Provinciaal blad van Drenthe

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
DrentheProvinciaal blad 2018, 7612Verordeningen



Belastingverordening provincie Drenthe 2019

 

Besluit van Gedeputeerde Staten van Drenthe van 18 september 2018, kenmerk 5.3/2018002167, team Financiën, tot bekendmaking van het besluit van Provinciale Staten van 14 november 2018 nummer

2018-848 tot vaststelling van de Belastingverordening provincie Drenthe 2019

 

 

Provinciale Staten van Drenthe;

 

Gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten van 18 september 2018, kenmerk 5.3/2018002167

 

gelet op de volgende wetgeving behorende bij:

  • Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen van deze verordening: de artikelen 220, 220a en 227a van de Provinciewet;

  • Hoofdstuk 2 Grondwaterheffing van deze verordening: artikel 7.7 van de Waterwet;

  • Hoofdstuk 3 Heffing Lijst der Geldelijke Regelingen van deze verordening: de artikelen 89 tot en met 91 van de Wet inrichting landelijk gebied;

  • Hoofdstuk 4 Ontgrondingenheffing van deze verordening: artikel 21f van de Ontgrondingenwet;

  • Hoofdstuk 5 Nazorgheffing van deze verordening: de artikelen 8.49, 15.42 en 15.44 tot en met 15.49 van de Wet milieubeheer;

  • Hoofdstuk 6 Leges van deze verordening: artikel 6.2 lid 4 van de Wet natuurbescherming;

  • Hoofdstuk 7 Intrekken van de verordeningen: de artikelen 136 tot en met 139, 220 en 227a van de Provinciewet;

  • Hoofdstuk 8 Inwerkingtreding: de artikelen 136 tot en met 139, 220 en 227a van de Provinciewet;

 

 

BESLUITEN:

 

 

de Belastingverordening Drenthe 2019 vast te stellen.

 

 

Provinciale Staten voornoemd,

 

mevrouw drs. J. Klijnsma, voorzitter

mevrouw mr. drs. S. Buissink, griffier

 

 

Gedeputeerde Staten voornoemd,

namens dezen,

 

mevrouw drs. C.J.Q.C. de Keijzer,

Teamleider Bestuur en Concernzaken

 

 

Uitgegeven: 15 oktober 2018

 

 

 

HOOFDSTUK 1, ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1, Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

 

Artikel 1.2, Nadere regels

Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en invordering van de belastingen en rechten die op grond van deze verordening worden geheven.

 

Artikel 1.3, Kwijtschelding

Bij de invordering van deze belastingen en rechten wordt geen kwijtschelding verleend.

 

HOOFDSTUK 2, GRONDWATERHEFFING

 

Artikel 2.1, Aard van de heffing

Onder de naam 'grondwaterheffing' wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 7.7 van de Waterwet, overeenkomstig de navolgende bepalingen.

 

Artikel 2.2, Begripsomschrijving

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    de wet: de Waterwet

  • b.

    inrichting: een inrichting of werk, bestemd tot het onttrekken van grondwater.

 

Artikel 2.3, Belastingplicht

Belastingplichtig is de houder van een inrichting die meldingplichtig dan wel vergunningplichtig is.

 

Artikel 2.4, Aanmeldingsplicht

De belastingplichtige, bedoeld in artikel 2.3, is gehouden, voordat hij voor de eerste maal na het in werking treden van deze verordening gebruikmaakt van een inrichting als bedoeld in artikel 2.2, dit te melden aan de door het college van Gedeputeerde Staten aangewezen provincieambtenaar, bedoeld in artikel 227a, tweede lid, onderdeel b, van de Provinciewet.

 

Artikel 2.5, Wijze van heffing

De belastingen en rechten worden geheven bij wege van voldoening op aangifte.

 

Artikel 2.6, Maatstaf van heffing

  • 1.

    De heffing wordt geheven naar de onttrokken hoeveelheid grondwater gemeten in kubieke meters conform de hiervoor verleende vergunning.

  • 2.

    Indien op grond van de vergunningvoorschriften water wordt geïnfiltreerd, wordt op aanvraag van belastingplichtige het aantal kubieke meters geïnfiltreerd water in mindering gebracht op de voor de heffing te hanteren onttrokken hoeveelheid grondwater als bedoeld in het eerste lid, voor:

    • 90% bij een temperatuurstijging van 0 °C tot 3 °C: van het geïnfiltreerde water ten opzichte van de onttrokken hoeveelheid grondwater;

    • 75% bij een temperatuurstijging van 3 °C tot 6 °C: van het geïnfiltreerde water ten opzichte van de onttrokken hoeveelheid grondwater;

    • 50% bij een temperatuurstijging van 6 °C tot 10 °C: van het geïnfiltreerde water ten opzichte van de onttrokken hoeveelheid grondwater;

    • 25% bij een temperatuurstijging van 10 °C tot 17 °C: van het geïnfiltreerde water ten opzichte van de onttrokken hoeveelheid grondwater.

 

Artikel 2.7, Tarief

Het tarief bedraagt € 1,115 per 100 m3 onttrokken hoeveelheid grondwater, zoals vastgesteld op grond van artikel 2.6.

 

Artikel 2.8, Ontstaan van de belastingschuld

De heffing wordt verschuldigd op het moment waarop het grondwater wordt onttrokken.

 

Artikel 2.9, Belastingtijdvak

Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderkwartaal.

 

Artikel 2.10, Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet de verschuldigd geworden belasting overeenkomstig de aangifte worden voldaan binnen drie weken na het einde van het desbetreffende tijdvak zoals bepaald in artikel 2.9.

  • 2.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijn.

 

HOOFDSTUK 3, HEFFING LIJST DER GELDELIJKE REGELINGEN

Artikel 3.1, Aard van de heffing

Onder de naam 'heffing Lijst der Geldelijke Regelingen' wordt een directe provinciale belasting geheven als bedoeld in de artikelen 89 tot en met 91 van de Wet inrichting landelijk gebied, ter afrekening van de omgeslagen kosten van landinrichting uit hoofde van de Wet inrichting landelijk gebied.

 

Artikel 3.2, Begripsomschrijving

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    blok: het geheel van in een herverkaveling begrepen onroerende zaken;

  • b.

    eigenaar: degene die eigenaar is van een tot het blok behorende onroerende zaak en degene aan wie een recht van opstal, erfpacht, beklemming, vruchtgebruik, gebruik of bewoning toebehoort, waaraan een in het blok begrepen onroerende zaak is onderworpen;

  • c.

    Lijst der Geldelijke Regelingen: lijst als bedoeld in artikel 62 van de Wet inrichting landelijk

gebied waaruit per eigenaar volgt welke kosten van de landinrichting over hem worden omgeslagen.

 

Artikel 3.3, Belastingplicht

De heffing Lijst der Geldelijke Regelingen wordt geheven van iedere eigenaar die schuldplichtig is voor de over hem omgeslagen kosten zoals bepaald in de Lijst der Geldelijke Regelingen.

 

Artikel 3.4, Wijze van heffing

De belastingen en rechten worden bij wege van aanslag geheven.

 

Artikel 3.5, Maatstaf van heffing

De hoogte van de schuldplichtigheid van de eigenaren volgt uit de Lijst der Geldelijke Regelingen, waarop door Gedeputeerde Staten een correctiefactor is toegepast als bedoeld in artikel 90, vierde lid, van de Wet inrichting landelijk gebied.

 

Artikel 3.6, Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in één termijn die vervalt vier weken na dagtekening van het aanslagbiljet.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid geldt dat, in het geval het totaalbedrag van de aanslag meer bedraagt dan € 10.000,00, de aanslag binnen twaalf weken na dagtekening van het aanslagbiljet moet worden betaald.

  • 3.

    De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste en tweede lid gestelde termijn.

 

Artikel 3.7, Minimumbedrag

Indien de over een eigenaar omgeslagen kosten lager zijn dan € 25,00, vindt daartoe geen invordering plaats.

 

Artikel 3.8, Uitbetaling

Indien uit de Lijst der Geldelijke Regelingen volgt dat een eigenaar niet schuldplichtig is, maar een vordering uit de landinrichting heeft, wordt dit bedrag, door de door Gedeputeerde Staten aangewezen provincieambtenaar bedoeld in artikel 227a, tweede lid, onderdeel b, van de Provinciewet, aan deze eigenaar uitbetaald binnen twaalf weken nadat Gedeputeerde Staten de correctiefactor als bedoeld in artikel 90, vierde lid, van de Wet inrichting landelijk gebied hebben vastgesteld.

 

HOOFDSTUK 4, ONTGRONDINGENHEFFING

Artikel 4.1, Aard van de heffing

Onder de naam 'ontgrondingenheffing' wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 21f van de Ontgrondingenwet ter bestrijding van kosten met betrekking tot schadevergoedingen ingevolge artikel 26 van die wet.

 

Artikel 4.2, Begripsomschrijving

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    de wet: de Ontgrondingenwet;

  • b.

    vergunning: vergunning als bedoeld in de wet;

  • c.

    machtiging: machtiging als bedoeld in de wet;

  • d.

    hoeveelheid stoffen: de hoeveelheid vaste stoffen in kubieke meter (m3), gemeten in profiel van ontgraving. Hieronder zijn begrepen alle stoffen die op basis van een vergunning of machtiging ontgrond kunnen worden, zowel de verhandelbare als de onverhandelbare.

 

Artikel 4.3, Belastingplicht

Aan de ontgrondingenheffing worden onderworpen de houders van vergunningen en machtigingen.

 

Artikel 4.4, Wijze van heffing

De belastingen en rechten worden bij wege van aanslag geheven.

 

Artikel 4.5, Maatstaf van heffing

De ontgrondingenheffing wordt geheven over de hoeveelheid stoffen waarvoor vergunning of machtiging dan wel een wijziging van een vergunning of machtiging is verleend.

 

Artikel 4.6 Vrijstellingen

Vrijgesteld van heffing zijn:

  • a.

    hoeveelheden van minder dan 10.000 m3 ingevolge de vergunning of machtiging, te winnen stoffen;

  • b.

    hoeveelheden ten aanzien waarvan eerder is geheven, tenzij en tot zover de heffing op grond van artikel 4.9 is teruggegeven;

  • c.

    het onder b gestelde is niet van toepassing voor zover is geheven ten behoeve van een in artikel 4.1 bedoelde bestemming en nadien wordt geheven voor een andere in dat artikel bedoelde bestemming;

 

Artikel 4.7, Tarieven

Het tarief bedraagt € 0,45 per 100 m3 hoeveelheid stoffen voor de in artikel 4.1 bedoelde bestemming.

 

Artikel 4.8, Ontstaan van de belastingschuld

De belastingschuld ontstaat op het tijdstip waarop de vergunning of machtiging is verleend.

 

Artikel 4.9, Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in één termijn die vervalt vier weken na dagtekening van het aanslagbiljet.

  • 2.

    Indien de verschuldigde heffing meer bedraagt dan € 113.000,00, staat de door Gedeputeerde Staten aangewezen provincieambtenaar bedoeld in artikel 227a, tweede lid, onderdeel c, van de Provinciewet, op verzoek van de belastingplichtige toe dat het meerdere in een of meerdere termijnen wordt betaald na het verstrijken van de termijn als bedoeld in het eerste lid. Genoemde invorderingsambtenaar stelt in dat geval het aantal termijnen en het tijdstip waarop deze moeten worden voldaan, vast.

  • 3.

    Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing wanneer binnen één jaar na het verlenen van een machtiging, voor dezelfde ontgronding, vergunning wordt verleend en de gezamenlijke heffing het bedrag genoemd in het tweede lid overschrijdt.

  • 4.

    De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

 

Artikel 4.10, Teruggaaf

  • 1.

    Indien een vergunning of machtiging wordt vernietigd of ingetrokken, dan wel wordt gewijzigd in die zin dat de toegestane te winnen hoeveelheid stoffen wordt verminderd, vindt op verzoek van belastingplichtige teruggaaf van de heffing plaats.

  • 2.

    Geen teruggaaf vindt plaats over de hoeveelheid stoffen die reeds is gewonnen.

  • 3.

    Teruggaaf blijft achterwege indien het bedrag dat moet worden teruggegeven, minder bedraagt dan het in artikel 21f, negende lid, van de Ontgrondingenwet genoemde bedrag.

 

HOOFDSTUK 5, NAZORGHEFFING

Artikel 5.1, Aard van de heffing

Onder de naam 'nazorgheffing' wordt bij wijze van een directe provinciale belasting, een heffing geheven als bedoeld in artikelen 8.49, 15.42 en 15.44 tot en met 15.49 van de Wet milieubeheer.

 

Artikel 5.2, Begripsomschrijving

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    storten van afvalstoffen: op of in de bodem brengen van afvalstoffen, al dan niet in verpakking, om deze stoffen daar te laten;

  • b.

    stortplaats: inrichting waar afvalstoffen worden gestort, dan wel het gedeelte van een inrichting, waar afvalstoffen worden gestort, indien in de inrichting niet uitsluitend afvalstoffen worden gestort;

  • c.

    gesloten stortplaats: stortplaats ten aanzien waarvan de in artikel 8.47, derde lid, van de Wet milieubeheer bedoelde verklaring is afgegeven;

  • d.

    doelvermogen: het voor de eeuwigdurende nazorg benodigde vermogen, dat op het moment van aanvang van de nazorg aanwezig moet zijn.

 

Artikel 5.3, Belastingplicht

De nazorgheffing wordt geheven van degene die een stortplaats drijft.

 

Artikel 5.4, Wijze van heffing

De belastingen en rechten worden bij wege van aanslag geheven.

 

Artikel 5.5, Maatstaf van heffing

De nazorgheffing wordt geheven per stortplaats. De hoogte van de jaarlijkse heffing is afgeleid van het berekende doelvermogen per stortplaats.

 

Artikel 5.6, Tarieven

De nazorgheffing wordt geheven naar de tarieven opgenomen in de als bijlage 1 bij deze verordening opgenomen tarieventabel.

 

Artikel 5.7, Termijnen van betaling

  • a.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in één termijn die vervalt vier weken na dagtekening van het aanslagbiljet.

  • b.

    De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in het voorgaande lid gestelde termijn.

 

HOOFDSTUK 6, LEGES

Artikel 6.1, Begripsomschrijving

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder in behandeling nemen:

  • indien met betrekking tot de gevraagde dienst advies moet worden ingewonnen van daartoe aangewezen bestuursorganen: de cluster van activiteiten die aanvangt met de schriftelijke bekendmaking dat de aanvraag is ontvangen en met het verzoek om advies is doorgezonden naar de aangewezen bestuursorganen;

  • in alle andere gevallen: de cluster van activiteiten die aanvangt met de mondelinge of schriftelijke bekendmaking dat de aanvraag is ontvangen en in behandeling zal worden genomen.

 

Artikel 6.2, Belastbaar feit

Onder de naam leges worden rechten geheven, als bedoeld in artikel 223, lid 1, sub b, van de Provinciewet, ter zake van het door of vanwege de provincie verlenen van diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel. De leges worden geheven voor het in behandeling nemen van de aanvraag, waarbij de kosten van behandeling van de aanvraag mede in aanmerking worden genomen.

 

Artikel 6.3, Belastingplicht

Belastingplichtig is de aanvrager van de dienst dan wel degene ten behoeve van wie de dienst wordt aangevraagd.

 

Artikel 6.4, Vrijstellingen

Leges worden niet geheven voor diensten of stukken aangevraagd door of ten behoeve van partijen in een bezwaar- of beroepsprocedure tot telkens:

  • één afschrift van de ter inzage liggende stukken, tenzij de stukken of afschriften daarvan reeds in het bezit van betrokken partijen zijn;

  • één exemplaar van de beslissing op het beroep.

 

Artikel 6.5, Maatstaven van heffing en tarieven

  • 1.

    De leges worden geheven naar de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

  • 2.

    Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het nemen van een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet bedraagt het tarief de som van de bedragen die op grond van deze verordening verschuldigd zouden zijn voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning, ontheffing, vrijstelling of enig ander besluit in het kader van de ontwikkeling en verwezenlijking van het project, voor zover het projectuitvoeringsbesluit strekt ter vervanging van deze besluiten, zoals bedoeld in artikel 2.10, derde lid, van de Crisis- en herstelwet.

  • 3.

    Voor de berekening van de leges wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.

 

Artikel 6.6, Wijze van heffing

In afwijking van artikel 1.3 worden de leges geheven door een mondelinge dan wel gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, nota of andere schriftuur.

 

Artikel 6.7, Termijnen van betaling

  • 1.

    De leges moeten worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 6:

    • a.

      mondeling wordt gedaan: op het moment van het doen van de kennisgeving;

    • b.

      schriftelijk wordt gedaan: op het moment van het uitreiken van de kennisgeving;

    • c.

      wordt toegezonden: binnen twee weken na de dagtekening van de kennisgeving.

  • 2.

    De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

 

Artikel 6.8, Teruggaaf

  • 1.

    Indien de aanvrager een aanvraag om vergunning, ontheffing of beoordeling binnen acht weken na het indienen daarvan, maar voordat op het verzoek is beschikt, geheel of gedeeltelijk voor bepaalde activiteiten (als bedoeld in de tarieventabel) intrekt, dan wordt voor de met toepassing van de tarieventabel berekende bedragen voor die activiteiten een teruggaaf van 50% verleend.

  • 2.

    Indien ingevolge artikel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht wordt besloten om een aanvraag om vergunning, ontheffing of beoordeling geheel of gedeeltelijk voor bepaalde activiteiten (als bedoeld in de tarieventabel) niet verder te behandelen, dan wordt voor de met de toepassing van de tarieventabel berekende bedragen voor die activiteiten een teruggaaf van 50% verleend.

  • 3.

    Indien de verlening van een vergunning of ontheffing geheel of gedeeltelijk voor bepaalde activiteiten (als bedoeld in de tarieventabel) wordt geweigerd, dan wordt voor de met de toepassing van de tarieventabel berekende bedragen voor die activiteiten een teruggaaf van 50% verleend.

  • 4.

    Indien een aanvraag op verzoek van Gedeputeerde Staten geheel of gedeeltelijk voor bepaalde activiteiten (als bedoeld in de tarieventabel) wordt ingetrokken, wordt voor de met toepassing van de tarieventabel berekende bedragen voor die activiteiten een teruggaaf van 100% verleend.

  • 5.

    De in de voorgaande leden genoemde teruggaven worden niet verleend indien:

    • a.

      de teruggaaf minder dan € 150,00 bedraagt;

    • b.

      het kosten van publicatie betreft die reeds zijn gemaakt;

    • c.

      de provincie binnen het kader van de procedure reeds kosten aan derden verschuldigd is, bijvoorbeeld voor kadastrale rechten en advieskosten.

  • 6.

    De leges, als bedoeld in artikel 2.3.1 van Bijlage I, worden gerestitueerd als de aanvraag om een tegemoetkoming in faunaschade als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, onder a en b, van de Wet natuurbescherming wordt gehonoreerd door het verlenen van een tegemoetkoming.

  • 7.

    Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere onvoorziene gevallen bepalen dat de retributie als bedoeld in artikel 2.3.1 van Bijlage I wordt gerestitueerd.

 

HOOFDSTUK 7, INTREKKEN VAN DE OUDE VERORDENINGEN EN OVERGANGSRECHT

Artikel 7.1, Intrekking

De Belastingverordening provincie Drenthe 2017, zoals vastgesteld bij besluit van Provinciale Staten van 14 december 2016, kenmerk FPO/2016005197, Provinciaal blad 2016-7016, laatstelijk gewijzigd bij besluit van Provinciale Staten van 13 december 2017, kenmerk 2017003556, Provinciaal blad 2017-6078, wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor 1 januari 2019 hebben voorgedaan.

 

HOOFDSTUK 8, INWERKINGTREDING

Artikel 8.1, Inwerkingtreding verordening

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2019.

 

BIJLAGE 1 TARIEVENTABEL

 

Nazorgheffing

Leges

 

BIJLAGE 2, TOELICHTING OP DE VERORDENING HEFFING LIJST DER GELDELIJKE REGELINGEN

 

Artikel 3.3, Belastingplicht

Met de Lijst der Geldelijke Regelingen wordt de herverkaveling in financiële zin afgewikkeld. Hierin wordt, op basis van het inrichtingsplan, de bijdrage van de gezamenlijke eigenaren (als bedoeld in artikel 17, tweede lid, sub f, van de Wet inrichting landelijk gebied) verdeeld over de individuele eigenaren. Daarnaast worden in de Lijst der Geldelijke Regelingen ook de verrekenposten over en weer tussen de verschillende bij de herverkaveling betrokken eigenaren opgenomen, zoals de verrekening van waardeveranderingen tussen ingebrachte en toegedeelde percelen, de financiële gevolgen van kortingen, onder- en overbedelingen en van de vestiging of opheffing van beperkte rechten (het recht van huur en dergelijke).

 

Artikel 3.4, Maatstaf van heffing

In artikel 90, vierde lid, van de Wet inrichting landelijk gebied is bepaald dat, nadat het besluit tot vaststelling van de Lijst der Geldelijke Regelingen is genomen en de beroepstermijn is verstreken, dan wel, indien beroep is ingesteld, door de Rechtbank op het beroep is beslist, de kosten die over de eigenaren worden omgeslagen gecorrigeerd worden met een door Gedeputeerde Staten vastgestelde correctiefactor. Deze correctiefactor is het quotiënt van de definitieve kosten en de kosten zoals deze in de Lijst der Geldelijke Regelingen zijn opgenomen. De hoogte van de schuldplichtigheid wordt dus bepaald nadat de correctiefactor op de over de eigenaren omgeslagen kosten is toegepast. Tegen het besluit tot vaststelling van de correctiefactor staat bezwaar en beroep open.

 

Artikel 3.5, Termijnen van betaling

Het is mogelijk dat uit een Lijst der Geldelijke Regelingen een aanzienlijke schuldplichtigheid voor bepaalde eigenaren volgt (bijvoorbeeld vanwege overbedeling van landbouwgrond). Deze eigenaren zullen zo nodig aanvullende financiering moeten regelen om de aanslag te kunnen betalen. De standaardbetalingstermijn van vier weken zal hiervoor in de regel onvoldoende zijn. Om die reden geldt voor een schuldplichtigheid van meer dan € 10.000,-- een afwijkende betalingstermijn van twaalf weken. Voor aanslagen tot en met € 10.000,-- geldt de standaardbetalingstermijn van vier weken.

 

Artikel 3.6, Minimumbedrag

In artikel 91, derde lid, van de Wet inrichting landelijk gebied is geregeld dat wanneer de omgeslagen kosten lager zijn dan een bij een provinciale verordening bepaald bedrag, deze kosten niet worden geheven. De gedachte achter deze bepaling is dat inning van kosten beneden dit minimumbedrag hogere kosten met zich mee zou brengen dan de opbrengst van de inning zou opleveren. In dit artikel wordt dit minimumbedrag bepaald.

 

Artikel 3.7, Uitbetaling

Het is mogelijk dat, bijvoorbeeld als gevolg van een onderbedeling bij de herverkaveling, uit de Lijst der Geldelijke Regelingen volgt dat een eigenaar recht heeft op een som geld. In dit artikel worden regels gegeven met betrekking tot de uitbetaling van dergelijke bedragen.

 

BIJLAGE 3, TOELICHTING OP DE ONTGRONDINGENHEFFING

 

Artikel 4.3, Belastingplicht

De provincie is niet meer bevoegd categorieën houders van vergunningen en machtigingen aan te wijzen die onderworpen zijn aan de heffing. De heffingsplicht rust nu op alle houders van vergunningen en machtigingen, behalve als het vergunningen en machtigingen betreft die gelden voor minder dan 10.000 m³ vaste stoffen (artikel 4.5). De heffing die bij een machtiging in rekening is gebracht wordt verrekend met de heffing die verschuldigd is op grond van een daarna voor dezelfde ontgronding verleende vergunning (artikel 4.5).

 

Artikel 4.4, Maatstaf van heffing

De heffing heeft betrekking op de hoeveelheden bodemmateriaal gemeten in profiel van ontgraving, dus de zogenaamde vaste kubieke meters. Het gaat daarbij om de bruto hoeveelheden, los van de vraag of het al dan niet verhandelbare specie betreft. De provincie heft in beginsel slechts één keer over dezelfde hoeveelheid stoffen, tenzij de provincie de heffing in verband met vernietiging of intrekking van de vergunning of machtiging heeft teruggegeven, maar er nadien toch weer vergunning of machtiging voor de winning van dezelfde stoffen wordt verleend (artikel 4.5).

 

Artikel 4.5, Vrijstellingen

De vrijstelling voor hoeveelheden vaste stoffen waarover reeds eerder is geheven geldt niet als de eerdere heffing betrekking had op andere doeleinden dan de latere heffing. Zo zal de provincie voor stoffen waarover eerder alleen is geheven voor planning en coördinatie, wel een heffing voor compensatie en schadevergoeding opleggen als later voor dezelfde stoffen opnieuw vergunning wordt verleend.

 

Artikel 4.9, Teruggaaf

De heffing wordt op verzoek teruggegeven als de vergunning of de machtiging wordt vernietigd of ingetrokken. De provincie betaalt de heffing niet terug over reeds daadwerkelijk gewonnen hoeveelheden. Ook vindt geen teruggaaf plaats als deze minder zou bedragen dan het wettelijk vastgestelde bedrag (per 1 januari 2002) van € 250,--.

 

BIJLAGE 4, TOELICHTING OP DE NAZORGHEFFING

 

Artikel 5.1, Aard van de heffing

Uit dit artikel kunnen het karakter en het doel van de heffing worden afgeleid. De nazorgheffing is een directe provinciale belasting met een retributief karakter. De heffing is bedoeld om daarmee de kosten van nader aangeduide werkzaamheden te kunnen voldoen. Er wordt verwezen naar artikel 8.49 van de Wet milieubeheer (Wm). Het tweede lid van art. 8.49 Wm bepaalt dat onder de zorgplicht in ieder geval de volgende maatregelen vallen:

  • a.

    maatregelen strekkende tot het in stand houden en onderhouden, alsmede het herstellen, verbeteren of vervangen van voorzieningen ter bescherming van de bodem;

  • b.

    het regelmatig inspecteren van voorzieningen ter bescherming van de bodem;

  • c.

    het regelmatig onderzoeken van de bodem onder de stortplaats.

 

In de toelichting op de Wm wordt aangegeven dat dit geen limitatieve opsomming is. Hieronder vallen ook andere maatregelen, die getroffen moeten worden wanneer schade ontstaat dan wel dreigt te ontstaan als gevolg van de aanwezigheid van de stortplaats. Als mogelijke oorzaken worden genoemd het tekortschieten van voorzieningen, maar ook gebeurtenissen van buiten de stortplaats. Ook saneringsmaatregelen dienen hiertoe gerekend te worden, alsmede mogelijke claims op grond van artikel 6.176, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek, dat een risicoaansprakelijkheid legt bij de stortplaatsexploitant voor eventuele schade als gevolg van het verspreiden van verontreinigingen naar buiten de stortplaats.

 

Op grond van artikel 15.49 van de Wet milieubeheer dient na de sluiting van de stortplaats een eventuele succesvolle claim van een derde betaald te worden uit het fonds.

 

Artikel 5.2, Begripsomschrijving

Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud van een aantal in deze verordening voorkomende begrippen, is daarvan in dit artikel een omschrijving opgenomen. De tekst is onder andere gebaseerd op artikel 8.47 van de Wet milieubeheer.

 

Artikel 5.3, Belastingplicht

Dit artikel geeft een aanduiding van degenen die in beginsel in de heffing worden betrokken. De tekst is overgenomen van artikel 15.45 van de Wet milieubeheer. Onder degene die de stortplaats drijft, wordt in deze verordening verstaan de vergunninghouder van de stortplaats.

 

Artikel 5.5, Maatstaf van heffing

De maatstaf van heffing vormt de basis voor de berekening van de aanslagen. Hierin kunnen, in samenhang met het tarief, diverse beginselen tot uitdrukking worden gebracht, zoals bijvoorbeeld het beginsel 'de vervuiler betaalt', 'het draagkrachtbeginsel' en 'het profijtbeginsel'. Het toepassen van 'het draagkrachtbeginsel' is niet toegestaan in verband met het feit dat het inkomensbeleid is voorbehouden aan de rijksoverheid. Degene die de stortplaats drijft, kan de opgelegde heffing doorberekenen in de storttarieven. Dit betekent dat uiteindelijk de aanbieder van afval, ofwel de vervuiler, betaalt. In de Drentse verordening is gekozen voor een objectgebonden heffing, omdat met deze keuze elke stortplaatsexploitant zijn eigen nazorgkosten betaalt.

De hoogte van het voor de nazorg benodigde bedrag wordt bepaald door alle kosten die verband houden met de uitvoering van de nazorg, om te rekenen naar het tijdstip waarop de sluitingsverklaring, als bedoeld in artikel 8.47, derde lid, van de Wet milieubeheer door het bevoegd gezag wordt afgegeven. Bij die omrekening wordt rekening gehouden met apparaatskosten, inflatie en renteontwikkelingen.

Met betrekking tot de nazorgheffing is het nog van belang om op te merken dat in artikel 15.45, tweede lid, van de Wet milieubeheer expliciet is aangegeven dat, indien blijkt dat de opbrengst van de heffing hoger of lager is dan het bedrag dat nodig is om de kosten te bestrijden die naar verwachting met de nazorg van de stortplaats gemoeid zullen zijn, het bedrag van de heffing opnieuw kan worden vastgesteld. Redenen voor bijstelling van het doelvermogen c.q. het tarief kunnen zijn: gewijzigde inzichten in technische mogelijkheden voor wat betreft de nazorg, gewijzigde inzichten ten aanzien van de exploitatieduur van de stortplaats of fundamentele of structurele afwijkingen in de financiële parameters (inflatie- en rendementspercentages) ten opzichte van die waarmee gerekend is.

 

Artikel 5.6, Tarieven

Voor wat betreft de te hanteren tarieven is, om pragmatische redenen, ervoor gekozen te werken met een separaat door provinciale staten vast te stellen tarieventabel. Aangezien de belastingplichtige uit de verordening onder meer de omvang van de verschuldigde heffing moet kunnen afleiden, maakt de tarieventabel onlosmakelijk deel uit van de verordening. In de tarieventabel worden per locatie het doelvermogen, het vermoedelijke jaar van einde exploitatie van de stortplaats, de jaarlijkse aanslag en het aanvangsjaar van nazorg vermeld.

 

Artikel 5.7, Termijnen van betaling

Ten aanzien van de betalingstermijnen van de bij wege van aanslag geheven belastingen heeft de provincie een ruime bevoegdheid. Met het oog op de groep van belastingplichtigen is in deze verordening gekozen voor betaling in één termijn.

 

 

TOELICHTING BIJ DE TARIEVENTABEL

 

  • 1.

    In de eerste kolom wordt aangegeven de stortplaatslocatie waarvoor de heffing wordt opgelegd.

  • 2.

    In de tweede kolom wordt aangegeven het vermoedelijke jaar van einde exploitatie stortplaats.

  • 3.

    In de derde kolom staat het vermoedelijke jaar van aanvang van de nazorg voor de provincie. Op grond van de eindinspectie zal de stortplaats door Gedeputeerde Staten gesloten worden verklaard. Met het afgeven van de sluitingsverklaring neemt de provincie de stortplaats in nazorg over van de exploitant.

  • 4.

    De vierde kolom geeft het doelvermogen weer dat aanwezig moet zijn bij het begin van de nazorgperiode opdat de provincie aan haar verplichtingen voor de eeuwigdurende nazorg kan voldoen.

  • 5.

    In de vijfde kolom wordt de hoogte van de jaarlijkse aanslag aangegeven. De jaarlijkse aanslag wordt geheven tot en met het in kolom drie van deze Tarieventabel genoemde vermoedelijke jaar van aanvang nazorg, het moment van afgifte van een verklaring zoals bedoeld in artikel 8.47 Wm.