Provinciaal blad van Zuid-Holland

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Zuid-HollandProvinciaal blad 2018, 2761Verordeningen



Besluit van Gedeputeerde Staten van 10 april 2018, PZH-2018-643637894 (DOS 2013-0010135) tot vaststelling van het Openstellingsbesluit POP-3 kennisoverdracht landbouw en water Zuid-Holland 2018, (Openstellingsbesluit POP-3 kennisoverdracht landbouw en water Zuid-Holland 2018)

Gedeputeerde staten van Zuid-Holland;

 

Gelet op artikel 1.3 van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland;

 

Overwegende dat kennisoverdracht- en voorlichtingsacties over duurzame innovaties in de landbouw essentieel zijn voor een verdere verduurzaming en versterking van de sector en het daarom wenselijk is om het ontwikkelen, beproeven, demonstreren en breder uitrollen van duurzame innovaties in de landbouw te stimuleren;

 

Overwegende dat kennisoverdracht- en voorlichtingsacties over water in de landouw essentieel zijn voor de verbetering van de waterkwaliteit en het daarom wenselijk is dat kennisoverdracht- en voorlichtingsacties over de verbetering van waterkwaliteit in de landbouw gestimuleerd worden;

 

Besluiten:

 

Vast te stellen het volgende besluit:

 

Openstellingsbesluit POP-3 kennisoverdracht landbouw en water Zuid-Holland 2018

Artikel 1 Aanvraagperiode

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in paragraaf 2.1 van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland kan worden ingediend in de periode van 9:00 uur op 7 mei 2018 tot 17:00 uur op 20 juni 2018.

Een aanvraag is tijdig ingediend indien deze binnen de in het eerste lid genoemde periode is ontvangen.

 

Artikel 2 Subsidiabele activiteit

In afwijking van artikel 2.1.1 van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland kan subsidie worden verstrekt voor:

  • demonstraties en het verzorgen van trainingen, workshops en coaching aan een groep van landbouwers;

  • demonstraties en het verzorgen van trainingen, workshops en coaching van een groep van landbouwers, gericht op de verbetering van de waterkwaliteit.

Artikel 3 Deelplafond

Het deelplafond voor dit openstellingsbesluit bedraagt:

  • Voor activiteiten als bedoeld in artikel 2, onder a, € 400.000,-.

  • Voor activiteiten als bedoeld in artikel 2, onder b, € 280.000,-.

Het deelplafond, bedoeld in het eerste lid, onder a, bestaat voor 50% uit ELFPO middelen en voor 50% uit provinciale middelen.

Het deelplafond, bedoeld in het eerste lid, onder b, bestaat voor 50% uit ELFPO middelen en voor 50% uit middelen van het Waterschap Rivierenland.

 

Artikel 4 Doelgroep kennisoverdracht landbouw

In aanvulling op artikel 2.1.3 van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland bestaat de doelgroep van de kennisoverdracht, bedoeld in artikel 2, onder a, uit van landbouwers die actief zijn in de grondgebonden landbouw.

 

Artikel 5 Subsidievereiste kennisaanbieder

In aanvulling op artikel 2.1.5 van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland beschikt het personeel dat de kennis gaat overdragen over een afgeronde opleiding op ten minste MBO-niveau of relevante werkervaring binnen drie jaar voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag om subsidie.

 

Artikel 6 Subsidievereiste landbouw

  • 1.

    In afwijking van artikel 2.1.5 van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland heeft de activiteit, bedoeld in artikel 2, onder a, betrekking op ten minste één van de volgende thema’s:

    • a.

      verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaarde strategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie;

    • b.

      versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen;

    • c.

      maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen;

    • d.

      behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit.

Artikel 7 Subsidievereiste water

  • 1.

    In afwijking van artikel 2.1.5, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland heeft de activiteit, bedoeld in artikel 2, onder b, betrekking op ten minste één van de volgende thema’s:

    • a.

      maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen;

    • b.

      behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 2.1.5 van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland heeft de activiteit, bedoeld in artikel 2, onder b, betrekking op het beheergebied van het Waterschap Rivierenland en agrariërs uit het beheergebied van het Waterschap Rivierenland.

Artikel 8 subsidiabele kostentypen

In afwijking van artikel 1.8, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling POP-3 kunnen subsidiabele kosten bestaan uit de volgende kostentypen:

  • Personeelskosten;

  • kosten waarvoor van derden een factuur of document met gelijkwaardige bewijskracht kan worden overlegd;

  • bijdragen in natura voor zover het betreft onbetaalde eigen arbeid, onbetaalde arbeid van vrijwilligers, gronden of onroerende goederen.

Artikel 9 subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 2.1.6,eerste lid, van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland komen voorbereidingskosten als bedoeld in artikel 1.8, derde lid van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland voor subsidie in aanmerking.

 

Artikel 10 Subsidiehoogte

Indien toepassing van artikel 2.1.8 van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland ertoe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 50.000,-, wordt de subsidie niet verstrekt.

 

Artikel 11 Selectiecriteria

  • 1.

    Gedeputeerde staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 2.1.9 van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland de volgende criteria:

    • de mate van effectiviteit van de activiteit;

    • de haalbaarheid van de activiteit;

    • de mate van innovativiteit;

    • de mate van efficiëntie van uitvoering van de activiteit.

  • 2.

    Voor ieder criterium, bedoeld in het eerste lid, kan nul tot en met vijf punten worden behaald.

  • 3.

    De criteria hebben de volgende wegingsfactoren:

    • het criterium bedoeld in het eerste lid, onder a, heeft een wegingsfactor van 4;

    • het criterium bedoeld in het eerste lid, onder b, heeft een wegingsfactor van 3;

    • het criterium bedoeld in het eerste lid, onder c, heeft een wegingsfactor van 2;

    • het criterium bedoeld in het eerste lid, onder d, heeft een wegingsfactor van 1.

  • 4.

    Indien een aanvraag minder dan 30 punten behaalt, wordt de aanvraag niet gehonoreerd.

  • 5.

    Aanvragen worden op volgorde van de rangschikking gehonoreerd.

  • 6.

    Als twee of meer aanvragen een gelijk aantal punten hebben verkregen en hun plaats in de rangschikking zodanig is dat de som van de toe te kennen maximale subsidiebedragen het subsidieplafond overstijgt, wordt met inachtneming van het subsidieplafond subsidie verleend voor de aanvraag om subsidie met het hoogste aantal punten behaald op het criterium bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

  • 7.

    Indien de aanvragen als bedoeld in het zesde lid een gelijk aantal punten hebben behaald op het criterium bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt de subsidie verleend voor de aanvraag om subsidie met het hoogste aantal punten behaald op het criterium bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

  • 8.

    Indien de aanvragen als bedoeld in het zevende lid een gelijk aantal punten hebben behaald op het criterium bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, wordt de subsidie verleend voor de aanvraag om subsidie met het hoogste aantal punten behaald op het criterium bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.

  • 9.

    Indien de aanvragen als bedoeld in het achtste lid een gelijk aantal punten hebben behaald op het criterium bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c, wordt de subsidie verleend voor de aanvraag om subsidie met het hoogste aantal punten behaald op het criterium bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.

  • 10.

    Indien de aanvragen als bedoeld in het negende lid een gelijk aantal punten hebben behaald op het criterium bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b, c en d, wordt door middel van loting bepaald welke aanvraag als eerste wordt gehonoreerd.

 

Artikel 12 bevoorschotting

In afwijking van artikel 1.19, derde lid, van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland heeft een aanvraag om een voorschot betrekking op minimaal € 50.000,-.

 

Artikel 13 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin dit besluit is geplaatst.

 

Artikel 14 Werkingsduur

Dit besluit vervalt op 31 december 2024.

 

Artikel 15 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Openstellingsbesluit POP-3 kennisoverdracht landbouw en water Zuid-Holland 2018.

 

Den Haag, 10 april 2018.

 

F. Vermeulen, plv. voorzitter

 

 

ir. J.C. van Ginkel MCM, wnd. secretaris.

 

 

Toelichting

 

Algemeen

Uit de sterkte en- zwakteanalyse van het Nederlandse Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP3) blijkt dat de Nederlandse agrosector – het geheel van toelevering, verwerking en distributie van agrarische goederen – zich heeft ontwikkeld tot een speler van wereldformaat, getuige de sterke exportpositie. Deze exportpositie kon mede ontstaan door sterk geïntegreerde agrarische ketens, een goed samenspel tussen onderwijs, onderzoek en voorlichting én een intensieve productiewijze. De keerzijde is dat dit gepaard gaat met een verlies aan biodiversiteit, een toenemende druk op het milieu en een groeiende schaarste aan natuurlijke hulpbronnen. De grootschalige en intensieve productiewijze van de Nederlandse landbouw leidt tot ongewenste externe effecten op milieu, landschap en samenleving. Sinds de jaren negentig is weliswaar duidelijk sprake van een verlaging van de milieudruk. Toch zal het halen van verschillende milieudoelstellingen de komende jaren nog vragen om vele inspanningen.

De strategie van POP3 richt zich daarom op een realistische, ambitieuze groene groeistrategie. Deze strategie combineert het streven naar economische groei en versterking van de concurrentiepositie met het verbeteren van het milieu. Kennisoverdracht en innovatie zijn hierbij essentieel en tevens een prioriteit vanuit het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB) van de Europese Unie, waar het POP3onderdeel van uit maakt.

Het Ambitiedocument InovatieAgenda Duurzame Landbouw van de provincie Zuid-Holland en het POP programma sluiten goed op elkaar aan. In het Ambitiedocument InnovatieAgenda Duurzame Landbouw dat kennisontwikkeling en kennisverspreiding nodig is voor een duurzame innovatie in de landbouw en voor de verbetering van de waterkwaliteit.

 

Artikel 2

Op grond van dit openstellingsbesluit kan zowel subsidie worden verstrekt voor kennisoverdracht over duurzame innovaties in de landbouw als voor kennisoverdracht gericht op de verbetering van de waterkwaliteit.

 

Artikel 4

De doelgroep voor de kennisoverdracht over duurzame innovaties innovaties bestaat uit landbouwer die actief zijn in de grondgebonden landbouw.

Tot de grondgebonden landbouw behoren: akkerbouw, opengronds-groenteteelt, vollegronds-tuinbouw en fruit(boom)teelt en melkrundveehouderij. Ook de teelten op of in het water worden tot de grondgebonden landbouw gerekend. Essentieel is dat de agrarische bedrijfsvoering geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt. Bedrijven waar slacht-,fok-, leg, of pelsdieren in gebouwen (bijna) zonder weidegang worden gehouden, onafhankelijk van agrarische grond als productiemiddel, behoren niet tot de grondgebonden landbouw. Een landbouwbedrijf met bijvoorbeeld “vrije uitloop kippen” behoort dus niet tot de grondgebonden landbouw.

Voor de kennisoverdracht gericht op de verbetering van de waterkwaliteit is geen nadere voorwaarde gesteld aan de agrariërs die aan de kennisoverdracht deelnemen. Ook landbouwers uit de niet grondgebonden landbouw kunnen dus deelnemen.

 

Artikel 6

In artikel 2.1.5 van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland staan zeven thema’s opgenomen waarop een activiteit betrekking kan hebben. De kennisoverdracht over duurzame innovaties in de grondgebonden landbouw moet betrekking hebben op 4 van deze thema’s:

  • a.

    verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaarde strategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie;

  • b.

    versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen;

  • c.

    maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen;

  • d.

    behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit.

 

Deze vier thema’s sluiten namelijk aan bij de doelen van het Ambitiedocument InnovatieAgendaDuurzame Landbouw.

In het Ambitiedocument worden de volgende doelen genoemd:

  • 1.

    Verbeteren kwaliteit van de leefomgeving via verduurzaming door:

    • a.

      sluiten van kringlopen;

    • b.

      versterken van regionale voedselketens;

    • c.

      versterken biodiversiteit bij normale agrarische bedrijfsvoering door nieuwe verdienmodellen.

  • 2.

    Versterken van volhoudbare sterke economische sector door de landbouwsector als sterk economisch cluster op lange termijn in stand te houden.

De volgorde waarin de thema’s genoemd staan is niet hiërarchisch. Aan de thema’s worden geen verschillende gewichten toegekend.

 

Artikel 7

De kennisoverdracht gericht op de verbetering van de waterkwaliteit moet betrekking hebben op de volgende thema’s uit artikel 2.1.5 van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland.

  • a.

    maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen;

  • b.

    behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit.

 

Deze thema’s sluiten namelijk goed aan bij het doel van de openstelling om door kennis over te dragen, een bijdrage te leveren aan de verbetering van de waterkwaliteit en het behalen van de waterkwaliteitsdoelen.

 

Artikel 8

Subsidiabele kosten kunnen bestaan uit verschillende kostentypen. Met het begrip kostentypen wordt bedoeld dat de subsidiabele kosten op verschillende wijze gemaakt kunnen worden. Bijvoorbeeld een adviseur die wordt ingezet bij de kennisoverdracht kan in loondienst zijn bij de aanvrager, maar kan ook worden ingehuurd. Is de adviseur in loondienst, dan vallen de kosten voor de adviseur onder het kostentype ‘personeelskosten’. Wordt de adviseur ingehuurd, dan is er sprake van ‘kosten derden’.

Naast ‘personeelskosten’ en ‘kosten derden’ wordt ook het kostentype ‘bijdrage in natura’ onderscheiden. Van ‘bijdrage in natura’ is bijvoorbeeld sprake als er sprake is van onbetaalde eigen arbeid. Dat is het geval als de aanvrager een zzp’er is. De zzp’er is niet in loondienst bij de aanvrager.

 

De kostentypen die subsidiabel zijn de volgende:

  • personeelskosten;

  • kosten waarvoor van derden een factuur of document met gelijkwaardige bewijskracht kan worden overlegd (kosten derden)

  • bijdragen in natura voor zover het betreft onbetaalde eigen arbeid, onbetaalde arbeid van vrijwilligers, gronden of onroerende goederen.

 

De subsidiabele hoogte van de personeelskosten kan op twee manieren worden berekend:

  • 1.

    Op basis van IKS. Uw organisatie moet dan beschikken over een door de minister van Economische Zaken goedgekeurde integrale kostensystematiek als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies, of

  • 2.

    op basis van een per medewerker bepaald individueel uurtarief.

 

Het uurtarief per medewerker wordt als volgt berekend:

  • Het bruto jaarsalaris (op basis van de meest recente loonstaat) inclusief niet prestatie gebonden eindejaarsuitkering, maar exclusief vakantie uitkering.

  • Verhoogd met 43,5% voor de werkgeverslasten.

  • Verhoogd met 15% voor de indirecte kosten.

De uitkomst hiervan wordt gedeeld door 1720 uur op basis van een werkweek van 40 uur.

 

Een voorbeeld: Het bruto jaarsalaris bedraagt inclusief een niet prestatie gebonden eindejaarsuitkering 50.000 euro. De 50.000 euro wordt verhoogd met 43,5% tot 71.750 euro. De 71.750 euro wordt vervolgens verhoogd met 15% tot 82.512,50 euro. Het subsidiabele uurtarief bedraagt dan 82.512,50 gedeeld door 1720 is 47,97 euro.

 

Voor meer informatie over (onder andere) de subsidiabele kosten kunt u het handboek POP3 subsidie raadplegen. Het handboek is te raadplegen via https://regiebureau-pop.eu/sites/default/files/u111/Handboek%20aanvragers%2023%2003%202017.pdf.

 

De kosten die de landbouwer maakt om de kennisoverdrachtsactiviteit bij te wonen ( het halen van kennis) zijn niet subsidiabel.

 

Artikel 9

Op basis van artikel 9 en artikel 2.1.6 van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland wordt bepaald welke kosten voor subsidie in aanmerking komen. Dit zijn de volgende kosten:

  • a.

    kosten voor de inzet van procesbegeleiders en adviseurs;

  • b.

    materiaalkosten;

  • c.

    kosten voor ruimten en bijbehorende faciliteiten;

  • d.

    kosten voor drukwerk, mailings en de inrichting van website(s);

  • e.

    kosten voor projectmanagement en projectadministratie.

 

Naast de bovengenoemde kosten komen ook voor subsidie in aanmerking de kosten van (fysieke) investeringen die voor de kennisoverdracht noodzakelijk zijn. Zo kan het voorkomen dat het voor het verzorgen van een demonstratieproject nodig is om een investering te doen.

Het gaat om de volgende kosten:

  • kosten van koop of huurkoop van fysieke investeringen

  • kosten van architecten, ingenieurs en adviseurs;

  • kosten van adviezen over duurzaamheid op milieu- en economisch gebied;

  • kosten van haalbaarheidsstudies.

 

De kosten van de investering kunnen geheel of gedeeltelijk naar rato van de duur van de activiteit, voor subsidie in aanmerking komen. Dit hangt onder andere af of de investering na afloop van het project nog gebruikt kan worden.

 

Artikel 11

Alle aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen worden gerangschikt. Om de rangschikking te bepalen worden de aanvragen getoetst aan vier criteria. Per criterium kan 0 tot en met 5 punten behaald worden. Aan elk criterium is een wegingsfactor toegekend. De totaal behaalde puntenscore op basis van de selectiecriteria wordt berekend door per criterium het aantal behaalde punten te vermenigvuldigen met de wegingsfactor. Vervolgens worden alle scores op de criteria bij elkaar opgeteld.

 

Criterium a: de mate van effectiviteit van de activiteit.

Bij dit criterium gaat het om het effect van de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd. Bij de beoordeling van het effect wordt ook de hoogte van het gevraagde subsidiebedrag is ogenschouw genomen. Dit betekent echter niet dat aanvragen rekenkundig ( effect gedeeld door subsidiebedrag) beoordeeld worden. Het effect blijft het leidende element.

De gesubsidieerde activiteit draagt bij aan de thema’s die in artikelen 6 en7 staan opgesomd. Met dit criterium wordt gekeken naar de effectiviteit van de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd. Hierbij zal worden gelet op de volgende aspecten:

  • de bijdrage die geleverd wordt aan de thema’s. Een activiteit is minder effectief als de kennisoverdracht betrekking heeft op één enkel aspect binnen een thema, dan wanneer de kennisoverdracht betrekking heeft op het gehele thema.

  • Voor de kennisoverdracht over duurzame innovaties in de grondgebonden landbouw, wordt voor de effectiviteit ook gelet op bijdrage aan de doelen van het Ambitiedocument InovatieAgenda Duurzame Landbouw. Overdracht van kennis die is opgedaan in proeftuinen wordt als effectief gezien.

  • het bereik van de kennisoverdracht. Het bereik van de kennisoverdracht is groter naarmate er meer bijeenkomsten en vervolgbijeenkomsten zijn. Ook het aantal deelnemers, de breedte van de doelgroep en het aantal contacturen is van belang.

  • de wijze waarin (blijvende) toepassing van de aangeboden kennis wordt geborgd. Voorziet een activiteit uit het éénmalig zenden van kennis, of bestaat de activiteit uit meerdere bijeenkomsten waarbij actieve deelname van de deelnemers wordt verwacht.

  • de wijze waarop wordt gestuurd dat deelnemers de kennis gaan implementeren in de bedrijfsvoering zodat er ook daadwerkelijk wordt bijgedragen aan het doel van de kennisoverdracht.

Op basis van bovenstaande punten wordt de effectiviteit van de activiteit als zeer gering, gering matig, voldoende, goed of zeer goed gekwalificeerd.

0 punten worden toegekend indien de kwalificatie zeer gering is

1 punt wordt toegekend indien de kwalificatie gering is.

2 punten worden toegekend indien de kwalificatie matig is.

3 punten worden toegekend indien de kwalificatie voldoende is.

4 punten worden toegekend indien de kwalificatie goed is.

5 punten worden toegekend indien de kwalificatie zeer goed is.

 

Criterium b. haalbaarheid;

Met dit criterium wordt naar de haalbaarheid van de kennisoverdrachtsactie gekeken. Dit wordt ook wel de kans op succes genoemd. De mate waarin de activiteit als haalbaar of succesvol kan worden gekwalificeerd, hangt af van de volgende aspecten die in samenhang worden bezien:

  • de kwaliteit van de kennisaanbieder. Beschikt de kennisaanbieder over zeer ervaren en zeer goed gekwalificeerd personeel, dan is de kwaliteit van de kennisaanbieder als zeer goed aan te merken.

  • de kwaliteit van het projectplan. Een kwalitatief goed projectplan is een plan dat realistisch is, waarin risico’s zijn geïdentificeerd en beheersbaar zijn gemaakt en waar bij de ontwikkeling van de kennisoverdrachtsactie relevante partijen zijn betrokken.

  • de mate waarin uit het projectplan blijkt dat deelnemers uitgedaagd worden om de opgedane kennis toe te gaan en blijven passen in de praktijk.

Op basis van bovenstaande punten wordt de haalbaarheid van de activiteit als zeer gering, gering, matig, voldoende, goed of zeer goed gekwalificeerd.

0 punten worden toegekend indien de kwalificatie zeer gering is

1 punt wordt toegekend indien de kwalificatie gering is.

2 punten worden toegekend indien de kwalificatie matig is.

3 punten worden toegekend indien de kwalificatie voldoende is.

4 punten worden toegekend indien de kwalificatie goed is.

5 punten worden toegekend indien de kwalificatie zeer goed is.

 

Criterium c. de mate van innovatie

Het doel van dit openstellingbesluit heeft raakvlakken met het Ambitiedocument InovatieAgenda Duurzame Landbouw van de provincie Zuid-Holland. In het Ambitiedocument staat namelijk (onder andere) opgenomen dat alleen door middel van duurzame innovaties in de landbouw wordt een sterke, duurzame en toekomstbestendige landbouwsector behouden in de provincie. Ook de kwaliteit van het water is een belangrijk element voor een duurzame en toekomstbestendig landbouw. Om die reden is het wenselijk dat de kennis die wordt overgedragen zoveel mogelijk innovatief is.

Kennis die net in een poeftuin is opgedaan en voor er eerst wordt overgedragen word als innovatiever gezien dan kennis die al enige tijd beschikbaar is en al meerdere malen is overgedragen. Ook de mate waarin en de locatie waar de kennis wordt toegepast is van belang. Betreft de activiteit het overdragen van kennis die nog beperkt wordt toegepast in Europa, dan wordt dat als innovatiever gezien dan het overdragen van kennis die nog beperkt in Nederland wordt toegepast.

Bij de beoordeling van dit criterium wordt niet alleen gekeken of de technieken waarover kennis wordt overgedragen innovatief zijn. Ook de wijze waarop de kennis wordt overgebracht wordt meegewogen.

 

Op basis van bovenstaande punten wordt de mate van innovatie als zeer gering, gering, matig, voldoende, goed of zeer goed gekwalificeerd.

0 punten worden toegekend indien de kwalificatie zeer gering is

1 punt wordt toegekend indien de kwalificatie gering is.

2 punten worden toegekend indien de kwalificatie matig is.

3 punten worden toegekend indien de kwalificatie voldoende is.

4 punten worden toegekend indien de kwalificatie goed is.

5 punten worden toegekend indien de kwalificatie zeer goed is.

 

Criterium d. de efficiëntie van uitvoering

Met dit criterium wordt gekeken naar de wijze van uitvoering van de activiteit. Om dit te kunnen beoordelen wordt er gekeken naar de input (geld, kennis, kunde en overige middelen) die wordt ingezet om de output te kunnen realiseren. Daarbij wordt bezien of de opgevoerde kosten passend zijn (worden de resultaten met de juiste middelen behaald?). Ook wordt gekeken naar de verhouding proceskosten en de feitelijke kosten van de kennisoverdracht.

Op basis van bovenstaande punten wordt de mate van innovatie als zeer gering, gering, matig, voldoende, goed of zeer goed gekwalificeerd.

0 punten worden toegekend indien de kwalificatie zeer gering is

1 punt wordt toegekend indien de kwalificatie gering is.

2 punten worden toegekend indien de kwalificatie matig is.

3 punten worden toegekend indien de kwalificatie voldoende is.

4 punten worden toegekend indien de kwalificatie goed is.

5 punten worden toegekend indien de kwalificatie zeer goed is.

 

Wegingsfactoren

Aan de vier criteria zijn wegingsfactoren toegekend. Het criterium effectiviteit heeft de hoogste wegingsfactor (4). Dit criterium wordt namelijk als het belangrijkste criterium gezien. De effectiefste kennisoverdrachtsactiviteiten dragen het meeste bij aan de doelen van het openstellingsbesluit.

Het criterium haalbaarheid heeft een wegingsfactor van 3. Het is namelijk dat de kennisoverdrachtsactie effectief is, maar ook haalbaar is. Het moet ook zeker zijn dat de kennisoverdrachtsactie uitgevoerd gaat worden op een wijze die haalbaar is. Zonder de haalbaarheid is het effect ook onzeker.

Het criterium innovatie heeft een wegingsfactor van 2. Om bij de te dragen aan de doelen van de openstelling is het wenselijker dat nieuwe kennis wordt overgedragen. Het effect van overdracht van kennis die al langer beschikbaar is, wordt als minder effectief gezien.

Het criterium efficiëntie heeft een wegingsfactor van 1. Dit wordt namelijk als een minder onderscheidend criterium gezien. Bij deze maatregel is de aanbieder van de kennis de begunstigde, de aanbieder moet hoofdzakelijk zijn eigen personeel inzetten voor de kennisoverdracht. Bij de uitvoering van de activiteit heeft de aanvrager weinig keuze om de activiteit uit te voeren.