Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2017
Nr. 3112

Gepubliceerd op 14 juli 2017 09:00





Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland houdende de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2017

Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland d.d. 11 juli 2017, kenmerk 17014276, houdende vaststelling van de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2017.

 

Gedeputeerde staten van Zeeland

  • overwegende dat

    • -

      ter uitvoering van archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2014 dient te worden bijgesteld;

    • -

      ter vervanging van de vigerende 'Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2014' er een nieuwe 'Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2017' wordt opgesteld;

  • gelet op de bepalingen van de Erfgoedwet alsmede de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie;

besluiten vast te stellen de navolgende Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2017:

 

Hoofdstuk 1 Rapportage en rapporten

Artikel 1  

  • 1.

    Naast een digitale versie van het definitieve rapport dient ook ten minste een gedrukt exemplaar van het definitieve rapport (per post) te worden aangeleverd aan de Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland (SCEZ), Postbus 49, 4330 AA Middelburg. Een digitale versie dient ook te worden aangeleverd aan de gemeente(n) waarin het betreffende onderzoek is uitgevoerd.

  • 2.

    Voor het rapport dient een ISBN- of een ISSN-nummer te worden aangevraagd. Dit nummer wordt aan het betreffende rapport gekoppeld.

  • 3.

    In het rapport dient expliciet te worden vermeld wie als deskundige het rapport namens de bevoegde overheid inhoudelijk heeft getoetst.

  • 4.

    Al het in de provincie Zeeland uitgevoerde en gerapporteerde onderzoek dient te voldoen aan de eisen ten aanzien van de vigerende BRL4000 (verplichte registratie en certificering), aan de vigerende, meest recente versie van de protocollen en specificaties van de KNA en aan de in deze Richtlijnen genoemde aanvullende eisen.

  • 5.

    In de titel van het rapport dient de naam van de gemeente, en plaats en adres of toponiem van de onderzoekslocatie opgenomen te zijn

  • 6.

    Het rapport dient voorzien te zijn van paginanummering, een versienummer en datum (bij voorkeur met titel in kop- of voettekst). Indien een gewijzigde versie van het rapport wordt vervaardigd dienen deze gegevens aangepast te worden.

  • 7.

    Alle in Bijlage 1 vermelde administratieve gegevens dienen in een aparte paragraaf in het rapport te worden opgenomen, bij voorkeur in de volgorde van genoemde Bijlage.

  • 8.

    De in het rapport opgenomen kaart of kaarten dienen te voldoen aan de algemene cartografische standaarden. Kaarten behoren schaalvast afgedrukt te worden op een gebruikelijke en relevante schaal, ter nadere goedkeuring van de bevoegde overheid. Kaarten en legenda dienen duidelijk leesbaar te zijn. Naargelang de omvang van het onderzoeksgebied en de detaillering van de kaart dienen kaarten op een groter formaat dan A4 te worden gepresenteerd en afgedrukt.

  • 9.

    Op de in het rapport gepresenteerde kaarten dient de projectie van het onderzochte plangebied of onderzoeksgebied opgenomen te zijn.

  • 10.

    Alle afbeeldingen dienen te worden afgedrukt met een minimale kwaliteit van 300 dpi.

  • 11.

    In het rapport dienen de juridische kaders vermeld te worden waarbinnen het onderhavige archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd.

  • 12.

    De voorgenomen inrichting en de aard, omvang en diepte van de daarbij geplande bodemingrepen dienen vermeld te worden en indien relevant op kaart aangegeven.

  • 13.

    In het rapport dient een resultatenkaart (of -kaarten) en een advieskaart (of -kaarten) rekening houdende met de geplande bodemingrepen opgenomen te worden.

  • 14.

    De resultaten van eventuele voorgaande onderzoeken uit de AMZ-cyclus dienen met de daarin gespecificeerde archeologische verwachting(en) in het rapport opgenomen te worden (inclusief literatuurverwijzing).

  • 15.

    De resultaten van een uitgevoerde veldinspectie of visuele inspectie dienen in het rapport te worden opgenomen.

  • 16.

    De resultaten van het uitgevoerde verkennend booronderzoek dienen in het rapport te worden vermeld, evenals een evaluatie daarvan ten opzichte van het archeologisch verwachtingsmodel.

  • 17.

    Bij een uitgevoerde oppervlaktekartering dient de raaiafstand, de verzamelwijze en de vondstzichtbaarheid specifiek vermeld te worden, inclusief motivering en onderbouwing.

  • 18.

    Het advies dient afgestemd te zijn op de voorgenomen bodemingrepen en het vastgestelde archeologiebeleid van de Provincie Zeeland of het vigerende bestemmingsplan of archeologiebeleid van de bevoegde overheid.

  • 19.

    Van te verwachten vindplaatsen dient altijd minimaal de datering, het complextype, de omvang, de diepteligging en de (prospectie)kenmerken vermeld te worden. De genoemde onderdelen dienen helder en overzichtelijk gepresenteerd te worden, bij voorkeur in een tabel.

  • 20.

    Indien een (Bureau)onderzoek informatie oplevert over nieuwe vondsten of vindplaatsen, dan dienen die gegevens door de instantie die het onderzoek heeft uitgevoerd specifiek in de onderzoeksmelding te worden ingevoerd in ARCHIS. De bijbehorende nieuwe ARCHIS-zaaknummers dienen in het rapport opgenomen te worden.

  • 21.

    Bij een booronderzoek dienen het boorsysteem (raai of grid), de onderzoeksintensiteit (boringen/ha), het aantal boringen, het type boor met boordiameter (tot/vanaf welke diepte), de boordiepte en de waarnemingsmethode (zeven, snijden), de methode van inmeten van boorpunten of waarnemingen en de meetfout/nauwkeurigheid (maximale afwijking) specifiek vermeld te worden.

  • 22.

    In het advies dient rekening gehouden te worden met de geplande verstoringen. Het advies houdt rekening met de gespecificeerde archeologische verwachting in relatie tot de geplande verstoring. Waar nodig worden beide op kaart aangegeven.

  • 23.

    In het rapport dient een zinsnede opgenomen te worden dat over de onderzoeksresultaten en het uitgebrachte advies contact opgenomen dient te worden met de bevoegde overheid.

  • 24.

    Indien de gespecificeerde verwachting afwijkt van de globale verwachting (bv. de trefkans op een gedetailleerde (gemeentelijke) verwachtingskaart), dient dit te worden vermeld en toegelicht.

  • 25.

    Indien vervolgonderzoek wordt geadviseerd, dient specifiek te worden vermeld welk soort onderzoek (KNA-onderzoeksfase(n)) en welk doel dat vervolgonderzoek heeft. Indien vervolgonderzoek wordt geadviseerd, dient (indien relevant) een advieskaart met daarop de nader te onderzoeken delen van het plangebied te worden opgenomen, eventueel met voorgestelde onderzoeksmethode. Ook een advies voor uitvoering van bouwhistorisch onderzoek kan hiervan deel uitmaken.

  • 26.

    Indien vindplaatsen zijn gewaardeerd, dient een selectieadvies opgesteld te worden, waarbij een redengevende omschrijving wordt gegeven bij het advies.

  • 27.

    Indien van aangetroffen vindplaatsen geoordeeld wordt dat ze in aanmerking komen voor plaatsing op of aanpassing van de gemeentelijke beleidsadvieskaart of bestemmingsplan, moet daarover een aanbeveling worden opgenomen.

Hoofdstuk 2 Bureauonderzoek met verkennend booronderzoek

Artikel 2.1 Bronnenonderzoek

  • 1.

    Gemeentelijke archeologische beleidsstukken en bestemmingsplannen dienen geraadpleegd te worden en de relevante informatie daaruit dient opgenomen te worden in het rapport.

  • 2.

    Het gemeentelijk archief en het Zeeuws Archief te Middelburg dienen geraadpleegd te worden. Hierbij worden bestudeerd: cartografische en historische bronnen, prenten en foto’s. Voor de bebouwde omgeving (ook in het buitengebied) wordt verstoringsonderzoek uitgevoerd naar de huidige bebouwing, funderingswijze, oorlogsschade, kabels en leidingen, etc. Het verdient de voorkeur om voor het benodigde relevante kaartmateriaal en te bestuderen literatuur van een onderzoeksgebied contact op te nemen met de adviserend archeoloog.

  • 3.

    Van een bebouwd plangebied dient een beschrijving gemaakt te worden van de aard en status van de aanwezige bebouwing. De beschrijving dient gericht te zijn op de vaststelling van de noodzaak van bouwhistorisch onderzoek.

  • 4.

    De centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland (thans DINO-loket, in de toekomst de Basisregistratie Ondergrond) dient te worden geraadpleegd en de uitkomst ervan verwerkt te worden.

  • 5.

    Bij in de regio actieve werkgroepen van amateurarcheologen en historische verenigingen dient navraag gedaan te worden of deze aanvullende informatie hebben met betrekking tot het plangebied, zoals nog niet gemelde vondsten of aanvullende historische gegevens. De geraadpleegde personen en de eventueel verstrekte aanvullende informatie dienen in het rapport opgenomen te worden. Vragen met betrekking tot amateurarcheologen en historische kringen kunnen gericht worden aan (afhankelijk van de regio) de betreffende overheden of de adviseurs archeologie van de SCEZ.

  • 6.

    Bij de Helpdesk Archeologie van de SCEZ dient navraag te worden gedaan naar nog niet in ARCHIS opgenomen vondstmeldingen of overige gegevens van het Zeeuws Archeologisch Depot. Dit kan per mail met naam en locatieaanduiding van het project (helpdeskarcheologie@scez.nl).

  • 7.

    In een onbebouwd gebied, dan wel in een gebied met een beperkt bebouwd areaal dient de meest recente versie van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) voor het plangebied bestudeerd te worden ten behoeve van een archeologisch-landschappelijke analyse van kenmerkende reliëfverschillen (hoogten en laagten). Indien beschikbaar wordt voor de analyse gebruik gemaakt van de ruwe data van het AHN. Dit dient om o.a. de hoogste delen van getij-inversieruggen op te sporen en de omvang en ligging van zowel nog onbekende als historisch en archeologisch bekende landschapselementen, zoals mottes, terpen, hollestellen, stelbergen en grachten vast te stellen. Bij gebruikmaking van de ruwe data dient voor de locatie(s) van geconstateerde opmerkelijke reliëfverschillen het AHN bewerkt te worden zodat er per locatie een nieuwe kaart ontstaat. Een dergelijke kaart toont per locatie een gedetailleerd reliëf van de locatie en de directe omgeving. Voor het maken van deze nieuwe kaart wordt uitsluitend gebruik gemaakt van de op de locatie en directe omgeving in het AHN aanwezige (hoogte)waarden. De aanwezige (hoogte)waarden worden vastgelegd in een per locatie op te stellen nieuwe legenda met nieuwe waarden die onderling een constant verschil hebben, afhankelijk van de aanwezige waarden (bijv. 1, 2, 4, 5 of 10cm). Niet op de locatie voorkomende (hoogte)waarden worden weg gefilterd. Het resultaat hiervan wordt afgebeeld in het rapport en geïnterpreteerd ten behoeve van de archeologische verwachting.

  • 8.

    De geologische kaart 1 : 50.000, de geomorfologische kaart 1 : 10.000 en de bodemkaart 1 : 50.000 (en voor Walcheren de kaart van Bennema & Van der Meer 1952) dienen altijd geraadpleegd te worden en het betreffende deel van het plangebied afgebeeld in het rapport. Indien een kaartblad niet is uitgegeven dient dit nadrukkelijk vermeld te worden. Eventueel beschikbare andere bronnen met (gedetailleerde) informatie over de geologische, geomorfologische of bodemkundige gesteldheid van het plangebied (bv. Uit bodemkundig- of milieuonderzoek, luchtfoto’s) dienen geraadpleegd te worden.

  • 9.

    Alle relevante categorieën van de cultuurhistorische hoofdstructuur Zeeland (www.zeeland.nl/kaarten-en-cijfers/cultuurhistorische-hoofdstructuur) dienen geraadpleegd te worden. Alle voor het voorliggende onderzoek relevante gegevens daaruit dienen beschreven te worden.

Artikel 2.2 Overig

  • 1.

    Een veldinspectie (terreininspectie) maakt deel uit van een Bureauonderzoek, tenzij de adviserend archeoloog anders adviseert.

  • 2.

    Verkennend booronderzoek met 8 boringen per ha maakt deel uit van een Bureauonderzoek. Dit verkennend booronderzoek dient voor het toetsen van het geologisch profiel met de lagen met een potentiële archeologische verwachting en de in het Bureauonderzoek aangetroffen verstoringen. Het Plan van Aanpak hiervoor dient gebaseerd te zijn op het Bureauonderzoek. Bij plangebieden kleiner dan 0,5 ha dient altijd een minimum van 4 boringen uitgevoerd te worden, tenzij de adviserend archeoloog anders adviseert.

  • 3.

    In lineaire tracés wordt voor het verkennend booronderzoek 1 boring per 40 strekkende meter geplaatst. Naar aanleiding van het Bureauonderzoek kunnen de intervallen aangepast worden, tenzij de adviserend archeoloog anders adviseert.

  • 4.

    In gebieden met Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden dient bij verkennend booronderzoek 50% van het aantal boringen doorgezet te worden ter opsporing van de aanwezigheid, diepteligging en verspreiding van paleosols, zoals de Laag van Usselo en eventueel andere paleosols, tenzij de adviserend archeoloog anders adviseert.

Hoofdstuk 3 Inventariserend Veldonderzoek

Artikel 3.1 Onderzoeksvoorstel

  • 1.

    De fase(n) van het beoogde onderzoek (verkenning, kartering, en/of waardering) dienen specifiek benoemd te worden, inclusief per onderzoeksfase de bijbehorende doelstelling en relevante onderzoeksvragen.

  • 2.

    Het onderzoeksvoorstel dient gemotiveerd en onderbouwd te zijn, inclusief een verwijzing naar deze Richtlijnen van de Provincie Zeeland.

  • 3.

    Indien in het plangebied een specifieke ondergrond of geomorfologisch kenmerk als hieronder benoemd (Formatie van Nieuwkoop, Hollandveenlaagpakket/Hollandveen/veen; Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden/Pleistoceen dekzand/dekzandrug; (dun) afgedekte Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden/Pleistoceen dekzand/dekzandrug; kreekrug/getij-inversierug) voorkomt dient de hiervoor door de Provincie Zeeland vervaardigde aanvullende richtlijn (zie verder sub Uitvoering) gehanteerd te worden. Afhankelijk van de (geo(morfo)logische) omstandigheden kan, in overleg met de adviserend archeoloog, worden gekozen voor een andere onderzoeksmethode.

  • 4.

    Bij een oppervlaktekartering dient de raaiafstand, de verzamelwijze en de vondstzichtbaarheid specifiek vermeld te worden, inclusief motivering en onderbouwing. Bij een oppervlaktekartering dient het oppervlak systematisch onderzocht te worden met een afstand tussen de loopraaien van maximaal 5 meter en mag alleen bij voldoende vondstzichtbaarheid uitgevoerd worden (een slootkanten- of molshopeninspectie geldt dus niet als voldoende betrouwbare kartering). De voorgestelde methode dient verder te voldoen aan de KNA-specificatie VS02.

  • 5.

    Bij een booronderzoek dient het boorsysteem (raai of grid), de onderzoeksintensiteit (boringen/ha), het aantal boringen, het type boor met boordiameter (tot/vanaf welke diepte), de boordiepte en de waarnemingsmethode (zeven, snijden) specifiek vermeld te worden. De voorgestelde methode dient verder te voldoen aan de KNA-specificatie VS03.

  • 6.

    Het Plan van Aanpak (PvA) dient volgens de KNA gebaseerd te zijn op een Bureauonderzoek. Indien het PvA al voor uitvoering van het bureauonderzoek is opgesteld, dient de geldigheid van het PvA getoetst te worden aan de hand van de resultaten van het Bureauonderzoek. Indien daar aanleiding toe is, dient het onderzoeksvoorstel aangepast te worden.

  • 7.

    Een Programma van Eisen dient bij voorkeur minimaal 1 maand voorafgaand aan de werkzaamheden voorgelegd te worden aan de adviserend archeoloog.

  • 8.

    In het PvE dienen de juridische kaders vermeld te worden waarbinnen het onderhavige archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd.

  • 9.

    Vanuit de Provincie Zeeland wordt de inzet van lokale amateurarcheologen gestimuleerd. In overleg met de opdrachtgever en binnen de kaders van de KNA dient bekeken te worden in hoeverre amateurarcheologen zinvol bij het onderzoek kunnen worden betrokken.

  • 10.

    De amateurarcheologen dienen aangesloten te zijn bij de AWN-afdeling Zeeland (AWN, Vrijwilligers in de archeologie). U kunt hen contacteren via www.awnzeeland.nl of www.scez.nl.

Hoofdstuk 4 Inventariserend veldonderzoek in het Hollandveenlaagpakket

Artikel 4.1 Uitvoering

  • 1.

    Voorafgaand aan het booronderzoek dient op de onderzoekslocatie een visuele inspectie te worden uitgevoerd om de boorstrategie af te stemmen op aan het maaiveld zichtbare (geologische) verschijnselen.

  • 2.

    Indien relevante hoogteverschillen in het maaiveld verwacht of aangetroffen worden, dient de maaiveldhoogte van de boorpunten of waarnemingen nauwkeurig bepaald te worden door middel van metingen (met waterpas of Total Station), of afgeleid te worden van de meest recente versie van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN).

  • 3.

    Volgend op de veldinspectie volgt een Verkennend booronderzoek met een minimum van 8 boringen per ha. Het booronderzoek dient te worden uitgevoerd met een 3 cm guts tot 30 cm onder de onderkant van het veen. Er mag tot maximaal 50 cm beneden maaiveld geboord worden met een Edelmanboor. Deze boringen dienen om de intactheid van de top van het veen in kaart te brengen, verstoringen te constateren of bevestigen, die in het Bureauonderzoek of Veldinspectie reeds geconstateerd waren. Daarnaast dient vastgesteld te worden of het met zekerheid om een veraarde top van het Hollandveenlaagpakket gaat.

  • 4.

    Van de bovenzijde van het intacte veen wordt in alle fasen van onderzoek door middel van metingen de NAP-hoogte bepaald en specifiek in de rapportage opgenomen.

  • 5.

    Er moet worden gestreefd naar aanlevering van boorgegevens aan het DINO-loket (in de toekomst Basisregistratie Ondergrond), de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Landelijke besluitvorming over de archeologische standaard boorbeschrijvingsmethode moet echter nog plaats vinden.

  • 6.

    Indien de resultaten van het onderzoek wijzen op een intacte top van het Hollandveen/veenniveau dient een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van Proefsleuven plaats te vinden om eventuele archeologische waarden te inventariseren en documenteren

  • 7.

    Proefsleufmethode: Voor het proefsleufonderzoek wordt in overleg met de adviserend archeoloog bepaald wat de dekkingsgraad voor het te onderzoeken gebied zal zijn en welk patroon van proefsleuven in het te onderzoeken gebied zal worden toegepast. De grondslag voor het uit te voeren proefsleufonderzoek wordt gevormd door de meest actuele versie van de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleufonderzoek (IVO-P).

  • 8.

    Het (leesbaar) opgravingsvlak dient op het niveau van de top van het Hollandveen/veen aangelegd te worden. Sporen van moernering worden archeologisch gedocumenteerd en in de rapportage beschreven.

Hoofdstuk 5 Bureau-onderzoek en Inventariserend veldonderzoek in plangebieden met mogelijke verstoringen van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden, Pleistoceen dekzandgebied en/of Formatie van Koewacht

Artikel 5.1 Geo-landschappelijk onderzoek

  • 1.

    Bij plangebieden met een omvang gelijk aan of groter dan vijf hectare (5 ha) in gebieden met een afgedekt Laagpakket van Wierden (Pleistoceen dekzand) of Formatie van Koewacht dient specifiek geo-landschappelijk onderzoek te worden uitgevoerd naar het voorkomende reliëf in de Pleistocene afzettingen. Dit geldt alleen als de genoemde afzettingen verstoord dreigen te worden. Het onderzoek moet uitgevoerd worden met bureauonderzoek en boringen. Het product is een gedetailleerde reliëfkaart van de top van de Pleistocene afzettingen in het plangebied.

  • 2.

    Voor bovengenoemd geo-landschappelijk onderzoek wordt een Plan van Aanpak opgesteld, dat ter beoordeling wordt aangeboden aan de bevoegde overheid.

Artikel 5.2 Uitvoering

  • 1.

    In eerste instantie dient in dekzandgebieden zonder afdekkende laag bij goede vondstzichtbaarheid een systematische oppervlaktekartering plaats te vinden (veldkartering) in raaien om de 5 meter. Indien de resultaten van een dergelijke kartering aanleiding geven tot behoud in situ, dient dit in deze fase van het onderzoek gerapporteerd te worden aan de bevoegde overheid en de adviserend archeoloog.

  • 2.

    In dekzandgebieden met afdekkende laag dient voorafgaand aan het eventueel verkennend booronderzoek op de onderzoekslocatie een visuele inspectie te worden uitgevoerd om de onderzoeksstrategie af te stemmen op aan het maaiveld zichtbare (geologische) verschijnselen. De resultaten van visuele inspectie moeten vermeld worden in de rapportage.

  • 3.

    Op basis van de resultaten van het vooronderzoek (geo-landschappelijk onderzoek, Bureauonderzoek, oppervlaktekartering, veldinspectie en verkennend booronderzoek) dient overleg plaats te vinden met de adviserend archeoloog om te bepalen welke vorm van vervolgonderzoek moet worden uitgevoerd. Gekozen kan worden voor een inventariserend veldonderzoek met proefsleuven (IVO-P) of een karterend booronderzoek (IVO-O) om vindplaatsen op te sporen.

  • 4.

    Voor het proefsleufonderzoek (IVO-P) om vindplaatsen op te sporen wordt een Programma van Eisen opgesteld. In overleg met de adviserend archeoloog wordt bepaald wat de dekkingsgraad voor het te onderzoeken gebied zal zijn en welk patroon van proefsleuven in het te onderzoeken gebied zal worden toegepast. De grondslag voor het uit te voeren proefsleufonderzoek wordt gevormd door de meest actuele versie van de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleufonderzoek (IVO-P).

  • 5.

    Het (leesbaar) opgravingsvlak dient direct onder de bouwvoor, plaggendek of afdekkende laag aangelegd te worden en indien er een plaggendek aanwezig is, wordt de onderste laag van deze in het onderzoek betrokken.

  • 6.

    In een proefsleufonderzoek dient ook onderzoek te worden gedaan naar de aanwezigheid, diepteligging en verspreiding van eventuele paleosols, indien deze verstoord dreigen te worden.

  • 7.

    Bij de keuze voor een booronderzoek is de methode en de strategie afhankelijk van de aard van de te verwachten vindplaatsen. De grondslag voor een dergelijk karterend booronderzoek wordt gevormd door de meest actuele versie van de KNA-Leidraad Inventariserend Veldonderzoek deel Karterend booronderzoek. Voor de mogelijke aanwezigheid van steentijdvindplaatsen in de gespecificeerde archeologische verwachting dient gebruik gemaakt te worden van het kennisdocument "Optimale strategieën voor het opsporen van Steentijdvindplaatsen met behulp van booronderzoek. Een statistisch perspectief".

  • 8.

    In het booronderzoek dient 50% van het aantal boringen doorgezet te worden ter opsporing van de aanwezigheid, diepteligging en verspreiding van eventuele paleosols, indien deze verstoord dreigen te worden. Daarnaast dient in geval van hoge zwarte enkeerdgronden of dikke eerdgronden vastgesteld te worden of de aanwezige dikke A-horizont ( > 50 cm) op een plaggendek of andere aangerijkte bodemvorm terug te voeren is.

  • 9.

    Indien relevante hoogteverschillen in het maaiveld verwacht of aangetroffen worden, dient de maaiveldhoogte van de boorpunten of waarnemingen nauwkeurig bepaald te worden door middel van metingen (met waterpas of Total Station), of afgeleid te worden van de meest recente versie van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN).

Hoofdstuk 6 Inventariserend veldonderzoek in het Laagpakket van Walcheren

Artikel 6.1 Uitvoering

  • 1.

    In gebieden met dagzomend Laagpakket van Walcheren dient voorafgaand aan het eventueel verkennend booronderzoek op de onderzoekslocatie een visuele inspectie te worden uitgevoerd, om de onderzoeksstrategie af te stemmen op aan het maaiveld zichtbare (geologische) verschijnselen. De resultaten van visuele inspectie moeten vermeld worden in de rapportage.

  • 2.

    Allereerst dient in het inventariserend veldonderzoek op kreek- of getij-inversieruggen bij goede vondstzichtbaarheid een systematische oppervlaktekartering plaats te vinden (veldkartering) in raaien om de 5 meter. Indien de resultaten van een dergelijke kartering aanleiding geven tot behoud in situ, dient dit in deze fase van het onderzoek gerapporteerd te worden aan de bevoegde overheid en de adviserend archeoloog.

  • 3.

    Naar aanleiding van de resultaten van het vooronderzoek op kreek- of getij-inversieruggen (Bureauonderzoek, oppervlaktekartering, veldinspectie en verkennend booronderzoek) dient overleg plaats te vinden met de adviserend archeoloog om te bepalen welke vorm van vervolgonderzoek moet worden uitgevoerd. Bij plangebieden met een oppervlak groter dan of gelijk aan 2500 m2 kan ter opsporing gekozen worden voor een inventariserend veldonderzoek met proefsleuven (IVO-P) of een inventariserend veldonderzoek met boringen (IVO-O) om vindplaatsen op te sporen. Bij plangebieden met een oppervlak kleiner dan 2500 m2 wordt een karterend booronderzoek ter opsporing van vindplaatsen uitgevoerd.

  • 4.

    In overleg met de adviserend archeoloog wordt bepaald wat de dekkingsgraad voor het te onderzoeken gebied zal zijn en welk patroon van proefsleuven in het te onderzoeken gebied zal worden toegepast. De grondslag voor het uit te voeren proefsleufonderzoek wordt gevormd door de meest actuele versie van de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleufonderzoek (IVO-P).

  • 5.

    Het (leesbaar) opgravingsvlak dient direct onder de bouwvoor of afdekkende laag aangelegd te worden.

  • 6.

    Bij de keuze voor een booronderzoek is de methode en de strategie afhankelijk van de aard van de te verwachten vindplaatsen. De grondslag voor een dergelijk karterend booronderzoek wordt gevormd door de meest actuele versie van de KNA-Leidraad Inventariserend Veldonderzoek deel Karterend booronderzoek.

  • 7.

    Bij alle booronderzoeken in het Laagpakket van Walcheren dient met een HCl-test bepaald te worden of, en zo ja, waar het onderscheid ligt tussen kalkloze oudere afzettingen en kalkhoudende jongere afzettingen in het laagpakket. De resultaten van dit onderzoek dienen zowel in de boorstaten als in de objectieve beschrijving en interpretatie van het uitgevoerde onderzoek te worden opgenomen.

  • 8.

    Indien relevante hoogteverschillen in het maaiveld verwacht of aangetroffen worden, dient de maaiveldhoogte van de boorpunten of waarnemingen nauwkeurig bepaald te worden door middel van metingen (met waterpas of Total Station), of afgeleid te worden van de meest recente versie van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN).

Hoofdstuk 7 Intrekking, overgangsregeling, inwerkingtreding, citeertitel

Artikel 7.1  

  • 1.

    De 'Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2014' wordt ingetrokken, met dien verstande dat voor opdrachten welke zijn aangenomen binnen vier weken na de datum van inwerkingtreding van dit besluit een overgangsregeling geldt: in deze periode passen bedrijven, instellingen en overheden hun werkwijze aan en kan zowel volgens de oude als volgens de nieuwe richtlijnen gewerkt worden.

  • 2.

    Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin het wordt geplaatst en wordt aangehaald als 'Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2017'.

 

Aldus besloten in de openbare vergadering van gedeputeerde staten, gehouden op 11 juli 2017.

Drs. J.M.M. Polman, voorzitter,

A.W. Smit, secretaris

Uitgegeven, 14 juli 2017

Secretaris, A.W. Smit

Bijlage 1 Administratieve gegevens archeologische rapportage

 

 

Administratieve gegevens

 

 

Provincie

 

 

Gemeente

 

 

Plaats

 

 

Locatienaam

Altijd adres: straatnaam met huisnummer(s)

Indien geen huisnummer, dan alleen straatnaam.

Indien geen straatnaam, dan toponiem of

veldnaam.

 

 

RD-coördinaten: hoekpunten van

onderzoekslocatie polygoon.

 

 

Kadastrale perceelnummer(s)

 

 

 

 

 

Soort onderzoek

 

 

Zaaknummer ARCHIS huidig onderzoek

 

 

Projectnaam: waaronder het bij opdrachtgever

bekend is.

 

 

Planologische aanleiding (bestemmingsplan,

vergunning, etc.)

 

 

Oppervlak onderzoekslocatie(s)/Lengte tracé(s)

 

 

 

 

 

Status terrein: AMK-monumentnummer(s) en/of

status volgens gemeentelijk beleid, met benaming

en waarde

 

 

Bekend(e) ARCHIS2-waarnemingsnummer(s) of

ARCHIS3-zaaknummer(s)

 

 

Bekend(e) ARCHIS2-vondstmeldingsnummer(s) of

ARCHIS3-zaaknummer(s)

 

 

Zeeuws Archeologisch Depot vondstmelding(en)

 

 

Monumentnummers van gebouwde monumenten

(Rijks- en gemeentelijke monumenten)

 

 

 

 

 

Opdrachtgever, contactpersoon, contactgegevens

 

 

Begeleiding onderzoek, beoordeling en toetsing

(door adviserend archeoloog) namens

opdrachtgever, contactpersoon, contactgegevens

 

 

Bevoegd gezag, contactpersoon, contactgegevens

 

 

Begeleiding onderzoek, beoordeling en toetsing

(door adviserend archeoloog) namens bevoegd

gezag, contactpersoon, contactgegevens

 

 

Beheer en plaats van documentatie en vondsten:

Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD)

Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland

Postbus 49

4330 AA Middelburg

depot@scez.nl

Depotbeheerder: dhr. J.J.H. van den Berg

0118-670618

e-mail: jjh.vanden.berg@scez.nl

     

 

Levering van digitale gegevens:

Een digitale versie van het definitieve rapport dient

toegezonden aan de RCE.

In het onderzoek gegenereerde digitale data

dienen aangeleverd te worden aan het e-depot,

www.edna.nl.

Er moet worden gestreefd naar aanlevering van de

gegevens van boringen aan het DINO-loket (in de

toekomst Basisregistratie Ondergrond).

     

 

 

 

 

Nieuw aangetroffen vindplaatsen: ARCHIS-

zaaknummer(s). Bij duidelijke ligging en/of

datering verschillende vindplaatsen binnen een

onderzoeksgebied voor elke vindplaats een apart

ARCHIS-zaaknummer aanmaken en opnemen.

     

 

Complextype(n) en dateringen conform ARCHIS

van de nieuw aangetroffen vindplaatsen.

     

Bijlage 2 Contactgegevens archeologie provincie Zeeland

De actuele contactgegevens voor archeologie in de provincie Zeeland zijn te raadplegen op de website van de Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland, www.scez.nl/1/archeologie/120/richtlijnen/550/contactpersonen.


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl