Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2018
Nr. 7563

Gepubliceerd op 12 oktober 2018 09:00
Toon volledige inhoudsopgave

Gerelateerde informatie


Geconsolideerde regelgeving





Beleidslijn Bibob Provincie Limburg 2018

Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg;

 

Overwegende, dat de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) hen beleidsruimte verschaft bij de besluitvorming omtrent het toepassen van hun uit deze wet voortvloeiende bevoegdheden;

 

Gelet op het bepaalde in de Wet Bibob, artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 2.1 en 2.17 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de ASV 2017;

Besluiten vast te stellen de

 

Beleidslijn Bibob Provincie Limburg 2018.

 

Paragraaf 1: Algemeen

Artikel 1.1: Begripsomschrijvingen

  • 1.

    De definities in artikel 1.1 van de Wet Bibob zijn van overeenkomstige toepassing op deze beleidslijn, tenzij daarover in lid 2 anders is bepaald;

  • 2.

    In deze beleidslijn wordt verstaan onder:

    • a.

      rechtspersoon met een overheidstaak: de provincie Limburg;

    • b.

      bestuursorgaan: gedeputeerde staten van de provincie Limburg;

    • c.

      beschikking: een beschikking inzake een subsidie, alsmede een beschikking inzake een vergunning, toekenning, erkenning of ontheffing, waarop de wet kan worden toegepast;

    • d.

      overheidsopdracht: een opdracht als beschreven in artikel 1 van de wet en waarop de wet kan worden toegepast;

    • e.

      wet: de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob);

    • f.

      vastgoedtransactie: een overeenkomst of een andere rechtshandeling met betrekking tot een onroerende zaak met als doel:

      • a.

        het verwerven of vervreemden van een recht op eigendom of het vestigen, vervreemden of wijzigen van een zakelijk recht;

      • b.

        huur of verhuur;

      • c.

        het verlenen van een gebruiksrecht;

      • d.

        de deelname aan een rechtspersoon, een commanditaire vennootschap of een vennootschap onder firma die het recht op eigendom of een zakelijk recht met betrekking tot die onroerende zaak heeft of die onroerende zaak huurt of verhuurt;

    • g.

      betrokkene: de aanvrager van een beschikking, de houder van een vergunning, de subsidieontvanger, de natuurlijke persoon of rechtspersoon met wie een vastgoedtransactie is aangegaan of zal worden aangegaan, de gegadigde die wil deelnemen aan een aanbestedingsproces, de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een overheidsopdracht is of zal worden gegund, de onderaannemer;

    • h.

      Bureau: het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, als bedoeld in artikel 8 van de wet;

Paragraaf 2: Toepassing bij omgevingsvergunningen

Artikel 2.1: Toepassingsbereik bij nieuwe beschikkingen

  • 1.

    Het bestuursorgaan zal de wet toepassen op aanvragen om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid, aanhef en onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover dat onderdeel betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van die wet.

  • 2.

    De toepassing blijft beperkt tot de inrichtingen, die behoren tot de afvalstoffenbranche als bedoeld in categorie 28.4 en/of 28.10 van bijlage 1 onderdeel C van het Besluit omgevingsrecht én waarvoor een oprichtingsvergunning, revisievergunning of een omgevingsvergunning beperkte milieutoets wordt aangevraagd.

  • 3.

    Het bestuursorgaan zal de wet tevens toepassen bij een aanvraag, die wel betrekking heeft op aanvragen om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid maar dan op een andere branche dan de afvalstoffenbranche als bedoeld in het tweede lid, indien:

    • a.

      uit eigen informatie;

    • b.

      uit informatie van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC;

    • c.

      vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 11 juncto 26 van de wet, er duidelijke aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen, dat sprake is van een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.

Artikel 2.2: Toepassingsbereik bij reeds verleende beschikkingen

  • 1.

    Het bestuursorgaan zal de wet toepassen bij een reeds verleende omgevingsvergunning, vallend onder het in artikel 2.1 vastgestelde toepassingsbereik, indien:

    • a.

      uit eigen informatie dan wel uit informatie van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC, er aanwijzingen zijn dat er (mogelijk) sprake is van een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet;

    • b.

      informatie als bedoeld in artikel 11 juncto 26 van de wet, verkregen vanuit het OM, direct of als reactie op een door haar ontvangen signaal van het Bureau, er op duidt dat er (mogelijk) sprake is van een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet;

    • c.

      bekend wordt, dat tegen betrokkene door een ander bestuursorgaan bij een Bibob-toets een ernstige mate van gevaar is geconstateerd als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet en aan betrokkene alhier een soortgelijke beschikking is verstrekt.

  • 2.

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien:

    • a.

      De inrichting gedreven wordt door een andere natuurlijke persoon dan degene aan wie de vergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend;

    • b.

      de rechtspersoon waaraan de vergunning is verleend geheel of ten dele in handen komt van andere eigenaren.

Artikel 2.3: Uitzonderingen op het toepassingsbereik

  • 1.

    De wet zal niet worden toegepast, ingeval de aanvraag betrekking heeft op een inrichting, die gedreven wordt door een overheidsdienst.

  • 2.

    De toepassing, als bedoeld in artikel 2.1, kan worden beperkt tot de inrichtingen waar op de afgelopen 5 jaar, te rekenen vanaf de datum van binnenkomst van de aanvraag, de wet niet is toegepast.

 

Paragraaf 3: Toepassing bij subsidies

Artikel 3.1

Het bestuursorgaan kan de wet toepassen bij een aanvraag voor een subsidie dan wel de intrekking van een reeds verleende subsidie als een provinciale subsidieregeling dit bepaalt of indien:

  • a.

    uit eigen (ambtelijke) informatie;

  • b.

    uit informatie van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC;

  • c.

    vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 11 juncto 26 van de wet, er aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen, dat in het kader van een aangevraagde of reeds verleende subsidie, sprake kan zijn van een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.

Artikel 3.2

Het bestuursorgaan zal de wet toepassen met betrekking tot een aanvraag voor subsidie als bedoeld in een provinciale subsidieregeling indien de subsidieaanvraag binnen een categorie valt die door het bestuursorgaan, bijvoorbeeld vanwege de hoogte of de aard van de aangevraagde subsidie, uitdrukkelijk is benoemd als risico-categorie.

 

Paragraaf 4: Toepassing bij vastgoedtransacties

Artikel 4.1
  • 1.

    De rechtspersoon met een overheidstaak kan de wet toepassen bij vastgoedtransacties zoals bedoeld in artikel 1 onder f, waarbij de provincie partij is.

  • 2.

    Toepassing van de wet wordt in beginsel beperkt tot de gevallen, die een of meerdere van onderstaande kenmerken hebben:

    • a.

      een hoge mate van financiële complexiteit;

    • b.

      behorend tot een als zodanig door de rechtspersoon met overheidstaak benoemde risicobranche;

    • c.

      behorend tot een als zodanig door de rechtspersoon met overheidstaak benoemd risicogebied;

    • d.

      een hoge mate van complexiteit met betrekking tot de bedrijfsstructuur;

    • e.

      een exceptioneel financieel risico voor de rechtspersoon met overheidstaak.

  • 3.

    De rechtspersoon met een overheidstaak kan de wet daarnaast toepassen indien uit:

    • a.

      eigen ambtelijke informatie en/of

    • b.

      informatie verkregen van het Bureau en/of

    • c.

      informatie verkregen vanuit het OM conform artikel 26 van de wet (OM-tip) en/of

    • d.

      informatie verkregen van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC blijkt dat er aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen, dat er in het kader van een vastgoedtransactie sprake kan zijn van een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet.

Artikel 4.2
  • 1.

    In de overeenkomst kan een integriteitsclausule worden opgenomen, op basis waarvan kan worden overgegaan tot ontbinding, opzegging, vernietiging of opschorting van de overeenkomst.

  • 2.

    Indien de Bibob-procedure niet is afgerond voor het sluiten van de overeenkomst, wordt hieromtrent een ontbindende voorwaarde opgenomen.

 

Paragraaf 5: Toepassing bij overheidsopdrachten

Artikel 5.1

De rechtspersoon met een overheidstaak zal de wet, ten aanzien van een gegadigde of onderaannemer in de zin van de wet, in beginsel alleen toepassen bij overheidsopdrachten, die vallen binnen de sectoren milieu, informatie-communicatie-technologie (ICT) of bouw en die, conform de geldende Beleidsregels aanbestedingen Provincie Limburg, openbaar moeten worden aanbesteed.

 

De rechtspersoon met een overheidstaak kan daarnaast besluiten tot toepassing van de wet indien er op basis van:

  • 1.

    eigen ambtelijke informatie en/of

  • 2.

    informatie verkregen van het Bureau en/of

  • 3.

    informatie verkregen vanuit het Openbaar Ministerie conform artikel 26 van de wet (OM-tip) en/of

  • 4.

    informatie verkregen vanuit een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC duidelijke aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen, dat er sprake is van een ernstig risico als bedoeld in artikel 3 van de wet.

Paragraaf 6: Uitvoering

Artikel 6.1: Eigen onderzoek

In de in deze beleidslijn bepaalde gevallen, zal betrokkene, naast de eventuele gebruikelijke aanvraagformulieren, de Bibob-vragenformulieren dienen in te vullen en in te leveren bij Gedeputeerde Staten. Daarbij dienen ook de documenten te worden gevoegd, die in deze vragenformulieren zijn vermeld en/of bij de uitreiking van de formulieren door of namens het bestuursorgaan zijn genoemd. De Bibob-vragenformulieren bevatten in elk geval de in artikel 30, tweede lid van de wet genoemde vragen en daarnaast aanvullende vragen, die het bestuursorgaan zo goed mogelijk in staat stellen om het eigen onderzoek te kunnen verrichten.

 

In geval de aanvraag betrekking heeft op een nieuwe beschikking, maken de Bibob-vragenformulieren onderdeel uit van de aanvraag hiervoor.

 

Alvorens het eigen onderzoek naar het zich voordoen van weigeringsgronden als bedoeld in artikel 3 van de wet wordt gestart, zal een aanvraag eerst beoordeeld worden conform de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht en de reguliere weigeringsgronden vanuit de onderliggende regelgeving van de desbetreffende vergunning.

 

Het daarop aansluitende onderzoek naar het zich voordoen van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 3 van de wet bestaat uit een tweetal stappen:

 

Stap 1 (Eigen onderzoek)

Het onderzoek behelst in ieder geval de controle en analyse van:

  • de door de aanvrager / houder van de vergunning aangereikte informatie / documenten bij de Bibob-vragenformulier(en) (inclusief bijlagen) en de door hem / haar daarbij aangeleverde documenten;

  • eventuele extra, op verzoek van het bevoegd gezag, door aanvrager / houder overgelegde documenten of informatie;

  • open bronnen onderzoek (zoals Kamer van Koophandel, Kadaster etc).

De Bibob-gronden vormen een aanvulling op de reeds bestaande mogelijkheden om een vergunning te weigeren of in te trekken. Gedeputeerde Staten zullen echter altijd eerst de bestaande weigerings- en intrekkingsgronden onderzoeken en, zo mogelijk, toepassen.

 

Bij de uitvoering van het eigen onderzoek kan de informatiepositie van het bestuursorganen versterkt worden vanuit het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum (RIEC). Ook kan de provincie desgewenst gebruik maken van de expertise van het RIEC.

 

Als het bestuursorgaan op basis van het eigen onderzoek in het kader van de wet genoeg aanwijzingen heeft om in redelijkheid te kunnen aantonen dat er sprake is van een 'ernstig gevaar' als bedoeld in de wet, kan het de vergunning weigeren of intrekken.

Stap 2 (Advies Bureau)

Aanvullend op de controle en analyse van de (extra) verstrekte informatie als hiervoor genoemd, kan een advies bij het Bureau worden gevraagd indien:

  • a.

    na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over omstandigheden in de persoon van de aanvrager en/of daarmee in verband te brengen betrokkenen, de financier van de betreffende activiteiten en/of onderneming of de eigenaar van het pand waarin de onderneming is gevestigd,

  • b.

    na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over de bedrijfsstructuur van aan de uitvoering van de beschikking te verbinden onderneming(en),

  • c.

    na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over de financiering van de aan de betreffende beschikking te verbinden activiteiten,

  • d.

    de officier van justitie de provincie de tip geeft om in een bepaalde zaak een Bibobadvies aan te vragen.

Een toetsing aan de Wet Bibob met behulp van een advies van het Bureau geldt in beginsel als een uiterst middel om de integriteit van een betrokken (rechts)persoon te controleren. Bij deze zware inbreuk op de privacy moet het bevoegd gezag de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit in acht nemen.

 

Deze eisen brengen mee dat het bevoegd gezag eerst, zoals hierboven is uitgewerkt, gebruik moet maken van de eigen instrumenten. Voorts moet het vragen van een advies evenredig zijn gelet op de mate van gevaar en de ernst van de strafbare feiten.

 

De adviesaanvraag bij het Bureau is geen beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hiertegen staat derhalve geen bezwaar of beroep open. Wel is de aanvrager van een vergunning te allen tijde toegestaan de aanvraag in te trekken.

Artikel 6.2: Informatieplicht

  • 1.

    Het bestuursorgaan informeert betrokkene schriftelijk over een adviesaanvraag aan het Bureau. Een afschrift van deze brief wordt gevoegd bij het adviesverzoek aan het Bureau.

  • 2.

    In geval een van het Bureau ontvangen adviesverzoek leidt tot het voornemen om een gevraagde beschikking te weigeren dan wel een eerder verleende beschikking in te trekken, wordt aan betrokkene een kopie van het adviesrapport ter hand gesteld. Betrokkene wordt daarbij door het bestuursorgaan gewezen op zijn geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 28 van de wet.

Artikel 6.3: Weigering overleggen aanvraagformulieren en / of documenten

Bij een weigering om de Bibob-vragenformulieren volledig ingevuld te retourneren en/of volgens het bestuursorgaan noodzakelijke documenten over te leggen, zullen allereerst de daartoe gestelde regels van de Awb toegepast worden. Bij volharding zal de weigering worden beschouwd als een ernstige mate van gevaar als genoemd in artikel 4 jo artikel 3 van de wet.

Artikel 6.4: Adviestermijn

  • 1.

    Indien het bestuursorgaan een advies aanvraagt bij het Bureau, wordt op grond van artikel 31 van de wet, de wettelijke termijn waarbinnen de beschikking dient te worden gegeven opgeschort voor de duur van de periode die begint met de dag waarop het advies door het Bureau in behandeling wordt genomen en eindigt met de dag waarop het advies is ontvangen. Dit met dien verstande dat deze opschorting niet langer duurt dan de termijn, zoals genoemd in artikel 15 van de wet.

  • 2.

    Indien het Bureau het advies niet binnen de in artikel 15, eerste lid, van de wet gestelde termijn kan geven, heeft het op grond van artikel 15, derde lid, van de wet, de mogelijkheid om de termijn te verlengen. Deze verlenging bedraagt niet meer dan de in artikel 15, derde lid, van de wet genoemde termijn.

  • 3.

    Het Bestuursorgaan informeert betrokkene onverwijld over een verlenging als bedoeld in het vorige lid.

  • 4.

    De verlenging van de adviestermijn van het Bureau, alsmede de eventuele tijdelijke opschorting van de adviestermijn van het Bureau in gevallen als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de wet, leiden tot een verdere opschorting van de wettelijke termijn waarbinnen de beschikking dient te worden gegeven.

 

Paragraaf 7: Invoering

Artikel 7.1: Invoeringsdatum

Deze beleidslijn is vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 17 juli 2018 en treedt in werking na plaatsing in het Provincieblad.

 


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl