Verkeersbesluit aanwijzen hoofd- en nevenvaarwater Delftse Schie ter hoogte van de bochtafsnijding in Overschie

 

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,

 

dat hun college op grond van het bepaalde in artikel 2 van de Scheepvaartverkeerswet bevoegd is tot het nemen van de in die wet bedoelde verkeersbesluiten ter regeling van het scheepvaartverkeer op de provinciale vaarwegen;

 

dat de bocht in de Delftse Schie, ter hoogte van de gemeente Overschie, een knelpunt vormt in het provinciale vaarwegtraject 1, gelegen tussen Rotterdam en Den Haag;

 

dat in opdracht van de provincie Zuid-Holland is overgegaan tot de bochtafsnijding bij Overschie door middel van de realisatie een nieuw gedeelte vaarweg;

 

dat het doorgaande scheepvaartverkeer middels deze bochtafsnijding op een vlotte en veilige manier tussen Rotterdam en Den Haag kan varen;

 

dat het gedeelte van de Delftse Schie waar de bocht zicht in bevindt in beheer zal worden overgedragen aan de gemeente Rotterdam en alleen gebruikt kan worden door kleinschalige recreatievaart;

 

dat door de realisatie van de bochtafsnijding twee splitsingen zijn ontstaan;

 

dat gelet op de veilige en vlotte doorstroming van het scheepvaartverkeer het noodzakelijk is om op deze twee locaties het hoofd- en nevenvaarwater aan te wijzen;

 

dat de doorgaande route, te weten de provinciale vaarweg, dient te gelden als het hoofdvaarwater;

 

dat de voormalige Delftse Schie, te weten het gedeelte in de bocht bij Overschie, dient te gelden als nevenvaarwater;

 

dat door het aanwijzen van het hoofd- en nevenvaarwater het scheepvaartverkeer komend vanuit een nevenvaarwater voorrang moet verlenen aan het scheepvaartverkeer op het hoofdvaarwater;

 

gelet op het bepaalde in de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement en het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer;

 

BESLUITEN:

  • 1.

    het volgende Verkeersbesluit te nemen, in belang van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de splitsingen van de Delftse Schie en de voormalige Delftse Schie, ter hoogte van Overschie, door het plaatsen van de onderstaande verkeerstekens, zoals bedoeld in bijlage 7 van het Binnenvaartpolitiereglement:

    • A.

      aanwijzingsteken E.9c aan de zuidwestelijke oever van de provinciale vaarweg Delftse Schie (hoofdvaarwater), mede voorzien van een onderbord met de tekst ‘150 meter’, ter hoogte van kmp 38,73;

    • B.

      aanwijzingsteken E.9b aan de oostelijke oever van de provinciale vaarweg Delftse Schie (hoofdvaarwater), mede voorzien van een onderbord met de tekst ‘100 meter’, ter hoogte van kmp 39,05;

    • C.

      gebodsteken B.9a aan de noordelijke oever van de voormalige Delftse Schie (nevenvaarwater), op plm. 200 meter voor de splitsing met de Delftse Schie;

    • D.

      aanwijzingsteken E.9a aan de westelijke oever van de provinciale vaarweg Delftse Schie (hoofdvaarwater), mede voorzien van een onderbord met de tekst ‘100m’, ter hoogte van kmp 39,70;

    • E.

      aanwijzingsteken E.9a aan de oostelijke oever van de Delfshavense Schie (hoofdvaarwater), mede voorzien van een onderbord met de tekst ‘100m’, ter hoogte van de Hogebrug in Overschie;

    • F.

      gebodsteken B.9b aan de noordelijke oever van de voormalige Delftse Schie (nevenvaarwater) op plm. 100m van het kruispunt met de Delftse Schie, de Delfshavense Schie en de Schiedamse Schie;

    • G.

      gebodsteken B.9b aan de zuidelijke oever van de Schiedamse Schie (nevenvaarwater) op plm. 100m van het kruispunt met de Delftse Schie, de Delfshavense Schie en de Schiedamse Schie;

       

  • 2.

    dit besluit ter openbare kennis te brengen door middel van publicatie.

 

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,

voor dezen,

 

 

mr. D.P. Boddé

Hoofd Juridische Expertise en Handhaving

Dienst Beheer Infrastructuur

 

Besluit van 16 november2018, kenmerk: PZH-2018-669906516

 

Tegen dit besluit kunnen belanghebbenden ingevolge artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht bij ons een gemotiveerd bezwaarschrift indienen. Dit bezwaarschrift moet binnen zes weken na de dag van verzending of uitreiking van het besluit worden toegezonden, onder vermelding van "Awb-bezwaar" in de linkerbovenhoek van enveloppe en bezwaarschrift. Het bezwaar moet worden gericht aan: Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, ter attentie van het Awb-secretariaat, Postbus 90602, 2509 LP Den Haag.

 

 

Krachtens artikel 6:16 van de Awb schorst het bezwaar de werking van dit besluit niet. Gelet hierop kan - als tegen dit besluit bezwaar wordt aangetekend - ingevolge artikel 8:81 van de

Awb bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage, sector Bestuursrecht,

Postbus 20302, 2500 EH Den Haag (bezoekadres: Prins Clauslaan 60 te Den Haag) een

verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening worden ingediend.

Wij verzoeken u een kopie van het verzoek om een voorlopige voorziening te zenden aan: Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, Postbus 90602, 2509 LP Den Haag.

Naar boven