Provinciaal blad van Zuid-Holland

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Zuid-HollandProvinciaal blad 2019, 1656Verordeningen



Besluit van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland van 22 januari 2019, PZH-2018-674012450, DOS- 2016-0005086, tot wijziging van de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland;

 

Gelet op artikel 3 van de Algemene subsidieverordening Zuid-Holland 2013;

 

Overwegende dat het wenselijk is de kwaliteit en veiligheid van en samenhang tussen ruiter- en menpaden te verbeteren;

 

Besluiten:

Artikel I  

De Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016 wordt als volgt gewijzigd:

 

A.

Artikel 2.11.1 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    Na de zinsnede “- wandelroutenetwerk Zuid-Holland 2010-2020” wordt ingevoegd: : door Provinciale Staten vastgesteld wandelplan met bijbehorende plankaart.

  • 2.

    Er wordt, op alfabetische volgorde, een nieuwe onderdeel ingevoegd, luidende:

    • in goede staat verkerend ruiter- of menpad:

      ruiter- of menpad dat voldoet aan de kwaliteitsrichtlijnen als opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage 8, of aan de kwaliteitskenmerken vastgesteld door Gedeputeerde Staten naar aanleiding van een gemotiveerde aanvraag om van de kwaliteitsrichtlijnen als opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage 8 af te mogen wijken.

B.

Artikel 2.11.3 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    Voor de tekst wordt de aanduiding “1”geplaatst.

  • 2.

    Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

    • 2.

      In afwijking van het eerste lid wordt subsidie voor beheer en onderhoud van ruiter- en menpaden als bedoeld in artikel 2.11.2, eerste lid, onderdeel c, uitsluitend verstrekt aan natuurlijke personen, privaatrechtelijke rechtspersonen, Staatsbosbeheer en verenigingen, voor zover deze partijen op basis van eigendom of erfpacht zeggenschap hebben over het terrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

C.

Artikel 2.11.5 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    Aan het slot van onderdeel b wordt “, of ” vervangen door: ;

  • 2.

    Aan het slot van onderdeel c wordt de punt vervangen door: , of

  • 3.

    Na onderdeel c worden twee onderdelen toegevoegd luidende:

    d. het ruiter- of menpad of gedeelte daarvan, waarvoor subsidie als bedoeld in artikel 2.11.2, eerste lid, onderdeel b of c wordt aangevraagd in goede staat verkeert;

    e. het gedeelte van het ruiter- of menpad waarvoor subsidie als bedoeld in artikel 2.11.2 eerste lid onderdeel b of c wordt aangevraagd, deel uit maakt van een aaneengesloten ruiter – of menpad, en voor een ander gedeelte van het ruiter- of menpad, tenzij dat andere gedeelte reeds in goede staat verkeert, geen subsidie als bedoeld in artikel 2.11.2, eerste lid onderdeel b en c is aangevraagd of niet in aanmerking komt voor subsidie als bedoeld in artikel 2.11.2 eerste lid onderdeel b en c.

D.

In artikel 2.11.6, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door: “ ; “ wordt een onderdeel

toegevoegd luidende:

  • d.

    het gedeelte van het ruiter- of menpad waarvoor subsidie als bedoeld in artikel 2.11.2, eerste lid onderdeel b of c wordt aangevraagd maakt deel uit van een aaneengesloten ruiter – of menpad waarbij ieder ander gedeelte:

    • i.

      in aanmerking komt voor subsidie als bedoeld in artikel 2.11.2 eerste lid onderdeel b of c en waarvoor subsidie als bedoeld in artikel 2.11.2, eerste lid onderdeel b of c is aangevraagd, of

    • ii.

      reeds in goede staat verkeert.

E.

Aan artikel 2.11.9 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4.

    In afwijking van het derde lid bedraagt de subsidie, bedoeld in artikel 2.11.2, eerste lid, onderdeel c, ten hoogste 75% van de standaardkostprijs voor regulier beheer en onderhoud van de ruiter- en menpaden dat wordt berekend volgens de bij dit besluit behorende bijlage 9.

 

F.

In artikel 2.11.9, derde lid, wordt “€ 200.000” vervangen door: € 800.000.

 

G.

Onder vernummering van artikel 2.11.10 tot 2.11.11 wordt na artikel 2.11.9 een nieuw artikel ingevoegd,

luidende:

Artikel 2.11.10 Subsidieverlening

De subsidie, bedoeld in artikel 2.11.2, eerste lid, onderdeel c, wordt verleend voor een periode van zes

aaneengesloten kalenderjaren, welke periode steeds begint op 1 januari.

 

H.

Artikel 2.11.11 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    Onderdeel a, komt als volgt te luiden:

    a. een project wordt binnen twee jaar na aanvang van de feitelijke uitvoering van het project afgerond;

  • 2.

    Er wordt een nieuw onderdeel toegevoegd luidende:

    c. Onderdeel a is niet van toepassing op het beheer- en onderhoud van ruiter- en menpaden, bedoeld in artikel 2.11.2, eerste lid, onderdeel c.

I.

Bijlage 7 bij artikel 2.11.2, eerste lid, onderdeel b, van de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016

wordt vervangen door Bijlage 7 bij artikel 2.11.2, eerste lid, onderdeel b, van de Subsidieregeling groen

Zuid-Holland 2016 als opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage.

 

J.

In artikel 3.23 wordt “31 december 2019” vervangen door: 31 december 2021.

 

Artikel II  

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin deze regeling wordt geplaatst.

 

Den Haag, 22 januari 2019

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,

drs. H.M.M. Koek, secretaris

drs. J. Smit, voorzitter

 

 

Toelichting

Aan de subsidievoorwaarden voor aanleg, beheer en onderhoud van ruiter- en menpaden worden enkele voorwaarden toegevoegd ten behoeve van de kwaliteit, samenhang en veiligheid voor de verschillende gebruikers. Daarvoor zijn enkele kwaliteitsrichtlijnen opgesteld voor de aanleg van nieuwe paden. Ook zijn enkele bepalingen opgenomen die zien op samenhang en aaneengeslotenheid van goede ruiter- en menpaden. Vanwege het groot aantal beheerders en grondeigenaren is het van belang dat de paden in z’n geheel worden opgeknapt en beheerd. In artikel 2.6.11 wordt dit geregeld; hiermee wordt voorkomen dat slechts enkele delen van een aaneengesloten pad worden opgeknapt cq beheerd.

 

Bijlage bij het besluit van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland van 22 januari 2019, PZH-2018- 674012450, DOS-2016-0005086, tot wijziging van de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016  

 

Bijlage 7 bij artikel 2.11.2, eerste lid, onderdeel b, van de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016

Dit betreft een geactualiseerde kaart met als peildatum 9 januari 2019, waarbij geldt dat subsidie voor herstel- of inrichtingsmaatregelen van ruiter- en menpaden uitsluitend kan plaats vinden op de plaatsen aangegeven op de kaart. Dit betreft de rode lijnen (bestaand ruiter- of menpad).

Bijlage 8 bij artikel 2.11.1 van de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016

 

Kwaliteitsrichtlijnen ruiter – en menpaden

 

Voor het ruiter- en menpadenplan van de provincie Zuid Holland zijn de volgende richtlijnen van toepassing voor de kwaliteit van de paden. Deze richtlijnen worden gehanteerd ten behoeve van het aanvragen van subsidie.

Deze richtlijnen vormen geen harde eis bij de subsidietoekenning; beargumenteerd afwijken van deze richtlijn is mogelijk, bijv. een te smal pad aanleggen, omdat de berm te smal is en er geen alternatieve route mogelijk is. Ook alle overige richtlijnen mogen op die manier worden gezien. De richtlijn is niet van toepassing op bestaande ruiter/menpaden, waar geen subsidie voor wordt aangevraagd. Alle subsidieaanvragen dienen uiteraard in overleg met/door de terreineigenaren en/of beheerders te zijn geaccordeerd en op gebiedsniveau te worden afgestemd om uiteindelijk samenhangende netwerken te kunnen realiseren. Daarbij wordt uiteraard rekening gehouden met vigerende regelgeving, zoals Natura 2000 beheerplannen.

Het op een consequente, uniforme en overzichtelijke manier inrichten van knooppunten en afslagen binnen een routenetwerk is voor de doelgroep ruiters en menners van groot belang om veilig en met plezier te kunnen recreëren. De Kwaliteitsrichtlijnen zijn daarom onderverdeeld in de richtlijnen voor veiligheid, begaanbaarheid, landschappelijke aantrekkelijkheid / beleving, bereikbaarheid, toegankelijkheid en samenhang.

 

1. Veiligheid

Rijden in stedelijk gebied en op verharde wegen met veel verkeer heeft niet de voorkeur voor ruiters. Uiteraard zullen daarin soms compromissen moeten worden gesloten om de noodzakelijke verbindingen te kunnen maken om een compleet netwerk te realiseren.

De volgende richtlijnen zijn van toepassing voor ruiter- en menpaden:

  • ruiter- en menpaden zoveel mogelijk scheiden van andere weggebruikers (zonering), met name van gemotoriseerd verkeer, maar liefst ook fietsers;

  • waarschuwingsborden bij kruisingen met gemotoriseerd verkeer;

  • minimale afmeting ruiterpad: 1 mtr. breed met aan weerszijden 0,50 mtr. vrij van obstakels / passeerplek 1,75 mtr. breed / 3 mtr. vrije doorrijhoogte;

  • minimale afmeting menpad: 2 mtr. breed met aan weerszijden 0,50 mtr. vrij van obstakels / passeerplek 3,50 mtr. breed / 3,50 mtr. vrije doorrijhoogte.

Het is onwenselijk en zelfs gevaarlijk als een pad wordt aangelegd in de directe nabijheid (binnen 1,5 mtr.) van prikkeldraad.

 

2. Begaanbaarheid

De bodemsoort bepaalt de maatregelen die nodig zijn om een pad aan te kunnen leggen en te onderhouden, waarbij voldoende draagkracht en ontwatering gerealiseerd kan worden. Ter plekke is vaak nader onderzoek gewenst. Gestreefd moet worden naar een licht verende bodem, waarbij de hoeven nietverder wegzakken dan maximaal 5 cm. Dit is uiteraard niet altijd realiseerbaar bijv. in het duingebied of op klei na hevige regen*.

Bij gebruik van de berm: let op voldoende breedte, voldoende draagkracht, geen obstakels en een ruimte tussen ruiter- menpad en weg/sloot van minimaal 1 mtr., welke eventueel kan worden afgezet met natuurlijke materialen als houtwal of heg/struiken. (zie ook de specificaties bij 1.Veiligheid).

*In de communicatie over de route kan informatie daarover worden opgenomen.

 

3. Landschappelijke aantrekkelijkheid / beleving

Bij het ontwerpen en inrichten van een routenetwerk zijn ruiters en menners, net als andere recreanten, gericht op het verblijven in een rustige en groene omgeving. Variatie in bodemsoort en/of het bieden van uitdagingen is wenselijk. Uitdagingen kunnen zijn: een galopbaan (overzichtelijk, breed, recht stuk van minimaal 500 mtr. lang), (TREC)hindernissen, doorwaadbare plaats etc., zolang de veiligheid van ruiters en andere recreanten niet in het geding komt. Ter plekke moet het mogelijk zijn om het pad langs de hindernis te laten lopen, zodat men de keuze heeft om de hindernis wel/niet te nemen.

 

4. Bereikbaarheid

Routenetwerken dienen zoveel mogelijk aan te sluiten bij ruitersportverenigingen en hippische accommodaties met een maximale afstand van 3 km. (= ca. 30 minuten stappen) tot de route. Hierdoor kunnen eventuele rust- en overnachtingsplaatsen eenvoudiger worden gerealiseerd. Hou hierbij de verkeersveiligheid in gedachten, dus zo min mogelijk over verharde wegen (is mede afhankelijk van de voorkeur per gemeente).

Parkeerterreinen in de nabijheid van een routenetwerk met voldoende ruimte voor auto met paardentrailer (ca. 4,00 x 10,00-15,00 mtr.) bevordert de bereikbaarheid voor ruiters/menners van buiten het gebied.

 

5. Toegankelijkheid

Bij het realiseren van routenetwerken zullen op sommige locaties mogelijk drukke/gevaarlijke oversteken, spoorlijnen, ponten, bruggen en tunnels niet kunnen worden voorkomen. Indien men over een brug moet, dan is een afscherming van minimaal 1,40 mtr. en een niet te steile aan/afrit gewenst met een langere aanloop. Een tunnel dient minimaal 3,50mtr. hoog te zijn en 5,00 mtr. breed, waarvan 2,50 mtr. Voor ruiter/menpad. Is de tunnel lager dan 2,75 mtr. of is een brug onvoldoende afgeschermd, dan zijn veilige op/afstapplaatsen noodzakelijk. Let ook op niet direct zichtbare obstakels, zoals wortels en konijnenholen. Verkeerslichten voor ruiters/menners dienen een knop te hebben op een hoogte van 1,60 mtr.

Om verkeer buiten een gebied en vee en/of wild binnen een gebied te houden en vrije doorgang voor ruiters en menners te realiseren, zijn de beste opties het aanleggen van een draaihek (doorrijbreedte van minimaal 1,70 mtr. voor ruiters en 2,00 mtr. voor menners met voldoende afstand tot het evt. veerooster) of een carterbreaker.

 

6. Samenhang

Routes worden aangeduid d.m.v. markeringen met internationaal erkende symbolen. Om routes onderling te verbinden, wordt bovendien gewerkt met een knooppuntensysteem. Ieder knooppunt krijgt een uniek nummer dat op de markering wordt aangegeven. Ook wordt met pijltjes verwezen naar de nabij gelegen knooppunten, zodat men een eigen route kan samenstellen. Ter illustratie zijn hieronder enkele voorbeelden van deze markeringen weergegeven. Over kleurstelling en eventuele logo’s dienen nadere afspraken te worden gemaakt. Voor het bepalen van de (unieke) knooppuntnummers en het ontwerpen van de markeringen wordt dan ook verzocht om contact op te nemen met de Provincie Zuid-Holland.

Bij gebruik van gedigitaliseerde routenetwerken kan gewerkt worden met GPS, maar ook dan zijn routemarkeringen gewenst.

Het routenetwerk dient zoveel mogelijk vrij te zijn van verwarrende hippische routemarkeringen. Bij veelgebruikte opstappunten is het aan te bevelen de lengte van de route aan te geven en of er eventuele hindernissen in de route aanwezig zijn.

Hou verder bij de inrichting rekening met de snelheid van paarden, zodat ruiters aanwijzingen op tijd zien. Bij voldoende vrij zicht kan gedacht worden aan een gedeeld ruimtegebruik met andere recreanten. Dit dient goed te worden aangegeven in de bebordingen.

Bij de routemarkeringen zijn er de volgende aandachtspunten:

  • voldoende duidelijk voor recreanten, ook van buiten het gebied;

  • voor het maken van een begroting kan men uitgaan van gemiddeld 2,5 bord/aanduiding per km;

  • materiaal, plaats en wijze van bevestigen in overeenstemming met eisen geldig voor het gebied;

  • plaatsing aan de rechterzijde binnen een afstand van 5 tot 10 mtr. voor kruising, afslag, splitsing of oversteek;

  • plaatsing consequent op een hoogte tussen 60 en 90 cm. boven het maaiveld;

  • voorzien van afbeelding van een ruiter en/of menner om aan te duiden voor wie de route is bestemd (zie bijgaand voorbeeld).

Rustplaatsen zijn gewenst, indien de route langer is dan 20 km. Om naar keuze langere/kortere routes aan te bieden zouden ruiter- en menpaden in lussen met elkaar kunnen worden verbonden. Ten slotte: ruiter- en menpaden en routestructuren dienen uitgewerkt te worden in samenwerking met en met goedkeuring van de terreineigenaren/beheerders om zodoende kwetsbare gebieden te kunnen ontzien; wij zijn immers te gast in hun gebied.

 

Verantwoording

Deze richtlijnen zijn opgesteld in samenwerking met de klankbordgroep ruiteren en mennen Zuid-Holland die gecoördineerd wordt door de Provincie Zuid-Holland.

Auteurs

Anita Verloop-Groenen, KNHS-Regioconsulent Zuid-Holland A.Verloop-Groenen@knhs.nl

Ellen Kluit, Streekmanager Ruiteren&Mennen Zuid-Holland emk2400@gmail.com

Bronnen

 KNHS Handboek ruiter- en menpaden

 Brochure NRHP Richtlijnen voor het inrichten van hippische routestructuren

 

Bijlage 9 bij artikel 2.11.9, vierde lid van de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016

 

Standaard kostprijsberekening regulier beheer en onderhoud ruiter- en menpaden

 

1. Voor regulier beheer en onderhoud van ruiter- en menpaden wordt de volgende kostprijs per

kilometer per jaar gehanteerd:

Regulier beheer en onderhoud ruiterpad: € 1.175,-

Regulier beheer en onderhoud menpad: € 2.500,-

2. De bedragen, bedoeld in het eerste lid, kunnen bij ministeriële regeling worden gewijzigd voor

zover de (index)daartoe aanleiding geeft (bijvoorbeeld de consumentenprijsindex).