Provinciaal blad van Zuid-Holland

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Zuid-HollandProvinciaal blad 2019, 161Verordeningen



Besluit van Gedeputeerde Staten van 15 januari 2019, PZH-2018-673583511, tot vaststelling van het Openstellingsbesluit POP-3 samenwerking duurzame innovaties landbouw Zuid-Holland 2019 (Openstellingsbesluit POP-3 samenwerking duurzame innovaties landbouw Zuid-Holland 2019)

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,

 

Gelet op artikel 1.3 van de Uitvoeringsregeling POP- 3 Zuid-Holland,

 

Overwegende dat het wenselijk is samenwerkingsverbanden te stimuleren die innovaties in de landbouwsector ontwikkelen en testen met als doel de verduurzaming van de landbouw- en voedselketen,

 

Besluiten vast te stellen het volgende besluit:

 

Openstellingsbesluit POP-3 samenwerking duurzame innovaties landbouw Zuid-Holland 2019

Artikel 1 Aanvraagperiode

  • 1.

    Een aanvraag voor subsidie, als bedoeld in paragraaf 2.7 van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland kan worden ingediend in de periode van 4 februari 2019 tot en met 10 april 2019.

  • 2.

    Een aanvraag is tijdig ingediend indien deze binnen de in het eerste lid genoemde periode is ontvangen.

Artikel 2 Deelplafond

  • 1.

    Het deelplafond voor dit openstellingsbesluit bedraagt € 4.000.000,-

  • 2.

    Het deelplafond, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit 50% uit ELFPO middelen en voor 50% uit provinciale middelen.

 

Artikel 3 Subsidiabele activiteit

In afwijking van artikel 2.7.1 van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland kan subsidie worden verstrekt voor:

  • a.

    het in een projectmatig samenwerkingsverband uitvoeren van een innovatieproject mede ten behoeve van de grondgebonden landbouw;

  • b.

    de oprichting van een projectmatig samenwerkingsverband, het gezamenlijk formuleren van een projectplan en het in een projectmatig samenwerkingsverband uitvoeren van een innovatieproject mede ten behoeve van de grondgebonden landbouw.

Artikel 4 subsidievereiste

  • 1.

    In afwijking van artikel 2.7.6, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland heeft de activiteit betrekking op ten minste één van de volgende thema’s:

    • a.

      verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaarde strategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie;

    • b.

      beter beheer van productierisico’s, versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen of het verminderen van marktfalen;

    • c.

      maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen;

    • d.

      behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 2.7.6, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland, bestaat het op te richten samenwerkingsverband of het samenwerkingsverband uit ten minste een grondgebonden landbouwer en een partij uit de landbouw- of voedselketen, niet zijnde een landbouwer.

Artikel 5 niet-subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 2.7.7, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland, komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten van tweedehands goederen;

  • b.

    voorbereidingskosten als bedoeld in artikel 1.8, derde lid, van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland;

  • c.

    kosten van huurkoop van nieuwe machines en installaties.

Artikel 6 Subsidiehoogte

Indien toepassing van artikel 2.7.9 van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland ertoe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 200.000,-, wordt de subsidie niet verstrekt.

 

Artikel 7 Selectiecriteria

  • 1.

    Gedeputeerde Staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 2.7.10 van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland de volgende criteria:

    • a.

      de mate van innovatie;

    • b.

      de mate van effectiviteit van de activiteit;

    • c.

      de haalbaarheid van de activiteit;

    • d.

      de mate van efficiëntie van uitvoering van de activiteit.

  • 2.

    Voor ieder criterium, bedoeld in het eerste lid, kan nul tot en met vijf punten worden behaald.

  • 3.

    De criteria hebben de volgende wegingsfactoren:

    • a.

      het criterium bedoeld in het eerste lid, onder a, heeft een wegingsfactor van 4;

    • b.

      het criterium bedoeld in het eerste lid, onder b, heeft een wegingsfactor van 3;

    • c.

      het criterium bedoeld in het eerste lid, onder c, heeft een wegingsfactor van 2;

    • d.

      het criterium bedoeld in het eerste lid, onder d, heeft een wegingsfactor van 1.

  • 4.

    Indien een aanvraag minder dan 30 punten behaalt, wordt de aanvraag niet gehonoreerd.

  • 5.

    Aanvragen worden op volgorde van de rangschikking gehonoreerd.

  • 6.

    Als twee of meer aanvragen een gelijk aantal punten hebben verkregen en hun plaats in de rangschikking zodanig is dat de som van de toe te kennen maximale subsidiebedragen het subsidieplafond overstijgt, wordt met inachtneming van het subsidieplafond subsidie verleend voor de aanvraag om subsidie met het hoogste aantal punten behaald op het criterium bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

  • 7.

    Indien de aanvragen als bedoeld in het zesde lid een gelijk aantal punten hebben behaald op het criterium bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt de subsidie verleend voor de aanvraag om subsidie met het hoogste aantal punten behaald op het criterium bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

  • 8.

    Indien de aanvragen als bedoeld in het zevende lid een gelijk aantal punten hebben behaald op het criterium bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, wordt de subsidie verleend voor de aanvraag om subsidie met het hoogste aantal punten behaald op het criterium bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.

  • 9.

    Indien de aanvragen als bedoeld in het achtste lid een gelijk aantal punten hebben behaald op het criterium bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b, en c, wordt door middel van loting bepaald welke aanvraag als eerste wordt gehonoreerd.

 

Artikel 8 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin dit besluit is geplaatst.

 

Artikel 9 Werkingsduur

Dit besluit vervalt op 31 december 2024.

 

Artikel 10 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Openstellingsbesluit POP-3 samenwerking duurzame innovaties landbouw Zuid-Holland 2019.

 

Den Haag 15 januari 2019

 

drs. J. Smit, voorzitter

 

drs. H.M.M. Koek, secretaris

 

Toelichting

 

Algemeen

Uit de SWOT-analyse in het Plattelandsontwikkelingsprogramma voor Nederland 2014-2020 (hierna: POP programma) blijkt dat de agrarische sector en de afzetketen hun kostenreductiestrategie zullen moeten verschuiven naar een meerwaardestrategie. Zo kan de concurrentiekracht worden behouden en kunnen de externe effecten voor milieu, landschap en samenleving worden verminderd. Veel spelers in de agrosector kenmerken zich door kleinschaligheid, initiatieven zijn vaak versnipperd. Samenwerking is noodzakelijk om nieuwe producten, diensten, markten en ketenmodellen te ontwikkelen, om zo zowel het rendement als het imago van de landbouwsector maar ook de omgevingskwaliteit te verbeteren.

 

Het Ambitiedocument Innovatie Agenda Duurzame Landbouw van de provincie Zuid-Holland en het POP programma sluiten goed op elkaar aan. In het Ambitiedocument Innovatie Agenda Duurzame Landbouw is het volgende opgenomen:

“Samenwerking en gezamenlijke inzet is nodig om de negatieve effecten (onder andere verlies biodiversiteit, mindere leefomgevingskwaliteit en achteruitgang in kwaliteit van het cultuurlandschap) te beperken en de positieve ontwikkelingen ( onder andere kringlooplandbouw, een hoog percentage weidegang) verder te ondersteunen. Om de verduurzaming te bereiken is een duurzame innovatieaanpak met proeftuinen nodig voor de lange termijn. De ambitie is: verduurzaming van de landbouwketen en voedselketen met een duurzame innovatieaanpak voor gezond, duurzaam en betaalbaar eten voor iedereen. Dit gebeurt met proeftuinen. Proeftuinen zijn een zichtbare plek waar koplopers in de landbouw- en voedselketen innovaties in de duurzame landbouw uitproberen en ontwikkelen”.

 

Artikel 3

Op grond van dit openstellingsbesluit kan subsidie worden verstrekt voor:

  • a.

    het in projectmatig samenwerkingsverband uitvoeren van een innovatieproject;

  • b.

    het oprichten van een projectmatig samenwerkingsverband, het schrijven van een projectplan en het in het projectmatig samenwerkingsverband uitvoeren van een innovatieproject;

  • c.

    het uit te voeren innovatieproject moet mede ten behoeve van de grondgebonden landbouw zijn. De innovatie hoeft dus niet uitsluitend betrekking te hebben op de grondgebonden landbouw. De innovatie kan bijvoorbeeld ook betrekking hebben zowel de glastuinbouw als de akkerbouw.

Tot de grondgebonden landbouw behoren:

  • a.

    melkrundveehouderij;

  • b.

    akkerbouw;

  • c.

    opengronds-groenteteelt;

  • d.

    bollenteelt;

  • e.

    vollegronds-tuinbouw, en

  • f.

    fruit(boom)teelt.

 

Ook de teelten op of in het water worden tot de grondgebonden landbouw gerekend. Essentieel is dat de agrarische bedrijfsvoering geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt. Een landbouwbedrijf met bijvoorbeeld “vrije uitloop kippen” behoort niet tot de grondgebonden landbouw.

 

Uitvoeren van een innovatieproject in een projectmatig samenwerkingsverband

In een projectmatig samenwerkingsverband wordt op projectbasis gewerkt aan een innovatieopgave die aan antwoord moet geven op een concrete vraag of kans uit de praktijk. Het gaat vooral om het verder ontwikkelen, valideren en verfijnen van kennis en innovaties, met als doel dat die uiteindelijk deel uit gaan maken van een groter ontwikkelingsproces dat gericht is op grootschalige toepassing ervan in de praktijk. Dit proces kan bijvoorbeeld gestart worden door kleine actieve samenwerkingsverbanden (proeftuinen) met een schil van koplopers.

Het vertrekpunt voor het uitvoeren van een innovatieproject is een relevante praktijksituatie die een gerede kans in zich draagt om met een zekere kracht uit te groeien tot een waardevolle duurzame innovatie. Van het innovatieproject gaat vervolgens een aantrekkingskracht uit op de volgers, zodat de innovatie wordt overgenomen en uiteindelijk tot gewone praktijk leidt.

Belangrijk is dat de samenstelling van het samenwerkingsverband maximaal is afgestemd op de innovatieopgave die door het samenwerkingsverband wordt uitgevoerd. De relevante partijen uit de keten nemen deel aan het samenwerkingsverband.

 

Een projectmatig samenwerkingsverband bestaat uit van elkaar onafhankelijke (rechts)personen die met elkaar een samenwerkingsovereenkomst zijn aangegaan. Van belang is tevens dat alle aan het samenwerkingsverband deelnemende partijen een productieve bijdragen leveren aan het innovatieproject.

Figuur 1 Innovatieaanpak

Het uit te voeren innovatieproject zal vooral betrekking hebben op fase 1, 2 en mogelijk het begin van fase 3 van figuur 2.

 

Oprichten projectmatig samenwerkingsverband, schrijven projectplan en uitvoeren van een innovatieproject

Bij de oprichting van een projectmatig samenwerkingsverband, of het verder uitbreiden van een samenwerkingsverband, is vooral de inspanning die de initiatiefnemer(s) van het betreffende samenwerkingsverband levert/leveren van belang. Welke samenwerkingspartners uit de keten heeft de initiatiefnemer op het oog. Wat is de rol van elke beoogde samenwerkingspartner ten opzichte van het beoogde innovatieproject? Zijn alle relevante samenwerkingspartners uit de landbouw- of voedselketen betrokken? in het samenwerkingsverband dat het beoogde innovatieproject zal gaan uitvoeren? Hoe draagt de initiatiefnemer er zorg voor deelname van dat de beoogde partner gaat deelnemen in het samenwerkingsverband en een bijdrage gaat leveren in het innovatieproject?

 

Landbouw- of voedselketen

Aan het projectmatige samenwerkingsverband moet ten minste één partij uit de landbouw of voedselketen, niet zijnde landbouwer, deelnemen. Dit vanwege het gewenste duurzame effect van de innovatie. Door samen te werken met ketenpartijen is de kans op een duurzaam effect groter.

 

De voedselketen bestaat uit alle partijen tussen de producent en de eindgebruiker. Tot de landbouwketen behoren de toeleveranciers van landbouwbedrijven (bijvoorbeeld producenten van organische meststoffen).

Figuur 2 Schakels in de voedselketen

 

Artikel 4

In artikel 2.7.6 van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland staan zeven thema’s opgenomen waarop een activiteit betrekking kan hebben. Dit openstellingsbesluit heeft betrekking op vier van deze thema’s:

  • a.

    verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaarde strategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie;

  • b.

    beter beheer van productierisico’s, versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen of het verminderen van marktfalen;

  • c.

    maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen;

  • d.

    behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit.

 

Deze vier thema’s sluiten namelijk aan bij de doelen van het Ambitiedocument Innovatie Agenda Duurzame Landbouw. In het Ambitiedocument worden de volgende doelen genoemd:

  • a.

    Verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving via verduurzaming door:

    • 1.

      sluiten van kringlopen;

    • 2.

      versterken van regionale voedselketens;

    • 3.

      versterken biodiversiteit bij normale agrarische bedrijfsvoering door nieuwe verdienmodellen.

  • b.

    Versterken van volhoudbare sterke economische sector door de landbouwsector als sterk economisch cluster op lange termijn in stand te houden.

 

Artikel 5 en 6

Subsidiabele kosten

Op basis van dit openstellingsbesluit en de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland zijn de volgende kosten subsidiabel:

  • a.

    Voor de oprichting van een projectmatig samenwerkingsverband of het verder uitbreiden van een samenwerkingsverband en het gezamenlijk formuleren van een projectplan, wordt subsidie verstrekt voor de volgende kosten (100% subsidie):

    • 1.

      kosten voor het werven van deelnemers;

    • 2.

      kosten voor het netwerken om het project goed te definiëren;

    • 3.

      kosten voor het opstellen van een projectplan en de samenwerkingsovereenkomst;

    • 4.

      kosten voor projectmanagement en projectadministratie.

  • b.

    Voor de uitvoering van een innovatieproject, wordt subsidie verstrekt voor de volgende kosten (70% subsidie):

    • 1.

      coördinatiekosten van het samenwerkingsverband;

    • 2.

      kosten voor het verspreiden van resultaten van het project;

    • 3.

      operationele kosten direct verbonden aan de uitvoering van het innovatieproject;

    • 4.

      kosten voor projectmanagement en projectadministratie.

  • c.

    Indien voor de uitvoering van een innovatieproject een investering wordt gedaan, wordt subsidie verstrekt voor:

    • 1.

      kosten voor bouw of verbetering van onroerende zaken;

    • 2.

      kosten voor verwerving of leasing van onroerende zaken;

    • 3.

      kosten voor aankoop van grond (maximaal 10% van de subsidiabele kosten);

    • 4.

      kosten van de koop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;

    • 5.

      algemene kosten ten behoeve van investeringen (kosten van architecten, ingenieurs, kosten van adviezen over duurzaamheid op milieu- en economisch gebied en kosten van haalbaarheidsstudies);

    • 6.

      kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;

    • 7.

      kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken.

De hoogte van de subsidie voor de investering is afhankelijk of de investering een productieve of een niet-productieve investering betreft. Een investering is productief indien de waarde of rentabiliteit van de onderneming door de investering stijgt. Voor productieve investeringen geldt een subsidiepercentage van 40%, voor niet-productieve investeringen geldt een subsidiepercentage van 100%.

 

De hierboven genoemde subsidiabele kosten kunnen op verschillende manieren gemaakt worden. Deze manieren worden kostentypen genoemd. Voor dit openstellingsbesluit kunnen de subsidiabele kosten op de volgende wijzen gemaakt worden:

  • a.

    personeelskosten, van personeel dat in loondienst is bij de (mede) aanvrager(s);

  • b.

    kosten derden (kosten waarvoor van derden een factuur of document met gelijkwaardige bewijskracht kan worden overlegd);

  • c.

    onbetaalde eigen arbeid (tarief € 35,- per uur), onbetaalde arbeid van vrijwilligers (tarief € 22,- per uur), gronden of onroerende goederen (bijdragen in natura).

 

Personeelskosten

De subsidiabele hoogte van de personeelskosten kan op twee manieren worden berekend:

  • op basis van IKS. Uw organisatie moet dan beschikken over een door de minister van Economische Zaken goedgekeurde integrale kostensystematiek als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies, of

  • op basis van een per medewerker bepaald individueel uurtarief.

 

Het uurtarief per medewerker wordt als volgt berekend:

Het bruto jaarsalaris (op basis van de meest recente loonstaat) inclusief niet prestatie gebonden eindejaarsuitkering, maar exclusief vakantie uitkering.

Verhoogd met 43,5% voor de werkgeverslasten.

Verhoogd met 15% voor de indirecte kosten.

De uitkomst hiervan wordt gedeeld door 1720 uur op basis van een werkweek van 40 uur.

Een voorbeeld: Het bruto jaarsalaris bedraagt inclusief een niet prestatie gebonden eindejaarsuitkering 50.000 euro. De 50.000 euro wordt verhoogd met 43,5% tot 71.750 euro. De 71.750 euro wordt vervolgens verhoogd met 15% tot 82.512,50 euro. Het subsidiabele uurtarief bedraagt dan 82.512,50 gedeeld door 1720 is 47,97 euro.

 

Kosten van gronden

De kosten van gronden zijn subsidiabel tot maximaal 10% van de subsidiabele kosten. Een voorbeeld:

De totale subsidiabele kosten bedragen € 1.000.000,-. De aankoop kosten (inclusief kosten voor de overdracht) van de gronden bedragen € 200.000,-. De kosten van de gronden kunnen maar 10% van de subsidiabele kosten vormen, de ‘overige kosten’ bedragen daarom 90% van de subsidiabele kosten.

In dit geval bedragen de ‘overige kosten’ € 800.000,-.(=90%)

100% van de subsidiabele kosten is dan €800.000 / 90x100 = €888.888,89

De subsidiabele kosten voor de aankoop van gronden is dan 10% van € 888.888,89 = € 88.888,89.

 

Niet subsidiabele kosten

Voorbereidingskosten zijn kosten die zijn gemaakt voordat de aanvraag om subsidie is ingediend. Deze kosten zijn op grond van dit openstellingsbesluit niet subsidiabel.

 

De kosten van tweedehandsgoederen (machines en installaties) komen niet voor subsidie in aanmerking.

Het betekent niet dat er geen tweedehandsgoederen of andere vormen van bijdragen in natura bij de uitvoering van het project mogen worden ingezet. De inzet komt alleen niet voor subsidie in aanmerking.

 

Een investering op basis van huurkoop komt eveneens niet voor subsidie in aanmerking.

 

Voor meer informatie over (onder andere) de subsidiabele kosten kunt u het handboek POP3 subsidie raadplegen. Het handboek is te raadplegen via https://regiebureau-pop.eu/sites/default/files/u111/Handboek%20aanvragers%2023%2003%202017.pdf.

 

Artikel 8

Alle aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen worden gerangschikt. Om de rangschikking te bepalen worden de aanvragen getoetst aan vier criteria. Per criterium kan 0 tot en met 5 punten behaald worden. Aan elk criterium is een wegingsfactor toegekend. De totaal behaalde puntenscore op basis van de selectiecriteria wordt berekend door per criterium het aantal behaalde punten te vermenigvuldigen met de wegingsfactor. Vervolgens worden alle scores op de criteria bij elkaar opgeteld.

 

Op basis van dit openstellingsbesluit kan zowel subsidie worden aangevraagd voor de oprichting van een samenwerkingsverband en het schrijven van een projectplan, als voor het in een samenwerkingsverband uitvoeren van een innovatieproject. In het geval dat de aanvraag voor subsidie betrekking heeft op het oprichten van een samenwerkingsverband en het schrijven van een projectplan wordt bij de toetsing aan de criteria gekeken naar de beoogde samenstelling van het samenwerkingsverband en het beoogde doel van de samenwerking.

Wanneer de aanvraag voor subsidie betrekking heeft op het in een samenwerkingsverband uitvoeren van een innovatieproject wordt gekeken naar de samenstelling van het samenwerkingsverband en het doel van de samenwerking.

 

Criterium a: de mate van innovatie

Met dit criterium wordt gekeken naar de mate waarin de activiteit innovatief is. Met innovativiteit wordt gedoeld op het samenwerkingsproces als zodanig, het onderwerp van de samenwerking (beoogde innovatie) of op beide. Bij dit criterium gaat het dus niet alleen om een technische innovatie.

 

Bij de beoordeling van de innovativiteit van het samenwerkingsproces wordt gekeken in hoeverre de voorgestelde samenwerking nieuwe verbanden (cross overs) of verbintenissen tot stand brengt. Nieuwe en ‘andere’ samenwerking in de landbouw- en voedselketen worden als innovatiever beoordeeld. Hoe meer gangbaar de samenwerking tussen partijen is, hoe minder punten worden toegekend.

 

Voor de beoordeling van het onderwerp van de samenwerking (beoogde innovatie), gaat het om de meerwaarde die de innovatie heeft, in de zin dat het gaat om het verschil dat de activiteit zelf te weeg kan brengen. Betreft de beoogde innovatie slechts een geringe aanpassing van een bestaand product (of dienst, proces of procedé), of betreft de beoogde innovatie een geheel nieuw product (of dienst, proces of procedé).

 

In samenhang worden de volgende aspecten bezien:

  • Technisch of sociaal grensverleggend karakter van het innovatie – idee (product, procedé, techniek, concept, aanpak) – hoe bijzonder is het idee?;

  • Transitie karakter van de innovatie – draagt de innovatie bij aan realisatie van de toekomstbestendige “duurzame landbouw”? Wordt met de activiteit bijgedragen aan de beoogde verschuiving van een benadering in de bedrijfsvoering van kostenreductie of verhoogde volumes naar benadering in bedrijfsvoering van meerwaardecreatie, circulaire bedrijfsvoering of productie of een sector overstijgende toepassing?;

  • De innovatieve waarde van het samenwerkingsverband – is er sprake van een nieuwe ketensamenwerking of cross-over samenwerking?;

  • Het toepassingsgebied – is er al een oplossing maar wordt deze niet toegepast of is het project er op gericht om belemmeringen weg te nemen?.

 

Op basis van bovenstaande punten wordt de mate van innovatie als zeer gering, gering, matig, voldoende, goed of zeer goed gekwalificeerd.

  • 0 punten worden toegekend indien de kwalificatie zeer gering is;

  • 1 punt wordt toegekend indien de kwalificatie gering is;

  • 2 punten worden toegekend indien de kwalificatie matig is;

  • 3 punten worden toegekend indien de kwalificatie voldoende is;

  • 4 punten worden toegekend indien de kwalificatie goed is;

  • 5 punten worden toegekend indien de kwalificatie zeer goed is.

 

Criterium b: de mate van effectiviteit van de activiteit.

Bij dit criterium gaat het om het effect van de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd. Bij de beoordeling van het effect wordt ook de hoogte van het gevraagde subsidiebedrag in ogenschouw genomen. Dit betekent echter niet dat aanvragen rekenkundig ( effect gedeeld door subsidiebedrag) beoordeeld worden. Het effect blijft het leidende element.

 

De gesubsidieerde activiteit draagt bij aan één of meerder van de volgende thema’s:

  • a.

    verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaarde strategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie;

  • b.

    beter beheer van productierisico’s, versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen of het verminderen van marktfalen;

  • c.

    maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen;

  • d.

    behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit.

 

Hierbij wordt zowel gekeken naar het effect van beoogde innovatie als naar de toepasbaarheid van de beoogde innovatie. Aan een bredere toepasbaarheid voor de grondgebonden landbouw van de innovatie wordt meer belang toegekend dan aan een innovatie die minder breed toepasbaar is.

Een samenwerkingsverband waaraan meerdere (verschillende)ketenpartijen deelnemen (ketenbreed), wordt als effectiever beoordeeld dan een samenwerkingsverband waar één grondgebonden landbouwer of één partij uit de keten aan deel neemt.

Bij deze openstelling voor samenwerking voor innovaties gaat het niet alleen om het effect van de innovatie, als deze slaagt, maar ook om de meerwaarde van het samenwerkingsproces. Samenwerking kan leiden tot meer kennisdeling op regionaal-, nationaal- of internationaal niveau. Door samenwerking kunnen nieuwe innovatieve verbindingen (zoals cross-overs tussen meerdere sectoren) en nieuw samenspel tussen ketenpartijen ontstaan.

 

Aanvullend worden de volgende aspecten in samenhang bezien:

  • de meerwaarde van de beoogde innovatie voor één of meerdere van de thema’s. Levert het project een bijdrage aan reductie van het verbruik van grondstoffen, of worden er één of meerdere kringlopen op bedrijfsniveau gesloten?;

  • de bijdrage van het project aan duurzame nieuwe samenwerkingsverbanden. Gaat van het project een voorbeeldwerking uit? Levert het project ervaringen op waarmee anderen hun voordeel kunnen doen?;

  • de mate van geschiktheid van de beoogde innovatie voor brede toepasbaarheid / uitrol? Of is er een goede kans op een snelle vertaling naar de praktijk?.

 

Op basis van bovenstaande punten wordt de effectiviteit van de activiteit als zeer gering, gering matig, voldoende, goed of zeer goed gekwalificeerd.

  • 0 punten worden toegekend indien de kwalificatie zeer gering is;

  • 1 punt wordt toegekend indien de kwalificatie gering is;

  • 2 punten worden toegekend indien de kwalificatie matig is;

  • 3 punten worden toegekend indien de kwalificatie voldoende is;

  • 4 punten worden toegekend indien de kwalificatie goed is;

  • 5 punten worden toegekend indien de kwalificatie zeer goed is.

 

Criterium c. de haalbaarheid van de activiteit

Met dit criterium wordt bekeken of het innovatieproject succesvol uitgevoerd kan worden, ook wordt beoordeeld of de beoogde innovatie haalbaar is. Dit betekent niet dat het innovatieproject ook moet slagen. Van belang is dat bij aanvang van de uitvoering van het innovatieproject aan alle randvoorwaarden (onder andere technisch, organisatorisch, financieel) is voldaan. Dit moet blijken uit het plan van aanpak.

Indien op het moment van aanvragen van de subsidie, nog niet aan alle randvoorwaarden is voldaan, wordt voor de haalbaarheid ook bezien of er een go/ no go moment is bepaald.

 

Bij dit criterium wordt in samenhang gekeken naar de volgende aspecten:

  • De kwaliteit plan van aanpak, zijn alle randvoorwaarden goed in beeld gebracht en vertaald naar beheermaatregelen, is er goed nagedacht over ruimte voor procesmanagement, is goed nagedacht over risicomanagement, zijn er goede kwaliteitseisen gesteld aan de trekker van het project? Hierbij wordt ook gekeken naar de financiële haalbaarheid van de activiteit (in hoeverre is de aanvrager in staat om kosten voor te financieren);

  • Blijk van oriëntatie op (technische) haalbaarheid en voor handen kennis – geeft de aanvrager er blijk van zich te hebben georiënteerd of te gaan oriënteren op bestaande kennis, aanbevelingen, best practices en dergelijke rond het beoogde innovatiedoel?;

  • Blijk van oriëntatie op business model en marktpotentieel – heeft de aanvrager de probleemstelling of kans die ten grondslag ligt aan de beoogde innovatie scherp voor ogen en kijken de aanvragers naar hoe de innovatie in praktijk gebracht kan worden?;

  • De kwaliteit in relatie tot de breedte van de samenstelling, het kennisniveau en werkafspraken samenwerkingsverband – past de samenstelling van de groep bij de ambitie?.

 

Op basis van bovenstaande punten wordt de haalbaarheid van de activiteit als zeer gering, gering, matig, voldoende, goed of zeer goed gekwalificeerd.

  • 0 punten worden toegekend indien de kwalificatie zeer gering is;

  • 1 punt wordt toegekend indien de kwalificatie gering is;

  • 2 punten worden toegekend indien de kwalificatie matig is;

  • 3 punten worden toegekend indien de kwalificatie voldoende is;

  • 4 punten worden toegekend indien de kwalificatie goed is;

  • 5 punten worden toegekend indien de kwalificatie zeer goed is.

 

Criterium d: de mate van efficiëntie van uitvoering van de activiteit.

Met dit criterium wordt gekeken naar de wijze van uitvoering van de activiteit. Om dit te kunnen beoordelen wordt er gekeken naar de input (geld, kennis, kunde en overige middelen) die wordt ingezet om de output te kunnen realiseren. Het wordt als niet efficiënt gezien als de aanvrager zelf opnieuw het wiel gaat uitvinden, terwijl er al kennis en ervaring beschikbaar is uit eerdere innovatieprojecten (zie bijvoorbeeld de website van het Netwerk Platteland https://netwerkplatteland.nl/).

Daarbij wordt bezien of de opgevoerde kosten relevant en passend zijn (worden de resultaten met de juiste middelen behaald?). Ook wordt gekeken naar de verhouding proceskosten en de feitelijke kosten.

 

Op basis van bovenstaande punten wordt de mate van innovatie als zeer gering, gering, matig, voldoende, goed of zeer goed gekwalificeerd.

  • 0 punten worden toegekend indien de kwalificatie zeer gering is;

  • 1 punt wordt toegekend indien de kwalificatie gering is;

  • 2 punten worden toegekend indien de kwalificatie matig is;

  • 3 punten worden toegekend indien de kwalificatie voldoende is;

  • 4 punten worden toegekend indien de kwalificatie goed is;

  • 5 punten worden toegekend indien de kwalificatie zeer goed is.

 

Wegingsfactoren

Het doel van de openstelling is om duurzame innovaties in de grondgebonden landbouw te stimuleren. Hoe innovatiever hoe beter, het criterium ‘mate van innovatie’ heeft daarom de hoogste wegingsfactor (4). Het criterium effectiviteit heeft de één na hoogste wegingsfactor (3). Projecten die aan meerdere doelen bijdragen, dragen meer bij aan het doel van het openstellingsbesluit.

Het criterium haalbaarheid heeft een wegingsfactor van 2. Kenmerk van een innovatieproject is dat de innovatie niet hoeft te slagen, maar wel van belang is dat de randvoorwaarden goed in beeld zijn gebracht en indien nodig beheersmaatregelen zijn genomen, zodat de kans dat de innovatie wel slaagt stijgt en de nieuwe samenwerking in de keten kan doorwerken.

Het criterium ‘efficiëntie’ heeft een wegingsfactor van 1. Dit criterium is niet bepalend voor het doel van de openstelling, maar heeft betrekking op de wijze waarop het doel wordt bereikt.