Provinciaal blad van Drenthe

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
DrentheProvinciaal blad 2018, 1652Overige besluiten van algemene strekking



Openstellingsbesluit Samenwerking in het kader van het EIP 2018

 

Besluit van Gedeputeerde Staten van Drenthe van 13 februari 2018, kenmerk 7/3.1/2018000379, team Plattelandsontwikkeling, tot bekendmaking van hun besluit tot vaststelling van het Openstellingsbesluit Samenwerking in het kader van het Europees Innovatie Partnerschap (EIP) 2018

 

 

Gedeputeerde Staten van Drenthe;

 

gelet op artikel 1.3 van de Verordening Subsidies Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020, hierna te noemen de Verordening;

 

overwegende dat het wenselijk is samenwerkingsverbanden te stimuleren die innovaties in de landbouwsector ontwikkelen en testen die bijdragen aan de verduurzaming van de landbouwsector in Noord-Nederland en die aansluiten bij de doelen van het Programma Toekomstgerichte Landbouw en de Innovatieprogramma Landbouw Veenkoloniën;

 

 

BESLUITEN:

 

 

de volgende nadere regels ten opzichte van de Verordening vast te stellen.

 

 

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin het wordt geplaatst.

 

Gedeputeerde Staten voornoemd,

 

mevrouw drs. J. Klijnsma, voorzitter

mr. L. Maarleveld, secretaris a.i.

 

 

 

Uitgegeven 2 maart 2018

 

Artikel 1 Openstelling en subsidieplafond

  • 1.

    De maatregel Samenwerking in het kader van het EIP 2018, zoals opgenomen in hoofdstuk 2, paragraaf 8, van de Verordening, wordt opengesteld voor de periode van 09.00 uur op 5 maart 2018 tot 17.00 uur op 8 juni 2018.

  • 2.

    Het subsidieplafond bedraagt € 1.040.866,--, bestaande uit € 520.433,-- Europese middelen (ELFPO) en € 520.433,-- provinciale middelen.

 

Artikel 2 Begripsbepalingen/definities

In deze openstelling wordt verstaan onder:

  • a.

    verordening: Verordening Subsidies Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 van Drenthe;

  • b.

    innovatieproject: project, gericht op het ontwikkelen, valideren en/of verfijnen van een innovatie;

  • c.

    samenwerkingsverband: in aanvulling op artikel 1.6 van de Verordening bevat een samenwerkingsverband tenminste één kleine- of middelgrote landbouwer of een partij die hen vertegenwoordigt;

  • d.

    landbouwproduct: alle producten die zijn genoemd in bijlage 1 van het EG Verdrag;

  • e.

    algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108, van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L187/1 van 26 juni 2014;

  • f.

    experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onder 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • g.

    haalbaarheidsstudie: haalbaarheidsstudie als bedoeld in artikel 2, onder 87, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • h.

    middelgrote en kleine onderneming: als bedoeld in artikel 2, tweede lid van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • i.

    Innovatieprogramma Landbouw Veenkoloniën 2012-2020, update 2014: het programma waarin de innovaties zijn opgenomen voor de veenkoloniale landbouw tot en met 2020. Het Innovatieprogramma is te lezen op http://www.innovatieveenkolonien.nl/innovatieprogramma2012-2020/;

  • j.

    InnovatieVeenkoloniën: het geheel van samenwerkende partijen die het Innovatieprogramma Landbouw Veenkoloniën 2012-2020, update 2014, hebben ondertekend;

  • k.

    Veenkoloniën: het grondgebied van de gemeenten Aa en Hunze, Borger-Odoorn, Coevorden, Emmen, Midden-Drenthe, Tynaarlo, Bellingwedde, Hoogezand-Sappemeer, Menterwolde, Slochteren, Pekela, Stadskanaal, Veendam en Vlagtwedde.

  • l.

    AgroAgenda Noord-Nederland: de AgroAgenda Noord-Nederland, zoals ondertekend op 6 juli 2013. De doelstellingen uit de AgroAgenda zijn:

    • i.

      versnellingsagenda Melkveehouderij;

    • ii.

      structurele bodemverbetering;

    • iii.

      PotatoValley;

    • iv.

      Biobased economy;

    • v.

      InnovatieVeenkoloniën.

  • m.

    samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband zoals omschreven in artikel 1.6, van de regeling;

  • n.

    Technology Readiness Level (TRL) niveau: geeft een indicatie van de fase waarin een ontwikkelingsproject zich bevindt. In bijlage 2 bij deze openstelling zijn de negen fases uitgewerkt.

  • o.

    EIP: het Europees Partnerschap voor innovatie, voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw.

  • p.

    Operationele groepen: samenwerkingsverbanden die deel uitmaken van het EIP, de groep bestaat uit minimaal twee actoren, waarvan minimaal één landbouwer deel uitmaakt en de groep is gericht op het ontwikkelen, valideren en verfijnen van innovaties.

Artikel 3 Doelgroep

Subsidie op grond van deze openstelling kan voor de subsidiabele activiteiten a. tot en met c. in artikel 4 worden aangevraagd door de deelnemers aan de Operationele Groep(en) die in de Openstelling Samenwerking in het kader van het EIP 2016 een beschikking hebben ontvangen:

  • a.

    verduurzaming van de grondgebonden melkveehouderij in Noord-Nederland (Kringlooptoppers Drenthe en Maisteelt met ondergrondse strokenploeg)

  • b.

    het ontwikkelen van een economisch verdienmodel voor een duurzame landbouw in het Nationaal Landschap Drentsche Aa (Bio-economie Drentsche Aa)

  • c.

    het verwaarden van plantinhoudsstoffen (Plantvalue)

 

Subsidie kan voor de subsidiabele activiteit d. in artikel 4 worden aangevraagd door een operationele groep of een operationele groep in wording.

 

Artikel 4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor het uitvoeren van een innovatieproject wat zich bevindt op TRL-niveau 4, 5, 6 en/of 7 en dat bijdraagt aan een of meer van de volgende onderwerpen:

  • a.

    verduurzaming van de grondgebonden melkveehouderij in Noord-Nederland of

  • b.

    het ontwikkelen van een economisch verdienmodel voor een duurzame landbouw in het Nationaal Landschap Drentsche Aa of

  • c.

    het verwaarden van plantinhoudsstoffen of

  • d.

    teelt van nieuwe gewassen, landbouwproducten, het ontwikkelen van (korte) ketens en het sluiten van kringlopen, circulaire economie

 

Artikel 5 Weigeringsgronden

  • 1.

    Onverminderd artikel 1.8 en 2.8.5 van de verordening wordt subsidie geweigerd indien niet wordt voldaan aan de subsidievereisten genoemd in artikel 6.

  • 2.

    Indien het project betrekking heeft op de handel in en de voortbrenging van landbouwproducten wordt de subsidie geweigerd indien de totale subsidiabele projectkosten meer bedragen dan € 1.000.000,--.

 

Artikel 6 Subsidievereisten

  • 1.

    Om voor subsidie als bedoeld in artikel 4 in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project wordt geheel of grotendeels uitgevoerd in de provincie Drenthe en de resultaten worden verspreid door kennisbijeenkomsten, experimenten, demovelden of studiegroepen;

    • b.

      subsidie wordt alleen verstrekt voor kosten voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van het project;

    • c.

      aan het samenwerkingsverband neemt ten minste een landbouwer deel;

    • d.

      de subsidieontvanger is verplicht om de resultaten van de activiteit openbaar te maken via het EIP-netwerk (artikel 57, derde lid, van Verordening (EU) nummer 1305/2013).

    • e.

      het project heeft als doel het ontwikkelen, valideren en verfijnen van innovaties met betrekking tot minimaal twee van de onderstaande thema’s:

      • i.

        verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaarde strategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie;

      • ii.

        maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen;

      • iii.

        klimaatmitigatie;

      • iv.

        klimaatadaptatie;

      • v.

        behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit.

    • f.

      het project scoort bij de puntentoekenning op de selectiecriteria, bedoeld in artikel 8, 33 punten of meer (van de maximale 55 punten);

    • g.

      de subsidieaanvrager geeft in de aanvraag aan op welke manier het project aansluit bij de activiteiten die door het servicepunt EIP-AGRI op haar website zijn gepubliceerd en hoe hierover zal worden gecommuniceerd. Indien hier niet rechtstreeks bij kan worden aangesloten, is aangegeven welke stappen richting het servicepunt EIP-AGRI worden ondernomen om een nieuw netwerk te vormen.

  • 2.

    Onverminderd het eerste lid, is het project – indien het project geen betrekking heeft op handel in en voortbrenging van landbouwproducten – om voor subsidie in aanmerking te komen gericht op experimentele ontwikkeling en/of haalbaarheidsstudies als bedoeld in artikel 25, tweede lid van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 3.

    Onverminderd het eerste lid, liggen aan het project ten grondslag:

    • a.

      een projectplan conform format Samenwerkingsverband Noord Nederland (SNN);

    • b.

      een begroting van de kosten en inkomsten van het project;

    • c.

      een toelichting op de begroting;

    • d.

      een sluitend financieringsplan van de kosten van de activiteit, met inbegrip van een opgave van subsidies of vergoedingen die voor dezelfde activiteiten bij andere bestuursorganen, private organisaties of personen zijn aangevraagd, onder vermelding van de stand van zaken daarvan;

    • e.

      indien de aanvraag betrekking heeft op een investering en de investering leidt naar waarschijnlijkheid tot negatieve omgevingseffecten bevat de aanvraag om subsidie een verkenning naar de mogelijke negatieve omgevingseffecten van de investering.

  • 4.

    Een aanvraag voor subsidie kan worden ingediend bij Gedeputeerde Staten via het SNN dat bereikbaar is via www.snn.eu/pop3.

 

Artikel 7 Subsidiabele kosten

  • 1.

    De volgende kosten die betrekking hebben op het project gemaakt door de deelnemers van het samenwerkingsverband komen voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      coördinatiekosten voor het samenwerkingsverband;

    • b.

      kosten voor het verspreiden van resultaten van het project;

    • c.

      kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;

    • d.

      kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs;

    • e.

      kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en economisch gebied;

    • f.

      kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;

    • g.

      operationele kosten voor het testen en ontwikkelen van een innovatie in de praktijk;

    • h.

      haalbaarheidsstudies.

  • 2.

    De subsidiabele kosten genoemd in het eerste lid kunnen slechts bestaan uit de volgende kostentypen:

    • a.

      personeelskosten voor zover zij zijn berekend overeenkomstig artikel 1.9 van de regeling;

    • b.

      kosten derden: kosten waarvoor een factuur of document met gelijkwaardige bewijskracht kan worden overlegd;

    • c.

      bijdragen in natura, bestaande uit onbetaalde eigen arbeid, overeenkomstig artikel 1.11 lid 6 en 7 van de regeling.

 

Artikel 8 Hoogte subsidie

  • 1.

    De subsidie bedraagt maximaal € 200.000,--.

  • 2.

    Subsidie wordt niet verstrekt indien het subsidiebedrag na beoordeling lager is dan € 100.000,--.

  • 3.

    Indien het project direct betrekking heeft op de handel in en de voortbrenging van landbouwproducten bedraagt de hoogte van de subsidie de som van:

    • a.

      70% van de kosten, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a en b, voor zover deze kosten betrekking hebben op artikel 6, tweede lid, onder a en onder b;

    • b.

      40% van de kosten, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c tot en met h, voor zover er sprake is van productieve investeringen;

    • c.

      100% van de kosten, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c tot en met h, voor zover er sprake is van niet-productieve investeringen;

  • 4.

    Indien het project geen (directe) betrekking heeft op handel in en voortbrenging van landbouwproducten bedraagt de hoogte van de subsidie de som van:

    • a.

      25% van de subsidiabele kosten voor experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a tot en met g, indien de deelnemer aan het samenwerkingsverband een grote onderneming is;

    • b.

      35% van de subsidiabele kosten voor experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a tot en met g, indien de deelnemer aan het samenwerkingsverband een middelgrote onderneming is;

    • c.

      45% van de subsidiabele kosten voor experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a tot en met g, indien de deelnemer aan het samenwerkingsverband een kleine onderneming is;

    • d.

      40% van de subsidiabele kosten voor haalbaarheidsstudies als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h.

  • 5.

    De percentages genoemd in het vierde lid, onder a tot en met c, kunnen worden verhoogd met 15% indien:

    • a.

      het samenwerkingsverband bestaat uit tenminste één kleine- of middelgrote onderneming als omschreven in bijlage 1 bij verordening 651/2014 (AGV) en geen van de partijen meer dan 70% van de kosten draagt; en/of

    • b.

      een onderzoeks- of onderwijsinstelling aan het samenwerkingsverband deelneemt en deze instelling minimaal 10% van de kosten draagt.

  • 6.

    De percentages, bedoeld in de voorgaande leden, worden gehanteerd onder het voorbehoud dat het totaal van overheidsbijdragen aan de subsidieontvanger niet meer bedraagt dan volgens Europeesrechtelijke bepalingen inzake staatssteun is toegestaan.

 

Artikel 9 Selectiecriteria, weging en selectie

  • 1.

    Gedeputeerde Staten maken voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de selectiecriteria en wegingsfactoren zoals opgenomen in Bijlage 1 bij dit besluit.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.15 van de Verordening worden de projecten gerangschikt op volgorde van het aantal behaalde punten, van hoog naar laag.

  • 3.

    In het geval het subsidieplafond zal worden overschreden door een aanvraag waarbij het gevraagde subsidiebedrag hoger is dan het resterende bedrag van het subsidieplafond of indien het subsidiebedrag wordt overschreden door meerdere aanvragen en de onderlinge rangschikking tussen de aanvragen is gelijk, dan kan Gedeputeerde Staten besluiten dat het subsidieplafond wordt verhoogd met het bedrag dat nodig is om het project dat zorgt/de projecten die zorgen voor de overschrijding van het subsidieplafond te subsidiëren.

  • 4.

    De Adviescommissie stelt een prioriteitenlijst op middels een rangschikking door het toekennen van punten op grond van de selectiecriteria zoals opgenomen in Bijlage 1 bij dit besluit.

 

Artikel 10 Bevoorschotting op basis van realisatie (tussentijdse betaling)

In aanvulling op artikel 1.23 van de Verordening kan twee keer per kalenderjaar een aanvraag om een voorschot (deelbetaling) worden ingediend. De hoogte van dit bedrag is in afwijking tot artikel 1.23 lid 4 van de Verordening minimaal € 25.000,--.

 

Artikel 11 Realisatie van het project

In afwijking op artikel 1.17, eerste lid onder f, van de Verordening, mag de projectduur langer dan drie jaren zijn, maar dient het verzoek tot vaststelling van de subsidie uiterlijk op 31 december 2021 te zijn ingediend.

 

Artikel 12 Inwerkingtreding en horizonbepaling

  • 1.

    Dit besluit wordt aangehaald als 'POP3 Openstellingsbesluit Samenwerking in het kader van het EIP 2018' en treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin het wordt geplaatst.

  • 2.

    Dit besluit vervalt op 31 december 2023.

 

Bijlage 1 Scoretabel

 

In onderstaande tabel staan de vier criteria voor beoordeling uitgewerkt. Voor elk criterium geldt dat er maximaal 5 punten worden toegekend:

 

0 punten: zeer geringe bijdrage

1 punt: geringe bijdrage

2 punten: matige bijdrage

3 punten: voldoende bijdrage

4 punten: goede bijdrage

5 punten: zeer goede bijdrage

 

  • a.

    Effectiviteit

 

In samenhang worden de volgende aspecten bezien:

  • 1.

    meerwaarde beoogde innovatie voor doel innovatiethema/urgentie – betreft de aanvraag een goede oplossing voor de in de openstelling omschreven behoefte

  • 2.

    bijdrage project aan duurzame nieuwe samenwerkingsverbanden – heeft het project voorbeeldwerking, levert het ervaringen op waarmee andere groepen hun voordeel kunnen doen

  • 3.

    mate van geschiktheid van de beoogde innovatie voor brede toepasbaarheid/uitrol – is er goede kans op snelle vertaling naar de praktijk

  • 4.

    kwaliteit communicatieplan t.b.v. kennisdeling tijdens het innovatietraject en t.b.v. verspreiding van de resultaten – is er blijk van actieve beoogde koppeling van wetenschappelijke en praktijkkennis, bevat de begroting ruimte voor actieve kennisdeling?

  • 5.

    ook wordt de hoogte van het gevraagde subsidiebedrag in ogenschouw genomen.

 

Maximale punten: 5

Wegingsfactor: 4

Totaal maximaal 20 punten

 

  • b.

    Kans op succes/haalbaarheid

 

Bij dit criterium wordt in samenhang gekeken naar de volgende aspecten:

  • 1.

    kwaliteit procesplan voor samenwerking en/of ontwikkeling innovatie – zijn alle randvoorwaarden goed in beeld gebracht en vertaald naar beheermaatregelen, is er goed nagedacht over ruimte voor procesmanagement, is goed nagedacht over risicomanagement, zijn er goede kwaliteitseisen gesteld aan de trekker van het project?

  • 2.

    blijk van oriëntatie op (technische) haalbaarheid en voor handen kennis – geeft de groep er blijk van zich te hebben georiënteerd of te gaan oriënteren op bestaande kennis, aanbevelingen, best practices en dergelijke rond het beoogde innovatiedoel?

  • 3.

    blijk van oriëntatie op businessmodel en marktpotentieel – heeft de groep de probleemstelling of kans die ten grondslag ligt aan de beoogde innovatie scherp voor ogen en kijken de aanvragers naar hoe de innovatie in praktijk gebracht kan worden?

  • 4.

    kwaliteit i.r.t. breedte samenstelling, kennisniveau en werkafspraken samenwerkingsverband – past de samenstelling van de groep bij de ambitie?

  • 5.

    kennisdeling – zegt de groep toe kennis uit te wisselen met het EIP-netwerk en is er blijk van een actieve opstelling hierbij, bijvoorbeeld is er de bereidheid een buitenlandse presentatie te verzorgen of een buitenlandse groep belangstellenden te ontvangen?

 

Maximale punten: 5

Wegingsfactor: 3

Totaal maximaal 15 punten

 

  • c.

    Innovativiteit

 

In samenhang worden de volgende aspecten bezien:

  • 1.

    technisch of sociaal grensverleggend karakter van het innovatie-idee (product, procedé, techniek, concept, aanpak) – hoe bijzonder is het idee?

  • 2.

    transitie karakter van de innovatie – draagt de innovatie bij aan realisatie van de toekomstbestendige “duurzame landbouw”, d.w.z. inzet op beoogde transitie van benadering kostenreductie en/of verhoogde volumes naar benadering meerwaardecreatie, circulaire bedrijfsvoering/productie en/of sector-overstijgende toepassing (cross-over)?

  • 3.

    innovatieve waarde van het samenwerkingsverband – ontstaat er nieuwe ketensamenwerking of cross-over samenwerking?

  • 4.

    toepassingsgebied – is er al een oplossing maar wordt deze niet toegepast en is het project erop gericht om belemmeringen weg te nemen?

  • 5.

    innovatie infrastructuur – waar wordt de innovatie feitelijk ontwikkeld, geproduceerd en gereed gemaakt voor installatie? Zijn hierbij de ondernemers uit eigen regio/land aan zet? Beogen zij de leiding te nemen bij uitrol elders?

 

Maximale punten: 5

Wegingsfactor: 2

Totaal maximaal 10 punten

 

 

  • d.

    Efficiëntie

 

De efficiëntie wordt bepaald door in samenhang te kijken naar de volgende aspecten:

  • 1.

    redelijkheid van kosten - staat de begroting (uren en tarieven) in een reële verhouding tot de geplande prestatie? Hoe is dit aannemelijk gemaakt? Hierbij wordt gelet op:

    • -

      de omvang van de totale subsidiabele projectkosten in relatie tot de innovatieopgave

    • -

      het potentiële toepassingsbereik van de innovatie binnen de agrarische sector

  • 2.

    relevantie van de kosten – wordt de gevraagde bijdrage aan de juiste zaken besteed?

  • 3.

    efficiënt gebruik van kennis, kunde en arbeid - in hoeverre wordt bestaande kennis goed benut, staat de overhead van het project in redelijke verhouding tot de prestatie?

 

Maximale punten: 5

Wegingsfactor: 2

Totaal maximaal 10 punten

 

In totaal maximaal 55 punten te behalen. Ondergrens (minimale score) is 33 punten (60%)

 

Bijlage 2 Technology Readiness Levels (TRL); de negen fases van innovatie en ontwikkeling

 

Europese subsidies, maar ook steeds meer Nederlandse subsidieregelingen, spreken over het gewenste Technology Readiness Level van een innovatieproject. Een TRL geeft een indicatie van de fase waarin een ontwikkelingsproject zich bevindt. In totaal zijn er negen fases gedefinieerd die samen het totale ontwikkelingsproces weergeven. Subsidieregelingen als Horizon 2020 en de Vroege Fase Financiering spreken al over het TRL waarin een innovatieproject zich moet bevinden. De vraag luidt: wat zijn de kaders van de negen levels in het ontwikkelingsproces?

 

De negen fases (TRL)

 

 

Level 1: het innovatieve idee en de basisprincipes worden onderzocht. Denk hierbij aan fundamenteel onderzoek en deskresearch.

 

Level 2: wanneer de basisprincipes zijn onderzocht, kunnen het technologisch concept en de praktische toepassingen worden geformuleerd. In deze fase vindt experimentele en/of analytische studie plaats.

 

Level 3: de toepasbaarheid van het concept wordt op experimentele basis onderzocht (experimenteel proof of concept). Hypotheses over verschillende componenten van het concept worden getoetst en gevalideerd.

 

Level 4: proof of concept wordt op labschaal getest: design, ontwikkeling en het testen van technologische componenten vinden plaats in een lab omgeving. Technische basiscomponenten worden geïntegreerd met elkaar om de werking te garanderen. Een prototype dat in deze fase wordt ontwikkeld kost relatief weinig geld en tijd om te ontwikkelen en is daarmee nog ver verwijderd van een definitief product, proces of dienst.

 

Level 5: de werking van het technologisch concept wordt onderzocht in een relevante omgeving (validatie in pilot). Dit is de eerste stap in demonstratie van de technologie. Een prototype dat in deze fase wordt ontwikkeld kost relatief veel tijd en geld om te ontwikkelen en is niet ver verwijderd van het uiteindelijke product of systeem. Functionaliteiten en de eerste look & feel van een product, proces of dienst zijn hier veelal aanwezig.

 

Level 6: de demonstratie van het concept in een relevante omgeving is actueel. Het vindt plaats na de technische validatie in een relevante (pilot) omgeving. Een prototype wordt uitgebreid getest en gedemonstreerd in een testopstelling, die lijkt op een operationele omgeving (pilot plant bijvoorbeeld). Het concept geeft inzicht in de werking van alle componenten tezamen in deze relevante pilot omgeving.

 

Level 7: de demonstratie van het concept vindt plaats in een gebruikersomgeving; bewijzen van de werking in een operationele omgeving. Demonstratie van het concept in een praktijkomgeving levert nieuwe inzichten op voor de definitieve markttoepassing van een product, proces of dienst.

 

Level 8: In deze fase vindt het concept zijn definitieve vorm. De technologische werking is getest en bewezen en voldoet aan gestelde verwachtingen, kwalificaties en normen (certificering). Daarnaast zijn ook de financiële kaders voor (massa)productie en lancering bepaald.

 

Level 9: het concept is technisch en commercieel gereed; productierijp en klaar voor lancering in de gewenste marktomgeving. Nu het totale ontwikkelingsproces is afgerond is de volgende stap het commercieel wegzetten van een product bij de gewenste doelgroep in de juiste markt. 

 

Toelichting op het Openstellingsbesluit Samenwerking in het kader van het EIP 2018

 

Inleiding

 

Met deze openstelling wordt specifiek invulling gegeven aan de innovatieontwikkeling van de landbouw in het kader van het Europese Innovatie Partnerschap (EIP) in Noord-Nederland en in het bijzonder de Veenkoloniën. Projecten dienen daarom in ieder geval aan te sluiten bij de uitgangspunten zoals beschreven in het Innovatieprogramma Landbouw Veenkoloniën 2012-2020.

 

Op de website www.snn.eu/pop3 is de benodigde beleidsinformatie te vinden. Daar zijn de voor deze maatregel van belang zijnde beleidsdocumenten opgenomen.

 

Deze openstelling richt zich op het ontwikkelen en valideren van praktische kennis en technologie met een groep van koplopers, die met name resulteert in technische innovatie, productinnovatie, procesinnovatie, organisatie-innovatie, innovatie in business-concepten en/of uiteindelijk in systeeminnovatie. Hierbij dient ook aandacht besteed te worden aan de brede uitrol van de resultaten.

 

De Europese Commissie heeft rond enkele urgente thema's het nieuwe instrument 'Europees Innovatie Partnerschap (EIP)' ontwikkeld. Een van deze thema's is Productiviteit en Duurzaamheid in de Landbouw (EIP Agri). Door wetenschap en praktijkkennis beter met elkaar te verbinden wil de Europese Commissie maatschappelijke opgaven voor landbouw, voedselvoorziening, klimaat en gezondheid sneller aanpakken. Bij de inzet van het EIP wordt nadrukkelijk de verbinding gelegd met inzet van andere Europese fondsen zoals Horizon 2020 en de Europese Structuur- en Investeringsfondsen (ESI-fondsen), zoals het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO). Ook internationale samenwerking wordt bevorderd. Dit wil zeggen dat de overheid let op complementariteit en samenspel tussen fondsen en projecten en niet dat steun voor initiatieven onder deze maatregel gestapeld kan worden met de andere EU-fondsen.

 

In het EIP spelen Operationele Groepen (OG’s) een essentiële rol. De essentie van het EIP is dat OG’s een innovatieopgave omarmen en een (innovatie)proces doorlopen. De oplossing van die innovatieopgave kan resulteren in een vermarktbare en/of toepasbare verbetering in de agrarische bedrijfsvoering. Dat kan betrekking hebben op de primaire productie of elders in de keten, bijvoorbeeld rond voedselvoorziening, biodiversiteit of de biobased economie. De gevonden innovatieve oplossing wordt, voor zover dat haalbaar en zinvol is, ontwikkeld in een Europees samenwerkingsverband. In dat geval zoekt een OG kennis en partners buiten haar eigen grenzen, zodat Europese praktijkkennisclusters kunnen ontstaan. Het ontwikkelproces kan aanleiding vormen voor een aanvraag om nieuw fundamenteel onderzoek of een aanvraag voor het toepasbaar maken van bestaande onderzoeksresultaten in het kader van Horizon 2020 en de voorgangers daarvan.

 

De Europese Commissie ondersteunt de bevordering van het EIP-Agri (http://ec.europa.eu/eip/agriculture/) met het EIP-Agri servicepoint (http://ec.europa.eu/eip/agriculture/en/content/EIPAGRISP). Zij zijn benaderbaar met vragen van de OG’s (in wording). Ook kan het Netwerk Platteland (http://netwerkplatteland.nl/) een verbindende rol spelen.

 

Een subsidieplafond is vastgesteld omdat voor deze maatregel een bepaald budget is geprogrammeerd. Het is zaak om de beschikbare middelen op een zo goed mogelijke wijze te verdelen over de beschikbare projectperiode. De beschikbare middelen zijn voor 100% afkomstig uit ELFPO-middelen (modulatiemiddelen).

 

Artikel 2 Begripsbepalingen/definities

Innovatie

Deze openstelling richt zich op samenwerking voor innovatie in het kader van het EIP. Het gaat om het ontwikkelen en valideren van technische innovaties, productinnovaties, procesinnovaties, organisatie-innovaties, innovaties in business-concepten en/of uiteindelijk in systeeminnovaties met een groep van koplopers.

 

Innovaties die bijdragen aan meerwaardecreatie, kostenverlaging, beter risicobeheer en de realisatie van maatschappelijke opgaven zijn noodzakelijk voor een toekomstbestendige landbouw met een positief imago. Daarom is het belangrijk dat samenwerkingsverbanden aan een innovatieopgave werken die een concrete vraag of kans uit de praktijk beantwoord/benut. Het proces van innoveren kan gestart worden door bijvoorbeeld kleine actieve samenwerkingsverbanden (living labs) met een schil van koplopers (early adapters).

 

In deze openstelling gaan we uit van de Technology Readiness Levels om te bepalen in welke ontwikkelingsfase een innovatie zich bevindt (zie ook bijlage 2 bij deze openstelling). In totaal zijn er negen fases gedefinieerd die samen het totale ontwikkelingsproces weergeven. Met deze openstelling wordt met name gericht op TRL niveaus vier tot en met zeven. Niveaus één tot en met drie zijn van een hoger abstractieniveau. In deze fasen staat de innovatie nog ver van de markt. Niveaus acht en negen hebben betrekking op het marktrijp maken van een innovatie; deze niveaus kunnen niet met deze subsidie worden gefinancierd. In de niveaus vier tot en met zeven kan een innovatie op labschaal getest worden, het kan een validatie in een pilotomgeving betreffen, een demonstratie in een relevante omgeving of in een gebruikersomgeving. Er moet nog steeds sprake zijn van een ontwikkel of onderzoekscomponent.

 

Een filmpje waarin de TRL-niveaus nader worden toegelicht is te vinden op:

https://www.youtube.com/watch?v=in4TnQZGYj4&sns=em

 

Bij de beoordeling van de projecten wordt verder gekeken naar het grensverleggende karakter van de innovatie; gaat het om kleine stapjes (optimalisatie) of wordt er een grote, onomkeerbare omslag in het denken gemaakt (transitie). In de toelichting op de selectiecriteria wordt hierop nader ingegaan.

 

Landbouwproduct

Dit zijn alle producten die zijn genoemd in bijlage 1 van het Europese Gemeenschap (EG) Verdrag.

 

Artikel 3 Doelgroep

Voor de activiteiten a tot en met c. is deze openstelling voor samenwerking in het kader van het EIP is specifiek opgesteld voor de deelnemende en de uitvoerende partijen in de Operationele Groepen die zijn opgericht in de provincie Drenthe en in de EIP-openstelling van de provincie Drenthe in 2016 een beschikking hebben ontvangen. Deze partijen hebben inmiddels ideeën ontwikkeld voor de uitvoering van projecten. Deze partijen hebben specifieke kennis van het gebied en hebben een breed draagvlak en netwerk in het gebied. Om deze ideeën nu in de praktijk te gaan toetsen wordt hun met deze openstelling de mogelijkheid gegeven om de ideeën in projectvoorstellen in te dienen, die vervolgens tot uitvoering en toetsing van de ideeën moeten leiden.

 

Daarnaast wordt bij activiteit d de mogelijkheid geboden voor andere operationele groepen of operationele groepen in wording om projectvoorstellen gericht op de onder d in artikel 4 genoemde activiteiten in te dienen.

 

Ten minste twee organisaties zijn betrokken bij de indiening van de aanvraag, waarbij in ieder geval sprake moet zijn van een of meer agrariërs of een vertegenwoordiger hiervan. De deelnemende partijen mogen bovendien onderling niet met elkaar verbonden zijn. Belangrijk is dat de samenstelling van het samenwerkingsverband maximaal is afgestemd op de innovatieopgave, zowel voor de ontwikkeling als de verspreiding van de innovatie/nieuwe kennis. Voor dat laatste spelen adviseurs een belangrijke rol. Zij moeten tijdens en na de projectperiode de verworven kennis gebruiken in hun dagelijkse werk. Projectaanvragen worden mede beoordeeld op de mate waarin deskundigen zijn of worden toegevoegd aan het samenwerkingsverband. De deskundigen kunnen professionele adviseurs zijn, maar ook publieke adviseurs, ondernemers uit een niet-agrarische bedrijfstak of onderzoekers.

De samenwerkingsverbanden worden opgericht door belanghebbende actoren zoals landbouwers, onderzoekers, onderwijsinstellingen, adviseurs en bedrijven. Het gaat om actoren die betrokken zijn bij de landbouw- en voedingssector, die van belang zijn voor het verwezenlijken van de doelstellingen van de projectaanvraag. Deze actoren zijn de begunstigden van deze maatregel. Het samenwerkingsverband wijst een van de deelnemers als penvoerder aan voor het aanvragen van de subsidie.

 

Artikel 4 Subsidiabele activiteit

Het EIP voor de bevordering van de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw slaat bruggen tussen kennis en technologie met betrekking tot het meest geavanceerde onderzoek enerzijds en landbouwers, bosbeheerders, plattelandsgemeenschappen, bedrijven, ngo's en adviesdiensten anderzijds.

 

Om dit te realiseren wordt de oprichting bevorderd van projectgerichte OG's in Nederland die deel uit kunnen gaan maken van het Europese EIP-netwerk voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw. Deze groepen werken vervolgens op projectbasis aan een innovatieopgave die een antwoord moet geven op een concrete vraag of kans of probleem uit de praktijk. Daarbij kunnen twee gescheiden onderdelen of fases worden onderscheiden:

  • 1.

    de oprichting van een OG met de formulering van een gezamenlijk projectplan om aan een innovatieopgave te werken;

  • 2.

    de uitvoering van het gezamenlijke innovatieproject door de OG.

 

De uitvoering van het innovatieproject door de OG’s heeft met name betrekking op de activiteiten zoals beschreven in artikel 35, lid 2, a tot en met k, van de Verordening (EU) Nr. 1305/2013.

 

Deze openstelling richt zich alleen op de 2e fase, de uitvoering van het gezamenlijke innovatieproject door de OG.

 

Het betreft met name het verder ontwikkelen, valideren en verfijnen van kennis en innovaties, met als doel dat die uiteindelijk deel uit gaan maken van een groter ontwikkelingsproces dat gericht is op grootschalige toepassing ervan in de praktijk. Dit proces kan bijvoorbeeld gestart worden door kleine actieve (operationele) groepen (living labs) met een schil van koplopers (early adapters). Zolang de activiteiten nog gericht zijn op het praktijkrijp maken van de kennis en innovatie, vallen ze onder deze maatregel, maar wanneer het gaat om het doelgericht communiceren over en demonstreren van reeds prakrijkrijpe (geheel beproefde) innovaties, vallen ze onder paragraaf 1 van hoofdstuk 2 van de Verordening. De OG verspreidt de resultaten van hun project, in het bijzonder via het EIP-netwerk (artikel 57, derde lid, van Verordening (EU) Nr. 1305/2013).

 

In dit artikel wordt een kader gegeven voor de activiteiten waarop het innovatieproject betrekking moet hebben. Het gaat dan om innovatieprojecten voor zover deze betrekking hebben op een van de drie beleidsdoelen die zijn opgenomen in dit artikel. Gedeputeerde Staten hebben ervoor gekozen om het aantal beleidsdoelen waarop de te subsidiëren activiteiten betrekking mogen hebben te beperken.

 

In dit artikel wordt een kader gegeven voor de activiteiten waarop het innovatieproject betrekking moet hebben. Het gaat dan om innovatieprojecten gericht op de handel in en de voortbrenging van landbouwproducten voor zover deze betrekking hebben op een van de vijf provinciale beleidsdoelen die zijn opgenomen in dit artikel. Gedeputeerde Staten hebben ervoor gekozen om het aantal beleidsdoelen waarop de te subsidiëren activiteiten betrekking mogen hebben te beperken. De beleidsdoelen voor Drenthe zijn:

 

  • a.

    verduurzaming van de grondgebonden melkveehouderij in Noord-Nederland

Hieronder worden onder andere activiteiten verstaan die bijdragen aan het sluiten van nutriëntenkringlopen in de melkveehouderij en het verbeteren en vergroten van de natuurinclusiviteit van de melkveehouderij. De OG zal zich moeten richten op het verdiepen en versterken van netwerken gericht op de kringloopbenadering binnen de melkveehouderijsector in Drenthe. Zij moet een (significante) bijdrage realiseren op het gebied van milieu– en omgevingskwaliteit, verbeteren van de maatschappelijke waardering en het versterken van de concurrentiepositie van de Drentse melkveehouder op de lange termijn.

 

  • b.

    het ontwikkelen van een economisch verdienmodel voor een duurzame landbouw in het Nationaal Landschap Drentsche Aa

Hieronder wordt verstaan een landbouw die bijdraagt aan de doelstellingen uit het Beheer-, Inrichtings- en Ontwikkelingsplan Drentsche Aa 2.0 (BIO-plan 2012 - 2020). Sinds 2013 hanteert het Overlegorgaan Drentsche Aa als algemeen toekomstbeeld voor het nationaal beek- en esdorpenlandschap Drentsche Aa dat het een duurzaam functionerend beek- en esdorpenlandschap zou moeten zijn. Duurzaam heeft hierin de drieledige betekenis van economisch vitaal, ecologisch houdbaar en sociaal aanvaardbaar. De diverse gebruiksfuncties (natuur, landbouw, recreatie) dienen zich volgens dit orgaan te ontwikkelen in onderlinge samenhang en in overeenstemming met de structuur van het gebied.

 

  • c.

    het verwaarden van plantinhoudsstoffen

Hieronder wordt verstaan het verwaarden van duurzaam geproduceerde plantgerelateerde en plantinhoudstoffen voor toepassingen in agro, food, feed, farma en chemie. En daar waar de reststof voor deze toepassingen niet meer gebruikt kan worden ook in de energieproductie. Om dit alles door middel van een programma met projecten in uitvoering te kunnen brengen, willen Gedeputeerde Staten een groep van bedrijven en kennisinstellingen, door het bedrijfsleven geïnitieerd, stimuleren tot de oprichting van een OG, waarbij de oorsprong ligt in de gemeenten Emmen en Midden-Drenthe. De groep moet zich richten op de transitie naar een biobased economy, met behoud van de bodemkwaliteit. Dit kan op termijn bijdragen aan de versterking van de circulaire-economie in Noord-Nederland.

 

  • d.

    teelt van nieuwe gewassen, landbouwproducten, het ontwikkelen van korte ketens en het sluiten van kringlopen, circulaire economie

Hieronder wordt verstaan het ontwikkelen nieuwe producten, productieprocessen, nieuwe informatietechnologie en markten. Dit moet ervoor zorgen dat aan het eind van de keten gezonde, veilige en betaalbare producten kunnen worden geleverd. Naast voedsel voor mens en dier leveren gaat het ook om nieuwe technologieën en grondstoffen voor (non-food) toepassingen. Het kan ook gaan om initiatieven voor korte voedselketens: de weg van boer naar bord wordt korter, gaat over minder schijven en het voedsel komt steeds vaker uit de regio. Niet alleen voor de voedselproductie, maar juist ook om nieuwe verbindingen te maken met hightech, gezondheid, zorg, biobased economy, circulaire-economie en de productie van duurzame energie (waaronder het benutten van reststromen).

 

De achterliggende beleidsdocumenten waaruit de selectie van beleidsdoelen is geformuleerd zijn: AgroAgenda Noord-Nederland, Versnellingsagenda Melkveehouderij, Ontwikkelagenda Melkveehouderij, Economische Koers Drenthe 2016-2019, Innovatie Veenkoloniën, Omgevingsvisie Drenthe en Beheer-, Inrichtings- en Ontwikkelingsplan Drentsche Aa 2.0 (BIO-plan 2012-2020).

 

De meeste achtergronddocumenten, waarvan de AgroAgenda Noord-Nederland de belangrijkste is, zijn op een gezamenlijke plaats beschikbaar gesteld voor initiatiefnemers (www.snn.eu/pop3, http://www.greenlincs.nl/agroagenda-noord-nederland-2/, http://www.greenlincs.nl/agroagenda-noord-nederland-2/versnellingsagenda/).

 

Artikel 5 Weigeringsgronden

In de Verordening is genoemd dat subsidies worden geweigerd indien subsidie is verstrekt via het LEADER-programma, indien de kosten betrekking hebben op reguliere bedrijfsvoering, indien de subsidie niet wordt aangevraagd voor een proefproject of de ontwikkeling van nieuwe producten, praktijken, processen of technieken in de landbouw- of voedingssector en als de activiteit niet nieuw is.

 

Artikel 6 Subsidievereisten

In dit artikel wordt het kader gegeven voor de thema’s waarop het innovatieproject betrekking moet hebben. Daarbij gaat het om innovatie en modernisering van de agrarische sector rond de thema’s zoals genoemd in lid 1 onder c. Aanvragers zullen dit moeten aangeven bij de aanvraag. Een project moet minimaal betrekking hebben op twee van de thema's zoals benoemd in lid 1 onder c.

 

Om meer zekerheid te hebben dat goede projecten tot uitvoer komen, worden eisen gesteld aan de aanvraag. Zo is er sprake van een subsidiedrempel. Bepaald is dat projecten bij de beoordeling minimaal moeten voldoen aan een aantal inhoudelijke eisen. Op verschillende onderdelen kan een project punten scoren bij de beoordeling. Om in aanmerking te komen voor een subsidiebijdrage moet minimaal een score van 33 punten zijn behaald. Alleen projecten die 33 punten of meer scoren komen in aanmerking voor een positief besluit en doen mee in de projectrangschikking. Met deze eisen wordt getracht de beste en meest kansrijke projecten te kunnen onderscheiden. De uitwerking van de scores is opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit.

 

Voor het doen van de aanvraag moet gebruik gemaakt worden van een door het SNN verstrekt aanvraagformulier. Dit is te vinden op www.snn.eu/pop3. Een aanvraag dient (bij voorkeur digitaal) via het SNN ingediend te worden bij de provincie(s) waarop de aanvraag van toepassing is.

 

Artikel 7 Subsidiabele kosten

Voor de subsidiabele kosten worden de daarvoor bedoelde artikelen in de Verordening gevolgd, waarbij met een bijdrage in natura wordt bedoeld 'onbetaalde eigen arbeid' zoals verwoord in artikel 1.11, lid 7, van de Verordening. Met personeelskosten wordt bedoeld personeelskosten zoals verwoord in artikel 1.9, van de Verordening. In aanvulling op wat in de Verordening is opgenomen zijn ook de niet-verrekenbare of niet-compensabele btw-kosten subsidiabel.

 

Indien een of meerdere projectpartners de BTW niet kunnen verrekenen dan wel compenseren, dan mogen de begrote kosten inclusief BTW opgevoerd worden. Er dient wel op moment van declaratie een BTW verklaring van de Belastingdienst overhandigd te kunnen worden zodat getoetst kan worden of een van de samenwerkingspartners de BTW daadwerkelijk niet kan verrekenen.

 

Op grond van de Verordening zijn voorbereidingskosten uitgesloten van de mogelijkheid om subsidie voor te ontvangen. Met voorbereidingskosten wordt bedoeld voorbereidingskosten zoals verwoord in artikel 1.12, lid 3, van de Verordening. Dit betekent dat kosten waarvoor verplichtingen zijn aangegaan vóór het indienen van de subsidieaanvraag, in geen geval subsidiabel zijn.

 

Artikel 8 Hoogte subsidie

Projecten moeten een bepaalde (financiële) omvang hebben om de administratieve kosten (per project) beheersbaar te houden. Vandaar dat een drempelbedrag is vastgesteld. Het doel is om zo veel mogelijk subsidiegeld te laten landen daar waar het behoort te landen. Aan de andere kant is het ook van belang dat voldoende initiatiefnemers kunnen worden beloond, waardoor er ook een maximumomvang van de subsidie is vastgesteld.

 

In artikel 2.8.8. van de Verordening wordt in lid 1, onder b, het begrip niet-productieve investeringen genoemd. Een niet-productieve investering is gedefinieerd in artikel 1.1, sub g, van de Verordening POP3 en heeft betrekking op natuur, landschap, water, milieu, klimaat. Niet-productieve investeringen zijn die investeringen die geen aanmerkelijke stijging van de waarde of rentabiliteit van het landbouwbedrijf tot gevolg hebben. Niet-productieve investeringen dragen bijvoorbeeld bij aan het milieu en ondersteunen aanpassing aan klimaatverandering (zoals regenwaterbuffers, stuwen, inrichting landschapselementen, verbeteren biodiversiteit). In het geval een investering een onrendabele top heeft zal nog wel gemotiveerd moeten worden waarom het een productieve dan wel niet-productieve investering betreft. Een investering die gedaan wordt door een onderneming die daar ofwel meer inkomsten mee behaalt ofwel minder kosten gaat maken, heeft betrekking op een productieve investering. Het verhoogt de rentabiliteit van de onderneming en/of de waarde.

 

Ten aanzien van een beoogde investering binnen deze maatregel Samenwerking in het kader van het EIP zal door een aanvrager goed gemotiveerd moeten worden waarom het een productieve dan wel een niet-productieve investering is.

 

Voor projecten die betrekking hebben op landbouwproducten gelden de volgende subsidiepercentages.

 

Begrotingspost

Kosten derden

Personeels kosten

Bijdrage in natura (onbetaalde eigen arbeid)

Kosten voor coördinatie van het samenwerkingsverband

70%

70%

Niet subsidiabel

Kosten voor het verspreiden van resultaten van het project

70%

70%

Niet subsidiabel

Kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties

40% (prod)

100% (niet-prod)

Niet subsidiabel

Niet subsidiabel

Kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs

40% (prod)

100% (niet-prod)

40% (prod)

100% (niet-prod)

40% (prod)

100% (niet-prod)

Kosten van adviezen over duurzaamheid

40% (prod)

100% (niet-prod)

40% (prod)

100% (niet-prod)

40% (prod)

100% (niet-prod)

Kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware

40% (prod)

100% (niet-prod)

40% (prod)

100% (niet prod)

Niet subsidiabel

 

Operationele kosten voor het testen en ontwikkelen van een innovatie in de praktijk

40% (prod)

100% (niet-prod)

40% (prod)

100% (niet prod)

40% (prod)

100% (niet-prod)

Kosten van haalbaarheidsstudies

40% (prod)

100% (niet-prod)

40% (prod)

100% (niet prod)

40% (prod)

100% (niet-prod)

 

Voor projecten die geen directe betrekking hebben op landbouwproducten gelden de volgende subsidiepercentages.

 

Experimentele ontwikkeling

Kleine onderneming

Middelgrote onderneming

Grote onderneming

Kosten voor coördinatie van het samenwerkingsverband

45% of 60%

35% of 50%

25% of 40%

Kosten voor het verspreiden van resultaten van het project

45% of 60%

35% of 50%

25% of 40%

Kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties

45% of 60%

35% of 50%

25% of 40%

Kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs

45% of 60%

35% of 50%

25% of 40%

Kosten van adviezen over duurzaamheid

45% of 60%

35% of 50%

25% of 40%

Kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware

45% of 60%

35% of 50%

25% of 40%

Operationele kosten voor het testen en ontwikkelen van een innovatie in de praktijk

45% of 60%

35% of 50%

25% of 40%

Kosten van haalbaarheidsstudies

40%

40%

40%

 

Artikel 9 Selectiecriteria, weging en selectie

De selectiecriteria zijn een belangrijk sturingsinstrument waarmee in het POP3-programma accenten kunnen worden aangebracht om in te spelen op de regionale en lokale context. De selectiecriteria zijn meetbaar en verifieerbaar en garanderen een gelijke en transparante behandeling van aanvragen. De criteria dragen bij aan een zo goed mogelijk gebruik en doelbereik van de beschikbare financiële middelen.

 

De aanvragen worden geselecteerd op basis van een aantal categorieën van criteria. Deze criteria zijn opgenomen in de scoretabel van bijlage 1 en zijn voorzien van een eigen toelichting. Op basis van de gescoorde punten worden projecten gerangschikt. Projecten die scoren beneden de drempel van 33 punten worden niet gehonoreerd (zie artikel 6).

 

Of alle projecten die 33 punten of meer scoren ook voor subsidie in aanmerking komen is onder andere afhankelijk van het beschikbare budget. Wanneer het totaal van de aanvragen met 33 punten of meer een groter beslag legt op de beschikbare middelen (subsidieplafond) krijgen de aanvragen met de meeste punten voorrang (ranking).

 

Bij het rangschikken wordt in eerste instantie naar het beleidsdoel gekeken, om te zorgen dat zo mogelijk op alle genoemde beleidsdoelen activiteiten gaan plaatsvinden en er op één beleidsdoel niet te veel activiteiten plaatsvinden. Het kan voorkomen dat een aanvraag die de beste nummer twee is op een beleidsdoel meer punten heeft dan een nummer één op een ander beleidsdoel, maar niet in aanmerking komt voor subsidie, omdat het plafond dan al bereikt kan zijn. In onderstaand voorbeeld, uitgaande van drie beleidsdoelen a tot en met d: rangnummer drie heeft minder punten dan rangnummer vier maar is de beste op dat specifieke beleidsdoel en rangnummer vier is tweede beste op dat specifieke beleidsdoel.

 

Beleidsdoel

a

b

c

d

#punten

Rangnummer

Aanvraag 1

X

 

 

 

34

6

Aanvraag 2

X

 

 

 

30

-

Aanvraag 3

 

 

 

X

45

2

Aanvraag 4

 

X

 

 

35

5

Aanvraag 5

 

 

X

 

48

1

Aanvraag 6

 

 

X

 

36

7

Aanvraag 7

 

 

X

 

44

4

Aanvraag 8

 

X

 

 

42

3

 

De beoordeling van projecten aan de hand van de scoretabel wordt gedaan door een onafhankelijke Adviescommissie POP3, ingesteld door Gedeputeerde Staten. Nadat de adviescommissie de projecten heeft beoordeeld op de bijdrage aan de selectiecriteria volgt een subsidie-technische toets, een financiële toets en een EU-conformiteitstoets.

 

Artikel 10 Bevoorschotting op basis van realisatie (tussentijdse betaling)

Het is mogelijk om tweemaal per kalenderjaar een verzoek tot voorschot in te dienen over de kosten die tot dan toe zijn gemaakt. Dit is een voorschot op de uiteindelijke vaststelling van de subsidie. Het bedrag dat als voorschot mag worden aangevraagd is lager dan in de Verordening wordt genoemd, namelijk € 25.000,--. 

 

Toelichting Scoretabel

 

Deze toelichting is richtinggevend bedoeld. Het is aan de initiatiefnemers om na te gaan op welke wijze zij er uiteindelijk invulling aan geven. Per selectiecriterium zijn een aantal hulpvragen opgenomen om deze invulling gemakkelijker te maken. De selectiecriteria bestaan steeds uit verschillende aspecten die in onderlinge samenhang worden bekeken. Op basis van het belang wat gehecht wordt aan de verschillende selectiecriteria is hieraan vervolgens ook nog een wegingsfactor toegekend.

 

Toelichting per selectiecriterium

 

  • A.

    Effectiviteit - wegingsfactor: 4

Met effectiviteit van de activiteit wordt bedoeld de mate waarin wordt bijgedragen aan het doel dat met de openstelling resp. de samenwerking wordt nagestreefd ('wat voegt dit project toe'). Bij het thema samenwerking gaat het niet alleen om het effect van de innovatie, als deze slaagt, maar ook om de meerwaarde van het samenwerkingsproces, dat leidt tot meer kennisdeling regionaal, nationaal, internationaal, ontstaan van nieuwe innovatie-verbindingen (zoals cross-overs tussen meerdere sectoren) en nieuw samenspel tussen ketenpartijen. Voor effectiviteit geldt dat er groot belang wordt gehecht aan een daadwerkelijke bijdrage aan de genoemde beleidsdoelstellingen. Om die reden heeft dit criterium een wegingsfactor van vier Het eerste punt in de scoretabel onder a weegt zwaar in de toekenning van punten voor dit criterium. Hierbij is het ook van belang dat verschillende activiteiten binnen het project een samenhangend geheel vormen. Ter illustratie: een goed op elkaar afgestemde set van activiteiten binnen een project die bijdraagt aan de doelen zal dus eerder vijf punten scoren dan een project met twee losse activiteiten.

 

  • B.

    Kans op succes - wegingsfactor: 3

"Kans op succes" wordt gedefinieerd als de kans dat de partijen er in slagen het innovatie-idee uit te werken. Dit betekent niet dat het innovatieproject ook moet slagen. Het samenwerkingsverband bestaat al en heeft een haalbare innovatie geïdentificeerd. Activiteiten betreffen uitwerking naar bijvoorbeeld technische specificaties, bouwen, uitwerken businessplan, proefopstelling. Ook onderdelen die betrekking hebben op inrichting van een demonstratie-inrichting en/of activiteiten kennisoverdracht en/of marktintroductie (eerste uitrol) kunnen onderdeel zijn van de aanvraag. De aanvrager levert een goed onderbouwd Plan van Aanpak hiervoor. In de fase "ontwikkelen innovatie" mag men resultaten van voorwerk verwachten, bij een gecombineerde aanvraag is aan te raden in de openstelling te eisen dat de aanvraag een go – no go moment bevat voor de ontwikkelfase.

 

Niet alleen samenwerking, maar ook communicatie over het project is van groot belang voor de kans op succes. Het is van belang dat de innovatie waar een aanvraag voor wordt ingediend niet alleen bestemd blijft voor degene die de aanvraag doet, maar juist dat de innovatie breed beschikbaar is, komt of wordt gemaakt voor de agrosector als geheel. In het projectplan moet de aanvrager in ieder geval aangeven hoe opgedane kennis en ervaring in de provincie Drenthe wordt verspreid en gedeeld, maar ook hoe aangesloten wordt bij het Europese EIP-AGRI-netwerk.

 

Op dit criterium worden geen punten toegekend indien de randvoorwaarden niet in beeld zijn gebracht of het (beoogde) samenwerkingsverband zwak is. vijf punten kunnen bijvoorbeeld worden behaald indien alle randvoorwaarden in beeld zijn gebracht en zijn vertaald naar beheermaatregelen van een hoge kwaliteit, het samenwerkingsverband goed is en er een veelbelovend businessmodel achter het project ligt. Omdat een redelijke kans op succes wel belangrijk is om ook goed te kunnen bijdragen aan de doelstelling, is ervoor gekozen om dit criterium een wegingsfactor drie toe te kennen.

 

  • C.

    Mate van innovativiteit - wegingsfactor: 2

Met innovativiteit kan hierbij gedoeld worden op het samenwerkingsproces als zodanig, op het onderwerp van de samenwerking of op beide. Bij de beoordeling van de innovativiteit van het samenwerkingsproces wordt gekeken in hoeverre de voorgestelde samenwerking nieuwe verbanden/verbintenissen tot stand brengt. Hoe meer gangbaar de samenwerking tussen de partijen is, hoe minder punten er zullen worden toegekend. Daarom is ervoor gekozen dit criterium niet heel zwaar mee te laten wegen en een wegingsfactor van twee toe te kennen.

 

Voor de innovativiteit van het samenwerkingsproces geldt: als er een goed samenwerkingsverband is dan kan hier drie punten worden gescoord. Voor nieuwe of bijzondere verbanden en verbintenissen kunnen extra punten gegeven worden.

 

Voor de beoordeling van het onderwerp van de samenwerking/de beoogde innovatie zelf geldt: het gaat om de meerwaarde die de innovatie heeft, in de zin dat het gaat om het verschil dat het product (of dienst, proces, procedé enzovoort.) zelf te weeg kan brengen. Betreft de beoogde innovatie slechts een zeer geringe aanpassing van een bestaand product (of dienst, proces, procedé enzovoort.), dan wordt er geen punt toegekend. Betreft de beoogde innovatie bijvoorbeeld een geheel of vrijwel geheel nieuw product (of dienst, proces, procedé enzovoort.), dan zullen vier of vijf punten toegekend worden. Uitgangspunt hierbij is de indeling van de TU Delft in niveaus van innovatie waarbij geldt dat er meer punten gescoord kunnen worden naarmate de beoogde verandering groter is (dus van optimalisatie naar transitie loopt het mogelijke aantal punten op) :

 

  • Optimalisatie; een proces of activiteit beter en/of efficiënter later verlopen dan vroeger. Voorbeeld: gebruik van gewasbeschermingsmiddelen afstemmen op ziektedruk en weersomstandigheden.

  • Neveneffecten verminderen: activiteit zó veranderen dat er bijvoorbeeld minder emissies zijn. Voorbeeld: andere middelen gebruiken en preciezer toedienen.

  • Structureel vernieuwen; activiteit echt anders aanpakken. Voorbeeld: andere rassen en/of gewassen telen, die ziektedruk beter aankunnen en daarmee minder beschermingsmiddelen nodig hebben.

  • Transitie: Iets heel anders gaan doen om hetzelfde doel te bereiken. Voorbeeld: omschakelen naar een compleet andere manier/systeem van gewassen telen die past binnen natuurinclusieve landbouw.

 

  • D.

    Mate van efficiëntie - wegingsfactor: 2

Efficiëntie betreft een goede onderbouwing van de voorziene kosten en uren en het benutten van bestaande kennis en kunde. Dit criterium heeft een wegingsfactor van twee.