg, Biddingringweg);

      • iv.

        N 307 (Hanzeweg, Dronterringweg, Overijsselseweg);

      • v.

        N 702 (Hogering, Buitenring), of

      • vi.

        N 703 (Tussenring).

    • b.

      de voorgenomen uitweg wordt aangelegd ten behoeve van een benzineverkooppunt;

    • c.

      de voorgenomen uitweg wordt aangelegd ten behoeve van een voorziening die een groot aantal bezoekers trekt.

Paragraaf 15.2.4 Ontheffingverlening

Artikel 15.11 (Ontheffing algemeen)

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in de artikelen 15.7 en 15.8 kunnen gedeputeerde staten ontheffing verlenen van het in artikel 15.6, eerste lid, gestelde verbod, indien de belangen bedoeld in artikel 15.1 zich daar niet tegen verzetten.

  • 2.

    De aanvraag om ontheffing bevat de volgende gegevens en bescheiden:

    • a.

      de naam en het adres van de aanvrager;

    • b.

      het adres, de kadastrale aanduiding en een tekening of plattegrond van de betrokken locatie;

    • c.

      een tekening van de voorgenomen constructie en een opsomming van de te gebruiken materialen;

    • d.

      de duur van het voorgenomen gebruik van de openbare weg of vaarweg.

Artikel 15.12 (Ontheffing evenementen)

  • 1.

    Gedeputeerde staten kunnen voor het houden van evenementen ontheffing verlenen van het in artikel 15.6, eerste lid, gestelde verbod, indien de belangen bedoeld in artikel 15.1 zich daar niet tegen verzetten.

  • 2.

    De aanvraag om ontheffing bevat de volgende gegevens en bescheiden:

    • a.

      de naam en het adres van de aanvrager;

    • b.

      een omschrijving van het voorgenomen evenement;

    • c.

      de datum en de duur van het voorgenomen evenement;

    • d.

      het verwachte aantal bezoekers van het voorgenomen evenement.

Titel 15.3 Nadere regels

Artikel 15.13 (Nadere regels)

Gedeputeerde staten kunnen, indien de belangen bedoeld in artikel 15.1 zich daar niet tegen verzetten, nadere regels stellen voor door hen aangewezen openbare wegen en vaarwegen.

HOOFDSTUK 16 PROCEDURES EN ADVISEURS

Titel 16.1 Ontheffingsprocedure

 

Paragraaf 16.1.1 Aanvraag ontheffing

Artikel 16.1 (Aanvraag ontheffing)

  • 1.

    Een aanvraag voor ontheffing op grond van deze verordening kan langs elektronische weg worden ingediend bij gedeputeerde staten.

  • 2.

    Indien een aanvraag niet langs elektronische weg wordt ingediend, wordt een aanvraag schriftelijk bij gedeputeerde staten ingediend.

Paragraaf 16.1.2 Ontheffingsprocedure

Artikel 16.2 (Ontheffingsprocedure)

  • 1.

    Gedeputeerde staten beslissen op een aanvraag om ontheffing of het wijzigen of intrekken van een ontheffing binnen acht weken na ontvangst van de complete aanvraag.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is op een aanvraag om ontheffing of het wijzigen of intrekken van een ontheffing afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, indien sprake is van samenloop met een beschikking die met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht wordt voorbereid.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid passen gedeputeerde staten afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht toe indien zienswijzen worden verwacht.

Paragraaf 16.1.3 Ontheffingverlening

Artikel 16.3 (Ontheffingverlening)

  • 1.

    Gedeputeerde staten kunnen de ontheffing verlenen indien de belangen die deze verordening beschermt zich daartegen niet verzetten.

  • 2.

    Een ontheffing kan worden gewijzigd of ingetrokken:

    • a.

      ter bescherming van de belangen die deze verordening beoogt te dienen;

    • b.

      gedurende een aaneengesloten periode van meer dan een jaar na dagtekening van de ontheffing dan wel binnen een bij de ontheffing te bepalen andere termijn, van de ontheffing geen gebruik is gemaakt;

    • c.

      de in de ontheffing bedoelde werken of handelingen niet meer worden gebruikt of niet meer plaatsvinden.

Artikel 16.4 (Ontheffingsvoorschriften)

  • 1.

    Aan een ontheffing kunnen ter bescherming van de belangen die deze verordening beoogt te dienen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

  • 2.

    Aan een ontheffing op grond van artikel 15.11 en 15.12 kan een financieel voorschrift worden verbonden voor het gebruik van de openbare weg of vaarweg.

Paragraaf 16.1.4 Rechtsopvolging

Artikel 16.5 (Rechtsopvolging)

  • 1.

    Een ontheffing geldt voor degene aan wie zij is verleend en voor zijn rechtsopvolgers, tenzij bij de ontheffing anders is bepaald.

  • 2.

    De rechtsopvolger van degene aan wie de ontheffing is verleend doet binnen vier weken nadat de ontheffing voor hem is gaan gelden, daarvan mededeling aan gedeputeerde staten.

Titel 16.2 Adviseurs

Artikel 16.6 (Advies grondwaterbescherming)

Indien een beschikking betrekking heeft op een in Hoofdstuk 5 Grondwaterbeschermingsgebieden opgenomen verbod worden in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over de aanvraag of het voornemen:

  • a.

    burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de gedraging waarvoor ontheffing wordt gevraagd, plaatsvindt of zal plaatsvinden;

  • b.

    de directeur van het waterleidingbedrijf dat grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening onttrekt in Flevoland.

Artikel 16.7 (Advies bij omgevingsvergunning)

In de gevallen waarin een op grond van deze verordening vereiste ontheffing opgaat in een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, waarvoor gedeputeerde staten niet het bevoegde gezag zijn, stelt het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.26, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gedeputeerde staten in de gelegenheid advies over de aanvraag of het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning uit te brengen.

HOOFDSTUK 17 HANDHAVING EN UITVOERING

Titel 17.1 Kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving

 

Paragraaf 17.1.1 Algemeen

Artikel 17.1 (Reikwijdte)

Deze titel is van toepassing op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of in opdracht van gedeputeerde staten.

Artikel 17.2 (Begripsbepalingen)

In deze titel wordt verstaan onder:

 

betrokken wetten: de wet en de wetten, bedoeld in artikel 5.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover bij of krachtens de genoemde wetten is bepaald dat hoofdstuk 5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtvan toepassing is;

 

kwaliteitscriteria: de door gedeputeerde staten vastgestelde kwaliteitscriteria gegrond op de in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten zijn belast.

Paragraaf 17.1.2 Kwaliteit

Artikel 17.3 (Betrokkenheid van provinciale staten)

Provinciale staten zien toe op de hoofdlijnen van het beleid voor de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht van de voor de provincie vastgestelde beleidskaders voor de fysieke leefomgeving.

Artikel 17.4 (Kwaliteitsdoelen)

Gedeputeerde staten beoordelen de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht van daarvoor door hen krachtens artikel 7.2, eerste en tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht gestelde doelen.

Artikel 17.5 (Kwaliteitsborging)

  • 1.

    Gedeputeerde staten stellen kwaliteitscriteria vast bij nadere regels.

  • 2.

    Op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of in opdracht van gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 17.1 zijn de kwaliteitscriteria van toepassing.

  • 3.

    Over de naleving van de kwaliteitscriteria doen gedeputeerde staten jaarlijks mededeling aan provinciale staten.

  • 4.

    Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of niet konden worden nageleefd, doen gedeputeerde staten daarvan gemotiveerd opgave.

  • 5.

    Het vierde lid is niet van toepassing op de kwaliteitscriteria ten aanzien van de uitvoering en handhaving van het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 of bijlage I, categorie 4, van richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (PbEU L334).

Titel 17.2 Bestuurs- en strafrechtelijke handhaving

Artikel 17.6 (Aanwijzing toezichthouder)

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de door gedeputeerde staten aangewezen personen.

Artikel 17.7 (Verbodsbepaling)

Een gedraging in strijd met artikel 1.3 eerste lid, 3.3, 15.6, 15.7, 15.8 en 15.9, of met één of meer voorschriften of beperkingen verbonden aan een ontheffing als bedoeld in de artikelen 1.3 tweede lid, 3.5, 15.11 en 15.12, is verboden.

Artikel 17.8 (Strafbepaling)

  • 1.

    Een gedraging in strijd met artikel 1.3 eerste lid , 1.3 tweede lid, 2.5, 3.3, 5.4, 5.5, 5.6, 5.7, 5.9, 5.10, 5.16, 5.18, 9.4, 9.5, 9.8, 11.4, 12.3, 15.6, 15.7, 15.8, 15.9 en 16.5 of met één of meer voorschriften of beperkingen verbonden aan een ontheffing als bedoeld in de artikelen 1.3 tweede lid , 3.5, 5.21, 9.10, 11.9, 12.4, 15.11 en 15.12 is een strafbaar feit.

  • 2.

    Gedragingen in strijd met artikel 1.3 eerste lid, 3.3, 15.6, 15.7, 15.8, en 15.9, of met één of meer voorschriften of beperkingen verbonden aan een ontheffing als bedoeld in de artikelen 1.3, tweede lid, 3.5, 15.11 en 15.12, worden bestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie.

HOOFDSTUK 18 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Titel 18.1 Intrekking oude verordeningen

Artikel 18.1 (Intrekken verordeningen)

De volgende verordeningen worden ingetrokken:

  • a.

    de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012;

  • b.

    de Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht provincie Flevoland en

  • c.

    de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Flevoland 2016.

Titel 18.2 Overgangsbepalingen

Paragraaf 18.2.1 Algemeen overgangsrecht

Artikel 18.2 (Overgangsrecht plannen, meldingen, ontheffingen en vergunningen)

  • 1.

    Op procedures op grond van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012 die zijn aangevangen voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening blijft het op dat moment geldende recht van toepassing

  • 2.

    De op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze verordening geldende besluiten die op grond van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012 zijn genomen, blijven van kracht zolang het bevoegde bestuursorgaan niet anders heeft beslist.

  • 3.

    Meldingen die op grond van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012 en de Verordening fysieke leefomgeving Flevoland zijn afgedaan, worden gelijkgesteld met een melding op grond van deze verordening.

  • 4.

    De op de dag voorafgaande aan 12 december 2012 geldende besluiten die op grond van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland zijn genomen, blijven van kracht zolang het bevoegde bestuursorgaan niet anders heeft beslist.

  • 5.

    De op de dag voorafgaande aan 1 september 2007 geldende besluiten die op grond van de Provinciale milieuverordening Flevoland, de Ontgrondingenverordening Flevoland 2002 en de Landschapsverordening Flevoland 2004 zijn genomen, blijven van kracht zolang het bevoegde bestuursorgaan niet anders heeft beslist.

Artikel 18.3 (Overgangsrecht uitvoeringsregelingen)

Na de inwerkingtreding van deze verordening berusten nadere regels en beleidsregels, voor zover deze op het tijdstip onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening berustten op de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland, de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012 en de Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht provincie Flevoland, op deze verordening.

Paragraaf 18.2.2 Overgangsrecht grondwateronttrekkingen

Artikel 18.4 (Overgangsrecht grondwateronttrekkingen)

  • 1.

    Een melding op grond van de Grondwaterverordening Flevoland 1996, gedaan voor 1 september 2007, die betrekking heeft op grondwateronttrekkingen dieper dan de op kaart Boringsvrije zone overgangsrecht aangegeven maximale diepte wordt gelijkgesteld met een vergunning als bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet.

  • 2.

    Voor onttrekkingsinrichtingen als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, die vóór de datum van inwerkingtreding van een besluit tot aanwijzing van een interferentiegebied als bedoeld in artikel 2.2b van het Besluit omgevingsrecht zijn geïnstalleerd en krachtens artikel 6.11 van het Waterbesluit aan gedeputeerde staten zijn gemeld, blijft het recht van toepassing zoals dat gold vóór die datum.

Paragraaf 18.2.3 Overgangsrecht grondwaterbeschermingsgebieden

Artikel 18.5 (Overgangsrecht algemene regels voor boorputten)

Een melding of een vergunning voor een inrichting op grond van de Grondwaterverordening Flevoland 1996 ondieper dan de in kaart Boringsvrije zone overgangsrecht aangegeven diepte, die voor 1 september 2007 respectievelijk is ontvangen of verleend, wordt gelijkgesteld met een melding als bedoeld in artikelen 5.16, 5.17 en 5.18.

Artikel 18.6 (Overgangsrecht bodemverstoringen)

  • 1.

    Een melding of een vergunning op grond van de Grondwaterverordening Flevoland 1996 voor een inrichting tot een diepte van 20 meter beneden maaiveld die voor 1 september 2007 respectievelijk is ontvangen of verleend wordt gelijkgesteld met een ontheffing als bedoeld in artikel 5.9 en 5.13 indien voor de inrichting op kaart Boringsvrije zone overgangsrecht een dieptegrens van 10 meter is opgenomen terwijl op grond van kaartnummer G6 van de Provinciale milieuverordening Flevoland een dieptegrens van 20 meter van toepassing was.

  • 2.

    Een bestaande bodemverstoring tot maximaal 20 meter beneden maaiveld, waarvoor de Grondwaterwet niet geldt, wordt binnen twee maanden na 1 september 2007 gemeld. Deze melding wordt gelijk gesteld met een ontheffing als bedoeld in artikel 5.9 en 5.13 indien voor de bodemverstoring op kaart Boringsvrije zone overgangsrecht een dieptegrens van 10 meter is opgenomen terwijl op grond van kaartnummer G6 van de Provinciale milieuverordening Flevoland een dieptegrens van 20 meter van toepassing was.

Artikel 18.7 (Overgangsrecht voor onttrekkingen in derde watervoerende pakket)

  • 1.

    Ontheffingen voor boorputten die op 22 december 2009 vallen onder het verbod als bedoeld in artikel 4.7 en 4.11 van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland blijven van kracht tot het moment dat het gebruik van de boorput wordt beëindigd of tot 1 januari 2025;

  • 2.

    De algemene vergadering regelt in de verordening voor de behartiging van de taken die het waterschap zijn opgedragen, dat vergunningen voor onttrekkingen die op 22 december 2009 vallen onder het verbod als bedoeld in artikel 6.4 van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland blijven bestaan tot het moment dat de onttrekking wordt beëindigd of tot 1 januari 2025.

Artikel 18.8 (Overgangsrecht heipalen met verbrede voet)

Artikel 5.8, eerste lid, onder e, artikel 5.12, eerste lid, onder e en artikel 5.15, eerste lid, onder e gelden niet voor heipalen met verbrede voet die tussen 1 september 2007 en 22 december 2009 zijn aangebracht.

Paragraaf 18.2.4 Overgangsrecht wegen en vaarwegen

Artikel 18.9 (Overgangsrecht wegen en vaarwegen)

Voor werken die op 1 september 2007 op grond van een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke toestemming van de provincie Flevoland of haar rechtsvoorgangers aanwezig waren, wordt de door deze verordening vereiste ontheffing geacht te zijn verleend respectievelijk de vereiste melding te zijn gedaan.

Paragraaf 18.2.5 Overgangsrecht bestuursrechtelijke handhaving

Artikel 18.10 (Overgangsrecht aanwijzingsbesluiten toezichthouders)

Na de inwerkingtreding van deze verordening berusten besluiten, voor zover deze op het tijdstip onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening berustten op artikel 12.3 van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland en artikel 11.3 van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012, op artikel 17.6 van deze verordening.

Titel 18.3 Slotbepalingen

Artikel 18.11 (Evaluatie)

Gedeputeerde staten zenden binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens telkens om de vijf jaar, aan provinciale staten een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze verordening.

Artikel 18.12 (Wijzigingsbevoegdheid bij kennelijke onjuistheden)

Gedeputeerde staten zijn bevoegd om kennelijke onjuistheden in de tekst van deze verordening, de bijlagen en de kaarten die bij de verordening horen -en de digitale verbeelding daarvan- in de verordening te corrigeren.

Artikel 18.13 (Inwerkingtreding)

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 15 maart 2019 met uitzondering van:

    • a.

      de aanwijzing van Havenkwartier Zeewolde als regionale waterkering op grond van artikel 6.5,

    • b.

      het verwijderen van kaartnummer 18 met betrekking tot regionale waterkering Knardijk in bijlage 4,

    • c.

      artikel 16.1.

  • 2.

    De onderdelen a tot en met c van het eerste lid treden in werking op een door gedeputeerde staten te bepalen tijdstip dat voor de verschillende onderdelen verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 18.14 (Citeertitel)

Deze verordening wordt aangehaald als "Omgevingsverordening Flevoland".

BIJLAGE 1 LIJST MET PROVINCIALE BELANGEN

Lijst met provinciale belangen als bedoeld in artikel 1.3 , eerste lid en artikel 1.4 .

 

De provinciale belangen zijn verwoord in het Omgevingsprogramma Flevoland (inclusief wijzigingen) en de regels voor de fysieke leefomgeving.

 

Het opsporen en winnen van schaliegas en schalieolie geeft naar verwachting in ieder geval spanning met onderstaande provinciale belangen. Hierbij moet worden opgemerkt dat met deze lijst niet wordt beoogd compleet te zijn.

 

Nr.

Provinciaal belang

 

1

Landelijk gebied

In principe zijn er geen nieuwe bouwpercelen toegestaan. Niet agrarische activiteiten dienen zich primair op de bestaande bouwpercelen te vestigen. Randvoorwaarde hierbij is kleinschaligheid en geen uitbreiding van het bestaande bouwperceel.

Behouden van de mogelijkheid dat in het landelijke gebied kleinschalige niet-agrarische ontwikkelingen op de voormalige agrarische bouwpercelen mogelijk zijn.

2

Stedelijke ontwikkeling

Behouden van voorziene mogelijkheden voor verstedelijking.

3

Werken & economie

Stimuleren van een duurzame, kennisintensieve en innovatieve Flevolandse economie gericht op werkgelegenheid en concurrentiekracht.

Voldoen aan het provinciale locatiebeleid. Hieronder valt het voldoen aan de SER-ladder.

4

Landbouw

Behouden bestaande landbouw en de ontwikkelingsmogelijkheden daarvoor (waaronder de bestaande glastuinbouwgebieden en de voorziene ontwikkelingen daarvoor).

5

Recreatie

Behouden van recreatieontwikkelingsmogelijkheden binnen de specifieke zones, zoals uitloopgebieden en de routes waaronder de BRTN.

6

Natuur

Behouden en ontwikkelen van een robuust en samenhangend netwerk van natuurgebieden, waaronder de EHS en de ecologische verbindingen, dat voldoende (leef-)ruimte biedt voor soorten en waarden die karakteristiek zijn voor de Flevolandse natuur.

7

Landschap en cultuurhistorie

Behouden van Flevolandse cultuurhistorische en landschappelijke kern- en basiskwaliteiten.

Behouden gebieden met karakteristiek open landschap.

Ontwikkelingen in de Noordoostpolder moeten passen binnen de ontwerpprincipes (Kristaller) die aan de polder ten grondslag hebben gelegen.

8

Archeologie en aardkunde

Behouden van behoudenswaardige archeologische waarden waaronder TOP-10 locaties, PARK-en en aardkundig waardevolle gebieden.

9

Water

Bescherming grondwaterbeschermingsgebieden, waartoe ook de boringsvrije zones behoren.

Behouden van waterkwaliteit, waterkwantiteit, waterveiligheid (waaronder waterkeringen) en mogelijkheden WKO.

10

Milieu

Behouden van een goede leefomgevingskwaliteit.

Behouden van voldoende mogelijkheden voor verstedelijking en ontwikkeling landbouw in het kader van de PAS.

Hanteren van de richtinggevende principes voor een duurzaam bodemgebruik.

Voorkomen van geurhinder.

Voorkomen geluidhinder: dit kader de bescherming stiltegebieden en de concentratie van grote lawaaimakers.

Behouden van (lopende proces) ontwikkeling windenergie in het kader van opschalen en saneren.

12

Veiligheid

Voldoen aan externe veiligheidseisen.

13

Verkeer, vervoer en infrastructuur

Voorkomen van versnippering van het landschap en ontstaan van verminderde doorstroming en verkeersveiligheidsproblemen op provinciale wegen en vaarwegen.

Behouden van ontwikkeling van Luchthaven Lelystad en locaties voor multimodale overslag.

 

 

BIJLAGE 2 BORDEN GRONDWATERBESCHERMINGSGEBIEDEN

Borden grondwaterbeschermingsgebieden als bedoeld in artikel 5.3 , tweede lid.

BIJLAGE 3 LIJST MET CATEGORIËN VAN INRICHTINGEN

Lijst als bedoeld in artikel 5.6 (Categorieën van inrichtingen waarvan het verboden is ze in beschermingsgebieden op te richten)

Sbi -code bedrijfstype

 

Land- en tuinbouw

 

01.4 agrarische dienstverlenende bedrijven met opslag bestrijdingsmiddelen

 

Delfstoffenwinning

12.01 aardoliewinputten

12.03 aardolie- en gasexploratie (tijdelijke activiteiten)

19.2 zoutwinning (putten)

 

Lederwarenindustrie

24.1 lederfabrieken

 

Hout en meubelindustrie

25.23 houtconserveringsbedrijven (druk/vacuümprocessen of drenken e.d.)

 

Aardolie- en steenkoolverwerkende industrie

28.1 aardolieraffinaderijen

28.21 cokesfabrieken

 

Chemische industrie

29.2 kunstharsenfabrieken e.d.

29.3 kleur- en verfstoffenfabrieken

29.42 anorganische chemische grondstoffenfabrieken n.e.g.

29.49.3 grondstoffenfabrieken voor geneesmiddelen en fijnchemicaliën, p.c. >= 1.000 t/j

29.49.4 organische chemische grondstoffenfabrieken n.e.g.

29.51 verf-, lak- en vernisfabrieken

29.71 zeep-, was- en reinigingsmiddelenfabrieken 29.8 chemische bestrijdingsmiddelenfabrieken

29.91 lijm- en plakmiddelenfabrieken

29.92 chemische kantoorbenodigdhedenfabrieken

29.93 poetsmiddelenfabrieken

29.94 fotochemische productenfabrieken

29.95 springstoffen-, vuurwerk- e.d. fabrieken

29.99 chemische productenfabrieken n.e.g.

 

Kunstmatige en synthetische garen- en vezelfabrieken

30.0 kunstmatige en synthetische garen- en vezelfabrieken

 

Basismetaalindustrie

33.1 ruwijzer- en staalfabrieken

33.2 stalen-buizenfabrieken, p.o. >= 2.000 m2

33.41 non-ferro-metaalerts-voorbewerkingsbedrijven, p.c. >= 1.000 t/j

33.42 primaire non-ferro-metaalfabrieken, p.c. >= 1.000 t/j

33.43 non-ferro-metaalsmelterijen e.d., p.c. >= 4.000 t/j

 

Metaalproductenindustrie

34.4 overige constructiewerkplaatsen (excl. lakken), in open lucht, p.o. >= 2.000 m2

34.5 metalen meubelfabrieken e.d. (incl. lakken en moffelen)

34.6 metalen emballage industrie (incl. lakken en moffelen)

34.8 overige metaalwarenindustrie

34.93 metaaloppervlaktebehandelingsbedrijven:

i. algemeen

ii. anodiseren, eloxeren

iii. chemische oppervlaktebehandeling

iv. galvaniseren (vernikkelen, verchromen, verzinken, verkoperen e.d.)

 

Elektrotechnische industrie

36.21 elektromotoren- en generatorenfabrieken

36.22 schakel- en installatiemateriaalfabrieken

36.92 lampenfabrieken

36.95.1 fabrieken voor gedrukte bedrading

 

Transportmiddelenindustrie

37.41 t/m .45 scheepsbouw- en reparatiebedrijven voor metalen schepen >= 25 meter en/of roefdraaien verbrandingsmotoren >= 1 MW

37.46 scheepsschilder- en schoonmaakbedrijven e.d.

37.47 scheepssloperijen

 

Groothandel

61.47 vloeibare brandstoffen: vloeistoffen o.c. >= 100.000 m3

61.51 chemische grondstoffen en chemicaliën voor industriële toepassing

62.91/.92 schroot, met schredders, persen autosloperijen

 

Zeevaart

73.3 zeevaart laad-, los- en overslagbedrijven:

i. steenkool

ii. olie, LPG e.d.

  • i.

    tankercleaning

 

Binnenvaart

74.2 binnenvaart laad-, los- en overslagbedrijven:

i. steenkool, opslagoppervlak >= 2.000 m2

ii. tankercleaning

 

Openbaar bestuur

90.6 land-, lucht- en zeemachtkazernes e.d.

 

Overige dienstverlenende bedrijven

98.11.2 vuilstortplaatsen

98.11.4 gemeentewerven, chemisch afval depots

98.13 afvalverwerkingsbedrijven:

i. verwerking afgewerkte olie

ii. verbrandingsinrichting voor chemisch afval

 

n.e.g = niet eerder genoemd o.c. = opslagcapaciteit p.c = productiecapaciteit p.o. = productieoppervlak t/j = ton per jaar >= = groter dan of gelijk aan

 

BIJLAGE 6 SCHADESOORTEN VERSTOREN

Schadesoorten als bedoeld in artikel 3.15, derde lid van de Wet natuurbescherming en artikel 8.4, eerste lid van deze verordening.

 

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

 

 

 

 

 

 

Kolgans

Anser albifrons

Grauwe gans

Anser anser anser

Brandgans

Branta leucopsis

Smient

Mareca penelope

Wilde eend

Anas platyrhynchos

Holenduif

Columba oenas

Spreeuw

Sturnus vulgaris

 

 

Ringmus

Passer montanus

Huismus

Passer dometicus

Meerkoet

Fulica atra

Knobbelzwaan

Cygnus olor

Roek

Corvus frugilegus

Ekster

Pica pica

Toendrarietgans

Anser fabalis fabalis

 

 

BIJLAGE 7 SCHADESOORTEN DODEN

Schadesoorten als bedoeld in artikel 3.15, derde lid van de Wet natuurbescherming en artikel 8.4, tweede lid van deze verordening.

 

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Bosmuis

Apodermus sylvaticus

Veldmuis

Microtus arvalis

 

 

Voorschriften

  • 1.

    Het doden van bosmuizen en veldmuizen is gedurende het gehele jaar en in de gehele provincie toegestaan.

  • 2.

    Bij het doden van bosmuizen en veldmuizen is het gebruik van middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld, klemmen en kastvallen toegestaan.

  • 3.

    Het gebruik van klemmen die niet direct dodelijk zijn, zoals pootklemmen, is niet toegestaan.

  • 4.

    Het opstellen van klemmen gebeurt zodanig dat de vangst van andere beschermde diersoorten zoveel mogelijk wordt voorkomen.

 

BIJLAGE 8 VRIJGESTELDE SOORTEN

Vrijgestelde soorten als bedoeld in artikel 8.5

 

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Bosmuis

Apodermus sylvaticus

Bunzing

Mustela putorius

Egel

Erinaceus europaeus

Haas

Lepus europaeus

Hermelijn

Mustela erminea

Konijn

Oryctolagus cuniculus

Ree

Capreolus capreolus

Vos

Vulpes vulpes

Wezel

Mustela nivalis

Bruine kikker

Rana temporaria

Gewone pad

Bufo bufo

Kleine watersalamander

Lissotriton vulgaris

 

 

Aardmuis

Microtus agrestis

Dwergmuis

Micromys minutus

Dwergspitsmuis

Sorex minutus

Gewone bosspitsmuis

Sorex araneus

Huisspitsmuis

Crocidura russula

Ondergrondse woelmuis

Pitymys subterraneus

Rosse woelmuis

Clethrionomys glareolus

Tweekleurige bosspitsmuis

Sorex coronatus

Veldmuis

Microtus arvalis

Woelrat

Arvicola terrestris

Meerkikker

Pelophylax ridibundus

Bastaardkikker

Pelophylax klepton esculenta

 

BIJLAGE 9 BORDEN STILTEGEBIEDEN

Borden stiltegebieden als bedoeld in artikel 9.3, tweede lid.

TOELICHTING

Leeswijzer

In deze toelichting wordt in het algemene deel ingegaan op de in ontwikkeling zijnde Omgevingswet en de onderliggende regelgeving die geleid heeft tot de Omgevingsverordening Flevoland (hierna: de omgevingsverordening). Daarna volgt de artikelsgewijze toelichting.

Algemene toelichting

Omgevingswet In 2012 is het Rijk gestart met de herziening van het huidige omgevingsrecht dat verbrokkeld en verdeeld is over tientallen wetten. De Omgevingswet biedt het fundament voor bundeling van het omgevingsrecht in één wet. Begin 2016 is de Omgevingswet vastgesteld en gepubliceerd en begin juli 2018 de vier bij de wet behorende algemene maatregelen van bestuur (hierna: AMvB’s). Momenteel wordt gewerkt aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet en het digitaal stelsel. Inwerkingtreding van de wet is voorzien op 1 januari 2021. Voor een nadere toelichting op de aanleiding en doelen van het nieuwe stelsel wordt verwezen naar onder meer de Memorie van Toelichting op de Omgevingswet (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 962, nr. 3).

Uit oogpunt van afstemming, kenbaarheid en beschikbaarheid is het verplicht dat ook de provinciale omgevingsrechtelijke regels worden gebundeld in één omgevingsverordening. De omgevingsverordening omvat drie soorten regels. Ten eerste regels die gericht zijn tot burgers en bedrijven, zoals algemene regels en vergunningstelsels. Ten tweede regels die zijn gericht tot het uitvoerend bestuur, zoals omgevingswaarden en beoordelingsregels voor vergunningaanvragen. En ten derde omvat het instructieregels over de uitoefening van taken en bevoegdheden door gemeenten en waterschappen. De provincies hebben van het Rijk geen overgangstijd gekregen, hetgeen inhoudt dat de omgevingsverordening gelijktijdig met de Omgevingswet inwerking zal moeten treden. Dit heeft geleid tot een eerste aanzet voor een omgevingsverordening zoveel als mogelijk in lijn met de Omgevingswet en digitaal ontsloten volgens de op dit moment geldende regelgeving in standaarden.

Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012 In 2012 hebben Provinciale Staten van Flevoland de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012 (hierna: VFL 2012) vastgesteld. De VFL 2012 omvat grotendeels alle provinciale regels op het gebied van de fysieke leefomgeving. De VFL 2012 betrof een actualisatie van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland uit 2007, waarin een eerste integratieslag had plaatsgevonden van de daarvoor geldende provinciale regelgeving (Provinciale milieuverordening Flevoland, Grondwaterverordening Flevoland 1996, Ontgrondingenverordening Flevoland 2002, Verordening waterhuishouding Flevoland, Verordening waterkering Noord-Nederland en Landschapsverordening Flevoland 2004). Sinds de vaststelling in 2012 is de VFL 2012 zeven keer gewijzigd. Eind 2017 is de voorbereiding gestart om vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet te komen tot een omgevingsverordening die ziet op alle elementen van de fysieke leefomgeving, en op activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving.

Integratie van verordeningen De reikwijdte van de Omgevingswet –de fysieke leefomgeving omvat onder meer bouwwerken, infrastructuur, water, bodem, lucht, landschappen, natuur en cultureel erfgoed– heeft geleid tot een verdere integratie van de provinciale regelgeving in de omgevingsverordening. De omgevingsverordening bestaat per ingang van haar inwerkingtreding uit:

  • de VFL 2012 met regels betreffende onder meer windenergie, grondwaterbeschermingsgebieden, watersysteem, NatuurNetwerk Nederland, stiltegebieden, ontgassen binnenvaart, bodemsanering, ontgrondingen, wegen en vaarwegen, handhaving;

  • de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Flevoland 2016;

  • de Verordening kwaliteit VTH omgevingsrecht provincie Flevoland;

  • regels voor zonne-energie.

De inhoud van de omgevingsverordening wordt in de periode tot inwerkingtreding van de Omgevingswet steeds verder in lijn gebracht met die wet en de daarop gebaseerde regelgeving. Ook zal de verordening moeten passen bij de Omgevingsvisie FlevolandStraks, het Omgevingsprogramma Flevoland en diens opvolgers. Dit betekent dat de omgevingsverordening continue in beweging is.

Structuur van de omgevingsverordening Bij het structureren van de omgevingsverordening zijn de aanwijzingen voor de regelgeving en de digitale standaarden gevolgd. Daarbij is voor de kenbaarheid rekening gehouden met de opzet van de Omgevingswet en de onderliggende AMvB’s. Geprobeerd is qua structuur van de hoofdstukken daar zo veel als mogelijk op aan te sluiten. De hoofdstukindeling van de omgevingsverordening komt uit oogpunt van uniformiteit tussen het beleid en de regels van de provincie overeen met de hoofdstukindeling van het Omgevingsprogramma Flevoland.

HOOFDSTUK 1 SCHALIEGAS

Paragraaf 1.1 Algemeen

Artikel 1.1 (Oogmerk)

De regeling voor schaliegas heeft als doel dat bij het opsporen en winnen van schaliegas en schalieolie de provinciale belangen niet worden geschaad.

Schaliegas en schalieolie is aardgas of aardolie dat in andere soorten gesteenten en lagen zit opgesloten dan conventioneel aardgas en aardolie. Daardoor moet het met andere, intensievere technieken gewonnen worden. Schaliegas is aardgas, dat rechtstreeks uit het gas- of moedergesteente wordt gewonnen. Dit betreft merendeels kleisteen met een zeer slechte doorlatendheid. Schalieolie is olie, die rechtstreeks uit het moedergesteente wordt gewonnen. Om de gas-/oliestroom op gang te brengen dient het gesteente gestimuleerd te worden, bijvoorbeeld door “hydraulic fraccing”. Hierbij wordt het (klei-)gesteente onder hoge druk gebroken.

Op dit moment is nog niet aangetoond dat de opsporing en winning van schaliegas en -olie veilig kan en de huidige wet- en regelgeving voorziet nog niet in een goede regulering daarvan. Zowel het opsporen als het winnen van schaliegas of -olie kan effecten hebben op vele andere belangen die in het gebied spelen. De vergunningverlening ten behoeve van het opsporen en winnen van aardgas en aardolie is geregeld in de Mijnbouwwet. Deze wet is vooral geschreven vanuit economische en technische motieven. Een vergunning kan alleen geweigerd worden op grond van de technische of financiële mogelijkheden van de aanvrager en/of indien de aanvrager onvoldoende blijk heeft gegeven van maatschappelijke verantwoordelijkheidszin. In de Mijnbouwwet worden andere ondergrondse en bovengrondse belangen niet meegewogen bij de vergunningverlening. De minister heeft erkend dat de huidige wetgeving niet voldoet inzake het reguleren van het opsporen en winnen van schaliegas/-olie. Omdat nog niet is aangetoond dat het boren naar schaliegas en –olie veilig kan, en dat ten aanzien het opsporen en winnen van deze delfstoffen op dit moment wet- en regelgeving ontbreekt, voelt de provincie Flevoland zich genoodzaakt tot regulering in de verordening omdat provinciale belangen mogelijk in het geding zijn

Het Rijk heeft 8 juni 2018 de Structuurvisie Ondergrond vastgesteld. Daarin is aangekondigd dat de winning van schaliegas wordt uitgesloten. Deze uitsluiting zal worden vastgelegd in regelgeving. Tot die tijd blijft er een provinciale regeling inzake schaliegas.

Artikel 1.2 (Begripsbepalingen)

Dit artikel gaat over de begrippen die in dit hoofdstuk worden gehanteerd. Om redenen van toegankelijkheid en leesbaarheid zijn de begripsbepalingen gebundeld opgenomen aan het begin van elk hoofdstuk.

Paragraaf 1.2 Activiteiten

Omdat de bodem de grond is van ons bestaan en veel eigenschappen van de bodem en ondergrond niet hernieuwbaar zijn en gebruik ervan vaak eenmalig en onomkeerbaar is, is ten aanzien van het opsporen en winnen van schaliegas en -olie grote zorgvuldigheid geboden. Ook om in de toekomst gebruik te blijven maken van het grote potentieel van de ondergrond, is duurzaam beheer van bodem en ondergrond nodig. Tevens hebben alle opsporings- en winningsactiviteiten die in de ondergrond plaatsvinden bovengrondse effecten en risico’s, bijvoorbeeld op leefbaarheid, bereikbaarheid, veiligheid, ruimtelijke ordening, natuur, milieu, cultuurhistorie en landschap. Maar ook op regionaal economische ontwikkelingen.

Gelet op de provinciale rol en taakopvatting inzake duurzaamheid, de kwaliteit van de leefomgeving en een goede ruimtelijke ordening acht de provincie zich verantwoordelijk voor het beschermen van deze ondergrondse en bovengrondse belangen tegen risico’s en negatieve effecten. Vanuit het voorzorgsprincipe wil de provincie negatieve effecten ten gevolge van onder andere schaliegasboringen zoveel mogelijk voorkomen. Ontwrichting is in ieder geval niet toelaatbaar. De provinciale belangen zijn neergelegd in beleid, politieke opvattingen (zoals moties) en landelijke en provinciale regelgeving.

Gelet op de hiervoor geschetste provinciale belangen en het ontbreken van wet- en regelgeving ten aanzien van opsporings- en winningsactiviteiten van schaliegas en schalieolie is de regeling hybride: deels geënt op de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en deels geënt op de autonome verordenende bevoegdheid van de provincie, voor zover die niet valt onder de Wet milieubeheer.

Gelet op de specifieke eisen die de Wro stelt aan een regeling in een provinciale verordening gaat het in dat kader vooral om een motiveringsverplichting waarbij in het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangegeven dat bij de opsporing en winning van schaliegas/-olie in voldoende mate rekening is gehouden met de provinciale ruimtelijke belangen.

Voorts kent de provincie ook specifieke belangen in het kader van haar provinciale rol en taakopvatting inzake duurzaamheid en de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Vanwege het ontbreken van landelijke regeling daaromtrent ligt het tevens in de rede om de belangen die in dit verband aan de orde komen – en niet direct als ruimtelijke belangen bedoeld zijn - te borgen met de autonome verordenende bevoegdheid. Daarbij gaat het vooral om het behoud van ontwikkelingsruimte voor economische activiteiten, duurzaamheid waaronder een balans in beschermen en benutten en het voorkomen dat kwaliteitsaantasting van de omgeving plaatsvindt. In het kader van de autonome bevoegdheid ligt het in de rede om te werken met een ontheffingsstelsel. Gelet op de politieke gevoeligheid is bepaald dat de commissie van provinciale staten wordt gehoord, voordat Gedeputeerde Staten een besluit over de ontheffing nemen.

Paragraaf 1.3 Instructieregels

Omdat de bodem de grond is van ons bestaan en veel eigenschappen van de bodem en ondergrond niet hernieuwbaar zijn en gebruik ervan vaak eenmalig en onomkeerbaar is, is ten aanzien van het opsporen en winnen van schaliegas en -olie grote zorgvuldigheid geboden. Ook om in de toekomst gebruik te blijven maken van het grote potentieel van de ondergrond, is duurzaam beheer van bodem en ondergrond nodig. Tevens hebben alle opsporings- en winningsactiviteiten die in de ondergrond plaatsvinden bovengrondse effecten en risico’s, bijvoorbeeld op leefbaarheid, bereikbaarheid, veiligheid, ruimtelijke ordening, natuur, milieu, cultuurhistorie en landschap. Maar ook op regionaal economische ontwikkelingen.

Gelet op de provinciale rol en taakopvatting inzake duurzaamheid, de kwaliteit van de leefomgeving en een goede ruimtelijke ordening acht de provincie zich verantwoordelijk voor het beschermen van deze ondergrondse en bovengrondse belangen tegen risico’s en negatieve effecten. Vanuit het voorzorgsprincipe wil de provincie negatieve effecten ten gevolge van onder andere schaliegasboringen zoveel mogelijk voorkomen. Ontwrichting is in ieder geval niet toelaatbaar. De provinciale belangen zijn neergelegd in beleid, politieke opvattingen (zoals moties) en landelijke en provinciale regelgeving.

Gelet op de specifieke eisen die de Wro stelt aan een regeling in een provinciale verordening gaat het in dat kader vooral om een motiveringsverplichting waarbij in het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangegeven dat bij de opsporing en winning van schaliegas/-olie in voldoende mate rekening is gehouden met de provinciale ruimtelijke belangen.

HOOFDSTUK 2 DUURZAME ENERGIE

Titel 2.1 Windenergie

Afdeling 2.1.1 Algemeen

Artikel 2.1 (Oogmerk)

De regeling over wind is opgenomen in de verordening met het oog op het cyclisch opschalen en saneren van windmolens zodat steeds meer windenergie met minder molens kan worden opgewekt. De regels in dit hoofdstuk hebben dus niet alleen betrekking op bestemmingsplannen, maar ook inpassingsplannen, beheersverordeningen, wijzigings- en uitwerkingsplannen en omgevingsvergunningen waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 2.12 lid 1 onderdeel a onder sub 1 en 3 .

Rijkscontext windbeleid

In de Rijksstructuurvisie Windenergie op land zijn de ambities vastgelegd die het rijk op het gebied van windenergie heeft. Het kabinet stelt dat de ontwikkeling van windenergie op land een cruciale bijdrage levert aan de kabinetsdoelstellingen voor duurzame energie. Het nut en de noodzaak van windenergie op land zijn daarmee evident. De ruimte binnen de in deze structuurvisie aangewezen gebieden en binnen de door provincies aan te wijzen gebieden zal tenminste nodig zijn om de opgave van 6000 MW windenergie op land te realiseren. De Rijks ambities sluiten goed aan bij de ambities van de provincie Flevoland. Deze zijn gericht op een wezenlijke herstructurering van de windenergie in Flevoland om een forse groei van de (wind)energieproductie mogelijk te maken. Flevoland wil dus meer energie opwekken met minder windmolens.

Provinciale context windbeleid

De provincie voert vanaf 2006 een beleid dat is gericht op ‘opschalen en saneren’ van windmolens. Het ‘opschalen’ betekent dat nieuwe windmolens groter zijn dan de oude en meer stroom opwekken. Het ‘saneren’ betekent dat windmolens van de vorige generatie worden weggehaald. Nieuwe plannen voor windparken moeten aan een aantal voorwaarden voldoen.

Doelstellingen van het provinciale beleid zijn: een mooier landschap, een duurzamere energiehuishouding en een sterkere economie. De landschappelijke verbetering ontstaat door de afname van het totale aantal windmolens en de clustering in (lijn)opstellingen die aansluiten op bestaande lijnen in het landschap – soms zijn aanvullende investeringen in het landschap noodzakelijk. De duurzamere energiehuishouding ontstaat doordat er veel meer windenergie aan het elektriciteitsnet wordt geleverd, en wind een oneindige en schone bron van energie is. De economische versterking ontstaat door de extra banen die aan de windenergie verbonden zijn, maar vooral doordat de opbrengsten zoveel mogelijk in de provincie zelf terecht komen. Nu ontlenen veel agrarische bedrijven een substantieel neveninkomen aan windenergie. De aanpak is erop gericht dat dit in de toekomst mogelijk blijft en dat ook andere bewoners en ondernemers in de ontwikkeling of de exploitatie kunnen participeren. Een evenredige verdeling van de maatschappelijke baten is een voorwaarde om het brede maatschappelijke draagvlak voor windenergie, dat nu in de provincie aanwezig is, op lange termijn te behouden.

Het beleid bevat geen voor burgers bindende bepalingen. Een verordening bevat die wel. Daarbij komt dat in geval een rijksinpassingsplan wordt vastgesteld, in het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt aangegeven en gemotiveerd dat voldoende rekening is gehouden met de provinciale ruimtelijke belangen, zoals die zijn verankerd in de verordening.

De systematiek

Het grondgebied van de provincie is verdeeld in windgebieden en niet-windgebieden. De reden voor deze indeling is het feit dat windmolens in de niet-windgebieden ongewenst zijn uit oogpunt van ruimtelijke kwaliteit (landschap, natuur, en andere functies). Het betreft de openheid en functie van de wateren en het kenmerkende landschap van de Noordoostpolder waarin de principes voor occupatie -in dit geval de kristallertheorie- afleesbaar zijn.

De beoogde projectlocatie zal binnen een windgebied moeten liggen. Buiten een windgebied zijn nieuwe molens uitgesloten.

De aanvraag om een omgevingsvergunning staat niet op zichzelf maar gaat noodzakelijkerwijs gepaard met een projectplan voor opschalen en saneren. Immers, het saneren van alle bestaande/oude windmolens binnen een projectgebied is onlosmakelijk verbonden met de bouw van nieuwe windmolens binnen dat projectgebied. Hierop dient de businesscase voor het projectplan gebaseerd en haalbaar te zijn. Het projectgebied is daarmee ook de begrenzing van het te saneren gebied. De nieuwe windmolens komen niet terug op de plaats van de oude (gesaneerde) windmolens. Gedeputeerde Staten zullen op basis van het projectplan projectgebieden en plaatsingszones aanwijzen dan wel aanpassen.

De verordening beschrijft waaraan een projectplan nog meer moet voldoen. Onderdeel van een projectplan is een beschrijving van de mogelijkheden om financieel te participeren. Voorts wordt bijgedragen aan kwaliteitsbehoud/verbetering in de omgeving van de nieuwe windmolens met een gebiedsgebonden bijdrage.

Artikel 2.2 (Begripsbepalingen)

Dit artikel gaat over de begrippen die in deze titel worden gehanteerd. Om redenen van toegankelijkheid en leesbaarheid zijn de begripsbepalingen gebundeld opgenomen aan het begin van deze titel.

Vanwege de omschrijving van 'bestemmingsplan' zijn de bepalingen van de titel over windmolens niet alleen van toepassing op bestemmingsplannen en de aanpassingen ervan, maar ook inpassingsplannen, beheersverordeningen en omgevingsvergunningen in afwijking van het bestemmingsplan.

De definitie van ‘windmolen’ in de begripsbepalingen maakt helder dat de regels over wind niet van toepassing zijn op een aantal specifieke categorieën windmolens. Uitgezonderd zijn immers de maximaal 12 prototypes van windmolens op de testlocatie in Lelystad (zie figuur), solitaire windmolens op bedrijventerreinen in hoofdkernen van het stedelijk gebied indien de windmolen overwegend een ander doel dient dan de opwekking van energie. Tenslotte zijn ook de zogenoemde ‘kleine windmolens’ uitgezonderd omdat de impact op het landschap minimaal is.

In aanvulling daarop geldt dat in de begripsbepalingen een definitie is opgenomen van een ‘bestaande windmolen’. Daaruit volgt dat de regels over wind in dit hoofdstuk ook van toepassing zijn op windmolens die nog zijn opgericht met een toenmalige bouwvergunning.

Artikel 2.3 (Wijze van meten wind)

In dit artikel zijn enkele meetvoorschriften opgenomen die van toepassing zijn.

Afdeling 2.1.2 Activiteiten

Paragraaf 2.1.2.1 Algemene regels

De technische en economische levensduur van een windmolen is beperkt. Deze levensduur ligt rond de 25 jaar. Gelet op de duurzaamheidsdoelstelling en de landschappelijke doelstelling is het gewenst dat ook in de toekomst mogelijkheden beschikbaar zijn om danwel nieuwe toepassingen voor het opwekken van duurzame energie te realiseren danwel een nieuwe ronde van opschalen en saneren uit te voeren. Het opschalen en saneren heeft een cyclisch karakter. Uit oogpunt van doelmatig en efficiënt gebruik van de ruimte is het daarom gewenst dat voor windmolens geen omgevingsvergunningen voor onbepaalde tijd worden verstrekt.

De Wabo laat tijdelijke vergunningen toe. De verordening laat toe dat tijdelijke vergunningen voor een gebruikstermijn van maximaal 25 jaar worden afgegeven. In de omgevingsvergunning zal de aanvang van de gebruikstermijn nader bepaald worden. Na het verstrijken van de gebruikstermijn van 25 jaar moet de toestand van voor het verlenen van de omgevingsvergunning worden hersteld, dan wel moet de situatie in overeenstemming met het bestemmingsplan worden gebracht. Voor deze bepaling is doorvertaling in een bestemmingsplan niet nodig.

Paragraaf 2.1.2.2 Verbodsbepaling (bescherming tot aan vertaling instructie in bestemmingsplan)

Zolang er nog geen bestemmingsplannen zijn vastgesteld waarin invulling is gegeven aan de regels over het opschalen en saneren van windmolens, moeten de regels van dit hoofdstuk van de omgevingsverordening in acht worden genomen. Dit houdt in dat het verboden is het gebruik (waaronder ook bouwen wordt verstaan) van een bestaande windmolen te wijzigen in een ander gebruik waardoor het provinciaal grondgebied van Flevoland minder geschikt wordt voor het verwezenlijken van het beleid voor opschalen en saneren, inclusief de ruimtelijke doelstellingen.

Afdeling 2.1.3 Instructieregels

Paragraaf 2.1.3.1 Toedeling functies aan locaties wind en instructies voor bestemmingsplan

Het grondgebied van de provincie is verdeeld in windgebieden en niet-windgebieden. De reden voor deze indeling is het feit dat windmolens in de niet-windgebieden ongewenst zijn uit oogpunt van ruimtelijke kwaliteit (landschap, natuur, en andere functies). Het betreft de openheid van de wateren en het kenmerkende landschap van de Noordoostpolder waarin de principes voor occupatie -in dit geval de kristallertheorie- afleesbaar zijn. Een windgebied kan worden aangewezen door provinciale staten. Binnen een aangewezen windgebied is het onder voorwaarden mogelijk nieuwe windmolens te realiseren.

Binnen een windgebied zijn nieuwe windmolens mogelijk, maar uitsluitend (1) in een plaatsingszone (2) binnen een projectgebied en (3) op basis van een door gedeputeerde staten goedgekeurd projectplan. Buiten een projectgebied zijn dus geen nieuwe windmolens mogelijk en ook het opschalen van bestaande windmolens is uitgesloten. Een bestemmingsplan dient hierin te voorzien. Op grond van artikel 4.1 Wro dient een verordening binnen een jaar na de inwerkingtreding te zijn vertaald in een bestemmingsplan. In dit geval is voor deze instructieregels een andere termijn openomen gekoppeld aan het moment waarop er een goedgekeurd projectplan ligt. Vanaf dat moment is doorvertaling in een bestemmingsplan mogelijk en daarvoor geldt een termijn van twee jaar.

Een projectgebied is het gebied waarbinnen de bestaande molens worden gesaneerd. De nieuwe windmolens komen immers niet terug op de plaats van de oude (gesaneerde) windmolens maar op de door Gedeputeerde Staten aangewezen plaatsingszones. In het projectplan moet de afbakening van het projectgebied zodanig worden bepaald dat daarbinnen het project van opschalen en saneren in zijn geheel kan worden gerealiseerd met een haalbare business case. Het saneren van alle bestaande/oude windmolens binnen een projectgebied is onlosmakelijk verboden met de bouw van nieuwe windmolens binnen dat projectgebied. Alle windmolens binnen het projectgebied worden gesaneerd. Het projectgebied is daarmee ook de begrenzing van het saneringsgebied. Gedeputeerde Staten beslist over de goedkeuring van het projectplan.

De locatie Houtribdijk neemt een bijzondere positie in. De locatie Houtribdijk valt binnen een windgebied, maar was wel steeds uitgezonderd van het beleid voor opschalen en saneren. Dat laat onverlet dat de algemene werking van de verordening wel op de locatie Houtribdijk van toepassing is. Dat brengt met zich mee dat nu alsnog geldt dat nieuwe windmolens uitsluitend zijn toegestaan als zij onderdeel zijn van een project voor opschalen en saneren. Het geografisch karakter van de Houtribdijk (in het water) en het feit dat er geen relevante saneringsopgave in de omgeving is, maakt dat de Houtribdijk nu niet eenvoudig tot ontwikkeling kan worden gebracht. De locatie is ook niet nodig voor de provinciale doelstelling voor windenergie.

Artikel 2.6 (Buiten een windgebied)

Het grondgebied van de provincie is verdeeld in windgebieden en niet-windgebieden. Dit artikel bepaalt dat het uitgesloten is om buiten een windgebied nieuwe windmolens te realiseren of bestaande windmolens op te schalen. De reden voor deze indeling is het feit dat windmolens in de niet-windgebieden ongewenst zijn uit oogpunt van ruimtelijke kwaliteit (landschap, natuur, en andere functies). Het betreft de openheid en functie van de wateren en het kenmerkende landschap van de Noordoostpolder waarin de principes voor occupatie -in dit geval de kristallertheorie- afleesbaar zijn.

Artikel 2.7 (Binnen een windgebied - plaatsingszones)

Nadat een projectplan door Gedeputeerde Staten is goedgekeurd, mogen in de desbetreffende plaatsingszones nieuwe windmolens worden geplaatst. Een nieuwe windmolen krijgt een vergunning voor een bepaalde termijn die maximaal 25 jaar bedraagt. Een bestemmingsplan moet binnen 2 jaar na goedkeuring van het projectplan zodanig zijn aangepast dat plaatsing van nieuwe windmolens conform het projectplan mogelijk is. Zodra de termijn van (maximaal 25 jaar) van de omgevingsvergunning verstrijkt, mag het bestemmingsplan niet meer voorzien in windmolens. Hiermee wordt voorkomen dat de bestemming blijft bestaan terwijl de molen op grond van de omgevingsvergunning dient te worden verwijderd.

Artikel 2.8 (Binnen een windgebied - projectgebieden)

Binnen de projectgebieden vindt zowel het opschalen als het saneren plaats. Het plaatsen van nieuwe windmolens mag alleen binnen de plaatsingszones. Alle bestaande windmolens in een projectgebied moeten worden gesaneerd. Voor de sanering geldt dat er enige tijd dubbel gedraaid mag worden met de nieuwe windmolens. Daarom moet een projectplan de helderheid verschaffen wanneer de bestaande windmolens gesaneerd moeten zijn. De regeling in het bestemmingsplan moet in de sanering van de bestaande windmolens voorzien, conform hetgeen daarover is gesteld in een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd projectplan. Die bestemmingsregeling moet er zijn binnen 2 jaar nadat Gedeputeerde Staten het projectplan hebben goedgekeurd.

Artikel 2.9 (Binnen een windgebied - buiten projectgebieden)

In de gebieden die liggen binnen en windgebied, maar buiten een projectgebied, mogen geen nieuwe windmolens worden gerealiseerd en mogen bestaande windmolens niet worden opgeschaald.

Paragraaf 2.1.3.2 Aanwijzing werkingsgebieden voor de instructies

Artikel 2.10 (Procedure aanwijzing en begrenzing van projectgebieden)

Dit artikel bepaalt dat gedeputeerde staten een projectgebied kunnen aanwijzen. Projectgebieden zijn aangewezen aan de hand van het Regioplan wind en kan geschieden op basis van een projectplan. Onder omstandigheden kan een aangewezen projectgebied naderhand nog worden aangepast. Een aanvraag wordt afgewezen als de afweging van de betrokken belangen daartoe noopt. Daarbij moet de noodzaak ertoe worden aangetoond evenals dat de aanpassing van het projectgebied geen onevenredig negatief effect heeft op de projecten voor opschalen en saneren binnen een eventueel resterend deel van het projectgebied en/of binnen de andere aangewezen projectgebieden of op de omgeving.

Er is een zekere omvang nodig om tot projectplannen te kunnen komen die voldoende economisch perspectief bieden. Een indeling in deelgebieden is nodig gebleken om ervoor te zorgen dat alle windmolens worden gesaneerd én om te voorkomen dat er onuitvoerbare delen overblijven waar projecten voor opschalen en saneren geen economisch perspectief hebben. Projectgebieden zijn zo afgebakend, dat er evenwicht mogelijk is tussen de nieuwbouwcapaciteit, de saneringsopgave en de financiële participatie. De projectgebieden bieden perspectief op opstellingen met een goede landschappelijke kwaliteit. De indeling in deelgebieden is daarmee passend voor de opgave van opschalen en saneren en sluit daarmee ook aan bij de robuuste landschappelijke schaal in Flevoland.

Artikel 2.11 (Aanwijzing van plaatsingszones)

Op basis van een projectplan kunnen gedeputeerde staten plaatsingszones aanwijzen. Dit vraagt een integrale afweging in het kader van het gehele projectplan. Om die reden wordt naderhand de beslissing om een eenmaal aangewezen plaatsingszones aan te passen, eveneens gebaseerd op een integrale afweging en evenwichtige balans tussen de omgevingskwaliteit, het maatschappelijk draagvlak en het economisch perspectief.

Uit de geschiedenis van het Flevolandse windenergiebeleid (waarbij eerst de markt gevraagd is om tot plannen te komen) blijkt dat voor het verkrijgen van een voldoende ruimtelijke kwaliteit er helderheid over de locatie van plaatsingszones voor nieuwe windmolens nodig is.

Artikel 2.12 (Een initiatief per projectgebied)

Er is een projectplan voor een projectgebied, waarbinnen de uitvoering van het opschalen en saneren als geheel geborgd moet zijn. Dit is nodig omdat het projectplan winstgevende en verliesgevende onderdelen bevat. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het geheel. Die initiatiefnemer kan bestaan uit een samenwerkingsverband van meerdere partijen.

Artikel 2.13 (Randvoorwaarden projectplan)

De opsomming maakt duidelijk welke informatie een projectplan in ieder geval bevat. Centraal staat de begrenzing van het projectgebied en de plaatsingszones (onderdeel a). De uitwerking daarvan is beschreven in de onderdelen b tot en met f. De meeste onderdelen spreken voor zich en worden in de daaropvolgende artikelen nader uitgewerkt. Het projectplan bevat een planning (onderdeel d), waaronder wordt begrepen de fasering van opschalen en saneren. Fasering houdt in dat ‘dubbeldraaien’ onder omstandigheden mogelijk is, zodat binnen een project voor opschalen en saneren de te saneren windmolens en de nieuwe windmolens gedurende een termijn gelijktijdig opgesteld en in werking zijn. Vanwege de ruimtelijke kwaliteit is het ongewenst dat er lange tijd dubbel gedraaid wordt met bestaande en nieuwe windmolens.

Artikel 2.14 (Eisen aan ruimtelijk invulling in een projectplan)

Onderdeel a geeft aan dat de windmolens in een opstelling worden geplaatst. Meestal zal dit een lijnopstelling zijn, maar dit is niet altijd noodzakelijk. Onderdeel d legt vast dat er een hoogtebeperking geldt. De maximale windmolen(as)hoogte is bepaald op 120 meter. Ook is het verplicht de windmolen te voorzien van het maximaal haalbare vermogen. Als een hogere ashoogte gewenst is, dan moet in het projectplan worden aangetoond dat het maximaal haalbare vermogen per turbine bij een windmolen met ashoogte van 120 meter ontoereikend is (nee, tenzij-regeling).

Artikel 2.15 (Eisen aan het projectplan inzake de bijdrage ten behoeve van het compenseren van de kwaliteit van het gebied)

Dit artikel beschrijft dat een projectplan inzichtelijk maakt hoe een nieuw windpark een bijdrage levert aan de kwaliteit van het gebied. De kwaliteitscompensatie wordt – veelal in nauwe samenwerking met de gemeente - door de initiatiefnemer in het projectplan uitgewerkt. Compensatie kan zien op een verbetering van de fysieke leefomgeving, zoals beschreven in onderdeel b. De verbetering kan bijvoorbeeld mede betreffen: de landschappelijke inpassing van bebouwing; het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; activiteiten gericht op behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; het wegnemen van verharding; het slopen van bebouwing; projecten in het kader van ecologie, zoals een fysieke bijdrage aan de realisering van de ecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszones. In overleg met de gemeente kan de aandacht ook uitgaan naar (fysieke) projecten in het kader van leefbaarheid of duurzaamheid ten gunste van de (lokale) bevolking en maatschappelijke doeleinden.

In het tweede lid is bepaald dat de kwaliteitscompensatie in geld gedurende de gebruikstermijn (25 jaar), jaarlijks gemiddeld € 1050,00 per MW opgesteld vermogen in de betreffende plaatsingszones bedraagt. Het projectplan kan nader uitwerken of de bijdrage jaarlijks constant wordt geleverd of dat deze afhankelijk wordt gemaakt van andere factoren. In het projectplan moet ook aandacht worden besteed aan de indexatie van de bijdrage.

Indien een kwaliteitsverbetering niet is verzekerd, wordt in het uiterste geval het bestemmingsplan slechts vastgesteld indien een passende financiële bijdrage in een windmolenparkfonds is verzekerd. Het windmolenparkfonds is in zoverre een vangnetbepaling. Uitgangspunt is dat over de compensatie en de bestedingsdoelen juist concrete afspraken tussen de gemeente en initiatiefnemer worden gemaakt en in een overeenkomst worden vastgelegd.

In het derde lid is bepaald dat Gedeputeerde Staten nadere regels kunnen stellen ten aanzien van de wijze waarop compensatie plaatsheeft. Doel van die nadere regels is te garanderen dat de ruimtelijke kwaliteit behouden blijft. Uitgangspunt blijft evenwel dat de initiatiefnemer vooraf goede afspraken maakt met de gemeente over de maatregelen en anders over de gelden die gestort worden in een fonds. Dat kan zowel een gemeentelijk als een provinciaal fonds zijn. Nadere regels zijn in dat geval mogelijk niet nodig. Nadere regels zouden bijvoorbeeld kunnen zien op specifieke intergemeentelijke, bovenlokale vraagstukken of over de besteding.

Artikel 2.16 (Eisen aan de fasering van het opschalen en saneren in een projectplan)

In principe worden de bestaande molens in een projectgebied binnen een half jaar na de start van ingebruikname van de nieuwe windmolens gesaneerd. In het projectplan kan onderbouwd worden dat dit geen haalbare planning is en dat verlenging van de periode van een half jaar verlengd moet worden. Als (alleen) met een periode van dubbeldraaien (oude molens blijven nadat de nieuwe molens in gebruik zijn genomen nog langer dan een half jaar draaien) het plan aantoonbaar wel economisch uitvoerbaar is, dan kan de termijn bij wijze van uitzondering worden opgerekt. De maximale dubbeldraai termijn is altijd vijf jaar – en die termijn zal niet voor alle molens in het projectgebied gaan gelden. Het projectplan dient inzicht te geven in welke molens wanneer gesaneerd worden, waarbij de eisen van dit artikel voor zich spreken.

Artikel 2.17 (Eisen aan financiële participatie in een projectplan)

Dit artikel beschrijft de noodzaak om in het projectplan te voorzien in financiële participatie. Per fase (ontwikkel-, bouw- en exploitatiefase) gelden verschillende eisen, maar steeds dient deze participatie op een eerlijke, eenvoudige en evenwichtige wijze te worden uitgewerkt. Er gelden vier heldere uitgangspunten bij de financiële participatie. Het projectplan wordt hieraan getoetst. De mogelijkheden voor financiële participatie voor bewoners en ondernemers moeten voorafgaand aan de aanwijzing als projectgebied in een overeenkomst tussen initiatiefnemer en gemeente te zijn vastgelegd.

Artikel 2.18 (Eisen aan planparticipatie)

Initiatiefnemer dient te zorgen voor draagvlak voor en burgerparticipatie bij het plan. Het projectplan maakt inzichtelijk op welke wijze de omgeving vroegtijdig is en wordt betrokken.

Paragraaf 2.1.3.3 Hardheidsclausule

Zolang er nog geen bestemmingsplannen zijn vastgesteld waarin invulling is gegeven aan de regels over het opschalen en saneren van windmolens, moeten de regels van deze Verordening in acht worden genomen. Dit houdt in dat het verboden is het gebruik (waaronder ook bouwen wordt verstaan) van een bestaande windmolen te wijzigen in een ander gebruik waardoor het provinciaal grondgebied van Flevoland minder geschikt wordt voor het verwezenlijken van het beleid voor opschalen en saneren, inclusief de ruimtelijke doelstellingen.

Titel 2.2 Zonne-energie

Paragraaf 2.2.1 Algemeen

Artikel 2.20 (Oogmerk)

De regeling over zonne-energie heeft als doel om ruimte te bieden voor de ontwikkeling van grondgebonden zonne-energie in het landelijk gebied, waarbij de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied niet onevenredig wordt aangetast. Buiten het landelijk gebied is het aan de gemeenten om te bepalen of opstellingen voor zonne-energie worden toegestaan. Deze titel stelt uitsluitend regels voor het mogelijk maken van grondgebonden opstellingen van zonne-energie in landelijk gebied.

Provinciaal beleid zonne-energie

In de Omgevingsvisie FlevolandStraks heeft de provincie zich ten doel gesteld om in 2030 energieneutraal te zijn. Dit betekent dat het, naast het verminderen van energieverbruik, nodig is om duurzame energie op te wekken. Eén van deze duurzame energiebronnen betreft zonne-energie.

De provincie ziet de opwekking van zonne-energie als een belangrijke pijler onder de duurzame energieambitie. Dit is ook vastgelegd in de in het Omgevingsprogramma Flevoland opgenomen Structuurvisie Zon, waarin het provinciale beleid over zonne-energie is opgenomen. Hierin zijn tevens bouwstenen opgenomen die een leidraad geven voor de ontwikkeling van nieuwe grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied.

Vanuit het belang van zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik zal opwekking van zonne-energie voor het grootste deel binnen stedelijk gebied plaatsvinden. De energieambitie zal naar verwachting niet behaald worden met uitsluitend de opwekking van zonne-energie binnen stedelijk gebied. Om deze reden wil de provincie, onder voorwaarden, de oprichting van grondgebonden opstellingen van zonne-energie in het landelijk gebied toestaan.

De systematiek

De provincie wil gemeenten en initiatiefnemers ruimte geven voor de ontwikkeling van nieuwe initiatieven. Uitsluitend daar waar de bescherming van provinciale ruimtelijke belangen dat vereist, worden in de Omgevingsverordening regels gesteld. Deze regels hebben betrekking op de tijdelijkheid van grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied en het maximale areaal aan ontwikkelruimte, waarbinnen in het landelijk gebied nieuwe grondgebonden opstellingen voor zonne-energie kunnen worden gerealiseerd. Het is aan de gemeenten onderling om met inachtneming van hun eigen ruimtelijk beleid afspraken te maken over de invulling van de ontwikkelruimte in het landelijk gebied. De provincie monitort en evalueert dit proces met de gemeenten.

Artikel 2.21 (Begripsbepalingen)

Dit artikel gaat over de begrippen die in deze titel worden gehanteerd. Om redenen van toegankelijkheid en leesbaarheid zijn de begripsbepalingen gebundeld opgenomen aan het begin van deze titel.

Vanwege de omschrijving van 'bestemmingsplan' zijn de bepalingen van het hoofdstuk over windmolens niet alleen van toepassing op bestemmingsplannen en de aanpassingen ervan, maar ook inpassingsplannen, beheersverordeningen en omgevingsvergunningen in afwijking van het bestemmingsplan.

Paragraaf 2.2.2 Activiteiten: Ontwikkelruimte zonne-energie

Artikel 2.22 (Ontwikkelruimte zonne-energie)

De provincie wil in het landelijk gebied ruimte bieden voor de ontwikkeling van grondgebonden opstellingen voor zonne-energie. Tegelijkertijd moet voorkomen worden dat de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied onevenredig wordt aangetast. We willen bij voorkeur dat zo min mogelijk landelijk gebied aan zijn functie wordt onttrokken.

De provinciale ambitie is om als regio in 2030 energieneutraal te zijn. Hiervoor is het nodig om, naast het verminderen van het energieverbruik, 41,5 Petajoules (PJ) duurzame energie op te wekken. In de in het Omgevingsprogramma Flevoland opgenomen Structuurvisie Zon is bepaald dat het grootste deel van de opwekking van zonne-energie is voorzien op daken èn in stedelijk gebied. Daarbij gaat het om opwekking van zonne-energie op daken in landelijk en stedelijk gebied èn grondgebonden locaties binnen het stedelijk gebied. Om aan de energieambitie te voldoen is het daarnaast vereist om ruimte te bieden voor grondgebonden zonneparken in landelijk gebied. In de structuurvisie zon is de ambitie opgenomen dat er in 2025 minimaal 3,5 PJ energie wordt opgewekt in het landelijk gebied door middel van grondgebonden zonne-energie. Voor deze vraag van 3,5 PJ is circa 1.000 ha aan grondgebonden zon in het landelijk gebied nodig (zie het rapport ‘Zonneparken in het buitengebied van de provincie Flevoland, een economische en ruimtelijke verkenning’ van Wing / E&E advies uit oktober 2017). Dit is de maximale hoeveelheid grond die de provincie op dit moment ziet als bijdrage aan de invulling van de Flevolandse energieopgave. Ter bescherming van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied wordt in eerste instantie een ontwikkelruimte met een oppervlakte van 500 hectare in het landelijk gebied vrijgegeven voor het realiseren van nieuwe grondgebonden opstellingen voor zonne-energie. De provincie zal de ontwikkeling van deze proefhectaren monitoren en evalueren. Afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie kan aanvullende ontwikkelruimte –al dan niet met aanpassingen of nadere voorwaarden– beschikbaar komen. In deze verordening wordt dit geborgd door de eerste 500 hectare ontwikkelruimte bij recht toe te staan. Afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie kan aanvullende ontwikkelruimte met een maximale oppervlakte van 500 hectare worden vrijgegeven door middel van een besluit van gedeputeerde staten.

Ter bescherming van de ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied wordt in eerste instantie slechts 500 hectare ontwikkelruimte beschikbaar gesteld voor de ontwikkeling van grondgebonden opstellingen van zonne-energie. Na het vollopen van deze ontwikkelruimte zal er een evaluatie plaatsvinden (zie artikel 2.24). Afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie kan mogelijk aanvullende ontwikkelruimte voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied worden vrijgegeven. Dit is vastgelegd in het tweede lid van artikel 2.22. De aanvullende ontwikkelruimte bevat een maximale oppervlakte van 500 hectare. Bij een positieve evaluatie zal in totaal maximaal 1000 hectare landelijk gebied (eerste en tweede tranche tezamen) beschikbaar komen voor de realisatie van grondgebonden opstellingen voor zonne-energie.

Artikel 2.23 (Beoordelingsregels omgevingsvergunning: tijdelijkheid grondgebonden opstellingen voor zonne-energie)

Opwekking van zonne-energie is een relatief nieuwe vorm van energieopwekking. De opwekking vindt plaats door opstellingen die veelal een groot ruimtebeslag vergen. Deze opstellingen hebben invloed op de ruimtelijke kwaliteit en op de oorspronkelijke gebruiksmogelijkheden van het landelijk gebied.

De verwachting is dat technologische ontwikkelingen op het gebied van opwekking van zonne-energie ertoe leiden dat op termijn de ruimtebehoefte zal veranderen; ook de inrichting van de opstellingen als zodanig zal door technologische ontwikkeling wijzigen. Om de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied te beschermen mogen grondgebonden opstellingen voor zonne-energie alleen tijdelijk worden gehandhaafd. Voor de duur daarvan wordt aangesloten bij de technisch-economische levensduur van zonne-opstellingen, die maximaal 25 jaar bedraagt. Deze voorwaarde volgt uit provinciaal beleid waarin alleen tijdelijk ruimte wordt geboden aan grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied. De grondslag voor deze bepaling is artikel 2.23 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Dit betekent dat een gerealiseerde opstelling dient na 25 jaar verwijderd te worden, omdat de opstelling alsdan verouderd is. Ook zal het bestemmingsplan na ommekomst van de termijn van maximaal 25 jaar niet meer dienen te voorzien in zonnepanelen (zie artikel 2.26, vierde lid). De regeling laat onverlet dat na het verwijderen van de ‘oude’ opstelling een ‘nieuwe’ opstelling op (nagenoeg) dezelfde plek kan worden gerealiseerd. Immers, bij realisatie van een nieuwe opstelling met ook weer een tijdelijke omgevingsvergunning voor een nieuwe periode, wordt weer aan de omgevingsverordening voldaan. Dit maakt het mogelijk dat de alsdan bekende jongste techniek wordt toegepast.

Artikel 2.24 (Monitoring en evaluatie)

Gedeputeerde Staten evalueren de eerste 500 hectare ontwikkelruimte. Uiterlijk twee maanden na het vollopen van de 500 hectare ontwikkelruimte als bedoeld in artikel 2.22, eerste lid, zenden Gedeputeerde Staten ter kennisname een evaluatieverslag aan Provinciale Staten. In dit evaluatieverslag wordt in ieder geval aandacht besteed aan de besluitvormingsprocedures die voor de benodigde besluiten voor de realisering van de grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied doorlopen zijn. Verder wordt inzicht geboden in de locaties waar grondgebonden opstellingen voor zonne-energie worden gerealiseerd en de planning en het tempo, waarin projecten worden gerealiseerd.

De evaluatie is van belang voor het vrijgeven van de eventuele aanvullende ontwikkelruimte als bedoeld in artikel 2.22, tweede lid. Afhankelijk van de resultaten van de evaluatie kan een aanvullende ontwikkelruimte van maximaal 500 hectare grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied beschikbaar worden gesteld. De evaluatie is tevens het moment om te beoordelen of bijsturing nodig is die door middel van nadere regels door Gedeputeerde Staten kan plaatsvinden. De mogelijkheid tot vaststelling van nadere regels kan overigens ook voorafgaand aan de evaluatie plaatsvinden als dat nodig wordt geacht.

Artikel 2.25 (Nadere regels zonne-energie)

De opwekking van zonne-energie in het landelijk gebied betreft een nieuwe ontwikkeling in de provincie Flevoland. Uitgangspunt is de maximale oppervlakte aan ontwikkelruimte die in de verordening is vastgelegd. De mogelijkheid bestaat -mede naar aanleiding van de evaluatie- dat op uitvoeringsniveau nadere regels nodig zijn voor de ontwikkeling van de grondgebonden opstellingen van zonne-energie in het landelijk gebied. Door middel van deze bepaling wordt aan Gedeputeerde Staten de bevoegdheid toegekend om deze nadere regels te stellen.

Paragraaf 2.2.3 Instructies bestemmingsplan

Artikel 2.26 (Instructieregel bestemmingsplannen)

Uitgangspunt is de maximale ontwikkelruimte van in eerste instantie 500 hectare, die in de verordening is opgenomen. De door de gemeenten vast te stellen bestemmingsplannen voor het landelijk gebied mogen uitsluitend voorzien in ontwikkelruimte voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie tot een maximale oppervlakte van 500 hectare. Voor deze maximale ontwikkelruimte komen uitsluitend bestemmingsplannen in aanmerking, die zijn vastgesteld na inwerkingtreding van de Structuurvisie Zon.

Afhankelijk van de resultaten van de evaluatie wordt mogelijk aanvullende ontwikkelruimte beschikbaar gesteld. Voor deze maximale ontwikkelruimte komen uitsluitend bestemmingsplannen in aanmerking die zijn vastgesteld na inwerkingtreding van het besluit van Gedeputeerde Staten (artikel 2.22, tweede lid).

De maximale ontwikkelruimte geldt provinciebreed en het is aan de gemeenten om hieraan onderling nader invulling te geven. De provincie monitort de maximale ontwikkelruimte.

Er mogen uitsluitend omgevingsvergunningen met een maximale gebruiksduur van 25 jaar worden verleend voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied (artikel 2.23). Na ommekomst van de maximale geldingsduur van de omgevingsvergunning mag een bestemmingsplan niet langer voorzien in bouw- en gebruiksmogelijkheden voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie. Hierop is één uitzondering geformuleerd. Deze uitzondering betreft de situatie dat na het verwijderen van de ‘oude’ opstelling een ‘nieuwe’ opstelling op (nagenoeg) dezelfde plek wordt gerealiseerd. Immers, bij realisatie van een nieuwe opstelling met ook weer een tijdelijke omgevingsvergunning voor een nieuwe periode, wordt weer aan de omgevingsverordening voldaan. Dit maakt het mogelijk dat de alsdan bekende jongste techniek wordt toegepast.

Paragraaf 2.2.2 Activiteiten: Ontwikkelruimte zonne-energie

Artikel 2.22 (Ontwikkelruimte zonne-energie)

De provincie wil in het landelijk gebied ruimte bieden voor de ontwikkeling van grondgebonden opstellingen voor zonne-energie. Tegelijkertijd moet voorkomen worden dat de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied onevenredig wordt aangetast. We willen bij voorkeur dat zo min mogelijk landelijk gebied aan zijn functie wordt onttrokken.

De provinciale ambitie is om als regio in 2030 energieneutraal te zijn. Hiervoor is het nodig om, naast het verminderen van het energieverbruik, 41,5 Petajoules (PJ) duurzame energie op te wekken. In de in het Omgevingsprogramma Flevoland opgenomen Structuurvisie Zon is bepaald dat het grootste deel van de opwekking van zonne-energie is voorzien op daken èn in stedelijk gebied. Daarbij gaat het om opwekking van zonne-energie op daken in landelijk en stedelijk gebied èn grondgebonden locaties binnen het stedelijk gebied. Om aan de energieambitie te voldoen is het daarnaast vereist om ruimte te bieden voor grondgebonden zonneparken in landelijk gebied. In de structuurvisie zon is de ambitie opgenomen dat er in 2025 minimaal 3,5 PJ energie wordt opgewekt in het landelijk gebied door middel van grondgebonden zonne-energie. Voor deze vraag van 3,5 PJ is circa 1.000 ha aan grondgebonden zon in het landelijk gebied nodig (zie het rapport ‘Zonneparken in het buitengebied van de provincie Flevoland, een economische en ruimtelijke verkenning’ van Wing / E&E advies uit oktober 2017). Dit is de maximale hoeveelheid grond die de provincie op dit moment ziet als bijdrage aan de invulling van de Flevolandse energieopgave. Ter bescherming van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied wordt in eerste instantie een ontwikkelruimte met een oppervlakte van 500 hectare in het landelijk gebied vrijgegeven voor het realiseren van nieuwe grondgebonden opstellingen voor zonne-energie. De provincie zal de ontwikkeling van deze proefhectaren monitoren en evalueren. Afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie kan aanvullende ontwikkelruimte –al dan niet met aanpassingen of nadere voorwaarden– beschikbaar komen. In deze verordening wordt dit geborgd door de eerste 500 hectare ontwikkelruimte bij recht toe te staan. Afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie kan aanvullende ontwikkelruimte met een maximale oppervlakte van 500 hectare worden vrijgegeven door middel van een besluit van gedeputeerde staten.

Artikel 2.23 (Grondslag voor aanvullende ontwikkelruimte)

Ter bescherming van de ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied zal in eerste instantie slechts 500 hectare ontwikkelruimte beschikbaar worden gesteld voor de ontwikkeling van grondgebonden opstellingen van zonne-energie. Na het vollopen van deze ontwikkelruimte zal er een evaluatie plaatsvinden (zie artikel 2.25). Afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie kan mogelijk aanvullende ontwikkelruimte voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied worden vrijgegeven. De aanvullende ontwikkelruimte bevat een maximale oppervlakte van 500 hectare. Bij een positieve evaluatie zal in totaal maximaal 1000 hectare landelijk gebied (eerste en tweede tranche tezamen) beschikbaar komen voor de realisatie van grondgebonden opstellingen voor zonne-energie.

Artikel 2.24 (Beoordelingsregels omgevingsvergunning: tijdelijkheid grondgebonden opstellingen voor zonne-energie)

Opwekking van zonne-energie is een relatief nieuwe vorm van energieopwekking. De opwekking vindt plaats door opstellingen die veelal een groot ruimtebeslag vergen. Deze opstellingen hebben invloed op de ruimtelijke kwaliteit en op de oorspronkelijke gebruiksmogelijkheden van het landelijk gebied.

De verwachting is dat technologische ontwikkelingen op het gebied van opwekking van zonne-energie ertoe leiden dat op termijn de ruimtebehoefte zal veranderen; ook de inrichting van de opstellingen als zodanig zal door technologische ontwikkeling wijzigen. Om de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied te beschermen mogen grondgebonden opstellingen voor zonne-energie alleen tijdelijk worden gehandhaafd. Voor de duur daarvan wordt aangesloten bij de technisch-economische levensduur van zonne-opstellingen, die maximaal 25 jaar bedraagt. Deze voorwaarde volgt uit provinciaal beleid waarin alleen tijdelijk ruimte wordt geboden aan grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied. De grondslag voor deze bepaling is artikel 2.23 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Dit betekent dat een gerealiseerde opstelling dient na 25 jaar verwijderd te worden, omdat de opstelling alsdan verouderd is. Ook zal het bestemmingsplan na ommekomst van de termijn van maximaal 25 jaar niet meer dienen te voorzien in zonnepanelen (zie artikel 2.27, vierde lid). De regeling laat onverlet dat na het verwijderen van de ‘oude’ opstelling een ‘nieuwe’ opstelling op (nagenoeg) dezelfde plek kan worden gerealiseerd. Immers, bij realisatie van een nieuwe opstelling met ook weer een tijdelijke omgevingsvergunning voor een nieuwe periode, wordt weer aan de omgevingsverordening voldaan. Dit maakt het mogelijk dat de alsdan bekende jongste techniek wordt toegepast.

Artikel 2.25 (Monitoring en evaluatie)

Gedeputeerde Staten evalueren de eerste 500 hectare ontwikkelruimte. Uiterlijk twee maanden na het vollopen van de 500 hectare ontwikkelruimte als bedoeld in artikel 2.22 zenden Gedeputeerde Staten ter kennisname een evaluatieverslag aan Provinciale Staten. In dit evaluatieverslag wordt in ieder geval aandacht besteed aan de besluitvormingsprocedures die voor de benodigde besluiten voor de realisering van de grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied doorlopen zijn. Verder wordt inzicht geboden in de locaties waar grondgebonden opstellingen voor zonne-energie worden gerealiseerd en de planning en het tempo, waarin projecten worden gerealiseerd.

De evaluatie is van belang voor het vrijgeven van de eventuele aanvullende ontwikkelruimte. Afhankelijk van de resultaten van de evaluatie kan een aanvullende ontwikkelruimte van maximaal 500 hectare grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied beschikbaar worden gesteld. De evaluatie is tevens het moment om te beoordelen of bijsturing nodig is die door middel van nadere regels door Gedeputeerde Staten kan plaatsvinden. De mogelijkheid tot vaststelling van nadere regels kan overigens ook voorafgaand aan de evaluatie plaatsvinden als dat nodig wordt geacht.

Artikel 2.26 (Nadere regels zonne-energie)

De opwekking van zonne-energie in het landelijk gebied betreft een nieuwe ontwikkeling in de provincie Flevoland. Uitgangspunt is de maximale oppervlakte aan ontwikkelruimte die in de verordening is vastgelegd. De mogelijkheid bestaat -mede naar aanleiding van de evaluatie- dat op uitvoeringsniveau nadere regels nodig zijn voor de ontwikkeling van de grondgebonden opstellingen van zonne-energie in het landelijk gebied. Door middel van deze bepaling wordt aan Gedeputeerde Staten de bevoegdheid toegekend om deze nadere regels te stellen.

Paragraaf 2.2.3 Instructies bestemmingsplan

Artikel 2.27 (Instructieregel bestemmingsplannen)

Uitgangspunt is de maximale ontwikkelruimte van in eerste instantie 500 hectare, die in de verordening is opgenomen. De door de gemeenten vast te stellen bestemmingsplannen voor het landelijk gebied mogen uitsluitend voorzien in ontwikkelruimte voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie tot een maximale oppervlakte van 500 hectare. Voor deze maximale ontwikkelruimte komen uitsluitend bestemmingsplannen in aanmerking, die zijn vastgesteld na inwerkingtreding van de Structuurvisie Zon.

Afhankelijk van de resultaten van de evaluatie wordt mogelijk aanvullende ontwikkelruimte beschikbaar gesteld. Voor deze maximale ontwikkelruimte komen uitsluitend bestemmingsplannen in aanmerking die zijn vastgesteld na inwerkingtreding van het besluit van Gedeputeerde Staten (artikel 2.23).

De maximale ontwikkelruimte geldt provinciebreed en het is aan de gemeenten om hieraan onderling nader invulling te geven. De provincie monitort de maximale ontwikkelruimte.

Er mogen uitsluitend omgevingsvergunningen met een maximale gebruiksduur van 25 jaar worden verleend voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied (artikel 2.24). Na ommekomst van de maximale geldingsduur van de omgevingsvergunning mag een bestemmingsplan niet langer voorzien in bouw- en gebruiksmogelijkheden voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie. Hierop is één uitzondering geformuleerd. Deze uitzondering betreft de situatie dat na het verwijderen van de ‘oude’ opstelling een ‘nieuwe’ opstelling op (nagenoeg) dezelfde plek wordt gerealiseerd. Immers, bij realisatie van een nieuwe opstelling met ook weer een tijdelijke omgevingsvergunning voor een nieuwe periode, wordt weer aan de omgevingsverordening voldaan. Dit maakt het mogelijk dat de alsdan bekende jongste techniek wordt toegepast.

HOOFDSTUK 3 BESCHERMING LANDSCHAP

In hoofdstuk 3 zijn de bepalingen opgenomen die de (reclame-)borden buiten de bebouwde kom reguleren en heeft in beginsel betrekking op alle opschriften, aankondigingen en ver- en afbeeldingen, in welke vorm en van welke inhoud dan ook. De regeling ziet derhalve op meer dan alleen reclameborden. Deze bepalingen zijn gebaseerd op de autonome verordenende bevoegdheid die in de Provinciewet is opgenomen.

Paragraaf 3.1 Algemeen

Met dit hoofdstuk wordt beoogd ongewenste opschriften en reclame-uitingen in het landelijk gebied van Flevoland te reguleren. Het doel van de regeling is in de eerste plaats de bescherming van het landschapsschoon. Het provinciaal landschapsbeleid is gericht op het behoud en de verdere ontwikkeling van een voor Flevoland specifiek en karakteristiek en voor Nederland uniek landschapspatroon. Daarnaast speelt het aspect van de verkeersveiligheid, met name op die plekken waar de opschriften kunnen leiden tot een onoverzichtelijke of complexe verkeerssituatie.

Artikel 3.1 (Oogmerk en toepassingsgebied)

Dit hoofdstuk is alleen van toepassing buiten de bebouwde kom. Voor de uitleg van deze term wordt aangesloten bij artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994. De regels gelden voor tal van uitingen in het buitengebied.

Artikel 3.2 (Begripsbepalingen)

De diverse gebruikte begrippen , zoals 'opschrift', 'aankondiging', 'verbeelding' en 'afbeelding' mogen ruim worden uitgelegd. Veel borden zijn geplaatst op oude voertuigen en dergelijke. Maar ook spandoeken, vlaggen en luchtballonnen vallen onder de regeling. Bij luchtballonnen worden die ballonnen bedoeld die verankerd zijn aan enig voorwerp op de grond. Particuliere bewegwijzering kan onder omstandigheden eveneens als ongeoorloofd worden aangemerkt. Ook constructies, die overblijven wanneer het eigenlijke bord is verwijderd, kunnen het landschap ontsieren.

Paragraaf 3.2 Activiteiten

De kern is het verbod op het plaatsen of aanbrengen van opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het buitengebied van de provincie Flevoland. Het verbod is niet absoluut. In artikel 3.4 zijn diverse vrijstellingen opgenomen. Het is tevens mogelijk om van het verbod een ontheffing aan te vragen bij Gedeputeerde Staten. Van de ontheffingsbevoegdheid zal door Gedeputeerde Staten terughoudend gebruik worden gemaakt.

Artikel 3.3 (Verbodsbepaling)

Het eerste lid van artikel 3.3 richt zich met name op de opdrachtgever voor de plaatsing van een bord. In de regel zal de opdrachtgever een bedrijf zijn (c.q. degene die de zeggenschap heeft over dat bedrijf) dat door middel van het betreffende opschrift voor het bedrijf reclame maakt. Deze bepaling is zodanig geformuleerd dat ook degene die feitelijk het bord aanbrengt onder het verbod valt. Het tweede lid heeft specifiek betrekking op de eigenaar, andere zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak waar of waarop het bord is geplaatst. Het betreft hier de persoon die een zakelijk recht (bijvoorbeeld eigendom of erfpacht) of gebruiksrecht (bijvoorbeeld pacht of huur) kan laten gelden op het onroerende goed waar het bord is geplaatst. Meestal zal deze persoon de eigenaar of pachter van het land zijn. De opzet van dit artikel biedt de benodigde flexibiliteit om afhankelijk van de situatie van het geval diegene aan te spreken die in hoofdzaak verantwoordelijk dient te worden gehouden voor het niet naleven van dit hoofdstuk van de verordening en te kiezen voor de meest efficiënte wijze om een eind te maken aan de illegale situatie.

Artikel 3.4 (Uitzonderingen op de verbodsbepaling)

In dit artikel wordt een aantal borden 'vrijgesteld' van het algemene verbod: wanneer een bord voldoet aan de criteria van een van de opgesomde onderdelen van dit artikel is het verbod niet van toepassing en is plaatsing dus conform de genoemde criteria toegestaan. Ook voor vrijgestelde borden blijft overigens op grond van andere wetgeving gelden dat voor plaatsing ervan langs wegen toestemming van de wegbeheerder is vereist.

Onderdeel a Van het verbod zijn uitgezonderd borden die niet met het blote oog waarneembaar zijn vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats. Bijvoorbeeld borden die aan het zicht worden onttrokken door bebouwing of bosschages of die op een zodanig grote afstand van een weg zijn geplaatst dat deze niet meer zichtbaar zijn voor het publiek.

Onderdeel b Hierbij valt te denken aan restaurants, hotels, maneges en benzinestations. Ook de agrarische bedrijven vallen onder deze bepaling. Als voorwaarde geldt dat er een inhoudelijke relatie dient te bestaan tussen het opschrift en de aard van de uitgeoefende activiteit. Bovendien is een visuele relatie vereist: het bord dient bij de aanwezige bebouwing aan te sluiten omdat dan de aantasting van het landschap minimaal is. Wanneer die bebouwing op enige afstand van de weg is gelegen ligt het in de rede het bord bij de inrit daar naartoe te plaatsen. De term “op of in de directe nabijheid van de inrit” ziet in dat geval op de vereiste visuele relatie. Voor 'directe nabijheid' kan geen absolute afstand worden gegeven. Of bord en inrit optisch één geheel vormen is afhankelijk van aard en schaal van de omgeving.

In dit hoofdstuk van de verordening is de term 'bouwkavel' gehanteerd. Voor agrarische bedrijven staat dat in vrijwel alle gevallen gelijk aan het erf. In sommige gevallen is echter bebouwing buiten het erf ook toegestaan, bijvoorbeeld in een glastuinbouwgebied waar veelal de bouw van staand glas mogelijk is gemaakt in het productiegebied. Wanneer vanuit een bepaalde kas een product te koop wordt aangeboden kan het in de rede liggen het bord, waarop dat wordt aangekondigd, direct naast deze kas te plaatsen. In dat geval wordt de grond waarop de kas is geplaatst dus ook als bouwkavel beschouwd.

Bij recreatieve voorzieningen zoals een camping is veelal op het hele terrein bebouwing (zoals toiletgebouwtjes) of plaatsing van vergelijkbare objecten (zoals stacaravans) mogelijk. Ook in die gevallen kan de term bouwkavel dan ruim worden opgevat.

Onderdeel e Het gaat hier om borden waarop grootschalige evenementen e.d. worden aangekondigd of bewegwijzerd. Deze kunnen informatie over die gebeurtenis bevatten maar ook reclame van bijvoorbeeld sponsors. Reclame op borden elders dient duidelijk ondergeschikt te zijn aan de hoofdboodschap (bewegwijzering c.q. bekendmaking). Ook zijn borden toegestaan op het evenemententerrein zelf. Aan de inhoud daarvan is geen beperking opgelegd.

Verder is aangegeven dat het moet gaan om grootschalige publieke evenementen: een plaatselijke voetbalwedstrijd is geen aanleiding om elders in het buitengebied borden – al dan niet met eventuele sponsorreclame - toe te staan. Bewegwijzering naar kleinschalige evenementen e.d. komt in onderdeel j aan de orde.

Er is voorgeschreven dat de borden maximaal een maand vóór de gebeurtenis waarop zij betrekking hebben kunnen worden geplaatst, en binnen een termijn van een week dienen te worden verwijderd.

Onderdeel f Tegen borden op sportterreinen die als zodanig planologisch zijn bestemd, zoals voetbalvelden, hockeyvelden en motorsportterreinen, bestaan uit landschappelijk oogpunt in beginsel geen bezwaren, mits deze niet zichtbaar is vanaf de openbare weg (dus gericht op het sportterrein zelf). Daar komt bij dat in dat soort gevallen vaak sprake is van sponsoring van de verenigingen die gebruik maken van het betreffende terrein. Deze regeling heeft niet als oogmerk om daaraan beperkingen te verbinden.

Onderdeel g Dit onderdeel betreft bedrijventerreinen buiten de bebouwde kom, die op grond van een bestemmingsplan als zodanig zijn aangewezen. In dit soort situaties is sprake van zodanige bebouwing dat de plaatsing van borden in de meeste gevallen geen aantasting van het landelijk gebied zal opleveren. Als voorbeeld kan worden genoemd het bedrijventerrein Larserpoort bij Lelystad.

Onderdeel h Hierbij kan worden gedacht aan borden waarop de uitvoering van werken in het kader van de aanleg of onderhoud van wegen staat vermeld of een naamlijst van opdrachtgevers en aannemers e.d. Deze uitzondering zal veelal ook van toepassing zijn op borden die in het kader van de uitvoering van Europese projecten moeten worden geplaatst. Het gaat hierbij dus om borden voor werken in het algemeen belang.

De term 'werk in uitvoering' kan echter ook betrekking hebben op particuliere 'werken', zoals bijvoorbeeld de aanleg van een golfbaan of de ontwikkeling van een recreatieterrein. In dat geval is het wenselijk het belang van het landschap expliciet tegen het private commerciële belang te kunnen afwegen in het kader van ontheffingverlening, waarbij dan tevens nadere eisen aan bijvoorbeeld omvang van de borden en duur van de plaatsing kunnen worden gesteld. Daarom is bepaald dat de vrijstelling alleen geldt in geval er voor het werk van overheidswege opdracht is gegeven.

Voor wat betreft de uitleg van de term 'in de directe nabijheid van' wordt verwezen naar hetgeen daarover onder onderdeel b is opgemerkt. Ook in dit geval is een duidelijke visuele relatie vereist.

Onderdeel i De ervaring leert dat nabestaanden van verkeersslachtoffers soms de behoefte hebben om op of bij de plaats van het ongeval een herdenkingsteken te plaatsen. Gedeputeerde Staten hebben al in 2000 besloten om de plaatsing van dergelijke herdenkingstekens langs provinciale wegen toe te staan. Voor de plaatsing van dergelijke herdenkingstekens worden ook nadere regels gesteld in artikel 15.8.

Onderdeel j Deze bepaling heeft in de eerste plaats betrekking op de plaatsing van verkeerstekens en verkeersborden op grond van de verkeerswetgeving. Ook een lokale, regionale of landelijke actie waarbij speciale aandacht gevraagd voor veiligheid in het verkeer wordt geacht onder de regeling te vallen. Te denken valt aan spandoeken ('wij gaan weer naar school') die worden opgehangen in verband met de start van een nieuw schooljaar, acties van 3VO of van Rijkswaterstaat over aan te houden afstanden, BOB in het verkeer e.d. Voorts staan er langs wegen landelijk vormgegeven informatieborden over radiofrequenties en de nadering van benzinestations en wegrestaurants. Ook deze worden geacht onder de vrijstellingsregeling te vallen, evenals de borden waarmee toeristische routes bewegwijzerd worden en de aanduidingen van gemeente- en provinciegrenzen.

Bewegwijzeringsborden naar grootschalige publieke evenementen e.d. zijn in onderdeel e onder voorwaarden vrijgesteld. Maar ook ten behoeve van kleinschalige evenementen worden in de praktijk vaak door de organisatoren borden geplaatst, waarvoor zij dan aan de betreffende wegbeheerder toestemming vragen. Ook worden wel tijdelijke uitritten e.d. bewegwijzerd. Omdat het daarbij gaat om een tijdelijke bewegwijzering, die vaak op korte termijn moet worden geregeld, wordt het voldoende geacht wanneer daarvoor toestemming in het kader van het wegbeheer wordt gegeven. Die toestemming wordt alleen verleend voor borden die strikt noodzakelijk zijn voor de verkeersgeleiding. Overigens kent de Flevolandse provinciale bewegwijzering ook de mogelijkheid om daarin commerciële bedrijven op te nemen

Onderdeel k Gedacht wordt aan opschriften op zuilen die specifiek ten behoeve van reclame zijn opgericht (zoals bijvoorbeeld in de nabijheid van de wegrestaurants langs de A6). Met de bouw daarvan hebben Gedeputeerde Staten reeds ingestemd in het kader van de goedkeuring van het betreffende bestemmingsplan of in het kader van een procedure als bedoeld in artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. In die procedure is het belang van het landschap dan reeds afgewogen. Door sommige gemeenten worden bij de entree van de gemeente borden geplaatst waarop de evenementen worden aangekondigd, die in die gemeente zullen worden gehouden. Ook dergelijke borden vallen onder de onderhavige vrijstelling.

Onderdeel l Onderdeel l van artikel 3.4 heeft betrekking op gevallen waarbij uit een wettelijk voorschrift de verplichting voortvloeit om opschriften te plaatsen.

Onderdeel m Door het opnemen van deze vrijstelling wordt tegemoetgekomen aan de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot de vrijheid van meningsuiting. De lagere wetgever mag volgens de Hoge Raad geen beperking stellen aan de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting als zodanig, maar hij mag wel beperkingen stellen aan de verspreiding, mits er geen algemeen verbod daartoe wordt gegeven en mits het verbod voor het te beperken verspreidingsmiddel nog gebruik van enige betekenis overlaat (Hoge Raad, NJ 1990, 222). Met het oog op de bescherming van het landschapsschoon en de verkeersveiligheid zijn aan het openbaren van gedachten en gevoelens door middel van opschriften e.d. wel beperkingen gesteld ten aanzien van aantal en plaatsingsduur. Bepaald is dat per onroerende zaak één bord is geoorloofd. Voor het vaststellen van de begrenzing van de onroerende zaak, is in beginsel het eigendomsrecht doorslaggevend. Tevens is de toegestane plaatsingsduur beperkt tot drie maanden. In deze periode kan de rechthebbende eventueel een ontheffing aanvragen voor een langere plaatsingsduur.

Onderdeel n Vanwege het belang dat aan de verkiezingen van de verschillende democratische organen wordt gehecht wordt een ruime mogelijkheid geboden om de bevolking via borden met posters e.d. op deze verkiezingen te attenderen en om 'reclame' te maken voor de daaraan deelnemende politieke partijen. Deze mogelijkheid wordt alleen beperkt wat betreft de duur van de plaatsing (te weten in een effectieve periode rond de verkiezing).

Onderdeel o Proefveldborden zijn nodig om in proefvelden aan te geven waar welke soorten van een product staan. Gewasborden bevatten informatie over het product dat ter plaatse geteeld wordt. Deze borden kunnen eveneens een educatieve functie hebben: ze informeren de burger over de gewassen die in het agrarisch gebied staan. Het betreft hier tijdelijke borden, omdat ze alleen geplaatst zullen zijn zolang het product op het veld aanwezig is. Het opnemen van een merknaam valt gelet op de functie van de borden niet onder de vrijstelling. Dit betreft handelsreclame. Om te voorkomen dat voorbij wordt gegaan aan het doel van deze verordening (voorkomen van aantasting van het landschap en de natuur en met het oog op het belang van de verkeersveiligheid), wordt wel een maximale oppervlaktemaat (3 m2) gehanteerd en mag het bord niet verlicht of reflecterend zijn.

Onderdeel p Kenmerkend voor Flevoland is de landelijke inrichting en agrarische activiteiten die hier plaatsvinden. Het beleid is gericht op instandhouding van de landbouw en stimulering van de leefbaarheid op het platteland. In Flevoland wordt ruimte gegeven aan initiatieven om deze doelstellingen te bereiken. Daarbij hecht de provincie aan de mogelijkheid dat deze initiatieven aan de burger zichtbaar gemaakt kunnen worden.

Daarom zijn borden die dienen ter bewegwijzering naar een verkooppunt van agrarische producten, naar een minicamping of naar een andere aan het agrarisch bedrijf gerelateerde nevenactiviteit onder voorwaarden vrijgesteld. De middels deze borden bewegwijzerde nevenactiviteiten moeten wel een duidelijke functionele relatie hebben met de primaire activiteiten die op het betreffende agrarische bedrijf plaatsvinden. De relatie blijkt bijvoorbeeld uit het verwerken van door het bedrijf voortgebrachte producten, het tentoonstellen, het laten zien van activiteiten of het kunnen deelnemen aan activiteiten op het als zodanig functionerende agrarische bedrijf. Zo valt een handel in autobanden niet onder deze vrijstelling, maar een boer die zelfgemaakt ijs verkoopt wel. Bij een mini-camping gaat het om kamperen bij de boer.

Onderdeel q De natuurgebieden vormen een belangrijk onderdeel van de toeristisch-recreatieve structuur van Flevoland. Openstelling van en ook een goede bewegwijzering naar de natuurgebieden is belangrijk voor het draagvlak onder de bevolking en voor toerisme en recreatie. Daarbij kan bewegwijzering bovendien gebruikt worden ter ondersteuning van zonering van het recreatief gebruik in grotere natuurgebieden.

Daarom zijn borden ter bewegwijzering van die natuurgebieden ook vrijgesteld van het verbod, wanneer zij voldoen aan dezelfde eisen die aan de in onderdeel p vrijgestelde 'agrarische borden' zijn gesteld. Voor eventueel gewenste grotere borden kan een ontheffing worden aangevraagd, in welk verband de (grotere) effecten op het landschap kunnen worden beoordeeld.

Er worden geen nadere eisen gesteld ten aanzien van bijvoorbeeld het aantal borden per bedrijf of per kavel of de hoogte van een bord. Evenmin worden nadere eisen gesteld aan de plaatsingsduur van een bord, waardoor een bord permanent in het landelijk gebied aanwezig kan zijn. Om te voorkomen dat voorbij wordt gegaan aan het doel van deze verordening (voorkomen van aantasting van het landschap en de natuur en met het oog op het belang van de verkeersveiligheid), wordt wel een maximale oppervlaktemaat (3 m2) gehanteerd en mag het bord niet verlicht of reflecterend zijn.

Tenslotte wordt opgemerkt dat voor de plaatsing van de voor dit hoofdstuk vrijgestelde borden wel een vergunning noodzakelijk kan zijn op grond van hoofdstuk 15 Wegen en vaarwegen, namelijk wanneer de borden worden geplaatst in de berm van een bij de provincie in beheer zijnde openbare weg.

Artikel 3.5 (Beoordelingsregels)

Artikel 3.5 voorziet in een ontheffingsregeling. Een ontheffing kan alleen worden verleend als de plaatsing van een opschrift niet in strijd is met het belang van de bescherming van het landschap en het belang van de verkeersveiligheid. De borden waarvan de plaatsing op grond van de regeling wel is toegestaan zijn in artikel 3.4 zo uitputtend mogelijk opgesomd. Alleen in bijzondere gevallen, waarvoor die regeling geen aanvaardbaar alternatief biedt, kan door gedeputeerde staten eventueel een ontheffing worden verleend. Hierbij kan worden gedacht aan borden die informatie bevatten over (cultuurhistorische) monumenten en natuurterreinen. Ook voor tijdelijke borden en opschriften (voor bijvoorbeeld een particulier werk in uitvoering) is een ontheffing denkbaar. De plaatsing van dergelijke borden wordt getoetst aan de belangen van landschap en verkeersveiligheid. Met het oog op deze aspecten kunnen eventueel ook voorschriften of beperkingen aan de ontheffing worden verbonden. Dat kan ertoe leiden dat een dergelijk bord op een bepaalde plaats in het geheel niet wordt toegestaan (waarbij eventueel een suggestie wordt gedaan voor een andere plaats), dan wel dat de plaatsing van het bord wèl wordt toegestaan, maar dat aan de vorm, de afmetingen of de duur van de plaatsing van het opschrift door Gedeputeerde Staten beperkingen worden gesteld.

Artikel 3.6 (Algemene regel)

Voorwaarde van de uitzonderingen op de verbodsbepaling is dat het bord deugdelijk is geconstrueerd en in goede staat van onderhoud verkeert.

Artikel 3.7 (Gegevens en bescheiden)

Dit artikel regelt welke gegeven en bescheiden de aanvrager van een ontheffing als bedoeld in artikel 3.5 minimaal dient aan te leveren.

HOOFDSTUK 4 GRONDWATERONTTREKKINGEN

In lijn met het uitgangspunt 'decentraal wat kan, centraal wat moet' zijn in de Waterwet de eigen verordenende bevoegdheden van provincie en waterschap niet verder ingeperkt dan nodig. Dit blijkt onder andere uit hoofdstuk 6 van de Waterwet waar ruimte wordt geboden aan provincie en waterschap om zelf in de benodigde regelgeving te voorzien. Alleen waar dat nodig is met het oog op internationale verplichtingen of bovenregionale belangen, zullen door het Rijk regels worden gesteld. Dit betekent dat, waar van rijkswege gestelde regels ontbreken, waterschappen en provincies bevoegd zijn om daarin zelf bij verordening te voorzien.

De waterschappen zijn als watersysteembeheerder verantwoordelijk voor de regulering van de handelingen in het regionale watersysteem. De Waterwet maakt hierop één uitzondering voor een drietal specifieke categorieën van grondwateronttrekkingen. Deze categorieën zijn opgenomen in artikel 6.4 van de Waterwet. Het betreft onttrekkingen ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening, bodemenergiesystemen en onttrekkingen van meer dan 150.000 m3 per jaar ten behoeve van industriële toepassingen. Het infiltreren van water ten behoeve van voornoemde toepassingen valt ook onder het bevoegd gezag van gedeputeerde staten.

Onttrekkingen voor andere doeleinden kunnen worden gereguleerd door de waterschappen. De Waterwet laat de waterschappen de mogelijkheid voor de overige onttrekkingen een verbodsstelsel te introduceren met de mogelijkheid van vergunningen, algemene regels en vrijstellingen. De provincie heeft de mogelijkheid de regulering van de overige onttrekkingen te sturen via instructieregels bedoeld in artikel 3.11 van de Waterwet.

Titel 4.1 Algemeen

Artikel 4.1 (Oogmerk)

Hoofdstuk 4 bevat regels ten aanzien van de inrichting van het grondwaterregister. Ook voorziet dit hoofdstuk in de vrijstelling van de vergunningplicht voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van een bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, Waterwet. Tevens zijn in dit hoofdstuk instructiebepalingen opgenomen die mede sturend zijn voor de invulling van het verbodsstelsel bij de waterschappen en het grondwaterregister.

Artikel 4.2 (Begripsbepalingen)

Dit artikel gaat over de begrippen die in dit hoofdstuk worden gehanteerd. Om redenen van toegankelijkheid en leesbaarheid zijn de begripsbepalingen gebundeld opgenomen aan het begin van elk hoofdstuk.

Titel 4.2 Activiteiten

Artikel 4.3 (Uitzondering vergunningplicht en meet- en registratieplicht)

Op grond van artikel 6.4, tweede lid, van de Waterwet kan bij provinciale verordening worden bepaald dat er geen vergunningplicht geldt voor onttrekkingen waarbij de onttrokken hoeveelheid ten hoogste 10m3 per uur bedraagt. Het eerste lid van dit artikel voorziet, omwille van het streven naar een (landelijk) vergelijkbaar speelveld in deze vrijstelling voor bodemenergiesystemen met een pompcapaciteit die niet meer bedraagt dan 10m3 per uur. Deze onttrekkingsinrichtingen dienen op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit te worden gemeld aan Gedeputeerde Staten.

In het tweede lid is bepaald dat in interferentiegebieden de vrijstelling van de vergunningplicht niet geldt ter voorkoming van negatieve interferentie. In deze gebieden kan beleid worden gevoerd om de vraag naar en beschikbare ruimte voor bodemenergie op elkaar af te stemmen. In die gevallen dat gemeenten of de provincie besluiten interferentiegebieden aan te wijzen zullen gezamenlijk masterplannen voor de ondergrond en daarvan afgeleide beleidsregels voor de vergunningverlening worden vastgesteld. Voor reeds geïnstalleerde systemen die zijn gemeld voordat een interferentiegebied is aangewezen, is overgangsrecht opgenomen. Daar blijft het oude recht op van toepassing.

In het derde lid is een vrijstelling opgenomen van de verplichting tot meten en registreren voor bepaalde bodemenergiesystemen waarbij het onttrokken water via een gesloten systeem weer volledig wordt teruggebracht in hetzelfde watervoerende pakket. Dit om onnodige bestuurlijke lasten en de administratieve lastendruk voor burgers en bedrijven te voorkomen en omdat voor de onttrekking geen grondwaterheffing betaald hoeft te worden op grond van artikel 7.1 van het Waterbesluit. Er geldt geen vrijstelling voor de verplichting tot melden.

Titel 4.3 Instructieregels

Paragraaf 4.3.1 Gedeputeerde staten

Artikel 4.4 (Grondwaterregister)

Een betrouwbaar grondwaterregister is essentieel, zowel voor beleidsinhoudelijke beslissingen door provincie en waterschap (zoals belangenafweging bij vergunningverlening) als voor de provinciale grondwaterheffing. Een betrouwbaar grondwaterregister heeft met name waarde indien zowel de grondwateronttrekkingen waarvoor Gedeputeerde Staten bevoegd zijn als de grondwateronttrekkingen waarvoor het college van dijkgraaf en heemraden bevoegd is onder de registratieplicht vallen. Op die manier ontstaat een dekkend beeld van de belangrijkste grondwateronttrekkingen. De inrichting van het grondwaterregister is niet expliciet geregeld in de Waterwet, maar er wordt naar verwezen in artikel 7.4, eerste lid, onder c van de Waterwet. Dit houdt in dat de provincie bevoegd is daarin zelf bij of krachtens verordening te voorzien.

In overleg tussen IPO en Unie van Waterschappen is in 2009 een landelijk register opgezet: het Landelijk grondwater Register (LGR). Het LGR is ondergebracht bij TNO/DINO (https://www-new.lgronline.nl/). Ook bij een landelijk register is het noodzakelijk de verantwoordelijkheid voor het grondwaterregister bij een daar toe aangewezen bestuursorgaan neer te leggen. Gelet op de koppeling met de grondwaterheffing is in het eerste lid het beheer van het grondwaterregister neergelegd bij gedeputeerde staten. In het register staan alle gemelde en vergunde onttrekkingen en infiltraties binnen de provincie Flevoland.

In het tweede is bepaald dat Gedeputeerde Staten onttrekkingsinrichtingen die niet zijn gemeld overeenkomstig artikel 6.11, eerste lid van de Waterwet, ambtshalve in het openbaar register kunnen opnemen. Dit is noodzakelijk in verband met de grondwaterheffing. Het derde lid bepaalt dat de ambtshalve inschrijving terugwerkt tot de datum waarop de onttrekking is aangevangen.

Paragraaf 4.3.2 Waterschap Zuiderzeeland

Artikel 4.5 (Gegevens verstrekking en grondwaterregister)

In het eerste lid wordt geregeld dat in ieder geval alle onttrekkingen groter 10.000 m3, die onder het bevoegd gezag vallen van het college van dijkgraaf en heemraden, onder de registratieplicht moeten vallen. Deze instructiebepaling hangt samen met de provinciale grondwaterheffing en wordt aan de algemene vergadering opgelegd vanwege het grote provinciale belang bij een actuele registratie van potentieel heffingsplichtige onttrekkingsinrichtingen. Op grond van de grondwaterheffingsverordening zijn onttrekkingen van groter dan 20.000 m3 per jaar heffingsplichtig. De onttrekkingen die onder de heffingsplicht vallen fluctueren in de tijd. Het is om die reden dat de registratieplicht niet bij 20.000 m3 is gelegd maar bij 10.000 m3.

In het tweede lid is bepaald dat het college van dijkgraaf en heemraden jaarlijks aan gedeputeerde staten de gegevens verstrekt die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit worden verkregen. Volstaan kan worden met een eenmalige verstrekking tenzij als gevolg van tussentijdse wijzigingen de gegevens zijn gewijzigd. Het derde lid bevat de mogelijkheid voor gedeputeerde staten om aanvullende regels te stellen over de wijze van aanleveren van deze gegevens.

Om een volledig beeld te krijgen alle gemelde en vergunde onttrekkingen en infiltraties binnen de provincie Flevoland is het wenselijk dat ook het waterschap gebruik maakt van het Landelijk grondwater Register (LGR) voor het invoeren van gegevens over grondwateronttrekkingen en infiltraties. In het vierde lid wordt het gebruik van het LGR door het waterschap verplicht voorgeschreven.

HOOFDSTUK 5 GRONDWATERBESCHERMINGSGEBIEDEN

Titel 5.1 Algemeen

Artikel 5.1 (Oogmerk)

Dit hoofdstuk bevat voornamelijk de juridische vertaling van het in het Omgevingsprogramma Flevoland neergelegde beleid voor grondwaterbeschermingsgebieden. Aan de uitspraken in het Omgevingsprogramma Flevoland met betrekking tot de milieubeschermingsgebieden zijn als zodanig voor burgers of andere overheden geen rechtsgevolgen verbonden. Voor hen ontstaan eventuele rechtsgevolgen eerst als in de omgevingsverordening voor die gebieden regels worden gesteld. De moge-lijkheid dat uit andere hoofde rechtsgevolgen intreden, bijvoorbeeld op grond van de aanwijzing van een gebied ingevolge de Natuurbeschermingswet, door het opnemen van een aanlegvergunningenstelsel in een bestemmingsplan of door het opnemen van strafbepalingen in de algemene plaatselijke verorde-ningen, wordt hier niet uitgewerkt.

Absoluut verbod Op grond van de Wet milieubeheer moet er, als het gaat om de bevoegdheidstoedeling inzake de uitvoering van het grondwaterbeschermingsbeleid, onderscheid worden gemaakt handelingen buiten en binnen inrichtingen. Voor de inhoud van het begrip inrichting wordt verwezen naar de Wet milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Besluit omgevingsrecht. Over het algemeen is het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag voor een inrichting. In sommige gevallen is op grond van het Besluit omgevingsrecht het college van Gedeputeerde Staten of de minister bevoegd gezag. De regels in de omgevingsverordening hebben in beginsel betrekking op alle inrichtingen. De Wet milieubeheer bepaalt voor een belangrijk deel de wijze waarop in de provinciale verordening regels kunnen worden gesteld aan inrichtingen. In zijn algemeenheid geldt dat het mogelijk is om in de verordening ten aanzien van bepaalde inrichtingen in waterwin- of beschermingsgebieden een absoluut verbod op te nemen, een verbod waarvan geen ontheffing kan worden verleend. Hieraan is uitvoering gegeven in de artikelen 5.6 en 5.10 voor categorieën van inrichtingen in resp. beschermings- en waterwingebieden. Daarnaast bevatten de artikelen 5.7, en een absoluut verbod voor grondwateronttrekkingen/bodemverstoringen beneden bepaalde dieptes (met uitzondering van onttrekkingen voor openbare drinkwatervoorziening) in een deel van Zuidelijk Flevoland.

Voor handelingen buiten inrichtingen is de provincie bevoegd gezag. Voor uiteenlopende activiteiten kan door de provincie voorschriften worden opgesteld die direct kunnen worden toegepast in het kader van de ontheffingverlening op basis van deze verordening.

Het beleid van de provincie Flevoland is erop gericht ook binnen vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bodemverstorende activiteiten niet toe te staan. Een absoluut verbod in deze verordening is voor burgermeester en wethouders als bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning op grond van artikel 1.3b Wet milieubeheer een verplichte weigeringsgrond. De provincie gaat er vanuit dat het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning onderdeel milieu de bodemverstorende activiteiten niet vergund.

Uit een oogpunt van een heldere en doelmatige regelgeving geldt een absoluut verbod voor grondwateronttrekkingen/bodemverstoringen beneden bepaalde dieptes (met uitzondering van onttrekkingen voor openbare drinkwatervoorziening) in een deel van Zuidelijk Flevoland ingevoerd (artikelen 5.7, 5.11en 5.14). Dit ter bescherming van het grondwater dat exclusief is gereserveerd voor de openbare drinkwatervoorziening. Het absoluut verbod is beleidsmatig vastgelegd in het Omgevingsprogramma Flevoland en diens voorgangers. Het absoluut verbod sluit beter aan bij het beleid van de provincie zoals dat al vanaf 1992 in Zuidelijk Flevoland wordt gevoerd. Sinds 1992 is veel kennis opgebouwd van de ondergrond waardoor het in 2009 mogelijk was om met grote nauwkeurigheid de bovenkant van de weerstandbiedende laag te bepalen die het grondwater beschermd dat exclusief is gereserveerd voor de openbare drinkwatervoorziening. Hierdoor werd het mogelijk een absoluut verbod voor bodemverstorende activiteiten in te voeren. Met het absoluut verbod wordt voorkomen dat ontheffingaanvragen moeten worden beoordeeld en telkens, omwille van gevoerd beleid, moeten worden afgewezen. Het merendeel van de ontheffingaanvragen werden ingediend voor bodemverstorende activiteiten die samenhangen met het onttrekken van grondwater. Daarom is in artikel 5.17 de instructie aan het waterschap opgenomen met betrekking tot de regulering van grondwateronttrekkingen in Zuidelijk Flevoland.

Ten behoeve van de invoering van het absoluut verbod zijn de bestaande dieptegrenzen herijkt. Hierdoor wordt waar mogelijk ruimte geboden voor onttrekkingen in hoger gelegen watervoerende pakketten. De herijkte grenzen zijn neergelegd in de kaarten ‘Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland’, ‘Grondwaterbeschermingsgebied Bremerberg’, ‘Grondwaterbeschermingsgebied Fledite’, ‘Grondwaterbeschermingsgebied Harderbroek’ en ‘Grondwaterbeschermingsgebied Spiekzand’.

Instructiebepalingen Indien voor een inrichting de vergunningplicht van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geldt, kunnen met het oog op die vergunningverlening in de provinciale verordening naast een absoluut verbod, instructiebepalingen worden opgenomen. Via een instructiebepaling kan echter geen instructie tot weigeren van een vergunning worden gegeven. Voor vergunningplichtige inrichtingen kan gelet op de Wet milieubeheer in de verordening ook geen relatief verbod, dat wil zeggen een verbod met ontheffingsmogelijkheid, worden opgenomen.

In deze verordening zijn geen instructiebepalingen ter bescherming van het grondwater opgenomen. Hiervoor is gekozen vanwege een tweetal redenen:

  • 1.

    Ten eerste heeft de gemeente als bevoegd gezag een eigen verantwoordelijkheid om bij de vergunningverlening rekening te houden met de bescherming van het grondwater. Daarbij dient de gemeente binnen de grondwaterbeschermingsgebieden de provincie als adviseur te betrekken (artikel 2.26, derde lid, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Op deze wijze kunnen gedeputeerde staten als adviseur indien nodig invloed uitoefenen op de inhoud van een vergunning.

  • 2.

    Ten tweede komt de vergunningplicht voor steeds meer inrichtingen te vervallen.

Verboden, ontheffingen en meldingen Ten aanzien van inrichtingen met een meldingsplicht kunnen in de verordening verdergaande rechtstreeks werkende bepalingen worden opgenomen. In aanvulling op het reeds genoemde absoluut verbod kan gedacht worden aan een verbod- en ontheffingstelsel. Tot de mogelijkheden behoort ook algemene regels gekoppeld aan een meldingsysteem. In titel 5.2 is maximaal gebruik gemaakt van de door de wetgever geboden flexibiliteit en zijn alle drie hiervoor genoemde mogelijkheden toegepast.

Artikel 5.2 (Begripsbepalingen)

Dit artikel gaat over de begrippen die in dit hoofdstuk worden gehanteerd. Om redenen van toegankelijkheid en leesbaarheid zijn de begripsbepalingen gebundeld opgenomen aan het begin van elk hoofdstuk.

Reconstrueren Bij reconstructie wordt de bestaande situatie gewijzigd door: verplaatsen, verbreden, verdiepen en uitbreiden. Gebruikelijk onderhoud heeft geen zodanige wijziging van de bestaande situatie tot gevolg dat er veranderingen worden verwacht in de bestaande of te verwachten risico's voor de grondwaterkwaliteit. Onder gebruikelijk onderhoud wordt onder andere verstaan:

  • het vernieuwen en repareren van een bestaande deklaag van een weg, terrein, parkeergelegenheid;

  • het vernieuwen, repareren, ophogen van de fundering, waarbij niet dieper wordt gewerkt dan de onderkant van de fundering. Hierbij dient altijd gebruik gemaakt te worden van materialen die de minste risico's voor de grondwaterkwaliteit opleveren. Dit risico mag ten opzichte van de huidige situatie nooit vergroot worden;

  • baggerwerkzaamheden ten behoeve van het normale onderhoud van de waterweg, om de waterweg weer op ontwerpdiepte te krijgen;

  • het vernieuwen en repareren van bestaande rails, bovengrondse onderdelen van de spoorweg en onderdelen van de spoorweg die zich in en op de fundering bevinden.

Artikel 5.3 (Aanwijzing grondwaterbeschermingsgebieden)

De Wet milieubeheer verplicht de provincie om in de verordening regels op te nemen regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning in bij de verordening aangewezen gebieden. Het Besluit kwaliteit leefomgeving, een AMvB onder de Omgevingswet, kent deze verplichting ook. Met artikel 5.3 worden de grondwaterbeschermingsgebieden aangewezen. Verwezen wordt naar de bijgevoegde kaarten ‘Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland’, ‘Grondwaterbeschermingsgebied Bremerberg’, ‘Grondwaterbeschermingsgebied Fledite’, ‘Grondwaterbeschermingsgebied Harderbroek’ en ‘Grondwaterbeschermingsgebied Spiekzand’. Zowel de (rechtens relevante) aanwijzing als de regelgeving voor die gebieden worden in hoofdstuk 5 gegeven. Voor alle grondwaterbeschermingsgebieden is in titel 5.1 een zorgplichtbepaling opgenomen, die dient als vangnet voor het geval van een duidelijk voorzienbare aantasting van het gebied sprake is en de specifieke gedragsregels niet de vereiste bescherming bieden. Daarnaast is een meldplicht opgenomen.

Beschermingsgebieden en zones In het Omgevingsprogramma Flevoland zijn de gebieden aangegeven waar het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening dient te worden beschermd. Binnen die gebieden gelden regels die tot doel hebben de kwaliteit van het grondwater te beschermen. Die bescherming ligt niet in alle gebieden op hetzelfde niveau. Er is namelijk vanuit gegaan dat met een geringer beschermingsniveau kan worden volstaan, naarmate:

  • op het maaiveld de (horizontale) afstand tot de winningsmiddelen toeneemt;

  • in de bodem het aantal slecht doorlatende lagen boven het watervoerende pakket waaruit wordt onttrokken (de verticale afstand) toeneemt.

Dit heeft geleid tot een onderverdeling van de grondwaterbeschermingsgebieden. In volgorde van afnemend beschermingsregime kunnen de zones waterwingebied, beschermingsgebied en boringsvrije zone worden onderscheiden. De ligging van de bovengenoemde zones is aangegeven op de kaarten met de grondwaterbeschermingsgebieden.

Waterwingebied Het waterwingebied ligt direct rondom een grondwaterwinning van het waterleidingbedrijf. In beginsel worden in het waterwingebied alleen activiteiten ten behoeve van de drinkwaterwinning toegestaan. In Flevoland liggen de winningen Bremerberg, Fledite, Harderbroek en Spiekzand.

Beschermingsgebied Indien aanwezig ligt rondom het waterwingebied een beschermingsgebied. Dit beschermingsgebied is erop gericht de waterwinning ook op langere termijn (25 jaar) zeker te kunnen stellen. In deze gebieden zijn bepaalde mogelijk risicovolle activiteiten of handelingen verboden. Rond de winningen Spiekzand en Fledite in Zuidelijk Flevoland liggen geen beschermingsgebieden. Deze winningen worden goed beschermd door dikke kleilagen in de ondergrond, waardoor een beschermingsgebied niet nodig is. Wel moet de aantasting van de beschermende kleilagen worden voorkomen.

Boringsvrije zone Een groot deel van Zuidelijk Flevoland is als boringsvrije zone aangewezen om aantasting van de beschermende kleilagen te voorkomen. In dit gebied geldt sinds eind 2009 een absoluut verbod de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen beneden bepaalde dieptes. Dit ter bescherming van de voorraad diep zoet grondwater dat exclusief is gereserveerd voor de openbare drinkwatervoorziening en beschermd tegen negatieve invloeden van buitenaf. Het absoluut verbod sluit aan bij het beleid van de provincie zoals dat al vanaf 1992 in Zuidelijk Flevoland wordt gevoerd. Sinds 1992 is veel kennis opgebouwd van de ondergrond waardoor het mogelijk is geworden met een grote nauwkeurigheid de bovenkant van de weerstandbiedende laag te bepalen die het grondwater beschermd. Omdat een nauwkeurig beeld bestaat van de bodemopbouw in Zuidelijk Flevoland is een absoluut verbod voor bodemverstorende activiteiten mogelijk. Met het absoluut verbod wordt voorkomen dat ontheffingaanvragen moeten worden beoordeeld en telkens, omwille van het gevoerde beleid, moeten worden afgewezen. Het absoluut verbod is beleidsmatig vastgelegd in het Omgevingsprogramma Flevoland.

Artikel 5.4 (Zorgplicht)

In dit artikel is een zorgplichtbepaling opgenomen. Het betreft geen 'algemene' zorgplichtbepaling. Zij betreft alleen aantasting van het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als grondwaterbeschermingsgebied is aangewezen. In het tweede lid zijn enkele uitzonderingen opgenomen. De noodzaak van de onder a opgenomen uitzondering, dat de zorgplicht geen betrekking heeft op handelingen verricht in vergunningplichtige inrichtingen, volgt uit artikel 1.2, zesde lid, van de Wet milieubeheer. De zorgplichtbepaling geldt dus wel voor inrichtingen in een grondwaterbeschermingsgebied die niet vergunningplichtig zijn, maar waarvoor regels gelden op grond van artikel 8.40 van de Wet milieubeheer. De uitzondering die onder b staat vermeld volgt uit artikel 1.2, vijfde lid, van de Wet milieubeheer. De uitzondering onder c hangt samen met het feit dat de Wet bodembescherming en het hoofdstuk afvalstoffen van de Wet milieubeheer reeds een zorgplichtbepaling kennen.

Artikel 5.5 (Meldplicht)

Naast de zorgplicht is voorzien in een meldingsplicht. Deze verplicht een ieder die wetenschap heeft van een voor het gebied schadelijk voorval hiervan mededeling te doen aan Gedeputeerde Staten.

Titel 5.2 Activiteiten

Afdeling 5.2.1 Verboden, uitzonderingen en beoordelingsregels

Paragraaf 5.2.1.1 Beschermingsgebied

Artikel 5.6 (Verbod tot oprichten en in werking hebben inrichting)

In onderdeel a is een absoluut verbod opgenomen voor het oprichten van bepaalde categorieën van inrichtingen binnen een beschermingsgebied. De Wet milieubeheer biedt geen mogelijkheden om een meer flexibelere benadering toe te passen, bijvoorbeeld een verbod met een ontheffingsmogelijkheid. Daarom is in bijlage 3 een lijst met verboden categorieën van inrichtingen opgenomen die grote risico's voor het grondwater kunnen hebben en daarom geweerd moeten worden in het beschermingsgebied.

Vanwege de relatief goede natuurlijke bescherming van het grondwater is uitgegaan van de categorieën met een bodemindex 3 in de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', 2e druk, juli 1992 van de VNG. Vanwege de praktische toepasbaarheid van de lijst is op categorieniveau een selectie gemaakt. Het voorzorgsbeginsel dat wordt gehanteerd kan tot gevolg hebben dat ook mogelijke minder risicovolle inrichtingen die toch onder een risicovolle SBI-code vallen in een beschermingsgebied moeten worden geweerd.

In onderdeel b van dit artikel worden inrichtingen verboden waarbinnen respectievelijk brandbare vloeistoffen ondergronds worden opgeslagen of energie-uitwisseling plaatsvindt. In het laatste geval moet gedacht worden aan bijvoorbeeld ondergrondse energie-opslag en recirculatiesystemen voor het onttrekken of terugbrengen van energie in de ondergrond. Het verbod heeft betrekking op alle vormen van ondergrondse energiewisseling ongeacht of de uitwisseling middels een open of gesloten systeem plaatsvindt. Het ondergronds opslaan van brandbare vloeistoffen en het ondergrond uitwisselen van energie worden vanwege de grote risico's voor drinkwatervoorziening niet toelaatbaar geacht binnen een beschermingsgebied.

Artikel 5.7 (Verbod op bodemverstoring en gebruik bestrijdingsmiddelen)

In het eerste lid worden binnen een beschermingsgebied alle werken of handelingen waarbij de bodem vanaf maaiveld wordt geroerd, doorboord of anderszins doordrongen verboden voorzover deze dieper gaan dan de op de kaarten ‘Grondwaterbeschermingsgebied Bremerberg’ en ‘Grondwaterbeschermingsgebied Harderbroek’ aangegeven diepte. Hierdoor wordt voorkomen dat eventuele van nature aanwezige barrières worden aangetast, waardoor verontreinigingen in het voor de drinkwatervoorziening bestemde grondwater terecht kunnen komen. Zie de toelichting bij artikel 5.1 voor meer achtergrondinformatie over dit absolute verbod. in artikel 5.8, eerste lid is een limitatieve lijst opgenomen van werken en handelingen die wel zijn toegestaan.

Artikel 5.8 (Uitzondering verbod bodemverstoring)

In dit artikel zijn de vrijstellingen van het verbod op bodemverstoring van artikel 5.7 opgenomen. De vrijstellingen kennen geen diepte beperking. De vrijstellingen betreffen in eerste instantie handelingen of werken die in het belang van het grondwaterbeheer, bodemkwaliteit of drinkwatervoorziening worden uitgevoerd.

Daarnaast zijn ontgrondingen vrijgesteld waarvoor door Gedeputeerde Staten op grond van artikel 3 van de Ontgrondingenwet een vergunning is verleend. Ook heipalen in de bodem zijn vrijgesteld, mits deze palen in de bodem worden geslagen en niet geboord en het geen palen met verbrede voet betreft. Daarnaast mogen de palen niet worden gebruikt voor ondergrondse energie-uitwisseling. Met ondergrondse energie-uitwisseling wordt bedoeld het uitwisselen van energie door gebruikmaking van een transportmedium in de heipaal meestal met als doel een ruimte te verwarmen of te koelen.

Onder f. worden sonderingen vrijgesteld. Hierbij geldt dat het gehele sondeergat direct na uitvoering van de sondering wordt opgevuld met een waterondoorlatend materiaal (zwelklei) door middel van de met de Vereniging Ondernemers Technisch Bodemonderzoek (brancheorganisatie van bedrijven met werkzaamheden op het gebied van de geotechniek) afgestemde zogeheten "naprikmethode". Deze methode wordt toegepast om het risico op verontreiniging van het grondwater via sondeergaten te minimaliseren. Bij de "naprikmethode" wordt met tijdelijke stalen casingbuizen en een verloren punt (bij voorkeur biologisch afbreekbaar) gewerkt. Na het vullen van de casingbuizen met schoon kraanwater wordt het sondeergat vanaf onderen opgevuld met staven zwelklei die voor de specifieke situatie het meest geschikt zijn om de aangetaste beschermende werking van de doorboorde/gesondeerde klei- en leemlagen te herstellen. Het “na-prikken” met de stalen casingbuizen moet gelogd worden en de log moet op verzoek van de toezichthouder getoond kunnen worden ter controle van het behalen van de sondeerdiepte.

Artikel 5.9 (Verboden werken en handelingen buiten inrichtingen)

In de nabijheid van de grondwaterwinning voor de openbare drinkwatervoorziening dient ondergronds vervoer en opslag van schadelijke stoffen tegen te worden gegaan. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld ondergrondse rioolpersleidingen of brandstofleidingen. Artikel 5.9, eerste lid sub a is een aanvulling op de zorgplicht bepaling in artikel 5.4 van de verordening. Bij werken moet worden gedacht aan aardgasleidingen en dergelijke naar woningen en het afvoeren van binnen het gebied vrijkomend afvalwater via het riool.

Tevens worden risicovolle activiteiten buiten inrichtingen zoals wegen, kampeer- en parkeergelegenheden verboden. Met een kampeergelegenheid wordt bedoeld een terrein met daarbij behorende voorzieningen, ter beschikking gesteld voor het houden van recreatief nachtverblijf.

Ook lozingen in de bodem zijn verboden, met uitzondering van bepaalde bodemlozingen. Het verbod geldt onder voorwaarden bijvoorbeeld niet voor een lozing van hemelwater, drinkwater of een lozing via een vloeiveld, rietveld of door beregening van gewassen. Voor een volledige opsomming en bijbehorende voorwaarden werd in het verleden verwezen naar artikel 2 van het inmiddels vervallen Lozingenbesluit bodembescherming. Deze verwijzing is vervangen door een verwijzing naar het Besluit lozen buiten inrichtingen, het Besluit lozing afvalwater huishoudens of artikel 1.10a van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

In onderdeel e, wordt het roeren, doorboren of doordringen van een bodem onder oppervlaktewater, ook wel aangeduid als een waterbodem, verboden. Een waterbodem met een dikke sliblaag fungeert als een barrière tussen het oppervlaktewater in een beschermingsgebied en het grondwater dat als bron voor de drinkwaterproductie wordt gebruikt. Door het roeren van de waterbodem wordt deze barrière al dan niet tijdelijk opgeheven, waardoor verontreinigingen vanuit het oppervlaktewater in de drinkwaterwinning kunnen geraken. Om het onderhoud aan vaarwegen mogelijk te maken zijn onderhoudsbaggerwerkzaamheden uitgezonderd van het verbod.

Paragraaf 5.2.1.2 Waterwingebied

Artikel 5.10 (Verbod tot oprichten inrichting)

Binnen het waterwingebied geldt een absoluut verbod voor het oprichten van een inrichting. Van een absoluut verbod is geen ontheffing mogelijk en het verbod geldt voor alle inrichtingen, wel of niet vergunningplichtig. In het tweede lid wordt wel een uitzondering gemaakt voor inrichtingen ten behoeve van de drinkwaterproductie.

Artikel 5.11 (Verbod op bodemverstoring en gebruik bestrijdingsmiddelen in een waterwingebied)

In het eerste lid worden binnen een waterwingebied alle werken of handelingen waarbij de bodem vanaf maaiveld wordt geroerd, doorboord of anderszins doordrongen verboden voorzover deze dieper gaan dan de op de kaarten ‘Grondwaterbeschermingsgebied Bremerberg’, 'Grondwaterbeschermingsgebied Fledite', ‘Grondwaterbeschermingsgebied Harderbroek’ en 'Grondwaterbeschermingsgebied Spiekzand' aangegeven diepte. Hierdoor wordt voorkomen dat eventuele van nature aanwezige barrières worden aangetast, waardoor verontreinigingen in het grondwater bestemd voor de drinkwatervoorziening terecht kunnen komen. Zie de toelichting bij artikel 5.1 voor meer achtergrondinformatie over dit absolute verbod. In artikel 5.12, eerste lid is een limitatieve lijst opgenomen met werken en handelingen die wel zijn toegestaan.

Artikel 5.12 (Uitzondering verbod op bodemverstoring in een waterwingebied)

In dit artikel zijn de vrijstellingen van het verbod op bodemverstoring van artikel 5.11 opgenomen. De vrijstellingen kennen geen diepte beperking. De vrijstellingen betreffen in eerste instantie handelingen of werken die in het belang van het grondwaterbeheer, bodemkwaliteit of drinkwatervoorziening worden uitgevoerd.

Daarnaast zijn ontgrondingen vrijgesteld waarvoor door gedeputeerde staten op grond van artikel 3 van de Ontgrondingenwet een vergunning is verleend. Ook heipalen in de bodem zijn vrijgesteld, mits deze palen in de bodem worden geslagen en niet geboord en het geen palen met verbrede voet betreft. Daarnaast mogen de palen niet worden gebruikt voor ondergrondse energie-uitwisseling. Met ondergrondse energie-uitwisseling wordt bedoeld het uitwisselen van energie door gebruikmaking van een transportmedium in de heipaal meestal met als doel een ruimte te verwarmen of te koelen.

Onder f. worden sonderingen vrijgesteld. Hierbij geldt dat het gehele sondeergat direct na uitvoering van de sondering wordt opgevuld met een waterondoorlatend materiaal (zwelklei) door middel van de met de Vereniging Ondernemers Technisch Bodemonderzoek (brancheorganisatie van bedrijven met werkzaamheden op het gebied van de geotechniek) afgestemde zogeheten "naprikmethode". Deze methode wordt toegepast om het risico op verontreiniging van het grondwater via sondeergaten te minimaliseren. Bij de "naprikmethode" wordt met tijdelijke stalen casingbuizen en een verloren punt (bij voorkeur biologisch afbreekbaar) gewerkt. Na het vullen van de casingbuizen met schoon kraanwater wordt het sondeergat vanaf onderen opgevuld met staven zwelklei die voor de specifieke situatie het meest geschikt zijn om de aangetaste beschermende werking van de doorboorde/gesondeerde klei- en leemlagen te herstellen. Het “na-prikken” met de stalen casingbuizen moet gelogd worden en de log moet op verzoek van de toezichthouder getoond kunnen worden ter controle van het behalen van de sondeerdiepte.

Artikel 5.13 (Verboden werken en handelingen buiten inrichtingen in een waterwingebied)

In de nabijheid van de grondwaterwinning voor de openbare drinkwatervoorziening dient ondergronds vervoer en opslag van schadelijke stoffen tegen te worden gegaan. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld ondergrondse rioolpersleidingen of brandstofleidingen. Artikel 5.13, eerste lid sub a is een aanvulling op de zorgplicht bepaling in artikel 5.4 van de verordening. Bij werken moet worden gedacht aan aardgasleidingen en dergelijke naar woningen en het afvoeren van binnen het gebied vrijkomend afvalwater via het riool.

Tevens worden risicovolle activiteiten buiten inrichtingen zoals wegen, kampeer- en parkeergelegenheden verboden. Met een kampeergelegenheid wordt bedoeld een terrein met daarbij behorende voorzieningen, ter beschikking gesteld voor het houden van recreatief nachtverblijf.

Ook lozingen in de bodem zijn verboden, met uitzondering van bepaalde bodemlozingen. Het verbod geldt onder voorwaarden bijvoorbeeld niet voor een lozing van hemelwater, drinkwater of een lozing via een vloeiveld, rietveld of door beregening van gewassen. Voor een volledige opsomming en bijbehorende voorwaarden werd in het verleden verwezen naar artikel 2 van het inmiddels vervallen Lozingenbesluit bodembescherming. Deze verwijzing is vervangen door een verwijzing naar het Besluit lozen buiten inrichtingen, het Besluit lozing afvalwater huishoudens of artikel 1.10a van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

In onderdeel e, wordt het roeren, doorboren of doordringen van een bodem onder oppervlaktewater, ook wel aangeduid als een waterbodem, verboden. Een waterbodem met een dikke sliblaag fungeert als een barrière tussen het oppervlaktewater in een beschermingsgebied en het grondwater dat als bron voor de drinkwaterproductie wordt gebruikt. Door het roeren van de waterbodem wordt deze barrière al dan niet tijdelijk opgeheven, waardoor verontreinigingen vanuit het oppervlaktewater in de drinkwaterwinning kunnen geraken. Om het onderhoud aan vaarwegen mogelijk te maken zijn onderhoudsbaggerwerkzaamheden uitgezonderd van het verbod.

Paragraaf 5.2.1.3 Boringsvrije zone

Artikel 5.14 (Verbod op bodemverstoring en gebruik bestrijdingsmiddelen in een boringsvrije zone)

In het eerste lid worden binnen de boringsvrije zone alle werken of handelingen waarbij de bodem vanaf maaiveld wordt geroerd, doorboord of anderszins doordrongen verboden voorzover deze dieper gaan dan de op de kaart Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland' aangegeven diepte. Hierdoor wordt voorkomen dat eventuele van nature aanwezige barrières worden aangetast, waardoor verontreinigingen in het grondwater bestemd voor de drinkwatervoorziening terecht kunnen komen. Zie de toelichting bij artikel 5.1 voor meer achtergrondinformatie over dit absolute verbod. in artikel 5.15, eerste lid is een limitatieve lijst opgenomen van werken en handelingen die wel zijn toegestaan.

Artikel 5.15 (Uitzondering verbod op bodemverstoring boringsvrije zone)

In dit artikel zijn de vrijstellingen van het verbod op bodemverstoring van artikel 5.14 opgenomen. De vrijstellingen kennen geen diepte beperking. De vrijstellingen betreffen in eerste instantie handelingen of werken die in het belang van het grondwaterbeheer, bodemkwaliteit of drinkwatervoorziening worden uitgevoerd.

Daarnaast zijn ontgrondingen vrijgesteld waarvoor door Gedeputeerde Staten op grond van artikel 3 van de Ontgrondingenwet een vergunning is verleend. Ook heipalen in de bodem zijn vrijgesteld, mits deze palen in de bodem worden geslagen en niet geboord en het geen palen met verbrede voet betreft. Daarnaast mogen de palen niet worden gebruikt voor ondergrondse energie-uitwisseling. Met ondergrondse energie-uitwisseling wordt bedoeld het uitwisselen van energie door gebruikmaking van een transportmedium in de heipaal meestal met als doel een ruimte te verwarmen of te koelen.

Onder f worden sonderingen vrijgesteld. Hierbij geldt dat het gehele sondeergat direct na uitvoering van de sondering wordt opgevuld met een waterondoorlatend materiaal (zwelklei) door middel van de met de Vereniging Ondernemers Technisch Bodemonderzoek (brancheorganisatie van bedrijven met werkzaamheden op het gebied van de geotechniek) afgestemde zogeheten 'naprikmethode'. Deze methode wordt toegepast om het risico op verontreiniging van het grondwater via sondeergaten te minimaliseren. Bij de 'naprikmethode' wordt met tijdelijke stalen casingbuizen en een verloren punt (bij voorkeur biologisch afbreekbaar) gewerkt. Na het vullen van de casingbuizen met schoon kraanwater wordt het sondeergat vanaf onderen opgevuld met staven zwelklei die voor de specifieke situatie het meest geschikt zijn om de aangetaste beschermende werking van de doorboorde/gesondeerde klei- en leemlagen te herstellen. Het 'na-prikken' met de stalen casingbuizen moet gelogd worden en de log moet op verzoek van de toezichthouder getoond kunnen worden ter controle van het behalen van de sondeerdiepte.

Afdeling 5.2.2 Algemene regels en meldingen

Paragraaf 5.2.2.1 Beschermingsgebied

Artikel 5.16 (Algemene regels voor boorputten onttrekken grondwater of uitwisseling energie en voor het uitvoeren van sonderingen)

In dit artikel is als algemene regel een meldingsplicht opgenomen voor boorputten geschikt voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling energie tot en met de op de kaarten ‘Grondwaterbeschermingsgebied Bremerberg’ en ‘Grondwaterbeschermingsgebied Harderbroek’ aangegeven diepte. Door de introductie van een meldingsysteem is het mogelijk om zonder ontheffing in een groot deel van Zuidelijk Flevoland tot een bepaalde diepte bodemverstorende activiteiten toe te staan.

Aangezien de op de kaarten ‘Grondwaterbeschermingsgebied Bremerberg’ en ‘Grondwaterbeschermingsgebied Harderbroek’ aangegeven diepte gebaseerd is op de werkelijke diepte van de beschermende lagen is een verplichting voor het melden van de datum en tijd waarop een boorput wordt het opgericht en gewijzigd opgenomen. Op basis van de melding kan ter plaatse worden toegezien of de boorput in oprichting voldoet aan de voorwaarden. De gegevens en bescheiden die bij een melding moeten worden ingediend, zijn beschreven in artikel 5.19.

Naast boorputten geschikt voor het onttrekken van grondwater dienen ook boorputten voor het uitwisselen van energie te worden gemeld. Hieronder vallen ook de zogenaamde verticale bodemwisselaars. Een melding is nodig bij het oprichten of het wijzigen van een boorput. Onder wijzigen van een boorput wordt onder meer verstaan het plaatsen van een nieuwe binnenbuis, terugslagkleppen of het opvullen van het boorgat.

Paragraaf 5.2.2.2 Waterwingebied

Artikel 5.17 (Algemene regels voor boorputten onttrekken grondwater en uitwisseling energie en voor het uitvoeren van sonderingen)

In dit artikel is als algemene regel een meldingsplicht opgenomen voor boorputten geschikt voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling energie tot en met de op de kaarten ‘Grondwaterbeschermingsgebied Bremerberg’, Grondwaterbeschermingsgebied Fledite', ‘Grondwaterbeschermingsgebied Harderbroek’ en 'Grondwaterbeschermingsgebied Spiekzand' aangegeven diepte. Door de introductie van een meldingsysteem is het mogelijk om zonder ontheffing in een groot deel van Zuidelijk Flevoland tot een bepaalde diepte bodemverstorende activiteiten toe te staan.

Aangezien de op de kaarten ‘Grondwaterbeschermingsgebied Bremerberg’, Grondwaterbeschermingsgebied Fledite', ‘Grondwaterbeschermingsgebied Harderbroek’ en 'Grondwaterbeschermingsgebied Spiekzand' aangegeven diepte gebaseerd is op de werkelijke diepte van de beschermende lagen is een verplichting voor het melden van de datum en tijd waarop een boorput wordt het opgericht en gewijzigd opgenomen. Op basis van de melding kan ter plaatse worden toegezien of de boorput in oprichting voldoet aan de voorwaarden. De gegevens en bescheiden die bij een melding moeten worden ingediend, zijn beschreven in artikel 5.19.

Naast boorputten geschikt voor het onttrekken van grondwater dienen ook boorputten voor het uitwisselen van energie te worden gemeld. Hieronder vallen ook de zogenaamde verticale bodemwisselaars. Een melding is nodig bij het oprichten of het wijzigen van een boorput. Onder wijzigen van een boorput wordt onder meer verstaan het plaatsen van een nieuwe binnenbuis, terugslagkleppen of het opvullen van het boorgat.

Paragraaf 5.2.2.2 Boringsvrije zone

Artikel 5.18 (Algemene regels voor boorputten onttrekken grondwater of uitwisseling energie en voor het uitvoeren van sonderingen)

In dit artikel is als algemene regel een meldingsplicht opgenomen voor boorputten geschikt voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling energie tot en met de op de kaart 'Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland' aangegeven diepte. Door de introductie van een meldingsysteem is het mogelijk om zonder ontheffing in een groot deel van Zuidelijk Flevoland tot een bepaalde diepte bodemverstorende activiteiten toe te staan.

Aangezien de op de kaart 'Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland' aangegeven diepte gebaseerd is op de werkelijke diepte van de beschermende lagen is een verplichting voor het melden van de datum en tijd waarop een boorput wordt het opgericht en gewijzigd opgenomen. Op basis van de melding kan ter plaatse worden toegezien of de boorput in oprichting voldoet aan de voorwaarden. De gegevens en bescheiden die bij een melding moeten worden ingediend, zijn beschreven in artikel 5.19.

Naast boorputten geschikt voor het onttrekken van grondwater dienen ook boorputten voor het uitwisselen van energie te worden gemeld. Hieronder vallen ook de zogenaamde verticale bodemwisselaars. Een melding is nodig bij het oprichten of het wijzigen van een boorput. Onder wijzigen van een boorput wordt onder meer verstaan het plaatsen van een nieuwe binnenbuis, terugslagkleppen of het opvullen van het boorgat.

Paragraaf 5.2.2.4 Gegevens en bescheiden melding

Artikel 5.19 (Gegevens en bescheiden voor boorputten onttrekken grondwater of uitwisseling energie en voor het uitvoeren van sonderingen)

Titel 5.3 Instructieregels

Artikel 5.20 (Waterschap Zuiderzeeland: grondwateronttrekkingen in grondwaterbeschermingsgebieden)

Artikel 3.10 van de Waterwet biedt de provincie de bevoegdheid om de waterschappen bij provinciale verordening algemene instructies te geven, onder andere met betrekking tot de inhoud van de op grond van deze wet vast te stellen plannen en besluiten. Deze instructies kunnen worden gegeven met het oog op een samenhangend en doelmatig regionaal waterbeheer. De in artikel 5.20 opgenomen instructie richt zich op de regulering van de grondwateronttrekkingen in de 'Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland' door Waterschap Zuiderzeeland. Op grond van de Waterwet is regulering van de grondwateronttrekkingen overgelaten aan Waterschap Zuiderzeeland, behoudens drie specifieke categorieën van grondwateronttrekkingen.

Het beleid van de provincie Flevoland is erop gericht het derde watervoerende pakket in Zuidelijk Flevoland exclusief te reserveren voor de openbare drinkwatervoorziening. Andere onttrekkingen dan ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening worden niet toegestaan en waar nodig gesaneerd. Vergunningen voor onttrekkingen worden op grond van het provinciaal beleid nooit toegestaan. In het Omgevingsprogramma Flevoland is aangegeven dat, gelet op het voornoemde beleid, een absoluut verbod voor onttrekkingen (anders dan voor de openbare drinkwatervoorziening) in de onderhavige verordening wordt opgenomen. Een uitzondering op dit verbod moet worden gemaakt voor onttrekkingen ten behoeve van grond(water)saneringen, het grondwaterbeheer en grondwatermonitoring.

De provincie kan op grond van de Waterwet geen absoluut verbod instellen voor onttrekkingen onder haar bevoegd gezag (onttrekkingen ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening, bodemenergiesystemen en industriële onttrekkingen groter dan 150.000 m3). Wel kan de provincie via de grondwaterbeschermingsregelgeving een absoluut verbod instellen voor boringen en daarmee onttrekkingen absoluut verbieden. Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt in het hoofdstuk Grondwaterbeschermingsgebieden van deze verordening. Andere dan voornoemde grondwateronttrekkingen vallen onder het bevoegd gezag van Waterschap Zuiderzeeland. Voor de grondwateronttrekkingen onder bevoegd gezag van het waterschap moet het absoluut verbod ook gelden. Daarvoor moet in de waterverordening van Waterschap Zuiderzeeland eenzelfde absoluut verbod worden opgenomen. Gelet op de grote belangen die zijn gemoeid met de bescherming van het grondwater dat exclusief is gereserveerd voor de openbare drinkwatervoorziening is in artikel 5.20 een instructieregel opgenomen die de Algemene Vergadering verplicht in de keur van Waterschap Zuiderzeeland een absoluut verbod op te nemen voor onttrekkingen en infiltraties op een grotere diepte dan aangegeven op de kaarten 'Grondwaterbeschermingsgebied Bremerberg', 'Grondwaterbeschermingsgebied Fledite', 'Grondwaterbeschermingsgebied Harderbroek', 'Grondwaterbeschermingsgebied Spiekzand' en 'Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland'. Dit absoluut verbod houdt in dat het college van dijkgraaf en heemraden geen vergunning kunnen verlenen voor onttrekkingen als bedoeld in het eerste lid.

Waterschap Zuiderzeeland is bevoegd om –met inachtneming van de instructieregel van artikel 5.20– zelf te bepalen welke onttrekkingen en infiltraties vergunningplichtig zijn. Uit artikel 6.11 van de Waterwet volgt dat de keuze om voor een bepaalde handeling een vergunning te eisen er automatisch toe leidt dat die handeling onder het regime van de watervergunning komt te vallen. Op deze wijze is verzekerd dat er voor handelingen in een watersysteem altijd slechts één vergunning vereist is: de watervergunning.

Artikel 5.21 (Beoordelingsregels werken en handelingen buiten inrichtingen)

Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van de in artikel 5.9 en 5.13 genoemde verboden werken en handelingen. In verband met het absolute verbod in Zuidelijk Flevoland voor activiteiten die het derde watervoerende pakket beschermen geldt er geen ontheffingmogelijkheid voor het uitvoeren van bodemverstorende werken en handelingen in de boringsvrije zone. Op de kaarten ‘Grondwaterbeschermingsgebied Bremerberg’, ‘Grondwaterbeschermingsgebied Fledite’, ‘Grondwaterbeschermingsgebied Harderbroek’ en ‘Grondwaterbeschermingsgebied Spiekzand’ zijn de dieptegrenzen aangegeven waar beneden het absolute verbod geldt. Daarmee zijn overigens niet alle bodemverstorende activiteiten verboden. In artikel 5.8 en 5.12 is een limitatieve lijst van activiteiten opgenomen die wel zijn toegestaan.

HOOFDSTUK 6 WATERSYSTEEM

Titel 6.1 Algemeen

Artikel 6.1 (Oogmerk)

De bepalingen in dit hoofdstuk hebben betrekking op de totstandkoming en de inhoud van het regionaal waterplan, het beheerplan en de voortgangsrapportage. Daarnaast bevat dit hoofdstuk bepalingen over onder meer de aanwijzing en normering van regionale waterkeringen, de legger voor waterstaatswerken, de verslaglegging over de waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen, de projectprocedure voor waterstaatswerken en de toezending van projectplannen voor primaire waterkeringen.

Voor wat betreft de normering van regionale waterkeringen en wateroverlast wordt in dit hoofdstuk al vast uitgegaan van de in de Omgevingswet gehanteerde term “omgevingswaarde(n)”. Door het stellen van omgevingswaarden geeft de provincie nader invulling aan de reglementair opgedragen taak van de waterschappen, te weten de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied. Het waterschap is reglementair gehouden het watersysteem zo in te richten en te beheren dat het (op termijn) voldoet aan de in deze verordening nader gestelde eisen in de vorm van omgevingswaarden. Hetzelfde geldt voor de omgevingswaarden wateroverlast.

Artikel 6.2 (Begripsbepalingen)

Dit artikel gaat over de begrippen die in dit hoofdstuk worden gehanteerd. Om redenen van toegankelijkheid en leesbaarheid zijn de begripsbepalingen gebundeld opgenomen aan het begin van elk hoofdstuk.

Artikel 6.3 (Toedeling beheer waterschap)

De Waterwet beoogt te bewerkstelligen dat landsdekkend is bepaald wie belast zijn met het beheer van watersystemen. Hiertoe is in artikel 3.1 van de Waterwet bepaald dat alle watersystemen of onderdelen daarvan die bij het Rijk in beheer zijn, worden aangewezen bij algemene maatregel van bestuur. In artikel 2.2, tweede lid, van de Waterschapswet is bepaald dat de zorg voor het regionale watersysteem bij reglement aan waterschappen wordt opgedragen, tenzij dat niet verenigbaar is met een goede organisatie van de waterstaatskundige verzorging. De reglementaire taakopdracht is gebiedsgericht. Dat betekent dat alle regionale watersystemen of onderdelen daarvan bij een waterschap in beheer zijn, tenzij sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, van de Waterschapswet. Het vaarwegbeheer door de provincie is zo’n uitzonderingssituatie.

Ter uitvoering van artikel 3.2 van de Waterwet is in dit artikel het waterschap aangewezen als beheerder van het regionale watersysteem. Hierbij is verwezen naar de reglementaire omschrijving van de taak van het waterschap, zijnde de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied, voor zover deze taak niet aan andere publiekrechtelijke lichamen is opgedragen. Met de in de taakopdracht opgenomen clausulering wordt bereikt dat de toedeling van beheer geen betrekking heeft op watersystemen die in beheer zijn bij het Rijk of op vaarwegbeheer dat als onderdeel van het watersysteembeheer bij een gemeente of provincie berust.

Artikel 6.4 (Toedeling vaarwegbeheer)

Dit artikel voorziet in de aanwijzing van beheerders voor de in artikel 6.3 bedoelde uitzonderingsituatie. Hiertoe is op een bij de verordening behorende kaart aangegeven waar de provincie belast is met het vaarwegbeheer van regionale wateren. Door middel van deze kaart wordt de bestaande beheersituatie vastgelegd. Daarmee is het voor de bestuurspraktijk bepalend voor de vraag welk bestuursorgaan aangaande het vaarwegbeheer van bedoelde wateren een zorgplicht heeft dan wel bevoegdheden heeft. Een en ander is uitgewerkt in hoofdstuk 15 Wegen en vaarwegen.

Titel 6.2 Omgevingswaarden

Afdeling 6.2.1 Regionale waterkeringen

Artikel 6.5 (Aanwijzen regionale waterkeringen)

Op grond van artikel 2.4 van de Waterwet is het aan provinciale staten om bij verordening andere dan primaire waterkeringen en die in beheer zijn bij een andere beheerder dan het Rijk, aan te wijzen. In de volksmond ook wel regionale waterkeringen genoemd. Op grond van de kaarten genoemd in bijlage 4 is voor de bebouwde buitendijkse gebieden het tracé van de aan te wijzen regionale waterkeringen vastgelegd. Het tracé is gekarakteriseerd door per buitendijks gebied op kaarten zowel het verloop van de oeverlijn als het verloop van de buitenkruinlijn weer te geven. Het tracé is bepaald aan de hand van gehouden veldbezoeken, waarbij gekeken is welke bebouwing bescherming behoeft en getracht is zoveel mogelijk aan te sluiten bij in het veld herkenbare waterstaatkundige objecten (zoals waterkerende grondlichamen, harde bekledingen en damwanden) en andere kenmerkende gebiedsobjecten (zoals wegen, kavelsloten of zichtbare hoogteverschillen). In de buitendijkse gebieden is een aantal bouwwerken aanwezig waaraan geen bescherming wordt geboden gelet op het lage “schadeprofiel” (stenen toiletgebouwen). Daarnaast worden bouwwerken die relatief gemakkelijk verplaatsbaar zijn (zoals caravans) eveneens niet in de bescherming betrokken. Op de in bijlage 4 opgenomen kaarten zijn de regionale waterkeringen opgenomen die de bebouwde buitendijkse gebieden beschermen tegen wateroverlast. Gemakshalve wordt hier verder verwezen naar de opgenomen kaarten.

Volledigheidshalve kan hierbij nog het volgende worden opgemerkt. Met de aanwijzing in deze verordening wordt het tracé van de regionale waterkering globaal vastgelegd. De nadere detaillering en de vorm en constructie van de regionale waterkering zal echter door Waterschap Zuiderzeeland worden vastgelegd in de legger als bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet.

Artikel 6.6 (Omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen)

Op grond van artikel 2.4 van de Waterwet moeten bij provinciale verordening voor daarbij aan te wijzen andere dan primaire waterkeringen die in beheer zijn bij een andere beheerder dan het Rijk, veiligheidsnormen (lees: omgevingswaarden) worden vastgesteld. Dit artikel voorziet daarin. Vastgelegd is wat het gewenste beschermingsniveau is van de waterkeringen die op grond van hun functie van regionale betekenis worden geacht. De desbetreffende regionale waterkeringen zijn aangegeven op de kaarten in bijlage 4. In deze bijlage is voor elke waterkering de omgevingswaarde aangegeven.

Provinciale Staten hebben in 2005 de waterkerende voorzieningen rond 24 bestaande bebouwde buitendijkse gebieden aangewezen als regionale waterkering en genormeerd. De keringen zijn genormeerd met een minimale normering van 1/10. De keringen die reeds een hogere bescherming boden, zijn hoger genormeerd. Bij nieuwe en bestaande gebieden waar grootschalige herontwikkeling plaatsvindt, worden de in het omgevingsplan beschreven veiligheidsnormen gehanteerd. Afhankelijk van de gebruiksfunctie zijn dit:

Grondgebruik Veiligheidsnorm buitendijks gebied [1/jaar]

Stedelijk 1/1000

Glastuinbouw 1/500

Landbouw 1/30

In het tweede tot en met het vijfde lid zijn de regels opgenomen ten aanzien van het ontwerpen en beoordelen van de regionale waterkeringen. Hierbij is zo veel mogelijk aangesloten bij de regels voor de primaire waterkeringen. Zo kunnen gedeputeerde staten een technische leidraad vaststellen die tot aanbeveling strekt van het waterschap. Daarnaast stellen Gedeputeerde Staten voorschriften vast voor de beoordeling van de regionale waterkeringen en stellen zij hydraulische randvoorwaarden vast voor het toetsen van regionale waterkeringen. Deze nadere regels zijn vastgelegd in een op de deze verordening gebaseerd uitvoeringsbesluit.

Artikel 6.7 (Tijdstip voldoen)

In dit artikel wordt vastgelegd dat het waterschap zorgdraagt dat de regionale waterkeringen aan de normen voldoen.

De aanwijzing en normering van Havenkwartier Zeewolde als regionale waterkering heeft op 13 december 2017 plaatsgevonden, maar is nog niet inwerking getreden. Op het moment dat het Rijk deze kering niet langer als primaire waterkering heeft aangewezen in de Waterwet bepalen Gedeputeerde Staten het moment van inwerkingtreding en wordt Havenkwartier Zeewolde vanaf dat moment een regionale waterkering. Verwezen wordt naar artikel 18.13.

De aanwijzing en normering van Knardijk als regionale waterkering is op 13 december 2017 komen te vervallen, maar is nog niet in werking getreden. Op het moment dat het algemeen bestuur van het waterschap de Knardijk heeft aangewezen en genormeerd als overige kering bepalen Gedeputeerde Staten het moment van inwerkingtreding en wordt de Knardijk uit bijlage 4 verwijderd. Verwezen wordt naar artikel 18.13.

Afdeling 6.2.2 Wateroverlast

Artikel 6.8 (Omgevingswaarden wateroverlast binnen bebouwde kom)

In het eerste lid is de omgevingswaarde opgenomen voor de inrichting van regionale wateren binnen de bebouwde kom. De omgevingswaarde voor wateroverlast is opgenomen als gemiddelde overstromingskans per jaar. Voor de gebieden met de functie ‘water voor bos en natuur’ zijn geen omgevingswaarden vastgelegd. Deze gebieden zijn vastgelegd op de kaart Gebieden zonder normering wateroverlast.

Het waterschap dient zorg te dragen dat het watersysteem aan de omgevingswaarden voor wateroverlast voldoet. Wanneer in een bepaald gebied de geldende omgevingswaarde voor wateroverlast niet op maatschappelijk aanvaardbare wijze gehaald kan worden, kunnen Gedeputeerde Staten op grond van het derde lid tijdelijk ontheffing verlenen. Dit kan dienen als tijdelijke overgangsperiode waarin het waterschap samen met de provincie en gemeente kan zoeken naar meer duurzame en robuuste oplossingen. Voor de duur van deze periode kan het waterschap andere maatregelen nemen waarbij een schaderegeling tot de mogelijkheden behoort. Na afloop van de termijn waarvoor ontheffing is verleend of naar aanleiding van de eerstvolgende toetsing van het watersysteem zal opnieuw moeten worden bezien of de ontstane wateropgave door het waterschap kan worden opgelost.

Artikel 6.9 (Omgevingswaarden wateroverlast buiten bebouwde kom)

In het eerste lid is de omgevingswaarde opgenomen voor de inrichting van regionale wateren buiten de bebouwde kom. De omgevingswaarde voor wateroverlast is opgenomen als gemiddelde overstromingskans per jaar. Voor de gebieden met de functie ‘water voor bos en natuur’ zijn geen omgevingswaarden vastgelegd. Deze gebieden zijn vastgelegd op de kaart Gebieden zonder normering wateroverlast.

Het waterschap dient zorg te dragen dat het watersysteem aan de omgevingswaarden voor wateroverlast voldoet. Wanneer in een bepaald gebied de geldende omgevingswaarde voor wateroverlast niet op maatschappelijk aanvaardbare wijze gehaald kan worden, kunnen Gedeputeerde Staten op grond van het derde lid tijdelijk ontheffing verlenen. Dit kan dienen als tijdelijke overgangsperiode waarin het waterschap samen met de provincie en gemeente kan zoeken naar meer duurzame en robuuste oplossingen. Voor de duur van deze periode kan het waterschap andere maatregelen nemen waarbij een schaderegeling tot de mogelijkheden behoort. Na afloop van de termijn waarvoor ontheffing is verleend of naar aanleiding van de eerstvolgende toetsing van het watersysteem zal opnieuw moeten worden bezien of de ontstane wateropgave door het waterschap kan worden opgelost.

Artikel 6.10 (Beoordelingsregels wateroverlast)

In dit artikel wordt bepaald dat gedeputeerde staten nadere regels stellen aangaande de toepassing van de normering door het waterschap. Deze regels hebben onder andere betrekking op de rekenregels, maar ook op de begrenzing van de deelgebieden als bedoeld in het tweede lid. Met het vaststellen van de regels wordt beoogd de normering eenduidig toepasbaar te maken. De nadere regels zijn vastgelegd in een op de deze verordening gebaseerd uitvoeringsbesluit.

Titel 6.3 Instructieregels

Afdeling 6.3.1 Gedeputeerde staten

Artikel 6.11 (Inhoud regionaal waterplan)

Provinciale Staten stellen thans op grond van artikel 4.4 van de Waterwet een regionaal waterplan vast. De waterschappen moeten met dit plan rekening houden bij het opstellen van hun beheerplan. Dit is de waarborg dat het uitvoeringsgerichte beheerplan goed is ingebed in het breder afgewogen regionaal waterplan. Om de betekenis van de watersysteembenadering te benadrukken biedt de Waterwet de mogelijkheid om, in plaats van voor de gehele provincie, een regionaal waterplan te maken voor bijvoorbeeld een deelstroomgebied.

De Waterwet geeft in artikel 4.4 duidelijk aan welke onderdelen het regionaal waterplan moet bevatten. De verordening is op dit punt dan ook beknopt. In dit artikel zijn twee aanvullende onderdelen opgenomen. Het eerste lid spreekt voor zich. Met het tweede lid wordt beoogd dat integratie van water en ruimtelijke ordening alleen mogelijk is wanneer de ruimtelijke gevolgen van de wateropgaven worden uitgewerkt in ruimtelijke plannen. De Waterwet brengt daarom een koppeling aan tussen de wateropgaven en de uitwerking daarvan door het regionaal waterplan tegelijkertijd de status te geven van structuurvisie in de zin van de Wet ruimtelijke ordening.

Artikel 6.12 (Voorbereiding regionaal waterplan)

Het eerste artikellid verplicht Gedeputeerde Staten tot het voeren van overleg met ten minste het college van dijkgraaf en heemraden, de colleges van burgemeester en wethouders van de binnen het plangebied liggende gemeenten en de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat IJsselmeergebied. Het staat Gedeputeerde Staten vrij, behalve met de genoemde partijen, ook te overleggen met andere partijen.

De in het tweede artikellid neergelegde verplichting tot raadplegen heeft een wat lichter karakter. Dit artikellid bepaalt namelijk dat Gedeputeerde Staten, in plaats van te overleggen, de minister, Gedeputeerde Staten van de aangrenzende provincies en de beheerder van de grensoverschrijdende of grensvormende watersystemen dienen te raadplegen. Deze opsomming is niet limitatief. Het staat Gedeputeerde Staten vrij bijvoorbeeld andere overheden, bedrijven en instanties te raadplegen. Daarbij kan worden gedacht aan waterleidingbedrijven en belangenorganisaties, zoals LTO, natuur- en milieuorganisaties, VNO-NCW en de Kamer van Koophandel.

Het derde lid regelt dat afdeling 3.4 van de Algemene Wet Bestuursrecht van toepassing is op de voorbereiding van het waterplan. De inspraakperiode bedraagt zes weken. In afwijking van afdeling 3.4 van de Algemene Wet Bestuursrecht -dat alleen ziet op zienswijze door belanghebbenden- wordt met het vierde lid een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze over het regionaal waterplan naar voren te brengen.

Artikel 6.13 (Uitwerking regionaal waterplan)

Dit artikel biedt Provinciale Staten de grondslag om Gedeputeerde Staten de bevoegdheid te verlenen dan wel te verplichten tot het, onder nader beschreven voorwaarden, uitwerken van bepaalde onderdelen van het regionaal waterplan. De planuitwerking verkrijgt vervolgens dezelfde status als het regionaal waterplan. De bevoegdheid is beperkt tot het uitwerken van het eerder vastgestelde kader. Deze mag zich niet richten op het niveau van daadwerkelijk uitvoering van maatregelen. Die bevoegdheid is immers voorbehouden aan de waterschappen. Een in een uitwerkingsplan uit te werken onderwerp is bijvoorbeeld het aanwijzen van een waterbergingsgebied. Voor de uitwerking van het plan gelden dezelfde voorbereidingsregels als voor het waterplan zelf. Artikel 6.12 is van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 6.3.2 Waterschap Zuiderzeeland

Paragraaf 6.3.2.1 Beheerplan

Artikel 6.14 (Inhoud beheerplan)

Het beheerplan bevat, op de schaal van het waterschap, een uitwerking van de strategische doelen, die de provincie in haar regionaal waterplan heeft geformuleerd. De uitwerking bevat ten minste concrete maatregelen, de bijbehorende planning en de kosten die nodig zijn om deze maatregelen te realiseren.

Het beheerplan behoeft niets te regelen over het beheer in buitengewone omstandigheden. Artikel 5.24 Waterwet, de uitwerking daarvan in het waterbesluit en de verwijzing naar artikel 3.9 van de Waterwet bevatten een duidelijke regeling. De bepalingen zijn gericht tot de beheerder en bieden Gedeputeerde Staten, zo nodig, de mogelijkheid tot het geven van aanwijzingen en het uitvoeren van beslissingen in naam van en ten laste van het waterschap.

De verordening geeft in navolging van artikel 4.7 van de Waterwet wel regels voor de in het beheerplan van het waterschap op te nemen onderdelen. Op grond van de Waterwet zijn in artikel 6.14 van de verordening aanvullende regels gesteld aan de inhoud van het beheerplan van het waterschap.

Artikel 6.15 (Raadplegen)

In dit artikel is bepaald welke overheden het college van dijkgraaf en heemraden minimaal dient te raadplegen bij de opstelling van het beheerplan. Het betrekken van gemeenten bij de voorbereiding is van belang om te bereiken dat de planvorming op het gebied van het waterbeheer goed wordt afgestemd op het gemeentelijke beleid. Het watersysteem is immers een belangrijke factor bij het duurzaam inrichten van het landelijk en stedelijk gebied. Het belang van gemeenten is daarbij evident. Uiteraard dient het beheerplan ook goed te zijn afgestemd op de beheerplannen van de aangrenzende beheerders.

Artikel 6.16 (Openbare voorbereiding)

Op de voorbereiding van het beheerplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard. In de IPO-Unie notitie “Afstemming van taken in het regionale waterbeheer” (2005) is aangegeven dat het wenselijk is dat het op het beheerplan gebaseerde uitvoeringsprogramma zonder zware procedure jaarlijks kan worden aangepast. Artikel 6.16, derde lid voorziet in deze mogelijkheid. Wel moet formeel worden vastgesteld dat aan toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene Wet Bestuursrecht geen behoefte bestaat. Die behoefte kan ontbreken indien er ondergeschikte wijzigingen in het maatregelenprogramma worden doorgevoerd. In de Waterwet is expliciet bepaald dat bij provinciale verordening moet worden geregeld dat een vastgesteld beheerplan moet worden toegezonden aan de minister van Infrastructuur en Milieu. Het vierde lid voorziet hierin.

Artikel 6.17 (Uitwerking beheerplan)

Dit artikel biedt de algemene vergadering de grondslag om het college van dijkgraaf en heemraden de bevoegdheid te verlenen dan wel te verplichten tot het, onder nader beschreven voorwaarden, uitwerken van bepaalde onderdelen van het beheerplan. De planuitwerking verkrijgt vervolgens dezelfde status als het beheerplan doordat het daar onderdeel van uitmaakt. Op grond van de Waterwet is het niet langer mogelijk om het college van dijkgraaf en heemraden de bevoegdheid te verlenen van het beheerplan af te wijken.

Artikel 6.18 (Toezending aan Gedeputeerde Staten)

Dit artikel regelt dat het waterschap het vastgestelde beheerplan dan wel een vastgestelde uitwerking van het beheerplan binnen vier weken na besluitvorming daaromtrent toestuurt aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 6.19 (Algemene voortgangsrapportage)

Dit artikel regelt de jaarlijkse voortgangsrapportage van het waterschap. Dit artikel ziet op de voortgang van de uitvoering van het geldende beheersplan, de mate waarin de gestelde doelen van het beheersplan worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgestelde maatregelen. Het gaat bij de voortgangsrapportage om de prestaties en om de effecten. Het opnemen van een rapportageverplichting is in overeenstemming met de landelijke afspraken die gemaakt zijn in de IPO-Unie notitie 'Afstemming van taken in het regionale waterbeheer' (2005). Het opnemen van de rapportageverplichting is voorts in overeenstemming van de Waterwet waarin de bepaling is opgenomen dat met het oog op een samenhangend en doelmatig regionaal waterbeheer bij provinciale verordening regels kunnen worden gesteld omtrent de door besturen van waterschappen te verstrekken informatie.

Paragraaf 6.3.2.2 Peilbesluiten

Op grond van artikel 5.2 van de Waterwet moeten bij of krachtens provinciale verordening de oppervlaktewaterlichamen en/of grondwaterlichamen worden aangewezen waarvoor de beheerder peilbesluiten dient vast te stellen. In deze titel is daarin voorzien. In het peilbesluit worden op een voor de beheerder bindende wijze waterstanden opgenomen of bandbreedten waarbinnen de waterstanden onder reguliere omstandigheden kunnen variëren. Een peilbesluit geeft aan de ingezetenen van het waterschap die verschillende belangen hebben (zoals droge voeten, natuur, landbouw, voorkomen zetting) aan welk peil gehandhaafd zal worden. Een belanghebbende weet dan waar hij of zij het gebruik op kan instellen.

Artikel 6.20 (Aanwijzing verplichte peilbesluiten)

De Waterwet geeft de provincies de opdracht gevallen aan te wijzen, waarbij het waterschap verplicht is een of meer peilbesluiten vast te stellen die zoveel mogelijk worden gehandhaafd. De aanwijzing in artikel 6.20, eerste lid betreft alle waterhoudende waterlopen. Op verzoek van het college van dijkgraaf en heemraden verlenen Gedeputeerde Staten ontheffing van deze verplichting indien een regeling van de waterstand redelijkerwijs niet mogelijk is. Voor beken en dijkkwelsloten is hiervan gebruik gemaakt.

Artikel 6.21 (Inhoud van het peilbesluit)

In artikel 6.21 wordt aangegeven welke informatie het peilbesluit tenminste bevat.

Artikel 6.22 (Voorbereiding)

Op de voorbereiding van het peilbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene Wet Bestuursrecht van toepassing verklaard.

Artikel 6.23 (Herziening)

Dit artikel bepaalt dat bij een herziening of een wijziging van een bestaand peilbesluit de artikelen 6.21 en 6.22 van overeenkomstige toepassing zijn.

Paragraaf 6.3.2.3 Legger

In artikel 5.1 van de Waterwet is bepaald dat de beheerder zorg draagt voor de vaststelling van een legger, waarin is omschreven waaraan waterstaatswerken naar richting, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen. In artikel 1.1 van de Waterwet is bepaald welke beheersobjecten onder waterstaatswerken zijn begrepen. De Waterwet vermeldt de basisgegevens die van de legger deel uitmaken. De ligging van de waterstaatswerken en daaraan grenzende beschermingszones wordt aangegeven op overzichtskaarten. Onder beschermingszone verstaat artikel 1.1 van de Waterwet: aan een waterstaatwerk grenzende zone, waarin ter bescherming van dat werk voorschriften en beperkingen kunnen gelden.

In de Waterwet is bepaald dat bij provinciale verordening ten aanzien van inhoud, vorm en periodieke herziening van de legger voor daarbij te onderscheiden categorieën van waterstaatswerken nadere voorschriften kunnen worden gegeven. In deze paragraaf wordt dit onderwerp nader uitgewerkt. De beheerder draagt er zorg voor dat de gegevens in de legger actueel blijven. De legger voor de oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, primaire- en regionale waterkeringen of ondersteunende kunstwerken kunnen door de beheerder desgewenst bij een of meer afzonderlijke besluiten, in afzonderlijke documenten worden vastgesteld dan wel worden gecombineerd.

De legger is van belang voor de toetsing van de waterstaatswerken aan de gestelde normen. Deze toetsing wordt mogelijk door de gegevens in de legger, waarin de vereiste toestand van de waterstaatswerken is aangegeven, te vergelijken met de feitelijke toestand van de waterstaatswerken. Daarnaast is de legger van belang voor de ruimtelijke reikwijdte van de verbods- en beheerbepalingen ingevolge de Waterwet of de waterschapskeur (de werkingssfeer van het vereiste van vergunningen of ontheffingen). De legger op grond van de Waterwet moet worden onderscheiden van de legger als bedoeld in artikel 78 van de Waterschapswet. Desgewenst kunnen beide leggers in één document worden gecombineerd.

Artikel 6.24 (Legger waterstaatswerken)

Voor de vast te leggen gegevens in de legger van de regionale waterkering (en ondersteunende kunstwerken) zijn maatgevend de gestelde omgevingswaarde, de technische leidraad en de voorschriften, bedoeld in artikel 6.6 van deze verordening. Met behulp van situatietekeningen en, waar mogelijk, dwarsprofielen wordt in de legger aangegeven wat de vereiste en te handhaven afmetingen van (de primaire en regionale) waterkering en de daaraan grenzende beschermingszones zijn.

Voor de vast te leggen gegevens in de legger van de oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden (en ondersteunende kunstwerken) zijn maatgevend de gestelde normen en de voorschriften, bedoeld in artikel 6.8 van deze verordening, met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht (het voorkomen en tegengaan van wateroverlast).

Met behulp van situatietekeningen en, waar mogelijk, overige gegevens met betrekking tot de bergings- en afvoercapaciteit, wordt in de legger aangegeven wat de vereiste en te handhaven afmetingen van de te onderscheiden oppervlaktewaterlichamen of categorieën van oppervlaktewaterlichamen en daaraan grenzende beschermingszones, alsmede van de bergingsgebieden, zijn.

Artikel 6.25 (Uitzondering leggerplicht)

Voor waterstaatswerken waarvoor het vaststellen van een legger redelijkerwijs niet mogelijk is bestaat de mogelijkheid deze vrij te stellen van de leggerplicht. Gedeputeerde Staten kunnen zelf bepalen met welke procedure dit besluit wordt voorbereid. Het besluit heeft geen rechtsgevolg en tegen het besluit staat derhalve geen bezwaar en beroep open.

Artikel 6.26 (Voorbereiding)

De gegevens in de legger zijn mede van belang voor de ruimtelijke reikwijdte van verbods- en beheerbepalingen ingevolge de Waterwet of de waterschapskeur (de werkingssfeer het vereiste van vergunningen of ontheffingen). Omdat hieruit gevolgen kunnen voortvloeien voor belanghebbende eigenaren en gebruikers van onroerende zaken die nabij waterstaatswerken zijn gelegen, ligt het in de rede dat bij de voorbereiding van de legger de procedure, bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene Wet Bestuursrecht, wordt gevolgd. Deze procedure is in de verordening voorgeschreven aangezien de Waterschapswet enkel procedurele bepalingen bevat met betrekking tot de voorbereiding en vaststelling van de legger als bedoeld in artikel 78 Waterschapswet (toepassing inspraakverordening).

Paragraaf 6.3.2.4 Meten en beoordelen

Artikel 2.14 van de Waterwet bepaalt dat bij of krachtens provinciale verordening regels kunnen worden gesteld ten aanzien van het periodiek door de beheerder meten van daarbij aan te geven grootheden en het aan de hand van de meetresultaten beoordelen van de mate van verwezenlijking van de in deze verordening neergelegde normen met betrekking tot de waterkering en de waterkwantiteit. Het is gelet op de Memorie van Toelichting bij artikel 2.14 van de Waterwet gewenst dat de beheerder de vinger 'aan de pols van het watersysteem houdt' en periodiek nagaat in hoeverre de normen verwezenlijkt zijn.

De resultaten van de beoordeling van het watersysteem en de bevindingen bij de beoordeling moeten door de beheerder worden opgenomen in een verslag en toegezonden aan Gedeputeerde Staten. Het verslag heeft een ander karakter en wordt met een andere frequentie opgesteld dan de algemene voortgangsrapportage bedoeld in artikel 6.19. Om die reden maakt het verslag als bedoeld in artikel 6.27 geen onderdeel uit van de algemene voortgangsrapportage.

Artikel 6.27 (Verslag toetsing watersysteem)

De beheerder draagt zorg voor de periodieke beoordeling van het watersysteem, meer specifiek de beoordeling van de primaire en regionale waterkering, de oppervlaktewaterlichamen en de ondersteunende kunstwerken. Daarbij wordt beoordeeld in hoeverre de waterstaatwerken voldoen aan de gestelde normen met betrekking tot de veiligheid van de regionale waterkering respectievelijk het tegengaan van wateroverlast. De beheerder rapporteert de uitkomsten van deze beoordeling periodiek aan Gedeputeerde Staten zodat Gedeputeerde Staten kunnen nagaan of aan de normen is voldaan.

In verband met de vereiste veiligheid, het tegengaan van wateroverlast en discussies met betrekking tot schaderegelingen en kostenverdeling is het van belang dat de toetsing van watersystemen op uniforme wijze kan worden uitgevoerd, zodat eenduidig kan worden bepaald wanneer het watersysteem kan worden gekwalificeerd als 'op orde'.

In het artikel wordt in het eerste en derde lid aangegeven dat iedere zes jaar verslag wordt uitgebracht over de toetsing van het watersysteem. In het zevende lid wordt aangegeven dat Gedeputeerde Staten mogen afwijken van de termijn. Hierdoor is het mogelijk om, indien het verslag daartoe aanleiding geeft, ook tussentijds te rapporteren.

Artikel 6.28 (Nadere voorschriften)

Dit artikel biedt de mogelijkheid voor Gedeputeerde Staten om nadere voorschriften te stellen met betrekking tot de verslagen over toetsing van het watersysteem.

Paragraaf 6.3.2.5 Projectprocedure

Artikel 6.29 (Projectprocedure)

Op grond van de Waterwet kunnen bij of krachtens provinciale verordening projecten worden aangewezen die zodanig belangrijk zijn voor het goed functioneren van het watersysteem dat deze moeten worden gerealiseerd door gebruikmaking van de projectenprocedure.

Voor de regionale waterkeringen met de nummers 1, 7, 10, 11, 12, 13, 18, 19, 20, 21 en 23 als bedoeld in bijlage 4 geldt dat deze regionale keringen van bovenlokale betekenis zijn. Deze waterkeringen beschermen een hoog economisch belang, gezien het oppervlak beschermd gebied. Derhalve ligt het ook in de rede dat bij aanleg, verlegging of versterking van deze regionale keringen meerdere uitvoeringsbesluiten nodig zullen zijn, die op gecoördineerde wijze tot stand moeten worden gebracht. Deze regionale keringen worden derhalve bij verordening onder de projectprocedure gebracht.

De overige regionale waterkeringen beschermen een geringer economisch belang. Derhalve hoeven de aanleg, verlegging of versterking niet altijd onder de projectprocedure te worden gebracht. Ten behoeve van de flexibiliteit wordt er voor gekozen de inzet van de projectprocedure bij de overige regionale waterkeringen bij Gedeputeerde Staten neer te leggen. Dat biedt het voordeel dat per project kan worden afgewogen of de inzet van de projectprocedure noodzakelijk is.

Ook de bevoegdheid tot inzet van de projectprocedure voor de aanleg of wijziging van waterbergingsgebieden of oppervlaktewaterlichamen wordt bij Gedeputeerde Staten neergelegd. Het is niet mogelijk om hiertoe duidelijke criteria in de verordening zelf op te nemen, omdat naast de omvang ook de ligging en de functie zeer bepalend zijn voor de mate waarin de aanleg van bovenlokale betekenis is en met spoed en op gecoördineerde wijze tot stand moet worden gebracht.

Gedeputeerde Staten kunnen alleen de projecten onder de projectprocedure brengen die in artikel 6.29 zijn genoemd. De projectprocedure brengt belangrijke gevolgen met zich mee. Projectplannen worden onder de goedkeuring van Gedeputeerde Staten gebracht en bij het vaststellen van de bijbehorende uitvoeringsbesluiten kunnen Gedeputeerde Staten, indien nodig, in de plaats treden van mede overheden.

Om te voorkomen dat ook projecten van een zeer beperkte omvang onder de werking van de projectprocedure vallen kan de projectprocedure alleen worden ingezet als het projectplan conform artikel 5.5 van de Waterwet van bovenlokale betekenis is en met spoed en op gecoördineerde wijze tot stand moet worden gebracht. Bij besluiten over de inzet van de projectprocedure zal dan ook worden gekeken naar het aantal uitvoeringsbesluiten en de spoedeisendheid die samenhangen met de uitvoering van het projectplan.

Artikel 6.30 (Toezending projectplan voor primaire waterkeringen)

Dit artikel regelt dat het waterschap een projectplan dat betrekking heeft op een primaire waterkering dat in meerdere provincies ligt dit plan ook toezend aan de Gedeputeerde Staten van die provincie(s).

Afdeling 6.3.3 Gemeenten

Artikel 6.31 (Gegevens en bescheiden aanvraag ontheffing zorgplicht)

In dit artikel is een instructieregel opgenomen richting gemeenten met betrekking tot de zorgplicht voor het stedelijk afwater. Op grond van artikel 10.33, derde lid, van de Wet Milieubeheer kunnen Gedeputeerde Staten ontheffing verlenen aan gemeenten van de zorgplicht voor de inzameling en het transport van afvalwater dat vrijkomt binnen de gemeente. Het is gewenst in de verordening te regelen waaraan de aanvraag van zo’n ontheffing moet voldoen. Overigens is het beleid dat Gedeputeerde Staten voeren met betrekking tot deze ontheffingen neergelegd in een beleidsregel.

HOOFDSTUK 7 NATUURNETWERK NEDERLAND

Paragraaf 7.1 Algemeen

Sinds 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de realisatie en instandhouding van de ecologische hoofdstructuur (EHS). Sinds 2017 wordt hiervoor de term Natuurnetwerk Nederland (NNN) gebruikt. Het NNN, is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Het NNN is ruimer van omvang dan de in het bestuursakkoord herijkte EHS, maar heeft een beperktere omvang dan de oorspronkelijke EHS. In het Natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027 80.000 hectare natuur in te richten.

Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in het NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied.

Artikel 7.1 (Oogmerk en toepassingsgebied)

Niet voor iedereen is altijd even duidelijk op welke wijze het NNN of de EHS nu bescherming geniet. De rechtstreekse werking van de EHS vindt plaats door de toetsing van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van bestemmingsplannen aan het EHS-beleid.

Op grond van artikel 2.10.4 Barro geldt er een algemeen beschermingsregime voor NNN-gebieden. Dit algemene regime bestaat eruit dat er geen toestemming mag worden verleend aan activiteiten die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van of samenhang tussen die gebieden. Toestemming voor dergelijke activiteiten kan wel worden gekregen indien (1) er sprake is van een groot openbaar belang, (2) er geen reële alternatieven zijn en (3) de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, de oppervlakte en de samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. In de provinciale verordening moet dit ‘nee tenzij’-regime zo worden vastgelegd dat hieraan in alle bestemmingsplannen en/of omgevingsvergunningen voor het afwijken van bestemmingsplannen wordt voldaan. Ten slotte moeten in de provinciale verordening regels in het belang van de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden worden vastgelegd.

De begrenzing van de NNN-gebieden mag worden gewijzigd bij provinciale verordening. Rijk en provincies hebben gezamenlijk een beleidskader opgesteld voor mogelijke ingrepen in de EHS: ‘Spelregels EHS – Beleidskader voor compensatiebeginsel, EHS-Saldobenadering en herbegrenzen EHS’ (augustus 2007). Uit het Bestuursakkoord Natuur volgt dat deze spelregels ook voor het NNN blijven gelden. Dit NNN-beleid werkt vervolgens door tot op het gemeentelijk niveau. Gemeenten dienen bij vaststelling van bestemmingsplannen en het verlenen van omgevingsvergunningen voor het afwijken van een bestemmingsplan de regels met betrekking tot de EHS toe te passen, zoals deze voortvloeien uit de provinciale verordening.

Artikel 7.2 (Begripsbepalingen)

Omdat deze verordening een direct uitvloeisel is van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) worden hieruit enkele relevantie definities in dit artikel overgenomen.

Bij de definitie van wezenlijke kenmerken en waarden is afgeweken van de tekst in het Barro. Het Barro gaat uit van een bestemming Natuur. Dit zou betekenen dat bijvoorbeeld een bestemming Water niet mogelijk is of een verkeersbestemming als onderdeel van een begrensd natuurgebied. Omdat het uiteindelijk gaat om het beschermingsregiem van de natuurfunctie is de hier gebruikte definitie gebaseerd op de doeleindenbepaling of de bestemmingsomschrijving en niet op de naamgeving.

Paragraaf 7.2 Activiteiten

Taakverdeling Gedeputeerde Staten en Provinciale Staten

Provinciale Staten stellen de kaders vast en wijzen de gebieden aan, terwijl Gedeputeerde Staten de nadere uitwerking van de wezenlijke kenmerken en waarden voor hun rekening nemen. Voor wat betreft wijzigingen van de NNN is het instrument "herbegrenzing" aan Gedeputeerde Staten en het instrument "saldobenadering" aan provinciale staten. In lijn daarmee besluiten Provinciale Staten over de verordening en nemen Gedeputeerde Staten, indien aan de orde, zo spoedig mogelijk daarna een besluit over de wezenlijke kenmerken en waarden.

Herbegrenzing

Om planologische medewerking ten behoeve van inpasbare ontwikkelingen mogelijk te maken moet eerst herbegrenzing plaats vinden en, indien aan de orde, aanpassing van de wezenlijke kenmerken en waarden.

In de praktijk zal de initiatiefnemer aan de gemeente verzoeken het bestemmingsplan aan te passen of een omgevingsvergunning aanvragen. Wanneer dit initiatief niet past binnen het geldende bestemmingsplan en strijdig is met de betreffende wezenlijke kenmerken en waarden wordt in overleg met de provincie nagegaan of herbegrenzing mogelijk is of de saldobenadering. Wanneer uit vooroverleg blijkt dat zich een van deze mogelijkheden voordoet, kan de gemeente een ruimtelijk plan in procedure brengen en Gedeputeerde Staten verzoeken de verordening hierop aan te passen. De verordening stelt dat de ontwerpwijziging en het ontwerp van het ruimtelijk plan of besluit tegelijkertijd ter inzage moeten worden gelegd. Het alternatief zou zijn om het ontwerp pas ter inzage te leggen na het inwerkingtreden van de wijziging, waardoor de totale doorlooptijd behoorlijk zou toenemen en de kans groter wordt dat het bestemmingsplan door zich wijzigende omstandigheden niet meer van de grond komt. Dit is ongewenst en leidt bij nader inzien tot onnodige administratieve herbegrenzing.

Wanneer onverhoopt het initiatief wordt afgeblazen nadat het bestemmingsplan is aangepast of de vergunning is verleend ontstaat er een vergelijkbare ongewenste situatie. Allereerst is dan de gemeente gehouden het planologisch regiem opnieuw in overeenstemming te brengen met de bestaande situatie of het toekomstig gewenst gebruik. Er volgt dan een handhavingstraject waarbij steeds ook de vraag aan de orde is of inpassen van de bestaande situatie (legaliseren) mogelijk is. In praktijk betekent dit een nieuw planologisch besluit, of terugkeer naar de oorspronkelijke situatie. In beide gevallen wordt dan een nieuwe procedure gevolgd die ook als zodanig wordt doorlopen en bestaat uit de combinatie van wijzigen verordening en herzien bestemmingplan of intrekken omgevingsvergunning. Is legaliseren niet mogelijk of wenselijk, dan zal handhavend moeten worden opgetreden, in dit verband met name gericht op het alsnog geheel en tijdig doen realiseren van de compensatie.

Artikel 7.3 (Wezenlijke kenmerken en waarden)

Per aangewezen gebied zijn/ worden de te beschermen natuurwaarden vastgelegd door een beschrijving van de wezenlijke kenmerken en waarden. De provincie heeft hiertoe de EHS-doelbenadering ontwikkeld, waarmee het mogelijk is om de wezenlijke kenmerken en waarden objectief en eenduidig te beschrijven.

Artikel 7.4 (Wijziging begrenzing)

Het doel van deze verordening is mede om in bepaalde situaties wijziging van de begrenzing en de wezenlijke kenmerken en waarden mogelijk te maken. Deze zijn beschreven in de zogenaamde Spelregels EHS.

Nieuwe ontwikkelingen die strijdig zijn met de wezenlijke kenmerken en waarden maar voldoen aan het criterium van 'groot openbaar belang' en waarvoor geen reële alternatieven zijn kunnen worden toegestaan. In dat geval moet de inpassing zorgvuldig gebeuren (mitigeren) en dient compensatie plaats te vinden van de resterende negatieve effecten. Bij dit type ontwikkelingen kan het bijvoorbeeld gaan om inpassing van infrastructuur, ingrepen in verband met waterveiligheid en energievoorziening.

Bij kleinschalige ontwikkelingen met beperkte effecten kan eveneens de begrenzing worden gewijzigd wanneer 'per saldo' de natuurkwaliteit verbetert en, afhankelijk van de ontwikkeltijd van de te ontwikkelen natuur, de oppervlakte ten minste gelijk blijft. Voor dit type ingrepen zijn GS bevoegd om de bijlagen bij de verordening te wijzigen.

Daarnaast zijn GS bevoegd tot wijzigingen die voortvloeien uit natuurontwikkelingen zelf en een kwalitatieve of kwantitatieve versterking inhouden van het NNN.

Na het aanpassen van de wezenlijke kenmerken en waarden als gevolg van natuurlijke ontwikkelingen ontstaat feitelijk opnieuw een opgave voor gemeenten om deze te laten doorwerken in het bestemmingsplan. Tot dat moment kunnen de ontwikkelingsmogelijkheden binnen het bestemmingsplan ruimer zijn dan wenselijk is.

Artikel 7.5 (Bescherming)

Dit artikel regelt dat het NNN in bestemmingsplannen moet worden voorzien van een bestemming die aansluit bij de actuele en potentiële natuurwaarden en de doelstelling van de ecologische hoofdstructuur. Dit moet tot uitdrukking komen in de doeleindenomschrijving bij de bestemming en bij de gebruiks- en bouwbepalingen. Welke benaming de bestemming krijgt is als zodanig minder relevant en is daarom niet voorgeschreven. Bij afwijking van het bestemmingsplan met een omgevingsvergunning behoeven geen planregels te worden opgesteld en zal uit de planopzet en de onderbouwing moeten blijken in hoeverre de wezenlijke kenmerken en waarden worden beschermd. Voor zover een NNN-gebied in een bestemmingsplan nog niet de juiste bestemmingsregeling heeft, wordt in dit artikel bepaald dat het betreffende plan binnen drie jaar moet zijn herzien. Deze termijn is voorgeschreven vanuit het Barro.

Een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden kan ook het gevolg zijn van planologische ontwikkelingen in de nabijheid van de aangewezen gebieden. Om deze mogelijkheid niet impliciet te laten optreden zal in voorkomende gevallen ook ontwikkelingen nabij het NNN-gebied moeten worden getoetst op mogelijke effecten. Deze worden zoals gebruikelijk betrokken bij de integrale ruimtelijke belangenafweging. Wat als nabij moet worden aangemerkt is niet gebonden aan een vaste maat, maar situatieafhankelijk. Zowel type en omvang van de ontwikkeling als de specifieke kenmerken en waarden in die nabijheid spelen daarbij een rol. Wanneer in redelijkheid valt te voorzien dat zich significante effecten kunnen voordoen moet dit worden betrokken bij de ruimtelijke afweging.

Paragraaf 7.3 Procedure

Artikel 7.6 (Algemene regels wijzigingen begrenzingen)

Het wijzigen van de verordening ten behoeve van een initiatief zal in de praktijk doorgaans plaats vinden op verzoek van een gemeente. De gemeente wenst planologische medewerking te verlenen ten behoeve van een lokaal Initiatief of is verzocht het bestemmingsplan aan te passen vanwege een regionaal of rijksproject. Tijdens het vooroverleg zal worden afgestemd of en onder welke voorwaarden de wijziging in procedure kan worden gebracht. De plantoelichting van het ontwerpplan dient vervolgens als onderbouwing voor de wijziging.

Omdat de besluitvorming van de provincie en van de gemeente nauw met elkaar samenhangen is de coördinatieregeling uit de Wet Ruimtelijke Ordening van toepassing verklaard, zodat er geen verschillen kunnen ontstaan tussen beide besluiten.

Het plan geeft inzicht in de aard en omvang van de uit te voeren compensatie zodat de gestelde voorwaarden voorafgaand aan de besluitvorming kunnen worden getoetst. Na het inwerkingtreden van de planologische besluiten kan de uitvoering starten, waarbij is aangegeven dat de uitvoering van de compensatie uiterlijk aansluitend dient plaats te vinden. In de praktijk is eens te meer voorgekomen dat compensaties later dan voorzien of slechts gedeeltelijk worden uitgevoerd. In zo'n situatie ligt de verantwoordelijkheid bij de gemeente om handhavend op te treden.

Paragraaf 7.4 Instructieregels

De provincie is verantwoordelijk voor de instandhouding van het NNN en daardoor belanghebbend bij een goede signalering. Het inzichtelijk registeren van de afzonderlijke besluiten draagt bij aan het borgen en nakomen van de gemaakte afspraken. Op basis hiervan kan in voorkomend geval gericht worden verzocht aan de gemeente tot handhavend optreden zoals hiervoor beschreven. In formele zin staat de weg vrij tot het geven van een proactieve aanwijzing op grond van artikel 4.2 van de Wet Ruimtelijke Ordening. Dit is echter een zware procedure waarbij Provinciale Staten worden betrokken en overleg met de gemeente plaatsvindt. In deze verordening is daarom de verplichting tot het bijhouden van een digitale registratie van planologische besluiten opgenomen. Het tweede doel van de registratie is de compensatie boekhouding, zodat eenduidig wordt bijgehouden welke compensaties aan welke ingrepen kunnen worden toegerekend. Het is immers denkbaar dat er compensaties worden gerealiseerd voor toekomstige ingrepen waarover pas later besluitvorming zal plaatsvinden of dat de locatie van het project en de compensatie zo ver uiteen liggen of in een andere gemeente waardoor deze niet in één besluit zijn ondergebracht. Wanneer latere initiatieven zich dan aandienen kan direct worden aangetoond dat al aan de verplichtingen is voldaan.

Artikel 7.7 (Registratie)

Het doel van de registratie is om inzicht te verkrijgen in de compensatieboekhouding zodat de relatie tussen ingreep en compensatie steeds kan worden vastgesteld. Zo wordt het mogelijk om al uitgevoerde compensaties te labelen voor toekomstige ingrepen en ontstaat tevens een toetsingskader voor handhaving. Deze registratie wordt beheerd door de provincie en is openbaar toegankelijk.

HOOFDSTUK 8 NATUURBESCHERMING

Titel 8.1 Algemeen

Artikel 8.1 (Begripsbepalingen)

Dit artikel gaat over de begrippen die in dit hoofdstuk worden gehanteerd. Om redenen van toegankelijkheid en leesbaarheid zijn de begripsbepalingen gebundeld opgenomen aan het begin van elk hoofdstuk.

Titel 8.2 Vrijstellingen

Paragraaf 8.2.1 Vrijstelling beweiden en bemesten

Artikel 8.2 (Vrijstelling vergunningplicht beweiden en bemesten bij Natura 2000-gebieden)

Op grond van artikel 2.9, derde lid, van de Wet natuurbescherming is in dit artikel een vrijstelling opgenomen van het verbod om zonder vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, vee te weiden en meststoffen te gebruiken. De vrijstelling ziet op het weiden van alle soorten vee en het op of in de bodem brengen organische en dierlijke meststoffen en kunstmest. Het Europese en nationaal wettelijk kader bieden hiervoor voldoende mogelijkheid.

In artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is een verbod opgenomen om, zonder vergunning van gedeputeerde staten, of in uitzonderingsgevallen de minister, handelingen te verrichten of projecten te realiseren die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Op grond van artikel 2.9, tweede lid, van de Wet natuurbescherming geldt een uitzondering op de vergunningplicht voor ‘bestaand gebruik’. Veelal is sprake van sinds jaar en dag bestaand gebruik van de betrokken percelen. Op 4 februari 2015, zaaknummer 201305073, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak gedaan waaruit blijkt dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat het weiden van koeien en het uitrijden van mest nabij een Natura 2000-gebied vergunningplichtig is, omdat deze activiteiten kunnen leiden tot verslechtering van de kwaliteit van de habitats in het Natura 2000-gebied. Veelal is sprake van sinds jaar en dag bestaand gebruik van de betrokken percelen. Onduidelijk is echter welke onderbouwing noodzakelijk is om een beroep te kunnen doen op de vrijstelling van de vergunningplicht als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, van de Wet natuurbescherming.

In de gebiedsanalyses van de programmatische aanpak stikstof 2015-2021 is rekening gehouden met de stikstofdepositie als gevolg van bestaande beweiding en bemesting, en is vastgesteld dat deze depositie in het licht van de voorziene maatregelen in het programma niet leidt tot verslechtering van de kwaliteit van de stikstofgevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden die in het programma zijn opgenomen. Ook op basis van het programma is echter nog discussie mogelijk over al dan niet gewijzigd gebruik en nieuw gebruik.

Artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn 92/43 eist een toetsing vooraf aan de hand van een passende beoordeling voor projecten of plannen die kunnen leiden tot significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (4 februari 2015, zaaknummer 201305073) blijkt dat het weiden van vee en het uitrijden van mest niet is aan te merken als project, maar als ‘andere handeling’. Voor dergelijke activiteiten schrijft artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn 92/43 uitsluitend de verplichting voor om passende maatregelen te treffen ten behoeve van het voorkomen van verslechtering van de kwaliteit van natuurlijke habitats (en van verstoring van soorten) in Natura 2000-gebieden. Dit is de basis voor de generieke vrijstellingsmogelijkheid die is opgenomen in artikel 2.9, derde lid, van de Wet natuurbescherming. Voor zover een dergelijke verslechtering aan de orde zou kunnen zijn, zijn er voldoende instrumenten naast de vergunningplicht om tijdig te kunnen ingrijpen.

Voorgaande betekent dat in veel gevallen een vergunningprocedure aangewezen kan zijn. Deze onzekerheid voor de agrarische sector en de lasten voor de sector en de bevoegde gezagen, zijn voor de staatssecretaris van Economische Zaken aanleiding geweest op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 het weiden van vee en het gebruik van meststoffen vrij te stellen van de vergunningplicht in het Besluit van 27 april 2016, houdende wijziging van het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 in verband met vrijstelling van de vergunningplicht voor weiden van vee en gebruiken van meststoffen (hierna: Besluit). In verband met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming op 1 januari 2017, is dit Besluit per dezelfde datum ingetrokken. De betreffende vrijstelling sindsdien door de provincie opgenomen in haar verordening over de Wet natuurbescherming.

Paragraaf 8.2.2 Vrijstelling soorten

Artikel 8.4 (Vrijstelling grondgebruiker voor bestrijding van schadeveroorzakende dieren)

Tot de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming was het voor provinciale staten mogelijk om op grond van de Flora en Faunawet bij verordening vrijstelling te verlenen van beschermingsbepalingen in het geval van beschermde soorten die veelvuldig belangrijke schade kunnen aanrichten. Door vaststelling van de ‘Verordening beheer en schadebestrijding dieren Flevoland’ hebben provinciale staten op 6 februari 2003 van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Wanneer een soort is vrijgesteld kan de grondgebruiker zelf bepaalde maatregelen treffen zonder dat daarvoor een ontheffing van gedeputeerde staten vereist is.

De Wet natuurbescherming biedt net als de Flora en Faunawet de mogelijkheid dat provinciale staten bij verordening vrijstelling verlenen van beschermingsbepalingen in het geval van beschermde soorten die veelvuldig belangrijke schade aanrichten. Dit is geregeld in artikel 3.15. De regeling die in de ‘Verordening beheer en schadebestrijding dieren Flevoland’ was opgenomen, is ongewijzigd opgenomen in de provinciale verordening over de Wet natuurbescherming en nu in de Omgevingsverordening Flevoland.

Dit betekend voor de soorten genoemd in bijlage 6 bij deze verordening dat het voor de grondgebruiker toegestaan is deze opzettelijk te verontrusten. Voor de soorten genoemd in bijlage 7 is het voor de grondgebruiker toegestaan om de volgende handelingen te verrichten:

  • doden, vangen;

  • opzettelijk verontrusten;

  • beschadigen, vernielen, uithalen, wegnemen, of verstoren van nesten, holen of andere voortplantings-of vaste rust- of verblijfplaatsen.

Artikel 8.5 (Vrijstelling ruimtelijke inrichting of ontwikkeling, bestendig beheer of onderhoud)

Op grond van de Wet natuurbescherming zijn ruimtelijke ingrepen die een nadelig effect hebben ontheffingplichtig. Provinciale Staten kunnen bij verordening een vrijstelling verlenen van deze vergunningplicht. Onder de Flora- en Faunawet was een landelijke vrijstelling van kracht voor een aantal algemeen voorkomende dier- en plantensoorten. Deze landelijke vrijstelling is met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming komen te vervallen. De provincie heeft bij de implementatie van de Wet natuurbescherming het uitgangspunt gehanteerd dat de huidige uitvoeringspraktijk wordt voortgezet en dat gestreefd wordt naar een beperking van de uitvoeringslast bij initiatiefnemers en in de eigen organisatie. Ter voorkoming van extra administratieve lasten is in onderhavige verordening een vrijstelling opgenomen ter continuering van de vervallen landelijke vrijstelling. Bijlage 8 geeft een overzicht van de soorten waarvoor een dergelijke vrijstelling geldt. Bij het opstellen daarvan is rekening gehouden met het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten in Flevoland. Dit betekent dat soorten die niet in Flevoland voorkomen, niet zijn opgenomen in de bijlage.

Artikel 8.7 (Veiligstelling amfibieën en ringslangen ter vrijstelling tegen verkeer)

Naast het overzetten van amfibieën worden er sinds 2018 ook ringslangen verplaatst naar habitats waar zij meer kans tot overleven hebben. Hiervoor was tot op heden een ontheffing noodzakelijk.

Artikel 8.8 (Vangen amfibieën ten behoeve van onderzoek en onderwijs)

Voor wetenschappelijk onderzoek ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen is het soms noodzakelijk om ook kleine zoogdieren te vangen. Hiervoor was tot op heden een ontheffing noodzakelijk.

Artikel 8.10 (Vrijstelling verstoren van vogels in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer)

Het opzettelijk verstoren van vogels is verboden gelet op artikel 3.1, vierde lid van de Wet natuurbescherming. Voor het verstoren van vogels op het terrein van Lelystad Airport werd door gedeputeerde staten in het belang van de veiligheid van het vliegverkeer steeds een ontheffing verleend. De laatste ontheffing dateert van 21 maart 2018 en is geldig tot 1 april 2023. Tegen dit besluit is geen bezwaar en beroep ingediend.

In het faunabeheerplan 2019-2023 is benoemd dat deze activiteit vrijgesteld zou kunnen worden van het verbod van artikel 3.1, vierde lid van de Wet natuurbescherming. Met artikel 8.10 geeft de provincie hier invulling aan. Met de vrijstelling wordt voorkomen dat gedeputeerde staten de ontheffing telkens moeten verlengen.

Overigens blijft het doden van dieren in het belang van veiligheid van het vliegverkeer wel ontheffingplichtig.

Titel 8.3 Faunabeheereenheid

Faunabeheereenheden vervullen in het huidige faunabeleid een essentiële rol, omdat zij zorgen voor een maatschappelijke en gebiedsgerichte inbedding van het faunabeheer. In het bestuur van de faunabeheereenheden zijn de maatschappelijke geledingen vertegenwoordigd die belang hebben bij de uitvoering van het faunabeleid, zoals jagers, de landbouwsector en de organisaties die natuurterreinen beheren. Met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming dient het bestuur te worden uitgebreid met een vertegenwoordiging van maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de regio waartoe het werkgebied van de faunabeheereenheid behoort. Provinciale Staten dienen bij verordening regels te stellen waaraan in hun provincie werkzame faunabeheereenheden dienen te voldoen. Deze regels kunnen in elk geval betrekking hebben op de omvang en begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid. In de provincie Flevoland is een faunabeheereenheid werkzaam waarvan het werkgebied overeenkomt met het grondgebied van de provincie. In de verordening is deze situatie vastgelegd.

Artikel 8.12 (Werkgebied en werkwijze faunabeheereenheid)

In dit artikel is de huidige werkwijze beschreven. Deze houdt in dat er onder auspiciën van de faunabeheereenheid een stichting werkzaam is, de Stichting Faunabeheer Flevoland (hierna: SFF), waarin zowel jagers als landbouwers vertegenwoordigd zijn. De SFF heeft als taak de coördinatie en uitvoering van ontheffingen die op grond van het faunabeheerplan aan de faunabeheereenheid zijn verleend. De faunabeheerders die in dienst zijn van de SFF zijn belast met het controleren van de uitvoering van het faunabeheerplan. Wanneer aan de faunabeheereenheid een ontheffing is verleend, geven de jagers die zijn aangesloten bij de wildbeheereenheid in de situatie dat ondersteunend afschot noodzakelijk is, onder coördinatie van een faunabeheerder van de SFF, hier invulling aan.

Titel 8.4 Faunabeheerplan

Eisen aan het faunabeheerplan waren voorheen opgenomen in de Flora- en faunawet en het Besluit faunabeheer. Deze eisen hadden uitsluitend betrekking op planmatig beheer van populaties. In de Wet natuurbescherming is de reikwijdte van het faunabeheerplan uitgebreid tot schadebestrijding en jacht. De bevoegdheid eisen te stellen aan Faunabeheerplannen is op grond van de Wet natuurbescherming gedecentraliseerd aan provincies.

Het faunabeheerplan voorziet in een samenhangende aanpak van populatiebeheer door faunabeheereenheden, schadebestrijding door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht op de door de minister aangewezen wildsoorten. Het door het bestuur van de faunabeheereenheid vast te stellen faunabeheerplan vervult hiermee een centrale rol in de Wet natuurbescherming. Provinciale Staten stellen vast aan welke eisen het faunabeheerplan moet voldoen. Het faunabeheerplan behoeft vervolgens nog de goedkeuring van Gedeputeerde Staten.

Artikel 8.13 (Doelstelling faunabeheerplan)

In dit artikel wordt duidelijk dat benuttingsjacht een zelfstandig doel is waarvoor geen onderbouwing wordt verlangd in het faunabeheerplan.

Artikel 8.14 (Reikwijdte faunabeheerplan)

Uitgangspunt van het systeem van faunabeheer is dat er in een bepaald gebied gedurende een langere periode integraal beheer wordt gevoerd. Om dat te bereiken moet het faunabeheerplan gelden voor een deel van het werkgebied van de faunabeheereenheid dat groot genoeg is om een verantwoord en duurzaam faunabeheer te kunnen voeren in samenhang met schadebestrijding en de uitoefening van de jacht.

Artikel 8.15 (Geldigheidsduur faunabeheerplan)

Ingevolge het voorheen geldende Besluit faunabeheer gold dat het faunabeheerplan een geldigheidsduur heeft van ten hoogste 5 jaar (artikel 11 Besluit faunabeheer). Deze eis is met de intrekking van het Besluit faunabeheer komen te vervallen. Gelet op de samenhangende aanpak van populatiebeheer, schadebestrijding en de uitoefening van de jacht waarin het faunabeheerplan voorziet, is het van belang dat het faunabeheerplan voor verschillende jaren geldig is. Artikel 8.15 bepaalt daarom dat in het faunabeheerplan wordt aangegeven dat het een maximale geldigheidsduur heeft van 6 jaar. Hiermee wordt aangesloten op de looptijd van andere planperioden, zoals Natura 2000-beheerplannen, zodat het faunabeheerplan hierop afgestemd kan worden. De faunabeheereenheid kan het faunabeheerplan ook tussentijds wijzigen, bijvoorbeeld als ontwikkelingen in dierenpopulaties of ontwikkelingen in schade daartoe aanleiding geven. In uitzonderlijke gevallen kunnen Gedeputeerde Staten de geldigheidsduur van het faunabeheerplan met maximaal twaalf maanden verlengen.

Artikel 8.16 (Eisen aan faunabeheerplan)

De eisen die in artikel 8.16 gesteld zijn, zijn grotendeels dezelfde eisen die voorheen golden op grond van artikel 10 van het Besluit faunabeheer. Zoals in de toelichting bij titel 8.4 aangegeven, heeft het faunabeheerplan naast populatiebeheer tevens betrekking op schadebestrijding en de uitoefening van de jacht. Voor schadebestrijding en jacht voorziet het faunabeheerplan in een samenhangende aanpak van populatiebeheer door de faunabeheereenheid, schadebestrijding door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht. Onder regie van de faunabeheereenheid worden deze inspanningen bij het opstellen van het faunabeheerplan op elkaar afgestemd.

Voor populatiebeheer fungeert het faunabeheerplan als basis voor ontheffingverlening. Dit onderdeel van het faunabeheerplan bevat daarom een exacte uitwerking van de eisen gesteld in artikel 8.16. Voor schadebestrijding en jacht zijn deze zelfde eisen van toepassing, maar fungeert het faunabeheerplan als koepel. Het is aan de grondgebruikers om binnen het kader van het faunabeheerplan te bepalen wat aan schadebestrijding nodig is en welke rol jacht daarin speelt.

Ingevolge artikel 3.12, eerste lid van de Wet natuurbescherming vindt uitoefening van de jacht plaats overeenkomstig het faunabeheerplan. Dit betekent dat het faunabeheerplan aandacht dient te besteden aan de jacht. Artikel 8.16 derde lid stelt hieromtrent enkele regels, waarbij wij in acht hebben genomen het door de Tweede Kamer op 25 juni 2015 aangenomen amendement 107 van de leden Heerema en Leenders. Op basis van de op grond van artikel 3.13 van de Wet natuurbescherming verplicht door jagers te overleggen afschotgegevens en de op grond van artikel 8.14 van deze verordening te verstrekken gegevens over bijvoorbeeld wildtrends, wordt in het faunabeheerplan richting gegeven aan de nodige inspanningen.

Artikel 8.17 (Goedkeuring faunabeheerplan)

Faunabeheerplannen moeten om voor goedkeuring door gedeputeerde staten in aanmerking te komen, voldoen aan de voorschriften van artikelen 8.12, 8.13, 8.14, 8.15 en 8.16. Daarnaast dient bij de vaststelling van een faunabeheerplan rekening gehouden te worden met de relevante vastgestelde beleidskaders, zoals de provinciale natuurvisie, Natura 2000-beheerplannen en het door Gedeputeerde Staten vastgesteld beleid met betrekking tot populatiebeheer, schadebestrijding en jacht .

Titel 8.5 Wildbeheereenheid

Op grond van de Wet natuurbescherming geldt dat jachthouders met een jachtakte zich met anderen verplicht organiseren in een wildbeheereenheid, ter uitvoering van het door de faunabeheereenheid vastgestelde faunabeheerplan en om te bevorderen dat een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, bestrijding van schadeveroorzakende dieren en jacht worden uitgevoerd in samenwerking met en ten dienste van grondgebruikers of terreinbeheerders. In de Wet natuurbescherming hebben de wildbeheereenheden een meer prominente rol gekregen dan in de Flora- en faunawet. Het zijn over het algemeen de wildbeheereenheden die uitvoering zullen geven aan het faunabeheerplan. Zij zullen in de praktijk de beheerdaden verrichten op grond van de provinciale ontheffing voor beheer en zij bevorderen dat de aangesloten jachthouders de jacht en de schadebestrijding uitvoeren overeenkomstig het faunabeheerplan en ten dienste van de grondgebruikers. Daarnaast adviseren de wildbeheereenheden de faunabeheereenheid over de inhoud van de faunabeheerplannen en leveren zij –op basis van tellingen en een afschotregistratie– de gegevens aan ten behoeve van het faunabeheerplan.

De toekenning van deze taken en verantwoordelijkheden aan de wildbeheereenheden vindt haar rechtvaardiging in het feit dat deze samenwerkingsverbanden bij uitstek streekgebonden zijn. Om de wildbeheereenheden deze taken effectief te kunnen laten uitvoeren, is in de Wet natuurbescherming voorzien dat alle van het geweer gebruikmakende jachthouders –jachthouders met een jachtakte– binnen het werkgebied van een wildbeheereenheid zich bij deze eenheid moeten aansluiten. Dit versterkt het streekgebonden karakter van schadebestrijding, beheer en jacht met het geweer nog verder. De wildbeheereenheden zijn gehouden uitvoering te geven aan het door de faunabeheereenheid vastgestelde faunabeheerplan.

Paragraaf 8.5.1 Wildbeheereenheid

Artikel 8.18 (Omvang en begrenzing werkgebied)

In de provincie Flevoland zijn vier wildbeheereenheden (NOP, OFI, ZFI en Nationaal Park Nieuw Land) werkzaam waarvan het werkgebied overeenkomt met het grondgebied van de provincie. Deze situatie is in de verordening vastgelegd.

Artikel 8.19 (Jachthouders met jachtakte en verenigd in een wildbeheereenheid)

Met dit artikel wordt beoogd dat voor iedere jachthouder duidelijk is bij welke wildbeheereenheid hij zich dient aan te sluiten. Op grond van de Wet natuurbescherming heeft een wildbeheereenheid de rechtsvorm van een vereniging. Ook grondgebruikers, terreinbeheerders en jachthouders zonder jachtakte kunnen lid worden van de vereniging. Omdat een aantal wildbeheereenheden deelnemers kennen die geen lid zijn van de vereniging, kan er onduidelijkheid ontstaan ten aanzien van de rechten van deze deelnemers. Daarom is bij deze verordening bepaald dat aansluiting plaatsvindt door middel van het lidmaatschap van de vereniging.

Artikel 8.20 (Vrijstelling aansluitplicht wildbeheereenheid)

Gezien het belang dat anderen bij de werkzaamheden van de wildbeheereenheden kunnen hebben, zoals grondgebruikers –niet zijnde jachtaktehouders– uit de streek, is in de Wet natuurbescherming voorzien dat ook zij lid kunnen worden van een wildbeheereenheid. Voor grote terrein beherende organisaties zal de verplichting om zich aan te sluiten bij wildbeheereenheden veelal weinig meerwaarde hebben: een samenhangend en verantwoord beheer van hun terreinen is verzekerd gelet op de aard van de organisatie en de omvang van hun terreinen. Medewerkers van deze organisaties die in het bezit zijn van een jachtakte kunnen worden beschouwd als jachthouders met een jachtakte, wanneer ze jagen op de gronden in bezit van de werkgever. De Wet natuurbescherming biedt de mogelijkheid aan provincies om deze personen van de aansluitplicht vrij te stellen bij verordening.

Artikel 8.21 (Lidmaatschap en geschillen)

Het niet handelen conform het faunabeheerplan kan aanleiding zijn om het lidmaatschap van een wildbeheereenheid te beëindigen. Dit heeft verstrekkende gevolgen voor de jachthouder die het betreft, aangezien deze in de regel dan geen jachtakte kan verkrijgen. Het is het bestuur van de wildbeheereenheid dat kan beslissen om het lidmaatschap te beëindigen voor een te bepalen periode. Ten aanzien van het voornemen voor een dergelijke beslissing wordt door het bestuur van de wildbeheereenheid een advies ingewonnen bij het bestuur van de faunabeheereenheid. Het is immers de faunabeheereenheid die, op grond van feiten, kan beoordelen of het handelen van een lid van de een wildbeheereenheid in strijd is met het door de faunabeheereenheid opgestelde faunabeheerplan. De wildbeheereenheden hebben een gezamenlijke geschillenregeling om onder meer geschillen ten aanzien van beëindiging van het lidmaatschap te behandelen.

Artikel 8.22 (Rapportage)

In het faunabeheerplan is geregeld welke gegevens verzameld dienen te worden ter onderbouwing van ontheffingen voor faunabeheer. Deze gegevens worden voor een belangrijk deel verzameld door de wildbeheereenheden en hun leden.

Paragraaf 8.5.2 Valwild

Artikel 8.23 ( Valwild )

De Stichting Faunabeheer Flevoland verzorgt al jaren het valwild voor de provincie en de gemeente. De muskusrattenbestrijders bekommeren zich om de dieren die in het water terecht zijn gekomen. Middels dit artikel wordt dit geformaliseerd.

Titel 8.6 Houtopstanden

Artikel 8.24 (Eisen aan de melding van een velling)

Gedeputeerde Staten dienen zich aan de hand van de gegevens die de initiatiefnemer verstrekt, een goed beeld te kunnen vormen van de locatie, aard en omvang van de houtopstand en de reden van de velling. Gedeputeerde Staten zullen hiertoe een formulier vaststellen waarin de genoemde gegevens verwerkt kunnen worden.

Artikel 8.25 (Termijnen voor meldingen)

De termijn van 6 weken biedt Gedeputeerde Staten de gelegenheid om zo nodig een kapverbod op te leggen. Wanneer de aanvrager een gerechtvaardigde reden heeft waarom hij het voornemen tot velling niet minimaal 6 weken tevoren heeft gemeld, dan kunnen Gedeputeerde Staten toestemming verlenen om voor het verstrijken van de termijn van 6 weken tot velling over te gaan.

Artikel 8.26 (Wijze van melden)

Gedeputeerde Staten stellen een (elektronisch) formulier vast waarop een velling gemeld moet worden. Hiermee wordt bereikt dat de benodigde informatie volledig en eenduidig wordt aangeleverd. Dit draagt bij aan een vlotte verwerking van de informatie.

Artikel 8.27 (Eisen aan herplantplicht )

Het doel van deze eisen is om de hoofddoelstelling, namelijk het niet achteruit laten gaan van de oppervlakte houtopstanden in Nederland, vorm te geven. Daarnaast is ook de kwaliteit van de houtopstanden van belang. Daarbij wordt gelet op de doelstellingen die de betreffende houtopstand kent. Van belang is bijvoorbeeld dat de houtopstand de functies voor natuur, landschap, houtproductie en recreatie in zekere mate evenwichtig kan vervullen. Gelet op deze punten, verdient het begrip “bosbouwkundig verantwoord” om breed uitgelegd te worden. Het gaat niet alleen om de houtteeltkundige kwaliteit van de houtopstand, maar ook om de natuur- en landschappelijke waarde.

Dat roept de vraag op of de herplant van de houtopstand op enige manier ook een relatie dient te hebben met de gevelde houtopstand. De Boswet stelde in de toelichting dat de herplant in verhouding diende te staan tot het gevelde. Deze koppeling wordt nu ook weer aangebracht. Derhalve is in artikel 8.27 sub f gesteld dat de houtopstand tenminste vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden moet kunnen vertegenwoordigen. Hiermee wordt niet bedoeld dat er precies dezelfde soorten geplant moeten worden als er voor de velling aanwezig waren; wel is het de bedoeling dat een houtopstand die een ecologische waarde vertegenwoordigde ook na herplant weer ecologische waarden kan herbergen. Hierbij is het toegestaan deze ecologische waarden uit te wisselen. Als voorbeelden: Zo kan de inheemse loofboomsoort vervangen worden door de andere inheemse loofboomsoort. Het is echter niet te de bedoeling om een soortenrijk loofbos te vervangen door een soortenarme populieren plantage.

Het vellen van een houtopstand kan grote impact op de omgeving hebben. Het is daarom van belang deze op zo kort mogelijke termijn te herstellen, zodat de functie die de houtopstand vervulde ook snel weer hersteld wordt. Daarom worden er eisen gesteld aan de oppervlakte, de te kiezen soorten (het kunnen vormen van een volwaardige duurzame houtopstand) en het spoedig in sluiting kunnen komen van het kronendak. Dit laatste behelst dat er voldoende plantmateriaal gebruikt dient te worden of dat er voldoende zaailingen aanwezig zijn. Snel groeiende soorten behoeven minder plantmateriaal per ha.

Het kunnen vormen van een duurzame en volwaardige houtopstand houdt in dat soorten die gebruikt worden volledig tot wasdom kunnen komen op de bodem waarin ze geplant worden. Het planten van schietwilg op droge zandgronden zal bijvoorbeeld niet leiden tot een duurzame houtopstand, omdat bomen voortijdig zullen afsterven en/of niet tot volle wasdom kunnen komen. Het zelfde geldt bijvoorbeeld voor het gebruik van beuk op bodems met hoge stagnerende grondwaterstanden.

Met het oog op een evenwichtige functievervulling worden sierheesters, tuinsoorten en soorten die een gevaar vormen voor de biodiversiteit uitgesloten. Het laatste betreft in ieder geval, maar niet uitsluitend, houtsoorten die op grond van artikel 3.39 van de Wet natuurbescherming door de minister zijn aangewezen. Verder gaat het om soorten als Vederesdoorn (Acer negundo), die gezien het woekerende karakter inheemse vegetaties op zandgrond volledig kan verdringen. Gezien de vele soorten die er zijn, in combinatie met meestal zeer specifieke gebiedsomstandigheden, hebben Gedeputeerde Staten hier een hoge mate van beoordelingsvrijheid. Het voorgaande geldt in het bijzonder voor herplant binnen Natura2000 gebieden. Behalve de keuze voor een bepaalde boomsoort wordt met het oog op de biodiversiteit het gebruik van autochtoon plantmateriaal sterk aanbevolen.

Artikel 8.28 (Eisen aan herplant op andere gronden)

De provincie streeft naar een robuust en samenhangend natuurnetwerk als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN). Doel is het behoud van wilde planten, dieren en hun ecosystemen. In hoofdstuk 7 zijn voorschriften opgenomen voor het wijzigen van de begrenzing van het natuurnetwerk. Deze voorschriften zijn ook van toepassing op houtopstanden die binnen het NNN liggen.

De Boswet schreef voor dat velling van een houtopstand die deel uitmaakte van een boskern, een bosgebied groter dan 5 hectare, alleen gecompenseerd mocht worden aan dezelfde boskern. De bedoeling hiervan is om versnippering van het bosareaal tegen te gaan, maar tegelijkertijd beperkte dit de mogelijkheden voor compensatie soms aanzienlijk. Op de schaal van het Flevolandse landschap is 5 hectare een klein bosje. De provincie hanteert daarom voor het begrip boskern een minimumoppervlakte van 15 ha. Wanneer een deel van een boskern geveld wordt, kan de provincie toestaan dat het bos aan een andere boskern gecompenseerd wordt. Voorwaarde is wel dat de boskern die wordt verkleind ten minste 15 ha groot blijft.

Verder kent dit artikel een afwijking voor een werk overeenkomstig een bestemmingsplan. De Wet ruimtelijke ordening wordt gezien als hogere regelgeving, waar meer integraal afwegingen worden gemaakt voor de ruimtelijke omgeving. Indien daarbij besloten wordt dat een houtopstand dient te verdwijnen voor andere doelen, ligt het niet in de rede vanuit de Wet natuurbescherming een andere afweging te maken. Wel dient een houtopstand gecompenseerd te worden. Daarbij dient ook te worden voldaan aan de vereisten die in hoofdstuk 7 voor natuurcompensatie zijn opgenomen.

Aan de compensatie worden verder eisen gesteld betreffende de omvang, vorm en locatie van de houtopstand. Het derde lid regelt dat er geen beplanting van grond mag plaatsvinden waar reeds beschermde natuurwaarden aanwezig zijn. Het gaat daarbij over het algemeen over percelen waar reeds een natuurbestemming op ligt, maar ook weidevogelgebieden e.d. vallen hieronder. Het bebossen van bijvoorbeeld rietlanden of andere hoogwaardige natuurterreinen is daarom niet toegestaan. Gedeputeerde Staten kijken bij de beoordeling hiervan naar het voorkomen van bijzondere soorten en habitats. Gedeputeerde Staten kunnen eisen stellen aan de invulling van de compensatie.

Specifiek bij artikel 8.28 hebben Gedeputeerde Staten een afwijkingsbevoegdheid om in bijzondere omstandigheden toch af te kunnen wijken. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan landinrichtingsprojecten waar een nieuwe structuur van het landschap wordt nagestreefd en waarbij de ruimtelijke kwaliteit niet afneemt.

Artikel 8.29 (Vrijstellingen)

Verjongingsgaten Naar inzicht van Gedeputeerde Staten kan in bepaalde omstandigheden kleinschalige verjonging gezien worden als een verzorgingsmaatregel die de blijvende houtopstand kan bevorderen. Hiervan is sprake als de kwaliteit van de bestaande houtopstand gering is of pleksgewijs is aangetast door ziekte of plaagdieren, en met het oog op het verbeteren van de kwaliteit een verjonging van kleine delen van de houtopstand wordt ingezet. Provinciale Staten trekken daarbij in het eerste lid onder d de volgende grens. Het kappen van verjongingsgaten die niet groter zijn dan 1,5 maal de boomhoogte en gezamenlijk niet meer beslaan dan 10% van de oppervlakte van het bosperceel worden gezien als een dunning waarvoor geen meldingsplicht aan de orde is. Wel is hier sprake van een herplantplicht die binnen de gebruikelijke termijn dient te zijn ingevuld. Deze regeling is specifiek bedoeld voor het realiseren van een gevarieerd vitaal bos, door de inzet van verjonging. Het is niet toegestaan om andere doelen via deze regeling te realiseren.

Oevers van poelen en plassen Onder de Boswet was het bestaand beleid om voor het herstel van vennen een ontheffing van de herplantplicht te verlenen. Deze regeling is in het tweede lid onder a toegesneden op de Flevolandse situatie. Doel ervan is om herstel van oevervegetaties bij poelen en plassen mogelijk te maken en de beschaduwing van poelen en oevers van plassen te verminderen vanwege de positieve effecten op de natuurwaarden. De regeling behelst dat er in een zone van 30 meter vanaf de gemiddelde voorjaarswaterlijn vrijstelling van de herplantplicht wordt verleend.

Vrijstelling na het teniet gaan van houtopstanden Er zijn gevallen denkbaar waarbij houtopstanden spontaan teniet gaan en waarbij het niet redelijk is dat eigenaren aan de lat komen te staan voor herplant elders, omdat ter plaatse geen bosvorming meer mogelijk is. Het gaat hierbij om de volgende gevallen. Het vernatten van bossen brengt soms met zich mee dat het bestaande bos afsterft. Als het bos niet te nat wordt, (water blijft onder het maaiveld) zal zich in de meeste gevallen daarna spontaan een nieuwe houtopstand vestigen. In de gevallen waarin dit niet gebeurt, omdat de terreinen te nat worden, is het naar oordeel van Provinciale Staten niet redelijk dat de eigenaar gedwongen wordt elders de houtopstand te compenseren. Daarom wordt in het tweede lid onder b in drie gevallen vrijstelling van de herplantplicht verleend. Het eerste geval betreft als door natuurlijke processen houtopstanden teniet gaan. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan het dichtgroeien van watergangen of het door bevers vernatten van een bosgebied. Andere optie is dat door het actief nemen van anti-verdrogingsmaatregelen (GGOR, Beheerplan N2000, Gebiedsanalyse PAS) de bosgroeiplaats zoveel vernat dat ter plaatse geen bos meer kan groeien. Tot slot zijn er ook gronden denkbaar waarop van nature geen bosvorming zou plaatsvinden. Daarbij moet bijvoorbeeld gedacht worden aan veengebieden. Deze situatie komt in Flevoland niet voor. Een houtopstand langs water kan ook teniet gaan door vraat door bevers. Ook voor deze situatie geldt een vrijstelling van de herplantplicht onder de voorwaarde dat de natuurlijke processen ongemoeid worden gelaten. Vaak zal de beplanting zich dan spontaan herstellen.

Indien bovengenoemde situaties zich voordoen in N2000 gebieden vallen ze meestal onder de vrijstellingsgronden van artikel 4.4 van de Wet natuurbescherming.

Titel 8.7 Tegemoetkoming faunaschade

Artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming bepaalt dat gedeputeerde staten in voorkomende gevallen tegemoetkomingen verlenen in geleden schade door natuurlijk in het wild levende:

  • a.

    vogels van vogelsoorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, of

  • b.

    dieren die worden genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern, bijlage I bij het Verdrag van Bonn of de bijlage, onderdeel a, bij deze Wet natuurbescherming.

Ter invulling van deze bevoegdheid stellen Gedeputeerde Staten beleidsregels vast. In Beleidsregel tegemoetkoming faunaschade provincie Flevoland 2016 wordt duidelijk gemaakt dat de grondgebruiker zelf primair verantwoordelijk is voor het nemen van preventieve maatregelen bij (dreigende) schade. Dit betekent dat de grondgebruiker bij een verzoek tot tegemoetkoming van schade, moet aantonen dat hij alle in redelijkheid van hem te verwachten preventieve middelen heeft ingezet om schade te voorkomen en dat dit niet afdoende is gebleken. In geval van de vijf wildsoorten (konijn, haas, houtduif, fazant en wilde eend) kan de grondgebruiker in geval van dreigende schade gebruik maken van de inzet van bij de Wildbeheereenheid aangesloten jagers.

In IPO-verband hebben de gezamenlijke provincies ervoor gekozen het verlenen van tegemoetkomingen in faunaschade te mandateren aan de uitvoeringsorganisatie BIJ12. Uit oogpunt van efficiëntie is een landelijke uitvoering met één loket en gebundelde kennis te prefereren. Daarnaast wordt uniformiteit in de uitvoering en rechtsgelijkheid over heel Nederland nagestreefd. In een afzonderlijk besluit zijn de bevoegdheden met betrekking tot het verlenen van tegemoetkomingen gemandateerd aan BIJ12.

Artikel 8.30 (De aanvraag om tegemoetkoming)

In artikel 8.30 wordt de indiening van een aanvraag om tegemoetkoming in schade veroorzaakt door natuurlijk in het wilde levende beschermde diersoorten geregeld. Op grond van artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de aanvraag schriftelijk ingediend. Aan de eis van schriftelijkheid wordt ook voldaan als de aanvraag langs elektronische weg wordt gedaan. Vereist is dat de schade zo spoedig mogelijk (binnen 7 werkdagen) bij BIJ12 wordt gemeld. BIJ12 is dan in de gelegenheid een taxateur ter plaatse een onderzoek naar de schadeveroorzakende diersoorten en de omvang van de schade te laten instellen. Een consulent faunazaken van BIJ12 kan dan ook adviseren hoe verdergaande schade kan worden voorkomen of beperkt. Aanvragen die later dan 7 werkdagen na constatering van de schade zijn ingediend worden afgewezen. Onder werkdagen worden verstaan: maandag tot en met vrijdag met uitzondering van algemeen erkende feestdagen als bedoeld in de Algemene termijnenwet

Artikel 8.31 (Taxatie van de schade)

Artikel 8.31 regelt in samenhang met de beleidsregel tegemoetkoming faunaschade provincie Flevoland 2016 de wijze waarop de schade wordt vastgesteld. BIJ12 heeft een raamovereenkomst met taxatiebureaus die schade veroorzaakt door in het wild levende beschermde dieren taxeren. De taxateur zal zijn bevindingen direct na de eindtaxatie bij de grondgebruiker achterlaten of deze zo spoedig mogelijk toesturen. Voorzien is in de mogelijkheid dat de aanvrager zijn opmerkingen over de taxatie kan vermelden, dat de taxateur die opmerkingen van commentaar voorziet en dat de aanvrager kennis kan nemen van het commentaar van de taxateur.

HOOFDSTUK 9 STILTEGEBIEDEN

Titel 9.1 Algemeen

Artikel 9.1 (Oogmerk)

Aanwijzing van stiltegebieden

De Wet milieubeheer verplicht de provincie om in de verordening regels op te nemen inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden. Het Besluit kwaliteit leefomgeving, een AMvB onder de Omgevingswet, kent deze verplichting ook. Met artikel 9.3 worden de milieubeschermingsgebieden aangewezen. Zowel de (rechtens relevante) aanwijzing als de regelgeving voor die gebieden worden in hoofdstuk 9 gegeven. Voor alle stiltegebieden is in titel 9.1 een zorgplichtbepaling opgenomen die dient als vangnet voor het geval van een duidelijk voorzienbare aantasting van het gebied sprake is en de specifieke gedragsregels niet de vereiste bescherming bieden. Daarnaast is een meldplicht opgenomen.

In titel 9.2 en 9.3 zijn milieukwaliteitseisen opgenomen, op basis van artikel 5.5 van de Wet milieubeheer. Deze zijn aan te merken als omgevingswaarden op grond van de Omgevingswet. Milieukwaliteitseisen/omgevingswaarden richten zich tot het bestuursorgaan, die bij de uitoefening van de bij de milieukwaliteitseis aangegeven bevoegdheden rekening moet houden met de gestelde eis. Verder bevat dit onderdeel ook rechtstreeks werkende bepalingen: verbodsbepalingen voor activiteiten zoals het gebruik van toestellen. In die verbodsbepalingen komt de essentie van de regelgeving met betrekking tot het voorkomen of beperken van geluidhinder in stiltegebieden tot uitdrukking: het weren van gedragingen, die zodanig lawaaiig en wezensvreemd aan een stiltegebied zijn, dat zij het stille karakter van het gebied verstoren.

Artikel 9.2 (Begripsbepalingen)

Dit artikel gaat over de begrippen die in dit hoofdstuk worden gehanteerd. Om redenen van toegankelijkheid en leesbaarheid zijn de begripsbepalingen gebundeld opgenomen aan het begin van elk hoofdstuk.

Onder het begrip toestel vallen mobiele geluidsbronnen, die door hun niet-permanente karakter moeilijk via de ruimtelijke ordening te weren zijn. In de toestellenlijst zijn een aantal toestellen opgenomen:

Onder a: Het seismologisch onderzoek dient ter beantwoording van de vraag of zich in de ondergrond gasvoerende structuren van voldoende omvang bevinden. Het wordt uitgevoerd met zogenaamde airgun-apparatuur. Hieronder wordt verstaan de apparatuur voor het door middel van de gecomprimeerde lucht onder water opwekken van trillingen. Daarnaast wordt ook de schotgatmethode toegepast. Bij deze laatste methode worden kleine explosieve ladingen in de bodem tot ontsteking gebracht. Ook deze methode valt onder de omschrijving van de categorie. Hoewel seismologisch onderzoek doorgaans van korte duur is, wordt gevreesd voor verstoring van rust en stilte, vooral in kwetsbare gebieden. Reden om bedoelde activiteit onder de werking van de verordening te plaatsen.

De boorvergunning ten behoeve van opsporingsboringen heeft in het algemeen betrekking op een redelijk omvangrijk gebied, waarbinnen door middel van een aantal op elkaar volgende opsporings-boringen vanaf een boorplatform getracht wordt de aanwezigheid van olie en gas aan te tonen. Het gaat dus om een tijdelijke activiteit, die zich met een zekere regelmaat verplaatst binnen het gebied. De bij de boringen gebruikte lawaaiige toestellen beïnvloeden het natuurlijk achtergrondgeluidniveau in stiltegebieden negatief. In die gevallen waarin booractiviteiten in stiltegebieden op grond van besluitvor-ming op rijksniveau onvermijdelijk zijn geworden, kan via de verordening worden bevorderd dat zodanige maatregelen en voorzieningen worden getroffen dat hinderlijk geluid, met name piekgeluid, zoveel mogelijk wordt voorkomen.

De winning van delfstoffen brengt langdurige activiteiten met zich mee. Een structureel verstorende activiteit als winning dient alleen mogelijk gemaakt te worden door wijziging van het Omgevingsprogramma Flevoland en van de kaarten ‘Stiltegebied Horsterwold’, ‘Stiltegebied Roggebotzand’ en ‘Stiltegebied Kuinderbos , waar het de aanduiding c.q. aanwijzing van stiltegebieden betreft. Na afloop van de concessieperiode zou de aanduiding c.q. aanwijzing van het gebied heroverwogen moeten worden.

Onder b: Ook activiteiten in het kader van de aanleg van kabels en buisleidingen, waarbij gebruik wordt gemaakt van motorisch aangedreven werktuigen, behoren onder het regime van deze verordening te vallen. Immers de verstoring van deze activiteiten, hoewel van tijdelijke aard, is zodanig dat, indien de onvermijdelijkheid van de aanleg is aangetoond, slechts ontheffing kan worden verleend onder geluidsreducerende voorwaarden. De aanleg van kabels en leidingen ten behoeve van woonhuis-aansluitingen kan worden begrepen als onderdeel van de aanleg of reconstructie van wegen dan wel van de bouw van woningen, welke activiteiten via de ruimtelijke ordening en niet via de verordening worden gereguleerd.

Onder c: Voor het gebruik van de onder c genoemde toestellen is een uitzondering gecreëerd als het gaat om noodsituaties. Klokgeluid ter gelegenheid van godsdienstige en levensbeschouwelijke plechtigheden en lijkplechtigheden, alsmede oproepen tot het belijden van godsdienst of levensover-tuiging zijn toegestaan.

Onder e: De onder e genoemde toestellen zijn toegestaan in het normale gebruik in en om woningen binnen het gebied.

Onder f: Onder vuurwapens worden verstaan vuurwapens als bedoeld in de zin van artikel 1 van de Wet wapens en munitie.

Artikel 9.3 (Aanwijzing stiltegebieden)

Met dit artikel worden de stiltegebieden aangewezen. Verwezen wordt naar de bijgevoegde kaarten ‘Stiltegebied Horsterwold’, ‘Stiltegebied Roggebotzand’ en ‘Stiltegebied Kuinderbos. Kan in het Omgevingsprogramma Flevoland worden volstaan met een min of meer globale aanduiding van het gebied, voor de toepassing van de verordening is een zo duidelijk mogelijke begrenzing van het gebied noodzakelijk. De bij de verordening behorende kaarten hebben daarom een schaal waarbij de kavelgrenzen duidelijk zichtbaar zijn.

Artikel 9.4 (Zorgplicht)

In dit artikel is een zorgplichtbepaling opgenomen. Het betreft geen 'algemene' zorgplichtbepaling. Zij betreft alleen aantasting van het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als stiltegebied is aangewezen. In het tweede lid zijn enkele uitzonderingen opgenomen. De noodzaak van de onder a opgenomen uitzondering, dat de zorgplicht geen betrekking heeft op handelingen verricht in vergunningplichtige inrichtingen, volgt uit artikel 1.2, zesde lid, van de Wet milieubeheer.

Artikel 9.5 (Meldplicht)

Naast deze zorgplicht is voorzien in een meldingsplicht. Deze verplicht een ieder die wetenschap heeft van een voor het gebied schadelijk voorval, hiervan mededeling te doen aan Gedeputeerde Staten.

Titel 9.2 Omgevingswaarden

Paragraaf 9.2.1 Omgevingswaarde op het stiltegebied

Artikel 9.6 (Omgevingswaarde maximale geluidsbelasting op het stiltegebied)

Dit artikel geeft richtwaarden van 35 dB(A)) als uurgemiddelde geluidniveau voor stiltegebieden. De achtergrond van deze milieukwaliteitseisen is het streven om de natuurlijke rust in deze gebieden niet te verstoren. Om deze rust te ervaren zal het referentieniveau circa 35 dB(A) dienen te bedragen. Door het stellen van een richtwaarde van 35 dB(A) als uurgemiddelde geluidniveau wordt het referentieniveau juridisch vastgelegd als de gewenste maximaal toelaatbare geluidbelasting.

In artikel 9.6 is opgenomen dat voor geluidsbronnen buiten het gebied een afstand van 50 meter in het stiltegebied geldt gerekend vanaf de grens van het gebied. Deze afstandsgrens is gekozen om rechtsongelijkheid te voorkomen indien de geluidsbron grenst aan het stiltegebied. In het tweede lid is benoemd dat de richtwaarde een omgevingswaarde is als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, van de Omgevingswet. Ook is op basis van artikel 2.10 van de Omgevingswet benoemd dat er sprake is van een inspanningsverplichting.

Paragraaf 9.2.2 Omgevingswaarde binnen het stiltegebied

Artikel 9.7 (Omgevingswaarde maximale geluidsbelasting geluidsbron in het stiltegebied)

Dit artikel geeft richtwaarden van 35 dB(A)) als uurgemiddelde geluidniveau voor stiltegebieden. De achtergrond van deze milieukwaliteitseisen is het streven om de natuurlijke rust in deze gebieden niet te verstoren. Om deze rust te ervaren zal het referentieniveau circa 35 dB(A) dienen te bedragen. Door het stellen van een richtwaarde van 35 dB(A) als uurgemiddelde geluidniveau wordt het referentieniveau juridisch vastgelegd als de gewenste maximaal toelaatbare geluidbelasting.

In artikel 9.6 is bepaald dat voor geluidsbronnen binnen het stiltegebied de maximale geluidsbelasting op 50 meter afstand van de bron niet meer mag bedragen dan 35dB(A) uurgemiddelde geluidniveau. In het tweede lid is benoemd dat de richtwaarde een omgevingswaarde is als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, van de Omgevingswet. Ook is op basis van artikel 2.10 van de Omgevingswet benoemd dat er sprake is van een inspanningsverplichting.

Titel 9.3 Activiteiten

Artikel 9.8 (Verbod op verstoring van ervaring natuurlijke geluiden in een stiltegebied)

eerste lid

In het eerste lid is het verbod opgenomen om zonder ontheffing van gedeputeerde staten door middel van het gebruik van een toestel de ervaring van de natuurlijke geluiden in een stiltegebied te verstoren. Het begrip toestel is gedefinieerd in artikel 9.2. In deze begripsbepaling is een toestellenlijst opgenomen van toestellen die in ieder geval onder het begrip vallen. Nieuwe lawaaiige toestellen die nog niet op de toestellenlijst van deze begripsbepaling voorkomen noch in andere regelgeving ten aanzien van het geluidsaspect gereguleerd zijn, kunnen echter ook een toestel zijn als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en daarmee onder het verbod vallen.

Tweede en derde lid Onder deze bepalingen vallen niet de rijwielen die zijn voorzien van een elektro-(hulp)motor. Dit gelet op de geringe geluidsemissie van deze voertuigen. De verkeerswetgeving regelt het gebruik van motorvoertuigen en bromfietsen op de voor het openbare rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden. Op grond van jurisprudentie mogen bij beschikkingen op grond van de Wegenverkeerswet 1994 milieufactoren worden meegewogen, tot nadere eisen of zelfs weigering leiden. Dit is van belang in geval van voorgenomen activiteiten zoals autorally's in stiltegebieden.

Artikel 9.9 (Uitzondering op verstoring van ervaring natuurlijke geluiden in een stiltegebied)

Het gebruik van toestellen ten behoeve van de normale uitoefening van agrarische bedrijvigheid, de beroepsvisserij en onderhoudswerkzaamheden in het kader van natuur- en landschapsbeheer, waarvan de geluiden overeenkomen met het verwachtingspatroon, dat men uit de bestemming van de grond of uit de aard van het landschap kan afleiden, zal tengevolge van dit artikel niet worden beperkt.

Artikel 9.10 (Beoordelingsregels ontheffing voor verstoring van ervaring natuurlijke geluiden in een stiltegebied)

In dit artikel is bepaald dat gedeputeerde staten ontheffing kunnen verlenen als bedoeld in artikel 9.8, indien het belang waartoe het stiltegebied is aangewezen zich daartegen niet verzet. De essentie betreft het voorkomen of beperken van geluidhinder in door het weren van gedragingen, die zodanig lawaaiig en wezensvreemd aan een stiltegebied zijn, dat zij het stille karakter van het gebied verstoren.

Titel 9.4 Instructieregels

Artikel 9.11 (Doorwerking omgevingswaarden)

In het eerste lid zijn de bevoegdheden aangewezen waar bij de uitoefening daarvan rekening moet worden gehouden met de in het voorgaande artikel opgenomen richtwaarde. Gedacht wordt aan de vergunning- of ontheffingverlening ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Algemene plaatselijke verordeningen alsmede aan het vaststellen van (gemeentelijke/provinciale) structuurvisies, bestemming- en inpassingsplannen in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. Volgens de Wet milieubeheer moet met een richtwaarde rekening worden gehouden. Afwijken van een richtwaarde is wel mogelijk, maar de motivering van het desbetreffende besluit moet dan wel vermelden welke gewichtige redenen daartoe hebben geleid.

In het tweede lid zijn de reguliere zogeheten gebiedseigen werkzaamheden uitgezonderd van de verplichte doorwerking.

HOOFDSTUK 10 LUCHTVAART

Titel 10.1 Algemeen

Sinds de inwerkingtreding op 1 november 2009 van de Regeling burgerluchthavens en militaire luchthavens (RBML), die is opgenomen in de Wet luchtvaart, zijn Provinciale Staten het bevoegde gezag om te besluiten over het zogeheten 'landzijdige' gebruik van een regionale luchthaven, dat wil zeggen de milieugebruiksruimte (geluid, externe veiligheid, luchtkwaliteit) en daarmee samenhangend de consequenties voor het ruimtegebruik in de omgeving. Vaststelling van een luchthavenbesluit (artikel 8.43 Wet luchtvaart) is aan de orde als de gevolgen van het luchthavenluchtverkeer wat betreft geluid en externe veiligheid zodanig zijn dat dit consequenties heeft voor de ruimtelijke indeling c.q. het ruimtegebruik buiten de luchthaven. Voor luchthavens zonder ruimtelijke impact bulten de terreingrenzen (zowel de geluidscontour als de externe veiligheidscontour valt op of binnen het luchthavengebied) kan met een luchthavenregeling (artikel 8.64 Wet luchtvaart) worden volstaan. Zowel een luchthavenbesluit als een luchthavenregeling wordt bij verordening vastgesteld.

De bevoegdheden met betrekking tot het ‘luchtzijdige’ gebruik, dat wil zeggen het gebruik van het luchtruim, maar ook de interne veiligheid en beveiliging van de luchthaven, blijven een rijksaangelegenheid.

Op de uitvoering van de Wet luchtvaart zijn, naast de Wet luchtvaart, van toepassing het op die wet gebaseerde Besluit burgerluchthavens, en de eveneens op die wet gebaseerde ministeriële Regeling burgerluchthavens en Regeling veilig gebruik van luchthavens en andere terreinen. De aanvrager zal zich moeten realiseren of aan deze regels wordt voldaan. De handhaving van deze regels blijft een bevoegdheid van het rijk. Luchthavenregelingen en -besluiten treden niet in werking dan nadat de Minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft verklaard dat het veilig gebruik van het luchtruim door het luchthavenverkeer Is gewaarborgd.

Er zijn in Flevoland drie regionale luchthavens als bedoeld in de Wet luchtvaart: een helikopterhaven (bij het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium te Marknesse) en twee zweefvliegterreinen (te weten van Zweefvliegclub Flevo in Biddinghuizen en van Zweefvliegclub Noordoostpolder bij Kraggenburg). Daarnaast wordt door een zogenoemd amfibieluchtvaartuig, dat zowel op het land als op het water kan landen en opstijgen, gebruik gemaakt van delen van de grote wateren. Voor deze luchthavens gelden reeds luchthavenregelingen. De opname van de provinciale verordening luchthavens in de Omgevingsverordening Flevoland maakt dat niet anders.

Artikel 10.1 (Toepassingsgebied)

Op de voorbereiding van de besluiten van Provinciale Staten is op grond van de Wet luchtvaart de openbare voorbereidingsprocedure van Afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Dat betekent in principe dat Provinciale Staten niet alleen het luchthavenbesluit en de luchthavenregeling, maar ook het ontwerpbesluit dienen vast te stellen en de correspondentie in het kader van de voorbereiding dienen te voeren. De Provinciewet gaat er echter van uit dat de voorbereiding van PS- besluiten door Gedeputeerde Staten kan worden gedaan. Teneinde onduidelijkheid daarover te voorkomen wordt door middel van deze verordening ondubbelzinnig door Provinciale Staten aan Gedeputeerde Staten opdragen het besluit voor te bereiden, inclusief het vaststellen van het ontwerpbesluit.

Ook wordt aan Gedeputeerde Staten opgedragen om het verzoek om een verklaring van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat omtrent veilig gebruik van het luchtruim in te dienen.

De verordening stelt weliswaar eisen aan de aanvragen, maar biedt daarnaast aan Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om een standaardformulier voor bepaalde aanvragen vast te stellen. Daarmee kunnen wenselijke details, zoals bijvoorbeeld de vliegtuigen, de dagen waarop gevlogen moet kunnen worden, de openingstijden, de aantallen vluchten e.d. meer specifiek worden opgevraagd.

Titel 10.2 Luchthavenbesluit en luchthavenregeling

Paragraaf 10.2.1 Indieningsvereisten

Artikel 10.2 (Indieningsvereiste)

Zie de toelichting bij artikel 10.1.

Paragraaf 10.2 Procedurebepalingen

Artikel 10.3 (Aanvraag tot vaststelling van een luchthavenbesluit of luchthavenregeling)

Bij het vereiste dat een aanvraag een bij het voornemen passende beschrijving van de mogelijke effecten op het milieu bevat, kan worden aangetekend dat uiteraard het Besluit m.e.r. van toepassing is. Beoogd is om ook bij een niet m.e.r.-plichtige aanvraag het aspect milieu wel een duidelijke plaats te geven. Daarbij is ook van belang dat de aanvrager nagaat of er in de relevante omgeving van de beoogde luchthaven gebieden zijn met een bijzondere status, bijvoorbeeld in het kader van Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland (voorheen ecologische hoofdstructuur), Wet natuurbescherming, grondwaterbeschermingsgebied, stiltegebied, waterwingebied.

Artikel 10.4 (Aanvraag verklaring veilig gebruik luchtruim)

Zie de toelichting bij artikel 10.3.

Paragraaf 10.3 Bevoegd gezag

Artikel 10.5 (Gedeputeerde staten)

Zie de toelichting bij artikel 10.1.

HOOFDSTUK 11 ONTGASSEN BINNENVAART

Titel 11.2 Activiteiten

Paragraaf 11.2.2 Afwijking van verbodsbepaling

Artikel 11.6 (Minimumconcentratie restladingdampen)

Het is wenselijk aan te geven bij welke concentratiegrens een ladingtank voor belading als gasvrij kan worden beschouwd. Een ladingtank zal nooit helemaal vrij zijn van vorige ladingrestanten, alleen al omdat resten achterblijven in de scheepswand en daaruit na verdamping weer vrijkomen. Er is gekozen voor een concentratie van restladingsdamp van 10% onder de onderste explosiegrens.

Een concentratie van die damp van 10% of meer onder de onderste explosiegrens is voor de naleving van een aantal voorschriften van het ADN maatgevend. Grofweg gaat het om 90 procent emissiereductie. Dit betekent dat we met een dergelijk verbod gaan van een enorme naar een beperkte overschrijding op water. Voor de concentratie restladingdamp van 10% of meer onder de onderste explosiegrens is gekozen omdat dit in de praktijk uitvoerbaar is en kan rekenen op de steun van de schippers en bedrijven. Een dergelijke aanpak is ook in lijn met de voorgestelde toekomstige (inter)nationale regelgeving.

Dat neemt niet weg dat ook met het behalen van 90 % emissiereductie nog een flinke hoeveelheid benzeen in de ladingtank achterblijft die uiteindelijk in de atmosfeer terecht komt. De concentratie is honderdduizend keer hoger dan de grenswaarde op grond van de Europese regelgeving voor luchtkwaliteit en ongeveer 5.000 keer hoger dan de maximaal te emitteren concentraties benzeen voor installaties op het land. De situatie op land is anders dan op water: op land geldt een minimalisatieplicht, terwijl op water door de wetgever niets geregeld was.

Het is denkbaar dat door ontwikkelingen, zoals een technische verbetering van de dampverwijdering, deze norm naar een niveau kan worden teruggebracht vergelijkbaar met die voor installaties op het land. Een dergelijke bijstelling kan dan plaatsvinden via een besluit van Gedeputeerde Staten; in het tweede lid van artikel 11.6 is hierin voorzien.

Artikel 11.7 (Voorafgaande belading)

Artikel 11.7 bevat een aantal gevallen waarin het ontgassingsverbod niet van toepassing is. Dit houdt verband met de veronderstelling dat de concentratie benzeen en benzeenhoudende koolwaterstoffen van de restladingdamp in de ladingtank dan lager is dan 10% onder de onderste explosiegrens of in ieder geval voldoende laag is. Ten eerste wordt verondersteld dat dit het geval is wanneer kan worden aangetoond dat de drie voorafgaande ladingen niet bestonden uit benzeenhoudende restladingdampen. Van belang daarbij is onder meer het vervoerdocument, zoals omschreven in het ADN. Ook is het ontgassingsverbod niet van toepassing wanneer kan worden aangetoond dat de tank van het schip bij de voorafgaande belading voor meer dan 95% gevuld was met een andere stof dan waarop het verbod van toepassing is. Ook dan wordt verondersteld dat de restladingdamp in de ladingtank verwaarloosbare concentraties benzeen en benzeenhoudende koolwaterstoffen bevat. De vullingsgraad van een tank kan worden aangetoond met behulp van de tanktabel en de ladingpapieren die op elk schip aanwezig zijn. De vullingsgraad wordt bepaald door per tank het volume van de lading conform de ladingspapieren te delen door het volume van de tank.

Artikel 11.8 (Veiligheidsredenen)

Ontgassen is wel toegestaan bij drukverevening om veiligheidsredenen. De noodzaak tot drukverevening kan aan de orde zijn bij toenemende temperaturen en daarmee toenemende druk in de ladingtank van het schip. Drukverevening om veiligheidsredenen kan ook aan de orde zijn bij metingen en monsternames. De dampen verlaten dan via de veiligheidsoverdrukkleppen de tank. Ook bij calamiteiten kan het ontgassen aan de orde zijn. Calamiteiten met een schip kunnen zich altijd voordoen en het zou de veiligheid niet ten goede komen om marktpartijen te verplichten om tijdens een calamiteit of gedurende de herstelwerkzaamheden na een calamiteit de benzeenhoudende restladingdampen in de ladingtank van het schip te houden.

Paragraaf 11.2.3 Ontheffingverlening

Artikel 11.9 ( Ontheffingverlening )

Op dit moment kan nog niet geheel worden voorzien wanneer naleving van het ontgassingsverbod, buiten de in hoofdstuk 11 genoemde gevallen, in redelijkheid niet kan worden verlangd. Daarom is dan ook voorzien in de mogelijkheid van een door Gedeputeerde Staten te verlenen ontheffing voor een individuele situatie.

HOOFDSTUK 12 ACTIVITEITEN OP GESLOTEN STORTPLAATSEN

Paragraaf 12.1 Algemeen

In dit hoofdstuk zijn de bepalingen opgenomen over de bescherming van de nazorgvoorzieningen op gesloten stortplaatsen. Deze bepalingen zijn gebaseerd op de Wet milieubeheer.

Titel 8.3 van de Wet milieubeheer heeft betrekking op gesloten stortplaatsen, waar op of na 1 september 1996 nog afval is gestort en het Stortbesluit bodembescherming van toepassing is, dan wel uitsluitend baggerspecie is gestort. Daarbij is de provincie aangewezen als instantie, die verantwoordelijk is voor de 'eeuwig durende' nazorg. Onder nazorg wordt verstaan het nemen van maatregelen om de milieuvoorzieningen in stand te houden, te controleren en te vervangen. Met name het vervangen van de bovenafdichting is een aanzienlijke kostenpost. De totale kosten van nazorg in Nederland worden geraamd op vele honderden miljoenen euro's. De provincie heeft daarom groot belang bij een goed functionerend systeem van nazorgvoorzieningen en nazorgmaatregelen.

Voor de nazorg –zowel voor de instandhouding van de nazorgvoorzieningen als voor het nemen van nazorgmaatregelen– is het van belang dat voorwaarden kunnen worden gesteld aan de activiteiten die na het aanbrengen van de eindafdichting op de stortplaats zullen worden verricht: de 'eindbestemming' en het gebruik van de gesloten stortplaats. De aan deze activiteiten te stellen voorwaarden hebben tot doel dat de nazorgvoorzieningen bereikbaar blijven, milieumaatregelen genomen kunnen worden en aantasting van de nazorgvoorzieningen voorkomen wordt. Om deze voorwaarden te kunnen stellen is een regeling in de verordening noodzakelijk. Hoewel deze regeling niet direct betrekking heeft op de afvalstoffen, bestaat er wel een verband met de aanwezigheid van deze afvalstoffen.

Paragraaf 12.2 Activiteiten

Artikel 12.3 (Verbodsbepaling)

In deze bepaling wordt het verbod geregeld ten aanzien van het gebruik van de voormalige stortlocatie. De omschrijving van de verboden gedragingen in het eerste lid, onder a en b, is vergelijkbaar met hetgeen in de Wet beheer rijkswaterstaatswerken onderworpen is aan een vergunningstelsel ter bescherming van waterstaatswerken. Zo is het verboden in, op, onder of over een plaats waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde nazorg met betrekking tot een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd, werken te maken of te behouden en stoffen of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen. Onder stoffen vallen vaste stoffen, vloeistoffen, combinaties van stoffen en preparaten. In deze bepaling zijn uitgezonderd 'afvalstoffen', omdat het verbod om zich van afvalstoffen te ontdoen door deze buiten een inrichting op of in de bodem te brengen al is geregeld in artikel 10.2 van de Wet milieubeheer. Vanwege het bijzondere karakter van nazorgvoorzieningen is daaraan toegevoegd dat ook andere handelingen die nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen (bijvoorbeeld het bewerken van grond), verboden zijn zonder ontheffing. De voorzieningen kunnen zich ook buiten de locatie van de gesloten stortplaats bevinden, bijvoorbeeld in geval van peilbuizen. Ook voor gebruik van grond buiten de stortplaats waar zich dergelijke voorzieningen bevinden, is een ontheffing nodig.

In het tweede lid zijn twee situaties van het verbod uitgezonderd:

  • voor het treffen van de nazorgmaatregelen zelf is geen ontheffing nodig;

  • voor handelingen die betrekking hebben op het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of op het veranderen van de werking daarvan geldt, zoals in het algemeen deel van de toelichting is aangegeven, de verbodsbepaling niet. Deze uitzondering houdt verband met artikel 1.2, zesde lid, van de Wet milieubeheer, waarin is bepaald dat de provinciale milieuverordening behoudens enkele uitzonderingen– geen regels kan bevatten die rechtstreeks betrekking hebben op vergunningplichtige inrichtingen.

Artikel 12.4 (Beoordelingsregels)

Gedeputeerde Staten kunnen als bevoegd gezag ontheffing verlenen van het in artikel 12.3 gestelde verbod. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen voor een toekomstig gebruik van de gesloten stortplaats, voor zo ver het althans activiteiten betreft die niet binnen een vergunningplichtige inrichting plaatsvinden. Deze worden gereguleerd d.m.v. de omgevingsvergunning onderdeel milieu, waarvoor Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zijn.

Ingevolge artikel 16.4 van deze verordening kan een ontheffing onder beperkingen worden verleend en kunnen aan een ontheffing voorschriften worden verbonden. Dergelijke voorschriften kunnen betrekking hebben op de aanlegfase (de wijze waarop werken worden gemaakt of voorwerpen worden geplaatst), maar ook op het feitelijke gebruik nadien. Dat volgt uit de omschrijving van artikel 12.3 waaruit blijkt dat het verbod op voortgezette handelingen betrekking heeft (werken behouden, stoffen of voorwerpen laten staan of liggen, handelingen verrichten). Het risico bestaat dat door het voorgenomen gebruik de voorzieningen worden beschadigd of maatregelen niet kunnen worden genomen. Het is echter vooralsnog niet mogelijk aan de ontheffing het voorschrift te verbinden dat de gebruiker financiële zekerheid stelt. Als de te treffen maatregelen dat risico onvoldoende kunnen beperken, wordt de ontheffing geweigerd. Anders kan immers niet worden gewaarborgd dat de gesloten stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt (hetgeen volgens artikel 8.49 Wet milieubeheer de doelstelling van nazorg is).

Artikel 12.5 (Gegevens en bescheiden)

Degene die een gesloten stortplaats (of een deel daarvan) wil gebruiken, dient tevoren terdege na te gaan welke nazorgvoorzieningen en welke maatregelen zijn getroffen en hij zal zijn plan waar nodig daaraan moeten aanpassen. Hij heeft daarvoor inzicht nodig in de getroffen en te treffen nazorgmaatregelen. Deze zullen onder meer blijken uit het nazorgplan. De actuele informatie over de nazorgmaatregelen en –voorzieningen kan altijd worden verkregen bij de provincie.

In dit artikel wordt aangegeven aan welke eisen de aanvraag in ieder geval dient te voldoen. De onder b bedoelde gegevens over het voorgenomen gebruik van de stortplaats moeten het mogelijk maken te beoordelen of ontheffing kan worden verleend voor de werken, stoffen, voorwerpen en handelingen die de aanvrager nodig heeft voor het voorgenomen gebruik van de stortplaats. De aanvrager zal daarover dus informatie moeten verschaffen. Bij het verzoek om ontheffing moet de aanvrager aangeven hoe hij de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen denkt te garanderen, hoe aantasting van de nazorgvoorzieningen zal worden voorkomen en welke andere maatregelen hij zal nemen om te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg wordt belemmerd. Met onderdeel d wordt beoogd dat de aanvrager aangeeft welke personen en bedrijven als zakelijk gerechtigde of gebruiker mogelijk belang hebben bij het voorgenomen gebruik van aanvrager. De provincie kan zo nodig de zakelijk of persoonlijk gerechtigden in de gelegenheid stellen op de aanvraag te reageren. De overige onderdelen behoeven geen toelichting. Opgemerkt wordt nog dat Gedeputeerde Staten zo nodig op grond van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht aanvullende informatie kunnen vragen indien de verstrekte informatie onvoldoende is voor de beoordeling van de aanvraag. Zo kan bijvoorbeeld in geval van het neerleggen van stoffen of voorwerpen (artikel 12.3 , eerste lid, onder b) informatie worden gevraagd over de aard en samenstelling van die stoffen of voorwerpen.

HOOFDSTUK 13 BODEMSANERING

Titel 13.1 Algemeen

Artikel 13.1 (Oogmerk)

Dit hoofdstuk is grotendeels gebaseerd op de Wet bodembescherming, die in diverse artikelen aan Provinciale Staten de bevoegdheid toekent om nadere regels te stellen, bijvoorbeeld over de inhoud van een saneringsplan, een evaluatieverslag en een nazorgplan. Dit hoofdstuk dient te worden gelezen in samenhang met de Wet bodembescherming zelf, omdat wettelijke bepalingen en begripsomschrijvingen zelf niet in de verordening zijn herhaald. Daar waar sprake is van aanvulling op de Wet bodembescherming –te weten de in artikel 13.7 opgenomen meldingsplichten– vindt de verordening zijn basis in artikel 1.2 van de Wet milieubeheer.

Artikel 13.2 (Begripsbepalingen)

Dit artikel gaat over de begrippen die in dit hoofdstuk worden gehanteerd. Om redenen van toegankelijkheid en leesbaarheid zijn de begripsbepalingen gebundeld opgenomen aan het begin van elk hoofdstuk.

Titel 13.2 Activiteiten

In de Besluitvormingsuitvoeringsmethode Wbb (BUM Wbb) zijn de wettelijke eisen op grond van de Wet bodembescherming aan een saneringsplan, evaluatieverslag en nazorgplan en de consequenties van uitspraken van de Raad van State in beeld gebracht. De BUM Wbb is op 14 oktober 2010 vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen Bodembeheer (CCvD) en is onderbracht bij de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB). Het is een richtlijn (werkdocument) bestemd voor het bevoegde gezag waarin de essentiële gegevens staan die noodzakelijk zijn om een beschikking op te kunnen verlenen. Met deze BUM Wbb wordt beoogd het proces van toetsen en beschikken in het kader van de Wet bodembescherming te uniformeren en wordt een bijdrage geleverd aan de vergroting van de efficiëntie van de uitvoering van de bodemsanering.

Paragraaf 13.2.1 Inhoud plannen

Artikel 13.3 (Inhoud saneringsplan)

In artikel 38 van de Wet bodembescherming, eerste lid onder a, is opgenomen dat degene die de bodem saneert dat zodanig moet doen dat de bodem tenminste geschikt wordt gemaakt voor de functie die hij na het saneren krijgt, het zgn. functiegericht saneren. De kosten hiervan zijn in het algemeen lager dan wanneer gekozen wordt voor multifunctioneel saneren (gemiddeld 35 tot 50% lager). De in het saneringsplan opgenomen saneringsdoelstelling dient gericht te zijn op de wettelijke eisen.

Er zijn in Flevoland veel situaties waarin multifunctioneel saneren doelmatig kan zijn. Bovendien hebben bodemverontreinigingen in de provincie Flevoland in veel gevallen een beperkte omvang. Daarom is in artikel 13.3 aanvullend op artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming een expliciete motiveringsplicht opgenomen, zodat de saneerder de keuze voor een functiegerichte sanering moet beargumenteren in relatie tot de schone omgeving van de provincie Flevoland. Achterliggend doel is om geen verontreinigingen door te schuiven naar de toekomst met het oog op het afronden van de bodemsaneringsoperatie.

Artikel 13.4 (Wijziging saneringsplan)

Uit artikel 39, vierde lid, van de Wet bodembescherming vloeit voort dat indien degene die saneert constateert dat van het saneringsplan zal (moeten) worden afgeweken, hij twee weken voorafgaande aan de uitvoering hiervan melding aan Gedeputeerde Staten dient te doen. Gedeputeerde Staten beoordelen vervolgens binnen twee weken of de afwijking binnen de gekozen saneringsdoelstelling past en acceptabel is. De wijziging moet passen binnen het saneringsplan waarmee reeds is ingestemd. De mededeling dat zulks het geval is, valt derhalve eveneens binnen dit saneringsplan en betreft dus geen beschikking. Van een beschikking is evenmin sprake als Gedeputeerde Staten constateren dat de wijziging niet past binnen het saneringsplan waarmee reeds is ingestemd. In dat geval zal sprake zijn van een belangrijke wijziging van het saneringsplan (bijvoorbeeld een ander saneringsresultaat of het toepassen van een andere saneringsmethode) en zal een nieuw saneringsplan moeten worden ingediend, waarop besluitvorming met toepassing van de Algemene wet bestuursrecht plaatsvindt.

Voor het beoordelen van een melding tot wijziging van het saneringsplan is het noodzakelijk te vernemen om welke afwijkingen (opsomming hiervan) het gaat, wat de inhoud van deze afwijkingen is en welke gevolgen dit heeft ten opzichte van het eerdere saneringsplan waarmee is ingestemd, alsmede de reden om van het saneringsplan af te wijken.

Op grond van artikel 39, vijfde lid, van de Wet bodembescherming kunnen gedeputeerde staten aanwijzingen geven naar aanleiding van de melding wijziging saneringsplan. Dit betreft eveneens geen beschikking, aangezien het aanwijzingen betreft op aspecten die binnen het saneringsplan vallen waarmee al is ingestemd en dus binnen de reeds doorlopen procedure zijn afgehandeld.

Artikel 13.5 (Evaluatieverslag)

Het evaluatieverslag geeft Gedeputeerde Staten inzicht in de manier waarop de sanering is uitgevoerd. Op basis van het verslag kunnen Gedeputeerde Staten beslissen dat de sanering naar behoren is afgerond, dan wel dat de uitvoering van de saneringsmaatregelen nog voortzetting behoeft, aangezien de saneringsdoelstelling als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming nog niet is behaald. Artikel 39c van de Wet bodembescherming geeft een opsomming van de gegevens die in het verslag in ieder geval vermeld moeten staan. In het derde lid van dat artikel is Provinciale Staten de bevoegdheid gegeven nadere regels te stellen ten aanzien van het verslag. Daarvan is in dit artikel gebruik gemaakt.

Artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming geeft aan dat het evaluatieverslag “zo spoedig mogelijk” na de uitvoering van de sanering dient te worden aangeboden bij Gedeputeerde Staten. Deze ruime formulering maakt het mogelijk en gewenst om in de omgevingsverordening vast te leggen binnen welke termijn het evaluatieverslag uiterlijk moet zijn ingediend. Gekozen is voor een termijn van dertien weken.

Grondwatersaneringen behoeven veelal meer tijd dan de sanering van verontreinigde grond. Als de grondwatersanering op een later tijdstip wordt beëindigd dan de grondsanering is afzonderlijke rapportage over de grondsanering en de grondwatersanering mogelijk. Pas na afronding van zowel de grond- als de grondwatersanering vindt formele besluitvorming over het evaluatieverslag van de totale sanering plaats. Indien er sprake is van een formele gefaseerde sanering zoals bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming, kan er per fase een formele afronding plaatsvinden.

Indien een nazorgplan is vereist, stemmen Gedeputeerde Staten in beginsel niet in met het evaluatieverslag dan nadat er een nazorgplan is ingediend. Als sprake is van een gecompliceerde nazorglocatie kunnen beide documenten apart ter instemming worden voorgelegd aan het bevoegd gezag.

Paragraaf 13.2.2 Meldingen

Artikel 13.7 (Meldingsplicht saneringsuitvoering)

Voor het toezicht op de uitvoering van het saneringsplan is het van belang dat het bevoegd gezag op de hoogte is van het werkelijke tijdstip waarop met de sanering een aanvang wordt gemaakt. Het aangeven van de vermoedelijke datum in het saneringsplan is daarvoor niet voldoende. Regelmatig komt het voor dat de feitelijke aanvang van de werkzaamheden na instemming met het saneringsplan door allerlei omstandigheden (ontbrekende vergunningen, ontbrekende materialen, weersomstandigheden en dergelijke) opschuift of dat door dergelijke voorzienbare onzekere omstandigheden geen exacte datum kan worden gegeven. Het is vanuit handhavingsoogpunt gewenst dat de start van de sanering wordt gemeld aan Gedeputeerde Staten. Voorts is het gewenst dat indien de datum van de start van de sanering wijzigt, dit eveneens kenbaar wordt gemaakt. Door middel van een mededeling uiterlijk twee weken voor het begin van de daadwerkelijke sanering wordt de noodzakelijke informatie verkregen. Daarbij wordt aangegeven welke bedrijven en instanties –zoals een energiebedrijf, de politie, de brandweer en dergelijke– bij de sanering zullen zijn betrokken.

Om adequaat toezicht te kunnen uitoefenen, dient het toezicht gericht te zijn op die aspecten die vanuit milieuoogpunt en vanwege fraudegevoeligheid van belang zijn. Hiervoor is het noodzakelijk dat gedeputeerde staten tijdig op de hoogte worden gebracht van de verschillende fasen van de saneringsuitvoering. Zo kan bijvoorbeeld een controle worden uitgevoerd, voordat de put wordt volgestort met grond. Aanwezigheid namens Gedeputeerde Staten is dan mogelijk bij de bemonstering van de put en -indien wenselijk- om een contra-expertise uit te voeren.

Bij de meldingsplichten in deze verordening wordt met “degene die de sanering feitelijk uitvoert” alleen de aannemer bedoeld en niet zijn werknemer of ondergeschikte. De aannemer bepaalt immers, ook voor zijn werknemers, hoe en wanneer de sanering wordt uitgevoerd en is daarvoor ook verantwoordelijk. Hij is degene die het meeste inzicht heeft in het tijdsverloop van de sanering en daarmee ook de meest geëigende partij om een melding aan Gedeputeerde Staten te doen van de ijkmomenten vóór, tijdens en na de uitvoering van de sanering. Voor deze constructie is gekozen, omdat in de meeste gevallen de opdrachtgever (de indiener van het saneringsplan) een leek op het gebied van bodemsanering is en de meldverplichtingen zijn uitbesteed aan de aannemer. Omdat in gevallen waarin niet gemeld wordt sprake kan zijn van slechts geringe schuld van de opdrachtgever (de indiener van het saneringsplan) volgt voor hem dan geen vervolging. Het is gewenst om in die gevallen tegen de aannemer, als degene die de sanering feitelijk uitvoert, strafrechtelijk te kunnen optreden. Juist deze partij kan een financieel belang hebben bij het achterwege laten van een melding. Is er (nog) geen aannemer bij de sanering betrokken dan blijven de verplichtingen uiteraard rusten bij degene die het saneringsplan heeft ingediend. In die situatie is dat namelijk tevens degene die de bodem feitelijk saneert en gelden de meldverplichtingen van artikel 13.7 rechtstreeks voor hem.

Een verplichting tot melding als bedoeld in het eerste, tweede, vierde en vijfde lid van artikel 13.7 geldt overigens niet voor degene die de sanering feitelijk uitvoert indien de in dat lid bedoelde melding reeds is gedaan door de opdrachtgever, dus door de indiener van het saneringsplan.

HOOFDSTUK 14 ONTGRONDINGEN

Het begrip ontgronden is noch in de wet zelf noch in het onderhavige hoofdstuk gedefinieerd. Dit betekent niet dat er geen nadere afbakening van het begrip gegeven is. Aanknopingspunten kunnen worden gevonden in de parlementaire behandeling van de Ontgrondingenwet. In de Memorie van Toelichting wordt opgemerkt dat met ontgronden wordt aangeduid het verrichten van handelingen, waardoor de hoogteligging van een terrein of de bodem van een water wordt verlaagd. Deze omschrijving als wettelijke definitie is reeds te ruim, omdat daaronder ook het graven van een kuil op het strand zou vallen. Toch biedt de omschrijving wel enige houvast. Bij de vraag of handelingen als ontgronding zijn aan te merken gaat het vooral om de directe strekking van de handelingen: de (al dan niet tijdelijke) verlaging van het terrein of de bodem van het water.

Daaronder zijn niet te begrijpen:

  • de werkzaamheden, die in het kader van de normale agrarische bedrijfsvoering worden verricht zoals (diep-)ploegen en frezen; (het zogenoemde omputten alsmede het omspuiten van grond ten behoeve van bollenteelt worden niet tot de normale agrarische bedrijfsvoering gerekend);

  • het maken van ondiepe (circa 1 meter) en weer te dichten sleuven en gaten voor het leggen van buizen, drainagebuizen en kabels, en

  • het reguliere onderhoud aan watergangen (baggerwerkzaamheden). Hieronder wordt mede verstaan het terug op leggerprofiel brengen van watergangen (waterlopen die noodzakelijk zijn voor de aan- en afvoer van water).

Met dit hoofdstuk van deze verordening wordt niet beoogd toe te zien op het weer afgraven van tijdelijk ergens in depot gestorte grond. Daarom wordt bodemmateriaal, dat op de bodem (of waterbodem) is opgebracht, eerst na vijf jaar geacht het maaiveld (dat in de algemene begripsbepaling is gedefinieerd) te bepalen.

Titel 14.1 Algemeen

Artikel 14.1 (Oogmerk)

In de Ontgrondingenwet is bepaald dat het verboden is zonder vergunning te ontgronden. Gedeputeerde Staten zijn hiervoor het bevoegd gezag, behalve voor ontgrondingen in rijkswateren, waarvoor de Minister van Infrastructuur en Milieu vergunningen verleent. Provinciale Staten zijn bevoegd nadere regels te stellen omtrent de door Gedeputeerde Staten te verlenen vergunningen. Voor Flevoland zijn deze regels opgenomen in het onderhavige hoofdstuk. Het betreft regels over:

  • gevallen waarin geen vergunning vereist is;

  • op welke wijze een vergunning moet worden aangevraagd;

  • het melden van gegevens aan de provincie.

De provincie ziet dit hoofdstuk van de verordening als een belangrijk instrument om de doelstellingen uit het ontgrondingenbeleid van de provincie te realiseren. In voor ontgrondingen gevoelige gebieden is de sturing van provinciezijde intenser dan in andere gebieden. De provincie verwacht dat hiermee de uitvoeringslasten van het beleid beperkt blijven. Daarnaast wil de provincie in het belang van een duurzame grondstoffenvoorziening in Flevoland beter inzicht verwerven in ontgrondingen. Hiertoe voorziet de verordening in een meldingsplicht.

Artikel 14.2 (Toepassingsgebied)

Handelingen die op grond van de algemene toelichting bij hoofdstuk 14 als ontgronding zijn aan te merken, in elkaars directe nabijheid liggen en een samenhangend geheel vormen worden als één ontgronding beschouwd. Van een samenhangend geheel is sprake als de handelingen in geografische, technische, economische en/of functionele zin verweven zijn.

Artikel 14.3 (Begripsbepalingen)

Dit artikel gaat over de begrippen die in dit hoofdstuk worden gehanteerd. Om redenen van toegankelijkheid en leesbaarheid zijn de begripsbepalingen gebundeld opgenomen aan het begin van elk hoofdstuk.

Titel 14.2 Activiteiten

Paragraaf 14.2.1 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Artikel 14.4 (Aanwijzing vergunningvrije gevallen)

In artikel 3 van de Ontgrondingenwet staat het verbod dat zonder een vergunning niet mag worden ontgrond. Artikel 7 van de Ontgrondingenwet biedt de mogelijkheid aan provinciale staten bij provinciale verordening categorieën van ontgrondingen hiervan vrij te stellen wegens de bijzondere aard van de ontgrondingen of vanwege bijzondere gewestelijke omstandigheden. Het in artikel 14.4 neergelegde vrijstellingenregime wordt gemotiveerd vanuit het ontgrondingenbeleid van de provincie. In hoofdlijnen komt dat hierop neer: ontgrondingen worden beschouwd op hun effect voor de omgeving. Ontgrondingen waarvan weinig effecten voor de omgeving zijn te verwachten zijn vrijgesteld van de vergunningplicht.

Overigens blijft het op grond van de Monumentenwet 1988 in alle gevallen verboden om zonder vergunning op grond van die wet ingrepen in de bodem te verrichten van aangewezen Rijksmonumenten. Voor vergunningen op grond van deze Monumentenwet zijn Gedeputeerde Staten niet het bevoegde gezag.

De structuur van het vrijstellingenregime is als volgt. In het eerste lid van artikel 14.4 zijn de algemene ontgrondingen opgenomen die zijn vrijgesteld: voor ontgrondingen die een bepaalde omvang niet overschrijden is een vergunning niet nodig. In het tweede lid worden de specifieke ontgrondingen genoemd die zijn vrijgesteld van de vergunningplicht, maar wel aan Gedeputeerde Staten moeten worden gemeld. In het derde lid worden deze vrijstellingen genuanceerd. Dat betekent dat voor de in derde lid omschreven ontgrondingen wel een vergunning vereist is.

eerste lid In het eerste lid van artikel 14.4 wordt de vrijstelling van de vergunningplicht gegeven voor gangbare kleine ontgrondingen. Dit zijn ontgrondingen die vanwege hun omvang nauwelijks van invloed zullen zijn op andere belangen dan die van de initiatiefnemer. Aan deze algemene vrijstelling is een dieptebeperking gekoppeld vanuit de gedachte dat bij ontgrondingen dieper dan 3 meter veelal de deklaag zal worden doorsneden. Het doorsnijden van de deklaag kan ingrijpende gevolgen hebben voor het waterhuishoudkundige systeem.

tweede lid In het tweede lid, onder a is voor watergangen met gangbare afmetingen een vrijstelling opgenomen. In het kader van de keur of in het kader van het waterbeheerplan vindt voorafgaand aan de aanleg van watergangen een afweging op het punt van de waterhuishoudkundige effecten plaats.

Onder b is een vrijstelling opgenomen ten behoeve van de aanleg van duurzame of natuurvriendelijke oevers door het waterschap of de provincie. Dergelijke ingrepen overschrijden al gauw de criteria van het eerste lid, maar handhaving van de vergunningplicht hiervoor wordt niet zinvol geacht. Voor watergangen met grotere dan normale afmetingen moet wel een vergunning worden aangevraagd.

Onder c en d zijn typen ontgrondingen opgenomen die naar het oordeel van de provincie een nadere afweging in het kader van de Ontgrondingenwet niet nodig hebben. Gedacht wordt aan ontgrondingen waarbij aan het oogmerk van de ontgronding een hoge prioriteit moet worden toegekend zoals veiligheid. Een andere reden is dat het afwegen van met de ontgronding samenhangende belangen in een andere procedure voldoende is gewaarborgd. De afweging in het kader van de ontgrondingen-vergunning is dan niet meer nodig.

Onder e zijn de (infrastructurele) werken die al planologisch zijn geregeld en waarbij de bij een ontgronding betrokken belangen reeds zorgvuldig zijn betrokken, vrijgesteld van de vergunningplicht mits een diepte van 3 meter beneden maaiveld niet wordt overschreden. Hieronder valt onder meer het bouwrijp maken van een gebied. Het gaat daarbij om het graven van cunetten voor de aanleg van wegen, buizen, kabels, andere leidingen en daarmee vergelijkbare werken, zoals bijvoorbeeld riolering. Onder riolering wordt verstaan een samenhangend systeem van buizen (riolen), putten en pompen dat ondergronds wordt aangelegd. Al deze werken die onlosmakelijk zijn verbonden, vallen onder de vrijstelling. De term wegen moet breed worden opgevat. Hieronder vallen tevens parkeerplekken en kraanopstelplaatsen. Ook herstel- en onderhoudswerkzaamheden aan deze (infrastructurele) werken vallen onder deze vrijstelling. Voor spoorwegen is de vrijstelling gekoppeld aan het tracébesluit, waarin de aanvaardbaarheid van de spoorweg op alle aspecten is afgewogen.

Onder f worden ontgrondingen ten behoeve van bodemsaneringen door of op last van het provinciaal bestuur vrijgesteld van een ontgrondingsvergunning. De Ontgrondingenwet is op grond van artikel 4, aanhef onder c van de Ontgrondingenwet niet van toepassing op deze provinciale bodemsaneringen indien deze worden uitgevoerd in het kader van een provinciaal milieuprogramma. Daarbij heeft de wetgever in de memorie van toelichting op de Ontgrondingenwet aangegeven (TK1993/94, 23 568, nr.3) dat het weinig zin heeft om voor bodemsaneringen op voorschrift van de provincie het vergunningvereiste in te stellen, omdat de betrokken belangen worden afgewogen in het kader van de Wet milieubeheer en Wet bodembescherming. Door de vrijstelling in de verordening op te nemen worden in lijn met de bedoeling van de wetgever bodemsaneringen uitgevoerd door de provincie in het geheel vrijgesteld. De koppeling met het provinciaal milieuprogramma is echter niet langer vereist.

Onder g wordt het verwijderen of vervangen van een bestaande natuurlijke of kunstgrasmat voor sportvelden vrijgesteld van de vergunningplicht als niet dieper dan een 0,5 meter wordt ontgrond. Het hier gaat om het verwijderen van een bestaande grasmat waarvoor bij de aanleg reeds een ontgrondingvergunning is verleend. In dit kader heeft reeds een belangenafweging plaatsgevonden. Daarnaast is de verwachting dat het verwijderen weinig effecten zal hebben op de omgeving omdat het een ontgronding tot een 0,5 meter betreft. Waterhuishoudkundige effecten zijn dan niet te verwachten. Ook gevolgen voor de ecologie zijn niet aanwezig omdat het bestaande sportvelden betreffen met een recreatieve functie en waar reeds (dagelijks) gebruik van wordt gemaakt.

Artikel 14.5 (Melding)

De Ontgrondingenwet biedt de mogelijkheid om ontgrondingen die vrijgesteld zijn van de vergunningplicht te koppelen aan een meldingsplicht. Enerzijds geeft dit de provincie de mogelijkheid om te bezien of de ontgronding plaatsvindt overeenkomstig de gestelde regels. Anderzijds geeft deze meldingsplicht de mogelijkheid inzicht te verkrijgen in het vrijkomende materiaal en in welke mate dat voor de duurzame grondstoffenvoorziening in Flevoland kan worden ingezet. Ook wordt zo inzicht verkregen in de verstoring van het archeologisch bodemarchief. De effecten die worden veroorzaakt door ontgrondingen worden in een bestemmingsplan- of andere (vergunning-)procedure.

De secundaire ontgrondingen waarbij grotere hoeveelheden oppervlaktedelfstoffen vrijkomen dienen overeenkomstig het ontgrondingenbeleid van de provincie beoordeeld te worden in het licht van een duurzame grondstoffenvoorziening in Flevoland. In deze toelichting is aangegeven dat ontgrondingen met een oppervlakte van meer dan 500 m2 en met een diepte van meer dan 3 meter minus maaiveld vergunningplichtig zijn. Het vaststellen van een grens van 1500 m3 oppervlaktedelfstof(fen) als grens waarboven de te ontgraven hoeveelheid bij Gedeputeerde Staten moet worden gemeld, ook indien een ontgronding blijkens de verordening vrijgesteld is van de vergunningplicht, ligt hiermee op een zelfde omvang.

Met de introductie van het meldingensysteem is gekozen voor een meer passieve vorm van sturing van vrijkomende oppervlaktedelfstoffen in de provincie Flevoland. Voor deze passieve vorm van sturing is gekozen teneinde eerst meer inzicht te verkrijgen in het aanbod en de afzetmogelijkheden van de vrijkomende oppervlaktedelfstoffen om in de toekomst mogelijk te komen tot een meer actieve sturing van vrijkomende oppervlaktedelfstoffen.

Bij de melding ingevolge artikel 14.5, eerste lid, moet inzicht worden gegeven in de hoeveelheden en de bestemming van de te ontgraven oppervlaktedelfstoffen. Om deze beschikbaar komende informatie te kunnen structureren en toegankelijk te maken voor belanghebbenden worden de gemelde gegevens opgenomen in een oppervlaktedelfstoffenregister. Op deze wijze ontstaat een beeld van het provinciale aanbod van oppervlaktedelfstoffen uit secundaire ontgrondingen.

Paragraaf 14.2.2 Afwijking van aanwijzing vergunningvrije gevallen

Artikel 14.6 (Winnen van oppervlaktedelfstoffen)

Met dit artikel worden de vrijstellingen van artikel 14.4 beperkt tot secundaire ontgrondingen. Met betrekking tot de typeringen van ontgrondingen in artikel 14.4, eerste en tweede lid kan het volgende worden opgemerkt. Secundaire ontgrondingen zijn niet specifiek op de winning van oppervlaktedelfstoffen gericht, maar deze kunnen daarbij wel vrij komen. Voorbeelden zijn: ingraven van een weg, aanleggen of om nautische redenen uitdiepen van een vaargeul, aanleg van een put voor afvalberging, etc. De locatie voor de ontgraving wordt dus bepaald door de geschiktheid voor het creëren van de functie. De wijziging van het landschap is dus niet het gevolg van delfstoffenwinning.

Daarnaast worden de zogenaamde primaire ontgrondingen onderscheiden. Bij dergelijke ontgrondingen staat de winning van delfstoffen centraal. De locatiekeuze wordt daarbij in de eerste plaats bepaald door geschiktheid voor delfstoffenwinning, waarbij een goede eindbestemming wordt gezocht. Deze eindbestemming is een afgeleide; veelal zijn diverse vormen van eindbestemming mogelijk. Voor primaire ontgrondingen moet in alle gevallen een vergunning worden aangevraagd.

Artikel 14.7 (Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden)

Met dit artikel wordt bewerkstelligd dat voor ontgrondingen die worden uitgevoerd in gebieden met unieke archeologische en waardevolle aardkundige waarden -die ook kwetsbaar zijn voor ontgrondingen van minder dan 3 meter beneden maaiveld– in principe altijd een vergunning nodig is, tenzij het afwegen van met de ontgronding samenhangende belangen in een andere procedure voldoende is gewaarborgd. Slechts heel oppervlakkige ontgrondingen –minder dan 30 cm onder het maaiveld– zijn nooit vergunningplichtig. Dit betekent overigens niet dat een ontgronding van meer dan 30 cm diep niet is toegestaan. Met de vergunningplicht wordt veeleer beoogd vooraf te bezien hoe schade aan archeologische waarden zoveel mogelijk kan worden voorkomen dan wel kan worden beperkt. Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat deze vergunningplicht geen gevolgen heeft voor gedragingen in het kader van de normale uitoefening van de land- en tuinbouw. Deze gedragingen vallen namelijk niet onder de definitie ontgrondingen en blijven daarmee buiten het bereik van deze verordening.

Artikel 14.8 (Top-10 Archeologische Locaties)

Met dit artikel wordt bewerkstelligd dat voor ontgrondingen die worden uitgevoerd in gebieden met unieke archeologische en waardevolle aardkundige waarden -die ook kwetsbaar zijn voor ontgrondingen van minder dan 3 meter beneden maaiveld– in principe altijd een vergunning nodig is, tenzij het afwegen van met de ontgronding samenhangende belangen in een andere procedure voldoende is gewaarborgd. Slechts heel oppervlakkige ontgrondingen –minder dan 30 cm onder het maaiveld– zijn nooit vergunningplichtig. Dit betekent overigens niet dat een ontgronding van meer dan 30 cm diep niet is toegestaan. Met de vergunningplicht wordt veeleer beoogd vooraf te bezien hoe schade aan archeologische waarden zoveel mogelijk kan worden voorkomen dan wel kan worden beperkt. Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat deze vergunningplicht geen gevolgen heeft voor gedragingen in het kader van de normale uitoefening van de land- en tuinbouw. Deze gedragingen vallen namelijk niet onder de definitie ontgrondingen en blijven daarmee buiten het bereik van deze verordening.

Paragraaf 14.2.3 Aanwijzing eenvoudige vergunningprocedure

Artikel 14.9 (Eenvoudige vergunningprocedure)

In de praktijk is gebleken dat het volgen van de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht in een aantal gevallen geen toegevoegde waarde heeft en slechts een onwenselijke verlenging van de proceduretijd met zich meebrengt. Artikel 10, zesde lid van de Ontgrondingenwet maakt het mogelijk bij verordening gevallen aan te wijzen waarbij de wettelijk voorgeschreven procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet behoeft te worden doorlopen voor het verlenen van een ontgrondingenvergunning. Het moet dan gaan om eenvoudige ontgrondingen. In dit artikel zijn daarom gevallen aangewezen waarbij niet of nauwelijks andere belangen betrokken zijn, maar die wel een significante betekenis kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving en daarom dus niet kunnen worden vrijgesteld van de vergunningplicht. Het is daarom wenselijk om Gedeputeerde Staten een bewuste keuze te laten maken of en hoe de ontgronding doorgang kan vinden. In feite komt dit erop neer dat in deze gevallen de procedure van titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Ingevolge artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht is de beslistermijn op een aanvraag voor een vergunning dan acht weken.

Artikel 14.10 (Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden)

Zie toelichting artikel 14.9.

Artikel 14.11 (Top-10 Archeologische Locaties)

Zie toelichting artikel 14.9.

Paragraaf 14.2.4 Aanwijzing afwijking eenvoudige vergunningprocedure

Artikel 14.12 (Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden)

In artikel 14.10 is bepaald dat voor bepaalde ontgrondingen in een Provinciaal Archeologische en Aardkundig Kerngebied de uitgebreide procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is. Artikel 14.12 sluit ontgrondingen daarvan uit waarbij een diepte van 0.3 meter beneden maaiveld wordt overschreden en niet meer dan 500 m2 wordt ontgrond. Dit vanwege de mogelijk aanwezige archeologische waarden een aardkundige waarden.

Artikel 14.13 (Top-10 Archeologische Locaties)

In artikel 14.11 is bepaald dat voor bepaalde ontgrondingen in een Top-10 Archeologische Locatie de uitgebreide procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is. Artikel 14.13 sluit ontgrondingen daarvan uit waarbij een diepte van 0.3 meter beneden maaiveld wordt overschreden en niet meer dan 500 m2 wordt ontgrond. Dit vanwege de mogelijk aanwezige archeologische waarden.

Paragraaf 14.2.5 Indieningsvereisten aanvraag vergunning

Artikel 14.14 (Indieningsvereisten)

Er is van afgezien een uitputtende lijst op te geven van gegevens die bij de aanvraag moeten worden overgelegd. Het aanvraagformulier, waarvoor Gedeputeerde Staten desgewenst een standaardformulier kunnen vaststellen, geeft hierover de nodige informatie. Wel is expliciet toestemming van de eigenaar vereist wanneer de aanvrager niet de eigenaar is van de te ontgronden zaak.

HOOFDSTUK 15 WEGEN EN VAARWEGEN

In hoofdstuk 15 zijn ten eerste alle bepalingen opgenomen over activiteiten op, boven of onder provinciale wegen en vaarwegen. Deze bepalingen zijn voor zover betrekking hebbende op de provinciale wegen gebaseerd op de Wegenwet en de Wegenverkeerswet 1994. Voor zover de bepalingen betrekking hebben op activiteiten op, in, boven of onder de provinciale vaarwegen zijn de bepalingen gebaseerd op de Waterwet. Het toestemmingenregime voor uitwegen op de zogenaamde stroomwegen, zoals Hogering, Larserweg en Gooiseweg, is gewijzigd. Het stelsel van algemene regels ten aanzien van uitwegen bleek het doelmatig en veilig gebruik van deze stroomwegen onvoldoende te waarborgen. Dit geldt ook voor de aanleg van benzineverkooppunten en voor uitwegen die bedoeld zijn voor een voorziening die een groot aantal bezoekers trekt. In verband daarmee is gekozen voor de rechtsfiguur ‘ontheffing’ voor het realiseren van uitwegen op de stroomwegen.

Titel 15.1 Algemeen

Artikel 15.1 (Oogmerk)

Het hoofdstuk wegen en vaarwegen dient, blijkt uit het eerste lid, ter bescherming van de bij de provincie Flevoland in beheer zijnde openbare wegen en vaarwegen en ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik van die wegen en vaarwegen. Centraal staat hierbij de aandacht voor verkeersveiligheid en het doelmatig en efficiënt beheer en onderhoud van de openbare wegen en de vaarwegen.

Daarbij kunnen aanvullend andere belangen worden betrokken als landschappelijke, ecologische of natuurwetenschappelijke waarden, echter uitsluitend voor zover daarin niet is voorzien in andere wettelijke regelingen. Gelet op het bestuursrechtelijke specialiteitsbeginsel, is een bepaling, als geformuleerd in sub b, noodzakelijk om naast de bescherming van de provinciale openbare wegen en vaarwegen en het doelmatig en veilig gebruik daarvan, ook andere belangen te kunnen betrekken bij toepassing van de verordening.

Artikel 15.2 (Toepassingsgebied wegen)

De omschrijving van wegen is zo beknopt mogelijk gehouden. Aansluiting is gezocht bij de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. Er is naar gestreefd om onder de omschrijving alles te vatten, dat op enigerlei wijze van belang kan zijn. Dit hoofdstuk is van toepassing op de wegen die in beheer bij de provincie zijn. De Wegenwet bepaalt alleen wat er onder wegen mede verstaan moet worden, niet wat tot de weg moet worden gerekend. Dit artikel beoogt dit hiaat op te heffen. Functioneel horen kunstwerken en weguitrusting ook tot de weg. Tot aard van de weg of vaarweg behoort onder meer: openbare verhardingen, bermen, taluds (tot aan de boveninsteek), bruggen, sluizen, afwatering, tunnels, viaducten, wegmeubilair, begroeiingen, kabels, buizen, leidingen en bushokjes.

Artikel 15.3 (Toepassingsgebied vaarwegen)

De omschrijving van vaarwegen is zo beknopt mogelijk gehouden. Aansluiting is gezocht bij de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. Er is naar gestreefd om onder de omschrijving alles te vatten, dat op enigerlei wijze van belang kan zijn. Dit hoofdstuk is van toepassing op de vaarwegen die in beheer bij de provincie zijn. Functioneel horen kunstwerken ook tot de vaarweg. Tot aard van de vaarweg behoort onder meer: taluds (tot aan de boveninsteek), afwatering, bruggen, sluizen, steigers en afmeerplaatsen.

Artikel 15.4 (Toepassingsgebied evenementen)

Onder de reikwijdte van dit hoofdstuk zijn evenementen gebracht die van invloed kunnen zijn op het doelmatig en veilig gebruik van de weg met uitzondering van route gebonden evenementen (toertochten) waarop het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 van toepassing is.

Titel 15.2 Activiteiten

Paragraaf 15.2.1 Verboden

Artikel 15.6 (Verbodsbepaling)

Het verbod in het eerste lid is zeer ruim omschreven, met als doel te voorkomen dat voor elke denkbare ongewenste situatie of handeling die strijdig is met het oogmerk zoals omschreven in artikel 15.1een afzonderlijke beschrijving moet worden opgenomen. Als denkbare ongewenste situatie of handeling wordt ook bedoeld het tijdelijk of permanent afmeren van schepen aan de oevers van de provinciale vaarten, dan wel het aanleggen van voorzieningen om af te meren. Schepen kunnen op veel manieren worden afgemeerd aan een oever of voor anker gaan in provinciaal vaarwater; het verbod heeft betrekking op al deze manieren.

Onder artikel 15.6 lid 1 onder c worden handelingen bedoeld als het zich anders dan over een uitweg met een voertuig op of van de weg begeven, het geheel of gedeeltelijk dichten van de afwateringsmiddelen van een weg, het ter verkoop aanbieden en/of leveren van waren, het houden van dieren in de berm en het houden van optochten en braderieën voor zover het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet van toepassing is.

Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op hulpdiensten die in geval van een calamiteit gebruik moeten maken van de weg op een wijze als omschreven in het eerste lid. Dit gebruik wordt geacht te vallen onder het gebruik waartoe de openbare weg is bestemd.

Paragraaf 15.2.2 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Artikel 15.7 (Algemene regels uitwegen)

Bij een groot aantal wegen en in veelvoorkomende situaties kan een uitweg worden aangelegd op basis van een melding. Ten behoeve van de verkeersveiligheid en vanuit doelmatig en efficiënt beheer en onderhoud van wegen moet wel vooraf rekening worden gehouden diverse technische randvoorwaarden. De afstandsnormen dienen om vanuit een doelmatig en veilig gebruik van de weg de noodzakelijke vrije ruimte te garanderen, bijvoorbeeld voor vrije zichthoeken en zichtlengtes voor verkeersborden, kruisende wegen, of andere verkeerssituaties. Er wordt namelijk gestreefd naar een zo groot mogelijke uniformiteit van het aanblik van de uitwegen, hetgeen belangrijk is in het kader van de verkeersveiligheid.

Artikel 15.8 (Algemene regels borden en herdenkingstekens)

Dit artikel beoogt algemene regels te stellen ten behoeve van de instandhouding van de wegen en ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik van de wegen. Wanneer de beoogde situatie niet voldoet aan de algemene regels kan de initiatiefnemer een ontheffing aanvragen krachtens artikel 15.11. Bij plaatsing van herdenkingstekens is de maximale termijn van plaatsing (lid 4) 3 jaar. Dit op basis van de ervaringen de afgelopen jaren. Op het plaatsen van borden zijn de regels van Hoofdstuk 3 Bescherming landschap van toepassing.

Artikel 15.9 (Melding)

De meldingsplicht heeft in zijn algemeenheid betrekking op twee onderdelen: het aanleggen van een uitweg, of het plaatsen van een bord dan wel herdenkingsteken. De meldingsplicht geeft de (vaar)wegbeheerder de benodigde gegevens omtrent naam, adres en woonplaats van de initiatiefnemer e.d. ingeval de werken (tijdelijk) verwijderd dienen te worden voor werkzaamheden in het kader van onderhoud en beheer. Het is raadzaam herdenkingstekens rondom te markeren door middel van paaltjes, opdat het herdenkingsteken niet beschadigd kan worden door onderhoudswerkzaamheden in de berm.

Naast de specificaties zoals benoemd in leden 3 en 4, wordt in geval van een melding ook de beleidsnotitie uitwegen meegestuurd met aanvullende randvoorwaarden. Er wordt namelijk gestreefd naar een zo groot mogelijke uniformiteit van het aanblik van de uitwegen, hetgeen belangrijk is in het kader van de verkeersveiligheid.

Paragraaf 15.2.3 Afwijking van aanwijzing vergunningvrije gevallen

Artikel 15.10 (Afwijking vergunningvrije gevallen)

Bij de toepassing van algemene regels voor uitwegen in artikel 15.7 is een uitzondering gemaakt voor de met naam en nummer genoemde wegen. De grote verkeersintensiteit en de hoge gemiddelde snelheid van het wegverkeer (80/100 km/uur) is daar zodanig, dat er in principe geen nieuwe uitwegen aangelegd zouden moeten worden. Tevens geldt deze uitzondering voor de aanleg van benzineverkooppunten en voor uitwegen die bedoeld zijn voor een voorziening, die een groot aantal bezoekers trekt. In al die uitzonderingen moet een ontheffing worden aangevraagd. De noodzaak om een ontheffing aan te vragen is daarmee een aanvullende toets op verkeersveiligheid en doorstroming (in plaats van een melding te doen) en geldt voor alle provinciale wegen, wanneer de uitweg is bedoeld voor activiteiten of voorzieningen waar relatief grote aantallen bezoekers worden verwacht.

Paragraaf 15.2.4 Ontheffingverlening

Artikel 15.11 (Ontheffing algemeen)

De ontheffingen moeten worden aangevraagd voor specifieke situaties, waarbij de verwachting is dat de verkeersveiligheid en het doelmatig en efficiënt beheer en onderhoud hiervan in het geding is. Er is dan een nadere (langere en meer diepgaande) toets of onderzoek nodig. Als voorbeelden van ontheffingplichtige gevallen kunnen worden genoemd: standplaatsen, kabels, leidingen en buizen, uitwegen op specifieke wegen, steigers en ligplaatsen.

Artikel 15.12 (Ontheffing evenementen)

Dit artikel biedt de mogelijkheid om ook buiten het weggebied op te treden voor zover het evenementen betreft. Het gaat daarbij om situaties waarbij de bescherming, het doelmatig en veilig gebruik van wegen in het geding zijn. Een evenement kan een grote parkeerdruk langs de provinciale wegen veroorzaken die het veilig gebruik van de weg in gevaar brengt. De geparkeerde auto’s kunnen het zicht op overstekende bezoekers van het evenement voor doorgaand verkeer op een 80 km weg belemmeren. Een tijdige aanvraag voor een ontheffing stelt de wegbeheerder in staat tijdig maatregelen te treffen, zoals het tijdelijk instellen van een 30 km zone. Volledigheidshalve kan hierbij worden opgemerkt dat gezien de wegenverkeerswetgeving het niet is toegestaan langs voorrangswegen te parkeren. Dit verbod kan niet opgeheven worden door het verzoeken van een ontheffing. De politie draagt zorg voor de handhaving van het parkeerverbod.

Titel 15.3 Nadere regels

Artikel 15.13 (Nadere regels)

Met dit artikel wordt aan Gedeputeerde Staten de mogelijkheid geboden nadere regels te stellen aan het gebruik van wegen en vaarwegen in beheer bij de provincie. Het betreffen nadere regels die passen binnen de gestelde bepalingen van deze regels. Onderstaande is een niet limitatieve opsomming van voorbeelden waar aan gedacht kan worden:

  • a.

    regels stellen voor lengte, breedte en diepgang voor schepen;

  • b.

    regels stellen voor de bedieningstijden van bruggen en sluizen;

  • c.

    besluiten de scheepvaartweg aan het openbaar scheepvaartverkeer te onttrekken.

HOOFDSTUK 16 PROCEDURES EN ADVISEURS

In hoofdstuk 16 zijn de procedurebepalingen bij elkaar gebracht die betrekking hebben op het verlenen, wijzigen of intrekken van ontheffingen op grond van deze verordening. Deze procedurebepalingen zijn niet van toepassing op het verlenen van vergunningen op grond van de Waterwet en de Ontgrondingenwet.

Titel 16.1 Ontheffingprocedure

Paragraaf 16.1.1 Aanvraag ontheffing

Artikel 16.1 (Aanvraag ontheffing)

In dit artikel is bepaald dat een aanvraag om ontheffing van de verordening langs de elektronische weg of schriftelijk kan worden ingediend.

Paragraaf 16.1.2 Ontheffingsprocedure

In de verordening worden diverse toestemmingen (vergunningen/ontheffingen/meldingen) beschreven die gebaseerd zijn op landelijke wetgeving. Procedureregels voor het behandelen van aanvragen/meldingen om deze toestemmingen zijn te vinden in de landelijke wetgeving.

De hoofdstukken 3 en 15 van de verordening bevatten autonome provinciale regelgeving. Ten aanzien daarvan bepaalt artikel 2.2, lid 1, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) welke toestemmingen (vergunningen/ontheffingen) op grond van een provinciale verordening opgaan in de omgevingsvergunning. Het gaat daarbij onder andere om de activiteiten aanleggen van een weg (artikel 2.2, lid, onderdeel d van de Wabo), uitwegen (artikel 2.2, lid 1, onderdeel e van de Wabo) en maken handelsreclame aan een onroerende zaak (artikel 2.2, lid 1, onderdeel h van de Wabo). Het verlenen van toestemming voor deze activiteiten valt onder de werking van de Wabo. Uitgangspunt van de Wabo is dat burgemeester en wethouders het bevoegd gezag zijn voor het beslissen op aanvragen om omgevingsvergunning. Zodra een provinciale ontheffing/vergunning opgaat in de omgevingsvergunning gelden daarvoor de procedureregels die bij of krachtens de Wabo zijn gesteld voor het behandelen van aanvragen om een omgevingsvergunning. Hierbij wordt uitdrukkelijk gewezen op artikel 16.7 dat bepaalt dat in deze gevallen Gedeputeerde Staten in de gelegenheid moeten worden gesteld om advies uit te brengen.

Artikel 1.3a, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de ontheffingen van regels die in de verordening zijn opgenomen met betrekking tot de milieubeschermingsgebieden voor grondwater (hoofdstuk 5) of het gebruik van gesloten stortplaatsen (hoofdstuk 12) aanhaken bij de omgevingsvergunning. Indien een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een project waarvan activiteiten deel uitmaken waarvoor tevens een ontheffing van deze regels is vereist, moet de aanvraag om een omgevingsvergunning tevens de aanvraag om toestemming voor die activiteiten omvatten. Dit betekent dat in de gevallen waarin er geen sprake is van samenloop met een omgevingsvergunningplichtig project een zelfstandige toestemmingstelsel nodig blijft. Daarnaast gaat een aantal autonome ontheffingen niet op in de omgevingsvergunning. Het betreft het gebruik maken van een openbare weg of vaarweg anders dan waartoe deze is bestemd, zoals het aanleggen van ligplaatsen en het plaatsen van borden niet inhoudende handelsreclame op of aan een onroerende zaak buiten de bebouwde kom. Hiervoor zijn de ontheffingen als bedoeld in artikel 3.5 en 15.11 van toepassing. Voor deze ontheffingen is in de verordening hetzelfde procedurele uitgangspunt gekozen. Alle ontheffingen worden voorbereid met de lichtste procedure (titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht).

Artikel 16.2 (Ontheffingsprocedure)

In het eerste lid is een beslistermijn voor ontheffingen van 8 weken opgenomen, dit omdat dit in de meeste provinciale verordeningen is gedaan. Als dat niet expliciet is bepaald, dient op grond van artikel 4.16 van de Algemene wet bestuursrecht binnen 8 weken te worden beslist. Dit is in de provinciale praktijk meestal niet haalbaar, waardoor in de meeste gevallen een – op voorhand niet voorspelbare – verlenging van de beslistermijn noodzakelijk blijkt. Met een beslistermijn van 8 weken kan in de meeste gevallen worden volstaan, zodat daarmee aan de aanvrager op voorhand meer duidelijkheid wordt gegeven.

In het tweede en derde lid is geregeld in welke gevallen ontheffingen moeten worden voorbereid met de uitgebreide uniforme voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht. Dit is het geval als er sprake is van samenloop met activiteiten waarvoor een vergunning noodzakelijk is die via afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht moet worden voorbereid, zoals bijvoorbeeld bij samenloop met een waterwetvergunning. Ook indien er op voorhand zienswijzen zijn te verwachten passen Gedeputeerde Staten afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht toe.

Paragraaf 16.1.3 Ontheffingverlening

Artikel 16.3 ( Ontheffingverlening )

Dit artikel voorziet in een ontheffingsregeling. De ontheffingen kunnen worden verleend indien de belangen van de bepaling waarop de ontheffing rust zich daartegen niet verzet. In de verschillende hoofdstukken zijn de specifieke belangen benoemd. In het tweede lid zijn de omstandigheden verwoord waarbij de ontheffing kan worden ingetrokken. Dit artikellid sluit aan bij de bepalingen zoals deze zijn opgenomen in de Wet milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Waterwet.

Artikel 16.4 (Ontheffingsvoorschriften)

Met het oog op de bescherming van de belangen die deze verordening beoogd te dienen kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden aan de ontheffing. Dat kan er toe leiden dat de activiteit op een bepaalde plaats niet worden toegestaan (waarbij eventueel een suggestie wordt gedaan voor een andere plaats) dan wel dat de activiteit wel wordt toegestaan, maar dat aan de vorm of de duur van de activiteit door Gedeputeerde Staten beperkingen worden gesteld.

Paragraaf 16.1.4 Rechtsopvolging

Artikel 16.5 (Rechtsopvolging)

Dit artikel regelt de rechtsopvolging van ontheffingen. Mede in het licht van het terugdringen van administratieve lasten voor burgers en bedrijven is ervoor gekozen dat gelding van de vergunning voor rechtsopvolgers het uitgangspunt dient te zijn. In bepaalde gevallen, bijvoorbeeld wanneer de vergunning meer persoonsgebonden is, kan bij individuele ontheffingen hiervan worden afgeweken. Van een overdracht van ontheffingen dient melding te worden gedaan aan het bevoegde gezag. De verplichting tot melding rust op de rechtsopvolger. Wanneer deze een overdracht ten onrechte niet melden, is zij strafbaar. In artikel 17.8 is geregeld dat het niet-melden een strafbaar feit is.

Titel 16.2 Adviseurs

Artikel 16.6 (Advies grondwaterbescherming)

In dit artikel worden de adviseurs aangewezen die betrokken worden bij een gedraging in een milieubeschermingsgebied voor grondwater.

Artikel 16.7 (Advies bij omgevingsvergunning)

In dit artikel worden Gedeputeerde Staten als adviesorgaan aangewezen voor die gevallen waarin een ontheffing van de verordening opgaat in of aanhaakt bij de omgevingsvergunning. Hoewel de Toelichting bij het Besluit omgevingsrecht suggereert dat dit altijd al het geval is op grond van de nationale regelgeving, is dit niet altijd expliciet geregeld. Uit de omstandigheid dat dit voor ontheffingen met betrekking tot grondwaterbescherming en nazorg gesloten stortplaatsen wel expliciet in het Besluit omgevingsrecht is opgenomen, maar voor bijvoorbeeld ontheffingen voor het aanleggen van uitwegen of het voeren van handelsreclame niet, zou kunnen worden afgeleid dat voor die laatstgenoemde activiteiten geen adviesrecht voor Gedeputeerde Staten zou bestaan, hetgeen uiteraard onwenselijk is.

HOOFDSTUK 17 HANDHAVING EN UITVOERING

Titel 17.1 Kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving

Deze titel regelt de kwaliteit van de door en in opdracht van het college van gedeputeerde staten uitgevoerde vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) van het omgevingsrecht. Het algemeen deel van deze toelichting beschrijft de achtergrond en aanleiding van deze verordening en schetst de hoofdlijnen van de inhoud van de verordening.

Achtergrond en aanleiding Samen met het kabinet werken gemeenten en provincies aan het verbeteren van de uitvoering van het omgevingsrecht. De visie van het kabinet over de verbetering staat beschreven in het kabinetsstandpunt (november 2008) waarin het kabinet reageert op de analyses en voorstellen van de commissie Mans, Oosting, Lodders, d’Hondt en de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De verbeterpunten zijn terug te brengen tot drie hoofdpunten:

  • 1.

    De kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken;

  • 2.

    Het verbeteren van de afstemming strafrecht-bestuursrecht;

  • 3.

    De bevoegdheidsverdeling overheden, interbestuurlijk toezicht en bestuurlijke drukte.

Het IPO en de VNG hebben afspraken gemaakt met het kabinet over hoe zij gezamenlijk met de departementen werken aan het verbeteren van deze punten. Deze afspraken zijn deels vastgelegd in de Package Deal (29 september 2009). Hiertoe is een gezamenlijk programma (PumA, programma uitvoering met ambitie) opgezet, dat inmiddels is afgerond. Zo is er nu onder meer een landelijk stelsel van omgevingsdiensten, zijn de kwaliteitscriteria VTH 2.1 voor de uitvoering van de Wabo in brede samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkeld, bestuurlijk vastgesteld (in juni 2012) en beschikbaar gesteld en is er een landelijke handhavingsstrategie voor bestuurs- en strafrecht.

Bij het verankeren van de afspraken in de wet zijn door de VNG en het IPO nieuwe afspraken gemaakt met het kabinet. De Wet Verbetering vergunningverlening, toezicht en handhaving (Wet VTH), dat paragraaf 5.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vervangt, is geschreven vanuit een stelsel dat gebaseerd is op vertrouwen en decentralisatie. Dit betekent dat een belangrijk deel van de besluitvorming over de kwaliteit van de uitvoering decentraal plaatsvindt door de desbetreffende bevoegde gezagen. Leidend hierin is de afspraak met het kabinet dat er een landelijk kwaliteitsniveau moet worden gerealiseerd en behouden. In de praktijk blijkt dat de kwaliteit van de uitvoering en handhaving afhankelijk is van de wijze waarop alle betrokken partijen bij de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving zich daarvoor inzetten door samenwerking. Hier geldt dat de ketting zo sterk is als de zwakste schakel.

Dit gegeven laat onverlet dat verschillende snelheden bestaan in het bereiken van kwaliteit, bijvoorbeeld waar het de beschikbaarheid en deskundigheid van de betrokken organisaties betreft. Dit geldt overigens niet alleen voor de diensten van gemeenten en provincies, maar ook voor omgevingsdiensten. De eisen die deze titel aan de organisatie van de provinciebesturen en in hun opdracht de omgevingsdiensten stelt, berusten daarom op het vertrekpunt van de Kwaliteitscriteria VTH 2.1 die door de betrokken organisaties toegepast dienen te worden volgens de regel “comply or explain” (zie daarover verder de artikelsgewijze toelichting bij artikel 17.5).

In alle gevallen zal het college van Gedeputeerde Staten, als Wabo-bevoegd gezag, op grond van artikel 7.2, eerste lid en tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht beleid moeten voeren over uitvoering en handhaving van het basistakenpakket enerzijds en anderzijds de plus- en thuistaken. Deze titel regelt dat de verrichtingen van de organisatie van de provincie en de omgevingsdiensten, waar het de VTH-taken betreft, in het licht van de in het beleid geformuleerde doelen worden beoordeeld. Tot slot regelt het dat provinciale staten, in het kader van horizontale verantwoording, inhoudelijk debat voeren over de hoofdlijnen van het meerjarige kwaliteitsbeleid dat door hun college wordt gevoerd.

Deze titel beoogt zo veel mogelijk aan te sluiten bij bestaande rapportage en informatiestromen op basis van het Besluit omgevingsrecht en de organieke wetgeving en introduceert geen nieuwe rapportageverplichtingen. Het vereist wel extra input over kwaliteit voor bestaande rapportages. Het is van groot belang dat een tijdige en transparante uitvoering van bestaande verplichtingen bijdragen aan de mogelijkheid voor de ambtelijke diensten, het bevoegde college en Provinciale Staten om ieders rol in de kwaliteitsketen te kunnen spelen. Deze titel is vanuit deze bestaande competentieverdeling gericht op horizontale verantwoording.

Hoofdlijnen van de kwaliteitsverordening De titel kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht vormt het kader voor de kwaliteit van de Wabo-taken bij de provincie en in opdracht daarvan handelende (omgevings)diensten. Met deze titel binden provinciale staten het college van gedeputeerde staten, en de in opdracht daarvan handelende omgevingsdiensten, aan een uniforme ambitie voor kwaliteit. Vertrekpunt zijn de kwaliteitscriteria VTH (die zijn verankerd in artikel 17.2 en artikel 17.5, zie ook de artikelsgewijze toelichting) en andere standaarden en methoden die door het bevoegde gezag al veel worden gehanteerd. Deze zijn ontwikkeld en worden toegepast met als doel de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving te waarborgen en te bevorderen. Of dat het geval is, moet jaarlijks worden beoordeeld door het college van Gedeputeerde Staten. Hiervoor is input nodig van de omgevingsdiensten en de interne provinciale organisatie. Gedeputeerde Staten zullen beoordelen 'of het goed gaat' op basis van de door henzelf geformuleerde beleidsdoelen.

Uiteindelijk legt het college hierover verantwoording af in Provinciale Staten (horizontale verantwoording). Provinciale Staten vormen immers een eigen oordeel "of het goed gaat” in het licht van de kwaliteit van de leefomgeving. De politiek-bestuurlijke overwegingen van Provinciale Staten zullen betrekking hebben op de meerjarige hoofdlijnen van het beleid, niet op de organisatorische kwesties van bezetting die tot de competentie van de directeuren van de diensten behoort. Daarbij zal ook het verband gelegd kunnen worden tussen de strategische plannen en visies over de hoofdlijnen van het omgevingsbeleid binnen de provincie, zoals een milieubeleidsplan, een structuurvisie of omgevingsvisies. Provinciale Staten oefenen invloed uit op de formulering van doelen en indicatoren door het college van Gedeputeerde Staten en op de bijstelling daarvan zoals bijvoorbeeld welke informatie zij willen terug zien in de verantwoordingsrapportages van het college. In die zin worden de kaders voor de beoordeling van Provinciale Staten overgelaten aan het politieke debat over kwaliteit.

Zo ordent titel 17.1 de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving door de betrokken actoren met elkaar te verbinden vanuit ieders competentie:

  • De organisaties werken onder leiding van hun directie overeenkomstig de kwaliteitscriteria VTH met betrekking tot deskundigheid en beschikbaarheid, en leggen rekenschap af aan het college van Gedeputeerde Staten die hiervoor verantwoording aflegt aan Provinciale Staten.

  • Het college is, als bevoegde bestuursorgaan, belast met het stellen van beleidsdoelen voor de kwaliteit van de vergunningverlening, toezicht en handhaving, overeenkomstig de procesregels van het Besluit omgevingsrecht en de Regeling omgevingsrecht.

  • Provinciale Staten oefenen horizontaal toezicht uit op “hun” college en gebruiken waar nodig de krachtens de organieke wetten de aan hun toekomende mogelijkheden met het oog op de hoofdlijnen en de continuïteit het beleid over de kwaliteit van VTH, als belangrijk onderdeel van de zorg voor een veilige en gezonde leefomgeving.

Paragraaf 17.1.1 Algemeen

Artikel 17.1 (Reikwijdte)

De reikwijdte van titel 17.1 heeft een inhoudelijke afbakening en een afbakening naar bevoegd gezag. Ten eerste moet het gaan om de uitvoering of handhaving van de betrokken wetten. De terminologie 'uitvoering en handhaving' is overgenomen uit de Wet VTH en wordt ook gehanteerd in het Besluit omgevingsrecht. “Uitvoering en handhaving” betekent dan vergunningverlening, toezicht en handhaving. Dat wil zeggen alle taken tot uitvoering of handhaving van de Wabo en van de wetten, bedoeld in artikel 5.1 van de Wabo. Zie daarover de toelichting bij artikel 17.2. Ten tweede moet het gaan om de uitvoering of handhaving door of in opdracht van Gedeputeerde Staten. Deze titel is dus van toepassing als het gaat om de uitvoering van de betrokken wetten door Gedeputeerde Staten zelf of in opdracht van Gedeputeerde Staten door een omgevingsdienst. Uitvoering van wetten die genoemd zijn in artikel 5.1 van de Wabo of van de Wabo zelf door andere bevoegde gezagen, valt buiten het bereik van deze titel. Waar hier wordt gesproken over de uitvoering of handhaving van taken door of in opdracht van het bevoegd gezag wordt gedoeld op de uitvoering door provinciale diensten en omgevingsdiensten.

Artikel 17.2 (Begripsbepalingen)

Dit artikel gaat over de begrippen die in dit hoofdstuk worden gehanteerd. Om redenen van toegankelijkheid en leesbaarheid zijn de begripsbepalingen gebundeld opgenomen aan het begin van elk hoofdstuk.

Als betrokken wetten worden aangemerkt de Wet algemene bepalingen omgevingswet (Wabo), en de wetten bedoeld in artikel 5.1 van de Wabo, voor zover bij of krachtens die wetten is bepaald dat Hoofdstuk 5 van de Wabo van toepassing is. De wetten waar het -thans- om gaat zijn: de Kernenergiewet, de Monumentenwet 1998, de Wet natuurbescherming, de Ontgrondingenwet, de Wet bescherming Antarctica, de Wet bodembescherming, de Wet geluidhinder, de Wet inzake de luchtverontreiniging, de Wet milieubeheer, de Wet ruimtelijke ordening, de Waterwet en de Woningwet.

Een belangrijk begrip in deze verordening is kwaliteitscriteria. De kwaliteitscriteria waar het hier om gaat zijn de door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwaliteitscriteria gegrond op de bekende Kwaliteitscriteria 2.1 voor VTH, die in brede samenwerking door de bevoegde gezagen zijn ontwikkeld en beschikbaar gesteld voor de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving, op het gebied van de beschikbaarheid en de deskundigheid van de daarmee belaste organisaties. Deze liggen aan de basis van het VTH-stelsel. Het ligt in de rede dat van deze kwaliteitscriteria in de loop van de jaren verbeterde en geactualiseerde versies beschikbaar zullen worden gemaakt om de versie 2.1 op te volgen. Als er sprake is van een nieuwe/aangepaste set dan zal het college in het kader van besluitvorming over de vaststelling ervan als nadere regel zorgdragen voor afstemming op het niveau van de omgevingsdienst.

Paragraaf 17.1.2 Kwaliteit

Artikel 17.3 (Betrokkenheid van provinciale staten)

Dit artikel is van belang in verband met de rolverdeling tussen Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten. Ingevolge de systematiek van het Besluit omgevingsrecht, is de jaarlijkse beoordeling van en rapportage over uitvoering en handhaving een taak voor het bevoegd gezag. Dat wil zeggen: Gedeputeerde Staten. Bezien vanuit de Provinciewet is kaderstelling juist de taak van Provinciale Staten.

De kaderstellende rol voor VTH krijgt allereerst gestalte door deze titel. Daarnaast is het echter, gelet op de samenhang met het Besluit omgevingsrecht, van belang uitdrukking te geven aan het feit dat Provinciale Staten vooral vanuit de hoofdlijnen betrokken is bij het beleid en zal toezien op de continuïteit van de kwaliteit over meerdere jaren.

De horizontale verantwoording van het college aan Provinciale Staten op het uitvoerings- en handhavingsbeleid zal daarom plaatsvinden in het licht van het strategische beleid dat op hoofdlijnen wordt gevoerd voor de fysieke leefomgeving, zoals omgevingsvisies, milieubeleidsplannen en structuurvisies.

Artikel 17.3 richt zich tot Provinciale Staten. Indirect is het eveneens van belang voor Gedeputeerde Staten, en de omgevingsdiensten die in hun opdracht werken, omdat de rol van Provinciale Staten zich juist bij de meerjarenprogrammering en hoofdlijnen laat gelden. Voor het waarmaken van deze rol, beschikken Provinciale Staten reeds over de mogelijkheden die de organieke wetgeving haar biedt en de kaders die zij op strategisch niveau voor de fysieke leefomgeving in plannen en visies heeft vastgelegd. Om deze rol waar te kunnen maken is het vanzelfsprekend van belang dat het college haar daartoe door tijdige informatieverstrekking in staat stelt. Dat daarvoor eveneens informatie van de omgevingsdienst van belang kan zijn, spreekt voor zich en is op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen en de opdrachten aan de omgevingsdiensten voldoende gewaarborgd.

Artikel 17.4 (Kwaliteitsdoelen)

Artikel 7.2, eerste lid en tweede, van het Besluit omgevingsrecht verplicht het bevoegd gezag (lees: gedeputeerde staten) om beleid te formuleren voor de uitvoering en handhaving van de VTH-taken. Over het uitvoeringsbeleid en handhavingsbeleid met betrekking tot het basistakenpakket dient onderlinge afstemming plaats te vinden tussen de bevoegde gezagen op het niveau van de omgevingsdienst. Welk beleid moet worden geformuleerd laat het Besluit omgevingsrecht inhoudelijk open. Artikel 17.4 strekt ertoe een inhoudelijke ambitie te geven aan de procesverplichting om kwaliteitsbeleid te vormen. Dit door voor te schrijven dat Gedeputeerde Staten naar de kwaliteit van de uitvoering en handhaving kijken in het licht van het geformuleerde regionale beleid, waarbij de doelen van dat beleid betrekking moeten hebben op een aantal voorgeschreven inhoudelijke thema's. Het gaat er daarbij telkens om die doelen te zien, niet vanuit elke mogelijke factor die daaraan kan bijdragen, maar vanuit het perspectief van de prestaties en kwaliteit van de uitvoering van de eigen organisatie.

Artikel 17.5 (Kwaliteitsborging)

Dit artikel geeft een verankering aan de kwaliteitscriteria (zie ook de toelichting bij artikel 17.2, waarin een begripsbepaling voor kwaliteitscriteria is opgenomen). Hiervoor wordt directief aan Gedeputeerde Staten opgedragen de kwaliteitscriteria vast te stellen in de juridische vorm van nadere regels. Dit betekent dat het college allereerst wordt geacht de set kwaliteitscriteria VTH 2.1 vast te stellen. Daarna zal het college als de landelijke set gewijzigd wordt vastgesteld door het Bestuurlijk Omgevingsberaad (overleg op landelijk niveau tussen IPO, VNG en Rijk) die nieuwe c.q. aangepaste set ook kunnen vaststellen als nadere regels. Als er sprake is van een nieuwe/aangepaste landelijke set dan zal het college in het kader van besluitvorming over de vaststelling ervan als nadere regels zorgdragen voor afstemming op het niveau van de omgevingsdienst.

Met dit artikel wordt beoogd te regelen dat van die kwaliteitscriteria voor de uitvoering van VTH-taken in de praktijk gebruik gemaakt wordt. Het gaat immers om criteria waaraan zorgvuldig en met grote deskundigheid is gewerkt door de betrokken bevoegde gezagen. Van belang is dat deze criteria relevante input leveren voor de kwaliteit. Dat geeft vanzelfsprekend geen garantie dat de doelen die door het college zijn gesteld in het uitvoerings- en handhavingsbeleid ook zonder meer in alle gevallen worden gehaald. Het bereiken van deze doelen zal immers niet alleen afhankelijk zijn van de goede verrichtingen van de uitvoerende organisaties. Van de naleving van de kwaliteitscriteria zal daarom jaarlijks mededeling gedaan moeten worden aan provinciale staten. Het gaat hier om een belangrijke inhoudelijke mededelingsplicht die kan worden meegenomen in bestaande jaarlijkse rapportages, in de op grond van het Besluit omgevingsrecht op te stellen documenten.

Omgekeerd wil het evenmin zeggen dat, als de criteria (nog) niet in alle relevante taken worden toegepast, de kwaliteit per definitie te wensen zal overlaten. In dit geval zal echter wel gemotiveerd moeten worden waarom de criteria niet toegepast zijn of konden worden en hoe wel voor de gestelde kwaliteit wordt gezorgd. De kwaliteitscriteria VTH zijn derhalve een cruciaal richtsnoer waarvoor geldt: pas toe of leg uit, “comply or explain”.

In het vijfde lid is een uitzondering gemaakt op de “comply of explain-regel”. Deze uitzondering ziet op de criteria voor de kritieke massa voor de uitvoering en handhaving voor Brzo-inrichtingen en RIE 4-bedrijven. Voor de meest risicovolle bedrijven in Nederland geldt dat de vereiste, geschoolde en ervaren menskracht altijd op het niveau van de kwaliteitscriteria 2.1 moet zijn. Per

1 januari 2016 zijn de colleges van Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag voor alle Brzo-inrichtingen en RIE 4–bedrijven in Nederland. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat is interbestuurlijk toezichthouder voor al deze inrichtingen. De vergunningverlening, het toezicht en de handhaving is opgedragen aan de zes Brzo-omgevingsdiensten in Nederland. Voor het grondgebied van de Provincie Flevoland is dit de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied.

Titel 17.2 Bestuurs- en strafrechtelijke handhaving

Titel 17.2 van de verordening geeft, voor zover niet geregeld in de sectorale wetgeving, het instrumentarium voor de bestuursrechtelijke en deels ook de strafrechtelijke handhaving jegens burgers, instellingen en bedrijven, dan wel overheden die bij feitelijk of privaatrechtelijk handelen daarmee op gelijke voet staan. Het regelt de volgende onderwerpen:

  • de aanwijzing van toezichthouders;

  • verbodsbepaling voor specifieke handelingen;

  • de strafbepalingen.

Paragraaf 17.2.1 Bestuursrechtelijke handhaving

Artikel 17.6 (Aanwijzing toezichthouder)

Dit artikel regelt de aanwijzing van ambtenaren die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht dat bepaalt dat een toezichthouder een persoon is die bij of krachtens wettelijk voorschrift is belast met het houden van toezicht op het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Het betreft toezicht op de naleving, het zogenoemde eerstelijnstoezicht. De aanwijzing van ambtenaren vindt plaats door Gedeputeerde Staten. De bekendmaking van de aanwijzingsbesluiten vindt plaats op gebruikelijke wijze overeenkomstig artikel 3:40 of 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht.

De aanwijzing van opsporingsambtenaren hoeft niet expliciet te worden geregeld omdat dat al voortvloeit uit artikel 142, eerste lid, onder c van het Wetboek van Strafvordering.

Paragraaf 17.2.2 Strafrechtelijke handhaving

Artikel 17.7 (Verbodsbepaling)

Voor de bestuursrechtelijke handhaving van de verordening staat, afhankelijk van de overtreden bepaling, het instrumentarium van hoofdstuk 5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, hoofdstuk 18 van de Wet milieubeheer, de Provinciewet en de Algemene wet bestuursrecht ter beschikking. In artikel 17.7 is een verbodsbepaling opgenomen die buiten twijfel stelt dat zowel strafrechtelijk als met bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen kan worden opgetreden tegen handelen in strijd met een ontheffing of vergunning (waartoe de aanvraag kan behoren) of de daaraan verbonden voorschriften of op grond daarvan gestelde nadere eisen.

Hetzelfde geldt voor gedragingen in strijd met een ontheffing die hun grondslag vinden in het deel van de verordening dat is gebaseerd op artikel 145 van de Provinciewet. Ook voor deze gedragingen is ten behoeve van de bestuursrechtelijke handhaving een specifiek verbod opgenomen.

Artikel 17.8 (Strafbepaling)

Gelet op het bepaalde in de Wet economische delicten (art. 1a, onder 10) zijn overtredingen van voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens artikel 1.2 van de Wet milieubeheer strafbare feiten voor zo ver deze overtredingen zijn aangeduid als strafbare feiten. Daarnaast heeft de Wet economische delicten ook betrekking op andere wetten zoals de Waterwet en de Ontgrondingenwet. Ook de Provinciewet geeft aan dat overtredingen van de onderdelen van de verordening die zijn gebaseerd op artikel 145 van de Provinciewet strafbaar moeten worden gesteld.

Deze strafbaarstelling is opgenomen in dit artikel.

HOOFDSTUK 18 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Titel 18.1 Intrekking oude verordeningen

Artikel 18.1 (Intrekking verordeningen)

Met dit artikel worden de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012, de Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht provincie Flevoland en de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Flevoland 2016 ingetrokken.

Titel 18.2 Overgangsbepalingen

Paragraaf 18.2.1 Algemeen overgangsrecht

Artikel 18.2 (Overgangsrecht plannen, meldingen, ontheffingen en vergunningen)

Met het eerste lid van artikel 18.2 wordt geregeld dat procedures die zijn aangevangen voor de inwerkingtreding van de verordening onder het

'oude' rechtsregime kunnen worden afgehandeld. De lopende voorbereidings- en rechtsbeschermingsprocedures worden als gevolg hiervan afgehandeld overeenkomstig het oude recht. De ratio daarvan is rechtszekerheid te bieden voor de diverse betrokkenen (aanvrager, bevoegd gezag en derdebelanghebbenden). Dit geldt niet alleen voor meldingen, ontheffingen en vergunningen maar ook voor bijvoorbeeld lopende handhavingsprocedures.

Artikel 18.2 regelt in het tweede, derde en vierde lid het overgangsrecht voor besluiten en meldingen die zijn genomen respectievelijk ingediend en afgedaan op basis van de verordening die nu wordt ingetrokken respectievelijk de verordeningen die eerder zijn ingetrokken.

Artikel 18.3 (Overgangsrecht uitvoeringsregelingen)

Als gevolg van deze verordening vervallen de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012 en de Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht provincie Flevoland. Daarmee vervalt ook de grondslag van de nadere regels en beleidsregels die op deze verordeningen berusten. Dit artikel voorziet erin dat de bestaande nadere regels en beleidsregels op grond van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012,diens voorganger de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland en de Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht provincie Flevoland na de inwerkingtreding van deze verordening zullen berusten op deze verordening. Met deze bepaling wordt dus bewerkstelligd dat de betrokken (onderdelen van deze) nadere regels en beleidsregels na de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening Flevoland hun geldigheid behouden. Het betreft in ieder geval het Uitvoeringsbesluit regionale waterkeringen en regionale wateren Flevoland 2011, de Beleidsregel bescherming landschap 2008 en de Nadere regels kwaliteitscriteria 2.1 voor vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht provincie Flevoland.

Paragraaf 18.2.2 Overgangsrecht grondwateronttrekkingen

Artikel 18.4 (Overgangsrecht grondwateronttrekkingen)

Artikel 18.4 eerste lid regelt het overgangsrecht tussen 1 september 2007 en 22 december 2009 voor de verandering van de toetsdiepte voor grondwaterwetvergunningen (de huidige watervergunning). De toetsdiepte voor grondwaterwetvergunningen is per 1 september 2007 veranderd van een vaste grens van 30 meter in een meer gebiedsspecifieke toetsdiepte. Voor die onttrekkingen die voor die datum onder de meldingsplicht vielen maar door de introductie van de nieuwe toetsdiepten vanaf

1 september 2007 onder de vergunningplicht komen te vallen is overgangsrecht opgesteld. De meldingen worden in dat geval gelijkgesteld met een vergunning.

In het tweede lid is overgangsrecht opgenomen voor aanwezige meldingsplichtige bodemenergiesystemen die met een aanwijzing van een interferentiegebied door een gemeente of de provincie in dit gebied automatisch vergunningplichtig zouden worden. Voor bestaande systemen is dat onwenselijk en dient het bestaande recht gehandhaafd te blijven. Dit artikellid voorziet daarin.

Paragraaf 18.2.3 Overgangsrecht grondwaterbeschermingsgebieden

Artikel 18.5 (Overgangsrecht algemene regels voor boorputten)

Artikel 18.5 regelt het overgangsrecht voor de verandering van de toetsdiepte voor boorputten in het kader van de grondwaterbescherming. Boorputten die onder de meldingsplicht vallen en in een eerder stadium al bij de provincie zijn gemeld worden geacht met een melding als bedoeld in de artikelen 5.18 van deze verordening aanwezig te zijn.

Artikel 18.6 (Overgangsrecht bodemverstoringen)

Het overgangsrecht voor bodemverstoringen is van vergelijkbare orde als het overgangsrecht voor boorputten. Verwezen wordt naar de toelichting bij artikel 18.5 .

Artikel 18.7 (Overgangsrecht voor onttrekkingen in de derde watervoerende pakket)

Ten behoeve van de invoering van het absoluut verbod voor boringen en onttrekkingen in het derde watervoerende pakket in Zuidelijk Flevoland zijn in 2009 de dieptegrenzen voor de ontheffing- en vergunningplicht herijkt. Hierdoor wordt waar mogelijk ruimte geboden voor onttrekkingen in hoger gelegen watervoerende pakketten. De herijkte grenzen zijn aangegeven op de kaart Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland.

Bij de invoering van de nieuwe dieptegrenzen is gebleken dat er vergunde onttrekkingen onder de dieptegrens plaatsvinden. Op basis van inzichten ten tijde van de herijking van de dieptegrenzen is gebleken dat het niet wenselijk is de grens van het absoluut verbod aan te laten sluiten bij de reeds vergunde onttrekkingen. Voor de vergunde onttrekkingen die onder de nieuwe dieptegrenzen vallen is in dit artikel overgangsrecht opgenomen dat regelt dat deze onttrekkingen, in afwijking van het absoluut verbod mogen blijven bestaan totdat de onttrekking wordt beëindigd of tot uiterlijk 1 januari 2025. Voor de grondwateronttrekkingen onder bevoegd gezag van het waterschap geldt hetzelfde overgangsrecht (zie de toelichting bij artikel 5.17). Het tweede lid voorziet hierin.

Artikel 18.8 (Overgangsrecht heipalen met verbrede voet)

Tussen 1 september 2007 en 22 december 2009 was het toegestaan heipalen met een verbrede voet te slaan of te hebben in een beschermingsgebied en boringsvrije zone. Door de invoering van het absoluut verbod voor boringen en onttrekkingen in het derde watervoerende pakket in Zuidelijk Flevoland om iedere verontreiniging van het grondwater uit te sluiten, is het gebruik van deze heipalen in de genoemde gebieden vanaf 22 december 2009 niet langer toegestaan. Dit overgangsrecht regelt voor die gevallen waarin in de periode tussen 1 september 2007 en 22 december 2009 deze heipalen zijn gebruikt deze niet verwijderd hoeven te worden.

Paragraaf 18.2.4 Overgangsrecht wegen en vaarwegen

Artikel 18.9 (Overgangsrecht wegen en vaarwegen)

In het kader van de rechtszekerheid is het van groot belang dat de werken die ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening op grond van een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke toestemming van de provincie Flevoland of haar rechtsvoorgangers aanwezig waren onder het regime van deze verordening rechtsgeldig aanwezig blijven. Dit artikel geeft hiervoor een regeling. De met een toestemming aanwezige werken worden met de op grond van deze verordening vereiste ontheffing respectievelijk vereiste melding aanwezig te zijn.

Paragraaf 18.2.5 Overgangsrecht bestuursrechtelijke handhaving

Artikel 18.10 (Overgangsrecht aanwijzingsbesluiten toezichthouders)

De inhoud van artikel 11.3 van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012 en diens voorganger daarvan de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland is overgenomen in artikel 17.6 van deze verordening. Met dit artikel wordt bewerkstelligd dat de bestaande aanwijzingsbesluiten met betrekking tot het uitoefenen van toezicht op de naleving of de uitvoering en handhaving na de inwerkingtreding van deze verordening hun geldigheid behouden.

Titel 18.3 Slotbepalingen

Artikel 18.11 (Evaluatie)

Vanuit een oogpunt van duidelijkheid en rechtszekerheid verdient het aanbeveling de werking van de verordening periodiek te evalueren. Met artikel 18.11 wordt aan deze evaluatie invulling gegeven.

Artikel 18.12 (Wijzigingsbevoegdheid bij kennelijke onjuistheden)

Dit artikel regelt dat gedeputeerde staten de bevoegdheid krijgen om de tekst van de verordening en de bijbehorende bijlagen en kaarten te corrigeren als blijkt dat er sprake is van kennelijke onjuistheden in de tekst of de begrenzing van gebieden.

Artikel 18.13 (Inwerkingtreding)

Dit artikel regelt dat de verordening in werking treedt op 15 maart 2019.

In het tweede lid is bepaald dat een drietal onderdelen van deze Omgevingsverordening Flevoland pas in werking treden als Gedeputeerde Staten dat bepaalt. Onderdeel a met betrekking tot het verkrijgen van de status van regionale kering van de kering bij Zeewolde (Havenkwartier Zeewolde) zal worden gekoppeld aan besluitvorming omtrent de primaire kering bij Zeewolde door de Rijksoverheid. Onderdeel b met betrekking tot het komen te vervallen van de status van regionale kering van de Knardijk zal gekoppeld worden aan besluitvorming omtrent de status van de Knardijk door Waterschap Zuiderzeeland. Ook voor onderdeel c, met betrekking tot het mogelijkheid om een ontheffing of vergunning op grond van de verordening langs elektronische weg aan te vragen, is een afzonderlijk besluit van Gedeputeerde Staten noodzakelijk.

Artikel 18.14 (Citeertitel)

In dit artikel is de citeertitel van de verordening opgenomen.

 

BIJLAGEN BIJ TOELICHTING TRANSPONERINGSTABELLEN

 

BIJLAGE A TRANSPONERINGSTABELLEN

 

In bijgevoegde transponeringstabellen zijn de volgende afkortingen gebruikt:

  • Omgevingsverordening: Omgevingsverordening Flevoland

  • VFL 2012: Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012

  • Verordening Wnb: Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Flevoland 2016

  • Verordening kwaliteit VTH: Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht provincie Flevoland

 

Bijlage A1 transponeringstabel Omgevingsverordening - oude verordeningen

 

Thema’s

Omgevingsverordening

In te trekken verordeningen

Schaliegas

Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 10A VFL 2012

Windenergie

Hoofdstuk 2, titel 2.1

Hoofdstuk 10B VFL 2012

Zonne-energie

Hoofdstuk 2, titel 2.2

-

Bescherming landschap

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 9 VFL 2012

Grondwateronttrekkingen

Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 6 VFL 2012

Grondwaterbeschermingsgebieden

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 4 VFL 2012

Watersysteem

Hoofdstuk 6

Hoofdstuk 2 en 5 VFL 2012

Natuurnetwerk Nederland

Hoofdstuk 7

Hoofdstuk 10 VFL 2012

Natuurbescherming

Hoofdstuk 8

Verordening Wnb

Stiltegebieden

Hoofdstuk 9

Hoofdstuk 4 VFL 2012

Luchtvaart

Hoofdstuk 10

Hoofdstuk 10C VFL 2012

Ontgassen binnenvaart

Hoofdstuk 11

Hoofdstuk 10D VFL 2012

Activiteiten gesloten stortplaatsen

Hoofdstuk 12

Hoofdstuk 2 VFL 2012

Bodemsanering

Hoofdstuk 13

Hoofdstuk 3 VFL 2012

Ontgrondingen

Hoofdstuk 14

Hoofdstuk 8 VFL 2012

Wegen en vaarwegen

Hoofdstuk 15

Hoofdstuk 7 VFL 2012

Procedures en adviseurs

Hoofdstuk 16

Hoofdstuk 12 VFL 2012

Kwaliteit VTH

Hoofdstuk 17, titel 17.1

Verordening kwaliteit VTH

Handhaving en uitvoering

Hoofdstuk 17, titel 17.2

Hoofdstuk 11 VFL 2012

Overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk 18

Hoofdstuk 13 VFL 2012

 

 

Artikelen Omgevingsverordening

Artikelen in te trekken verordeningen

1.1

-

1.2

1.1 VFL 2012

1.3

10a.1 VFL 2012

1.4

10a.1 VFL 2012

2.1

-

2.2

1.1 10b.1 VFL 2012

2.3

10b.2 VFL 2012

2.4

10b.3 VFL 2012

2.5

10b.15 VFL 2012

2.6

10b.4 VFL 2012

2.7

10b.5 VFL 2012

2.8

10b.5 VFL 2012

2.9

10b.5 VFL 2012

2.10

10b.6 VFL 2012

2.11

10b.7 VFL 2012

2.12

10b.9 VFL 2012

2.13

10b.10 VFL 2012

2.14

10b.11 VFL 2012

2.15

10b.12 VFL 2012

2.16

10b.13 VFL 2012

2.17

10b.14 VFL 2012

2.18

10b.15 VFL 2012

2.19

10b.16 VFL 2012

2.20

-

2.21

-

2.22

-

2.23

-

2.24

-

2.25

-

2.26

-

2.27

-

3.1

9.1 VFL 2012

3.2

1.1 9.1 VFL 2012

3.3

9.2 VFL 2012

3.4

9.3 VFL 2012

3.5

9.4 VFL 2012

3.6

9.3 VFL 2012

3.7

9.5 VFL 2012

4.1

-

4.2

1.1 VFL 2012

4.3

6.2 VFL 2012

4.4

6.1 6.3 VFL 2012

4.5

6.1 6.4 VFL 2012

5.1

-

5.2

1.1 VFL 2012

5.3

4.1 VFL 2012

5.4

4.2 VFL 2012

5.5

4.3 VFL 2012

5.6

4.6 VFL 2012

5.7

4.7 4.11 VFL 2012

5.8

4.10 VFL 2012

5.9

4.9 VFL 2012

5.21

4.12 4.14 VFL 2012

5.10

4.5 VFL 2012

5.11

4.7 4.11 VFL 2012

5.12

4.10 VFL 2012

5.13

4.9 VFL 2012

5.14

4.7 4.11 VFL 2012

5.15

4.10 VFL 2012

5.16

4.8 4.13 VFL 2012

5.17

4.8 4.13 VFL 2012

5.18

4.8 4.13 VFL 2012

5.19

4.8 4.13 VFL 2012

5.20

6.4 VFL 2012

5.21

4.13 VFL 2012

6.1

-

6.2

1.1 VFL 2012

6.3

5.11 VFL 2012

6.4

5.11 VFL 2012

6.5

5.16 VFL 2012

6.6

5.17 VFL 2012

6.7

5.19 VFL 2012

6.8

5.18 5.19 VFL 2012

6.9

5.18 VFL 2012

6.10

5.18 VFL 2012

6.11

5.1 VFL 2012

6.12

5.2 VFL 2012

6.13

5.3 VFL 2012

6.14

5.4 VFL 2012

6.15

5.5 VFL 2012

6.16

5.6 VFL 2012

6.17

5.8 VFL 2012

6.18

5.9 VFL 2012

6.19

5.10 VFL 2012

6.20

5.12 VFL 2012

6.21

5.13 VFL 2012

6.22

5.14 VFL 2012

6.23

5.15 VFL 2012

6.24

5.20 VFL 2012

6.25

5.21 VFL 2012

6.26

5.22 VFL 2012

6.27

5.23 VFL 2012

6.28

5.24 VFL 2012

6.29

5.25 VFL 2012

6.30

5.26 VFL 2012

6.31

2.4 VFL 2012

7.1

10.1 10.2 VFL 2012

7.2

1.1 VFL 2012

7.3

10.3 VFL 2012

7.4

10. VFL 2012

7.5

10.4 VFL 2012

7.6

10.6 VFL 2012

7.7

10.7 VFL 2012

8.1

1 Verordening Wnb

8.2

2 Verordening Wnb

8.3

3 Verordening Wnb

8.4

4 Verordening Wnb

8.5

5 Verordening Wnb

8.6

6 Verordening Wnb

8.7

7 Verordening Wnb

8.8

8 Verordening Wnb

8.9

9 Verordening Wnb

8.10

-

8.11

10 Verordening Wnb

8.12

11 Verordening Wnb

8.13

12 Verordening Wnb

8.14

13 Verordening Wnb

8.15

14 Verordening Wnb

8.16

15 Verordening Wnb

8.17

16 Verordening Wnb

8.18

17 Verordening Wnb

8.19

18 Verordening Wnb

8.20

19 Verordening Wnb

8.21

20 Verordening Wnb

8.22

21 Verordening Wnb

8.23

22 Verordening Wnb

8.24

23 Verordening Wnb

8.25

24 Verordening Wnb

8.26

25 Verordening Wnb

8.27

26 Verordening Wnb

8.28

27 Verordening Wnb

8.29

28 Verordening Wnb

8.30

29 Verordening Wnb

8.31

30 Verordening Wnb

9.1

-

9.2

1.1 VFL 2012

9.3

4.1 VFL 2012

9.4

4.2 VFL 2012

9.5

4.3 VFL 2012

9.6

4.14 VFL 2012

9.7

4.14 VFL 2012

9.8

4.17 VFL 2012

9.9

4.18 VFL 2012

9.10

4.19 VFL 2012

9.11

4.15 VFL 2012

9.11

4.16 VFL 2012

10.1

10c.1 VFL 2012

10.2

10c.3 10c.8 VFL 2012

10.3

10c.4 10c.5 10c.6 10c.7 VFL 2012

10.4

10c.9 VFL 2012

10.5

10c.2 VFL 2012

11.1

-

11.2

-

11.3

1.1 VFL 2012

11.4

10d.1 VFL 2012

11.5

10d.5 VFL 2012

11.6

10d.2 VFL 2012

11.7

10d.3 VFL 2012

11.8

10d.4 VFL 2012

11.9

10d.6 VFL 2012

11.10

10d.7 VFL 2012

12.1

-

12.2

1.1 VFL 2012

12.3

2.1 VFL 2012

12.4

2.2 VFL 2012

12.5

2.3 VFL 2012

13.1

-

13.2

1.1 VFL 2012

13.3

3.2 VFL 2012

13.4

3.4 VFL 2012

13.5

3.5 VFL 2012

13.6

3.1 VFL 2012

13.7

3.3 VFL 2012

14.1

-

14.2

8.1 VFL 2012

14.3

1.1 VFL 2012

14.4

8.2 VFL 2012

14.5

8.3 VFL 2012

14.6

8.2 VFL 2012

14.7

8.2 VFL 2012

14.8

8.2 VFL 2012

14.9

8.4 VFL 2012

14.10

8.4 VFL 2012

14.11

8.4 VFL 2012

14.12

8.4 VFL 2012

14.13

8.4 VFL 2012

14.14

8.5 VFL 2012

15.1

7.1 VFL 2012

15.2

7.2 VFL 2012

15.3

7.2 VFL 2012

15.4

7.2 VFL 2012

15.5

1.1 VFL 2012

15.6

7.3 VFL 2012

15.7

7.5 VFL 2012

15.8

7.6 VFL 2012

15.9

7.4 VFL 2012

15.10

7.5 VFL 2012

15.11

7.7 VFL 2012

15.12

7.8 VFL 2012

15.13

7.9 VFL 2012

16.1

12.1 VFL 2012

16.2

12.2 VFL 2012

16.3

12.5 VFL 2012

16.4

12.6 VFL 2012

16.5

12.7 VFL 2012

16.6

12.3 VFL 2012

16.7

12.4 VFL 2012

17.6

11.3 VFL 2012

17.1

2 Verordening kwaliteit VTH

17.2

1 Verordening kwaliteit VTH

17.3

3 Verordening kwaliteit VTH

17.4

4 Verordening kwaliteit VTH