Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Flevoland houdende regels omtrent Openstelling maatregel 2 Fysieke investeringen water POP3

Gedeputeerde Staten van Flevoland, gelet op artikel 1.3 van de Subsidieverordening Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP3) provincie Flevoland 2014-2020

 

Overwegende:

  • -

    dat Gedeputeerde Staten met deze subsidieregeling beogen de gestelde doelen in het Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP3) te behalen,

  • -

    dat er geld beschikbaar is gesteld vanuit de directe inkomenssteun voor de agrariërs voor het behalen van de (internationaal vastgestelde) doelen op het gebied van water,

  • -

    dat fysieke investeringen voor de verbetering van de waterkwaliteit en -kwantiteit essentieel zijn voor de duurzame ontwikkeling en modernisering van de landbouw én het behalen van de (internationale) waterdoelen,

 

Besluiten:

  • I.

    De Regeling “Fysieke investeringen in modernisering van agrarische bedrijven, gericht op internationale waterdoelen” (als nadere invulling op de algemene bepalingen zoals vastgesteld in hoofdstuk 2, paragraaf 2 van de Subsidieverordening P0P3 provincie Flevoland) voor de periode van maandag 5 maart 9.00 uur tot en met vrijdag 25 mei 2018, 17.00 uur open te stellen voor het indienen van aanvragen;

  • II.

    Het subsidieplafond voor het indienen van aanvragen vast te stellen op totaal €2.170.000 bestaande voor 100% uit ELFPO-middelen;

  • III.

    De volgende regels vast te stellen:

Artikel 1. Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan landbouwers en groepen landbouwers.

Artikel 2. Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Subsidie kan worden verstrekt voor fysieke investeringen als genoemd in artikel 2.2.1, eerste lid van de Verordening:

    • a.

      die nodig zijn voor het ontwikkelen, beproeven of demonstreren van innovaties in agrarische ondernemingen én die bijdragen aan (internationale) waterdoelen;

    • b.

      voor de bredere uitrol van innovaties binnen de agrarische sector die bijdragen aan de (internationale) waterdoelen.

  • 2.

    Subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien de investering betrekking heeft op tenminste één van de volgende thema’s:

    • a.

      maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een emissievermindering van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlaktewater (zoals broeikasgassen, ammoniak, nutriënten en bestrijdingsmiddelen) en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen (zoals water, fosfaat en bodemvruchtbaarheid);

    • b.

      klimaat adaptatie (door het tegen gaan van dan wel het verminderen van de effecten van grotere watertekorten en -overschotten en toenemende verzilting).

  • 3.

    Bovendien kan subsidie verstrekt worden voor fysieke investeringen, gericht op het realiseren van een aantal wateropgaven en doelen die:

    • a.

      door het Waterschap Zuiderzeeland en de Provincie Flevoland worden nagestreefd. Deze doelen zijn benoemd in het Waterbeheerplan van het Waterschap Zuiderzeeland, dat vastgesteld is door het Algemeen Bestuur op 27 oktober 2015;

    • b.

      mede aan de basis staan van het Actieplan Bodem en Water Flevoland met daarin het principe dat de waterkwantiteit en – kwaliteit in sterke mate gestuurd wordt door de bodem.

    • c.

      bijdragen aan de Flevolandse wateropgaves:

      • I.

        Verbetering van de bodemkwaliteit (waaronder bodemstructuur);

      • II.

        Verbetering van de waterkwaliteit door vermindering van de emissies van gewasbeschermingsmiddelen;

      • III.

        Waterbesparing in de teelt, mogelijkerwijs in combinatie met beperking van de bodemdaling;

      • IV.

        Verbetering van de waterkwaliteit door vermindering van de emissies van meststoffen.

        Deze opgaves zijn vertaald naar investeringen in onderstaande activiteiten.

  • 4.

    Als uitwerking van het bepaalde in lid 1, 2 en 3 wordt aan landbouwers die zijn gevestigd in Flevoland alléén subsidie verstrekt voor fysieke investeringen in de volgende activiteiten:

    • a.

      investeringen in banden of bandenspanning wisselsystemen of aanpassingen aan tractoren, machines, wagens en ander materieel of combinaties hiervan, ter vermindering van bodemverdichting;

    • b.

      investeringen in aanpassingen aan tractoren en machines ten behoeve van vaste rijpaden op het perceel;

    • c.

      investeringen in materieel ten behoeve van het toepassen van niet kerende bodembewerking;

    • d.

      investeringen in materieel voor de afvoer van groenresten direct na oogst en compostering daarvan in eigen beheer of in groepsverband;

    • e.

      investeringen in materieel voor het toepassen van gewasresten of compost hiervan, niet zijnde mest, met als doel het verhogen van bodemkwaliteit (organische stofgehalte en bodemstructuur);

    • f.

      investeringen in materieel voor het nuttig toepassen op het bedrijf van sloot- en bermmaaisel;

    • g.

      investering in een mestopslagcapaciteit van tenminste 9 maanden;

    • h.

      investeringen in materieel voor bewerking van percelen om kans op perceelafspoeling te reduceren;

    • i.

      investeringen in mechanische onkruidbestrijding;

    • j.

      investeringen in beslissingsondersteunende systemen gewasbeschermingsmiddelen;

    • k.

      investeringen in managementsystemen voor het meest optimale spuitmoment, bijvoorbeeld Gewis of Ziektemanagement;

    • l.

      investeringen in spuittechnieken die drift vergaand reduceren, bijvoorbeeld sleepdoeksystemen en systemen met luchtondersteuning;

    • m.

      investeringen in zelfreinigende spuittechnieken;

    • n.

      investeringen in sensorgestuurde of andere selectieve of gerichte spuitapparatuur;

    • o.

      aanleg regelbare of peilgestuurde drainage of in combinatie met klimaatadaptieve regelbare drainage;

    • p.

      investeringen in infiltratie via onderwaterdrainage;

    • q.

      investeren in aanvullende hemelwateropvang van buurdaken, zijnde niet kassen, voor de glastuinbouw;

    • r.

      investeringen in stuwtjes en andere maatregelen om water langer vast te houden in waterlopen;

    • s.

      investeringen in gerichte beslissingsondersteunende systemen beregening;

    • t.

      investeringen in gerichte beregeningssystemen als bijvoorbeeld druppelirrigatiesystemen of sensorgestuurde beregening;

    • u.

      investeringen in managementsysteem inzake meteo en grondwater gestuurd bemesten;

    • v.

      investeren in precisiebemesting;

    • w.

      investeringen in gerichte bemesting via druppelsystemen e.d.;

    • x.

      investeringen in teelten uit de grond met recirculatieplicht en nullozing;

    • y.

      investeringen in rijenbemesting dierlijke mest bij gewassen die in rijen worden geteeld.

Artikel 3. Subsidiabele kosten

  • 1.

    Subsidie wordt verstrekt voor de volgende kosten:

    • a.

      de kosten van de bouw of verbetering, dan wel verwerving of leasing van onroerende zaken;

    • b.

      de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;

    • c.

      kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs;

    • d.

      de kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en economisch gebied;

    • e.

      de kosten van haalbaarheidsstudies.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid kan ook subsidie worden verstrekt voor:

    • a.

      de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;

    • b.

      personeelskosten;

    • c.

      niet verrekenbare of niet compensabele BTW.

  • 3.

    Kosten zijn slechts subsidiabel indien zij gemaakt zijn nadat de aanvraag voor subsidie is ingediend.

  • 4.

    In afwijking van het derde lid komen voorbereidingskosten ook voor subsidie in aanmerking, indien zij gemaakt zijn binnen één jaar voordat de aanvraag om subsidie is ingediend.

Artikel 4. Hoogte subsidie

  • 1.

    De subsidie bedraagt maximaal 40 % van de subsidiabele kosten;

  • 2.

    Geen subsidie wordt verleend indien de -na de beoordeling berekende- subsidie lager is dan €100.000.

Artikel 5. Uitvoeringstermijn

In afwijking van het bepaalde in de Subsidieverordening geldt als uitvoeringstermijn voor deze maatregel een periode van maximaal 2 kalenderjaren, ingaande op de datum van afgifte van de beschikking.

Artikel 6. Selectiecriteria

Voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15 van de Subsidieverordening POP3 Flevoland 2014-2020 wordt afgeweken van artikel 2.2.5.

Selectie van aanvragen zal voor deze openstelling plaatsvinden op grond van selectiecriteria:

  • a.

    Effectiviteit

  • b.

    Efficiëntie

  • c.

    Kans op succes

  • d.

    Innovativiteit

 

Deze criteria zijn nader beschreven in de toelichting bij dit besluit.

a. Effectiviteit

De bijdrage die de investering, waarvoor subsidie wordt gevraagd, levert aan de beleidsdoelstelling(en) van deze openstelling.

Dit wordt voor deze openstelling beoordeeld op basis van de bijdrage van de investering aan de doelen en thema’s zoals benoemd in artikel 2, lid 1 en 2 én de Flevolandse beleidsdoelen en wateropgaves zoals genoemd in artikel 2, lid 3.

 

Voor deze openstelling is in de Flevolands opgaven de volgende prioriteitstelling benoemd, van hoog naar laag:

  • I.

    Verbetering van de bodemkwaliteit (waaronder bodemstructuur);

  • II.

    Verbetering van de waterkwaliteit door vermindering van de emissies van gewasbeschermingsmiddelen;

  • III.

    Waterbesparing in de teelt, mogelijkerwijs in combinatie met beperking van de bodemdaling;

  • IV.

    Verbetering van de waterkwaliteit door vermindering van de emissies van meststoffen.

 

Dit betekent dat aanvragen waarvan het effect bijdraagt aan I. de verbetering van de bodemkwaliteit van hoger belang worden geacht dan aanvragen die bijdragen aan bijvoorbeeld IV. De verbetering van de waterkwaliteit door de vermindering van de emissies van meststoffen. Eveneens geldt dat wanneer investeringen bijdragen aan meerdere doelen of opgaven, een hogere score kan worden behaald.

 

Score:

0 punten: Zeer geringe bijdrage; Het project draagt slechts in zeer geringe mate bij aan het criterium;

1 punt: Geringe bijdrage; Het project draagt in geringe mate bij aan het criterium;

2 punten: Matige bijdrage; Het project draagt matig bij aan het criterium;

3 punten: Voldoende bijdrage; Het project draagt in voldoende mate bij aan het criterium;

4 punten: Goede bijdrage; De bijdrage van het project aan het criterium is goed;

5 punten: Zeer goede bijdrage; Een project scoort zeer goed op het criterium als de bijdrage van een project meer is dan redelijkerwijs van een project verwacht mag worden.

 

b. Efficiëntie

Efficiëntie wordt bepaald door de redelijkheid van kosten van de investering. Gegeven de resultaten van de investering, hoe redelijk zijn de opgevoerde kosten en in hoeverre wordt op een goede manier gebruik gemaakt van reeds bestaande bronnen (kennis, kunde, middelen).

 

Score

Bij het criterium efficiëntie worden de scores als volgt bezien:

0 punten = geen efficiënte inzet van middelen; Kosten worden niet doelmatig gemaakt en middelen niet doelmatig ingezet;

1 punt = gering. De opgevoerde kosten en inzet middelen zijn onvoldoende doelmatig;

2 punten = matig. Doelmatigheid van de opgevoerde kosten en middelen is matig;

3 punten= voldoende. De doelmatigheid van de opgevoerde kosten en middelen is voldoende;

4 punten = goed. De doelmatigheid van de opgevoerde kosten is goed, ze staan in goede verhouding tot het doel van de subsidie;

5 punten = zeer goed. De opgevoerde kosten zijn zeer doelmatig, de opgevoerde kosten zijn zeer redelijk en er wordt op een zeer goede manier gebruik gemaakt van bestaande kennis en kunde.

 

c. Kans op succes

De kans dat het project succesvol uitgevoerd kan worden en/of succesvol zal zijn in het ‘verder gaan’. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in het soort aanvraag.

 

  • In geval dat het project zich richt op investeringen door “voorlopers”, zoals bedoeld in artikel 2, lid 1a, is de kwaliteit van het projectplan primair van belang, omdat het risico van mislukken in dit soort projecten nog reëel is. In dit geval wordt de kans op succes bepaald door de volgende aspecten in samenhang te bezien:

    • °

      de kwaliteit (ervaring, opleiding) die gesteld wordt aan de projectleider;

    • °

      hoe realistisch is het projectplan;

    • °

      zijn relevante partijen bij de ontwikkeling betrokken;

    • °

      kent het project een realistische planning, opzet en begroting;

    • °

      zijn risico’s geïdentificeerd en gereduceerd.

 

  • In geval van projecten die betrekking hebben op de uitrol van innovaties, zoals bedoeld in artikel 2, lid 1b, wordt de kans op succes bepaald door de volgende aspecten in samenhang te bezien:

    • °

      De mate waarin de innovatie direct inpasbaar en toepasbaar is op het bedrijf van de aanvrager. Hierbij wordt gelet op:

      • -

        de aansluiting op de bedrijfsvoering;

      • -

        het te verwachten rendement van de investering.

    • °

      De behoefte aan de innovatie in de bedrijfstak waar de aanvrager onderdeel van uitmaakt. Hierbij wordt gelet op:

      • -

        noodzaak;

      • -

        kansen;

      • -

        risico’s van de innovatie.

    • °

      De wijze waarop over de (effecten van) de investering wordt gecommuniceerd waardoor andere landbouwers kennis nemen van de innovatie. Daarbij wordt met name gelet op:

      • -

        de voorbeeldfunctie die de aanvrager kan vervullen

      • -

        de rol van erfbetreders (afnemers, leveranciers).

 

Score:

0 punten: Zeer geringe bijdrage; Het project draagt slechts in zeer geringe mate bij aan het criterium;

1 punt: Geringe bijdrage; Het project draagt in geringe mate bij aan het criterium;

2 punten: Matige bijdrage; Het project draagt matig bij aan het criterium;

3 punten: Voldoende bijdrage; Het project draagt in voldoende mate bij aan het criterium;

4 punten: Goede bijdrage; De bijdrage van het project aan het criterium is goed;

5 punten: Zeer goede bijdrage; Een project scoort zeer goed op het criterium als de bijdrage van een project meer is dan redelijkerwijs van een project verwacht mag worden.

 

d. de mate van de innovativiteit

Om de mate van innovativiteit te beoordelen wordt in samenhang gekeken naar:

  • -

    de aard van de innovatie;

  • -

    het vernieuwende karakter van de innovatie.

 

Score:

0 punten: Zeer geringe bijdrage; Het project draagt slechts in zeer geringe mate bij aan het criterium;

1 punt: Geringe bijdrage; Het project draagt in geringe mate bij aan het criterium;

2 punten: Matige bijdrage; Het project draagt matig bij aan het criterium;

3 punten: Voldoende bijdrage; Het project draagt in voldoende mate bij aan het criterium;

4 punten: Goede bijdrage; De bijdrage van het project aan het criterium is goed;

5 punten: Zeer goede bijdrage; Een project scoort zeer goed op het criterium als de bijdrage van een project meer is dan redelijkerwijs van een project verwacht mag worden.

Artikel 7. Rangschikking

  • 1.

    De aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, worden gerangschikt op basis van selectiecriteria zoals benoemd in artikel 7.

    • a.

      Mate van effectiviteit van de activiteit;

    • b.

      Efficiëntie;

    • c.

      Kans op succes/haalbaarheid;

    • d.

      Mate van innovativiteit.

      Voor ieder van deze criteria kunnen scores van 0 tot en met 5 punten worden behaald.

  • 2.

    De criteria hebben de volgende wegingsfactoren:

    • a.

      het criterium effectiviteit zoals bedoeld in het eerste lid, onder a, heeft een wegingsfactor 4;

    • b.

      het criterium efficiëntie zoals bedoeld in het eerste lid, onder b, heeft een wegingsfactor 3;

    • c.

      het criterium kans op succes zoals bedoeld in het eerste lid, onder c, heeft een wegingsfactor 2;

    • d.

      het criterium innovativiteit bedoeld in het eerste lid, onder d, heeft een wegingsfactor 1.

  • 3.

    Indien een aanvraag minder dan 30 punten heeft behaald, wordt de aanvraag niet gehonoreerd.

  • 4.

    Als twee of meer aanvragen een gelijk aantal totaalpunten hebben gekregen en hun som dusdanig is dat het subsidieplafond wordt overschreden, dan vindt tussen hen een prioritering plaats op de afzonderlijke scores in de volgorde: a. effectiviteit, b. efficiëntie, c. kans op succes en d. innovativiteit.

  • 5.

    Mochten ook deze afzonderlijke scores gelijkluidend zijn, dan wordt de rangschikking bepaald door loting.

Artikel 8. Adviescommissie

Gedeputeerde Staten stellen voor de rangschikking van de subsidieaanvragen als bedoeld in artikel 1.15 van de Uitvoeringsregeling POP3 subsidies Flevoland een adviescommissie in als bedoeld in artikel 1.14 van de Uitvoeringsregeling POP3 Flevoland.

Artikel 9. Weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 van de verordening wordt subsidie geweigerd als:

  • a.

    de te verstrekken subsidie van het project lager is dan € 100.000;

  • b.

    het gewogen aantal behaalde punten, zoals berekend op basis van artikel 7, lager is dan 30 punten;

  • c.

    indien de activiteit bedoeld is om aan een wettelijke verplichting te kunnen voldoen.

Artikel 10. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin hij wordt geplaatst.

Aldus vastgesteld in de vergadering van Gedeputeerde Staten van provincie Flevoland van dinsdag 6 februari 2018,

Gedeputeerde Staten van Flevoland,

T. van der Wal,

secretaris,

L. Verbeek,

voorzitter,

De secretaris van Gedeputeerde Staten van Flevoland

Algemene toelichting  

Inleiding

De provincie wenst het landelijk gebied economisch en sociaal vitaal te houden en acht daarvoor een concurrerende en duurzame landbouw noodzakelijk. Het is van groot belang dat landbouwsector economisch gezond kan functioneren en tegelijkertijd verder verduurzaamt ten aanzien van bodem, water en klimaat. De landbouwsector kan niet zonder een goede bodem en voldoende en schoon water. Een goede bodemstructuur leidt tot verbetering van de opbrengst en vermindering van af- en uitspoeling naar grond- en oppervlaktewater. Daarnaast zijn gewasbescherming en bemesting bronnen van deze stoffen naar grond- en oppervlaktewater. In het Actieplan Bodem en Water, zie www.bodemenwaterflevoland.nl, zetten de Provincie Flevoland, Waterschap Zuiderzeeland en de landbouwsector daarom in op versterking van duurzaam bodem- en (grond)waterbeheer. Om de doelen op het gebied van duurzaam bodembeheer en waterbeheer te bereiken is het van belang dat de sector gaat investeren in fysieke maatregelen die gericht zijn op deze (internationale) waterdoelen.

 

Binnen Flevoland is door de opbouw van de bodem ook op grote delen sprake van bodemdaling met consequenties voor de agrarische sector. Het vertragen van de bodemdaling en het omgaan met effecten van bodemdaling is ook van belang.

Er kan worden geïnvesteerd in maatregelen die een bijdrage leveren aan:

  • 1.

    verbetering van de bodemkwaliteit (waaronder bodemstructuur),

  • 2.

    verbetering van de waterkwaliteit door vermindering van de emissies van gewasbeschermingsmiddelen,

  • 3.

    waterbesparing in de teelt, mogelijkerwijs in samenhang met beperking van de bodemdaling, en

  • 4.

    vermindering van de emissies van meststoffen.

De openstelling van de maatregel Fysieke investeringen gericht op (internationale) waterdoelen, volgt vigerend Flevolands beleid. Deze is te vinden op:

https://www.flevoland.nl/Loket/Provinciaal-Omgevingsplan-Flevoland-2006

 

Internationale waterdoelen

Volgens de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) moeten uiterlijk in 2027 alle aangewezen oppervlaktewateren een goede chemische samenstelling hebben en moet de ecologische toestand op orde zijn.

De afzonderlijke lidstaten moeten aangeven welke doelen ze stellen en welke maatregelen ze uitvoeren om de gestelde doelen te halen. Dit gebeurt in de zogenaamde stroomgebiedbeheerplannen. Deze hebben een looptijd van zes jaar. De provincie Flevoland valt onder het stroomgebiedsplan Rijn Oost.

In de Tweede Kamer is in december 2013 afgesproken geld vanuit de directe inkomenssteun Gemeenschappelijk Landbouw Beleid naar P0P3 over te hevelen. Dit met de opdracht "om agrariërs te ondersteunen bij investeringen en innovaties om te voldoen aan de internationale doelen, met name op het gebied van de Nitraatrichtlijn en de Kaderrichtlijn water. Hier zijn wel restricties aan verbonden, zie artikelen 1 en 7.

Hoewel Flevoland nog een relatief 'jong' gebied is, laat ook hier de waterkwaliteit te wensen over, daarom moet ook in Flevoland gewerkt worden aan het verbeteren van de waterkwaliteit. Voor gedetailleerde informatie wordt verwezen naar de factsheet OW37-Waterschap Zuiderzeeland, zie http://www.waterkwaliteitsportaal.nl/

De waterkwaliteit is de laatste jaren licht verbeterd, ook in Flevoland, maar met name de concentraties van gewasbeschermingsmiddelen overschrijden op verschillende plekken nog de normen. Afspoeling van erf, perceel en bodem zijn belangrijke routes waarop nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen in het oppervlaktewater terecht komen.

LTO Nederland heeft een Deltaplan Agrarisch Waterbeheer opgesteld, waarin verschillende mogelijke maatregelen zijn opgenomen. Vooruitlopend hierop is in Flevoland het Actieplan Bodem en Water gestart (in 2014), waarin provincie, waterschap en LTO gezamenlijk optrekken voor een betere bodem- en waterkwaliteit.

 

Flevolands beleid en wateropgaven

Het Flevolandse beleid is een uitwerking van de (internationale) waterdoelen zoals genoemd in de KRW en Nitraatrichtlijn. Hieronder wordt toegelicht hoe in deze provincie omgegaan wordt met waterbeheer en –opgaven.

Belangrijke basisvoorwaarden voor een duurzame landbouw voor de lange termijn zijn een goed functionerende bodem (structuur, vruchtbaarheid en bodemgezondheid) die in staat is om water en voedingsstoffen op maat te leveren en kan bijdragen aan de weerbaarheid van gewassen. Tegelijkertijd ontstaat hiermee ruimte voor waterberging en verbetert de waterkwaliteit in het oppervlakte- (en grond-)water door geringere af- en uitspoeling, hetgeen een stimulerend effect heeft op de biodiversiteit. De aanpak voor een beter watersysteem en waterkwaliteit via de bodem is een belangrijk instrument in het Flevolandse waterbeleid en de opgaven die daaruit voortvloeien. Deze zijn daarom ook sturend binnen het Actieplan Bodem en Water Flevoland.

Uit een aantal recente onderzoeken over de kwaliteit van de bodem in Flevoland blijkt dat de bodemstructuur (waaronder bodemverdichting en bodemleven) een belangrijk sturende factor is. In Flevoland is vrijwel het gehele areaal matig tot sterk gevoelig voor bodemverdichting. In Flevoland is meer dan de helft van de landbouwbodems verdicht in de ondergrond. Veel Flevolandse ondernemers rapporten dan ook dat zij steeds meer PK’s nodig hebben om hetzelfde land te ploegen. Dit met alle negatieve bijbehorende effecten voor zowel opbrengst, bewerkbaarheid, afspoeling en reductie van het waterbergend vermogen. Het voorkomen van verslechtering van de bodemstructuur en bodemverdichting is vele malen beter dan herstellen. Dit betekent winst voor de agrariërs, de landbouwsector én het bodem- en watersysteem.

Daarnaast neemt in grote delen van de provincie het organisch stof gehalte eerder toe dan af. In andere delen is het niveau te laag. In alle gevallen is de ondernemer gebaat bij een hoge kwaliteit van de organische stof en daarmee een verbetering van de bodemstructuur en – kwaliteit. En niet alleen de ondernemer: ook het waterbeheer. Kwalitatief hoogwaardige organische stof verhoogt het retentievermogen van de bodem voor water, voedingsstoffen en gewasbeschermingsmiddelen en draagt daarmee bij aan de conservering van water en aan een betere waterkwaliteit.

In de provincie Flevoland ligt de grote waterkwaliteitsopgave bij de normoverschrijdingen van gewasbeschermingsmiddelen(residuen). Ondanks verbeteringen vormen de gewasbeschermingsmiddelen een hardnekkig probleem zoals ook opgenomen in het Waterbeheerplan 2016-2020. Fysieke investeringen die o.a. de hoeveelheid noodzakelijke middelen beperken en andere vormen van onkruidbestrijding die de emissie beperken kunnen hierbij aan bijdragen. Daarnaast draagt, zoals hierboven al beschreven, een goede bodemkwaliteit bij aan beperking van uit- en afspoeling van gewasbeschermingsmiddelen en de weerbaarheid van de bodem en gewassen.

De waterbeschikbaarheid in de bodem bepaalt de groei in drogere tijden. De mogelijkheden om te beregenen worden door de klimaatveranderingen steeds beperkter. Daarnaast kent op een aantal locaties in Flevoland het oppervlaktewater geen optimaal dan wel een te hoog zoutgehalte of is er gewoon niet voldoende geschikt water beschikbaar voor de productie. Slim omgaan daarmee is noodzakelijk om de onnodige watervraag terug te dringen of om water slimmer vast te houden.

Tevens kunnen mogelijkerwijs bepaalde peilgestuurde drainages naast beter vasthouden van water bijdragen aan beperken van de bodemdaling en ook beter omgaan met de effecten van bodemdaling op de waterhuishouding op en in het perceel. Op diverse plaatsen in Flevoland vindt namelijk bodemdaling plaats vindt door oxidatie van veenlagen die op verschillende dieptes onder een zand of kleidek.

Er is op dit moment nauwelijks een probleem met de Europese Nitraatrichtlijn. Binnen de provincie Flevoland voldoet het oppervlaktewatersysteem nagenoeg geheel en voldoen de gehaltes voor nutriënten en nitraat in het grondwater.

Er is echter wel een licht stijgende lijn te zien in het aantal nutriënten in het water. Het is dus niet direct de meest urgente waterkwaliteitsopgave binnen Flevoland, maar een beperking of verbetering van de bemesting is wel wenselijk. Dit draagt namelijk zowel bij aan de waterkwaliteit als aan het sluiten van de kringlopen. Daarnaast draagt, zoals hierboven al beschreven, een goede bodemkwaliteit bij aan beperking van uit- en afspoeling van bemestingsstoffen.

 

Subsidiemaatregel “Fysieke investeringen in waterdoelen”

De subsidiemaatregel ‘Fysieke investeringen voor innovatie en modernisering van agrarische ondernemingen’, uit het Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 (POP3) wordt vanuit dit kader opengesteld voor investeringen die specifiek gericht zijn op het realiseren van (internationale) waterdoelen.

Landbouwers kunnen via deze maatregel subsidie verkrijgen wanneer zij investeren in innovatieve ontwikkelingen waarbij het economisch rendement gecombineerd wordt met maatschappelijke doelen. In het geval van deze openstelling gaat het om combinaties van productieve investeringen en (internationale) waterdoelen.

Deze maatregel is zowel bedoeld voor steun aan de eerste toepassing van nieuwe technieken (implementatie van innovaties door ‘voorlopers’ in de branche) als steun aan investeringen in de toepassing van innovatieve technieken, processen of producten (uitrol van innovaties “in het peloton”), die in beide gevallen moeten bijdragen aan de (internationale) waterdoelen zoals genoemd in de KRW/Nitraatrichtlijn.

Met deze openstelling kunnen agrarisch ondernemers subsidie aanvragen voor fysieke investeringen die gericht zijn op realisatie van (internationale) waterdoelen en die bijdragen aan innovatie en modernisering van hun bedrijf. Subsidies kunnen betrekking hebben op onder andere: gesloten kringlopen, geringer gebruik van grondstoffen, vermindering van emissies en klimaatadaptatie, e.d.

De openstellingsperiode loopt van maandag 5 maart 2018, 9.00 uur tot en met vrijdag 25 mei 2018, 17.00 uur. In deze periode kunnen aanvragen worden ingediend.

De behandeling van de subsidieaanvragen loopt via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Uiterlijk 22 weken na sluiting van de openstelling (medio 4e kwartaal 2018) worden naar verwachting de beschikkingen afgegeven.

De te verlenen subsidie bedraagt maximaal 40% van de investeringskosten, de aanvrager moet 60% van de investering uit eigen middelen bijdragen.

 

Artikelsgewijze toelichting:

Artikel 1: Aanvrager

Deze subsidieregeling is enkel bedoeld voor agrarische ondernemers en samenwerkingsverbanden van agrarische ondernemers.

Vereist is dat de subsidie wordt verstrekt aan landbouwers. De regeling staat open voor alle agrariërs die fysieke investeringen uitvoeren die betrekking hebben op het doel van deze openstelling als omschreven in artikel 2.

In de praktijk blijkt dat de kosten voor zowel de aanvrager als de verstrekker (fors) kunnen worden beheerst door subsidie aan te vragen en te verstrekken.

Om voor kleinere fysieke investeringen een aanvraag te kunnen indienen, wordt daarom geadviseerd gezamenlijk een aanvraag in te dienen, zodat het totale subsidiabele bedrag hoger is dan €100.000.

 

Artikel 2: Subsidiabele activiteiten

Lid 1

De activiteiten waar subsidie voor kan worden verkregen zijn:

  • a.

    Fysieke investeringen die nodig zijn voor het ontwikkelen, beproeven of demonstreren van innovaties in agrarische ondernemingen (implementatie van innovaties) én die bijdragen aan de waterdoelen zoals geformuleerd in de KRW/Nitraatrichtlijn (internationale waterdoelen), of

  • b.

    voor de bredere uitrol van innovaties binnen de agrarische sector én die bijdragen aan de (internationale) waterdoelen.

 

Aan innovaties wordt in dit kader een bredere betekenis toegekend, waarbij onder (bijvoorbeeld) ook nieuwe technieken ook kan worden technieken kunnen worden verstaan die nog niet algemeen gangbaar zijn.

 

Voor de volledigheid: het gaat bij deze maatregel om stimulering van fysieke en bovenwettelijke investeringen, dus exploitatiekosten en wettelijke verplichte maatregelen worden niet gesubsidieerd.

 

Lid 2

Subsidie als bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid, onder a en b van de Verordening, wordt alleen verleend als de activiteiten betrekking hebben op de volgende thema’s:

  • a.

    maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen;

  • b.

    aan klimaatadaptatie door de uitvoering van activiteiten die leiden tot het tegen gaan van danwel het verminderen van de effecten van grotere watertekorten (verdroging) en wateroverschotten en toenemende verzilting.

 

Lid 3

De activiteiten waar subsidie voor kan worden verkregen zijn fysieke investeringen die bijdragen aan de beleidsdoelen en Flevolandse wateropgaven:

  • I.

    verbetering van de bodemkwaliteit (waaronder bodemstructuur),

  • II.

    verbetering van de waterkwaliteit door vermindering van de emissies van gewasbeschermingsmiddelen,

  • III.

    waterbesparing in de teelt, mogelijkerwijs in combinatie met beperking van de bodemdaling en

  • IV.

    verbetering van de waterkwaliteit door vermindering van de emissies van meststoffen.

 

Lid 4

De subsidiabele activiteiten die zijn opgenomen onder dit lid, zijn grotendeels afkomstig van de zogenoemde landelijke BOOT-lijst, zoals vastgesteld door het Bestuurlijk Overleg Open Teelten, (zie http://agrarischwaterbeheer.nl/document/pop3-financiering-icm-daw-boot-lijst). De BOOT-lijst is tot stand gekomen in overleg met diverse vertegenwoordigers en deskundigen vanuit de waterschappen en de landbouwsector.

Bij het opstellen van deze openstelling is uit de BOOT-lijst een selectie gemaakt van activiteiten die voor het Flevolandse waterbeleid en -opgaven relevant zijn.

 

Ter toelichting uitleg van enkele begrippen uit de activiteitenlijst:

  • -

    niet kerende bodembewerking; is het systematisch vermijden van intensief kerende of mengende grondbewerking. Het doel is maximale opbouw van bodemstructuur gevormd door planten en bodemleven. Niet kerende grondbewerking is een middel om de natuurlijke processen zo minmogelijk te verstoren. Naast veranderingen in grondbewerking is streven naar maximale bodembedekking een belangrijke succesfactor;

  • -

    ten aanzien van activiteiten d, e en f:

    • d.

      investeringen in materieel voor de afvoer van groenresten direct na oogst en compostering daarvan in eigen beheer,

    • e.

      investeringen in materieel voor het toepassen van gewasresten of compost hiervan, zijnde niet mest, met als doel het verhogen van de bodemkwaliteit,

    • f.

      investeringen in materieel voor het nuttig toepassen op bedrijf van sloot- en bermmaaisel.

      Bij deze drie subsidiabele activiteiten gaat het om fysieke investeringen in bijvoorbeeld aangepast materieel en machines. De fysieke maatregelen die subsidiabel zijn moeten namelijk gedurende een periode van minimaal vijf jaar worden toegepast dan wel gebruikt worden (zie ook de verordening). Het aanschaffen van materieel voor het toepassen van bijvoorbeeld sloot- en bermmaaisel en gewasresten is zowel individueel als ook in groepsverband op lokaal niveau/binnen een gebied mogelijk.

  • -

    een beslissingsondersteunend systeem; is een bedrijfsmanagement systeem dat met behulp van sensoren informatie inwint over weer, bodem, etc. Met behulp van een rekenprogramma wordt rekening gehouden met actuele invloeden om tot een advies te komen. Deze adviezen kunnen betrekking hebben op diverse activiteiten zoals gewasbescherming, bemesting, beregening e.d. Uiteindelijk kan het systeem bijdragen aan een duurzamere productie van alle gewassen. Door het systeem kan er bezuinigd worden op bijvoorbeeld water, gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen.

  • -

    drift is een proces waarbij gewasbeschermingsmiddelen tijdens het bespuiten door de wind worden meegenomen en vervolgens op plaatsen terecht komen, waar ze niet gewenst zijn.

  • -

    precisiebemesting is machinale bemesting waarbij met behulp van bijvoorbeeld GPS en of rijen-bemesting minder mest wordt toegediend, maar specifiek dichterbij de planten;

  • -

    peilgestuurde drainage is buisdrainage, gecombineerd met een werk waarmee de hoogte van het te lozen water – het overlooppeil – kan worden gestuurd. Daarnaast kan met peilgestuurde drainage mogelijkerwijs de bodemdaling vertraagd worden;

  

Artikel 3: Subsidiabele kosten

Lid 1

De subsidiabele kosten kunnen bestaan, uit:

  • 1.

    kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende goederen;

  • 2.

    de kosten voorde koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de markt-waarde van de activa;

  • 3.

    kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs;

  • 4.

    kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en economisch gebied;

  • 5.

    kosten voor haalbaarheidsstudies;

 

Lid 2.

In aanvulling op het bovenstaande kan ook subsidie worden verstrekt voor:

  • a.

    de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;

  • b.

    personeelskosten;

  • c.

    niet verrekenbare of niet compensabele BTW.

 

Er kan ook subsidie worden verleend aan personeelskosten. Dit heeft geen betrekking op de onbetaalde eigen arbeid van de agrarische ondernemer zelf, omdat er ook een eigen inbreng van de ondernemer zelf wordt verwacht. Het gaat hierbij om de kosten die gemaakt worden ten behoeve van de inzet van personeel dat bij de aanvrager in dienst is en dat ingezet wordt ten behoeve van de investering. Indien er sprake is van een parttime dienstverband worden de personeelskosten per uur naar rato berekend.

Personeelskosten zijn subsidiabel tot maximaal 1.720 uur per persoon per jaar.

 

Lid 3.

Kosten zijn alleen subsidiabel wanneer zij gemaakt zijn nadat de aanvraag voor subsidie is ingediend.

  

Lid 4.

In afwijking van het derde lid komen voorbereidingskosten ook voor subsidie in aanmerking, als zij gemaakt zijn binnen één jaar voordat de aanvraag om subsidie is ingediend.

 

Zie ook het Handboek Pop3 subsidie voor aanvragers https://regiebureau-pop.eu/handboek-voor-aanvragers-pop3-subsidie 

  

Artikel 4: Hoogte subsidie

De subsidiabele kosten in een project worden voor maximaal 40% gesubsidieerd. De subsidie wordt voor 100% gedekt door Europese ELFPO middelen.

 

Er geldt voor deze maatregel een ondergrens: de som van de subsidiabele kosten moet minimaal €100.000 bedragen. Subsidie waarvan het subsidiabele bedrag onder deze ondergrens uitkomt, wordt niet uitgekeerd. Dit betekent dat per aanvraag minimaal een bedrag van €250.000 moet worden geïnvesteerd, er daarbij vanuit gaande dat de investering voor 100% subsidiabele kosten omvat. Met deze bepaling wil de provincie te hoge uitvoeringskosten van POP3 tegengaan en tegelijkertijd samenwerking tussen aanvragers stimuleren.

 

Attentiepunt: een subsidieaanvraag voor een bedrag van € 100.000 kan dus worden geweigerd als na de beoordeling een deel van de kosten niet subsidiabel blijkt te zijn.

  

Artikel 5. Uitvoeringstermijn

Aangezien met deze maatregel fysieke investeringen worden gestimuleerd en het daarbij vooral gaat om investeringen in materieel (en/of gebouwen) en aanverwante kosten, is de uitvoeringstermijn verkort naar 2 jaar. Dit is voldoende tijd om de investering ook daadwerkelijk te realiseren.

  

Artikel 6: Selectiecriteria

Tendersystematiek

In deze openstelling wordt gewerkt volgens de tendersystematiek. Dit betekent dat de aanvragen worden beoordeeld op kwaliteit aan de hand van een toetsing aan vooraf gekozen selectiecriteria.

Na sluiting van de indieningstermijn worden alle aanvragen door een onafhankelijke adviescommissie beoordeeld en in een rangorde op een lijst geplaatst op basis van de score op de selectiecriteria. De plaats in de rangorde wordt bepaald door het aantal punten dat door de adviescommissie aan het project is toegekend. Voor elk project geldt dat een minimum aantal punten dient te worden behaald om voor subsidie in aanmerking te komen. In het geval van deze openstelling is dat minimaal 30 punten.

 

Het doel van deze systematiek is om de beste projecten uit het totaalaanbod te selecteren. Als consequentie hiervan bestaat de mogelijkheid dat, indien binnen een tender het subsidieplafond wordt overschreden, de projecten met de laagste scores geen subsidie ontvangen. Mocht het plafond niet worden bereikt, dan worden alle projecten die de minimumscore hebben gehaald, gesubsidieerd.

 

Wij adviseren aanvragers zich tijdig en terdege te oriënteren op de selectiecriteria: na sluiting van de indieningstermijn kunnen aanvragen niet meer gewijzigd of aangevuld worden.

 

Toelichting selectiecriteria

Selectie van aanvragen zal voor deze openstelling plaatsvinden op grond van selectiecriteria:

  • a.

    Effectiviteit;

  • b

    Efficiëntie;

  • c.

    Kans op succes;

  • d.

    Innovativiteit.

Deze criteria worden hieronder toegelicht.

 

  • a.

    Effectiviteit: de bijdrage die de investering, waarvoor subsidie wordt gevraagd, levert aan de beleidsdoelstelling(en) van deze openstelling.

Dit wordt voor deze openstelling beoordeeld op basis van de bijdrage van de investering aan de doelen en thema’s zoals benoemd in artikel 2, lid 1 en 2 én de Flevolandse beleidsdoelen en wateropgaves zoals genoemd in artikel 2, lid 3. Voor een uitgebreide toelichting op deze doelen, zie de algemene toelichtingsparagraaf.

 

Voor deze openstelling is in de Flevolands opgaven de volgende prioriteitstelling benoemd, van hoog naar laag:

  • I.

    Verbetering van de bodemkwaliteit (waaronder bodemstructuur);

  • II.

    Verbetering van de waterkwaliteit door vermindering van de emissies van gewasbeschermingsmiddelen;

  • III.

    Waterbesparing in de teelt, mogelijkerwijs in combinatie met beperking van de bodemdaling;

  • IV.

    Verbetering van de waterkwaliteit door vermindering van de emissies van meststoffen.

 

Dit betekent dat aanvragen waarvan het effect bijdraagt aan I. de verbetering van de bodemkwaliteit van hoger belang worden geacht dan aanvragen die bijdragen aan bijvoorbeeld IV. De verbetering van de waterkwaliteit door de vermindering van de emissies van meststoffen. Eveneens geldt dat wanneer investeringen bijdragen aan meerdere doelen of opgaven, een hogere score kan worden behaald.

 

  • b.

    Efficiëntie: Efficiëntie wordt bepaald door de redelijkheid van kosten van de investering. Gegeven de resultaten van de investering, hoe redelijk zijn de opgevoerde kosten en in hoeverre wordt op een goede manier gebruik gemaakt van reeds bestaande bronnen (kennis, kunde, middelen).

 

  • c.

    Kans op succes: De kans dat het project succesvol uitgevoerd kan worden en/of succesvol zal zijn in het ‘verder gaan’.

    Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de soort aanvraag:

    • In geval dat het project zich richt op investeringen door “voorlopers”, die al ontwikkelde innovatieve technieken in de praktijk gaan implementeren, dan is de kwaliteit van het projectplan primair van belang. Dit omdat het risico van mislukken in dit soort projecten nog reëel is. In dit geval wordt de kans op succes bepaald door de volgende aspecten in samenhang te bezien:

      • °

        de kwaliteit (ervaring, opleiding) die gesteld wordt aan de projectleider;

      • °

        hoe realistisch is het projectplan;

      • °

        zijn relevante partijen bij de ontwikkeling betrokken;

      • °

        kent het project een realistische planning, opzet en begroting;

      • °

        zijn risico’s geïdentificeerd en gereduceerd.

 

  • In geval van projecten die betrekking hebben op de brede uitrol van innovaties “in het peloton” wordt de kans op succes bepaald door de volgende aspecten in samenhang te bezien:

    • °

      De mate waarin de innovatie direct inpasbaar en toepasbaar is op het bedrijf van de aanvrager. Hierbij wordt gelet op:

      • -

        de aansluiting op de bedrijfsvoering;

      • -

        het te verwachten rendement van de investering.

    • °

      De behoefte aan de innovatie in de bedrijfstak waar de aanvrager onderdeel van uitmaakt. Hierbij wordt gelet op:

      • -

        noodzaak;

      • -

        kansen;

      • -

        risico’s van de innovatie.

    • °

      De wijze waarop over de (effecten van) de investering wordt gecommuniceerd waardoor andere landbouwers kennis nemen van de innovatie. Daarbij wordt met name gelet op:

      • -

        de voorbeeldfunctie die de aanvrager kan vervullen;

      • -

        de rol van erfbetreders (afnemers, leveranciers).

 

Geef bij het invullen van het projectplan bij de aanvraag duidelijk aan of het gaat om een project waarbij een innovatieve investering wordt geïmplementeerd of dat het gaat om (grootschalige) uitrol van een innovatieve investering. Dit maakt het de toetsingscommissie duidelijk hoe zij op dit criterium moeten scoren.

    

  • d.

    Innovativiteit: Om de mate van innovativiteit te beoordelen wordt in samenhang gekeken naar:

    • de aard van de innovatie;

    • het vernieuwende karakter van de innovatie.

 

 

Deze regeling is voornamelijk bedoeld voor de stimulering van investeringen die bijdragen aan de implementatie en uitrol van al bestaande innovatieve technieken en apparaten die bijdragen aan de internationale waterdoelen. De aard van de innovatie is daarom in deze openstelling belangrijker dan het vernieuwende karakter.

 

 

Toelichting scores bij de selectiecriteria

Per selectiecriterium kunnen scores tussen de 0 en 5 punten worden behaald; 0, 1, 2, 3, 4 of 5 punten.

Deze scores worden voor de criteria effectiviteit, kans op succes en innovativiteit als volgt beoordeeld:

 

 

0 punten: Zeer geringe bijdrage; Het project draagt slechts in zeer geringe mate bij aan het criterium.

Bijvoorbeeld bij een openstelling met als doel waterbesparende maatregelen te stimuleren, waar subsidie wordt gevraagd voor één enkele regenton.

 

 

1 punt: Geringe bijdrage; Het project draagt in geringe mate bij aan het criterium. Bijvoorbeeld bij een openstelling met als doel de vermindering van emissies van milieubelastende stoffen, waar een aanzienlijke subsidie wordt gevraagd voor een investering waarbij de emissies iets verminderen, maar de emissies nog substantieel blijven.

 

 

2 punten: Matige bijdrage; Het project draagt matig bij aan het criterium.

Bijvoorbeeld omdat het project vergelijkbaar is met een eerder uitgevoerd project (in dezelfde regio) en slechts een beperkt effect op het criterium heeft. De aanvrager maakt bovendien weinig gebruik van de ervaringen uit het eerdere project.

 

 

3 punten: Voldoende bijdrage; Het project draagt in voldoende mate bij aan het criterium. Bijvoorbeeld bij een openstelling met een geringer grondstoffen gebruik als doel, waar subsidie wordt gevraagd voor een investering waardoor een grondstof (bv. fosfaat) nog wel nodig is, maar – gelet op de projectkosten - wel aanzienlijk minder.

 

 

4 punten: Goede bijdrage; De bijdrage van het project aan het criterium is goed. Bijvoorbeeld bij een openstelling met een meer gesloten kringloop als doel, waar een relatief beperkte subsidie wordt gevraagd terwijl het project er toe leidt dat de kringloop op bedrijfsniveau vrijwel volledig gesloten wordt.

 

 

5 punten: Zeer goede bijdrage; Een project scoort zeer goed op het criterium als de bijdrage van een project meer is dan redelijkerwijs van een project verwacht mag worden. Bijvoorbeeld een project sluit meerdere kringlopen, waardoor er een bepaalde grondstof niet meer nodig is en er ook geen emissies van milieubelastende stoffen meer plaatsvinden.

 

 

Voor het selectiecriterium Efficiëntie worden de scores iets anders beoordeeld maar als volgt bezien:

 

 

0 punten = Kosten worden niet doelmatig gemaakt en middelen niet doelmatig ingezet.

De opgevoerde projectkosten zijn te hoog. Er wordt geen gebruik gemaakt van bestaande kennis en kunde. De aanvrager gaat opnieuw het wiel uitvinden.

 

 

1 punt = gering. De opgevoerde kosten en inzet middelen zijn onvoldoende doelmatig. Opgevoerde projectkosten zijn hoog. De aanvrager geeft wel blijk van kennis van bestaande kennis en kunde, maar gebruikt die kennis niet of nauwelijks bij de uitvoering van het project. De aanvraag bevat bijvoorbeeld veel uren van adviseurs in plaats van de bestaande kennis en kunde te gebruiken.

 

 

2 punten = matig. Doelmatigheid van de opgevoerde kosten en middelen is matig.

De bestaande kennis en kunde is in kaart gebracht en is gebruikt voor de basis van het projectplan. De opgevoerde projectkosten zijn matig hoog.

 

 

3 punten= voldoende. De doelmatigheid van de opgevoerde kosten en middelen is voldoende.

De opgevoerde projectkosten zijn redelijk. De bestaande kennis en kunde is in kaart gebracht en is gebruikt voor de basis van het projectplan.

 

 

4 punten = goed. De doelmatigheid van de opgevoerde kosten is goed, ze staan in goede verhouding tot het doel van de subsidie.

Het project wordt efficiënt uitgevoerd. De aanvrager maakt ook tijdens de uitvoering van het project gebruik van de bestaande kennis en kunde, bijvoorbeeld als toetsingsmoment.

 

5 punt

en = zeer goed. De opgevoerde kosten zijn zeer doelmatig, de opgevoerde kosten zijn zeer redelijk en er wordt op een zeer goede manier gebruik gemaakt van bestaande kennis en kunde. De aanvrager maakt zeer goed gebruik van bestaande kennis en kunde. Bijvoorbeeld van innovaties heeft de aanvrager eerdere vergelijkbare innovaties in kaart gebracht en bouwt daar op voort. Het is voor de aanvrager helder waarom de eerdere projecten zijn misgelopen.

 

 

Samen met de wegingsfactor die wordt toegelicht bij het artikel over de rangschikking, bepaalt de gewogen score op deze criteria de positie op de ranglijst.

 

  

Artikel 7. Rangschikking

Toelichting op de puntensystematiek.

Na sluiting van de openstellingstermijn worden alle aanvragen beoordeeld op basis van de selectiecriteria uit artikel 7 en in een bepaalde rangorde op een lijst geplaatst. Het puntentotaal per project wordt samengesteld uit de te behalen punten op basis van deze methodiek:

 

 

Criterium Effectiviteit: 0-5 punten, gewicht 4

Criterium Efficiëntie: 0-5 punten, gewicht 3

Criterium Kans op resultaat: 0-5 punten, gewicht 2

Criterium Innovativiteit: 0-5 punten, gewicht 1

 

 

Het belangrijkste bij het beoordelen van aanvragen is natuurlijk dat de investeringen bijdragen aan de doelen van de regeling, vandaar dat het criterium effectiviteit een wegingsfactor 4 heeft gekregen.

En omdat subsidie bij voorkeur efficiënt ingezet wordt, dat wil zeggen met optimale inzet van middelen heeft dit criterium een wegingsfactor van 3 punten.

Daarnaast is het natuurlijk ook van belang dat het project kans van slagen heeft, investeren in onhaalbare plannen is natuurlijk niet logisch. Daarom hiervoor een weging van 2.

Bij deze regeling wordt eveneens het criterium Innovativiteit meegenomen maar deze heeft een lage wegingsfactor van 1 meegekregen omdat deze regeling vooral bedoeld is voor de implementatie of brede uitrol van al eerder bedachte innovaties.

 

 

Minimum aantal punten

Het minimaal aantal te behalen punten moet 30 zijn, dit komt overeen met een gewogen ‘rapportcijfer’ 7. Hieraan wordt gehecht zodat –indien een project in de uitvoering toch iets minder effectief blijkt- er niet direct problemen ontstaan met de toekenning van subsidies. Als een aanvraag minder dan 30 punten scoort, wordt de aanvraag niet gehonoreerd.

 

 

Plafond behaald en gelijke puntentelling

Als twee of meer aanvragen een gelijk aantal totaalpunten hebben gekregen en hun som dusdanig is dat het subsidieplafond wordt overschreden, dan vindt tussen hen een prioritering plaats op de afzonderlijke scores in de volgorde: a. effectiviteit, b. efficiëntie, c. kans op succes en d. innovativiteit.

Mochten ook deze afzonderlijke scores gelijkluidend zijn, dan wordt de rangschikking bepaald door loting.

 

  

Artikel 8. Adviescommissie

De scores worden vastgesteld door een onafhankelijke adviescommissie die bestaat uit meerdere leden van buiten de provincie Flevoland. De leden van de adviescommissies zullen de scores van de aanvraag bepalen. Dit moet een gelijke en transparante behandeling van de aanvragers garanderen.

 

   

Artikel 9. Weigeringsgronden

Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor bovenwettelijke activiteiten.

 

Verder geldt er een ondergrens van € 100.000 aan subsidiabele kosten (zie ook toelichting bij artikel 4).

 

Ook wordt een subsidieaanvraag afgewezen als deze minder dan 30 punten scoort bij de beoordeling.

 

  

Artikel 10. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin hij wordt geplaatst.

 

 

Naar boven