Provinciaal blad van Limburg

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
LimburgProvinciaal blad 2018, 1276Beleidsregels



Beleidsregel natuurcompensatie 2018

Gedeputeerde Staten van Limburg,

maken ter voldoening aan het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht en de Provinciewet bekend dat zij in hun vergadering van 30 januari 2018 hebben vastgesteld:

 

BELEIDSREGEL NATUURCOMPENSATIE 2018

 

  • Provinciale Staten van Limburg hebben op 12 december 2014 het POL2014, de Omgevingsverordening Limburg 2014 en op 15 december 2017 de gewijzigde Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld waarin op hoofdlijnen is vastgelegd hoe omgegaan dient te worden met compensatie van natuur- en landschapswaarden.

     

  • Artikel 2.6.7, tweede lid, van de Omgevingsverordening Limburg 2014 bepaalt dat Gedeputeerde Staten beleidsregels vaststellen voor de wijze waarop de compensatie als bedoeld in artikel 2.6.3 van de verordening dient te worden uitgevoerd.

     

  • Deze beleidsregel is een verdere uitwerking van dit compensatiebeleid.

Deel 1 Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • a.

    Activiteit: een handeling die nadelige effecten heeft op natuurwaarden als bedoeld onder i.

  • b.

    Beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg: het gebied dat op kaart 4 Beschermingszones natuur en landschap, behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014, is aangeduid als Beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg.

  • c.

    Bronsgroene landschapszone: het gebied dat op kaart 4 Beschermingszones natuur en landschap, behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014, is aangeduid als Bronsgroene landschapszone.

  • d.

    Compensatieplan: het plan behorende bij de overeenkomst waarin onder meer beschreven wordt waar, wanneer, voor welke soorten en biotopen en hoe de compensatie gerealiseerd wordt.

  • e.

    Compensatie: de aanleg van natuur- en bosgebieden en landschapselementen die het verlies in omvang en in kwaliteit van natuurwaarden als gevolg van een activiteit onder a. ongedaan maakt.

  • f.

    Goudgroene natuurzone: het gebied dat op kaart 4 Beschermingszones natuur en landschap, behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014, is aangeduid als Goudgroene natuurzone.

  • g.

    Initiatiefnemer: een rechtspersoon of natuurlijk persoon die een activiteit uitvoert in een gebied met natuurwaarden.

  • h.

    Kernkwaliteiten: de kernkwaliteiten van de Zilvergroene natuurzone, de Bronsgroene landschapszone en van het Beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg, zoals beschreven in de bijlagen bij respectievelijk artikel 2.13.2, vierde lid, artikel 2.7.2, derde lid en artikel 2.8.2, derde lid van de Omgevingsverordening Limburg 2014.

  • i.

    Kwaliteitstoeslag: de oppervlakte aan natuur welke additioneel is aan de verloren gegane oppervlakte aan natuur met als doel om het als gevolg van een activiteit als bedoeld onder a ontstane verlies aan natuurwaarden dat moeilijk of slechts na lange ontwikkelingstijd te realiseren is, te compenseren.

  • j.

    Natuurwaarden:

    • alle terreinen en landschapselementen die van overheidswege bescherming genieten als natuurgebied met het oog op natuurbehoud en/of behoud van soorten;

    • alle landschapselementen die van overheidswege een beschermde status hebben op grond van hun landschappelijke waarde en

    • alle bosgebieden en opgaande groene elementen die onder de Wet natuurbescherming vallen en gelegen zijn in de Zilvergroene natuurzone, de Bronsgroene landschapszone en in het Beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg.

  • k.

    Overeenkomst: een schriftelijke vastgelegde afspraak tussen initiatiefnemer en Provincie Limburg aangaande de compensatie.

  • l.

    Ruimtelijk plan:

  • m.

    Wezenlijke kenmerken en waarden:

    • voor bestaande natuurgebieden: de actueel aanwezige natuurbeheertypen en de nagestreefde natuurdoeltypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het Provinciaal Natuurbeheerplan en

    • voor te realiseren natuurgebieden: de nagestreefde natuurdoeltypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het Provinciaal Natuurbeheerplan.

  • n.

    Zilvergroene natuurzone: het gebied dat op kaart 4 Beschermingszones natuur en landschap, behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014, is aangeduid als Zilvergroene natuurzone.

Artikel 2. Toepassingsbereik beleidsregel

Deze beleidsregel is van toepassing indien voorafgaand aan de activiteit is vastgesteld dat:

  • 1.

    de wezenlijke kenmerken en waarden van de Goudgroene natuurzone worden vernietigd, verstoord en/of versnipperd en/of;

  • 2.

    de kernkwaliteiten “groene karakter” van de Zilvergroene natuurzone, de Bronsgroene landschapszone en/of van het Beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg worden vernietigd, verstoord en/of versnipperd.

Artikel 3. Aanpak compensatie

  • 1.

    Een activiteit in één of meerdere van de in artikel 2, onder 1 genoemde gebieden dient in beginsel financieel gecompenseerd te worden op de wijze als beschreven in deel 2 van deze beleidsregel.

  • 2.

    Indien financiële compensatie als bedoeld in het eerste lid niet mogelijk is of om andere redenen niet de voorkeur heeft, vindt compensatie in natura plaats op de wijze als beschreven in deel 3 van deze beleidsregel.

  • 3.

    Voor zover sprake is van een activiteit in de gebieden zoals bedoeld in artikel 2, onder 2 vindt compensatie in natura plaats op de wijze als beschreven in deel 3 van deze beleidsregel.

Artikel 4. Bepalen van de compensatieopgave

  • 1.

    Natuur in de Goudgroene natuurzone is ingedeeld in 4 categorieën:

    • 1.

      snel vervangbaar, ontwikkelingstijd < 2 jaar;

    • 2.

      gemakkelijk vervangbaar, ontwikkelingstijd < 25 jaar;

    • 3.

      matig vervangbaar; ontwikkelingstijd 25-100 jaar;

    • 4.

      moeilijk of niet vervangbaar; ontwikkelingstijd > 100 jaar.

    In bijlage 1 bij deze beleidsregel is de natuur ingedeeld per categorie.

  • 2.

    Voor activiteiten die plaatsvinden in de Goudgroene natuurzone gelden, bovenop de vereiste één-op-één compensatie, de volgende kwaliteitstoeslagen:

    • a.

      Voor natuur in categorie 1 geldt, gezien de korte ontwikkelingstijd en de doorgaans eenvoudig te realiseren abiotische randvoorwaarden, géén kwaliteitstoeslag.

    • b.

      Voor natuur in categorie 2 geldt, gezien de langere ontwikkelingstijd en de doorgaans moeilijker te realiseren abiotische randvoorwaarden, een kwaliteitstoeslag van 33%.

    • c.

      Voor natuur in categorie 3 geldt, gezien de lange ontwikkelingstijd en de doorgaans moeilijk te realiseren abiotische randvoorwaarden, een kwaliteitstoeslag van 66%.

    • d.

      Voor natuur in categorie 4 geldt, gezien de natuurwaarden die slechts na ingrijpende inspanningen en een zeer lange ontwikkelingstijd hersteld kunnen worden en de doorgaans complexe abiotische randvoorwaarden, een kwaliteitstoeslag van 66 - 100%.

  • 3.

    In afwijking van het bepaalde in het tweede lid geldt voor naaldhoutbos zonder bijzondere natuurwaarden, zoals nader aangeduid op de digitale kaart Naaldbos zonder bijzondere natuurwaarden (zie www.limburg.nl/e_Loket/Atlas_Limburg/Thematische_viewers/Natuur_en_Landschap), geen kwaliteitstoeslag bovenop de één-op-één compensatie.

  • 4.

    Indien de activiteit plaatsvindt in het Beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg en dit gebied niet gelegen is in de Goudgroene natuurzone, geldt er geen kwaliteitstoeslag bovenop de één-op-één compensatie als bedoeld in de aanhef van het tweede lid van dit artikel.

  • 5.

    Indien de activiteit plaatsvindt in de Zilvergroene natuurzone of in de Bronsgroene landschapszone geldt er geen kwaliteitstoeslag bovenop de één-op-één compensatie als bedoeld in de aanhef van het tweede lid van dit artikel.

Deel 2 Financiële compensatie

Artikel 5. Voorwaarden bij financiële compensatie

  • 1.

    Gedeputeerde Staten stellen in het eerste kwartaal van elk kalenderjaar de hoogte van het normbedrag vast per hectare voor financiële compensatie.

  • 2.

    De initiatiefnemer stort de verplichte financiële compensatie op het bankrekeningnummer NL08 RABO 013.25.75.728 ten name van de Provincie Limburg en onder vermelding van de projectnaam.

  • 3.

    De storting van de financiële compensatie als bedoeld in het tweede lid dient te geschieden binnen 60 dagen na ondertekening van de overeenkomst als bedoeld in artikel 6, eerste lid.

  • 4.

    Financiële compensatie is niet mogelijk indien een activiteit in of nabij Natura2000-gebieden, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden een (significant) negatief effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen voor deze gebieden.

Artikel 6. Overeenkomst

  • 1.

    De financiële compensatieverplichting als bedoeld in artikel 5, tweede lid, wordt vastgelegd in een overeenkomst.

  • 2.

    De concept-overeenkomst is gekoppeld aan het ruimtelijk plan en dient bij het vooroverleg als bedoel in art 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening aan de Provincie Limburg te worden voorgelegd.

Deel 3 Compensatie in natura

Artikel 7. Uitvoering compensatieverplichting

Voor compensatie in natura gelden de volgende voorwaarden:

  • a.

    de verantwoordelijkheden voor de uitvoering van het compensatieplan zijn vastgelegd in een overeenkomst;

  • b.

    door de uitvoering van de compensatie ontstaat een duurzame situatie;

  • c.

    de overeenkomst en het compensatieplan voldoen aan de in de artikelen 4 en 8 tot en met 11 vermelde criteria en richtlijnen;

  • d.

    de concept-overeenkomst en het compensatieplan is gekoppeld aan het ruimtelijk plan en dienen uiterlijk in het kader van het vooroverleg als bedoel in art 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening aan de Provincie Limburg te worden voorgelegd.

Artikel 8. Criteria voor toetsing van de overeenkomst en het compensatieplan

Het uitgangspunt is geen nettoverlies aan natuurwaarden, voor wat betreft areaal, kwaliteit en samenhang. De overeenkomst en het compensatieplan worden door Gedeputeerde Staten beoordeeld op adequate invulling van de volgende onderdelen:

  • a.

    de compensatie dient te voldoen aan het gestelde in artikel 4;

  • b.

    het tijdstip van de realisatie van de compensatie voldoet aan het gestelde in artikel 9;

  • c.

    de locatie van de compensatie voldoet aan de eisen in artikel 10;

  • d.

    de waarborging en tijdige uitvoering voldoen aan de eisen in artikel 11;

  • e.

    juiste afstemming op andere overheidsregelingen en -plannen ten aanzien van natuur, bos en landschap conform artikel 12 en artikel 13;

  • f.

    het compensatieplan geeft inzicht in de inrichting van de compensatielocatie en het te voeren (aanloop)beheer;

  • g.

    een topografische kaart met daarop de locatie van de compensatie, de kadastrale percelen en de ligging van aangrenzende en omliggende natuur- en bosgebieden met een schaal van 1:10.000.

Artikel 9. Realisatietermijn compenserende maatregelen

  • 1.

    De initiatiefnemer meldt aan de Provincie Limburg de voltooiing van de compensatie.

  • 2.

    De compensatie dient gereed te zijn voor aanvang van de activiteit.

Artikel 10. Locatie van compensatie

  • 1.

    Compensatie vanwege een activiteit in de Goudgroene natuurzone dient binnen de provincie Limburg in de Goudgroene natuurzone (areaaluitbreiding) uitgevoerd te worden en onder de voorwaarde dat er een duurzame situatie ontstaat in de Goudgroene natuurzone.

  • 2.

    Compensatie vanwege een activiteit in de Zilvergroene natuurzone of in de Bronsgroene landschapszone dient in de Zilvergroene natuurzone of in de Bronsgroene landschapszone te worden gerealiseerd.

  • 3.

    Compensatie vanwege een activiteit in het Beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg dient in het Beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg te worden gerealiseerd.

Artikel 11. Waarborging zorgvuldige en tijdige uitvoering

  • 1.

    Een initiatiefnemer, overheden hier niet onder begrepen, draagt uiterlijk op de datum van ondertekening van de overeenkomst zorg voor een bankgarantie ten gunste van de Provincie Limburg, die voldoende hoog is om de volledige uitvoeringskosten van de compensatiemaatregelen (inclusief de kwaliteitstoeslag conform artikel 4) te kunnen dekken. Onder de volledige kosten van de uitvoering van de compensatiemaatregelen worden in ieder geval begrepen de kosten van grondverwerving, inrichting, beheer gedurende 10 jaar na voltooiing van de inrichting en alle daarmee samenhangende overheadkosten.

  • 2.

    De bij de bepaling van de hoogte van de bankgarantie te hanteren standaardbedragen en normkosten worden geïndexeerd aan de hand van de werkelijke prijspeilontwikkeling van de afzonderlijke onderdelen. Hierbij zal voor de grondverwervingskosten gebruik worden gemaakt van de grondprijs in de provincie Limburg.

  • 3.

    Initiatiefnemer dient aanvullend op de bankgarantie een waarborgsom ten bedrage van 50% van de bankgarantie als bedoeld in het eerste en tweede lid van deze bepaling te storten op het bankrekeningnummer NL08 RABO 013.25.75.728 ten name van de Provincie Limburg en onder vermelding van de projectnaam.

  • 4.

    De bankgarantie is afbouwend. Op het moment dat de compensatie overeenkomstig het compensatieplan is uitgevoerd zal het bedrag van de bankgarantie verminderd worden met een derde deel. Indien na 5 jaar, bij de tweede veldcontrole, blijkt dat de compensatie overeenkomstig het compensatieplan in stand wordt gehouden vermindert opnieuw het bedrag van de bankgarantie met een derde deel. Het resterende deel van de bankgarantie vervalt na 10 jaar als uit veldcontrole is gebleken dat het beheer overeenkomstig het beheerplan is uitgevoerd.

  • 5.

    Indien compensatie niet (geheel) vóór de start van de activiteit is gerealiseerd valt de bankgarantie in zijn geheel toe aan de Provincie Limburg die daarmee binnen een termijn van drie jaar (het ontbrekende deel van) de compensatie laat uitvoeren.

  • 6.

    De initiatiefnemer spant zich ertoe in (inspanningsverplichting) dat uiterlijk gelijktijdig met het uitvoeren van het compensatieplan de daarmee ontstane bos-, natuur- en landschapswaarden planologisch zijn beschermd in een bestemmingsplan.

Artikel 12. Afstemming met andere verplichtingen

  • 1.

    Uitvoering van compensatie in natura in gebieden waar al concreet vastgelegde verplichtingen liggen tot het realiseren van natuur, bos en/of landschapselementen is niet toegestaan en zal niet erkend worden als (onderdeel van) de uitvoering van een verplichting tot compensatie als bedoeld in deze beleidsregel.

  • 2.

    Compensatie in gebieden waarbij in de financiering van de aanleg van bos-, natuur- en landschapswaarden reeds op andere wijze is voorzien, wordt voor dat deel niet beschouwd als onderdeel van uitvoering van een compensatieverplichting ter zake waarvan de overeenkomst wordt gesloten.

  • 3.

    Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing in die gevallen waarbij de Provincie Limburg ingevolge artikel 5, tweede lid, van deze beleidsregel reeds tot uitvoering van natuurcompensatie is overgegaan.

  • 4.

    Voor de uit te voeren compensatiewerken dienen de vereiste toestemmingen, ontheffingen en/of vergunningen en dergelijke van overheidswege verkregen te zijn.

Deel 4 Algemene slotbepalingen

Artikel 13. Afstemming met eerdere regelingen

Indien eerder in een ander verband een sluitende regeling is getroffen voor de compensatie van natuurwaarden en voor zover deze regeling voldoet aan de vereisten van voorliggende beleidsregel, dan zal de reeds afgesloten regeling tevens beschouwd worden als een invulling van deze beleidsregel. Dit is ter beoordeling aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 14. Overgangsbepaling

  • 1.

    Deze beleidsregel is niet van toepassing op ruimtelijke plannen die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening Limburg 2014 zijn vastgesteld of in ontwerp ter inzage zijn gelegd.

  • 2.

    Indien een compensatieplan, opgesteld op basis van de Beleidsregel mitigatie en compensatie natuurwaarden van 6 september 2005, nog niet in uitvoering is, kan de compensatieverplichting op verzoek van de initiatiefnemer en met instemming van Gedeputeerde Staten alsnog onder de werkingssfeer van deze beleidsregel worden gebracht.

  • 3.

    Deze beleidsregel is niet van toepassing op ruimtelijke plannen in de Zilvergroene natuurzone die vóór de inwerkingtreding van de Wijzigingsverordening Paragraaf 2.13 Zilvergroene natuurzone van de Omgevingsverordening Limburg 2014 zijn vastgesteld of in ontwerp ter inzage zijn gelegd.

Artikel 15 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na bekendmaking in het Provinciaal Blad.

  • 2.

    De beleidsregel ‘natuurcompensatie 24 maart 2015’ wordt bij inwerkingtreding van deze beleidsregel ingetrokken.

  • 3.

    Deze beleidsregel kan worden aangehaald als ‘Beleidsregel natuurcompensatie 2018.’

     

Aldus besloten in de vergadering van Gedeputeerde Staten, gehouden op 30 januari 2018.

Gedeputeerde Staten voornoemd

de voorzitter,

dhr. drs. Th.J.F.M. Bovens

secretaris

dhr. drs. G.H.E. Derks MPA

TOELICHTING

1. Beleidsmatige verankering van de beleidsregel

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is door het Rijk vastgelegd dat de provincie verantwoordelijk is voor de begrenzing van het Nationaal Natuur Netwerk (NNN) en dat de begrenzing en bescherming van het NNN dient vast te leggen in een provinciale verordening. In Limburg is het NNN in het POL2014 en de Omgevingsverordening Limburg 2014 als Goudgroene natuurzone vastgelegd. Provinciale Staten hebben het POL2014 en de Omgevingsverordening Limburg 2014 op 12 december 2014 vastgesteld.

Met de Omgevingsverordening heeft de Provincie Limburg invulling gegeven aan het beschermingsregime op basis van de Barro en de daarin verwoorde ‘Spelregels EHS’.

 

In de Omgevingsverordening Limburg 2014 is opgenomen dat ingeval van verlies of aantasting van natuurwaarden in de Goudgroene natuurzone, respectievelijk van de kernkwaliteiten “groene karakter” in de Zilvergroene natuurzone, de Bronsgroene landschapszone of in het Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg er invulling gegeven moet worden aan compensatie van de negatieve effecten. Daarbij wordt verwezen naar de Beleidsregel natuurcompensatie.

Met voorliggende beleidsregel geeft de Provincie Limburg invulling aan het natuurcompensatiebeleid uit de Omgevingsverordening.

 

Op 15 december 2017 hebben Provinciale Staten de Wijzigingsverordening Paragraaf 2.13 Zilvergroene natuurzone van de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Dit betekent dat ook binnen de Zilvergroene natuurzone ingeval van een aantasting van de kernkwaliteiten “groene karakter” als gevolg van een ruimtelijk plan de Beleidsregel natuurcompensatie van toepassing is.

2. Inbedding in planologische procedures

De toepassing van de beleidsregel natuurcompensatie (hierna: beleidsregel) is gekoppeld aan de compensatieverplichting als bedoeld in artikel 2.6.3 van de Omgevingsverordening. Artikel 2.6.7 van de Omgevingsverordening schrijft voor dat beleidsregels worden opgesteld omtrent de wijze van uitvoering van deze compensatieverplichting en met onderhavige beleidsregel is hieraan invulling gegeven.

Voor de Goudgroene natuurzone geldt dat artikel 2.6.2 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 verbiedt dat een ruimtelijke plan nieuwe activiteiten of wijzigingen van bestaande activiteiten toestaat die de wezenlijke kenmerken en waarden van deze natuurzone aantasten. Met toepassing van de compensatieregeling uit artikel 2.6.3 van de Omgevingsverordening - ingekaderd door deze beleidsregel - kan ten aanzien van ontwikkelingen van groot openbaar belang dit verbod evenwel worden opgeheven.

 

Uit de systematiek van de Omgevingsverordening Limburg 2014 volgt dat het bepaalde in artikel 2.6.2 van de Omgevingsverordening rechtstreeks doorwerkt naar gemeentebesturen. Dit betekent dat zij bij het opstellen van bestemmingsplannen en het verlenen van omgevingsvergunningen rekening moeten houden met het in artikel 2.6.2 van de Omgevingsverordening opgenomen verbod tot aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van de Goudgroene natuurzone. In de toelichting bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 (hoofdstuk 2) wordt op het aspect van de reikwijdte van de verordening nader ingegaan.

 

Projecten waarbij compensatie in de Goudgroene natuurzone aan de orde is, dienen altijd de vereiste planologische procedure te doorlopen. Bescherming van de Goudgroene natuurzone is onder de werking van het POL2014 een provinciaal (ruimtelijk) belang waar de Provincie Limburg de haar voorgelegde ruimtelijke plannen op toetst. Dit geldt ook voor ruimtelijke plannen waarbij met toepassing van artikel 2.6.3 van de Verordening activiteiten worden toegestaan die de wezenlijke kenmerken en waarden van de Goudgroene natuurzone aantasten en waarbij compensatie noodzakelijk is. De planologische aanvaardbaarheid van de ingreep en de wijze waarop de compensatie wordt gerealiseerd, wordt beoordeeld in het vooroverleg omtrent een ruimtelijk plan als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Om een zorgvuldige afweging te kunnen maken, dient bij compensatie in natura een gelijktijdige behandeling plaats te vinden van zowel het ruimtelijk plan waarin de 'aantasting' is geregeld als het ruimtelijk plan waarin de compensatie is geregeld. Afhankelijk van de uitkomst van het vooroverleg, kan er in het vervolg van de planologische procedure aanleiding zijn tot het indienen van een zienswijze of het instellen van (hoger) beroep op dit onderdeel. De intentie van de Provincie Limburg is er echter op gericht om in goed overleg tot een invulling van de compensatieverplichting te komen. Initiatiefnemer en gemeenten kunnen in dat verband altijd advies vragen bij de Provincie Limburg.

 

In relatie tot de toepasselijkheid van deze beleidsregel zal altijd eerst de vraag moeten worden beantwoord of de wezenlijke waarden en kenmerken in de Goudgroene natuurzone door de activiteit worden aangetast. Toepassing van de compensatieregeling als vervat in deze beleidsregel, veronderstelt dat uiterlijk in het kader van het vooroverleg door initiatiefnemer wordt bezien op welke wijze de aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken in de Goudgroene natuurzone zoveel mogelijk voorkomen dan wel gemitigeerd kan worden.

 

Voor zover er toch sprake is van aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken, moet overeenkomstig het in artikel 2.6.3 van de Omgevingsverordening opgenomen afwegingskader inzicht worden geboden in de noodzaak voor die activiteit op die plaats. Dit betekent dat de initiatiefnemer moet aantonen dat er sprake is van ‘redenen van groot openbaar belang’ en dat er geen haalbare alternatieve locaties of alternatieven voor de activiteit bestaan. Indien de activiteit op de voorgestelde plaats toelaatbaar wordt geacht, dient zorgvuldig te worden bezien hoe de aantasting zoveel als mogelijk kan worden beperkt (mitigatie) en voor het overige kan worden gecompenseerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat de initiatiefnemer zo concreet mogelijk de schadelijke invloeden in beeld brengt.

De wezenlijke kenmerken en waarden van de Goudgroene zone zijn volgens de Omgevingsverordening vastgelegd in de beheertypenkaart en in de ambitiekaart van het Provinciaal Natuurbeheerplan. Beide kaarten vormen de kern van het Provinciaal Natuurbeheerplan. De beheertypenkaart brengt in beeld wat de actuele situatie is. De ambitiekaart geeft de gewenste eindsituatie (ambitie) aan. De wezenlijke actuele en potentiële waarden van het gebied zijn in het licht van natuurdoelen en -kwaliteit bijvoorbeeld: de geomorfologische en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, stilte, donkerte, openheid of juist geslotenheid van de landschapsstructuur.

 

Voor de Bronsgroene landschapszone, het Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg en de Zilvergroene landschapszone geldt het verbod genoemd in artikel 2.6.2 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 niet. Wel dient de toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de drie genoemde zones een beschrijving te bevatten van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Dit volgt uit de artikelen 2.7.2, eerste lid, 2.8.2, eerste lid, respectievelijk 2.13.2, eerste en tweede lid van de Omgevingsverordening Limburg 2014. Uit deze artikelen blijkt eveneens dat bij de compensatie van de negatieve effecten op de natuurwaarden (kernkwaliteiten) onderhavige beleidsregel wordt gevolgd.

Wet natuurbescherming (Wnb)

Voor activiteiten in of binnen de invloedsfeer van de Natura 2000-gebieden kan een vergunning vereist zijn op grond de Wnb. Initiatiefnemers moeten een habitattoets maken van de gevolgen van een activiteit voor het gebied voor zover er sprake is van een kans op (significante) effecten op de instandhoudingsdoelstelling van het gebied. Voor de Natura 2000-gebieden geldt dat ingrepen met significant negatieve effecten alleen mogen worden toegestaan indien er geen alternatief is voor de activiteit en indien er dwingende redenen van groot openbaar belang zijn, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. Alle compenserende maatregelen dienen ervoor te zorgen dat de algehele samenhang van de Natura 2000-gebieden bewaard blijft.

3. Belangrijkste randvoorwaarden van de beleidsregel

Van groot belang is dat de compensatie voor aanvang van de activiteit gerealiseerd is. Dit dient geregeld te worden door middel van een overeenkomst tussen de Provincie Limburg en de initiatiefnemer (al dan niet tevens met de toekomstige terreinbeheerder).

 

De bankgarantie komt voor één derde te vervallen zodra de compenserende maatregelen overeenkomstig het compensatieplan zijn uitgevoerd. Indien de instandhouding in de daarop volgende 5 jaar overeenkomstig het compensatieplan wordt uitgevoerd, vervalt opnieuw éénderde van de bankgarantie. Het resterende deel van de bankgarantie vervalt na 10 jaar. Wanneer blijkt dat de initiatiefnemer niet voor aanvang van de activiteit de compensatie geheel en naar behoren heeft gerealiseerd vervalt de gehele bankgarantie aan de Provincie Limburg. Vervolgens wordt opdracht gegeven tot het alsnog realiseren van de compensatiewerken.

 

Voor gevallen die een langere bouwperiode of doorlooptijd kennen, bijvoorbeeld ontgrondingen, geldt het uitgangspunt dat de compensatie gelijk opgaand met en gekoppeld aan de voortschrijdende ingreep gerealiseerd moet worden, mits de aard van de aangetaste natuurwaarden dit toelaat.

 

De aard en omvang van de compensatie dient te zijn gebaseerd op de kwaliteiten van de abiotische en biotische waarden die verloren gaan als gevolg van de activiteit. Deze verloren gegane waarden kunnen worden geobjectiveerd via de lijst van natuurdoeltypen (zie bijlage 1). De omvang van de te realiseren natuurcompensatie en de daarop afgestemde financiële zekerheidsstelling dient te zijn gebaseerd op de lijst in bijlage 1. Belangrijk criterium is de tijd die nodig is voor herontwikkeling van de natuurdoeltypen. De kwaliteitstoeslag dient additioneel te zijn op de één-op-één compensatie.

 

Natuur-, bos- en landschapsprojecten die al lopen kunnen niet onder de noemer van compensatie worden gebracht. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor afwerkingsplannen van ontgrondingen en vuilstorten of andere projecten die uit hoofde van wet- of regelgeving worden uitgevoerd. Projecten die met subsidie worden uitgevoerd komen evenmin in aanmerking voor compensatie. Zie in dit kader tevens de toelichting bij artikel 12.

 

Gedeputeerde Staten zullen bij de beoordeling van een ruimtelijk plan onder meer in hun beoordeling mee laten wegen of de uitvoering van de compensatiemaatregel voldoende gegarandeerd is. Bij de beoordeling of uitvoering in voldoende mate is zeker gesteld, zijn cruciale criteria:

  • de solvabiliteit van de initiatiefnemer (is hij financieel bij machte de compensatie uit te voeren);

  • de mogelijkheid om bij het in gebreke blijven van de initiatiefnemer, de compensatie op diens kosten te laten uitvoeren. Hiertoe dient een bankgarantie te worden afgegeven en bindende afspraken over het eindbeheer te worden gemaakt.

Het is aan de initiatiefnemer om, ingeval van compensatie in natura, inzicht te bieden in de kosten die zullen zijn gemoeid met de compensatie. De Provincie Limburg zal deze kostenberekening beoordelen.

4. Taken van de belangrijkste actoren

Bij de toepassing van deze beleidsregel zijn diverse actoren betrokken. De initiatiefnemer en de Provincie Limburg gelden daarbij als belangrijkste actoren en ten aanzien van hen zijn de belangrijkste (aanvullende) taken in het proces hieronder nogmaals beknopt op een rij gezet. Daarbij is tevens onderscheid gemaakt tussen compensatie in natura en financiële compensatie.

4.1 Taken van de initiatiefnemer

 

Algemene taken:

  • 1.

    deugdelijke motivering van de activiteit;

  • 2.

    voldoende en betrouwbare gegevens over de natuurwaarden in het gebied van de activiteit, dat wil zeggen: vlak dekkende en actuele inventarisaties van flora en fauna door een goed onderlegde ecoloog;

  • 3.

    het zoeken van alternatieve locaties voor de voorgenomen activiteit zodra duidelijk is dat de voorgenomen activiteit leidt tot aantasting van natuurwaarden. Daarbij mag de initiatiefnemer zich niet beperken tot locaties die bij de initiatiefnemer en/of diens bedrijf en/of diens organisatie in bezit zijn. Initiatiefnemer dient ook geheel andere, eveneens in principe geschikte, alternatieve locaties te zoeken, beoordelen en te beschrijven;

  • 4.

    het aantonen van de economische haalbaarheid van de voorgenomen activiteit en de bijbehorende compensatiemaatregelen.

  • 5.

    De initiatiefnemer heeft de plicht te zorgen voor een ontwerpovereenkomst conform deze beleidsregel. Het raamwerk voor de overeenkomst is op te vragen bij cluster Natuur en water.

Aanvullende taken in geval van financiële compensatie:

De initiatiefnemer heeft in het kader van de op te stellen overeenkomst de plicht te zorgen voor:

  • 1.

    een ontwerpovereenkomst inclusief de berekening van het verschuldigde bedrag;

  • 2.

    tijdige, d.w.z. binnen 60 dagen na ondertekening van de overeenkomst overmaking van het verschuldigde bedrag aan de Provincie Limburg op een daartoe bestemd rekeningnummer.

Aanvullende taken in geval van compensatie in natura:

De initiatiefnemer heeft in het kader van de op te stellen overeenkomst de plicht te zorgen voor:

  • 1.

    een ontwerpovereenkomst inclusief de berekening van de kosten van de compenserende maatregelen;

  • 2.

    het realiseren van de compensatiewerken vooraf aan de ingreep;

  • 3.

    het beheer gericht op de ontwikkeling van de beoogde natuurwaarden gedurende 10 jaar;

  • 4.

    het zekerstellen dat het natuurgericht beheer ook in de periode daarna gewaarborgd is, bijvoorbeeld door overdracht van het compensatiegebied aan een overheidsorganisatie of een particuliere organisatie die in een openbaar register heeft vastgelegd te zullen zorgen voor instandhouding van de op haar terreinen aanwezige natuurwaarden;

  • 5.

    een bankgarantie plus een aanvullende waarborgsom conform artikel 11.

  • 6.

    een duurzame bescherming van de gerealiseerde compenserende voorzieningen in een ruimtelijk plan (door middel van bestemming: natuur- of bosgebied of landschapselement) door te voeren.

4.2 Taken van de Provincie Limburg

 

Algemene taken:

De Provincie Limburg toetst conform haar rol met betrekking tot de ruimtelijke ordening in het vooroverleg met de gemeente (ex art. 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) of kan worden ingestemd met het ruimtelijk plan en de daarin opgenomen bestemmingswijziging die leidt of kan leiden tot aantasting, vernietiging, verstoring of versnippering van natuurwaarden. Dit geldt ook voor omgevingsvergunning waarbij een compensatieplicht aan de orde is.

 

In geval van financiële compensatie:

  • 1.

    De Provincie Limburg toetst de (ontwerp)overeenkomst.

  • 2.

    De Provincie Limburg boekt van de voorraad gerealiseerde Goudgroene natuur af het aantal hectares en het daarmee corresponderende bedrag. Een en ander is gelabeld aan de activiteit.

In geval van compensatie in natura:

  • 1.

    De Provincie Limburg toetst het (ontwerp) compensatieplan en de (ontwerp)overeenkomst.

     

  • 2.

    De Provincie Limburg monitort de uitvoering van de overeenkomst. Er vinden minimaal drie veldcontroles plaats. De eerste controle wordt zo spoedig mogelijk na de realisatie van de compensatie uitgevoerd. De tweede controle zal plaatsvinden vijf jaar na aanleg. De eindcontrole vindt plaats na 10 jaar.

     

  • 3.

    De Provincie Limburg int - voor zover de compensatie door het in gebreke blijven van de daarvoor verantwoordelijke contractpartij niet of niet tijdig is gerealiseerd - de bankgarantie en de aanvullende waarborgsom daarop.

     

  • 4.

    De Provincie Limburg geeft, binnen maximaal 3 jaar, na het innen van de bankgarantie en de aanvullende waarborgsom opdracht tot uitvoering van de in de overeenkomst vereiste compensatiewerken.

5. Toelichting per artikel

Deel 1 Algemene bepalingen

 

Artikel 1. Begripsbepalingen.

Bij landschapswaarden is van belang op te merken dat de bescherming van landschapselementen vrijwel uitsluitend zijn beslag krijgt in gemeentelijke bestemmingsplannen. De landschapselementen kunnen daarin bestemd zijn als natuur- of bosgebied maar ook als landschapselement.

Artikel 2. Toepassingsbereik beleidsregel

Deze beleidsregel is van toepassing op de bestaande landschaps-, bos- en natuurwaarden voor zover deze zijn gelegen binnen de Goudgroene natuurzone, de Zilvergroene natuurzone, de Bronsgroene landschapszone en in het Beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg. Voor de laatste drie gebiedscategorieën is een aantal kernkwaliteiten benoemd. Deze zijn beschreven in de bijlagen bij respectievelijk artikel 2.7.2, derde lid, 2.13.2, vierde lid en artikel 2.8.2, derde lid van de Omgevingsverordening Limburg 2014.

Binnen de Hamsterkernleefgebieden is de beleidsregel alleen van toepassing op percelen die omgezet zijn van een agrarische naar een natuurbestemming en niet voor agrarische gronden binnen het Hamsterkernleefgebied waarop een beheersovereenkomst rust. Zie voor de koppeling van de beleidsregel aan de ruimtelijke procedures tevens par. 2 van de toelichting.

Bescherming Goudgroene natuurzone

In de Omgevingsverordening is vastgelegd dat in principe geen ruimtelijke ingrepen in de Goudgroene natuurzone worden toegestaan. Het uitgangspunt is dat afbreuk van natuur, bos en landschapswaarden dient te worden voorkomen. Indien geoordeeld wordt dat de activiteit van groot openbaar belang is en er geen reëel alternatief is, bijvoorbeeld op een andere locatie of een andere vorm, dan dient voor compensatie conform voorliggende regeling gezorgd te worden.

 

De Goudgroene natuurzone is aangeduid op een kaart bij de Omgevingsverordening. Het betreft hier bestaande bos- en natuurgebieden (waaronder de Habitat-, Vogelrichtlijn gebieden en Natura 2000 -gebieden), areaaluitbreidingen natuur (waar omzetting van landbouw naar natuur is voorzien), gebieden voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer (alleen binnen Natura 2000gebieden), ecologisch water (delen van de Maasplassen), (zone) natuurbeken en overige functies (alleen binnen Natura 2000-gebieden).

 

Voor de gebieden genoemd in de Wet natuurbescherming (Natura 2000-gebieden, Vogel- en Habitatrichtlijngebieden) geldt een ander afwegingskader. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie met als doel het behoud en herstel van de biodiversiteit. Het netwerk omvat alle gebieden die beschermd zijn op grond van de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). De ligging van deze gebieden in de provincie Limburg is te vinden in de POL2014.

 

Voor activiteiten die plaatsvinden in of binnen de invloedsfeer van de gebieden genoemd in de Wet natuurbescherming kan een vergunning vereist zijn op grond van de Wnb. Initiatiefnemers moeten een habitattoets maken van de gevolgen van een activiteit voor het gebied voor zover er sprake is van een kans op (significante) effecten op de instandhoudingsdoelstelling van het gebied. Voor de gebieden genoemd in de Wet natuurbescherming geldt dat ingrepen met significant negatieve effecten alleen mogen worden toegestaan indien er geen alternatief is voor de activiteit en indien er dwingende redenen van groot openbaar belang zijn, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. Alle compenserende maatregelen dienen ervoor te zorgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.

 

Bescherming Zilvergroene natuurzone, Bronsgroene landschapszone en Nationaal landschap Zuid-Limburg

Voor natuurwaarden in de Zilvergroene natuurzone, in de Bronsgroene landschapszone en in het Beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg die als zodanig in een vigerend bestemmingsplan zijn opgenomen of onder de werkingssfeer van de Wet natuurbescherming vallen, geldt een zorgvuldige belangenafweging. Voor de (zone) natuurbeken in de Zilvergroene natuurzone, in de Bronsgroene landschapszone en in het Beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg geldt eveneens het vereiste van een zorgvuldige belangenafweging.

 

Het uitgangspunt is dat afbreuk van natuur, bos en landschapswaarden dient te worden voorkomen. Indien er toch sprake is van vernietiging, verstoring en versnippering van natuurwaarden is deze beleidsregel van toepassing.

Vernietiging, verstoring en versnippering

De compenserende maatregelen dienen ter vervanging van optredend verlies van natuurwaarden en moeten derhalve nauwkeurig zijn toegesneden op de aard en omvang van de effecten van de uit te voeren activiteit. De aard van de ingrepen kan ingedeeld worden in drie categorieën:

Vernietiging

De activiteit vindt plaats in het natuur-, bos- en landschapsgebied waardoor natuurwaarden verdwijnen.

Verstoring

Verstoring treedt op indien een activiteit in/bij een natuur-, bos- en landschapsgebied blijvende uitstralingseffecten heeft op dat natuur-, bos- en landschapsgebied. Voorbeelden hiervan zijn: licht, geluid, trilling, betreding, visuele hinder en grondwaterstandverlaging.

Versnippering

De activiteit kan het leefgebied van plant- en diersoorten splitsen in kleinere eenheden (snippers of fragmenten) leefgebied. De ecologische relaties binnen een leefgebied of tussen delen van het leefgebied raken hierdoor verstoord of worden zelfs onmogelijk gemaakt. Dit kan een negatieve invloed hebben op de verplaatsingsmogelijkheden van planten en dieren en het kan er toe leiden dat het leefgebied van enkele diersoorten te klein wordt waardoor ze in hun voortbestaan worden bedreigd.

 

Als richtlijn kan worden aangehouden dat in het geval van vernietiging de meest effectieve compensatie neerkomt op minimaal oppervlakte behoud van bestaande natuur-, bos- en landschapsgebieden. In het geval van verstoring kan onder meer worden gedacht aan het verhogen van de kwaliteit van de natuur-, bos- en landschapsfuncties. In het geval van versnippering kan worden gedacht aan het herstel van bestaande en de realisatie van nieuwe ecologische verbindingen.

Relatie met soortenbescherming

Mitigatie en compensatie voor schade toegebracht aan soorten wordt niet via de lijn van de ruimtelijke ordening geregeld, maar via de lijn van de Wet natuurbescherming (Wnb).

 

De Wnb gaat ervan uit dat eerst wordt onderzocht in hoeverre aantasting van flora en fauna kan worden voorkomen dan wel kan worden gemitigeerd. Mitigatie bestaat uit het verminderen van nadelige effecten van een activiteit op natuurwaarden door tijdelijke of blijvende voorzieningen te treffen. Indien mitigatie de aantasting niet voldoende kan voorkomen dient aanvullend compensatie plaats te vinden. Eventuele mitigerende en compenserende maatregelen worden vastgelegd in een ontheffing.

 

Het is mogelijk om de compensatieverplichting volgens deze beleidsregel te combineren met de verplichting tot compensatie vanuit de Wet natuurbescherming ter zake van diezelfde activiteit. Uiteraard dient wel voldaan te worden aan de voorwaarden en eisen die worden gesteld vanuit de betreffende wet- of regelgeving.

Artikel 3. Aanpak compensatie

Indien er een initiatief ligt voor een activiteit adviseert de Provincie Limburg in het vooroverleg omtrent een ruimtelijk plan als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening ten aanzien van de overeenkomst.

 

Het is mogelijk dat een initiatiefnemer bijvoorbeeld niet voldoende financiële middelen heeft om te voldoen aan de financiële compensatieplicht, maar wel grond heeft of grond kan verwerven in de Goudgroen areaaluitbreiding. In die situatie kan compensatie in natura plaatsvinden volgens deel 3 van deze beleidsregel.

Financiële compensatie

De Provincie Limburg neemt de compensatieplicht over van de initiatiefnemer. Financiële compensatie biedt de initiatiefnemer de mogelijkheid om op een snelle en eenvoudige manier te voldoen aan de compensatieplicht. Binnen 60 dagen na ondertekening van de overeenkomst kan voldaan zijn aan de compensatieverplichting.

Compensatie in natura

De initiatiefnemer realiseert zelf voorafgaand aan de activiteit natuurcompensatie in de Goudgroene natuurzone. Aan de compensatieplicht is voldaan indien 10 jaar na realisatie uit veldonderzoek door de Provincie Limburg is gebleken dat de initiatiefnemer heeft gezorgd voor de instandhouding van de compensatiemaatregelen overeenkomstig het natuurcompensatieplan.

 

Indien een gebied op voorhand en expliciet met instemming van Gedeputeerde Staten is ingericht voor natuurcompensatie, kan het gebied als compensatiemaatregel worden meegeteld mits het gebied ten behoeve van natuurcompensatieverplichtingen is aangemerkt en is bestemd in een ruimtelijk plan. Voorwaarde is wel dat het gebied gelegen is op een locatie die voldoet aan artikel 10 en de juiste natuurwaarden herontwikkeld worden in de omvang en kwaliteit zoals voorgeschreven in artikel 4 van deze beleidsregel.

 

Artikel 4. Bepalen van de compensatieopgave

Kwaliteitstoeslag

De kwaliteitstoeslag voor gebieden in de Goudgroene natuurzone compenseert het kwaliteitsverlies aan natuurwaarden. Het uitgangspunt is dat door middel van het realiseren van een extra oppervlakte natuurterrein, bos of landschapselement(en) het nettoverlies aan waarden gedurende de periode tussen de uitvoering van de compenserende maatregelen en het moment dat het voor de nieuwe waarden nagestreefde kwaliteitsniveau is bereikt, moet worden overbrugd. De extra oppervlakte - dat wil zeggen de oppervlakte welke additioneel is aan de oppervlakte welke verloren gaat - wordt 'de kwaliteitstoeslag' genoemd. Deze toeslag is afhankelijk van de snelheid waarmee de nagestreefde kwaliteit van de compensatie kan worden gerealiseerd.

 

Voor naaldhoutbos zonder bijzondere natuurwaarden geldt geen kwaliteitstoeslag. Over het algemeen hebben naaldhoutbossen beperkte natuurwaarden en is de biodiversiteit lager dan in meer natuurlijke gebieden. Bij het bepalen welke naaldhoutbossen geen bijzondere natuurwaarden bezitten is aangesloten bij de systematiek die is toegepast bij de Wet Ammoniak en Veehouderij (WAV) om waardevolle naaldhoutbossen te lokaliseren. Op basis van de natuurgegevens van de Provincie Limburg (broedvogels, vegetatie en flora) en op basis van Nationale Databank Flora en Fauna (paddenstoelen, mossen en korstmossen) is bepaald waar eenvormige naaldhoutbossen zonder bijzondere natuurwaarden liggen. Percelen met naaldhoutbossen waar minimaal 1 Rode Lijst broedvogel en minimaal 1 Rode Lijst soort uit de groep flora, paddenstoelen, mossen en korstmossen voorkomt worden niet gerekend tot eenvormig naaldhoutbos. De naaldhoutbossen zonder bijzondere natuurwaarden zijn nader aangeduid op de digitale kaart Naaldbos zonder bijzondere natuurwaarden (zie www.limburg.nl/e_Loket/Atlas_Limburg/Thematische_viewers/Natuur_en_Landschap). Deze kaart wordt eens in de 10 jaar herzien op basis van geactualiseerde natuurgegevens.

 

In het Beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg voor zover dit gebied niet gelegen is in de Goudgroene natuurzone, geldt er geen kwaliteitstoeslag bovenop de één-op-één compensatie vanwege het minder grote belang van de daar aanwezige natuurwaarden voor de ecologische structuur in Limburg.

 

In de Zilvergroene natuurzone en in de Bronsgroene landschapszone geldt eveneens geen kwaliteitstoeslag bovenop de één-op-één compensatie vanwege het minder grote belang van de daar aanwezige natuurwaarden voor de ecologische structuur in Limburg.

Deel 2 Financiële compensatie

Artikel 5. Voorwaarden bij financiële compensatie

De Provincie Limburg realiseert jaarlijks enkele hectaren natuurcompensatie in de Goudgroene natuurzone verspreid over de Provincie Limburg. Deze natuurcompensatie vooraf is mede ingegeven door de ervaring in de praktijk dat het veel tijd en inspanning van een initiatiefnemer vraagt om het gehele natuurcompensatietraject te doorlopen vanaf de planvorming, grondaankoop, uitvoering en het beheer tot 10 jaar na realisatie. Daarnaast is gebleken dat natuurcompensatie vaak bestaat uit een geringe oppervlakte met een geïsoleerde ligging. Hierdoor is deze natuur kwetsbaarder voor negatieve externe invloeden dan grotere aaneengesloten gebieden waar natuurcompensatie reeds is gerealiseerd. Ook is het beheer van kleine gebieden minder efficiënt. Voor de natuur is hierdoor de uiteindelijke winst lager dan was voorzien.

 

Bij financiële compensatie worden de kosten die gekoppeld zijn aan compensatie vooraf door de Provincie Limburg in rekening gebracht bij de initiatiefnemer. De omvang van de financiële compensatie wordt bepaald op basis van de kosten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de compensatiemaatregelen om de verloren gegane of vergelijkbare natuurwaarden elders te realiseren in de Goudgroene natuurzone. De financiële compensatie is o.a. opgebouwd uit kosten die noodzakelijk zijn voor planontwikkeling, wettelijke procedures, grondverwerving, inrichting en het beheer voor de eerste 10 jaar. Aanvullend wordt een bedrag gerekend voor overheadkosten die door de Provincie Limburg gemaakt moeten worden om de compensatie vooraf te realiseren zoals renteverlies. De initiatiefnemer stort het geld op de rekening van de Provincie Limburg. Dit bedrag blijft gelabeld aan de betrokken activiteit en de Provincie Limburg draagt zorg voor de feitelijke invulling van de compensatieverplichting.

 

Voor de bepaling van de financiële compensatie worden standaardbedragen en normkosten geïndexeerd aan de hand van de werkelijke prijspeilontwikkeling van de afzonderlijke onderdelen. Hierbij zal voor de grondverwervingskosten gebruik worden gemaakt van de geanalyseerde grondprijs in Limburg.

 

In de Wet natuurbescherming is vastgelegd dat voor Natura 2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijngebieden) financiële compensatie niet mogelijk is indien een activiteit (significant) effect heeft op deze gebieden. In die situatie is men verplicht vooraf en tijdig vervangende natuur aan te leggen op een zodanige wijze dat de samenhang van Natura 2000 (Europees Netwerk Natuur) niet in gevaar komt.

Indien er geen effecten zijn op de instandhoudingsdoelstelling is financiële compensatie wel mogelijk.

Deel 3 Compensatie in natura

Artikel 7 Uitvoering compensatieverplichting

De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het doorlopen van het gehele natuurcompensatietraject zoals het aankopen van de compensatiegrond in de Goudgroene natuurzone, het maken van een inrichtingsplan, een beheerplan voor de eerste 10 jaar, het doorlopen van wettelijk procedures, het opstellen van een bestemmingsplan voor de te realiseren natuurcompensatie, etc. Op verschillende momenten tijdens het doorlopen van het natuurcompensatietraject is afstemming met de Provincie Limburg noodzakelijk.

 

Vanuit ecologisch oogpunt is het ongewenst dat er te kleine natuurelementen worden gerealiseerd die gedurende een lange periode geïsoleerd zouden komen te liggen. Gestreefd wordt naar het creëren een duurzame situatie. Dit betekent dat bij compensatie in de Zilvergroene natuurzone, in de Bronsgroene landschapszone en in het Beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-limburg aansluiting dient te worden gezocht bij reeds gerealiseerde kleine natuur- en landschapselementen.

Artikel 10 Locatie en tijdige uitvoering

Compensatie dient binnen de Goudgroene natuurzone plaats te vinden op de gronden waar areaal uitbreiding van natuur is voorzien. Aangezien de Provincie Limburg over onvoldoende middelen beschikt om alle areaaluitbreiding in de Goudgroene natuurzone te realiseren wordt natuurcompensatie ingezet als instrument om hierin te voorzien. De minimale oppervlakte bij compensatie in natura is 1,5 ha om te voorkomen dat er te kleine natuurelementen worden gerealiseerd die gedurende een lange periode geïsoleerd zouden komen te liggen. Vanuit ecologisch oogpunt is dit een ongewenste situatie. Gestreefd wordt naar het creëren van een duurzame situatie. Is de oppervlakte kleiner dan 1,5 ha dan is dit alleen toegestaan indien deze oppervlakte grenst aan reeds gerealiseerde Goudgroene natuur waardoor een aaneengesloten natuurgebied ontstaat van minimaal 1,5 ha. Is ook dit niet het geval dan is alleen financiële natuurcompensatie nog mogelijk. Door de compensatie in de Goudgroene natuurzone te realiseren ontstaat een robuust ecologisch netwerk.

 

Bij de realisatie van de compensatiemaatregelen dient vermeden te worden dat door de uitvoering van de maatregelen de ter plekke aanwezige natuurwaarden verstoord of vernietigd worden.

Artikel 11. Waarborging zorgvuldige en tijdige uitvoering

Om te garanderen dat de compensatie uiteindelijk gerealiseerd wordt dient - door middel van het plaatsen van een bankgarantie - in ieder geval de financiering van de onderstaande onderdelen van uitvoering van de compensatiemaatregelen te zijn geregeld:

  • 1.

    grondverwervingskosten, op basis van een reële grondprijs;

  • 2.

    inrichtingskosten waarbij de verloren gegane kwaliteiten weer kunnen worden ontwikkeld c.q. zich kunnen ontwikkelen;

  • 3.

    de kosten van het beheer van de gerealiseerde compensatie gedurende de eerste 10 jaar na voltooiing van de aanleg;

  • 4.

    alle overheadkosten (planvormings- en voorbereidingskosten, directie- en toezichtkosten, administratiekosten, communicatie- en voorlichtingskosten, kosten van vergunningen etc.).

Daarenboven dient de initiatiefnemer aannemelijk te maken dat hij de compensatieverplichting tijdig en naar voldoening ten uitvoer kan brengen en dient hij een aanvullende waarborgsom ten bedrage van 50% van de omvang van de bankgarantie te storten.

 

Verder is het doel van de waarborgsom te voorkomen dat:

  • -

    de initiatiefnemer de gestelde termijn overschrijdt;

  • -

    de inrichting en het beheer niet overeenkomstig het compensatieplan worden uitgevoerd.

Elke termijnoverschrijding leidt immers tot een bepaalde mate van nettoverlies van natuurwaarden en druist daarmee in tegen het centrale doel van de beleidsregel.

 

Een bankgarantie is niet nodig indien een overheid zelf initiatiefnemer is. De Provincie Limburg gaat ervan uit dat een bestuurlijke afspraak tussen twee overheden niet zeker gesteld hoeft te worden door een bankgarantie.

 

Op het moment dat de compenserende maatregelen zijn uitgevoerd zal de Provincie Limburg een veldcontrole uitvoeren. Vijf jaar na aanleg zal een tweede controle plaatsvinden. De laatste controle is na 10 jaar. De bevindingen van de veldcontroles worden vastgelegd in een verslag. De initiatiefnemer ontvangt een afschrift van dit verslag.

 

Bij de uitvoering van de compensatiemaatregelen dient gebruik te worden gemaakt van inheemse, regionaal voorkomende soorten, bij voorkeur biologisch. Bij het beheer mag geen gebruik worden gemaakt van chemische bestrijdingsmiddelen. Als blijkt dat alle andere middelen onvoldoende de ongewenste exoten kunnen bestrijden is het selectief en pleksgewijs gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen toegestaan na overleg met de Provincie Limburg.

Artikel 12. Afstemming met andere verplichtingen

In de nota Natuurbeleid: Natuurlijk Eenvoudig (NNE, 2013) staat dat de Provincie Limburg gronden gelegen in areaaluitbreiding Goudgroene natuurzone bij voorbaat zal inrichten als natuur zodat een compensatie plichtige initiatiefnemer zijn compensatieverplichting in één keer kan voldoen door een financiële compensatie. Dit is mede ingegeven door een motie in de Tweede Kamer waarin is aangegeven dat natuurcompensatie ook ingezet moet worden om areaaluitbreiding in de Goudgroene natuurzone te realiseren waarvoor geen of onvoldoende overheidsmiddelen beschikbaar zijn.

 

Gronden in de Goudgroene natuurzone die zijn ingericht via bijvoorbeeld particulier natuurbeheer of worden ingericht door middel van een eind afwerkingsplan van een ontgronding worden niet aangemerkt als natuurcompensatie als bedoeld in deze beleidsregel.

Deel 4 Algemene slotbepaling

Artikel 13 Afstemming met andere regelingen

Het is mogelijk dat reeds in ander verband een sluitende regeling is getroffen voor de compensatie van natuur-, bos- en landschapswaarden. Indien deze in overeenstemming is met hetgeen in deze beleidsregel is gesteld dan zal de reeds afgesloten regeling tevens beschouwd worden als een invulling van deze beleidsregel. Voldoet de gesloten regeling niet aan deze beleidsregel dan zal een aanvullende overeenkomst noodzakelijk zijn.

Bijlage 1 Categorie indeling natuur

 

De potentiële en actuele natuurwaarden zijn vertaald in respectievelijk natuurdoeltypen en natuurbeheertypen en vastgelegd op 2 kaarten in het Provinciaal natuurbeheerplan.

De beheertypenkaart brengt in beeld wat de actuele natuurwaarden zijn. De ambitiekaart geeft de na te streven natuurdoeltypen aan.

 

In deze bijlage zijn de natuurdoeltypen en de natuurbeheertypen ingedeeld in vier categorieën op basis van de verschillende mate van vervangbaarheid. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat tijdens de inrichting van het nieuwe, te ontwikkelen natuurgebied alle noodzakelijke inrichtingsmaatregelen zoals bijvoorbeeld grondwerken en waterpeilverhoging worden genomen. De tijd die vervolgens nodig is om in het gebied voldoende natuurkwaliteit te laten ontwikkelen, is bepalend voor de mate van vervangbaarheid. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het feit dat sommige natuurwaarden alleen onder zeer specifieke omstandigheden tot ontwikkeling kunnen komen. Voor een aantal natuurwaarden kunnen geen of slechts in zeer beperkte mate potentiële vervangingsmogelijkheden aanwezig zijn. Dergelijke natuurkwaliteiten zijn niet vervangbaar. Behalve om ecologische redenen kunnen bepaalde natuurkwaliteiten ook om bestuurlijke of privaatrechtelijke redenen moeilijk of niet vervangbaar zijn. De onderstaande verdeling is een algemene indicatie van de mate waarin de natuur vervangbaar is.

 

Categorie natuur

Vervangbaarheid

Ontwikkelingstijd

Kwaliteitstoeslag

1

snel

< 2 jaar

0%

2

gemakkelijk

2 – 25 jaar

33%

3

matig

25 – 100 jaar

66%

4

moeilijk of niet

> 100 jaar

> 66 %, maximaal 100%

 

Tot categorie 4 behoren eveneens die natuurwaarden waarvoor geen potentieel geschikte locaties aanwezig zijn.

 

Het Handboek Streefbeelden voor Natuur en Water in Limburg (Provincie Limburg, 2002) is als uitgangspunt genomen voor het benoemen van de natuurdoeltypen. Alle daarin genoemde natuurdoeltypen zijn ingedeeld in één van de vier categorieën van vervangbaarheid.

 

Limburgse Natuurdoeltypen

Categorie vervangbaarheid

 

1

2

3

4

A 1 Bossen

 

 

 

 

A 1.1 Wintereiken-Beukenbos

 

 

 

*

A 1.2 Parelgras- Beukenbos

 

 

 

*

A 1.3 Bronbos

 

 

 

*

A 1.4 Eiken-Haagbeukenbos

 

 

 

*

A 1.5 Berken-Zomereikenbos

 

 

 

*

A 1.6 Vogelkers-Essenbos

 

 

 

*

A 1.7 Elzenbroekbos

 

 

 

*

A 1.8 Berkenbroekbos

 

 

 

*

A 1.9 Essen-Iepenbos

 

 

*

 

A 1.10 Zwarte populieren-Wilgenbos

 

 

*

 

 

 

 

 

 

A 2 Struwelen

 

 

 

 

A 2.1 Doornstruweel

 

*

 

 

A 2.2 Bremstruweel

 

*

 

 

A 2.3 Gagelstruweel

 

*

 

 

A 2.4 Wilgenstruweel

 

*

 

 

A 2.5 Stroomdalwilgenstruweel

 

*

 

 

 

 

 

 

 

A 3 Heiden

 

 

 

 

A 3.1 Droge heide

 

 

 

*

A 3.2 Vochtige heide

 

 

 

*

A 3.3 Natte heide

 

 

 

*

 

 

 

 

 

A 4 Hoogveen

 

 

 

*

 

 

 

 

 

A 5 Graslanden

 

 

 

 

A 5.1 Kalkgrasland

 

 

 

*

A 5.2 Lössschraalgrasland

 

 

 

*

A 5.3 Heischraalgrasland

 

 

 

*

A 5.4 Zandschraalgrasland

 

 

 

*

A 5.5.1 Kamgrasweide

 

*

 

 

A 5.5.2 Glanshaverhooiland

 

*

 

 

A 5.6 Dotterbloemgrasland

 

 

*

 

A 5.7.1 Kleine zeggengrasland

 

 

 

*

A 5.7.2 Nat kalkgrasland

 

 

 

*

A 5.8 Sikkelklaver-kruisdistelgrasland

 

 

*

 

A 5.9 Inundatiegrasland

 

 

*

 

A 5.10 Vochtig kruidenrijk grasland

 

*

 

 

A 5.11 Droog kruidenrijk grasland

 

*

 

 

 

 

 

 

 

A 6 Moerassen

 

 

 

 

A 6.1 Kleine zeggenmoeras

 

 

 

*

A 6.2 Kalkmoeras

 

 

 

*

A 6.3 Rietmoeras

 

*

 

 

A 6.4 Grote zeggenmoeras

 

 

*

 

A 6.5 Inundatiemoeras

 

 

*

 

 

 

 

 

 

A 7 Ruigten

 

 

 

 

A 7.1 Droge ruigten

 

*

 

 

A 7.2 Vochtige ruigten

 

*

 

 

A 7.3 Verbindingsruigte

*

 

 

 

 

 

 

 

 

A 8 Wateren

 

 

 

 

A 8.1 Heuvellandbeek

 

 

 

*

A 8.2 Terrasbeek

 

 

 

*

A 8.3 Laaglandbeek

 

 

 

 

A 8.4 Rivier

 

*

 

 

A 8.5 Voedselarme plassen

 

*

 

 

A 8.6 Voedselrijke plassen

 

*

 

 

 

 

 

 

 

A 9 Pioniergemeenschappen

 

 

 

 

A 9.1 Pioniergemeenschappen op kalk

 

*

 

 

A 9.2.1 Pioniergemeenschappen op droog zand

 

*

 

 

A 9.2.2 Pioniergemeenschappen op vochtig zand

 

*

 

 

A 9.3 Pioniergemeenschappen op grind

 

*

 

 

A 9.4 Pioniergemeenschappen op klei

 

*

 

 

 

 

 

 

 

A 10 Kruidenrijke akkers

 

 

 

 

A 10.1 Kruidenrijke akker op kalkrijke bodem

 

*

 

 

A 10.2 Kruidenrijke akker op droog kalkarmzand

 

*

 

 

A 10.3 Kruidenrijke akkers op vochtige zware bodem

 

*

 

 

 

Natuurbeheertypen

Categorie vervangbaarheid

 

1

2

3

4

N 02.01 Rivier

 

*

 

 

 

 

 

 

 

N 03.01 Beek en bronnen

 

 

 

*

 

 

 

 

 

N 04.01 Kranswierenwater

 

*

 

 

N 04.02 Zoete plas

 

*

 

 

 

 

 

 

 

N 05.01 Moeras

 

 

*

 

 

 

 

 

 

N 06.01 Veenmosrietland en moerasheide

 

 

 

*

N 06.03 Hoogveen

 

 

 

*

N 06.04 Vochtige heide

 

 

 

*

N 06.05 Zwakgebufferd ven

 

*

 

 

N 06.06 Zuur ven of hoogveenven

 

 

 

*

 

 

 

 

 

N 7.01 Droge heide

 

 

 

*

N 7.02 Zandverstuiving

 

*

 

 

 

 

 

 

 

N 10.01 Nat schraalgrasland

 

 

*

 

N 10.02 Vochtig schraalgrasland

 

 

*

 

 

 

 

 

 

N 11.01 Droog schraalgrasland

 

 

*

 

 

 

 

 

 

N 12.02 Kruiden- en faunarijk grasland

 

*

 

 

N 12.03 Glanshaverhooiland

 

*

 

 

N 12.04 Zilt- en overstromingsgrasland

 

 

*

 

N 12.05 Kruiden- en faunarijke akker

 

*

 

 

N 12.06 Ruigteveld

 

*

 

 

 

 

 

 

 

N 13.01 Vochtig weidevogelgrasland

 

*

 

 

N 13.02 Wintergastenweide

*

 

 

 

 

 

 

 

 

N 14.01 Rivier- en beek begeleidend bos

 

 

*

 

N 14.02 Hoog- en laagveenbos

 

 

 

*

N 14.03 Haagbeuken- en essenbos

 

 

 

*

 

 

 

 

 

N 15.01 Dennen-, eiken- en beukenbos

 

 

 

*

 

 

 

 

 

N 17.01 Vochtig hakhout en middenbos

 

 

 

*