Provinciaal blad van Zeeland

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
ZeelandProvinciaal blad 2018, 8092Overige besluiten van algemene strekking



Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland houdende regels omtrent Openstellingsbesluit investeringen in infrastructuur voor de ontwikkeling, modernisering of aanpassing van landbouwbedrijven

Besluit van Gedeputeerde Staten van Zeeland, van 23 oktober 2018 , kenmerk 18925820 tot openstelling van de regeling als bedoeld in paragraaf 4 van hoofdstuk 2 investeringen in infrastructuur voor de ontwikkeling, modernisering of aanpassing van landbouwbedrijven uit de Verordening subsidies Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 (POP-3) Zeeland.

 

Gedeputeerde Staten van Zeeland;

Gelet op artikel 1.3 van hoofdstuk 1 en paragraaf 4 van hoofdstuk 2 van de Verordening subsidies plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 (POP-3) Zeeland (Verordening POP-3-subsidies Zeeland).

 

Besluiten:

  • I.

    Open te stellen de regeling investeringen in infrastructuur voor de ontwikkeling, modernisering of aanpassing van landbouwbedrijven van de Verordening POP-3-subsidies Zeeland voor de periode van 5 november 2018, 09.00 uur, tot en met 1 maart 2019, 17.00 uur.

  • II.

    Vast te stellen dat het subsidieplafond € 3.200.000,- is en dat dit bedrag volledig bestaat uit ELFPO middelen.

  • III.

    Vast te stellen dat de ELFPO-middelen met eenzelfde bedrag aan nationale overheidsmiddelen aangevuld moeten worden.

  • IV.

    Vast te stellen dat de verdeling van de middelen plaatsvindt op grond van artikel 1.15 van de Verordening POP-3-subsidies Zeeland op grond van een rangschikking van de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen.

  • V.

    De volgende nadere regels vast te stellen:

 

Artikel 1 Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten genoemd in artikel 2.4.1 onderdeel a van de Verordening subsidies Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP3) 2014-2020 Zeeland zijnde de verbetering van de verkavelingsstructuur van landbouwbedrijven.

  • 2.

    Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor investeringen als bedoeld in het eerste lid, met een directe link met de landbouw.

Artikel 2 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door:

  • a.

    landbouwers;

  • b.

    grondeigenaren die geen landbouwer zijn;

  • c.

    pachters;

  • d.

    stichtingen voor kavelruil

  • e.

    landbouworganisaties

  • f.

    provincies

  • g.

    waterschappen

  • h.

    gemeenten

  • i.

    natuur- en landschapsorganisaties

  • j.

    samenwerkingsverbanden van bovenstaande

Artikel 3 Cofinanciering

Aangezien de benodigde nationale publieke financiering niet in het openstellingbesluit beschikbaar wordt gesteld, dient een aanvraag voorzien te zijn van een subsidie-intentie of subsidiebeschikking van een nationale overheid (zoals bijvoorbeeld waterschap, provincie en/of gemeente).

 

Artikel 4 Indieningsvereisten

In aanvulling op artikel 1.7 van de Verordening dient de aanvraag geografisch als volgt inzichtelijk te zijn:

  • Op kaart aangegeven waar welke maatregelen worden uitgevoerd; en waarop tevens is aangegeven de ligging van het gebied waarbinnen de maatregel effect heeft.

  • Voor het desbetreffende gebied: een inschatting van de omvang van de problematiek en het verwachte effect van de maatregelen voor de landbouw.

Artikel 5. Subsidiabele kosten

  • 1.

    Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.4.1 onderdeel a van de Verordening subsidies Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP3) 2014-2020 Zeeland wordt verstrekt voor de kosten als bedoeld in artikel 2.4.3 van de Verordening:

    • a.

      investeringen om kavels beter bewerkbaar en bereikbaar te maken;

    • b.

      investeringen ten behoeve van inpassingsmaatregelen

  • 2.

    Kosten van investeringen voor verbetering van de verkavelingsstructuur als bedoeld in artikel 2.4.5 van de Verordening subsidies Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP3) 2014-2020 Zeeland, alsmede lid 1 van dit artikel, kunnen bestaan uit:

    • a.

      de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende goederen;

    • b.

      algemene kosten met betrekking tot investeringen;

    • c.

      plan- en advieskosten;

    • d.

      leges voor vergunningen en procedures;

    • e.

      haalbaarheidsstudies;

    • f.

      personeelskosten.

    • g.

      voorbereidingskosten conform artikel 1.12 lid 2 en lid 3 van de verordening

Artikel 6 Hoogte subsidie verbetering verkavelingsstructuur van landbouwbedrijven

De subsidie voor kosten als bedoeld in artikel 2.4.3 van de verordening bedraagt:

  • a.

    100% van de subsidiabele kosten van investeringen ten behoeve van inpassingsmaatregelen;

  • b.

    40% van de subsidiabele kosten van investeringen ten behoeve van een betere bereikbaarheid en bewerkbaarheid van kavels.

  • c.

    100 % van de subsidiabele kosten voor juridische en algemene kosten als bedoeld in artikel 2.4.3 onder c en d van de Verordening.

Artikel 7 Beoordelingscriteria

Gedeputeerde staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15 van Verordening subsidies POP3 2014-2020 Zeeland de volgende criteria:

 

1. Mate van effectiviteit

Met dit criterium wordt gekeken naar de effectiviteit van de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd. De investeringen moeten een directe relatie hebben met één of meer van de volgende provinciale doelen:

In het kwaliteitsnet Landbouwverkeer Zeeland (geactualiseerde versie juni 2017) zijn in hoofdstuk 4 het beleid en de prioritering van de knelpunten opgenomen. Hierin wordt een onderscheid gemaakt tussen beleidsprioriteiten (geprioriteerde knelpunten, 30 stuks, pagina 12.) en overige knelpunten (pagina 18, 19). Dit onderscheid wordt meegewogen in onderstaande puntentelling.

 

Dit leidt tot de volgende puntentelling:

  • 0 punten: geen of zeer geringe bijdrage. De in het projectvoorstel ingediende voorgestelde route komt niet voor in het kwaliteitsnet Landbouwverkeer Zeeland.

  • 1 punt: geringe bijdrage. De in het projectvoorstel ingediende voorgestelde route komt wel voor in het kwaliteitsnet Landbouwverkeer Zeeland, maar betreft een ‘overig knelpunt’ en geen geprioriteerd knelpunt. De onderbouwing in het projectplan voor de mate waarin wordt bijgedragen aan bovengenoemde doelen is matig.

  • 2 punten: matige bijdrage. De in het projectvoorstel ingediende voorgestelde route komt wel voor in het kwaliteitsnet Landbouwverkeer Zeeland, maar betreft een ‘overig knelpunt’ en geen geprioriteerd knelpunt. De onderbouwing in het projectplan voor de mate waarin wordt bijgedragen aan bovengenoemde doelen is goed.

  • 3 punten: voldoende bijdrage. De in het projectvoorstel ingediende voorgestelde route komt voor in het kwaliteitsnet Landbouwverkeer Zeeland en betreft een geprioriteerd knelpunt. De onderbouwing in het projectplan voor de mate waarin wordt bijgedragen aan bovengenoemde doelen is matig.

  • 4 punten: goede bijdrage. De in het projectvoorstel ingediende voorgestelde route komt voor in het kwaliteitsnet Landbouwverkeer Zeeland en betreft een geprioriteerd knelpunt. De onderbouwing in het projectplan voor de mate waarin wordt bijgedragen aan bovengenoemde doelen is voldoende.

  • 5 punten: zeer goede bijdrage. De in het projectvoorstel ingediende voorgestelde route komt voor in het kwaliteitsnet Landbouwverkeer Zeeland en betreft een geprioriteerd knelpunt. De onderbouwing in het projectplan voor de mate waarin wordt bijgedragen aan bovengenoemde doelen is goed.

 

2. Haalbaarheid/kans op succes

Met dit criterium wordt naar de haalbaarheid van de investering gekeken. In samenhang worden de volgende aspecten bezien:

  • 1.

    de kwaliteit van het projectplan:

    • in projectplan opgenomen vereisten aan de kwaliteit (deskundigheid, ervaring) van de projectleider,

    • hoe realistisch is het projectplan,

    • zijn relevante partijen voldoende bij de uitvoering van het plan betrokken,

    • kent het project een realistische planning, opzet en begroting,

    • mate waarin het project al is voorbereid/ snel in uitvoering kan worden genomen, waarbij wordt gekeken naar het al dan niet reeds verworven zijn van benodigde grond, het draagvlak voor het plan en de mate waarin vergunningen reeds zijn verkregen.

  • 2.

    de mate waarin risicofactoren zijn onderkend en beheersbaar gemaakt zijn.

  • Hierbij wordt gekeken naar

    • *

      zekerheid van beschikbaarheid noodzakelijke eigen middelen van alle betrokken partijen

    • *

      zekerheid beschikbaar komen noodzakelijke vergunningen

    • *

      zekerheid van deelname meest relevante partijen aan volledige traject.

  • Score:

    • 0 punten: geen van genoemde aspecten scoort voldoende

    • 1 punt: één van genoemde aspecten scoort voldoende

    • 2 punten: twee van genoemde aspecten scoren voldoende

    • 3 punten: drie van genoemde aspecten scoren voldoende

    • 4 punten: vier van genoemde aspecten scoren voldoende

    • 5 punten: vijf van genoemde aspecten scoren voldoende

3. Efficiëntie

Bij dit criterium wordt beoordeeld of de input (geld, kennis, kunde en overige middelen) efficiënt wordt ingezet om de gewenste output te realiseren. Daarbij wordt bezien of de opgevoerde kosten passend zijn (worden de resultaten met de juiste middelen gehaald?), wordt gekeken in hoeverre de proceskosten die in het project gemaakt worden in verhouding staan tot de feitelijke projectkosten én wordt bezien of binnen het project op een goede manier gebruik gemaakt wordt van reeds bestaande kennis en kunde.

De norm die gehanteerd wordt voor infrastructurele inpassingsmaatregelen:

Hiervoor worden de ervaringscijfers conform de Standaard Systematiek voor Kostenramingen gehanteerd. (De SSK- ramingssystematiek is een systematiek voor het maken van kostenramingen in de bouw en biedt een handreiking voor kostenmanagement).

  • 0 punten indien de kosten meer dan 50% hoger zijn dan de normkosten conform de Standaard Systematiek voor Kostenramingen.

  • 1 punt, indien de kosten meer dan 30 tot en met 50% hoger zijn dan de normkosten conform de Standaard Systematiek voor Kostenramingen.

  • 2 punten, indien de kosten meer dan 10 tot en met 30% hoger zijn dan de dan de normkosten conform de Standaard Systematiek voor Kostenramingen.

  • 3 punten, indien de kosten tussen de 10% lager en 10% hoger zijn dan de normkosten conform de Standaard Systematiek voor Kostenramingen

  • 4 punten, indien de kosten meer dan 10 tot 20% lager zijn dan de normkosten conform de Standaard Systematiek voor Kostenramingen

  • 5 punten, indien de kosten 20% of meer lager zijn dan de normkosten conform de Standaard Systematiek voor Kostenramingen.

4. Urgentie

Hierbij gaat het om de vraag in hoeverre de opgave(n) die aangepakt wordt/worden geïdentificeerd is/zijn als opgaven die op grond van het provinciale (sectorale of integrale) beleid noodzakelijk aangepakt dienen te worden en op welke termijn die aanpak noodzakelijk is. Zo zijn er (inter)nationale doelstellingen die voor een bepaalde einddatum gerealiseerd dienen te zijn en waar de verbetering van de verkavelingsstructuur aan bijdraagt of noodzakelijk voor is. Een en ander is daarmee gerelateerd aan de knelpunten die bestaan in de provincie Zeeland.

  • 0 punten indien er sprake is van een opgave die op grond van in het openstellingsbesluit weergegeven provinciale plannen noodzakelijk is, maar die op grond van die plannen pas op zeer lange termijn aangepakt hoeft te worden, dat wil zeggen na 2027

  • 1 punt op basis van een op grond van de in het openstellingsbesluit weergegeven provinciale plannen noodzakelijke opgave die op grond van die plannen pas op langere termijn aanpak hoeft, dat wil zeggen tussen 2022 en 2027

  • 2 punten op basis van een op grond van de in het openstellingsbesluit weergegeven provinciale plannen noodzakelijke opgave die op grond van die plannen pas binnen afzienbare termijn aangepakt moet worden, dat wil zeggen in 2021

  • 3 punten op basis van een op grond van de in het openstellingsbesluit weergegeven provinciale plannen noodzakelijke opgave die op grond van die plannen op korte termijn aangepakt moet worden, dat wil zeggen in 2020

  • 4 punten op basis van een op grond van de in het openstellingsbesluit weergegeven provinciale plannen noodzakelijke opgave die op grond van die plannen snel aangepakt moet worden, dat wil zeggen in na 1 juli 2019, maar voor 2020

  • 5 punten indien er sprake is van een op grond van de in het openstellingsbesluit weergegeven provinciale plannen noodzakelijk opgave, die op grond van die plannen onmiddellijk aangepakt moet worden, dat wil zeggen in voor 1 juli 2019.

Artikel 8 Wegingsfactoren

Na sluiting van de openstellingstermijn worden alle aanvragen beoordeeld op basis van de selectiecriteria uit artikel 7 en gerangschikt naar score. Het puntentotaal per project wordt samengesteld uit de te behalen punten op basis van deze methodiek:

  • a.

    het criterium bedoeld in artikel 7 het eerste lid (mate van effectiviteit), heeft een wegingsfactor 4;

  • b.

    het criterium bedoeld in artikel 7 het tweede lid (haalbaarheid/kans op succes), heeft een wegingsfactor 2;

  • c.

    het criterium bedoeld in artikel 7 het derde lid (efficiëntie), heeft een wegingsfactor 2;

  • d.

    het criterium bedoeld in artikel 7 het vierde lid (urgentie), heeft een wegingsfactor 1.

Maximaal kunnen dus 45 punten behaald worden. Een aanvraag komt voor subsidie in aanmerking indien hij minimaal 60% van het maximaal te behalen aantal punten scoort, dus 27 punten.

 

Artikel 9 Rangschikking

Indien het beschikbare subsidieplafond ontoereikend is voor alle voor subsidie in aanmerking komende projecten, worden de projecten gerangschikt naar score. Ingeval van gelijke score prevaleren projecten die hoger scoren op het hoogste onderscheidende criterium, dus in de volgorde 7.1 (Effectiviteit), 7.3 (Efficiëntie), 7.2 (Haalbaarheid), 7.4 (Urgentie). Hoewel Efficiëntie een gelijke wegingsfactor kent als Haalbaarheid, prevaleert hierbij het belang van Efficiëntie boven Haalbaarheid in de rangschikking. Als ook dit geen onderscheid oplevert, vindt de keuze plaats door middel van loting.

 

Artikel 10 Adviescommissie

Gedeputeerde Staten stellen voor de rangschikking van de subsidieaanvragen als bedoeld in artikel 9 van deze openstelling een adviescommissie in als bedoeld in artikel 1.14 van de verordening.

 

Artikel 11 Weigeringsgronden

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 van de verordening wordt subsidie geweigerd als:

    • a.

      de te verstrekken subsidie van het project lager is dan €200.000,-

    • b.

      het gewogen aantal behaalde punten, zoals berekend op basis van artikel 8, lager is dan 27.

    • c.

      indien de activiteit bedoeld is om aan een wettelijke verplichting te kunnen voldoen.

  • 2.

    De te verstrekken subsidie(s) kan/kunnen het subsidieplafond niet overschrijden.

Artikel 12 Citeertitel en inwerkingtreding

Dit besluit wordt aangehaald als Openstellingsbesluit investeringen in infrastructuur voor de ontwikkeling, modernisering of aanpassing van landbouwbedrijven Zeeland 2018 en treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin hij wordt geplaatst.

 

 

 

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van gedeputeerde staten van Zeeland van 23 oktober 2018.

Drs. J.M.M. Polman, voorzitter

A.W. Smit, secretaris

Uitgegeven 2 november 2018

De secretaris A.W. Smit

Toelichting bij het Openstellingsbesluit

 

Algemeen:

In het kader van het Plattelandsontwikkelingsprogramma 3 (POP-3) heeft de provincie Zeeland de mogelijkheid om maatregelen open te stellen voor het indienen van projectvoorstellen die voor een EU- subsidie in het kader van het POP-3 in aanmerking kunnen komen.

Om de internationale concurrentiepositie van de Nederlandse landbouw te handhaven en te versterken is een blijvende investering in de landbouwstructuur noodzakelijk. Door deze investeringen kan de efficiëntie van de sector worden verhoogd. Dit kan worden bereikt door de juiste aanpassingen van percelen.

De openstelling van deze maatregel is gericht op investeringen in het landelijk gebied die bijdragen aan betere toegankelijkheid, bodemgesteldheid en waterhuishouding van landbouwbedrijven.

Met de vaststelling van de Nota Grondbeleid door de Provinciale Staten van Zeeland is ervoor gekozen om de komende jaren een bijdrage te leveren aan de verbetering van de agrarische structuur in combinatie met de realisatie van diverse maatschappelijke doelstellingen. In het licht van deze openstelling kan onder andere gedacht worden aan het verwerven van gronden voor het vergroten van de verkeersveiligheid (over-en weergebruik terugdringen) en de realisatie van infrastructuur op basis van het PVVP 2015 (provinciaal verkeer en Vervoer Plan).

Op basis van de mogelijkheden die het Europese POP-programma hiertoe biedt, heeft de provincie met het vaststellen van de Nota Grondbeleid aansluiting gezocht bij de Europese randvoorwaarden. Daarmee wordt de mogelijkheid gecreëerd om de realisatie van de in de Nota grondbeleid geformuleerde doelstellingen mede met behulp van Europese subsidie van uit het POP-3 programma te verwezenlijken.

Met de vaststelling van het Mobiliteitsplan 2016-2019 door Provinciale Staten is de keuze gemaakt om uitvoering te geven aan het Kwaliteitsnet Landbouwverkeer, dat deel uitmaakt van het Mobiliteitsplan. Met het Kwaliteitsnet Landbouwverkeer beoogt provincie Zeeland dat het landbouwverkeer zich over grotere afstanden vlot(ter) en veilig(er) kan verplaatsen (economisch belang en verkeersveiligheidsbelang), zonder dat dit ten koste gaat van, of zelfs een verbetering biedt voor, de verkeersveiligheid en doorstroming van het overige verkeer en de leefbaarheid in omringende kernen. In het Kwaliteitsnet Landbouwverkeer zijn 45 prioritaire knelpunten aangegeven. Doordat bij het opstellen van het Mobiliteitsplan onder andere aansluiting is gezocht bij de randvoorwaarden van de Europese POP-3 maatregel inzake 'Investeringen in infrastructuur voor de ontwikkeling, modernisering of aanpassing van landbouwbedrijven', is de mogelijkheid gecreëerd om mede met behulp van de Europese subsidie vanuit het POP-3 programma de in het Mobiliteitsplan opgenomen prioritaire knelpunten voor het landbouwverkeer te verbeteren of op te heffen.

Met dit openstellingsbesluit wordt aan de realisatie van bovenstaande doelstellingen invulling gegeven.

 

Artikel 1 Subsidiabele activiteiten

Lid 1.

In verband met de verbetering van de verkavelingsstructuur van landbouwbedrijven: investeringen om kavels beter bewerkbaar en bereikbaar te maken zoals: graven en dempen van sloten, met elkaar verbinden van percelen, aanpassen van drainage, aanleg of verbetering van dammen en kavelpaden, aanpassen van het wegenstelsel, aanpassen van de waterhuishouding.

 

Lid 2.

Projecten dienen een direct verband met landbouwactiviteiten te hebben. Dit verband moet expliciet beschreven worden in de subsidieaanvraag.

 

Artikel 5 Subsidiabele kosten

Lid 1. Kosten waarvoor subsidie kan worden verstrekt. Lid 2 Het aantal subsidiabele kostencategorieën is minder dan de in artikel 2.6.3. lid 1 en lid 2 van de verordening genoemde lijst.

Er wordt geen subsidie verstrekt voor:

*de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot

maximaal de marktwaarde van de activa;

*tweede hands installatiezaken, indien noodzakelijk voor het project en de kosten

aantoonbaar de marktwaarde niet overstijgen; de marktwaarde van deze goederen is zeer lastig vast te stellen;

*bijdragen in natura:

 

Artikel 7 Beoordelings criteria

De selectie van aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen zal plaatsvinden via een zogenaamde ‘tender-methode’: alle tijdig ingediende aanvragen worden, indien ze voldoen aan de voorwaarden om voor subsidie in aanmerking te komen, gescoord op basis van vier criteria, als genoemd in artikel 7.

 

Artikel 8 Wegingsfactoren

In dit artikel worden de gewichten aan de verschillende criteria toegekend. Aan het criterium ‘mate van effectiviteit’ wordt de hoogste wegingsfactor (vier) toegekend. De effectiefste activiteiten dragen het meeste bij aan de beleidsdoelen. Daarna volgt het criterium Efficiëntie (wegingsfactor twee). Het belang van dit criterium zit hem in de doelmatige besteding van beschikbaar budget. Het criterium Haalbaarheid kent tevens de wegingsfactor twee, om het belang van de realisatiekans te onderstrepen. Het criterium urgentie kent de laagste score (één)

 

Artikel 9 Rangschikking

Indien de score tenminste gelijk is aan het minimum aantal punten (27 punten) komen de projecten voor subsidie in aanmerking. Is het beschikbare subsidieplafond ontoereikend dan gaan projecten met hogere scores voor.

In het geval er meerdere aanvragen op dezelfde plaats gerangschikt worden en vanwege het bereiken subsidieplafond niet al die aanvragen kunnen worden gehonoreerd wordt prioriteit gegeven aan de aanvraag met de hoogste score op het criterium ‘mate van effectiviteit’. Indien de aanvragen even hoog scoren op het criterium ‘mate van effectiviteit’, dan wordt prioriteit gegeven aan de aanvraag met de hoogste score op het criterium ‘efficiëntie’. Scoren de aanvragen ook op dit criterium even hoog, dan wordt prioriteit gegeven aan de aanvraag die het hoogst scoort op het criterium ‘haalbaarheid’. Scoren de aanvragen ook op dit criterium even hoog, dan wordt prioriteit gegeven aan de aanvraag die het hoogst scoort op het criterium ‘urgentie’. Scoren de aanvragen ook op dit punt even hoog, dan beslist het lot welke aanvraag wordt gehonoreerd.

 

Artikel 10 Adviescommissie

Gedeputeerde staten hebben op 14 juni 2016, kenmerk 16008619, een adviescommissie ingesteld voor de beoordeling en rangschikking van de projecten die in het kader van POP-3 worden ingediend. De Adviescommissie stelt een prioriteitenlijst op middels een rangschikking door het toekennen van punten aan de hand van in artikelen 7 en 8 genoemde beoordelingscriteria en weging.

 

Artikel 11 Weigeringsgronden

Om projecten van enige omvang te verkrijgen, en aldus de uitvoeringskosten van de regeling te beperken, is ten aanzien van de subsidiabele kosten een minimumgrens opgenomen van 200.000 euro. De projecten dienen verder, om voor subsidie in aanmerking te komen, een minimumaantal van 27 punten te hebben behaald.