Openstellingsbesluit 2018 paragraaf 7 ‘Samenwerking voor innovaties’ Subsidieverordening Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 Provincie Limburg (POP3)

Gedeputeerde Staten van Limburg stellen ter voldoening aan het bepaalde in artikel 4:27 juncto 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 1.3 van de Subsidieverordening Plattelandsontwikkelings-programma 2014-2020 Provincie Limburg (POP3), op 3 april 2018 het volgende besluit vast:

 

Openstellingsbesluit 2018 paragraaf 7 ‘Samenwerking voor innovaties’ subsidieverordening Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 Provincie Limburg (POP3).

 

Gelet op artikel 1.3 van de Subsidieverordening Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 Provincie Limburg (POP3), hierna te noemen “Verordening”, besluiten Gedeputeerde Staten Paragraaf 7 “Samenwerking voor innovaties” van Hoofdstuk 2 (hierna te noemen “Paragraaf 7”) van deze Verordening onder volgende nadere regels open te stellen.

Artikel 1 Openstellingsperiode

Paragraaf 7 wordt opengesteld voor het indienen van subsidieaanvragen voor de periode vanaf 14 mei 2018 (9:00 uur) tot en met 22 juni 2018 (17:00 uur). Een subsidieaanvraag dient uiterlijk 22 juni 2018 te zijn ontvangen door Gedeputeerde Staten. De subsidieaanvraag wordt afgewezen indien deze buiten de openstellingsperiode wordt ingediend.

Artikel 2 Subsidieplafond

Het subsidieplafond is voor 2018 voor Paragraaf 7 vastgesteld op € 1.000.000,00 bestaande uit 50% ELFPO en 50% Provinciale middelen.

Artikel 3 Subsidiabele activiteiten

Conform artikel 2.7.1. van de Verordening zijn volgende activiteiten subsidiabel:

  • 3.1

    Subsidie kan worden verstrekt voor:

    • a.

      de oprichting van een projectmatig samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, van de Verordening, en het gezamenlijk formuleren van een projectplan gericht op een innovatie

      en/of

    • b.

      de uitvoering van een innovatieproject.

       

  • 3.2

    Activiteiten dienen gericht te zijn op het praktijkrijp maken van kennis en innovatie alsmede op één of meerdere van de volgende thema’s:

    • a.

      verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaarde strategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie;

    • b.

      beter beheer van productierisico’s, versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen of het verminderen van marktfalen;

    • c.

      maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik of een meer gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en/of minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen;

    • d.

      klimaatmitigatie;

    • e.

      klimaatadaptatie;

    • f.

      verbetering van dierenwelzijn of diergezondheid en/of verminderd risico voor de volksgezondheid bij de interactie tussen mens en dier;

    • g.

      behoud en versterking van de biodiversiteit en/of de omgevingskwaliteit.

Deze thema’s zijn sterk gerelateerd aan de speerpunten van de vier investeringslijnen van het “Investeringsprogramma Limburgse Land- en Tuinbouw Loont 2 (LLTL2) en de Notitie “Limburg agro voor de wereld van morgen (vier accenten voor een duurzame agenda)”. Ook het Aanvalsplan Asbest en Energie biedt net als het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL-2014) aanknopingspunten. Een aanvraag zal duidelijk moeten beschrijven en beargumenteren hoe bij te dragen aan provinciaal beleid. Betreffende beleidsdocumenten zijn beschikbaar op www.limburg.nl.

 

Indien de aanvraag géén betrekking heeft op één of meerdere van bovenvermelde thema’s zal de aanvraag worden afgewezen.

 

  • 3.3.

    In aanvulling op artikel 1.3, vierde lid, onderdeel l van de Verordening, bedraagt de looptijd van het project maximaal 2 jaar na verzenddatum van de subsidiebeschikking.

Artikel 4 Samenwerkingsverband

In aanvulling op artikel 2.7.1, derde lid, onder b, en artikel 2.7.2 van de Verordening bevat het samenwerkingsverband tenminste drie landbouwers en/of organisaties die hun vertegenwoordigen.

Artikel 5 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan de deelnemers van een samenwerkingsverband of de initiatiefnemer van een samenwerkingsverband in wording. Deelnemers dienen voor de aanvraag een penvoerder te benoemen.

Artikel 6 Aanvraag

  • 6.1

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 en conform artikel 2.7.4 van de Verordening bevat de aanvraag:

    • a.

      een beschrijving van het uit te voeren innovatieve project, inclusief een beschrijving van het te ontwikkelen, te testen of aan te passen product, proces of procedé;

    • b.

      een beschrijving van de verwachte resultaten en – indien relevant - van de bijdrage aan de doelstelling om de productiviteit en het duurzame beheer van hulpbronnen te verbeteren;

    • c.

      een uitwerking van de beoogde activiteiten voor kennisverspreiding van de resultaten met gebruik van de hiertoe geëigende netwerken;

    • d.

      een beschrijving van de interne procedures van het samenwerkingsverband waarmee transparante werking en besluitvorming gegarandeerd wordt en waarmee belangenconflicten worden voorkomen.

  • 6.2

    Conform artikel 1.3, vierde lid, onderdeel h, van de Verordening zal voor het projectplan zoals vermeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel f, van de Verordening het op de website www.limburg.nl/loket/subsidies/actuele subsidies/subsidieregelingen/natuur/subsidieverordening plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 (pop3) Limburg beschikbaar gestelde format gehanteerd dienen te worden.

     

  • 6.3

    In aanvulling op artikel 6.2 dienen bij de aanvraag additioneel diverse van toepassing zijnde bijlagen bijgevoegd te worden (nadere uitleg in de toelichting).

Artikel 7 Subsidiabele kosten

Conform Artikel 2.7.6 van de Verordening zijn de volgende kosten subsidiabel:

  • 7.1

    Voor de oprichting van een projectmatig samenwerkingsverband en het gezamenlijk formuleren van een projectplan, wordt subsidie verstrekt voor de volgende kosten:

    • a.

      kosten voor het werven van deelnemers;

    • b.

      kosten voor het netwerken om het project goed te definiëren;

    • c.

      kosten voor het opstellen van een projectplan en de samenwerkingsovereenkomst

    • d.

      kosten voor projectmanagement en projectadministratie.

  • 7.2

    Voor de uitvoering van een innovatieproject, wordt subsidie verstrekt voor de volgende kosten:

    • a.

      coördinatiekosten van het samenwerkingsverband;

    • b.

      kosten voor het verspreiden van resultaten van het project;

    • c.

      operationele kosten direct verbonden aan de uitvoering van het innovatieproject;

    • d.

      kosten voor projectmanagement en projectadministratie.

  • 7.3

    Indien voor de uitvoering van een innovatieproject een fysieke investering wordt gedaan, wordt subsidie verstrekt voor:

    • a.

      kosten voor bouw of verbetering van onroerende zaken;

    • b.

      kosten voor verwerving of leasing van onroerende zaken;

    • c.

      kosten voor aankoop van grond;

    • d.

      kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;

    • e.

      algemene kosten als bedoeld in artikel 1.12a.

  • 7.4.

    In aanvulling op artikel 7.3 en voor zover verband houdend met een fysieke investering in het kader van het project zijn ook de volgende kosten subsidiabel:

    • a.

      kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;

    • b.

      kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken;

    • c.

      kosten van de koop van tweedehands machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa.

    • d.

      voorbereidingskosten als bedoeld in artikel 1.12, derde en vierde lid van de Verordening

Artikel 8 Hoogte subsidie

  • 8.1.

    Indien de activiteit betrekking heeft op de voortbrenging van landbouwproducten of handel in landbouwproducten bedraagt de hoogte van subsidie:

    • a.

      voor kosten als bedoeld in artikel 2.7.6, eerste lid, van de Verordening: 100% van de subsidiabele kosten;

    • b.

      voor kosten als bedoeld in artikel 2.7.6, tweede lid, van de Verordening: 70% van de kosten;

    • c.

      voor kosten als bedoeld in artikel 2.7.6, derde en vierde lid van de Verordening:

      • i.

        40% van de subsidiabele kosten voor productieve investeringen;

      • ii.

        100% van de subsidiabele kosten voor niet-productieve investeringen.

  • 8.2

    Indien de activiteit geen betrekking heeft op de handel in en de voortbrenging van landbouw producten bedraagt de hoogte van subsidie:

    • a.

      25% van de subsidiabele kosten indien de subsidieontvanger een grote onderneming is;

    • b.

      35% van de subsidiabele kosten indien de subsidieontvanger een middel grote onderneming is;

    • c.

      45% van de subsidiabele kosten indien de subsidieontvanger een kleine onderneming is.

  • 8.3

    De percentages genoemd in het tweede lid, aanhef en onder a tot en met c kunnen worden verhoogd met 15% indien:

    • a.

      het samenwerkingsverband bestaat uit tenminste één kleine- of middelgrote onderneming als omschreven in bijlage 1 bij Vo (EU) 651/2014 en geen van de partijen meer dan 70% van de kosten draagt, of

    • b.

      een onderzoeks- of onderwijsinstelling aan het samenwerkingsverband deelneemt en deze instelling minimaal 10% van de kosten draagt.

  • 8.4

    Conform artikel 1.3, vierde lid, onderdeel g, van de Verordening bedraagt het te verstrekken subsidiebedrag per aanvraag maximaal € 120.000,00 en minimaal € 50.000,00. De subsidieaanvraag wordt afgewezen indien het te verstrekken subsidiebedrag minder dan € 50.000,00 bedraagt.

Artikel 9 Rangschikking

  • 9.1

    Gedeputeerde Staten verdelen conform artikel 1.15 en 1.15a van de Verordening het beschikbare subsidieplafond door middel van rangschikking op basis van selectiecriteria.

  • 9.2

    Voor het bepalen van de onderlinge rangschikking als bedoeld in artikel 1.15a van de Verordening vindt een afweging plaats tussen de volledig ingediende (ontvankelijk verklaarde) aanvragen op basis van de criteria zoals beschreven in artikel 2.7.9 van de Verordening en hieronder nader weergegeven.

  • De aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen worden gerangschikt op basis van de volgende selectiecriteria:

    • i.

      Effectiviteit;

    • ii.

      Haalbaarheid/Kans op succes;

    • iii.

      Innovativiteit;

    • iv.

      Efficiëntie.

    •  

    • i.

      Effectiviteit

      Effectiviteit wordt bepaald door de bijdrage die het project levert aan de genoemde thema(s)/beleidsdoelstellingen (de hoogte van het gevraagde subsidiebedrag in ogenschouw genomen). Bij de bepaling van deze bijdrage worden tevens de volgende aspecten in samenhang bezien:

      –    meerwaarde beoogde innovatie voor het beleid c.q. betreffende thema(s);

      –    bijdrage aan duurzame nieuwe samenwerkingsverbanden;

      –    geschiktheid beoogde innovatie voor brede toepasbaarheid/uitrol;

      –    kwaliteit communicatieplan.

       

      Op dit criterium kan als volgt gescoord worden:

      5 punten indien de effectiviteit zeer goed is;

      4 punten indien de effectiviteit goed is;

      3 punten indien de effectiviteit voldoende is;

      2 punten indien de effectiviteit matig is;

      1 punt indien de effectiviteit gering is;

      0 punten indien de effectiviteit zeer gering/nihil is;

       

    • ii.

      Haalbaarheid/Kans op succes

      De haalbaarheid/kans op succes wordt door verschillende aspecten beïnvloed.

      Indien de aanvraag betrekking heeft op artikel 3.1 onderdeel (a: de oprichting van een projectmatig samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, van de Verordening, en het gezamenlijk formuleren van een projectplan gericht op een innovatie) dan worden (in relatie tot de beoogde innovatie) volgende aspecten in onderlinge samenhang bezien:

      –    relevantie samenwerkende partijen (aantal, kwaliteit en diversiteit van (keten-)partners);

      –    duidelijkheid inzake taakverdeling en verantwoordelijkheid;

      –    technische en organisatorische haalbaarheid;

      –    zicht op marktmogelijkheden van de beoogde innovatie (behoefte);

       

      Indien de aanvraag betrekking heeft op artikel 3.1 onderdeel (b: de uitvoering van een innovatieproject)

      dan worden volgende aspecten in onderlinge samenhang bezien:

      –   kwaliteit procesplan voor samenwerking en/of ontwikkeling innovatie (randvoorwaarden, risicomanagement e.d.);

      –   blijk van oriëntatie op haalbaarheid en voor handen kennis;

      –   blijk van oriëntatie op businessmodel en marktpotentieel;

      –   kwaliteit versus breedte, samenstelling, kennisniveau en werkafspraken samenwerkingsverband.

       

      Op dit criterium kan als volgt gescoord worden:

      5 punten indien haalbaarheid/kans op succes zeer goed is;

      4 punten indien haalbaarheid/kans op succes goed is;

      3 punten indien haalbaarheid/kans op succes voldoende is

      2 punten indien de haalbaarheid/kans op succes matig is.

      1 punt indien de haalbaarheid/kans op succes gering is.

      0 punten indien de haalbaarheid/kans op succes zeer gering/nihil is.

       

      Indien de aanvraag betrekking heeft op zowel subsidiabele activiteit (a) alsook (b) dan worden alle hier vermelde aspecten integraal in onderlinge samenhang bekeken.

       

    • iii

      Innovativiteit

      De mate van innovativiteit kan betrekking hebben op één of meerdere thema’s (artikel 3, tweede lid), de samenwerking of beiden. In samenhang worden de volgende aspecten bezien:

      –    technisch of sociaal grensverleggend karakter van de innovatie;

      –    transitie karakter van de innovatie / bijdrage aan toekomstbestendige “duurzame landbouw”;

      –    innovatieve waarde van het samenwerkingsverband;

      –    toepassingsgebied.

       

      Op dit criterium kan als volgt gescoord worden:

      5 punten indien de mate van innovativiteit zeer goed is;

      4 punten indien de mate van innovativiteit goed is;

      3 punten indien de mate van innovativiteit voldoende is

      2 punten indien de mate van innovativiteit matig is.

      1 punt indien de mate van innovativiteit gering is.

      0 punten indien de mate van innovativiteit zeer gering/nihil is.

       

    • iv

      Efficiëntie

      Efficiëntie wordt bepaald door in onderlinge samenhang te kijken naar de volgende aspecten:

      –    redelijkheid van kosten;

      –    omvang totale subsidiabele kosten in relatie tot de innovatieopgave;

      –    potentieel toepassingsbereik van de innovatie in de landbouwsector.

      –    relevantie kosten;

      –    efficiënt gebruik kennis en arbeid.

       

      Op dit criterium kan als volgt gescoord worden:

      5 punten indien de efficiëntie zeer goed is;

      4 punten indien de efficiëntie goed is;

      3 punten indien de efficiëntie voldoende is

      2 punten indien de efficiëntie matig is.

      1 punt indien de efficiëntie gering is.

      0 punten indien de efficiëntie zeer gering/nihil is.

  • 9.3

    De selectiecriteria hebben de volgende wegingsfactoren:

    • criterium (i) Effectiviteit heeft een wegingsfactor 2 (maximaal 10 punten);

    • criterium (ii) Haalbaarheid/Kans op succes heeft een wegingsfactor 2 (maximaal 10 punten);

    • criterium (iii) Efficiëntie heeft een wegingsfactor 2 (maximaal 10 punten);

    • criterium (iv) Innovativiteit heeft een wegingsfactor 3 (maximaal 15 punten).

  • Criterium (iv) Innovativiteit heeft wegingsfactor 3. Innoveren is cruciaal voor de landbouwsectoren die voortdurend moeten blijven vernieuwen teneinde oplossingen te vinden voor een duurzame toekomst.

     

  • 9.4

    Totaal maximaal aantal te behalen punten is 45.

    Indien er met toepassing van de omschreven wegingsfactoren in totaal minder dan 27 punten worden behaald, wordt de aanvraag om subsidie afgewezen.

     

  • 9.5

    Gedeputeerde Staten stellen conform artikel 1.14 van de Verordening een Adviescommissie POP3 Limburg in voor de beoordeling en selectie van de projecten. Deze adviescommissie stelt een prioriteitenlijst op middels rangschikking door het toekennen van punten op grond van bovenstaande criteria en wegingsfactoren.

     

  • 9.6

    Indien het subsidieplafond wordt overschreden door meerdere aanvragen en de onderlinge rangschikking tussen de aanvragen gelijk is, dan zal een selectie tussen de betreffende projecten gemaakt worden door te kijken naar het selectiecriterium/de selectiecriteria waaraan de hoogste weging is toegekend. Scoren projecten dan nog altijd gelijk, dan wordt gekeken naar het selectiecriterium/de selectiecriteria waaraan de op één na hoogste weging is toegekend. Zijn er ook na toepassing van deze regels gelijkscorende projecten, dan zal overgegaan worden tot loting. De loting zal worden uitgevoerd door een beëdigd notaris.

Artikel 10 Verplichtingen aanvrager

Conform artikel 2.7.10 van de Verordening is de subsidieontvanger verplicht om de resultaten van de activiteit openbaar te maken via het EIP-netwerk als bedoeld in artikel 57, derde lid van Vo (EU) 1305/2013 en andere geëigende netwerken.

Artikel 11 Voorschotten

In aanvulling op artikel 1.23 van de Verordening kan er maximaal één keer per projectjaar een verzoek om een voorschot (op basis van realisatie) worden ingediend.

Artikel 12 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op 14 mei 2018 en heeft een looptijd tot einde POP3 periode.

 

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter,

de heer drs. Th.J.F.M. Bovens

de secretaris,

de heer drs. G.H.E. Derks

TOELICHTING

Algemeen

Voor een toekomstbestendige landbouw zijn samenwerkingsvormen nodig die het rendement en het imago van de primaire sector, maar ook de leefomgevingskwaliteit verbeteren. Het gaat om innovatie en cross-overs die leiden tot meerwaardecreatie, kosten verlaging en beter risicobeheer en tevens bijdragen aan de realisatie van maatschappelijke opgaven.

 

Voor de bevordering van de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw zijn bruggen nodig tussen kennis en technologie met betrekking tot onderzoek enerzijds en landbouwers, bedrijven (ketens), ngo's bosbeheerders, plattelandsgemeenschappen, en adviesdiensten anderzijds. Daarbij gaat het om innovatie en modernisering van de agrarische sector rond in onderstaand kader vermelde thema’s.

 

Om dit te realiseren wordt de oprichting bevorderd van projectgerichte samenwerkingsverbanden. De beoogde samenwerkingsverbanden werken op projectbasis aan een innovatieopgave die een antwoord moet geven aan een concrete vraag of kans uit de praktijk. Daarbij gaat het om de uitvoering van een gezamenlijke innovatieproject door een samenwerkingsverband.

Het betreft met name het verder ontwikkelen, valideren en verfijnen van kennis en innovaties, met als doel dat die uiteindelijk deel uit gaan maken van een groter ontwikkelingsproces dat gericht is op grootschalige toepassing ervan in de praktijk. Dit proces kan bijvoorbeeld gestart worden door kleine actieve samenwerkingsverbanden (living labs) met een schil van koplopers (early adapters).

 

Het gaat om innovaties die betrekking hebben op een of meer van onderstaande thema’s uit de Subsidieverordening Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 Provincie Limburg (POP3):

  •  a)

    verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaardestrategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen, meerwaardecreatie;

  •  b)

    beter beheer van productierisico’s, versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen, verminderen van marktfalen;

  •  c)

    geringer grondstoffengebruik en/of een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en/of grond- en oppervlaktewater (zoals broeikasgassen, ammoniak, nutriënten en bestrijdingsmiddelen) en/of minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen (zoals water, fosfaat en bodemvruchtbaarheid);

  •  d)

    klimaatmitigatie;

  •  e)

    klimaatadaptatie;

  •  f)

    verbetering van dierenwelzijn/diergezondheid en/of verminderd risico voor de volksgezondheid bij de interactie tussen mens en dier;

  •  g)

    behoud en versterking van de biodiversiteit en/of de omgevingskwaliteit.

 

 

Zolang de activiteiten nog gericht zijn op het praktijkrijp maken van de kennis en innovatie, vallen ze onder deze paragraaf. Waar wanneer het gaat om het doelgericht communiceren c.q. kennis uitwisselen over en demonstreren van reeds praktijkrijpe (beproefde) innovaties vallen ze onder paragraaf 1 “Trainingen, workshops, ondernemerscoaching en demonstraties”.

 

Samenwerking is, nog meer dan in het verleden, de katalysator om te bereiken dat de land- en tuinbouw voor Limburg een factor van belang kan blijven. Voor de toekomst van de land- en tuinbouw is de blijvende afname van het aantal primaire bedrijven, de productie- en kennisinfrastructuur en toenemende diversificatie in markten (o.a. biologisch), producten en diensten relevant. Vergrijzing, veranderde eisen en regels, milieu, duurzame toekomst en marktdynamiek leggen bovendien een extra druk op de bedrijfsvoering.

 

Het “Investeringsprogramma Limburgse Land- en Tuinbouw Loont 2 (LLTL2)” is een doorontwikkeling van beleidskader Limburgse Land-en tuinbouw Loont (LLtL1) uit 2013. Het motto van LLTL is “In 2025 is ieder Limburgs land- en tuinbouwbedrijf een lust voor haar omgeving”. Middels het programma LLTL2 worden de komende jaren vier investeringen aangescherpt in lijn met de doelen van het Coalitieakkoord “In Limburg bereiken we meer”.

 

  • 1)

    ruim baan voor voorlopers en doorontwikkelaars;

  • 2)

    meerwaarde voor de omgeving;

  • 3)

    perspectief voor ondernemers;

  • 4)

    fundament voor ontwikkeling.

De Notitie “Limburg agro voor de wereld van morgen (vier accenten voor een duurzame agenda)” vermeld welke accenten er de komende jaren worden gelegd binnen het landbouwbeleid:

 

  • 1)

    versterken van samenwerking en cross overs;

  • 2)

    sturen op een maatschappelijk en ecologisch duurzame productie;

  • 3)

    bijdragen aan de klimaat- en energietransitie;

  • 4)

    inzet op economisch duurzame en innovatieve verdienmodellen.

De speerpunten van deze vier investeringslijnen en deze vier accenten zijn gelinkt aan de relevante thema’s van POP3. Het Aanvalsplan Asbest en Energie biedt net als het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL-2014) ook aanknopingspunten voor de thema’s. Een aanvraag zal in relatie tot de selectiecriteria duidelijk moeten beschrijven en beargumenteren hoe bij te dragen aan provinciaal beleid.

Op de provinciale website www.limburg.nl zijn de betreffende beleidsdocumenten beschikbaar.

Aanvraag (artikel 6)

 

De volgende bijlagen dienen additioneel toegevoegd te worden bij de aanvraag, Voor uitleg wordt verwezen naar het Handboek subsidies POP3: zie de website www.limburg.nl/loket/subsidies/actuele subsidies/subsidieregelingen/natuur/subsidieverordening plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 (pop3) Limburg:

 

  • projectplan, zie format op website (verplicht);

  • onderbouwing/specificatie van de begroting (verplicht);

  • bewijsstukken begroting/offertes. Indien niet aanwezig aangeven waar de bedragen op gebaseerd zijn (verplicht);

  • toezegging overige financiers of aangeven dat financiering is aangevraagd en daar de stand van zaken van (indien van toepassing);

  • ten aanzien van de ‘verklaring géén financiële moeilijkheden’ (door ondertekening van het aanvraagformulier) moet de jaarrekening worden bijgevoegd (verplicht);

  • samenwerkingsovereenkomst (indien van toepassing). Zie hiervoor artikel 1.6 van de Subsidieverordening Provincie Limburg (POP3);

  • bewijsstukken machtiging (indien van toepassing);

  • vergunningen (indien van toepassing);

  • verklaring van de belastingdienst inzake niet-verrekenbare dan wel niet compensabele btw (indien van toepassing);

  • overzicht van de inkomsten en/of besparingen als gevolg van de uitvoering van uw project (indien van toepassing);

  • verkenning naar mogelijk omgevingseffecten of de aanvraag van de vergunning (indien van toepassing);

  • documenten aanbesteding (indien van toepassing).

Rangschikking (artikel 9)

De selectiecriteria zijn een belangrijk sturingsinstrument waarmee de nodige accenten kunnen worden aangebracht om in te spelen op de regionale en lokale context. De selectiecriteria zijn ingesteld om een gelijke en transparante behandeling van de aanvragen mogelijk te maken. De criteria dragen bij aan een zo goed mogelijk gebruik en doelbereik van de financiële middelen.

De aanvragen vinden plaats middels een tender met een sluitingsdatum. Alle aanvragen die tijdig binnen zijn worden eerst getoetst op ontvankelijk- en compleetheid. Vervolgens worden de aanvragen op basis van hun scores op de selectiecriteria gerangschikt door een door Gedeputeerde Staten ingestelde Adviescommissie van hoog naar laag.

 

 

Selectiecriterium

Weging

Te behalen punten

Maximaal te behalen punten

Te behalen minimumscore

i

Effectiviteit*

2

0-5

10

Minimaal 60% van het maximaal te behalen punten

ii

Haalbaarheid/Kans op succes**

2

0-5

10

iii

Efficiëntie

2

0-5

10

iv

Innovativiteit***

3

0-5

15

 

 

 

 

45

27

 

*Effectiviteit

Bij samenwerking gaat het niet alleen om het effect van de innovatie, maar ook om de meerwaarde van het samenwerkingsproces, dat leidt tot meer kennisdeling (regionaal, nationaal, internationaal) en het ontstaan van nieuwe innovatie-verbindingen (zoals cross-overs tussen meerdere sectoren) en ketens.

 

**Haalbaarheid/Kans op succes

 

  • a)

    de oprichting van een projectmatig samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.6 lid 1 van de Verordening, én het gezamenlijk formuleren van een projectplan gericht op een innovatie

Hier wordt de “kans op succes” gedefinieerd als de kans dat de partijen er in slagen een werkbare en vruchtbare samenwerking tot stand te brengen, inclusief goede afspraken over taken en verantwoordelijkheden en over lasten en lusten met betrekking tot de beoogde innovatie en er in slagen om de beoogde innovatie goed scherp te krijgen in termen van technische en organisatorische haalbaarheid en in termen van marktmogelijkheden (behoefte). Of hierover goed is nagedacht blijkt uit de kwaliteit van het projectplan en van het beoogde samenwerkingsverband zelf: het aantal deelnemers dat aan de samenwerking meewerkt, de verdeling van die deelnemers over de verschillende ketenpartijen, de ‘kwaliteit’ van de deelnemers in relatie tot de beoogde innovatie.

 

  • b)

    Ontwikkelen innovatie:

Hier wordt de “kans op succes” gedefinieerd als de kans dat de partijen er in slagen de beoogde innovatie uit te werken. Dit betekent niet dat het innovatieproject ook moet slagen. Het samenwerkingsverband bestaat (al) en heeft een haalbare innovatie geïdentificeerd. Activiteiten betreffen uitwerking naar technische specificaties, bouwen, uitwerken businessplan, proefopstelling. Ook onderdelen die betrekking hebben op kennisoverdracht en/of marktintroductie (eerste uitrol) kunnen onderdeel zijn van de aanvraag.

 

***Innovativiteit

Innovativiteit kan betrekking hebben op – één of meerdere thema(s), - de samenwerking of op beide.

 

Voor de beoordeling van de innovativiteit van het thema (beoogde innovatie) gaat het om de meerwaarde die de innovatie te weeg kan brengen. Betreft de beoogde innovatie slechts een geringe aanpassing van een bestaand product (of dienst, proces, procedé enz ), dan worden er minder punten toegekend. Betreft de beoogde innovatie een geheel of vrijwel geheel nieuw product, dan worden meer punten toegekend.

 

Bij de beoordeling van de innovativiteit van het samenwerkingsproces wordt gekeken in hoeverre de voorgestelde samenwerking NIEUWE verbanden / verbintenissen tot stand brengt. Hoe meer gangbaar de samenwerking tussen de partijen is, hoe minder punten er zullen worden toegekend.

 

Wanneer het totaal van goedgekeurde aanvragen een groter beslag legt op de beschikbare middelen (subsidieplafond) krijgen aanvragen met de meeste punten voorrang (ranking). Aanvragen die niet gehonoreerd kunnen worden vanwege gebrek aan middelen, kunnen in de opvolgende tender opnieuw worden ingediend, mits deze aan de dan geldende nadere regels voldoen.

Naar boven