Provinciaal blad van Limburg

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
LimburgProvinciaal blad 2018, 3088Overige besluiten van algemene strekking



Openstellingsbesluit 2018 paragraaf 1 “Trainingen, Workshops, Ondernemerscoaching en Demonstraties” Subsidieverordening Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 Provincie Limburg (POP3)

Gedeputeerde Staten van Limburg stellen ter voldoening aan het bepaalde in artikel 4:27 juncto 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 1.3 van de Subsidieverordening Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 Provincie Limburg (POP3), op 3 april 2018 het volgende besluit vast:

 

Openstellingsbesluit 2018 paragraaf 1 ‘Trainingen, Workshops, Ondernemerscoaching en Demonstraties’ Subsidieverordening Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 Provincie Limburg (POP3)

 

Gelet op artikel 1.3 van de Subsidieverordening Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 Provincie Limburg (POP3), hierna te noemen “Verordening”, besluiten Gedeputeerde Staten Paragraaf 1 ’Trainingen, Workshops, Ondernemerscoaching en Demonstraties’ van Hoofdstuk 2 (hierna te noemen “Paragraaf 1”) van deze Verordening onder volgende nadere regels open te stellen.

Artikel 1 Openstellingsperiode

Paragraaf 1 wordt opengesteld voor het indienen van subsidieaanvragen voor de periode vanaf 14 mei 2018 (9:00 uur) tot en met 22 juni 2018 (17:00 uur). Een subsidieaanvraag dient uiterlijk 22 juni 2018 te zijn ontvangen door Gedeputeerde Staten. De subsidieaanvraag wordt afgewezen indien deze buiten de openstellingsperiode wordt ingediend.

Artikel 2 Subsidieplafond

Het subsidieplafond wordt voor 2018 voor Paragraaf 1 vastgesteld op € 715.000,00 bestaande uit 50% ELFPO en 50% Provinciale middelen.

Artikel 3 Subsidiabele activiteiten

Conform artikel 2.1.1. van de Verordening zijn de volgende activiteiten subsidiabel:

  • 3.1

    Subsidie kan worden verstrekt voor (i) demonstraties en/of het verzorgen van (ii) trainingen, (iii) workshops en/of (iv) coaching aan een groep van landbouwondernemers.

  • 3.2

    De activiteiten hebben als doel het informeren over innovaties en modernisering, en de toepassing ervan te bevorderen rond één of meerdere van de volgende thema’s:

    • a.

      verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaarde strategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie;

    • b.

      beter beheer van productierisico’s, versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen of het verminderen van marktfalen;

    • c.

      maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik of een meer gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en/of minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen;

    • d.

      klimaatmitigatie;

    • e.

      klimaatadaptatie;

    • f.

      verbetering van dierenwelzijn of diergezondheid en/of verminderd risico voor de volksgezondheid bij de interactie tussen mens en dier;

    • g.

      behoud en versterking van de biodiversiteit en/of de omgevingskwaliteit.

  • Deze thema’s zijn sterk gerelateerd aan de speerpunten van de vier investeringslijnen van het “Investeringsprogramma Limburgse Land- en Tuinbouw Loont 2 (LLTL2)” en de Notitie “Limburg agro voor de wereld van morgen (vier accenten voor een duurzame agenda)”. Ook het Aanvalsplan Asbest en Energie biedt net als het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL-2014) aanknopingspunten. Een aanvraag zal duidelijk moeten beschrijven en beargumenteren hoe bij te dragen aan provinciaal beleid. Betreffende beleidsdocumenten zijn beschikbaar op www.limburg.nl.

    Indien de aanvraag géén betrekking heeft op één of meerdere van bovenvermelde thema’s zal de aanvraag worden afgewezen.

  • 3.3

    In aanvulling op artikel 1.3, vierde lid, onderdeel (l) van de Verordening bedraagt de looptijd van het project maximaal 2 jaar na verzenddatum van de subsidiebeschikking.

Artikel 4 Doelgroep en aantal deelnemers

Aanvullend aan artikel 2.1.1, derde lid, van de Verordening zijn de volgende zaken van toepassing:

  • 4.1

    De doelgroep bestaat uit een groep van landbouwondernemers.

  • 4.2

    Aan de subsidiabele activiteiten (i tot en met iv) óf aan een combinatie hiervan (artikel 3.1) dienen minimaal 30 unieke deelnemers (als vermeld bij artikel 4.1) deel te nemen.

Artikel 5 Aanvrager

Subsidie wordt conform artikel 2.1.2 van de Verordening verstrekt aan degene die de opleiding of andere vorm van kennisoverdracht of voorlichting levert.

Artikel 6 Aanvraag

  • 6.1

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 van de Verordening bevat de aanvraag om subsidie een omschrijving van de organisatie waaruit blijkt dat de organisatie beschikt over voldoende gekwalificeerd en getraind personeel om de activiteit uit te voeren (artikel 2.1.3, eerste lid, van de Verordening). Bij de aanvraag dienen relevante curriculum vitae als bijlagen bijgevoegd te worden.

  • 6.2

    Indien het voornemen is om voor deelname aan een kennisoverdrachtsactiviteit bij de deelnemers een bijdrage in rekening te brengen dient dit inzichtelijk gemaakt te worden bij de subsidieaanvraag (artikel 2.1.3, tweede lid, van de Verordening).

  • 6.3

    Conform artikel 1.3, vierde lid, onderdeel, h, van de Verordening zal voor het projectplan zoals vermeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel, f, van de Verordening het op de website www.limburg.nl/loket/subsidies/actuele subsidies/subsidieregelingen/natuur/subsidieverordening plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 (pop3) Limburg beschikbaar gestelde format gehanteerd dienen te worden.

  • 6.4

    In aanvulling op artikel 6.3 dienen bij de aanvraag additioneel diverse van toepassing zijnde bijlagen bijgevoegd te worden (nadere uitleg in de toelichting).

Artikel 7 Subsidiabele kosten

  • 7.1

    Conform artikel 2.1.4, eerste lid, van de Verordening wordt subsidie verstrekt voor de volgende kosten:

    • a.

      kosten voor de inzet van procesbegeleiders en adviseurs;

    • b.

      materiaalkosten;

    • c.

      kosten voor ruimten en bijbehorende faciliteiten;

    • d.

      kosten voor drukwerk, mailings en de inrichting van website(s);

    • e.

      kosten van koop of huurkoop van fysieke investeringen die noodzakelijk zijn bij demonstratieactiviteiten;

    • f.

      kosten voor projectmanagement en projectadministratie;

    • g.

      algemene kosten als bedoeld in artikel 1.12a van de Verordening.

  • 7.2

    In aanvulling hierop wordt conform artikel 2.1.4, tweede lid, van de Verordening ook subsidie verleend voor:

    • a.

      voorbereidingskosten:

      Conform artikel 1.12, derde en vierde lid, van de Verordening komen voorbereidingskosten slechts voor subsidie in aanmerking indien zij gemaakt zijn binnen één jaar voordat de aanvraag om subsidie is ingediend. Voorbereidingskosten kunnen uitsluitend bestaan uit:

      • i.

        kosten van architecten, ingenieurs en adviseurs;

      • ii.

        kosten van adviezen over duurzaamheid op milieu- en economisch gebied;

      • iii.

        kosten van haalbaarheidsstudies.

    • b.

      kosten van koop van tweedehands machines en installaties noodzakelijk voor demonstratie-activiteiten, tot maximaal de marktwaarde van de activa.

Artikel 8 Niet-subsidiabele kosten

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.13 van de Verordening en conform artikel 2.15 van de Verordening zijn de navolgende kosten niet subsidiabel:

  • a.

    kosten voor de ontwikkeling van nieuwe kennis;

  • b.

    kosten voor cursussen of stages die deel uitmaken van normale programma's of leergangen van het reguliere onderwijs;

  • c.

    inbreng van eigen uren door landbouwers als deelnemer om aan de kennisoverdrachtsactiviteit deel te nemen.

Artikel 9 Hoogte subsidie

  • 9.1

    Conform artikel 2.1.6 van de Verordening bedraagt de subsidie 80% van de subsidiabele kosten.

  • 9.2

    Het te verstrekken subsidiebedrag per aanvraag bedraagt maximaal € 120.000,00 en minimaal € 50.000,00. De subsidieaanvraag wordt afgewezen indien het te verstrekken subsidiebedrag minder dan € 50.000,00 bedraagt.

Artikel 10 Rangschikking

  • 10.1

    Gedeputeerde Staten verdelen conform artikel 1.15 en 1.15a, van de Verordening het beschikbare subsidieplafond door middel van rangschikking op basis van selectiecriteria.

  • 10.2

    Voor het bepalen van de onderlinge rangschikking als bedoeld in artikel 1.15a van de Verordening vindt een afweging plaats tussen de volledig ingediende (ontvankelijk en compleet verklaarde) aanvragen op basis van de criteria zoals beschreven in artikel 2.1.7 van de Verordening en hieronder nader weergegeven.

    De aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen worden gerangschikt op basis van de volgende selectiecriteria:

    • i.

      Effectiviteit;

    • ii.

      Haalbaarheid/Kans op succes;

    • iii.

      Efficiëntie;

    • iv.

      Innovativiteit.

    i. Effectiviteit

    Effectiviteit wordt bepaald door de bijdrage die het project levert aan de genoemde thema(s)/beleidsdoelstellingen (de hoogte van het gevraagde subsidiebedrag in ogenschouw genomen). Bij de bepaling van deze bijdrage worden tevens de volgende aspecten in samenhang bezien:

    • -

      bereik van de activiteit.

      • *

        aantal bijeenkomsten;

      • *

        aantal vervolgbijeenkomsten per individuele deelnemer;

      • *

        aantal deelnemers;

      • *

        breedte doelgroep van de specifieke actie of acties;

      • *

        aantal contacturen per deelnemer.

    • -

      wijze waarop en mate waarin (blijvende) toepassing van de aangeboden kennis wordt geborgd.

    Op dit criterium kan als volgt gescoord worden:

    5 punten indien de effectiviteit zeer goed is;

    4 punten indien de effectiviteit goed is;

    3 punten indien de effectiviteit voldoende is;

    2 punten indien de effectiviteit matig is;

    1 punt indien de effectiviteit gering is;

    0 punten indien de effectiviteit zeer gering/nihil is;

    ii. Haalbaarheid/Kans op succes

    De haalbaarheid/kans op succes wordt bij kennisoverdrachtsacties door verschillende aspecten beïnvloed. De volgende aspecten zullen in samenhang worden bezien:

    • Kwaliteit kennisaanbieder:

      • *

        aanbieder is aantoonbaar gekwalificeerd;

      • *

        kennis en ervaring aanbieder t.b.v. de specifieke kennisoverdrachtsactie.

    • Kwaliteit projectplan:

      • *

        realiteitsgehalte plan;

      • *

        betrokkenheid relevante partijen;

      • *

        realistische planning, opzet en begroting;

      • *

        identificatie en reductie risico’s.

    • Mate uitdaging deelnemers om geleerde kennis daadwerkelijk in praktijk toe te passen.

    Op dit criterium kan als volgt gescoord worden:

    5 punten indien haalbaarheid/kans op succes zeer goed is;

    4 punten indien haalbaarheid/kans op succes goed is;

    3 punten indien haalbaarheid/kans op succes voldoende is

    2 punten indien de haalbaarheid/kans op succes matig is.

    1 punt indien de haalbaarheid/kans op succes gering is.

    0 punten indien de haalbaarheid/kans op succes zeer gering/nihil is.

    iii. Efficiëntie

    Efficiëntie heeft betrekking op, gegeven de resultaten van het project, hoe redelijk de opgevoerde kosten zijn en in hoeverre en hoe gebruik gemaakt worden van reeds bestaande bronnen (kennis, kunde en middelen).

     

    Op dit criterium kan als volgt gescoord worden:

    5 punten indien de efficiëntie zeer goed is;

    4 punten indien de efficiëntie goed is;

    3 punten indien de efficiëntie voldoende is

    2 punten indien de efficiëntie matig is.

    1 punt indien de efficiëntie gering is.

    0 punten indien de efficiëntie zeer gering/nihil is.

    iv. Innovativiteit

    Bij de mate van innovativiteit wordt in samenhang gekeken naar:

    • aard van de innovatieve kennis;

    • vernieuwende karakter van de innovatieve kennis.

    Op dit criterium kan als volgt gescoord worden:

    5 punten indien de mate van innovativiteit zeer goed is;

    4 punten indien de mate van innovativiteit goed is;

    3 punten indien de mate van innovativiteit voldoende is

    2 punten indien de mate van innovativiteit matig is.

    1 punt indien de mate van innovativiteit gering is.

    0 punten indien de mate van innovativiteit zeer gering/nihil is.

  • 10.3

    De selectiecriteria hebben de volgende wegingsfactoren:

    • -

      criterium (i) Effectiviteit heeft een wegingsfactor 3 (maximaal 15 punten);

    • -

      criterium (ii) Haalbaarheid/Kans op succes heeft een wegingsfactor 2 (maximaal 10 punten);

    • -

      criterium (iii) Efficiëntie heeft een wegingsfactor 2 (maximaal 10 punten);

    • -

      criterium (iv) Innovativiteit heeft een wegingsfactor 1 (maximaal 5 punten).

  • 10.4

    Totaal maximaal aantal te behalen punten is 40.

    Indien er met toepassing van de omschreven wegingsfactoren in totaal minder dan 24 punten worden behaald, wordt de aanvraag om subsidie afgewezen.

  • 10.5

    Gedeputeerde Staten stellen conform artikel 1.14 van de Verordening een Adviescommissie POP3 Limburg in voor de beoordeling en selectie van de projecten. Deze adviescommissie stelt een prioriteitenlijst op middels rangschikking door het toekennen van punten op grond van bovenstaande criteria en wegingsfactoren.

  • 10.6

    Indien het subsidieplafond wordt overschreden door meerdere aanvragen en de onderlinge rangschikking tussen de aanvragen gelijk is, dan zal een selectie tussen de betreffende projecten gemaakt worden door te kijken naar het selectiecriterium/de selectiecriteria waaraan de hoogste weging is toegekend. Scoren projecten dan nog altijd gelijk, dan wordt gekeken naar het selectiecriterium/de selectiecriteria waaraan de op één na hoogste weging is toegekend. Zijn er ook na toepassing van deze regels gelijkscorende projecten, dan zal overgegaan worden tot loting. De loting zal worden uitgevoerd door een beëdigd notaris.

Artikel 11 Voorschotten

In aanvulling op artikel 1.23 van de Verordening kan er maximaal één keer per projectjaar een verzoek om een voorschot (op basis van realisatie) worden ingediend.

Artikel 12 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op 14 mei 2018 en heeft een looptijd tot einde POP3 periode.

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter,

de heer drs. Th.J.F.M. Bovens

de secretaris,

de heer drs. G.H.E. Derks MPA

TOELICHTING

Algemeen

Het “Investeringsprogramma Limburgse Land- en Tuinbouw Loont 2 (LLTL2)” is een doorontwikkeling van beleidskader Limburgse Land-en tuinbouw Loont (LLtL1) uit 2013. Het motto van LLTL is “In 2025 is ieder Limburgs land- en tuinbouwbedrijf een lust voor haar omgeving”. Middels het programma LLTL2 worden de komende jaren vier investeringen aangescherpt in lijn met de doelen van het Coalitieakkoord “In Limburg bereiken we meer”.

  • 1.

    ruim baan voor voorlopers en doorontwikkelaars;

  • 2.

    meerwaarde voor de omgeving;

  • 3.

    perspectief voor ondernemers;

  • 4.

    fundament voor ontwikkeling.

Adequate kennis is, nog meer dan in het verleden, de katalysator om te bereiken dat de land- en tuinbouw voor Limburg een factor van belang kan blijven. Voor de toekomst van de land- en tuinbouw is de blijvende afname van het aantal primaire bedrijven, de productie- en kennisinfrastructuur en toenemende diversificatie in markten (bijvoorbeeld biologisch e.d.), producten en diensten relevant. Vergrijzing, veranderde eisen en regels en marktdynamiek leggen bovendien een extra druk op de bedrijfsvoering.

 

De Notitie “Limburg agro voor de wereld van morgen (vier accenten voor een duurzame agenda)” vermeld welke accenten er de komende jaren worden gelegd binnen het landbouwbeleid.

 

Speerpunten van de vier investeringslijnen en de vier accenten zijn van belang bij de beoordeling van de projecten in dit POP kader. Ieder project zal op z’n minst moeten bijdragen aan de realisatie hiervan. In ieder geval dient het te gaan om kennis met betrekking tot onderstaande thema’s uit de Subsidieverordening Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 Provincie Limburg (POP3):

  • a)

    verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaardestrategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen, meerwaardecreatie;

  • b)

    beter beheer van productierisico’s, versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen, verminderen van marktfalen;

  • c)

    geringer grondstoffengebruik en/of een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en/of grond- en oppervlaktewater (zoals broeikasgassen, ammoniak, nutriënten en bestrijdingsmiddelen) en/of minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen (zoals water, fosfaat en bodemvruchtbaarheid);

  • d)

    klimaatmitigatie;

  • e)

    klimaat adaptatie;

  • f)

    verbetering van dierenwelzijn/diergezondheid en/of verminderd risico voor de volksgezondheid bij de interactie tussen mens en dier;

  • g)

    behoud en versterking van de biodiversiteit en/of de omgevingskwaliteit.

 

Ook het Aanvalsplan Asbest en Energie biedt net als het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL-2014) aanknopingspunten. Een aanvraag zal duidelijk moeten beschrijven en beargumenteren hoe bij te dragen aan provinciaal beleid. Betreffende beleidsdocumenten zijn beschikbaar op www.limburg.nl.

Subsidiabele activiteiten (artikel 3)

Deze paragraaf richt zich vooral op kennisuitrol (van bestaande/beschikbare kennis) aan groepen ondernemers in de land- en tuinbouw met als doel om kennis en innovaties in praktijk toe te passen. Hiermee positioneert deze openstelling zich vooral aan het einde van de innovatiecyclus waar bewezen innovaties op grotere schaal in praktijk kunnen worden toegepast. Het is van belang om middels voorlichting en kennisoverdracht reeds ontwikkelde (veelal technische) innovaties aan ondernemers bekend te maken en beschikbaar te stellen.

 

Via deze openstelling kan derhalve subsidie worden verleend voor inzet van deskundigheid, studiegroepen, voorlichtingsacties, workshops en gezamenlijke coaching van ondernemers en demonstraties in de land- en tuinbouw. Vaak worden deze activiteiten in samenhang c.q. gecombineerd uitgevoerd.

Demonstraties (í)

Het betreft steun voor demonstratieactiviteiten waarbij ondernemers kennis kunnen nemen van innovaties en toepassing hiervan. Demonstraties kunnen plaatsvinden op agrarische bedrijven, proefstations of elke andere locaties waar voor deelnemers de toepassing van relevante nieuwe kennis wordt gedemonstreerd, onder het motto van ‘eerst zien, dan geloven’. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om demonstratie en proefvelden alsook gebruik van nieuwe apparatuur en of nieuwe stalconcepten.

Trainingen (ii), workshops (iii) en ondernemerscoaching (iv)

Het betreft steun gericht op groepen landbouwondernemers. De activiteiten hebben een collectief karakter. Het gaat met name om activiteiten als trainingen, workshops en coaching. Daarbij vindt kennisuitwisseling plaats rond één of een aantal specifieke onderwerpen. Doel is om de ondernemers te informeren over voor hen relevante nieuwe kennis en innovaties die leiden tot (praktijk)toepassingen en verduurzaming van de sector. In aanmerking komen ook activiteiten die betrekking hebben op het aanjagen en opzetten van studiegroepen waarbij landbouwers onderling en/of met adviseurs en andere partijen kennis en ervaring uitwisselen rond een specifiek onderwerp of vakgebied. Tevens kan er coaching plaatsvinden om ondernemerschap te analyseren en bevorderen.

Doelgroep en aantal deelnemers (artikel 4)

Aan een subsidiabele activiteit (i tot en met iv) óf een combinatie hiervan dienen minimaal 30 unieke deelnemers (landbouwers) deel te nemen. Het gaat om deelnemers (landbouwers) die beroepsmatig participeren en niet om bezoekers van grootschalige open dagen of andere vormen van brede kennisverspreiding. Indien van toepassing moet van het te verwachten aantal bezoekers een separate inschatting gemaakt worden.

Aanvrager (artikel 5)

Subsidie wordt verstrekt aan degene die de opleiding of andere vorm van kennisoverdracht of voorlichting levert. In principe hoeft de aanvrager niet alle benodigde kennis zelf in huis te hebben, maar zijn/haar eigen kennisinbreng moet nadrukkelijk aangetoond en beschreven worden in de aanvraag. Aanvrager kan de overig benodigde deskundigheid, ervaring en expertise inhuren c.q. aantrekken. Het gaat om relevante kennis en ervaring. Het opleidingsniveau ‘sec’ is van minder belang. Met andere woorden een persoon met een MBO opleiding en jarenlange ervaring zou meer voor het project kunnen betekenen dan een persoon met een HBO opleiding en geen ervaring.

Aanvraag (artikel 6)

De volgende bijlagen dienen additioneel toegevoegd te worden bij de aanvraag. Voor uitleg wordt verwezen naar het Handboek subsidies POP3: zie de website www.limburg.nl/loket/subsidies/actuele subsidies/subsidieregelingen/natuur/subsidieverordening plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 (pop3) Limburg:

 

  • projectplan, zie format op website (verplicht);

  • Curriculum Vitae (verplicht);

  • onderbouwing/specificatie van de begroting (verplicht);

  • bewijsstukken begroting/offertes. Indien niet aanwezig aangeven waar de bedragen op gebaseerd zijn (verplicht);

  • toezegging overige financiers of aangeven dat financiering is aangevraagd en daar de stand van zaken van (indien van toepassing;

  • ten aanzien van de ‘verklaring géén financiële moeilijkheden’ (door ondertekening van het aanvraagformulier) moet de jaarrekening worden bijgevoegd (verplicht);

  • samenwerkingsovereenkomst (indien van toepassing). Zie hiervoor artikel 1.6 van de Subsidieverordening Provincie Limburg (POP3);

  • bewijsstukken machtiging (indien van toepassing);

  • vergunningen (indien van toepassing);

  • verklaring van de belastingdienst inzake niet-verrekenbare dan wel niet compensabele btw (indien van toepassing);

  • overzicht van de inkomsten en/of besparingen als gevolg van de uitvoering van uw project (indien van toepassing);

  • verkenning naar mogelijk omgevingseffecten of de aanvraag van de vergunning (indien van toepassing);

  • documenten aanbesteding (indien van toepassing).

Rangschikking (artikel 10)

De selectiecriteria zijn een belangrijk sturingsinstrument waarmee de nodige accenten kunnen worden aangebracht om in te spelen op de regionale en lokale context. De selectiecriteria zijn ingesteld om een gelijke en transparante behandeling van de aanvragen mogelijk te maken. De criteria dragen bij aan een zo goed mogelijk gebruik en doelbereik van de financiële middelen.

 

De aanvragen vinden plaats middels een tender met een sluitingsdatum. Alle aanvragen die tijdig binnen zijn worden eerst getoetst op ontvankelijk- en compleetheid. Vervolgens worden de aanvragen op basis van hun scores op de selectiecriteria gerangschikt door een door Gedeputeerde Staten ingestelde Adviescommissie van hoog naar laag. Wanneer het totaal van goedgekeurde aanvragen een groter beslag legt op de beschikbare middelen (subsidieplafond) krijgen aanvragen met de meeste punten voorrang (ranking). Aanvragen die niet gehonoreerd kunnen worden vanwege gebrek aan middelen, kunnen in de opvolgende tender opnieuw worden ingediend, mits deze aan de dan geldende nadere regels voldoen.

 

 

Selectiecriterium

Weging

Te behalen punten

Maximaal te behalen punten

Te behalen minimumscore

i

Effectiviteit

3

0-5

15

Minimaal 60% van het maximaal te behalen punten

ii

Haalbaarheid/Kans op succes

2

0-5

10

iii

Efficiëntie*

2

0-5

10

iv

Innovativiteit**

1

0-5

5

 

 

 

 

40

24

*Efficiëntie

Efficiëntie heeft betrekking op, gegeven de resultaten van het project, hoe redelijk de opgevoerde kosten zijn en in hoeverre en hoe gebruik gemaakt worden van reeds bestaande bronnen (kennis, kunde en middelen). Omdat het meerdere thema’s kan omvatten alsook een samenhang cq combinatie van activiteiten kan zijn wordt gekeken naar het geheel (i.p.v. kostprijs per deelnemer).

**Innovativiteit

Het begrip ‘innovativiteit’ wordt relatief breed geïnterpreteerd. Iets kan landelijk of wereldwijd gezien niet innovatief zijn, maar wel innovatief zijn binnen de provincie, sector of zelfs het bedrijf waar de nieuwe kennis toegepast gaat worden. Iets dat binnen een bepaalde provincie of sector al heel breed toegepast wordt hoeft niet specifiek gestimuleerd meer te worden. Innovatie of vernieuwing kan neerslaan in producten, processen, diensten en/of organisatievormen en kan onder andere betrekking hebben op technologie, samenwerking, management, logistiek en marketing. Aanvragers dienen in de aanvraag onderbouwd de mate aan te tonen van de beoogde vernieuwing ten opzichte van wat reeds gangbaar is en toegepast wordt.