Provinciaal blad van Noord-Brabant

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Noord-BrabantProvinciaal blad 2018, 1683Verordeningen



Vierde wijzigingsregeling Subsidieregeling buurtfonds Noord-Brabant

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant;

 

Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten op 10 november 2015 de Subsidieregeling buurtfonds Noord-Brabant hebben vastgesteld;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten het inrichten van gezonde, klimaatbestendige en groene schoolpleinen wensen te stimuleren, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan klimaat adaptieve steden, positieve gezondheid, biodiversiteit en het waterbewustzijn van kinderen en ouders;

 

Overwegende dat het waterschap Aa en Maas, het waterschap Brabantse Delta, het waterschap De Dommel en het waterschap Rivierenland, het Prins Bernhard Cultuurfonds en het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, via het interbestuurlijk programma Jong Leren Eten, bereid zijn financieel bij te dragen aan projecten ter stimulering van initiatieven voor groene schoolpleinen zoals gedefinieerd in artikel 3.4 van deze regeling, zodat per project een hogere bijdrage en een hoger subsidiepercentage mogelijk is;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten in dat kader hebben besloten middelen beschikbaar te stellen zodat met het in totaal beschikbare budget per jaar minstens 50 schoolpleinen kunnen worden ingericht;

 

Overwegende dat de beoogde toekomstbestendige inrichting van schoolpleinen aansluit bij de doelstellingen van de Subsidieregeling buurtfonds Noord-Brabant;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten in paragraaf 1 inzake Buurtcultuur willen differentiëren in de verschillende soorten subsidiabele projecten;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten paragraaf 2 inzake Buurtnatuur en buurtwater opnieuw wensen open te stellen;

 

Overwegende dat voorts uit de uitvoering is gebleken dat die subsidieregeling nog enkele andere technische aanpassingen behoeft;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten met het oog op bovenstaande de Subsidieregeling buurtfonds Noord-Brabant in die zin wensen te wijzigen dat daaraan een nieuwe paragraaf wordt toegevoegd en de huidige paragrafen worden gewijzigd;

 

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

Artikel I Wijzigingen

De Subsidieregeling buurtfonds Noord-Brabant wordt als volgt gewijzigd:

 

A.

Artikel 1.4 komt te luiden:

Artikel 1.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

    versterking van het lokale culturele vermogen;

  • b.

    versterking van het gemeenschappelijke culturele vermogen;

  • c.

    icoonprojecten ter versterking van het culturele vermogen in de regio.

 

B.

Artikel 1.6 komt te luiden:

Artikel 1.6 Subsidievereisten

  • 1.

    Om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.4, in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

    • b.

      het project draagt bij aan:

      • 1°.

        de persoonlijke ontwikkeling; of

      • 2°.

        sociale cohesie; of

      • 3°.

        publieke beeldvorming; of

      • 4°.

        de kwaliteit van de leefomgeving; en

      • 5°.

        het culturele vermogen of de culturele zelfredzaamheid in de buurt waarop het project is gericht;

    • c.

      de artistieke kwaliteit van het project wordt genoegzaam aangetoond;

    • d.

      het project is gericht op duurzame borging in de buurt dan wel regio waarop het project is gericht;

    • e.

      aan het project ligt ten grondslag:

      • 1°.

        een realistische en sluitende projectbegroting met onderbouwing en offertes van de te maken kosten;

      • 2°.

        een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf.

  • 2.

    Onverminderd het eerste lid, om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.4, onder a, in aanmerking te komen, wordt voldaan de volgende vereisten:

    • a.

      het project is gericht op een buurt;

    • b.

      het project heeft een duur van maximaal een jaar;

    • c.

      het project is gericht op een eenmalig lokale activiteit;

    • d.

      het project wordt uitgevoerd op buurtniveau;

    • e.

      het project wordt uitgevoerd door een samenwerking van:

      • 1°.

        bewoners; en

      • 2°.

        ten minste een buurtorganisatie; en

      • 3°.

        een professionele maker; of

      • 4°.

        lokale amateurvereniging met een culturele doelstelling in de statuten.

  • 3.

    Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.4, onder b, in aanmerking te komen, voldaan de volgende vereisten:

    • a.

      het project is gericht op een buurt en de desbetreffende bewoners;

    • b.

      het project heeft een duur van minimaal een jaar;

    • c.

      het project is ontstaan vanuit een vraag om verandering van de buurt;

    • d.

      het project wordt uitgevoerd in samenwerking met:

      • 1°.

        bewoners van de desbetreffende buurt;

      • 2°.

        minimaal twee lokale partners;

      • 3°.

        een professionele maker;

    • e.

      het project is gericht op de ontwikkeling van een strategie om door middel van kunst te komen tot:

      • 1°.

        meer persoonlijke ontwikkeling;

      • 2°.

        meer sociale cohesie;

      • 3°.

        betere beeldvorming; of

      • 4°.

        betere kwaliteit van de leefomgeving.

  • 4.

    Onverminderd het tweede en derde lid, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.4, onder c, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project wordt uitgevoerd door:

      • 1°.

        bewoners;

      • 2°.

        professionele makers;

      • 3°.

        ten minste twee rechtspersonen;

    • b.

      het project is gericht op een actueel maatschappelijk vraagstuk in de buurt;

    • c.

      het project heeft een regionaal bereik;

    • d.

      het project is innovatief;

    • e.

      het project is gericht op communicatie met een regionaal bereik;

    • f.

      aan het project ligt een communicatieplan ten grondslag.

 

C.

Artikel 1.7, het tweede lid, komt te luiden:

  • 2.

    Voor de berekening van uurtarieven van interne loonkosten van de subsidieaanvrager past de subsidieaanvrager de berekeningssystematiek genoemd in artikel 2, eerste lid, onder c, van de Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen subsidies Noord-Brabant 2017 toe en hanteert daarbij het daarin genoemde uurtarief van € 50.

 

D.

Artikel 1.8 komt te luiden:

Artikel 1.8 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend van:

  • a.

    13 maart 2018 tot en met 31 oktober 2018;

  • b.

    2 januari 2019 tot en met 31 oktober 2019.

 

E.

Artikel 1.9 komt te luiden:

Artikel 1.9 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in:

  • a.

    artikel 1.4, onder a en b, voor de periode, genoemd in artikel 1.8, onder a, vast op €212.612;

  • b.

    artikel 1.4, onder c, voor de periode, genoemd in artikel 1.8, onder a, vast op €100.000;

  • c.

    artikel 1.4, onder a en b, voor de periode, genoemd in artikel 1.8, onder b, vast op €230.000;

  • d.

    artikel 1.4, onder c, voor de periode, genoemd in artikel 1.8, onder b, vast op €100.000.

 

F.

Artikel 1.10 komt te luiden:

Artikel 1.10 Subsidiehoogte

  • 1.

    De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 1.4, onder a, bedraagt 50 % van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 5.000.

  • 2.

    De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 1.4, onder b, bedraagt 50 % van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 10.000.

  • 3.

    De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 1.4, onder c, bedraagt 30 % van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 25.000.

 

G.

Er wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 1.15 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2019 en vervolgens telkens na twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de werking van deze paragraaf in de praktijk.

 

H.

Artikel 2.2, onder a, komt te luiden:

  • a.

    Zzp-ers gericht op waterbeheer of natuurontwikkeling;

 

I.

Artikel 2.4 komt te luiden:

Artikel 2.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op versterking van de waternatuur in buurten door:

  • a.

    het optimaliseren van meer watergerelateerd groen in buurten;

  • b.

    het stimuleren van waterberging en infiltratie in de bebouwde omgeving of het aanleggen van groen op plekken die eerst verhard waren;

  • c.

    het vergroten van waterbewustzijn.

 

J.

In artikel 2.5, wordt onder vervanging van de punt aan het eind van onderdeel c door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • c.

    het project is gericht op schoolpleinen.

 

K.

In artikel 2.6 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

  • 1.

    In onderdeel d wordt “getuigd” vervangen door: getuigt

  • 2.

    Onderdeel f vervalt.

  • 3.

    De onderdelen g tot en met i worden geletterd f tot en met k.

 

L.

Artikel 2.7, tweede lid, komt te luiden:

Voor de berekening van uurtarieven van interne loonkosten van de subsidieaanvrager past de subsidieaanvrager de berekeningssystematiek genoemd in artikel 2, eerste lid, onder c, van de Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen subsidies Noord-Brabant 2017 toe en hanteert daarbij het daarin genoemde uurtarief van € 50.

 

M.

Artikel 2.9 komt te luiden:

Artikel 2.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend van:

  • a.

    13 maart 2018 tot en met 31 oktober 2018;

  • b.

    2 januari 2019 tot en met 31 oktober 2019.

 

N.

Artikel 2.10 komt te luiden:

Artikel 2.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 2.4:

  • a.

    vast op €180.000, voor de periode, genoemd in artikel 2.9, onder a;

  • b.

    vast op €180.000, voor de periode, genoemd in artikel 2.9, onder b.

 

O.

Artikel 2.11 komt te luiden:

Artikel 2.11 Subsidiehoogte

  • 1.

    De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.4, onder a, bedraagt 60% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 5.000.

  • 2.

    De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.4, onder b, bedraagt 60% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 10.000.

  • 3.

    De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.4, onder c, bedraagt 60% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 5.000.

 

P.

Na artikel 2.15, wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 2.16 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2019 en vervolgens telkens na twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de werking van deze paragraaf in de praktijk.

 

Q.

Paragraaf 3 komt te luiden:

 

§ 3 Schoolpleinen van de toekomst

 

Artikel 3.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    Asv: Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

  • b.

    kindcentrum: centrum voor kinderen van 0 tot 13 jaar, dat de gehele dag open is en een breed pakket van onderwijs en opvang aanbiedt;

  • c.

    school: basisschool, kindcentrum of middelbare school;

  • d.

    schoolplein: buitenruimte bij een school waarvan kinderen gebruik maken.

 

Artikel 3.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door verenigingen en stichtingen met een doelstelling op het gebied van onderwijs.

 

Artikel 3.3 Subsidievorm

  • 1.

    Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2.

    Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

 

Artikel 3.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op het stimuleren van de realisering van gezonde, klimaatbestendige en groene schoolpleinen.

 

Artikel 3.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

    reeds voor indiening van de aanvraag begonnen is met de uitvoering van het project;

  • b.

    de aangevraagde subsidie minder bedraagt dan € 5.000;

  • c.

    voor het schoolplein reeds subsidie is verstrekt op grond van deze paragraaf.

 

Artikel 3.6 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

  • b.

    de subsidieontvanger heeft volgens haar statuten een doelstelling op het gebied van onderwijs;

  • c.

    het project is gericht op:

    • 1°.

      het ontwerpen van een gezond, klimaatbestendig en groen schoolplein;

    • 2°.

      het inrichten van een gezond, klimaatbestendig en groen schoolplein; en

    • 3°.

      het verbinden van een gezond, klimaatbestendig en groen schoolplein aan het onderwijsaanbod van de school;

  • d.

    het ontwerp, bedoeld in onderdeel c, onder 1º, is in samenspraak met kinderen, ouders en leerkrachten tot stand gekomen;

  • e.

    het project vergroot de speelaanleiding met natuurlijke materialen;

  • f.

    het project vergroot de duurzame omgang met regenwater;

  • g.

    het project draagt bij aan de vergroting van de biodiversiteit;

  • h.

    het project draagt bij aan bewustwording van gezonde of duurzame voedselkeuzes;

  • i.

    het project heeft de instemming van de grondeigenaar;

  • j.

    het project kan worden afgerond binnen 18 maanden na subsidieverlening;

  • k.

    aan het project ligt een projectplan ten grondslag waarin in ieder geval is opgenomen:

    • 1°.

      op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

    • 2°.

      een sluitende en realistische begroting;

    • 3°.

      een onderhouds- en beheerplan waaruit blijkt dat het schoolplein minimaal vijf jaar na realisatie aan de criteria blijft voldoen.

 

Artikel 3.7 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen alle kosten voor subsidie in aanmerking.

 

Artikel 3.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 3.7 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    ontwerpkosten gemaakt voor 1 augustus 2017;

  • b.

    vrijwilligerskosten;

  • c.

    kosten ten behoeve van kunstgras;

  • d.

    interne loonkosten.

 

Artikel 3.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend van 10 april 2018 tot en met 31 oktober 2018.

 

Artikel 3.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 3.4, voor de periode genoemd in artikel 3.9, vast op € 700.000.

 

Artikel 3.11 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 3.4, bedraagt 70 % van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 14.000 per project.

 

Artikel 3.12 Verdeelcriteria

  • 1.

    Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2.

    Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3.

    Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

  • 4.

    De loting vindt plaats middels trekking in aanwezigheid van een notaris en ten minste twee onafhankelijke waarnemers.

  • 5.

    De trekking wordt schriftelijk vastgelegd door de notaris.

  • 6.

    De eerst getrokken aanvraag, wordt als hoogste gerangschikt.

  • 7.

    De hoogst gerangschikte aanvraag komt het eerst in aanmerking voor subsidie.

  • 8.

    De subsidie wordt verdeeld over aanvragen die volledig gehonoreerd kunnen worden.

 

Artikel 3.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

    het project wordt binnen 18 maanden na verlening van de subsidie afgerond, met een verlengingsmogelijkheid van maximaal 6 maanden;

  • b.

    de subsidieontvanger draagt bij aan communicatie over het project;

  • c.

    subsidieontvanger overlegt minimaal 3 foto`s van het project, die rechten- vrij door de partners die financieel bijdragen aan deze paragraaf kunnen worden gebruikt;

  • d.

    een verzoek tot verlenging als bedoeld onder a, kan door de subsidieontvanger gemotiveerd worden ingediend bij Gedeputeerde Staten uiterlijk voor de datum van het verstrijken van de termijn.

 

Artikel 3.14 Prestatieverantwoording

Bij subsidies tot € 25.000, toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken:

  • a.

    een activiteitenverslag;

  • b.

    foto- of videomateriaal van de situatie voor en na het project;

  • c.

    indien van toepassing een proces verbaal van oplevering.

 

Artikel 3.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1.

    Bij subsidies tot €25.000 verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot van 100% van het verleende subsidiebedrag overeenkomstig artikel 23, tweede lid, van de Asv.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten betalen het voorschot, bedoeld in het eerste lid, in een keer, overeenkomstig artikel 23, derde lid, van de Asv.

 

Artikel 3.16 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2019 en vervolgens telkens na twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de werking van deze paragraaf in de praktijk.

 

Artikel II Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel III Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Vierde wijzigingsregeling Subsidieregeling buurtfonds Noord-Brabant.

’s-Hertogenbosch, 27 februari 2018

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter

prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

de secretaris

drs. M.J.A. van Bijnen MBA

Toelichting behorende bij de Vierde wijzigingsregeling Subsidieregeling buurtfonds Noord-Brabant.

 

 

Algemeen

Paragraaf 3

Met de transformatie van betegelde schoolpleinen in gezonde, klimaatbestendige en avontuurlijke, natuurlijke speelpleinen geeft de provincie concreet en tastbaar invulling aan meerdere beleidsambities van de verschillende opgaven. Dit zijn onder meer Verbindend Water, Milieu en Gezondheid en Uitnodigend Groen, Agrofood, Sociale Veerkracht en het samenwerken aan omgevingskwaliteit in de geest van de Omgevingswet. De grote opgaven uit het voorontwerp Omgevingsvisie krijgen concreet gestalte op de Brabantse schoolpleinen en wordt zichtbaar voor een grote groep Brabanders.

Er is grote belangstelling van scholen, gemeenten, brancheorganisatie hoveniers en groenbedrijven, fondsen en andere partijen om netwerken te verbinden en kennis te ontsluiten om zo een bijdrage te leveren aan het succes van Schoolpleinen van de toekomst. Het Prins Bernhard Cultuurfonds (PBCF), de vier Brabantse Waterschappen en Jong Leren Eten (JLE; onderdeel van het interbestuurlijk programma DuurzaamDoor en in Brabant uitgevoerd door IVN en GGD) dragen financieel bij aan de deze subsidieparagraaf.

De uitvoering van deze subsidieparagraaf is, zoals dat ook bij de andere paragrafen van deze regeling het geval is, gemandateerd aan het Prins

Bernhard Cultuurfonds.

 

Artikelsgewijs

 

B. Behorende bij

Artikel 1.6, eerste lid,

Onderdeel b

Culturele zelfredzaamheid

Het versterken van het cultureel vermogen en culturele zelfredzaamheid heeft een bindend vermogen, vormt een verbindende factor in de wijk die leidt tot het vergrote van de leefbaarheid. Dit wordt mede bepaald door looptijd en omvang van een project.

 

Onderdeel c

Artistieke kwaliteit

Door de artistieke dimensie van een project stijgt het project uit boven reguliere, andere buurtprojecten. De artistieke kwaliteit wordt mede door het samenwerken met een professionele maker geborgd omdat deze een diepte aan het project meegeeft die meerwaarde genereert ten opzichte van andere buurtinitiatieven. Wat als artistieke kwaliteit wordt herkend is afhankelijk van het tijdsgewricht en de omstandigheden en daarnaast altijd gerelateerd aan het totaal van het aanbod. Artistieke kwaliteit is gebaseerd op de onderdelen vakmanschap, zeggingskracht en oorspronkelijkheid.

Bij het onderdeel vakmanschap gaat het om de mate waarin binnen het project door een van de meewerkende partijen aantoonbaar wordt beschikt over de vaardigheden en het inzicht in de discipline of een mengvorm van disciplines, om de thema’s of het repertoire zodanig vorm te geven dat de persoonlijke fascinatie daarvoor zicht- of hoorbaar wordt.

Bij het onderdeel zeggingskracht gaat het om het vermogen van een kunstuiting om het publiek zo aan te spreken, dat de wijze van waarnemen en de verbeeldingskracht van dat publiek wordt verrast en uitgedaagd. Zeggingskracht geeft aan in hoeverre een werk erin slaagt uitdrukking te geven aan een oorspronkelijk idee.

Bij het onderdeel oorspronkelijkheid gaat het om de mate waarin het project zich onderscheidt van het overige aanbod in de culturele sector in Noord-Brabant. Hierbij is de artistieke signatuur van een instelling of de visie van de maker bepalend.

 

Onderdeel d.

Duurzame borging

Het project dient er op gericht te zijn dat het na afloop zelfstandig kan worden voortgezet en dat het een blijvende plek in de gemeenschap krijgt.

 

Vierde lid, onderdeel d.

Met innovatief bedoelen Gedeputeerde Staten dat het project specifiek

gericht moet zijn op nieuwe ideeën. Innovatie kan plaatsvinden binnen organisaties maar ook binnen bredere - sociale - verbanden. Het proces van innoveren omvat het geheel van menselijke handelingen gericht op vernieuwing van processen, diensten en handelwijzen.

 

J. Behorende bij

Artikel 2.5 Weigeringsgronden

De weigeringsgronden in dit artikel komen in aanvulling op de weigeringsgronden uit artikel 4:25 en 4:35 Awb en de weigeringsgronden uit artikel 8 van de Asv.

 

Q. Behorende bij

Artikel 3.5 weigeringsgronden

De weigeringsgronden in dit artikel komen in aanvulling op de weigeringsgronden uit artikel 4:25 en 4:35 Awb en de weigeringsgronden uit artikel 8 van de Asv.

 

Onderdeel a

Hiermee is bedoeld het daadwerkelijk uitvoeren van het project, derhalve “de schop in de grond”.

 

 

 

Gedeputeerde Staten van Noord Brabant,

 

de voorzitter

prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

 

de secretaris

drs. M.J.A. van Bijnen MBA